Preek 23 januari morgendienst

Preek 23 januari morgendienst
1 Koningen 8: 29
: Over het huis, de plaats waarvan U gezegd hebt: Mijn naam is er

Introductie op het Bijbelgedeelte
Een kerkgebouw is meestal herkenbaar als kerk. Stel je voor dat je Oldebroek niet zou kennen en je voor het eerst door Oldebroek rijdt, dan zouden de dorpskerk en de Maranathakerk herkenbaar zijn als kerk. Onze kinderen herkennen een kerkgebouw in ieder geval wel. Als we langs een kerk rijden in een andere plaats, zeggen ze: “Iemand anders zn kerk.” Als we langs de dorpskerk of langs de Maranathakerk rijden, zeggen ze: “Onze kerk.”
Wat is het bijzondere van een kerk? In deze week wordt de Actie Kerkbalans gehouden. De opbrengst van deze actie is onder andere bedoeld voor de kerkgebouwen. Waarom zouden we geld inzamelen voor een kerkgebouw?
Omdat de kerk niet zomaar een gebouw is, maar het huis van God. De kerk is de plaats waar de Heere woont. Toen we de drempel van de kerk overstapten, stapten we het huis van God binnen. We komen bij Hem in huis.
Moet u eens voorstellen, dat we hier in het gebouw, waar we bij elkaar zijn, in het huis zijn waar de Heere woont. In dit gebouw ontmoeten wij de Heere. Heel de kerkdienst is er op afgestemd, dat wij de Heere kunnen ontmoeten.
In de preek gaat het over de kerk als het huis, waarin de Heere woont. Het gaat over het gebed, dat Salomo uitspreekt bij de ingebruikname van de tempel.

Schriftlezing: 1 Koningen 8:22-36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoe bent u vanmorgen naar de kerk gekomen? Met welke instelling zit je hier? Je kunt hier in de kerk zitten, omdat je van je ouders moet. Ze vinden dat je mee moet gaan naar de kerk. Naar de kerk gaan op zondagmorgen kan zo’n vaste gewoonte zijn, dat we er nauwelijks meer nadenken waarom  we gaan en wat we doen in de kerk. Het kan zijn dat we in de afgelopen week zo druk waren, dat we het eerste deel van de kerkdienst missen, omdat we eerst tot rust moeten komen.
Met welke instelling je gekomen bent, hangt ook af van hoe je tegen het kerkgebouw aankijkt. Hoe u, hoe jij naar de kerk gekomen bent, hangt ook af van wat je verwachtingen zijn van de dienst. Het maakt nogal uit of u gekomen bent, omdat u God wilde ontmoeten of dat het een verplicht sociaal gebeuren is (dat je ook nog eens niets doet). In het ene geval ben je er op gespitst iets van God op te vangen en wil je van Hem horen. In het andere geval laat je het gewoon over je heen komen. Je ziet het wel wat het met je doet.
Die laatste houding kan ook voortkomen uit onkunde. Omdat er nog nooit iemand is geweest die je heeft uitgelegd, dat je in de kerk in Gods huis bent. Kerkgang is in jullie gezin een vaste gewoonte, zonder dat iemand uitlegt waarom jullie eigenlijk naar de kerk gaan. Wellicht heb je nooit geleerd, hoe jij je kunt instellen op de ontmoeting met de Heere. Niemand die je uitlegde wat je zelf kunt doen om de Heere hier tegen te komen. Als dat bij u of bij jou het geval is, hoop ik dat deze preek ertoe bijdraagt dat je de kerk gaat zien als de plaats waar God te ontmoeten is.

De kerk is de plaats waar God woont. Daarmee lijkt de kerk op de tempel. Daarom heb ik vanmorgen een Bijbelgedeelte gelezen dat over de tempel gaat. We hebben vanmorgen een gedeelte gelezen van het gebed dat Salomo uitspreekt bij de inwijding van de tempel. In dat gebed zegt Salomo tegen de Heere: deze plaats, waarvan U gezegd hebt: “Mijn naam zal daar zijn.”  De tempel in Jeruzalem was de plaats, waar de Naam van God aanwezig was. En dan niet voor eventjes, maar voor altijd. De tempel is een woning voor God.
Een woning wil zeggen: een thuis, een vaste plek. Als iemand je zoekt, kun je daar gevonden worden. Als iemand je iets wil toesturen, kan hij dat naar je huis sturen. De tempel was het huis van God. In de tempel kon de Heere worden opgezocht. Offers van dankbaarheid konden in de tempel bij de Heere worden gebracht. De tempel was niet zomaar een woning, maar was een paleis. In het Oude Nabije Oosten regeerde de koning vanuit een paleis. De tempel was de plaats waar de troon van de Heere stond: Hij troonde op de ark van het verbond. De ark van het verbond was Zijn troon. De tempel was ook gebouwd als een paleis. De mensen in Israël bezochten de tempel ook omdat ze de Heere als koning beschouwden. Wie hulp nodig had, ging naar de koning. Zo ging men in de tempel aan de Heere hulp vragen. Wie ziek was, ging naar de tempel om genezing te ontvangen. Een koning werd geacht om recht te spreken. Had je een conflict met iemand anders en was je niet eerlijk behandeld, dan hing je naar de konig om jouw zaak voor te leggen aan de koning in de hoop dat hij eerlijk zou vonnissen. In de psalmen wordt er geregeld over gesproken dat iemand naar de tempel gaat met de vraag: Heere, er is iemand die mij oneerlijk behandeld heeft. Wilt u rechtspreken? Wilt Ú mij recht doen? (Bijvoorbeeld Psalm 27)
De mensen in Israël geloofden dat als zij naar de tempel gingen, dat zij ook daadwerkelijk voor de Heere zelf stonden. Bekende en geliefde psalmen zingen daar ook van: God des levens, ach wanneer zal ik naad’ren voor uw ogen? Psalm 73 geeft de worsteling van Asaf weer, die het allemaal niet meer snapt. Waarom gaat het mensen die nergens aan doen en oneerlijk zijn voor de wind en hij, die trouw is aan de Heere, heeft een moeilijk leven. Bijna had hij gedacht: Er is geen God – totdat hij in de tempel kwam om God te ontmoeten. Toen kreeg hij antwoord op zijn worstelingen.
De tempel is de plaats waar God op aarde woont. En al is de kerkgebouw anders dan een tempel, toch geldt wat voor de tempel gold ook voor het kerkgebouw.  Ook als we in de kerk zitten, zijn we voor Gods aangezicht. We zijn hier op een bijzondere plaats, waar de hemel de aarde raakt. Een plaats waar een verbinding is tussen hemel en aarde, omdat God zelf hier aanwezig is.
Die aanwezigheid hebben wij niet zelf bedacht. Het is de plaats, waarvan God gezegd heeft: Mijn Naam zal hier zijn. De plaats waar we onze gebeden tot God kunnen richten. De plaats waar we naar toe kunnen als we op zoek zijn naar God. Als ik daarover nadenk – ik weet niet hoe dat u vergaat – dan maakt het mij stil. We zijn hier op heilige grond, omdat God zelf ook hier is.
Je kunt op verschillende manieren tegen de Maranathakerk en de dorpskerk aankijken. De een moet er niet aan denken om in de Maranathakerk te zitten en kiest altijd voor de dorpskerk. De ander vindt het juist in de Maranathakerk zo knus en intiem. Maar in wezen zijn de dorpskerk en de Maranathakerk hetzelfde: de plaats waarvan de Heere heeft gezegd: Mijn Naam zal daar zijn. Als u langs een van de kerken rijdt, mag u dat bedenken: dit is de plaats waarvan de Heere heeft gezegd: “Mijn Naam zal daar zijn”. De stenen roepen het u toe. Ze verkondigen het van de daken: God is er en Hij waakt over u. Het kerkgebouw is een heenwijzing naar God die er nog is: hier woont Mijn Naam.
Dat betekent dat de grote en heilige God, die alles geschapen heeft wat er is, op aarde een woonplaats heeft. Dat betekent dat Hij, de grote en heilige God, tussen mensen wil wonen en door mensen opgezocht wil worden. Salomo vroeg zich in zijn gebed af of dat wel kan: “Maar de hoogste hemel is zelfs niet in staat om U te bevatten, hoe kan een gebouw op aarde U en Uw heerlijkheid bevatten?”
Mijn Naam: dat is geen afzwakking. Zo van: Ik ben Zelf te groot om op aarde te wonen, jullie moeten het maar doen met Mijn Naam. Nee, met die Naam geeft de Heere aan op welke manier Hij aanwezig is. Die Naam luidt: Ik ben die Ik ben (Ex. 3). Die Naam drukt uit: Als Ik aangeef dat Ik ergens ben, dan ben Ik er ook. Je kunt er zeker van zijn, dat je Mij daar zult ontmoeten. Ik ben die Ik ben: Ik houd Mij aan Mijn woord. Die Naam geeft ook aan dat de God van het verbond hier woont. Bij het betreden van een kerkgebouw gaat het niet zomaar om een religieus gevoel, maar om de God van Abraham, Izak en Jakob, de God van Israël. De Naam van God geeft aan: Ik ben er! Die Naam is er in Gods huis. Je hoeft er noot aan te twijfelen. Maar die Naam zegt nog meer. De Naam mogen we ook vertalen met: Ik zal er voor je zijn. Ik sta klaar. De Naam van God drukt actiebereidheid uit, een strijdende God. Als je komt met je nood, staat Hij – bij wijze van spreken – al met Zijn handen uit de mouwen. Als je oneerlijk behandeld bent, staat Hij klaar om in te grijpen en je recht te doen.
De kerk is de plaats waar je door de Heere wordt gezien. Je mag er zeker van zijn dat de Heere je gebeden hier hoort. Al heb je die gebeden niet verwoord. Soms kan het meer een vorm van zuchten zijn. Al ervaar je niet altijd dat de Heere de gebeden hoort, toch is het zo.
Als je de kerk binnenstapt, stap je de wereld van God zelf binnen, de plaats waar de hemel open is. Net zoals Stefanus mogen wij omhoog kijken en de Heere Jezus in de hemel zien. Tegelijkertijd mogen we weten dat de Heere op aarde aanwezig is. Juist hier in de kerk. Hij is nederig geworden. De kerk is de plaats, waar de Heere vanuit de hemel Zich voor over buigt, Zijn oor neigt, om onze gebeden te horen.
In de kerk ontvangen we ook de zegen. De aanwezigheid van de Heere gaat met ons mee, wordt ons toegezegd en beloofd. Het kerkgebouw is een teken dat we er niet alleen voor staan, want de eeuwige God gaat mee. Als we voor de Actie Kerkbalans geld ophalen, doen wij dat voor het huis van de Heere, de plaats waarvan Hij gezegd heeft: Mijn Naam zal daar zijn.
Daarmee is de kerk ook een voorbode van de hemel, de plaats waar we met God mogen zijn en de plaats, waarin Hij alles in allen zal zijn. Van die heerlijkheid mogen we in de kerk al iets zien, omdat Zijn Naam hier zal zijn.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Advertenties

Voorbede

Voorbede

De voorbede zou als een bijzondere vorm van het vraaggebed (smeekbede) behandeld kunnen worden. Alleen: in 1 Tm 2:1 worden smeekbede en voorbede apart genoemd. 
Ook de theologische achtergrond is anders. Voorbede heeft te maken met Christus die naar de hemel is gegaan. Daar bidt Hij voor ons. Alleen door recht te doen aan onze hemelse Voorspraak die bij de Vader is kunnen wij begrijpen wat de voorbede inhoudt. Alle voorbede op aarde leeft van deze Voorbidder. Christus als voorbidder is hogepriester.

Christus als hogepriester: Voorbede voor ons en met ons.
Wat een hogepriester is (en waarom Christus hogepriester wordt genoemd) is uit onze ervaring verdwenen. Om de betekenis van onze hemelse Hogepriester te begrijpen, moeten we naar Johannes 17 kijken. In de traditie wordt dit gebed het hogepriesterlijk gebed genoemd. In dat gebed bidt de Here Jezus:  En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven (17:20).
 Martin Luther wilde dit vers in gouden letters af laten drukken, omdat dit vers over ons gaat. Johannes Calvijn zegt over deze tekst: ‘Het gebed van Christus is een rustige haven, waarin men zich kan terugtrekken om te voorkomen dat men schipbreuk lijdt. Deze tekst betekent dat Christus met verheugende woorden gezworen heeft dat Hij alles in het werk stelt om ons Zijn heil te schenken.’  Een rustige haven: dat betekent een ruimte die opgezocht kan worden. Dit gebed is geen verleden, maar heden, tegenwoordig.
Door het opzoeken van Christus als veilige haven worden we onderdeel van Zijn heilswerk: Opdat zij allen één zijn, (…)  opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt (17:21). De eenheid van de kerk is een missionair tekent dat heidenen helpt om tot geloof te komen.
Die veilige haven omschrijft Paulus als redding van het oordeel door de eenheid met Christus (Romeinen 8:34). De voorbede van Christus verbindt Hem die in de hemel is en ons die op aarde zijn. Met als doel voor ons in te staan (Hebreeën 9:24). Voor onze voorbede betekent dat: als wij voor anderen bidden, bedenk dan wie voor u en de ander in staat. In de voorbede van Christus  geldt die eenheid ook. Volgens de nieuwtestamenticus Oscar Cullmann wordt deze eenheid tussen Christus en Zijn gemeente op aarde in de dogmatiek te weinig gehonoreerd. Voorbede doen betekent: aansluiten bij de hemelse Heer (vgl. Kol 3:1-2). Hij gaat ons voor – ook in het gebed. Tegelijkertijd zien we in de voorbede van Christus iets van het geheim van de Drie-eenheid: een goddelijk zelfgesprek over ons en ten gunste van ons. De oproep tot voorbede betekent dat wij worden opgeroepen om ons in dit gesprek te mengen.

Het Onze Vader als voorbede
In onze traditie hebben we van het Onze Vader vooral een persoonlijk gebed gemaakt: Mijn Vader die in de hemel is.
De aanhef Onze Vader laat allereerst distantie zien: de Vader is in de hemel en de bidder is op aarde. Vanuit eschatologisch perspectief wordt deze afstand overwonnen: al het individuele verdwijnt: Uw rijk kome. Als we het Onze Vader nemen als voorbeeld voor ons eigen gebed, dan dringt de ‘zaak’ van God meer naar de voorgrond en verdwijnt onze eigen kwesties naar de achtergrond. Voorbede is een eenheid met aanbidding. In de voorbede wordt de Aanbedene erbij geroepen. Voorbede is een gebed om God zelf. Als bidder zijn we opgenomen in de gemeenschap van bidders. We kunnen daarom niet alleen voor onszelf bidden. Karl Barth: ‘Men kan niet voor de eigen kwesties voor God verschijnen zonder eerst en vooral voor  zijn kwesties op te bidden die de hele gemeente en de hele oecumene en zelfs de hele schepping raken.’

Aspect van menselijkheid
In de voorbede treed ik uit mijzelf en verlaat ik mijn gevangenschap en zoek de dingen die boven zijn. Omdat ik uit mijzelf treed, besta ik niet alleen maar meer voor mijzelf. De voorbede bevrijdt mij uit mijn in-mijzelf-gekeerd-zijn. In de voorbede word ik menselijk: mens voor Gods aangezicht en medemens. Voorbede betekent: menswording, onthulling van de mens als medemens. In die beweging van gebed voor de ander worden wij opgenomen in het werk van Christus.
Voordat ik begin met de voorbede, laat ik de voorbede mij gebeuren. Ik word genoemd in de voorbede van Christus en van anderen. Ik ben aangewezen op de voorbede van anderen.
Een onmens kan niet voor zichzelf laten bidden. Wie alleen bevelen geeft, heeft geen gebed nodig. Geïsoleerd door zijn trots, cultiveert hij zijn ongeluk. Wat zo iemand nodig heeft is ootmoed en nederigheid. Zo iemand weigert zondaar te zijn – ondanks zijn onmacht. Als zondaar heb ik juist de voorbede voor anderen nodig. Voor je laten bidden is acceptatie van de eigen onmacht. Dat is de enige handeling die we kunnen verrichten. Dit geldt ook voor voorganger en predikant. Een voorganger leidt niet alleen de voorbede, maar laat ook voor zich bidden (Kol. 4:30, Ef.6:19).  Alleen deze acceptatie kan een gemeente charismatisch maken. Voorbede leidt tot een nieuwe maatschappij: een maatschappij in de evangelische betekenis van gezelschap van de hogepriester. Het algemeen priesterschap van alle gelovigen.

Theologische esthetiek
‘In  het gebed – en dan vooral in de voorbede – komt tot uitdrukking hoe de wereld waargenomen wordt in verband met God’ (Friedrich Mildenberger). De Hogepriester bidt alleen voor de gemeente; niet voor de wereld (Joh. 17:19). Volgens Calvijn kunnen wij als christen onze Heer niet volgen, want Hij verkeert in het voor ons ontoegankelijke hemelse heiligdom. Christus kent geheimen die voor ons verborgen zijn (predestinatie). Alleen, zoals een aardse vader bidt voor heel zijn huis, zo bidt de Zoon ook voor de wereld: opdat de wereld gelooft dat Gij mij gezonden hebt (17:21). Zo lang de kerk geen eenheid is, blijft dit gebed tevergeefs.
De verwijzing naar Joh 17 laat zien dat voorbede onze wereldbeschouwing verandert. Ik neem de mensen voor wie ik bid anders waar dan degenen voor wie ik niet bidt. Wanneer de spiegel van de hemelse Hogepriester wordt voorgehouden, verandert onze kijk. Ook onze houding en onze relaties veranderen door voorbede. Daarom is voorbede ook een bad waarin wij (individu en gemeenschap) gezuiverd worden. In de voorbede leer ik naar mijn medemens kijken vanuit het perspectief van de Gekruisigde (Bonhoeffer). Alleen: de kruisiging is een gebeurtenis in het verleden. De hemelse Voorspraak is heden. We nemen onze medemens (en ook onszelf!) waar vanuit dat perspectief. (Die Fürbitte wirdt dann zum Regulativ für den Verkehr mit dem Nächsten. (…) Sie wird für den Christen zum Medium soziales Verhalten.)

Dienst en offer
In de voorbede zien we dat het geloof ook arbeid is. In de taalhandeling voorbede komt moeite, arbeid en dienst voor. Door de voorbede ga ik naar de ander toe en verplaats ik mij in hem of haar. Voorbede loopt dus uit in pastoraat en diaconaat. In de voorbede roept God ons tot Zijn dienst. Vandaar dat voorbede ook teken van gehoorzaamheid aan God is. Voorbede betekent ook dat wij onszelf opofferen (Romeinen 9:3, 10:1).

Voor wie bidden wij?
Voor alle heiligen:
Vgl. Ef. 6:18. Calvijn kende een ruime gebedspraktijk: voor gelovigen die gevangen zaten, voor gebieden waar hij contact mee onderhield.
Voor machthebbers: Vgl. 1 Tim. 2:2. De machthebbers hebben angsten en veroorzaken angst. Daarom moeten de heiligen voor hen bidden. De staat is geen neutrale ruimte. In deze voorbede komt de solidariteit met de wereld tot uitdrukking. In dit kader moet bedacht worden dat gebed voor de overheid in dienst staat van de aanbidding van de hoogste Heer. Miskotte noemde deze vorm van voorbede dan ook verzet.
Voor de zieken: Christus was arts voor de armen. Na zijn opstanding gaf Christus niet zijn genezende werking op. Lichamelijkheid hoort bij de Opgestane. Volgens Bohren hebben we hier te maken met een stuk ungepredigte Bibel. Een zieke maakt mij ook solidair, want de ziekte van een ander representeert ook mijn zonde. Onze voorbede blijft ongeloofwaardig als we de spiegel die de ander voorhouden verdringen. Wanneer de huidige stand van de wetenschap het gebed overbodig maakt, gaat er iets mis. Luther noemde zonde: annihilatio Dei (de vernietiging van God; het aan de kant schuiven van God). We zijn dan traag (één van de 7 hoofdzonden!) in onze boetvaardigheid.
voor onze vijanden: Een burgerlijke godsdienst laat niet toe dat wij vijanden hebben. Als we echter proberen om Christus na te volgen, krijgen we (meer) vijanden.  Bidden voor onze vijand betekent dat we de ander meenemen naar de troon van God. De vijand treedt tegen de bidder op. De bidder treedt voor zijn vijand in.
voor zondaren: Zonde heeft de neiging om overgedragen te worden. In onze burgerlijke vorm van godsdienst is zonde vooral een privéaangelegenheid geworden. De strijd tegen de zonde heeft een belangrijk wapen in de voorbede voor zondaren. We distantiëren ons niet van de zondaar, maar verklaren ons solidair door hem of haar voor Gods troon te brengen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Rudolf Bohren, Das gebet II. EDITION BOHREN (Waltrop: Hartmut Spenner, 2005) 201-249

Bohren heeft ook twee gebedenboeken gepubliceerd, waarin hij ons aanmoedigt om te bidden en daarin voorgaat: Texte zum Weiterbeten (1976); Beten mit Paulus und Calvin (2008).

Spreek slechts één woord, één woord met macht

Spreek slechts één woord, één woord met macht

Enige tijd geleden preekte ik over Ezechiël 1. Tijdens de lezing van dit Schriftgedeelte keek ik naar de gezichten van de luisteraars. Ik merkte dat de gemeente niet alleen aandachtig luisterde naar dit gedeelte, maar echt ook gegrepen werd door deze tekst en gefascineerd werd door wat er in deze tekst beschreven werd. Er gebeurde gewoon waar de tekst over spreekt: de hemel opende zich en iets van de heerlijkheid des Heren werd zichtbaar.’

Zo begint Jean-Marcel Vincent zijn boek over De ervaarbaarheid van God in het Oude Testament. In een voetnoot voegt hij eraan toe: ‘Ik hoef niet te vertellen dat mijn preek, die erop volgde, in vergelijking daarmee erg vlak was en geen recht deed aan de tekst.’ 
Sinds mijn afstudeerscriptie, die gewijd was aan het zien van Gods aangezicht in het Oude Testament, ben ik geïnteresseerd in de manier waarop de Bijbel schrijft over ervaringen met God. Tijdens het lezen let ik er vooral op, hoe God aanwezig is. Wanneer er sprake is van een theofanie of een stem van God. En ook wanneer er omgekeerd sprake is van het zoeken van contact met God lees ik aandachtig. Zelfs als zijn aanwezigheid niet beschreven wordt heeft dat altijd betekenis. Elk bijbelgedeelte heeft een sacramentele dimensie. Dat wil zeggen: elk bijbelgedeelte opent de weg naar God. Door iets van God te laten zien. Zelfs door de afwezigheid van de Here te laten zien. De preken die ik gehoord heb, hebben deze sacramentele dimensie vaak over het hoofd gezien. Naar mijn idee is de oorzaak daarvan dat de predikanten bij het bestuderen van het betreffende gedeelte deze dimensie niet hebben opgemerkt. Over het gebrek aan sacramentele dimensie in de eredienst schrijft De Leede in Is God in de VS dichterbij?

Dit zijn artikelen waar ik erg van houd en veel van leer. De Leede neemt ons mee langs ervaringen, die hij opdeed. Wat mij het meeste raakte, was de opmerking van de zwarte onderzoekster. Dat black preachers tenminste nog in God geloven. Dat hield mij opnieuw de spiegel voor. Dat was al eerder gebeurd toen ik begon in de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Volgens hem heeft de prediker te maken met een verlegenheid die hij typeert als sprakeloosheid. De prediker vindt de woorden niet meer, omdat God zelf niet aan het woord komt in de prediking. De prediker heeft een belangrijke stap overgeslagen: namelijk de verwondering en het overdenken van Gods tegenwoordigheid (Staunen). Het overslaan van deze stap heeft twee fatale gevolgen:

(1) De prediker denkt te kunnen beschikken over Gods Woord. De Here is gedegradeerd tot een afgod. De Schrift laat echter zien dat waar mensen denken te kunnen beschikken over God Hij zich terugtrekt en in stilzwijgen hult. 
(2) Omdat de Here zich teruggetrokken heeft, wordt Zijn aanwezigheid en Zijn handelen niet opgemerkt. Daardoor denkt de prediker dat hij het handelen van God moet overnemen. Om in de termen van Bohren te blijven: ik vergat zelf eerste hoorder te zijn. Ik vergat, dat ik als predikant geneigd ben God en mijn gemeente te haten. Ik sloeg mijzelf over en luisterde – ondanks mijn interesse voor de sacramentele dimensie van de tekst – vaak vooral met het oog op de gemeente. 
Maar als ik kijk in de spiegel die Bohren mij voor houdt, besef ik dat ik in de praktijk van mijn werk maar weinig rekening gehouden heb met het gegeven dat God vandaag de dag werkt. Omdat ik twijfel of God wel handelt, denk ik te kunnen handelen in Zijn plaats. Van Eberhard Jüngel heb ik geleerd om deze houding als zonde typeren. Ik beroof God van Zijn God-zijn, ik op mijzelf gericht, in mijzelf gekeerd en belast mijzelf met een last waaraan ik onderdoor ga (homo incurvatus in se). 

Daardoor herken ik het citaat van de collega, die door De Leede wordt aangehaald: ‘Het is net of er bij ons iets tussen staat, iets onzichtbaars, een soort glazen wand.’ Dit is de taal van de aanvechting. We kunnen als gelovige en ook als predikant alleen maar uit de aanvechting komen, wanneer we weer geloven in de werkzaamheden van onze Heer. U hebt het heden, het vandaag te verkondigen, hield Hans-Joachim Iwand zijn studenten in de jaren ’30 voor en verwees naar 2 Kor. 6:1-3 en Hebr. 3:7-19. ‘Wat daaruit worden zal, mag u aan God over laten. Hij kan de gemeente ook in dwaalleer laten verkeren. Dank God, dat u vandaag de dag de gemeente nog mag verkondigen!’ 
Iwand zei dit midden in de strijd tussen de Deutsche Christen en de Bekennende Kirche (wat die opmerking over de dwaalleer een spannend gegeven laat zijn). Eerder had hij al tegen zijn studenten gezegd: ‘Tussen u en uw gemeente staat God. Een zegen en een troost als u deze grens respecteert, maar een scherp zwaard voor wie deze grens negeert. Op het moment dat u als verkondiger wilt heersen over de harten, loopt u in Gods zwaard.’ Dit citaat van Iwand was ik al eens tegengekomen. Alleen de eerste zin bleef mij bij. Door het bezigzijn met het artikel van De Leede drong de consequentie hiervan door in wat Iwand in de daaropvolgende zinnen schreef. Ik negeerde de grens. Ik als homo incurvatus in se kon alleen uit mijn in-mijzelf-gekeerd-zijn gered worden door de kracht van Christus of Gods Woord. Dat woord, gesproken met macht, doorbrak mijn ongeloof en liet mij op God zien. Zoals ook Abram onderbroken wordt in zijn klacht en van God de opdracht krijgt om omhoog te kijken naar de sterren. Deze bevrijding kan extra kracht hebben als de aangevochtene door anderen met een gezagvol woord op Christus gewezen wordt. Spreek slechts één woord, één woord met macht, dan krijgt ons leven nieuwe kracht (Gez. 170, al kies ik liever voor de versie uit de Bundel-’38:) dan is voorbij der zonde nacht. Dat kan alleen het Woord doen, als het Woord ons stoort in onze in-onszelf-gekeerd-zijn. 

Het Woord van God plaatst haalt ons weg en plaatst ons onder de macht van Christus. Want mijn leven is onder de macht gesteld, van mijn Heer die mijn dagen en nachten telt. Wat verkondigen in de werkelijke aanwezigheid van Christus betekent, laat Handelingen 8:35: en hij predikte hem Christus. Hier wordt niet uitgelegd wie Christus is. Het woord dat Filippus sprak was dat woord van macht, waardoor de kamerling onder de macht van Christus werd gesteld. Met als gevolg dat hij zijn oude leven aflegde en bekleed werd met Christus.

Matthijs Schuurman
predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam-Watergang.

Gepubliceerd op de website van de IZB – als reactie op dr. H. de Leede, ‘Is God dichterbij in deVS?’ http://www.izb.nl/index.php?cId=284&aId=1393

Enkele opmerkingen à la De Leede:
* Presentia realis kunnen wij niet realiseren, wel blokkeren.
* Wanneer De Leede de oceaan oversteekt, laat hij daarbij onze oosterburen niet vergeten. Manfred Josuttis heeft op een eigenzinnige, soms esoterische manier de presentia realis doordacht. Hij hielp mij om van theoloog geestelijke te worden. Martin Nicol schreef een boeiende homiletiek, die helpt om de presentia realis in de prediking praktijk te brengen.
* Het wordt tijd, dat we Van der Leeuw eindelijk eens serieusnemen. Het verwijt van magie is volgens Josuttis een protestants vooroordeel. Of liever een protestantse projectie. Zij hebben graag zelf de macht over het woord, ipv dat het woord macht over hen heeft.
* Een kerkdienst die uitgaat van de presentia realis, neemt Romeinen 6 als uitgangspunt. De kracht van het evangelie (Romeinen 1:17) is geen inwendige kracht, maar een kracht die ons van gebied en eigenaar verwisselt. (Herrschaftswechsel) De aarzelingen rondom Stanley Hauerwas laat zien, dat men binnen de Protestantse Kerk in Nederland de consequenties van de sacramentele dimensie van de eredienst niet ten volle beseft.
* Er moet een verbinding zijn tussen spiritualiteit, dogmatiek en kerkelijke praktijk. De rechtvaardigingsleer en zondeleer worden dogmatisch keurig behandeld, maar werken in de praktijk van de prediking nauwelijks door.
* Wanneer de presentia realis uitgangspunt is, is het niet verwonderlijk wanneer men zich ervaart als een concreet bestaan in ruimte en tijd ervaart. Christus redt niet alleen onze ziel, maar heel ons bestaan. Wanneer we onder de macht van Christus geplaatst worden, wanneer we verschijnen voor het aangezicht van God verschijnen wij daarmee als persoon.
* Wie spreekt over de ontmoeting met de/het heilige kan er niet omheen dat er sprake is van fascinans én tremendum. Niet alleen de schoonheid,maar ook de huiver en distantie dient gerealiseerd te worden.
* Volgens de liturgiewetenschapper Wolfgang Ratzmann is de sacramentele dimensie van de eredienst de enige voorwaarde voor missionaire kerkdiensten: namelijk dat in de dienst de weg tot God wordt geopend.
* De oud-oosterse visie op de tempel kan ons verder helpen in de doordenking van de sacramentele dimensie van de eredienst (denk aan de artikelen van Bernd Janowski op dit punt).
* Tegelijkertijd met het artikel van De Leede las ik het afscheidscollege van Christian Link, waarin hij aan gaf juist voorzichtiger geworden is met het spreken over het heden van Gods handelen. De actualisatie is niet zonder risico’s (denk aan de predikanten die in het enthousiasme voor de Eerste Wereldoorlog zagen als een nieuwe uitstorting van de Geest)
* Bij het nadenken over de aanwezigheid en het hedendaags handelen van God zijn de christologie (en de sacramentsleer als onderdeel van de christologie) de norm.
* Het onderscheid sacramentum-exemplum geldt niet alleen voor de christologie, maar voor elk bijbelgedeelte en voorkomt dat men naar de moralisering grijpt als brug naar het heden. 
* Hemelvaartsdag dient weer in ere hersteld te worden als belangrijkste feest van het jaar. Presentia realis gaat om de aanwezigheid van de verhoogde Heer. De viering van het Kerstfeest kan alleen in dat kader ook gevierd worden: de Redder die heilsbrengend is verschenen. Zoals ook de evangeliën in dat kader staan: niet alleen geschreven vanuit Pasen, maar vooral vanuit het geloof en de ervaring van Zijn verhoging – ter rechterhand Gods.