Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Een jaar of 16 was ik toen ik voor het eerst de Johannespassion van Bach hoorde. Een docent van de middelbare school had kaartjes met korting bemachtigd en een aantal leerlingen mocht mee. Ik kende het stuk niet. Van begin tot eind was het een overweldigende ervaring. Het openingskoor, de verschillende aria’s, de dramatiek, het maakte allemaal een enorme indruk op mij. Ik werd meegenomen in het lijdensverhaal van Christus. Zelden was ik zo dicht bij Christus gekomen. Bach betrekt de luisteraar er bewust in. 

Dat de kerkdienst ook zo’n overweldigende ervaring zal zijn, hopen veel kerkgangers. Ze hopen dat ze op zondag in de kerk een soort Bachervaring hebben, waardoor ze dicht bij Christus komen en ook dat ze er zelf bij betrokken worden. Dat hebben ze nodig om gevoed te worden in hun geloof. Vaak gaat dat verlangen niet in vervulling. Ze missen wat, maar kunnen niet onder woorden brengen wat.

Visie op de gemeente
Binnen de kring van de Gereformeerde Bond wordt de laatste jaren vaak de noodklok geluid: de prediking verandert en niet in gunstige zin. De luisteraar wordt niet meer aangesproken. Vooral mist men de confronterende aanpak, waarbij je als luisteraar voor de heilige God wordt gedaagd, waardoor je je schuld beseft en ook je vrijspraak in Christus hoort. De prediking zou daardoor vervlakken. Men zoekt naar een reden: waarom is deze aanpak verdwenen? Is de visie op de gemeente veranderd? Gemeenteleden worden niet meer gezien als ‘tweeërlei kinderen van het verbond’. Daarmee wordt bedoeld dat niet elke kerkganger een levend geloof heeft. Gaan predikanten ervan uit dat het wel goed zit met iedereen die in de kerk zit? Dat er geen waarschuwing meer nodig is? Die indruk leeft, maar deze kritiek heb ik altijd net iets te makkelijk gevonden.

Willen en doen
Zelf krijg ik die opmerking ook weleens van gemeenteleden: “Bij jou komt iedereen in de hemel.” Dat verbaast mij. Ik zou wel willen, maar daar ga ik niet over. Het is in ieder geval niet mijn insteek bij het maken van mijn preken. In mijn preken gaat het over wat gemeenteleden missen. Onlangs las ik een interview terug dat ik een aantal jaar geleden had met dr. Bert de Leede voor Maandblad Réveil. Het ging over hoe je over Christus kunt preken. De Leede zei toen: ‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus. Zodat de hoorder de ervaring opdoet: Christus staat in ons midden. Hij staat midden in mijn leven. En Hij spreekt ons aan: “Sta op, o mens!” “Zweer de duivel en de zonde af!” “Ik veroordeel u niet!”’ De confronterende manier mag niet worden geschuwd: ‘Er is sprake van een breuk tussen God en mens. Verkondiging maakt scheiding. Als het voor hen geldt, moeten gemeenteleden ook kunnen zeggen: “Ik zit hier zonder bruiloftskleed. Ik sta er buiten!” Dit moet niet afgezwakt worden.’
Ik las deze woorden voor aan mijn vrouw. Ze keek mij meewarig aan en zei: ‘Zo preek jij niet.’ Die opmerking maakte mij duidelijk dat er een verschil is tussen wat ik zou willen in de preek en wat ik daadwerkelijk doe.

Preken voorbereiden is niet makkelijk. Ik vergelijk het wel eens met het componeren en uitvoeren van een Bachcantate. Een preek componeren en uitvoeren moet in één week tijd gebeuren en kost veel creatieve energie. De exegese gaat vaak nog wel. Maar dan de preek zelf. In de voorbereiding maak je zoveel keuzes en neem je zoveel beslissingen, dat het eindresultaat op de kansel op zondag kan afwijken van wat je daadwerkelijk wilt zeggen, zonder dat je dat zelf door hebt. In de beoordeling van preken moet meegenomen worden dat er een verschil kan zijn in intentie en uitwerking.

Kerkgang niet genoeg?
Voor de insteek van de preek maakt het uit of je als predikant mild of kritisch bent ten aanzien van de gemeente. In de loop der jaren ben ik door zowel het pastoraat als het voorgaan in de diensten onder de indruk geraakt van het geloof van gemeenteleden en ook van wat ze vanuit hun geloof doen voor anderen, zonder dat ze dat vaak zelf goed onder woorden kunnen brengen.

Er bestaat een bepaalde kritische visie op de gemeente – namelijk dat het bezoeken van de kerkdienst niet genoeg is. Ik kan niet zo goed overweg met deze gedachte. In meer gereformeerde en evangelische hoek gaat het erom dat kerkgangers ook hun steentje dienen bij te dragen. In bevindelijke hoek is kerkgang alleen niet genoeg, omdat je een waar geloof moet hebben. Maar de eredienst is het hart van de gemeente. Deelnemen aan de kerkdienst is niet zomaar iets. Naar mijn idee wordt daar in beide gevallen aan voorbijgegaan. Iemand die een kerkdienst bezoekt, kan per definitie niet alleen consument zijn. Alleen al vanwege de moeite die hij neemt de kerkdienst bij te wonen. Bovendien doet een kerkdienst altijd wat met de bezoeker. Is het niet door de preek, dan wel door het zingen of door de zegen, of door het gewoon ‘er zijn’ in de kerk, onder andere kerkgangers. Ze brengen wat en ze halen wat. Wat ze meebrengen voor zichzelf, voor de opbouw van hun geloof en de versterking van hun relatie met Christus valt niet altijd expliciet in woorden uit te drukken.

De gemeente aanspreken
Wanneer gesproken wordt over een vervlakkende prediking, worden meestal voorbeelden van vroeger aangehaald. De naam van ds. G. Boer wordt genoemd, of die van een andere vooraanstaande predikant uit het verleden. Ook wordt wel gezegd dat preken uitgaan van een lievige God, waarbij de gemeente niet geconfronteerd wordt met zonde of ongeloof. Laten we ervan uit gaan dat hier geen sprake is van nostalgie, maar dat men probeert onder woorden te brengen wat men mist. Vaak is dat de hierboven geschetste confronterende prediking. Dan is wel de vraag: waarom wordt deze vorm van preken zo gemist? Is er iets misgegaan in de overdracht?

Bij het maken van preken, zijn twee kanten te onderscheiden. De principiële kant: preken is het aanspreken van de gemeente in de naam van Christus. Maar er is ook altijd een praktische kant: Hoe doe je dat? Welke woorden gebruik je? Hoe gaat dat aanspreken van de gemeente? Welke plek neemt dat in de preek in? Dat zijn punten die iemand niet komen aanwaaien als hij een preek moet maken. Er moet op geoefend worden. Er moet nagedacht worden over wat goede praktijken zijn en wat niet.  We staan voor de uitdaging deze stijl opnieuw uit te werken voor deze tijd.

Geen materialen
Wat mij opvalt, is dat er nauwelijks materiaal is, waarin nagedacht wordt over een preekstijl waarin het confronterend aanspreken van de gemeente een plaats heeft. Als er geen materiaal voor is, is er kennelijk ook geen aandacht voor. Dan is het ook niet verwonderlijk dat deze preekstijl niet meer gehanteerd wordt.

Maar het ontbreken van het materiaal kan nooit de enige verklaring zijnvoor het uitblijven van een confronterende manier van preken. Heeft dat misschien met deze tijd te maken, waarin we niet veel meer van elkaar als gelovigen durven vragen en elkaar niet meer durven aan te spreken? Bijvoorbeeld uit angst dat mensen wegblijven of overstappen naar een andere gemeente?

Toch blijft een confronterende prediking nodig. “Zeg waar het op staat”, zeggen gemeenteleden weleens tegen mij. “Pak ons bij de lurven als het nodig is.”

Ik heb moeten leren dat gemeenteleden soms zo’n confrontatie nodig hebben om verder te groeien in geloof. Dat vraagt van mij wel, dat ik die confrontatie aandurf. En dat kan alleen als ik als predikant de gemeente ken in de sterke en zwakke kanten. Zo’n confrontatie werkt alleen als ik als predikant respect heb voor de gemeente. Ook is geloof nodig, dat God zelf de gemeenteleden door middel van de preek aanspreekt.

Verschenen in Maandblad Réveil. Bewerking van een eerder blog. 

Crisis der Middenorthodoxie en prediking binnen de Gereformeerde Bond

Crisis der Middenorthodoxie en prediking binnen de Gereformeerde Bond

‘Onlangs las ik weer in een bekend geworden boekje van prof. dr. H. Berkhof,
Crisis der Middenorthodoxie (Nijkerk 1952)’, schrijft een collega in de Waarheidsvriend. Weer dat boekje van Berkhof! In kringen van de Gereformeerde Bond wordt dit boekje tegenwoordig haast als een belijdenisgeschrift gezien. Of minstens als een profetisch vergezicht: ‘Wat hij hierin schrijft over de gevaren die de midden-orthodoxie bedreigen, zien we vandaag terug in gemeenten die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond.’
PTRanELmfoKPrK6FqYEIEr zijn twee redenen waarom Crisis der Middenorthoxie geciteerd wordt: Het is de enige  polemiek, waarin iemand uit de kring van de Gereformeerde Bond op niveau discussieerde met iemand van buiten de Gereformeerde Bond. Het is dus de enige polemiek waarin duidelijk wordt wat de Gereformeerde Bond heeft in te brengen in het bredere geheel van de kerk. Het citeren van dit geschriftje gebeurt dan ook niet zonder de nodige nostalgie.
Hendrikus_Berkhof


De andere reden is dat het boekje wordt gebruikt om de prediking van collega’s binnen andere gemeenten die zich tot de Gereformeerde Bond rekenen de maat te nemen. De prediking binnen de kring van de Gereformeerde Bond vervlakt. En Berkhof had nota bene daar al meer dan 65 jaar geleden voor gewaarschuwd! In het artikel wordt Berkhof geciteerd: ‘De midden-orthodoxe prediking verkondigt genade zonder gericht, verlossing zonder dankbaarheid, vreugde zonder vrees, voorzienigheid zonder gebod.’ Het voordeel van een citaat is dat dit niet bewezen hoeft te worden, maar als een profetische waarschuwing uit het verleden, die inmiddels in eigen kring bewaarheid zou zijn, naar voren gebracht kan worden.

Eerlijk gezegd vind ik deze manier van elkaar de maat nemen erg kwalijk. Ik ben zelf niet iemand die de prediking van collega’s bewust volgt. De preken die ik hoor zijn vaak van gastpredikanten. Een enkele keer beluister ik preken van een collega, van wie ik vind dat hij een bijzondere manier van preken heeft waar ik van kan leren. De eerste vraag die bij mij boven komt, is: Hoe weet men binnen de Gereformeerde Bond dat de prediking in eigen kring vervlakt? Beluistert men veel preken van predikanten? Gaat men af op signalen van gemeenteleden, die melden dat ze de prediking vinden vervlakken? Wat zijn de criteria voor vervlakking? Als ik de kenmerken van Berkhof aanhoudt, dan heb ik nog nooit een midden-orthodoxe preek gehoord binnen de Gereformeerde Bond.
91650abe72b74891ce17dffa3726f716_XL


De tweede vraag die bij mij opkomt, is of de analyse wel klopt. Is er niet iets anders aan de hand? Mijn indruk is dat er wel verschuiving in de prediking kan zijn: de verschuiving van een Kohlbrüggiaanse prediking of een meer Lutherse prediking van wet en evangelie naar een meer gereformeerde prediking, die het geheel van de Bijbel wil laten spreken in plaats van de persen door de mal van de verzoening (door voldoening). Als ik het artikel van deze collega lees, heeft het evangelie één kern: de hoogspanning van de verzoening. 2 Korinthe 5:12-21 wordt de norm voor elke preek.
Tijdens mijn studie was het niet meer vanzelfsprekend dat studenten uit de Gereformeerde Bond kozen voor kerkgeschiedenis en dogmatiek. Het merendeel koos juist voor de Bijbelse vakken: exegese van het Oude of van het Nieuwe Testament, Bijbelse theologie. Er was een enthousiasme voor de Bijbel en voor de grote mate van variatie in de Bijbel. Aandacht voor het Oude Testament, zonder dat dit deel van de Bijbel direct in een christologische exegese werd geduwd. Aandacht voor de wijsheid van het Oude Testament, de verhalen, de profeten, voor de godsdienstgeschiedenis in het Oude Israël. In het Nieuwe Testament aandacht voor de gelijkenissen, de paranese, de apocalyptische teksten, de zoektocht naar de historische Jezus. Zou deze aandacht voor de exegese en de Bijbelse theologie niet in de prediking doorwerken? Naar mijn idee maken we meer de omslag mee van een eenzijdige prediking, waarin het Paulinische evangelie norm en kern van de Bijbel is naar het oog voor de eigenheid en de variëteit van de Schrift.

Een derde vraag die bij me opkomt is: hoe doe je dat dan? Dan zijn we op het terrein van de materiële homiletiek: de inhoud van de verkondiging. Want je kunt stellen dat er gepreekt moet worden vanuit de gedachte van ‘tweeërlei kinderen van het verbond’, ‘twee wegen en drie stukken’, maar hoe doe je dat in de concrete praktijk? Daar worstel ik bijna bij elke preek mee. Vooral ook omdat er nauwelijks materiaal is dat mij daarbij helpt. Zonde en het laatste oordeel zijn thema’s die mij theologisch bezighouden en boeien en waarin ik mij geregeld verdiep, maar er het materiaal dat mij helpt om erover te preken is erg schaars. Als ik zou willen uitzoeken hoe ik in deze tijd ‘onderscheidend’ zou willen preken (d.w.z. in de preek er niet vanuit gaan dat elke aanwezige kerkganger een ware gelovige is), hoe doe ik dat dan? Een van de weinigen die dat uitgewerkt heeft is ds. A. Moerkerken, maar dat stamt uit een heel andere theologische traditie, waardoor het niet eenvoudig wordt om er iets uit mee te nemen. Als je wilt dat de prediking onder de ‘hoogspanning van de verzoening’ staat, volstaat het niet om te zeggen waar het aan schort of wat de norm is, maar ook hoe dat praktisch uitgewerkt kan worden: welke stijl, welke inhoud, welke aanspraak hoort erbij? En wat houdt dit in voor de predikant als eerste hoorder? Zonder die uitwerking blijft zo’n oproep alleen maar in de lucht hangen.

download (2)

Een complicerende factor is dat de kennis van de eigen traditie, ook binnen de Gereformeerde Bond, aan het wegebben is. Dat gebeurt onder kerkgangers, zodat er vanuit de prediking niet zomaar aansluiting is, maar van onderop opgebouwd moet worden. Het volstaat niet om leuzen in de prediking rond te strooien, maar zo’n leus dient uitgelegd en praktisch toegepast te worden, wil de traditie levend gehouden worden. De eigen traditie van de Gereformeerde Bond verdwijnt volgens mij ook onder predikanten. Want wie van de predikanten leest nog ds. I. Kievit, ds. G. Boer, ds. J.G. Woelderink of ds C. van der Wal? Zelf heb ik alleen enkele boeken van ds. Woelderink – ongelezen – in de kast staan. Als de eigen traditie hooggehouden moet worden in het geheel van de kerk, vraagt dat ook om een levend houden van de eigen traditie en een doorwerking naar onze huidige tijd.

Is dat nodig dat de oudere generatie predikanten uit de Gereformeerde Bond nog gelezen worden? Ik weet het niet. Ik red me redelijk met theologen en homileten uit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten of Canada. (Nee, geen N.T. Wright!) Alleen is er misschien niet steeds een aansluiting op de specifieke spiritualiteit binnen de Gereformeerde Bond.

Naschrift
De reactie kan zijn: er wordt toch minder over of vanuit de rechtvaardiging van de goddeloze gepreekt? Deze constatering heeft een aantal complexe elementen in zich:

(1) is die rechtvaardiging de kern van de Schrift? Volgens prof. dr. W. van ’t Spijker is volgens de gereformeerde traditie niet de rechtvaardiging van de goddeloze de kern van het christelijk geloof, maar de gemeenschap met Christus. Een andere manier om de kern van het christelijk geloof aan te geven is: hoe God aan Zijn eer komt. Daarbij is de rechtvaardiging van de goddeloze weliswaar onmisbaar, maar niet dé kern.

(2) Is de rechtvaardiging van de goddeloze de enige manier om over het heilswerk van Christus te spreken? Volgens Fleming Rutledge zijn er twee hoofdbetekenissen van het kruis op Golgotha (met allerlei nuanceringen): verzoening door God van de zondige mens (waarvan de rechtvaardiging een onderdeel is) en de overwinning van God op de zonde, het kwade en de duivel.

(3) als je vanuit de rechtvaardiging wil preken: wat vraagt dat van Schrift, gemeente en predikant? Aan welke voorwaarden moet de verkondiging voldoen wil de boodschap gehoord en geloofd worden? Daarbij is het niet alleen nodig om te kijken naar de predikant, maar ook naar de gemeente en naar de Schrift. In welke gedeelten komt de rechtvaardiging aan de orde en welke niet? Welke plaats krijgen de brieven van Paulus in de verkondiging? Welk effect heeft de verschuiving van de Lijdenstijd naar de Veertigdagentijd voor de inhoud van de verkondiging?

(4) is het ook mogelijk dat de zaak in hedendaagse woorden en begrippen waardoor de sfeer anders is maar de inhoud niet? M.a.w. Is het slechts schijn dat de verkondiging oppervlakkiger wordt? Is er sprake van verandering van preekvorm of voordracht, waardoor het lijkt dat de inhoud oppervlakkiger wordt? Of het die veranderde vorm of performance effect op de inhoud?

(5) In hoeverre is de rechtvaardiging nog een levende geloofsbeleving of wordt het bewust of onbewust in de prediking gemeden omdat het slechts een systeem geworden is waarbij de levende geloofswerkelijkheid is verdwenen?

(6) De prediking over de rechtvaardiging van de goddeloze is extra complex geworden door het Nieuwe Perspectief op Paulus, waarin de Paulus-exegese van Luther, die ten grondslag ligt aan de gedachte van de rechtvaardiging van de goddeloze, ernstig wordt bekritiseerd. Inmiddels zijn daarop weer nuanceringen gekomen en wordt dit nieuwe perspectief ter discussie gesteld. Dat maakt het er allemaal niet eenvoudiger op.

Naschrift – 2
1) In de inleiding haal ik het boek Crisis der Middenorthodoxie (1952) van dr. H. Berkhof en de briefwisseling tussen dr. H. Berkhof en ds. G. Boer uit 1956 door elkaar.

2) In 2016 kwam het verzameld werk van ds. G. Boer uit: Tijdbetrokken vreemdelingschap.
Tweedehands zullen de boeken van ds. I. Kievit, ds. L. Kievit, ds. J.G. Woeldering, ds C. van der Wal verkrijgbaar zijn.
Meer recentere publicaties m.b.t. hervormd-gereformeerde prediking zijn de boeken van C. Graafland, W. Balke, W. Verboom en J. Hoek. Of de serie postilles: Woord der prediking.

Mijn punt was niet zozeer dat geschriften niet verkrijgbaar zijn, maar dat ik merk dat er eerder naar theologen van buiten de GB gegrepen wordt: Koopmans, Miskotte, Noordmans, Van Ruler. Of Engelstalig: Tom Wright, Tim Keller, Eugene H. Peterson.

Dordtse Leerregels (6): Gods Woord door middel van mensen

Dordtse Leerregels (6): Gods Woord door middel van mensen
Het wantrouwen naar God toe moet overwonnen worden. Vanuit onszelf kunnen wij dat niet. Hoe kunnen wij het diepgewortelde wantrouwen, waardoor de zonde wordt gekenmerkt, overwinnen? Dat kan God alleen. Hij gebruikt daarvoor mensen. Mensen die net zo zondig en wantrouwend naar God toe zijn als wij. Hij gebruikt hen als instrumenten in Zijn dienst. Zij mogen namens  God tot ons spreken. Door met ons in gesprek te gaan en door ons aan te spreken wil de Heere dat wantrouwen in ons overwinnen. Dat aanspreken gebeurt door middel van mensen. De Dordtse Leerregels zien hierin Gods bijzondere zorg voor ons en onze zaligheid. Het is een verleiding om te denken dat God tot ons spreekt door een innerlijke ervaring, of door een beleving van een indrukwekkende natuurverschijnsel. Ook van deze middelen kan God gebruik maken. Maar God spreekt vooral door mensen tot ons. Deze mensen hebben deze taak niet voor zichzelf gekozen. Zij voelden zich geroepen door de Heere zelf om deze taak op zich te nemen. Die roeping is door de kerk erkent. Velen van hen zijn predikant geworden. Anderen evangelist of kerkelijk werker. Of ouderling. Ook zonder ambt kunnen gelovigen deze taak vervullen.
Waarom gebruikt de Heere mensen om ons tot geloof en tot vertrouwen op Hem te brengen? Omdat Hij ons hart kent. Als Hij alleen maar in ons hart spreekt, zouden we nog twijfelen. Dan zouden we in ons wantrouwen de boodschap van God vervormen. Het woord dat door een ander wordt gezegd, heeft meer gezag dan wij zelf iets zouden bedenken. Een vrouw kan weten dat haar man van haar houdt. Ze gelooft hem nog meer als hij het ook tegen haar zegt. De boodschap, die de Heere naar ons laat toekomen, is zo overweldigend en rijk. Dat kunnen wij in ons wantrouwen niet geloven. Wij zouden er een kwade bedoeling achter zoeken. Wordt de boodschap van God door anderen tegen ons gesproken, dan heeft die boodschap gezag. Het is een ander die het tegen ons zegt, die tegen ons in kan gaan of die ons durft te bemoedigen als wij het niet durven te geloven. Dat de Heere God predikanten, ambtsdragers en vrijmoedige gelovigen geeft, laat Zijn bewogenheid zien: Zijn bewogenheid om ons te redden van onze hoogmoed, ons wantrouwen en onze traagheid.
Als we het bovenstaande op ons laten inwerken, krijgt ook de prediking en de woorden de de ambtsdrager vanuit zijn ambt tegen ons zegt meer gewicht. In de prediking en in de woorden van de ambtsdragers klinkt Gods stem zelf door. Dat betekent overigens dat de ambtsdrager en de vrijmoedige gelovige zelf ook eerst gehoorzaam is en luistert naar de stem van God. Gemeenteleden merken vaak op als de predikant of de ambtsdrager de stap om zelf eerst ootmoedig te worden voor God is vergeten.
God werkt door middel van mensen. Het evangelie is een boodschap die mensen niet koud laat. Het evangelie van Jezus Christus raakt mensen, neemt mensen mee, verandert en bekeert mensen. Daardoor kunnen anderen zien hoe het evangelie ‘werkt’: onbewust zijn degenen die zich gewonnen hebben gegeven aan Gods Woord een voorbeeld voor anderen.

ds. M.J. Schuurman