Onbevangen over God spreken in een complexe werkelijkheid

 

Onbevangen over God spreken in een complexe werkelijkheid

De inhoud van de preek raakt mensen niet in wat hen vandaag de dag bezig houdt. Dat is de stelling van Reiner Knieling in zijn boek Was predigen wir? Daarom is het hoog nodig tijd dat er in de homelitiek na decennia van aandacht voor de vorm en de receptie van de preek ook aandacht komt voor de inhoud van de preek. Om daarbij na te gaan welke boodschap wel landt en de mensen iets laat zien van wat het evangelie voor hen betekent. Knieling wil predikanten stimuleren om bij deze thema’s ongecompliceerd (einfach) over God te spreken. Dat ongecompliceerde heeft volgens mij twee elementen in zich: (1) eenvoudig, to the point en  (2) vrijmoedig, onbevangen, zonder schroom

Waarom raakt de inhoud van de preek niet? Omdat hedendaagse preken hebben wel een boodschap die ontleend is aan het evangelie, maar niet is afgestemd op de hedendaagse hoorder. Of omdat de preken hebben wel een boodschap die is afgestemd op de hedendaagse hoorder maar missen de link met het evangelie, waardoor de boodschap een algemene waarheid wordt waarmee het christelijk geloof aan relevantie verliest.

Contextualisatie
Knieling wil laten zien dat er ook een andere weg mogelijk is: namelijk nagaan wat de mensen vandaag de dag bezig houdt en daarbij aanknopingspunten vinden in de christelijke traditie. Tussen de regels door proef je af en toe de verbazing van Knieling waarom deze weg, waarbij er gezocht wordt naar aanknopingspunten, nog zo weinig wordt gegaan. Immers in de missiologie is de contextualisatie van het christelijk geloof niet meer weg te denken. Daarnaast wordt er al enkele decennia binnen de dogmatiek gezocht naar aanknopingspunten. Deze zoektocht heeft creatieve theologische ontwerpen opgeleverd. In de kerkelijke praktijk, waarbij er voor elke zondag preken gemaakt moeten worden, hebben de discussie over de contextualisatie en die creatieve ontwerpen nauwelijks doorwerking gehad.

Geen koppeling
De prediker hanteert wel de christelijke begrippen, maar de inhoud van de begrippen is verloren gegaan. Welke luisteraar weet bijvoorbeeld nog wat zonde inhoudt? Terwijl predikers vaak veronderstellen dat hun kerkgangers nog wel weten wat zonde inhoudt.  In hun denken en handelen laten kerkgangers zich niet meer leiden door de christelijke traditie, omdat voor hen die koppeling tussen inhoud van het christelijk geloof en hun dagelijks leven niet meer bestaat. De hoorders maken bijvoorbeeld geen koppeling meer tussen zonde en de tragiek die er in hun eigen leven kan zijn. En hebben kerkgangers vandaag de dag wel behoefte aan preken, die over redding en verlossing van de zonde gaan? Of houden andere thema’s hen bezig, die in de preek niet aan de orde komen? Als dat zo is, groeien geloof en dagelijks leven nog verder uit elkaar, omdat in de preek de verbinding tussen christelijk geloof en dagelijks leven niet wordt gelegd.

Complexe tijd
Om die koppeling te maken tussen geloof en dagelijks leven dient de prediker te weten in welke tijd we leven. Het is goed om bij het voorbereiden van de preek te realiseren dat we in een complexe tijd leven en dat veel gemeenteleden die complexiteit dagelijks ervaren. Er zijn namelijk veel tegengestelde tendensen in onze maatschappij:

* Aan de ene kant kunnen we zeggen dat de mogelijkheden om te kiezen zijn toegenomen. Als het gaat om kiezen van opleiding, beroep, partner, vormgeven van het eigen leven zijn de mogelijkheden aanzienlijk toegenomen. Aan de andere kant zijn er nog steeds mensen in onze maatschappij die deze keuze niet hebben. Door armoede, gezinssamenstelling, ontslag zijn de keuzes voor hen beperkt. Zij hebben de energie of de financiële mogelijkheden niet om deze keuzes te kunnen maken. Zij hebben hun handen vol aan het overleven.

* Aan de ene kant kunnen we zeggen dat er veel meer vrijheid is gekomen door de mogelijkheid om te kiezen. Aan de andere kant kunnen we steeds weer merken dat het gezin van herkomst, de sociale klasse, de regio waaruit we komen mede bepalend zijn voor ons denken en handelen. Onze herkomst kan de vrijheid om te kiezen beperken, bijvoorbeeld door een loyaliteit naar ons gezin van herkomst.


* We kunnen allerlei idealen hebben, die we willen verwezenlijken. Maar die idealen kunnen stranden door een echtscheiding, een ontslag, een burnout.


* Voor het ene gemeentelid kan er sprake zijn van een opklimmen op de sociale ladder; voor het andere een stap terug (of is de dreiging van die stap terug reëel aanwezig).


Zeggingskracht verloren
Naast de toenemende complexiteit van de maatschappij zijn ook verschillende tradities, die voor houvast, identiteit, emancipatie en sturing zorgen verdwenen. Postmodern uitgedrukt: de grote verhalen hebben hun zeggingskracht verloren. De enkeling in deze maatschappij kan daarom niet zomaar terugvallen op een groep of op een levensbeschouwelijk kader. Geldt dat voor het christelijk geloof ook? In ieder geval zijn veel begrippen niet meer bekend en zijn ook veel christenen niet meer hun traditie in te zetten voor betekenisgeving.

Preken in deze tijd lijkt er daardoor niet makkelijker op geworden: Veel gemeenteleden maken uit zichzelf niet meer de koppeling tussen hun dagelijks leven en het christelijk geloof. De begrippen zijn voor veel gemeenteleden niet meer bekend. En dan zijn die begrippen voor buitenstaanders helemaal onbegrijpelijk. Gemeenteleden zitten vaak niet te wachten op een diepgravend theologische of exegetische uiteenzetting, maar hebben behoefte aan een boodschap die nauw aansluit bij wat hen hun dagelijks leven bezig houdt.


Oog voor de diversiteit
Toch is het niet de bedoeling van Knieling om hedendaagse predikers te ontmoedigen. Integendeel, hij wil predikers enthousiast maken voor en wil laten zien welke kansen een prediker vandaag de dag heeft. Deze tijd vraagt om onbevangen over God te spreken, waarbij de inhoud niet te ingewikkeld is, maar juist nauw aansluit bij het dagelijks leven. Het spreken over God gebeurt wel in een complexe werkelijkheid met vaak tegengestelde ontwikkelingen. Ook de ervaringen die mensen met God hebben zijn verre van eenvoudig.

Knieling wil die complexe werkelijkheid niet reduceren, maar geeft aan dat deze tijd juist vraagt om die complexe werkelijkheid aan de orde te stellen als verschillende stemmen die reageren op de inhoud. Die complexe werkelijkheid en het leven met God dat vaak verre van eenvoudig is kan de prediker doen verlammen, waardoor hij of zij geen boodschap durft te brengen of komt met een boodschap die clichématig is. Een boodschap kan wel gevonden worden als de prediker oog krijgt voor diversiteit: de diversiteit van de Schrift, de diversiteit aan ervaringen met God binnen de gemeente, de diversiteit aan visies op een thema uit de christelijke geloofsleer.

Onbevangen
Het klinkt paradoxaal: als er  in de preek ruimte komt voor de diversiteit van geloofservaringen en de complexiteit van onze samenleving komt er ruimte voor een onbevangen spreken over God. De prediker hoeft zich namelijk niet groter te maken dan hij of zij is: de prediker hoeft geen supergelovige te zijn die het beter doet dan het gemiddelde gemeentelid, maar mag ook gewoon mens zijn en juist de eigen kwetsbaarheid en worstelingen inbrengen, het zoeken, samen met het geraaktzijn door het thema of het Bijbelgedeelte, de vreugde. De prediker is dan een stem binnen het geheel van de gemeente. Geen onbelangrijke stem, want geroepen om Gods Woord binnen de gemeente te verkondigen. De prediker is iemand die tijd en rust gevonden heeft om zich te verdiepen in Gods Woord, naar Gods spreken te luisteren, dat spreken op zich in te laten werken. Een getuige, die binnen de gemeente iets mag delen van de ervaringen, de worstelingen, de vragen, antwoorden die soms gevonden worden, vragen die uitgehouden moeten worden, omdat daar geen eenvoudig antwoord op te vinden is.
Maar de prediker is niet de enige binnen de gemeente die ervaringen met of kennis over God heeft. Voor Knieling is het gesprek binnen de gemeente over de inhoud van de verkondiging van grote betekenis. Dat gesprek scherpt de voorganger en helpt de gemeenteleden de boodschap nog meer eigen te maken.

Inhoud
Knieling wil aandacht voor de inhoud van de verkondiging. Welke thema’s zijn relevant in deze tijd? Welke thema’s komen dicht bij de mensen vandaag de dag en kunnen gemeenteleden helpen om een verbinding te maken tussen hun geloof en hun dagelijks leven? De thema’s die hij aandraagt, komen op uit zijn analyse van de maatschappij met die tegengestelde ontwikkelingen:

  • Falen
  • Heil en gezondheid
  • Het lijden en sterven van Jezus
  • Het perspectief van mannen
  • Armoede, rijkdom en sociale gerechtigheid

Binnen de christelijke geloofsleer kan er gezocht worden naar aanknopingspunten, waarbij er een brug geslagen wordt tussen de inhoud van het christelijk geloof en de ervaringen in het alledaagse leven.

Verpakken
De inhoud van het christelijk geloof kan niet rechtstreeks worden doorgegeven, maar dient te worden ‘verpakt’. Om te kunnen verpakken is een nauwkeurige observatie van de huidige maatschappij en de hedendaagse ervaring van belang, waarbij er oog is voor de positieve, negatieve en ambivalente ervaringen op dit terrein. Net zo belangrijk is een goede kennis van dat onderdeel van de christelijke geloofsleer: de diversiteit aan interpretaties, de positieve, negatieve en ambivalente ervaringen binnen de gemeente op dit vlak. Bij het ‘verpakken’ van de christelijke inhoud wordt de dialoog gevoerd tussen de hedendaagse ervaringen en de inhoud van het christelijk geloof, zodat voor de prediker helder wordt wat de kansen en de belemmeringen zijn om de verbinding te leggen.

Falen
Binnen de gemeente en in de hedendaagse maatschappij zijn er veel mensen die ervaring hebben met falen, met dromen die niet uitkomen, verwachtingen die stuklopen. Aanleiding voor Knieling om het thema falen te doordenken was een gesprek op een verjaardag, waarbij iemand deelde van de frustrerende ervaringen rondom een echtscheiding. Deze persoon gaf aan: ‘Ik wens dit mijn ergste vijand nog niet toe.’ Knieling vroeg zich af, wat er zou gebeuren als deze man de komende zondag in de kerk aanwezig zou zijn. Zou er een plek zijn in de dienst waar die ervaring aan de orde komen? Zou hij een verbinding leggen met zijn geloof? Of zou zijn geloof helemaal los staan van deze ervaring?
Er zijn verschillende ervaringen rondom falen: een ontslag, een echtscheiding, een studie die afgebroken moet worden, vriendschappen die niet onderhouden kunnen worden. Deze ervaringen komen in de gemeente voor naast ervaringen van een geslaagd leven. Soms kan dat in een mensenleven samen op gaan: een geslaagde carrière maar een vastgelopen huwelijk, een leuke vriendin maar een studie die niet afgemaakt kan worden.
Wanneer je ergens in faalt, is dat niet iets om mee te koop te lopen. Integendeel: falen roept een gevoel van schaamte op, van mislukken. Falen kan te maken hebben met eigen schuld en ook met overmacht en noodlot.

Tragiek
Knieling brengt het falen in gesprek met de zondeleer. In de afgelopen decennia is er bij de doordenking van de zondeleer meer aandacht gekomen voor het tragische van de zonde. De nadruk ligt niet meer op het schuldig zijn tegenover God, maar op het verstriktzijn in verkeerde structuren. In dat verstriktzijn in die verkeerde structuren kan er sprake zijn van eigen schuld, maar ook van noodlot en overmacht. Christenen zijn geen supermensen, die dit verstriktzijn ontlopen of die hiervoor bespaard worden. Ook zij hebben te maken met de tragiek van het bestaan en met falen: soms door eigen toedoen, soms door wat hen overkomt waarbij het niet duidelijk is wat aan de eigen verantwoordelijkheid is toe te schrijven.

Tragiek in verkondiging en liturgiek
De kerk doet er goed aan, volgens Knieling, om niet alleen de zonde als schuld (naar God of naar de medemens) aan de orde te stellen, maar ook de tragische kant. Dat kan in de verkondiging, maar ook eerder in de liturgie als de schuldbelijdenis wordt uitgesproken. Schuld hoeft niet weggeredeneerd te worden. Waar echt sprake is van schuld kan over de genade en vergeving gesproken worden. Waar sprake is van noodlot, tragiek die een mens overkomt, kan gesproken worden over het bevrijdend handelen van God die in Zijn liefde naar mensen op zoek is. De prediker doet er goed aan iets van de eigen ervaringen te laten zien, waardoor hij of zij zich solidair toont met de gemeente. Een belangrijke vraag bij de voorbereiding is: welke ruimte opent de preek die gehouden gaat worden? Is er ruimte om er in mee te komen? Is de prediker sensibel genoeg voor de ingewikkeldheid van de materie? Welke ruimte is er voor de gemeenteleden die op dat moment niet een ervaring van falen of schuld hebben, maar dankbaar en gelukkig zijn?

Heil en gezondheid
Wanneer mensen gevraagd worden naar het belangrijkste in hun leven scoort gezondheid vaak hoog. Binnen de gemeente en de maatschappij zijn er veel verschillende ervaringen: ziekte, behandeling, kuren en operatie en de spanning, de zorg en de verwachtingen die bijgesteld moeten worden. Daarnaast ervaringen van beter worden, afgesloten behandelingen, zorgeloos en vitaal op hoge leeftijd. In de maatschappij is er een sterk verlangen naar gezondheid en naar een wereld zonder pijn en verdeeldheid.
Hoe kan het christelijk denken over gezondheid, genezing, gelovig omgaan met ziekte, met Gods leiding in het leven worden verpakt, zodat gemeenteleden en buitenstaanders verder geholpen worden? Knieling pleit ook hier voor een sensibiliteit voor de verschillende ervaringen, die elkaar soms tegenspreken en tegelijkertijd voor een onbevangen spreken over God. Onbevangen spreken over God die deze wereld geschapen heeft. Bij de schepping heeft Hij heilzame krachten aan de schepping gegeven. Tegelijkertijd houdt de christelijke traditie eraan vast, dat God ook nu nog actief ingrijpt. Maar ook spreken over het uitblijven van dat ingrijpen, de vragen en de worstelingen die dat met zich meebrengt, het uithouden van de onmacht en de hoop op een leven in heerlijkheid.

Het lijden en sterven van Jezus
Een belangrijke vraag binnen de homiletiek is: wat zeggen we over Jezus? Binnen de kerk zijn verschillende visies gekomen op de betekenis van het lijden en sterven van Jezus. Hoe kan in de prediking omgegaan worden met die verschillende visies? Allereerst door te zien dat ook er in de Bijbel verschillende betekenissen aan het lijden en sterven van Jezus worden verbonden. Binnen de dogmatiek zijn die verschillende visies in de afgelopen decennia ook uitgewerkt. Bijvoorbeeld door het leven, het lijden en sterven te doordenken vanuit de opstanding. Of de kruisdood van Jezus te zien als het delen in onze machteloosheid. Knieling verzet zich tegen een theologie die in de kruisdood van Jezus genoegdoening voor God ziet. God hoeft niet verzoend te worden, maar wij mensen en God geeft die verzoening. De kruisdood van Jezus toont Gods liefde voor mensen. In de liturgie kunnen die verschillende interpretaties naar voren komen (bijvoorbeeld in kerkliederen). Een kans om de christelijke geloofsinhoud te verpakken is de identificatie met de figuren in de Bijbel die Jezus vergezellen op zijn weg naar het kruis. Of de weg van Jezus naar het kruis vertellen als de geschiedenis van Gods liefde tot mensen.

De perspectieven van mannen
Knieling is ook betrokken bij het onderzoek naar de perspectieven van mannen op de kerk, de theologie, op God en op de Bijbelse verhalen. Deze perspectieven komen veel minder in de theologie aan de orde dan de perspectieven van vrouwen. Hoewel de kerk en de prediking lange tijd door mannen gedomineerd is, heeft niet elke man zich thuis gevoeld in die door mannen gedomineerde wereld. Slechts de ervaringen en de visies van een beperkte groep van mannen is in de kerk aan de orde geweest. Daarom heeft een deel van de mannen een moeizame relatie met de kerk, omdat hun thema’s en vragen niet aan de orde zijn geweest.
Wat zijn dan de thema’s die deze mannen bezig houden? Uit studies onder mannen blijkt dat:
– dat zij het leven vaak zien als een strijd die moet worden aangegaan.
– de relaties die zij hebben voor hen van grote betekenis zijn, waarbij erkenning door die anderen van grote waarde is.
– behoefte aan avontuur
– behoefte aan inhoudelijke thema’s waarvan ze kunnen leren.
– behoefte aan een wereld waarin zij zich terug kunnen trekken om daar zichzelf te zijn (naast de werelden waarin ze verkeren: werk, kerk, gezin, enz).
– positieve aandacht voor de prestaties die zijn geleverd.

Kloof
Net als bij vrouwen kan bij mannen gelden dat er een kloof is tussen de officiële theologie van de kerk en de onofficiële geloofsbeleving van mannen. In de kerk rust er een taboe op trots en prestaties, want ‘ook onze beste werken zijn met zonde bevlekt’. Knieling neemt die onofficiële geloofsbeleving ook waar bij mannelijke predikanten, die dan bijvoorbeeld in een bijzin laten doorschemeren dat zij heel trots zijn op een behaald resultaat. Knieling ziet meer in een verpakking van het christelijk geloof, waarin die onofficiële geloofsbeleving niet verdrongen wordt, maar respectvol, sensibel en met oog voor de ambivalenties én de positieve ervaringen wordt gethematiseerd.


Behaalde resultaten
Aandacht voor de thema’s die veel mannen bezig houden leidt tot een herwaardering van de schepping en het verder doordenken van de scheppingstheologie, waarbij aandacht is voor de ervaringen van mensen. Die aandacht voor de schepping is niet vreemd aan de reformatorische theologie, maar kan ondergesneeuwd raken door exclusieve aandacht voor de christologie. Verder kan het zinvol zijn om op een positievere manier te spreken over de behaalde resultaten en de geleverde strijd, waarbij in de prediking een koppeling gemaakt wordt naar God. Op die manier leren mannen, die zich anders niet herkend voelen in de prediking, de verbinding te leggen tussen hun dagelijkse ervaringen en de God die hen roept.


Persoon van de prediker
Knieling pleit dus voor de verbinding tussen de dagelijkse ervaringen van gemeenteleden en de inhoud van het christelijk geloof, waarbij op een onbevangen manier over God gesproken wordt, maar wel sensibel voor de complexiteit van de wereld waarin wij leven. Het leggen van die verbinding, het kennen van de complexe werkelijkheid en het onbevangen spreken over God vraagt ook wat van de prediker. Namelijk dat hij of zij ook iets van zichzelf laat zien. De prediker hoeft zich niet helemaal bloot te geven, maar kan wel iets delen van de eigen ervaringen in deze werkelijkheid en de eigen ervaringen met God. Als een getuige die de andere gemeenteleden verder helpt. Dat vraagt om tijd en rust voor God. Dat vraagt een oefenen in het horen van Gods stem en het vertrouwen op God.

Dat vraagt om een oefenen in het spreken over God op een duidelijke en onbevangen manier: oefening in getuige zijn. Dat vraagt om een oefenen spiritualiteit, waarin de werkelijkheid van Gods werken en de dagelijkse werkelijkheid van de prediker met elkaar verbonden worden, waarbij er ruimte is voor de positieve en de negatieve ervaringen, voor de rust en de strijd, voor de zegen en de onmacht.
Dat vraagt om passie. Voor de verkondiging, maar ook voor bepaalde onderdelen van het dagelijks leven. Zoals Rudolf Bohren zijn Predigtlehre inzet met de dingen die hij hartstochtelijk doet: aquarellen schilderen, skiën, houthakken en preken. De passies van Knieling zijn: wielrennen, het observeren van mensen, discussiëren en preken. Preken vraagt om passie. Om passie voor God en voor de prediking. Maar ook om passie voor wat we in het alledaagse leven doen.

N.a.v. Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009)


 

Contextualisatie

Contextualisatie
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 4

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 4: contextualisatie

De inhoud van de preek raakt mensen niet in wat hen vandaag de dag bezig houdt. Dat is de stelling van Knieling. Binnen de praktische theologie is in de laatste decennia veel aandacht besteed aan de vormgeving, aan hoe de kerk zou moeten handelen, aan waarnemen van de situatie. Daardoor is de aandacht voor de inhoud van de boodschap ondergesneeuwd.

Buiten de maatschappij
De vormen van het christelijk geloof staan al buiten de maatschappij, maar met de thema’s en de uitwerking van die thema’s is dat nog veel sterker het geval, aldus Knieling. We leven in een cultuuromslag van een premoderne en laatmoderne tijd naar een postmoderne tijd. Veel gelovigen merken die omslag in hun eigen leven of in hun eigen omgeving. Niet alleen de verbinding tussen evangelie en context gebeurt nauwelijks in preken, maar in de verkondiging wordt ook nauwelijks recht gedaan aan het evangelie of aan de context.
Preken worden vaak gekenmerkt door clichés, vanzelfsprekendheden en banaliteit. God is niet meer een God die handelt, die zich laat zien, die rekenschap vraagt en gepassioneerd naar mensen op zoek is. God is geen tegenover meer en daardoor niet meer interessant en aantrekkelijk.

Knieling citeert Peter L. Berger: de kerk ‘vernietigt zichzelf, omdat mensen ontdekken dat ze moreel kunnen zijn en kunnen handelen zonder Jezus, dat ze authentiek en geestelijk gezond kunnen zijn zonder godsdienst en dat ze politiek betrokken kunnen zijn zonder kerk’.

Inhoud!
Volgens Knieling is het daarom urgent om de alledaagse ervaring van concrete mensen en de theologische doordenking op elkaar te betrekken. Ook in de homiletiek wordt nauwelijks nagedacht over welke inhouden er vandaag de dag in de verkondiging gethematiseerd en uitgewerkt zouden moeten worden.
(Met als uitzondering: Andrea Bieler & Hans-Martin Gutmann, Rechtfertigung der “Überflüssigen” en Heye Heyen, Heil verkündigen. Daarnaast is er binnen de Emerging Church- beweging enige aandacht voor de ‘contextualisatie’ van de inhoud van de christelijke boodschap)
Na decennia van aandacht voor de vorm van de preek en voor de luisteraar is het nu dringend nodig aandacht te besteden aan de inhoud van de preek (in vaktermen: materiële homiletiek).

Contextualisatie
Knieling was in de jaren-’80 op Sumatra, waar hij ontdekte dat de vorm van de kerkdienst en de kerkliederen sterk leken op wat er in de Duitse kerken gebruikelijk was. Toen hij daar was, kwamen net de meer Indonesich vormgegeven liederen op. De bekende uitspraak van Jezus, dat Hij het brood des levens is, werd niet aangepast aan een cultuur waar rijst het alledaagse voedsel was (omdat anders de link met het avondmaal verdween).
Het gaat Knieling om de bewustwording, dat er nagedacht moet worden over hoe inhoud en woorden vertaald moeten worden in een bepaalde cultuur. Het is niet van tevoren duidelijk hoe het evangelie in een bepaalde cultuur het beste wordt uitgedrukt. Die zoektocht daarnaar is niet zonder spanningen. Hij citeert Lesslie Newbigin: ‘Bij de poging ‘relevant’ te zijn, kan men in syncretisme vervallen en bij de poging om syncretisme te vermijden kan men betekenisloos worden.’

Ook binnen de Europese cultuur
Newbigin paste dit niet alleen op culturen waarin het evangelie nog maar recent gekomen was, maar paste dit ook toe op de Europese cultuur die al eeuwen door het evangelie is gestempeld. Ook in dat door het christendom gestempelde Europa is het van belang te zoeken naar hoe het evangelie vertolkt kan worden en verworteld kan raken. Misschien is deze opdracht nog wel makkelijker in een cultuur die vreemd is voor het evangelie, omdat het evangelie daar niet eerder heeft geklonken, dan in de Europese cultuur die reeds gestempeld is door het evangelie: Wat in de vormgeving en de verwoording van het evangelie cultuurgebonden en kenmerkend voor de premoderne of laatmoderne tijd en wat is blijvend omdat dat kenmerkend is voor het evangelie? Onze overtuigingen vallen niet samen met het evangelie. Hoe kunnen we onderscheid maken tussen wat van de cultuur en wat van het evangelie is?

Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 53-59

Verstaan en begrijpen bij het voorbereiden en houden van de preek

Verstaan en begrijpen bij het voorbereiden en houden van de preek
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 3

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 3: Verstaan en begrijpen bij het voorbereiden en houden van de preek.

Preken maken heeft te maken met proberen te begrijpen. Het vak waarin begrijpen en verstaan aan de orde komt is hermeneutiek. Knieling geeft een korte schets van een homiletische hermeneutiek: wat komt er allemaal kijken aan verstaan en begrijpen in het voorbereiden en houden van de preek?
Bij het voorbereiden en houden van de preek zijn heel wat terreinen aan de orde. Op deze terreinen waarop begrijpen en verstaan een rol speelt, kan de prediker veel ontdekkingen doen. Deze ontdekkingen kunnen soms elkaar tegenspreken. Volgens Knieling dienen die ontdekkingen in een spanningsvolle relatie met elkaar worden gezet.

Terreinen:
* De concrete mensen voor wie de preek is bedoeld
* De concrete gemeente voor wie de preek is bedoeld
* Maatschappelijke context van die concrete mensen en concrete gemeente
* Trends binnen de gemeente en in de maatschappij en ontwikkelingen die tegen die trends ingaan
* Het evangelie in de context van de Bijbel en de protestantse traditie
* Ervaringen die opgedaan worden
* De eigen biografie
* De concrete Bijbeltekst
* De concrete situatie waarvoor de preek is bedoeld.

Vragen
Daarbij zouden de volgende vragen gesteld kunnen worden:
– Hoe leven de concrete gemeenteleden van de concrete gemeente (die mogelijk de eredienst zullen bijwonen)?
– Hoe leven de concrete mensen die niet in de kerkdienst komen (maar mogelijk aanwezig zijn in een bijzondere dienst als een rouwdienst of een trouwdienst)?
– Wat zijn de kenmerken van de laatmoderne of postmoderne, postseculiere cultuur? Wat zijn de overeenkomsten en de verschillen met de moderne of premoderne cultuur qua denkpatronen en levensstijlen?
– Heb ik een eigen roeping of missie?
– Wat zijn mijn eigen ambivalenties en weerstanden?
– Hoe versta ik het evangelie?
– Wat is voor mij de betekenis van deze Bijbeltekst voor deze tijd?
– Wat betekent dat het gebeuren van de preek zich binnen een kerkelijk milieu afspeelt en als een binnenkerkelijk fenomeen wordt waargenomen?
– Wat betekent het dat er in de preek meestal maar één persoon is die spreekt?
– Welke signalen gaan van daarvanuit?
– Voelen mensen zich gesteund als iemand in hun plaats, voor hen het geloof formuleert? Of hebben ze de indruk dat er naar hun mening niet is gevraagd?

(Martin Nicol en Alexander Deeg hebben met hun dramaturgische homiltiek  een fascinerend model gegeven waarin de spanningen bewust opgezocht en uitgebouwd worden.)

Begrip versus scepsis
Bij het verstaan en begrijpen gaat het er niet alleen om wat we begrijpen, maar ook hoe we begrijpen. Het maakt nogal uit of we het onderwerp, de persoon van wie we wat lezen, de formuleringen sympathiek vinden of niet. Er kunnen verborgen motieven zijn om het onderwerp aan te snijden of juist te vermijden, of om het op deze manier aan de orde te stellen.
Verstaan en begrijpen zwenkt tussen twee polen: de pool van sympathie / begrip / vertrouwen aan de ene kant en de pool van verdenking / scepsis / weerstand aan de andere kant.

De pool van sympathie / begrip / vertrouwen helpt om respect te hebben voor de geloofservaring van anderen en van jezelf. We nemen waar zonder daar een oordeel over te vellen. We hoeven geen kant en klare antwoorden te hebben. We laten ons raken en meenemen door de tekst van de Bijbel; we brengen onszelf in (het aangesproken zijn uit het concept van Schleiermacher, het profetische van Bonhoeffer). In de preek mag er best iets persoonlijks worden gedeeld (het getuige-zijn uit het concept van Grözinger).  We laten het evangelie aan het woord en laten aan God over wat Hij er mee doet.

Daarnaast is de pool van verdenking / scepsis / weerstand, die in de postmoderniteit heel serieus genomen wordt, van groot belang voor de preek. Kant en klare beelden over God, over andere mensen, over wat christenzijn inhoudt worden kritisch bevraagd. Vanuit een zelfkritiek:
* Welke theologie kleurt mijn waarneming?
* Welke elementen uit mijn socialisatie en biografie bepalen mijn interpretatie van het evangelie, de concrete mensen en de concrete gemeente en de concrete situatie?
* Hoe evident is die interpretatie?
* Welke positieve en negatieve ervaringen heb ik met een bepaald thema?
* Wat is mijn interpretatie van theologische kernthema’s? Wat draagt mijn interpretatie bij aan het verstaan van het evangelie? Op welke manier belemmert mijn interpretatie dat verstaan?

Tussenruimte
De beide polen zijn serieus te nemen. Daardoor ontstaat er een tussenruimte, waarin verrassende ontdekkingen gedaan kunnen worden, omdat niet meer de geijkte paden worden gevolgd. Door de beide polen serieus te nemen wordt er een spanning opgebouwd. We volgen niet meer één spoor. De verschillende stemmen in ons (denk aan het innerlijke team van F. Schulz von Thun; het dialogische zelf van Hubert Hermans) krijgen recht van spreken in de omgang met de Bijbeltekst, waardoor de dialoog levendiger en levensechter wordt.

Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 49-53


 

Wat is preken?

Wat is preken?
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 2

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 2: Stemmen uit heden en verleden over wat preken is.

In de afgelopen decennia heeft vooral de vorm van de preek de aandacht gehad: hoe wordt de preek opgebouwd en hoe is de voordracht. Daarnaast was er veel aandacht voor de interactie met de luisteraars.
Knieling vindt dat het tijd wordt om ook weer over de inhoud na te denken: Wat wordt er in de preek gezegd? Welke boodschap past in deze tijd? Knieling is namelijk van mening dat de inhoud van de preek te wensen overlaat. Of het is een heel afgezwakte boodschap die nauwelijks nog verkondiging te noemen is. Of het is een verkondiging die geen rekening houdt met alle veranderingen in de maatschappij, waardoor de boodschap niet aankomt.

Knieling maakt onderscheid tussen preken en verkondigen:
* Preek: toespraak in de eredienst
* Verkondiging: overkoepelend begrip voor verschillende vormen, zoals preek, meditatie, gesprek over de Bijbel, enz.

Enkele vragen om vooraf te overdenken:
* Welke ervaring heb ik zelf met preken en verkondigen? Welke preken en verkondiging heb ik aangehoord? Waar was dat? In de eigen gemeente of elders? In een officiële kerkdienst of een bijzondere dienst op een speciale locatie? Hoe heb ik dat beleefd?
* En als actieve prediker: Voor welke situatie was dat? Hoe heb ik dat gedaan? Hoe heb ik dat beleefd? Wat wil ik ermee?
* Wat is voor mij een goede preek of een goede verkondiging?
* Wat gebeurt er tijdens de preek of verkondiging?
* Wat is preken? Wat is verkondigen?

Ten aanzien van de stemmen uit heden en verleden die voorbij komen:
* Wat zou ik precies zo formuleren?
* Wat zou ik aanpassen of heel anders formuleren?

1) Bijbelse ontdekkingen
In Oude en Nieuwe Testament is te zien dat God zich aan mensen toont. Hij spreekt tot hen. Daarop spreken mensen met anderen over God, die gesproken heeft. In de Bijbel worden alledaagse woorden gebruikt voor dat spreken van God:
– Spreken – Vertellen – Leren, onderwijzen
– Roepen – Bekend maken – Herinneren
– Mededelen – Laten horen – Inscherpen
Zowel het Oude als Nieuwe Testament wordt op verschillende manieren gesproken over de communicatie van God tot mensen.

Wat kunnen we uit de Bijbel leren voor de preek en verkondiging vandaag de dag?
(1) Het spreken van God kent net zo verschillende vormen van communicatie als het leven zelf. Dat spreken is in ieder geval gevarieerder dan de huidige preekvorm in de eredienst en zelden een monoloog.
(2) Het spreken van God is niet zonder effect. De mensen reageren wel steeds verschillend op het spreken van God: mensen geven gehoor, mensen spreken hem tegen, of wijzen het van de hand.
(3) Het spreken van God op zoveel verschillende manieren laat iets zien van de grootheid en het geheimenisvolle van God: God is niet op een noemer te brengen.

2) Maarten Luther – Effectief spreken van God
Voor Maarten Luther is het spreken van God van groot belang. Het is een levendig spreken van God tot de gemeente; een levendige dialoog waarbij God spreekt en de gemeente antwoordt door gebed en lofzang.  Dat spreken van God kent twee dimensies: wet en evangelie (of: eis en vrijspraak). Deze twee dimensies vallen niet samen, maar kunnen ook niet van elkaar losgemaakt worden.
Het spreken van God heeft effect: het spreken werkt geloof. Het spreken van God raakt de mens in het hart en in het geweten. Dat hart en dat geweten is aan de ene kant de kern van ons persoon-zijn, aan de andere kant is dat een innerlijk gebied waarin nogal wat gebeurt aan kwade krachten, kwade gedachten en handelingen. Wie in zijn eigen hart kijkt, kan schrikken wat hij of zij daar aantreft aan duistere hoeken en ravijnen. De wet in Gods spreken wijst dat duistere aan, maar het evangelie geeft aan hoe de mens daarvan kan loskomen, bevrijd kan worden, voor Gods aangezicht kan worden vrijgesproken van schuld.

In de preek komt dat levendige spreken van God tot de gemeente. Er is een levendige dialoog tussen God en de gemeente. De predikant die de preek houdt heeft die dialoog zelf eerst gehad, waarbij er bij de predikant niet direct geloof is. De weg naar de preek is een weg van uitvoerig bemediteren en jezelf laten aanspreken en in een openheid voor Gods spreken (gebed). Dit overdenken, doorleven en ter harte nemen gaat niet zonder aanvechting. Deze overdenking en die aanvechting moet tot Christus leiden. Hij is de basis van het geloof. Hij spreekt vrij.

Luther had twee fronten waartegen hij zijn visie op preek, verkondiging en eredienst moest afzetten:
* Tegenover Rome: het priesterschap van alle gelovigen, die de verkondiging horen en in staat zijn om die verkondiging inhoudelijk te beoordelen.
* Tegenover de ‘Schwärmer’: de eredienst kent een bepaalde ordening: de orde van dienst. Het belangrijkste is het levendige spreken van God. De orde van de dienst is daaraan ondergeschikt. Luther creëerde naast de Latijnse mis de mogelijkheid om de kerkdienst in het Duits te houden (Deutsche Messe). Die verschillende vormen bedreigen de eenheid van de gemeente niet.
De orde was is niet onbelangrijk. De Geest verbindt zich namelijk aan de Schrift en aan Christus.

Knieling is gefascineerd door het vertrouwen dat Luther heeft in de verkondiging, omdat de levende God zijn stem daardoor heen laat klinken en een levendige dialoog met de gemeente aangaat en in staat is geloof te wekken. Dat geeft hem gelijk een zelfkritische vraag: Preek ik met zo’n verwachting dat mijn verkondiging van het evangelie in staat is om geloof te wekken?

Hoe zit dat met dat effectieve woord, dat effectieve spreken in de beeldcultuur van vandaag de dag? Luther verbande de beelden niet uit de kerk en kon heel beeldend preken. De Bijbel bevat ook veel grootse beelden, die ook in deze tijd indruk kunnen maken.

(3) Friedrich Schleiermacher (1768-1834)
De kerkdienst is volgens Schleiermacher een plaats van de circulatie van het godsdienstige bewustzijn. De mens heeft volgens Schleiermacher een bewustzijn van totale afhankelijkheid van het transcendente. Dit bewustzijn wordt in de preek gedeeld, waardoor de gemeente daarin wordt meegenomen of daardoor wordt aangestoken. Een preek is daarom geen leerrede of moralistisch verhaal, maar een toespraak die de gemeente wil opbouwen. De preek roept de werkelijkheid die er bij mensen reeds is – namelijk dat bewustzijn van totale afhankelijkheid van het transcendente. God heeft dit bewustzijn ingeschapen. Schleiermacher spreekt in zijn preken de gemeenteleden daarom ook als christenen aan (en niet als mensen die nog bekeerd moeten worden).
In de theorie van Schleiermacher is de persoon van de prediker van groot belang: de prediker is als een kunstenaar die het bewustzijn bij de gemeente oproept. Daarbij gaat het Schleiermacher niet om een emotie of een stemming, maar om de inhoud van wat de prediker als kunstenaar oproept. De prediker kan dat alleen als de prediker zelf is aangesproken en daarvan deelt met de gemeente.
Dat is ook wat Knieling fascineert in de visie van Schleiermacher: de preek als godsdienstige toespraak door een prediker die is aangesproken, doordat de prediker is geraakt door een religieuze ervaring op basis van de kerninhoud van het christelijk geloof aan de hand van de Bijbelse teksten. Dit aangesproken zijn prikkelt het godsdienstige bewustzijn en bouwt de gemeente op.

4) Karl Barth (1886-1968)
Van Karl Barth stamt de beroemde omschrijving van verkondiging dat wij niet over God kunnen spreken (omdat God te groot is om te begrijpen en in mensenwoorden te vangen), maar dat we wel moeten (omdat God ons mensen daartoe heeft opgedragen).
Voor Karl Barth heeft de preek een verwijzend karakter: Zij wijst op het Woord van God. De preek valt niet samen met het Woord van God. Mensenwoorden worden niet veranderd in woorden van God. Het is niet de taak van mensen om God tot spreken te brengen. Dat zou menselijke hoogmoed zijn.
Maar het woord van God is wel verborgen aanwezig in de preek. De taak van de prediker is om zo op de vragen van de gemeenteleden in te gaan (en die vragen open te houden) tot God zelf met een antwoord komt. Daarom is het gebed om de Geest van God van groot belang in de kerkdienst. Alleen Gods eigen spreken kan dat antwoord geven.
De visie op preken en verkondiging die Barth had wijkt dus niet eens zoveel af van wat Ernst Lange voorstond. Barth had er ook geen moeite mee dat communicatiewetenschappen werden toegepast in de reflectie op en de praktijk van het preken.

Wat Knieling aan Barth fascineert, is dat bij Barth de prediker een bescheiden rol krijgt: de eigen mening is ondergeschikt aan wat God te zeggen heeft. Barth had een besef van de voorlopigheid van de eigen theologie. Aan de andere kant wilde Barth oog hebben voor wat de mensen bezighield. In de verkondiging worden de luisteraars voor het aangezicht van God waargenomen. De wereld waarin wij leven, met alle chaos en ongerijmdheid, is niet zomaar een wereld, maar Gods wereld. Dat wenst Knieling meer: dat de preek een ruimte opent, waarin de inzicht vanuit de Schrift kan ‘inbreken’ in de levensgeschiedenis van mensen, die zich daardoor serieus genomen weten en iets van God ontdekken, omdat hun vragen en ongemak zolang wordt uitgehouden tot God iets van zichzelf laat zien of horen.

5) Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)
De visie van Bonhoeffer is – zoals bij veel predikers – gevormd door een gevecht met de eigen tijd. Zijn visie is gestempeld door wat hij zag als zijn roeping van Godswege. Toen hij door de Bekennende Kirche werd gevraagd om predikanten op te leiden, besteedde hij op het Finkenwalder seminarie veel aandacht aan de prediking. Daarbij kregen praktische vragen volop de aandacht, zoals de tijd die aan een preek besteed moet worden. De praktische vragen waren voor Bonhoeffer echter van ondergeschikt belang ten opzichte van de inhoud van de verkondiging. Door zijn discussies met de Deutsche Christen en de koers van de kerk in de nazi-tijd zette hij radicaal in bij het Woord van God. De tekst uit de Bijbel plaatst ons in Gods aanwezigheid. Het gaat er niet om dat de predikant moeite doet om de kloof tussen de tekst uit het verleden en de hoorder in het heden te overbruggen. In de preek is Christus namelijk aanwezig, die zich tot de gemeente richt. Christus vraagt om gehoorzaamheid. We kunnen de inhoud van het geloof niet overwoekeren met allerlei menselijke inzichten, zoals dat bij de Deutsche Christen gebeurde. Prediking krijgt, door het presentstellen van de levende Christus, een profetische strekking: de gemeente wordt voor Gods aangezicht gesteld en bevrijd tot geloofsgehoorzaamheid.

Knieling is onder de indruk van de moed van Bonhoeffer. Daarnaast is Knieling onder de indruk van Bonhoeffers houding zich helemaal onder te dompelen in de Bijbelse boodschap en zich daardoor uit de greep van verleidelijke ideologieën werd gehouden. Bonhoeffer inspireert ook om het maatschappelijke en het politieke niet uit het oog te verliezen, maar de verwerken in de verkondiging. Bonhoeffer daagt uit om waakzaam te zijn en als gehoorzame christen een andere weg te gaan in geloof. Een weg van moed, passie en eerlijkheid, maar ook een weg van scepsis en angst.

6) Ernst Lange (1927-1974)
Ernst Lange groeide op in de nazi-tijd en was actief in een tijd waarin het nazi-verleden als een donkere schaduw over zijn land hing. Hij was op zoek naar nieuwe vormen voor de kerk. Hij was betrokken bij de oprichting van een kerk die in Berlijn-Spandau werd gevestigd in een bakkerij (de zogenaamde Ladenkirche). Lange was vooral geïnteresseerd in hoe de verkondiging gebeurt. Het was de tijd van de empirische wending in de praktische theologie: alle facetten van geloof en kerk werden op empirische wijze onderzocht en verwerkt in de theologische doordenking. Op basis van die empirische onderzoeken wilde men de praktijk van de kerk, van de gemeente en geloof vernieuwen.
Voor Lange was de preek een van de vormen van de communicatie van het evangelie. Lange ging in dialoog met zijn gemeente over de inhoud van de verkondiging. ‘Wil mijn preek relevant zijn, dan moet het niet alleen opkomen uit het gesprek, maar ook het gesprek weer openen.’ Een bekende uitspraak van Lange is dat hij in de preek met de hoorder spreekt over zijn of haar leven in het licht van het evangelie (als belofte). De preek is een persoonlijk gewaagd woord, dat nieuw wil zijn in deze context, een woord van belofte dat Gods belofte in deze context opnieuw laat horen.
Lange was zich ervan bewust dat de situatie waarvoor de preek wordt voorbereid en waarin de preek gehouden wordt, invloed heeft op de vorm en de inhoud van de preek. Tegelijkertijd wilde Lange vasthouden aan het belang van de Bijbeltekst. De preek was een dialoog tussen beide werelden: de wereld van de hoorder en de wereld van de tekst. Het materiaal voor de voorbereiding voor de preek bestond daarom uit twee delen: een schets van de boodschap en een schets van de context.

De theorie van Ernst Lange is van grote invloed geweest. Mede door Lange werd de inhoud van de preek niet alleen meer bepaald door de Bijbeltekst, maar kreeg de maatschappelijke en politieke context een plek in de preek. Mede door Lange is er ook aandacht gekomen voor de preek als communicatiemiddel. Sindsdien wordt onderzocht wat belemmeringen en stimulansen voor de preek zijn. Mede door Lange kwam er aandacht voor de diverse leefomstandigheden en werelden waarin kerkgangers zich bevinden. Mede door Lange werden kerkgangers serieus genomen als interpreten en duiders van de eigen tijd. Zelf voeren zij vaak zelf al de dialoog tussen de Bijbelwoorden en hun eigen context. De preek kan die dialoog versterken of oproepen.

7) Rudolf Bohren (1920-2010)
Ernst Lange had een tijdgenoot die dezelfde hartstocht voor de luisteraars en hun leefwereld had: Rudolf Bohren. In de jaren-’70 was lag het niet voor de hand om de overeenkomsten te zien. Op verschillende terreinen binnen de praktische theologie woedde een felle polemiek tussen aanhangers van een kerugmatische benadering en een meer therapeutische benadering over de rol van de sociaalwetenschappelijke vakken en het gebruik van empirische methoden. In de jaren-’90 zwakte de polemiek af en ontstonden dwarsverbanden en respect over en weer. Bohren raakte bijvoorbeeld bevriend met Dietrich Stollberg en er kwamen modellen en voorstellen die inzichten uit beide tradities wilden verwerken (Albrecht Grözinger, Peter Bukowski, Reiner Knieling, e.a.)
Bohren bespeurde in zijn tijd een grote sprakeloosheid, omdat het wonder van Gods spreken niet werd opgemerkt. Bohren vermoedde dat de grote aandacht voor de sociaalwetenschappelijke vakken en de retoriek een escape was om dat uitblijven van het wonder te ontvluchten, een vlucht in het perfectioneren van maakbare methoden en sociaal engagement. Bohren vond het uithouden van het zwijgen van God relevanter. Bohren begon aandacht te vragen voor het werk van de Geest en werkte zijn homiletiek ook pneumatologisch uit. Waar er in de christologie eenrichtingsverkeer is naar de mensen toe, is er in de pneumatologie samenwerking: de Geest werkt door middel van mensen, schakelt mensen in. Bohren werkte de ‘theologische reciprociteit’ van A.A. van Ruler uit op praktisch-theologisch gebied. Door deze gedachte van theologische reciprociteit wist hij het wonder van Gods spreken én menselijke methoden samen te nemen.
Bohren is een gepassioneerd theoloog, die onder andere een hartstocht heeft voor preken. Daarnaast een passie voor houthakken, skiën en dichten. Die hartstocht is in zijn preken en in zijn homiletiek te merken. Ook zijn passie voor literatuur verwerkt hij in zijn homiletiek. Door die passie en zijn aandacht voor literatuur – samen met de pneumatologische insteek – maakt zijn homiletiek vandaag de dag nog steeds waardevol.
Bohren wil de ervaring van mensen, van de prediker en de gemeente serieus nemen. Maar dan wel voor Gods aangezicht. Dat geeft respect voor God en de hoorders. Juist coram Deo komt de concrete hoorder in beeld. Het laatste deel van zijn Predigtlehre is ook gewijd aan de hoorders.
Bohren was een gepassioneerd man, die ook fel in polemieken kon zijn. Ook in zijn preken deinsde hij er niet voor terug om ‘hoekig’ te zijn. Steeds vroeg hij aandacht voor Bijbelgedeelten, waarover niet gepreekt werd omdat de prediker niet uit de voeten kon met dat Bijbelgedeelte: ‘de onbepreekte Bijbel’. Ook gaf hij aan dat het onderscheiden van de geesten vandaag de dag nog steeds van belang is.

Knieling is onder de indruk van de houding van Bohren: aan de ene kant volop aandacht voor de tijdgeest en tegelijkertijd dwarsig heeft gedacht en gehandeld vanuit het wonder van Gods handelen, het werken van de Heilige Geest. Het waardevolle uit het verleden wist hij gepassioneerd als een levende stem in het praktisch-theologische discours in te brengen. In een tijd waarin de empirie en het handelen dominant werd, bleef hij aandacht vragen voor het handelen en spreken van God.

8) Gabriel Marcel Martin (*1941)
Toen hij in 1983 aantrad als hoogleraar in Marburg hield Gabriel Marcel Martin zijn inaugurele rede over de preek als open kunstwerk. Zoals degenen die naar kunst kijkt, allemaal hun eigen interpretatie hebben, zo maken de luisteraars van de preek ook hun eigen interpretatie van de preek. Daarmee vestigde Martin de aandacht op de receptie van de preek bij de luisteraars. Elke luisteraar kan een preek anders opnemen.
Als elke luisteraar de preek weer anders opneemt, hoe zit het dan met de prediker die een eenduidige boodschap wil overbrengen? Met zijn pleidooi voor de preek als open kunstwerk wilde Martin aangeven dat de preek en de boodschap verschillend gehoord en geïnterpreteerd kan worden, maar niet dat elke interpretatie juist is. Het gaat hem er niet om dat de luisteraar met de preek aan de haal kunnen gaan, maar de oorzaken waardoor de preek zo verschillend wordt gehoord en geïnterpreteerd.

9) Albrecht Grözinger
Grözinger sluit zich aan bij Martin: de preek is een open kunstwerk. De aandacht gaat voor Grözinger niet alleen uit naar het effect van de preek op de hoorders, maar naar wat de preek in wezen is. Grözinger betrekt de esthetiek in de homiletiek. De preek zijn mensenwoorden over God. Deze kwetsbare mensenwoorden worden door God gebruikt, die zijn kracht in zwakheid toont. Preken is voor Grözinger eenvoudig (niet ingewikkeld én onbeschroomd) over God spreken. Grözinger sluit zich aan bij het model van de dialectische theologie: de prediker als getuige. Die getuige plaatst hij nadrukkelijk in de multiculturele samenleving.
De prediker die getuige is, spreekt met cortesia: met respect, eerbied en hoffelijkheid voor de ander. De prediker hanteert een tentatief spreken, waarin de eigen fascinatie, indruk of schrik doorklinkt.

10) Martin Nicol
Martin Nicol kwam in de VS in aanraking met de New Homiletics. Hij vertaalde die inzichten in een dramaturgische homiletiek, waarbij hij aandacht voor de preek als enscenering of als performance. De preek is geen spreken over God, maar een spreken vanuit  de werkelijkheid van God. De preek kan bij het oproepen en uitwerken van die werkelijkheid van god veel leren van film, creative writing, literatuur over het evoceren van beelden. Een belangrijk element in de homiletiek van Nicol is de spanning: de spanning dient opgezocht en uitvergroot te worden. In de dramaturgische homiletiek spreekt de dogmatiek een hartig woordje mee. (Nicol studeerde bij Friedrich Mildenberger.) Door bijvoorbeeld het opzoeken en uitdiepen van de spanning. Daarnaast houdt de dogmatiek het geloof levend dat in de verkondiging de levende Heer aanwezig is, de Opgestane die in deze werkelijkheid werkt. Het model van Nicol wordt gekenmerkt door enthousiasme en samenwerking met onder andere kunstenaars. Enthousiasme dat ontstaat door die spanningsvolle preken en door het gebruik maken van taal en beelden die in krant, tijdschrift, roman of film voorkomen. Nicol is betrokken bij Atelier Sprache, een homiletisch seminarie waaraan ook kunstenaars, regisseurs en acteurs lesgeven aan predikanten.

11) Eigen model van Knieling
Op basis van deze schets komt Knieling tot zijn eigen visie op preken en verkondiging:
– Als prediker spreek ik van God, die spreekt. God heeft beloofd om door mensenwoorden heen te spreken. Ik spreek van de Aanwezige, die werkt, niet van een effectloze Afwezige.
– Hoe en wat ik zeg, wordt bepaald door het spreken van God in mijn leven tot nu toe: door mijn eigen ervaring en waarneming van verkondiging en preken.
– Hoe en wat ik zeg wordt bepaald door een concrete tekst uit de Bijbel. Die tekst is net als een kunstwerk vanuit meerdere kanten te belichten. Door met die Bijbeltekst bezig te zijn op verschillende manieren zie ik mijn eigen ervaring terug.
– Ik waag als prediker een preek voor een concrete gemeente. Ik hoop dat mijn preken de aandacht van de gemeente krijgen en dat in de gemeente het vertrouwen op God wordt gesterkt en de onderlinge liefde wordt opgebouwd.
– Preken is eenvoudig over God spreken: moedig en onbeschroomd, basaal en begrijpelijk, to the point, gericht op wat de mensen bezighoudt en humorvol.
– Ik spreek niet over een vage God of een vaag gevoel, maar over de God die een geschiedenis heeft met zijn volk en de mensheid: de God van Abraham, Izak en Jakob, de Vader van onze Heer Jezus Christus.

Eenvoudig over God spreken is niet zo eenvoudig. Dat vraagt oefening, reflectie, inkeer en helderheid over mijzelf (keuzes, interesses, invloeden, beperkingen). Eenvoudig over God spreken gaat over de inhoud van de preek, niet over het effect. Hoe meer ik een bepaald effect beoog, hoe meer ik het risico loop van manipulatie.

Reiner Knieling – Was ist predigen?  Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 11-49

 

Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 1

Ongecompliceerd over God spreken
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011)

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 1: een introductie op het boek – ongecompliceerd over God spreken.

Preken gaan niet in op wat gemeenteleden vandaag de dag bezig houdt. Dat is de stelling van Reiner Knieling in zijn boek: Wat preken wij?

32591272z

Reiner Knieling is hoogleraar Praktische Theologie aan de Kirchliche Hochschule Wuppertal/Bethel en tegelijkertijd leider van een centrum voor vorming en toerusting van de VELKD.

rainer_knieling_0204-3

Hij promoveerde op de vraag hoe de inhoud van Kerst, Goede Vrijdag en Pasen en het hedendaagse levensgevoel in de verkondiging bij elkaar gebracht kunnen worden: Predigtpraxis zwischen Credo und Erfahrung.
Daarna verdiepte hij zich in de vraag wat concurrentie binnen de kerk betekent.
31nvzyvd3bl-_sx326_bo1204203200_
Daarnaast schreef hij een theologische doordenking van falen:
Mit Scheitern leben lernen. Erfahrungen, Verheißungen, Hilfestellungen.
download-1

 

Als praktisch-theoloog houdt hij zich onder andere bezig met gemeenteopbouw: gemeenten hoeven niet perfect te zijn. Daar schreef hij ook een boekje over: Plädoyer für unvollkommene Gemeinden.
download-2
Vrij recent publiceerde hij met Isabel Hartmann:
Gemeinde neu denken. Geistliche Orientierung in wachsender Komplexität.
download-6
Dit jaar deed hij een poging om de betekenis van het kruis op Golgotha uit te leggen. (Zie mijn recensie, geschreven voor het Friesch Dagblad).

download-4
Daarnaast is de relatie tussen mannen en de kerk een thema dat hem bezig houdt.  (Zie mijn recensie, geschreven voor het Friesch Dagblad)



Met deze boeken en studies wil hij ingaan op wat ‘gewone’ mensen bezig houdt. Hij doet dat door theologie en levenservaring met elkaar in gesprek te brengen:
– In zijn bezig zijn met gemeenteopbouw wil hij laten zien wat de rechtvaardigingsleer voor de gemeenteopbouw betekent.
– In zijn theologische doordenking van falen brengt hij een dialoog op gang tussen de zondeleer en hedendaagse ervaring en door deze dialoog het tragische naar voren.
– In zijn boek over het kruis wil hij de hedendaagse kritiek op het kruis op Golgotha serieus nemen en dat meenemen in zijn eigen ontwerp.


De thema’s waarin hij de inhoud van het christelijk geloof en de hedendaagse ervaring doordenkt, komen ook in zijn homiletiek Wat preken wij? terug.

Volgens Knieling is het de tijd om na decennia van aandacht voor de interactie tussen prediker en hoorder en vormgeving en voordracht van de preek ook aandacht te hebben voor de inhoud van de verkondiging. Volgens hem is het samen denken van de inhoud van het geloof en de hedendaagse ervaring noodzakelijk en ook mogelijk. Om die inhoud en die ervaring samen te denken is het hoog nodig tijd om de ontwikkelingen in de (Duitse) systematische theologie te verwerken in de hedendaagse verkondiging.

De thema’s die aan de orde komen, zijn:
* Falen
* Heil en gezondheid
* De kruisdood van Jezus
* Aandacht voor mannen
* Armoede en sociale gerechtigheid

Knieling wil predikanten stimuleren om bij deze thema’s ongecompliceerd (einfach) over God te spreken. Dat ongecompliceerde heeft volgens mij twee elementen in zich:
* eenvoudig, to the point
* vrijmoedig, onbevangen, zonder schroom

 

Bezinning op het kruis: hoe geef je het geheimenis woorden?

Bezinning op het kruis: hoe geef je het geheimenis woorden?

Goede Vrijdag. Een dag om naar uit te kijken en te vieren. Toch zie ik er soms ook tegenop. Zo gemakkelijk is het niet om te preken over het lijden en sterven van Christus. Het nieuwe boek van Reiner Knieling over het kruis biedt inspiratie.

In de voorjaarsvakantie was ik in Münster. Ik bezocht de kerken, die een overdaad aan beelden hebben. Die beelden deden me wat. Als protestanten hebben we het dan moeilijk: zonder rituelen waarbij we kunnen knielen voor een beeld, je te laten meenemen in de staties. Dan moet je het hebben van de kerkmuziek. Maar hoe moet dat in een kerk waarin alle nadruk ligt op het gesproken woord, de verkondiging?
In een boekhandel in Münster, die tot mijn verrassing een grote theologische afdeling heeft, vond ik het nieuwe boek van de Duitse theoloog Reiner Knieling: Das Kreuz mit dem Kreuz. Ik had de aankondiging hiervan op de website van de uitgever al gezien, en nu het voor het meenemen lag kon ik het niet laten. Van de praktisch theoloog Knieling heb ik meer gelezen, omdat Knieling zich nadrukkelijk mengt in het missionaire debat. Ik was benieuwd of hij mij zou kunnen helpen om woorden te vinden om de weg van Christus te kunnen doorvertellen.

Das Kreuz mit dem Kreuz von Reiner Knieling

Das Kreuz mit dem Kreuz von Reiner Knieling

Knieling had als tiener moeite om het kruis te begrijpen, vertelt hij aan het begin van zijn boek. Waarom moest Jezus sterven? Wanneer hij zijn vragen stelde, merkte hij dat er geen goede antwoorden kwamen. Je moest het maar geloven. Daarom ging hij zelf op zoek naar de betekenis.

In zijn jongste boek richt hij zich specifiek op de betekenis van het kruis en de zoektocht naar woorden om het geheimenis te kunnen verwoorden. Hij laat zien dat in de kunstgeschiedenis de kruisiging op verschillende manieren is afgebeeld. Jezus is lang niet altijd als de lijdende afgebeeld. Lange tijd werd Jezus aan het kruis als de zegenende afgebeeld. In de twintigste eeuw werd de gekruisigde Christus symbool voor het lijden op de wereld. Ook wordt er geëxperimenteerd: met een Christa aan het kruis of een Jezus die van het kruis afkomt. Knieling wil deze experimenten serieus nemen, omdat ze laten zien dat het kruis iets vreemds, iets aanstootgevends heeft.
De theoloog is van mening dat het christendom het aanstootgevende te veel heeft willen afzwakken. Het zijn vaak de buitenstaanders die het aanstootgevende van het kruis begrijpen. Als voorbeeld geeft hij de rel rondom de oriëntalist Navid Kermani. Nadat Kermani had aangegeven dat hij het kruis een vorm van godslastering en afgodenverering vindt, weigerden de Duitse kardinaal Karl Lehmann en de protestantse theoloog Peter Steinacker (1943-2015) om samen met Kermani een prijs in ontvangst te nemen. Uiteindelijk is de uitreiking doorgegaan. Kermani had het aanstootgevende van het kruis beter begrepen dan Lehmann en Steinacker, vindt Knieling.

Offer?
Ook binnen de kerk krijgt het aanstootgevende aandacht. Steeds meer wordt het pleidooi gevoerd om afscheid te nemen van een bepaalde type van theologie, waarin verondersteld wordt dat God bloed wil zien. Knieling sluit zich er deels bij aan. Hij geeft daarom een andere betekenis aan het kruis. Het kruis op Golgotha heeft voor hem niets te maken met het wegdragen van de straf op de zonde. Het kruis is weliswaar een offer. Dat houdt Knieling nadrukkelijk vast. Maar het kruis is geen wegdragen van de zonde, maar een openstellen van Gods gemeenschap voor mensen. Jezus was de climax van Gods liefde voor de mensen. Nadat de mensen Jezus aan het kruis brachten, had hij ervoor kunnen kiezen om de wereld te straffen. Net zoals dat gebeurde met de zondvloed. Dat deed God echter niet. Ondanks het afwijzen van Gods liefde in Jezus, bleef God vasthouden aan zijn liefde. Nadat Jezus is opgestaan uit de dood, werd zichtbaar dat Gods liefde sterker is dan menselijke haat. Jezus droeg de zonde niet weg, maar overwon de zonde. In die zin is het kruis verzoening. Het kruis is Gods uiteindelijke consequentie van zijn liefde. Ondanks het kruis, waarin mensen God afwezen, blijft God mensen onvoorwaardelijk liefhebben.

Het kruis van Golgotha is voor Knieling van belang. Daarin wordt zichtbaar dat God op de diepste plaats aanwezig is. Waar mensen God afwijzen daar is God. Het kruis is de meest aanstootgevende plaats. Het kruis houdt ons dan ook voor om God in ons leven te zoeken waar we Hem niet verwachten. Daarom wil Knieling meer aandacht voor het tragische van de zonde. Zonde betekent niet alleen schuld, maar ook tragiek, verstrikt zijn in een verkeerde wereld waar je niet uit weg komt.

Het kruis op Golgotha laat volgens Knieling zien dat God wil delen in onze tragiek en verstrikking. Knieling benadrukt een trinitarische visie op het kruis: niet alleen Jezus, maar ook de Vader lijdt aan het kruis op Golgotha. Toch laat Hij zijn liefde sterker zijn. De Geest is de kracht die zichtbaar wordt in de liefde op het kruis. Die Geest werkt ook waar mensen vastzitten in de tragiek en de verstrikking. Hij weet tegenstellingen te overwinnen en verzoening te brengen waar wonden zijn geslagen, door de kracht van Gods onvoorwaardelijke liefde sterker te laten zijn dat de onderlinge afwijzing. De werkelijke betekenis van het kruis wordt pas zichtbaar met Pasen.

Preektips
Halverwege het boek merk ik dat ik niet meekom in deze duiding van het kruis op Golgotha. Omdat voor mij dat kruis heel nadrukkelijk te maken heeft met het wegdragen van onze schuld. Wat het boek niet gemakkelijk maakt, is dat niet altijd duidelijk is tegen welke vorm van theologie Knieling zich afzet. Toch leverde het boek iets op. Bijvoorbeeld in de preektips die hij geeft: het navertellen van de gebeurtenissen en het blijven benadrukken dat het in de kruisiging om het handelen van God gaat. Ook de waarschuwing van Knieling, dat de kerk bij het gebeuren van het kruis te veel in dogmatische formuleringen vervalt, is ter harte te nemen. Tegelijkertijd valt het mij op dat wanneer hij dat wil aantonen aan de hand van kruisliederen uit de zeventiende eeuw, deze liederen voor mij concreter zijn dan Knieling veronderstelt.

Reiner Knieling, Das Kreuz mit dem Kreuz. Sprache finden für das Unverständliche. Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus.

 

Het kruis is Gods uiteindelijke consequentie van zijn liefde

Het kruis is Gods uiteindelijke consequentie van zijn liefde
Reiner Knieling en de zoektocht naar woorden om betekenis te geven aan het kruis op Golgotha

In het kerkelijk jaar leven we in de Lijdenstijd of de Veertigdagentijd, net afhankelijk van welk deel je je bevindt in de kerk. Zelf hanteer ik een soort mix van beide. Ik ben opgegroeid met de Lijdenstijd en kan er nog steeds niet aan wennen dat het lijden en sterven in één week ‘gepropt’ wordt. Zeven zondagen aandacht voor het lijden en het kruis vind ik weer te intens.

Zo makkelijk is het niet om te preken over het lijden en sterven van Christus, vind ik. Elk jaar vind ik het weer een hele opgave. In de afgelopen weken heb ik veel geluisterd naar Bach’s cantate Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem (BWV 159).

Nadat ik deze cantate de eerste keer beluisterde, bedacht ik: daar ben ik naar op zoek, zo mee te gaan met Jezus naar Jeruzalem. Om zo de gemeente ook mee te nemen op die weg.

In de voorjaarsvakantie was ik in Münster. De meeste kerken waren open. Meestal Rooms-Katholiek – en op de kerk van de Domincanen na – met een overdaad aan beelden. Soms te. En toch: het deed me wat. Als protestanten hebben we het dan moeilijk: zonder rituelen waarbij we kunnen knielen voor een beeld, je mee te laten nemen in de staties. Dan moet je het hebben van de kerkmuziek. Geen dag zonder Bach. In deze dagen de Lukas Passion (waarvan het de vraag is of deze Passion van Bach is).

Maar hoe moet dat in een kerk waarin alle nadruk ligt op het gesproken woord, de verkondiging? Preken is nooit eenvoudig en zeker in deze weken niet. Vind ik tenminste.

In een boekhandel in Münster, die tot mijn verrassing een grote theologische afdeling heeft, vond ik het nieuwe boek van Reiner Knieling: Das Kreuz mit dem Kreuz. Ik had op de website van de uitgever dit boek al aangekondigd gezien en nu het voor het meenemen lag kon ik het niet laten. Van Knieling heb ik meer gelezen, omdat Knieling zich nadrukkelijk mengt in het missionaire debat. Ik was benieuwd of hij mij zou kunnen helpen om woorden te vinden om de weg van Christus te kunnen doorvertellen.

Zoektocht
Knieling begint zijn boek ermee dat hij als tiener moeite had om het kruis te begrijpen. Waarom moest Jezus sterven? Wanneer hij zijn vragen stelde, merkte hij dat er geen goede antwoorden kwamen. Je moest het maar geloven. Daarom ging hij zelf maar op zoek naar de betekenis. Hij promoveerde op Predigtpraxis zwischen Credo und Erfahrung (1999) waarin hij – naast preken met Kerst en Pasen –  ook nadacht over preken op Goede Vrijdag. In dit boek richt hij zich specifiek op de betekenis van het kruis en de zoektocht naar woorden om het geheimenis te kunnen verwoorden. Hij laat zien dat in de kunstgeschiedenis de kruisiging op verschillende manieren is afgebeeld. Jezus is lang niet altijd als de lijdende afgebeeld. Lange tijd werd Jezus aan het kruis als de zegenende afgebeeld. Aan het einde van de Middeleeuwen komt de nadruk te liggen op het lijden. In de twintigste eeuw wordt de gekruisigde Christus symbool voor het lijden op de wereld. Ook wordt er geëxperimenteerd: met een Christa aan het kruis of een Jezus die van het kruis afkomt. Knieling wil deze experimenten serieus nemen, omdat ze laten zien dat het kruis iets vreemds, iets aanstootgevends heeft.

Aanstootgevend
Knieling is van mening dat het christendom het aanstootgevende teveel heeft willen afzwakken. Het zijn vaak de buitenstaanders die het aanstootgevende van het kruis begrijpen. Als voorbeeld geeft hij de rel rondom de oriëntalist Navid Kermani. Nadat Kermani had aangegeven dat hij het kruis een vorm van godslastering en afgodenverering was, weigerden kardinaal Lehmann en Peter Steinacker om samen met Kermani een prijs in ontvangst te nemen. Uiteindelijk was de uitreiking doorgegaan. Kermani had het aanstootgevende van het kruis beter begrepen dan Lehmann en Steinacker, vindt Knieling.

Ook binnen de kerk wordt het aanstootgevende wel begrepen. Steeds meer wordt het pleidooi gevoerd om afscheid te nemen van een bepaalde type van theologie, waarin verondersteld wordt dat God bloed wil zien.
Knieling sluit zich er deels bij aan. Hij erkent dat deze theologie een karikatuur is, maar is voortdurend bezig in het boek deze karikatuur te ontkrachten. Hij geeft een andere betekenis aan het kruis. Het kruis op Golgotha heeft niets te maken met het wegdragen van de straf op de zonde. Het kruis is weliswaar een offer. Dat houdt Knieling nadrukkelijk vast. Maar niet een offer dat gekoppeld is aan het wegdragen van de schuld.
Een offer deed de schuld niet weg, maar gaf een nieuwe kans op gemeenschap met God. Die duiding van het offer in het Oude Testament past Knieling ook toe op het kruis op Golgotha:  Het kruis is geen wegdragen van de zonde, maar een openstellen van Gods gemeenschap voor mensen.

uiteindelijke consequentie
Jezus was de climax van Gods liefde voor de mensen. Nadat de mensen Jezus aan het kruis brachten, had hij ervoor kunnen kiezen om de wereld te straffen. Net zoals dat gebeurde met de zondvloed. Dat deed God echter niet. Ondanks het afwijzen van Gods liefde in Jezus, bleef God vasthouden aan zijn liefde. Nadat Jezus is opgestaan uit de dood, werd zichtbaar dat Gods liefde sterker is dan menselijke haat. Jezus droeg de zonde niet weg, maar overwon de zonde. In die zin is het kruis verzoening. Het kruis is Gods uiteindelijke consequentie van zijn liefde. Ondanks het kruis, waarin mensen God afwezen, blijft God mensen onvoorwaardelijk liefhebben.

Das Kreuz mit dem Kreuz von Reiner Knieling

Das Kreuz mit dem Kreuz von Reiner Knieling

tragiek
Het kruis van Golgotha is voor Knieling van belang. Daarin wordt zichtbaar dat God op de diepste plaats aanwezig is. Waar mensen God afwijzen daar is God. Het kruis is de meest aanstootgevende plaats. Het kruis houdt ons dan ook voor om God in ons leven te zoeken waar we Hem niet verwachten. Daarom wil Knieling meer aandacht voor het tragische van de zonde. Zonde betekent niet alleen schuld, maar ook tragiek, verstrikt zijn in een verkeerde wereld waar je niet uit weg komt. Het kruis op Golgotha laat volgens Knieling zien dat God wil delen in onze tragiek en verstrikking. Knieling benadrukt een trinitarische visie op het kruis: de Vader lijdt ook aan het kruis op Golgotha, maar laat zijn liefde sterker zijn. Het kruis moest weliswaar gebeuren. Het kruis is ook de onthulling van onze zonde, maar tegelijkertijd overwinning omdat God niet straft. God heeft geleerd van de zondvloed.
De Geest is de kracht die zichtbaar wordt in de liefde op het kruis. Die Geest werkt ook waar mensen vastzitten in de tragiek en de verstrikking, weet tegenstellingen te overwinnen en verzoenen te brengen waar wonden zijn geslagen door de kracht van Gods onvoorwaardelijke liefde sterker te laten zijn dat de onderlinge afwijzing. De werkelijke betekenis van het kruis wordt pas zichtbaar met Pasen. Op basis van Romeinen 4:25 zegt hij: niet het kruis brengt rechtvaardiging, maar de opstanding.


Trinitarisch
Halverwege het boek merk ik dat ik niet meekom in deze duiding van het kruis op Golgotha. Een van de fronten, waar Knieling steeds mee bezig is, is de theorie dat God in de dood van Jezus bloed wil zien. Deze kritiek kan ik zelf niet goed begrijpen. Omdat voor mij Jezus geen ander is dan de Vader. Aan het kruis hangt weliswaar een mens, maar dat is niet zomaar een mens. God die mens werd in Jezus. Al blijft de Vader in de hemel en is de Zoon aan het kruis, het is wel dezelfde God:
O grote nood, God zelf is dood. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Knieling, ondanks zijn trinitarische insteek, de personen teveel uit elkaar laat vallen en te weinig de eenheid van de triniteit weet te bewaren.

Schuld
Waarom ik ook niet meekom, is dat voor mijzelf de zonde als schuld toch van grote betekenis is. Ik waardeer zijn poging om ook het tragische en de verstrikking in de zondeleer op te nemen. Ook al wil hij de zonde als schuld niet aan de kant schuiven, de grote nadruk op de tragiek en de verstrikking verdringt voor mij wel de notie van de schuld. Ook bij zijn uitleg van het offer vraag ik me af of het terecht is dat hij het offer als het wegdragen van schuld helemaal weglaat. Leest hij iemand als Janowski niet te veel naar zijn eigen kant? En negeert hij niet teveel Stuhlmacher en anderen die meer aandacht vragen voor het kruis als wegdragen van de schuld en het oordeel? Ik vroeg mij af, zou Knieling kunnen knielen bij het kruis? Of zou hij dat verkeerd vinden? Knieling mag dan een pleidooi voeren voor het aanstootgevende van het kruis, ik merkte dat ik behoefte kreeg aan een weerbarstiger visie van God. 

Waarom ik ook niet meekom, is dat Knieling uiteindelijk onduidelijk is over het kamp dat hij bestrijdt: Is het een bepaalde gedachtengang die hij in de gemeente aantreft? Is het de laatmiddeleeuwse boetespiritualiteit? En hoe zit het dan met de theologie van de Reformatie? Hoe staat ‘mijn’ eigen traditie ten opzichte van wat Knieling bestrijdt? Want die traditie is toch een duidelijke correctie op die boetespiritualiteit? Ik merk dat ik op zoek ben naar de plaats waar Knieling ‘staat’. In die zin vond ik het boek een teleurstelling en had ik er meer van verwacht.

Toch leverde het boek iets op. Bijvoorbeeld in de homiletische tips die hij geeft: Het navertellen van de gebeurtenissen en het blijven benadrukken dat het in de kruisiging om het handelen van God gaat. Ook de waarschuwing van Knieling, dat de kerk bij het gebeuren van het kruis teveel in dogmatische formuleringen vervalt, is ter harte te nemen. Tegelijkertijd valt het mij op dat wanneer hij dat wil aantonen aan de hand van kruisliederen uit de 17e eeuw deze liederen voor mij concreter zijn dan Knieling veronderstelt.

Voor mij is de zoektocht in ieder geval nog niet klaar. Er ligt een ander (en omvangrijker) boek klaar: Fleming Rutlegde, The Crucifion.

N.a.v.: Reiner Knieling, Das Kreuz mit dem Kreuz. Sprache finden für das Unverständliche (Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2016).