De predikant als minor poet

De predikant als minor poet
Over de roeping, de inzet en taak van de predikant

Als iemand predikant wordt, brengt offers. Een predikant verhuist naar de plaats waar de gemeente gevestigd is. Hij neemt zijn gezin mee en laat zijn sociale netwerk achter. Hij moet een hele nieuwe omgeving leren kennen, waarderen en liefhebben.

Het leren kennen betekent niet alleen de buitenkant: de weg in de omgeving, de plaats waar de winkels staan. Een predikant moet ook de binnenkant leren kennen: de manier van denken en handelen, de interacties tussen mensen, de taal van het hart, de emoties van de gemeenschap, de lokale geschiedenis, de relatie tot God in de gemeenschap.

Totale overgave
Predikant zijn van een gemeente kan alleen door je helemaal, zonder reserve te geven. Zo ervaar ik mijn roeping ook. Geregeld komt de psalmregel boven: Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd (Psalm 69:4 Oude Berijming). Predikant worden is offers brengen. Dat is niet altijd erg, want deze offers worden gebracht voor een hoger doel: in naam van Christus voor de gemeente zorgen.
Tot voor kort had ik altijd gedacht dat het wezen van het predikantschap ook het brengen van dat offer was, dat grote gebaar van mijzelf helemaal geven aan deze gemeenschap. Door het lezen van The Pastor as Minor Poet heb ik leren inzien dat de roeping van de predikant een heel andere is: niet het grote offer, maar een bepaalde manier van naar de gemeente kijken en de gemeente daarbij helpen. Niet het grote gebaar, maar een fijnzinnige waarneming van wat God in de gemeente doet. Voor mij is The Pastor as Minor Poet  een belangrijk boek geworden.

Geschonken identiteit
Craig Barnes is hoogleraar Leadership and ministry en leidt hij predikanten op en begeleidt hij hen in hun werk. Volgens hem is predikantschap de laatste decennia ingewikkelder geworden, omdat de roeping en de taak van predikanten diffuser is geworden. Deze roeping en taak is ingewikkelder geworden, omdat we leven in een maatschappij die de suggestie wekt dat we onze identiteit zelf kunnen en moeten vormgeven (constructed identity). Rode lijn door het boek heen is dat identiteit in het christelijk geloof juist het tegenovergestelde is: identiteit is geen menselijke prestatie maar een geschenk van Christus. Het leven is geen presteren maar ontvangen: ‘We ontvangen deze identiteit door onze participatie in Christus, die ons thuis bracht in de gemeenschap met onze Schepper.’ Ons bestaan is een gracieuze gift van Christus. Alleen is het ontvangen van deze identiteit in een maatschappij van zelfgecreëerde identiteiten niet eenvoudig. Daarom hebben we volgens Barnes predikanten nodig: om ons eraan te herinneren en te helpen inzien dat onze identiteit een genadig geschenk is.

Minor poet
De roeping en de taak van de predikant is daarom volgens Barnes om de minor poet van de gemeente te zijn: het leren zien van dit geschenk in alle kleine onderdelen van het gemeentezijn. Dichters kijken niet alleen naar de werkelijkheid, maar zijn ook op zoek naar de waarheid in of achter de werkelijkheid. De predikant is bezig met de diepere laag van de ziel. Niet op een grote schaal, maar in de kleinschaligheid van de lokale context van de gemeente.
Er zijn ook major poets. Dat zijn theologen die in hun leven met een enkel thema bezig zijn (geweest) en daar veel en grote offers voor hebben gebracht. Dat zijn de Bijbelschrijvers, vroege christenen die hun leven gaven, de woestijvaders die uit de maatschappij waren getreden, de reformatoren die gevangen zaten. In een maatschappij zijn volgens de dichter T.S. Eliot beide dichters nodig. Barnes past het toe op de kerkelijke gemeente. Predikanten zijn minor poets die de theologische waarheden en de inzichten van de major poets doorvertalen naar de lokale gemeenschap. De lokale gemeenschap zit niet te wachten op de inzichten van Luther of Barth. De predikant gebruikt hun inzichten wel om zelf het werk van God in de eigen, kleine, lokale gemeenschap waar te nemen. De creativiteit van de minor poet is niet het vinden van een nieuwe theologische waarheid, maar het ontdekken en onthullen van de waarheid in deze lokale gemeenschap. De meeste theologische opleidingen leiden predikanten op als major poets, maar in de praktijk zullen de meeste predikanten juist minor poets zijn.

Alledaags
Over het algemeen is de lokale gemeenschap juist niet-poëtisch. Terwijl een predikant wellicht in de gemeente komt met hoge idealen om het geleerde door te geven. De gemeente zit vaak niet op diepe theologie te wachten, maar eerder op eenvoudige inzichten. Barnes: ‘Niemand heeft mij tijdens de opleiding geleerd om rond te lopen in de lage vlakten van de alledaagse gesprekken over alledaagse dingen.’ (Wel door hooggebergten met theologische vergezichten.) Volgens Barnes hoort een predikant in het Westen de taal van het gebabbel te leren over koetjes en kalfjes. Net zoals een zendeling in Afrika Swahili hoort te leren.
Small talk is vaak een manier om over kleine dingen te praten om ons te verbergen voor het heilige gebeuren. Het heilige is, zoals Rudolf Otto aangaf, niet alleen aantrekkelijk maar ook afschrikwekkend.

Oog voor Gods aanwezigheid
Volgens Barnes komen mensen vanwege de taak van de predikant als minor poet naar de kerk: zodat de predikant in hun prozaïsche levens iets kan laten zien van de poëzie van Gods werkzaamheid in hun alledaagse leven. De predikant kan dat alleen doen door de het heilige in het alledaagse leven te onthullen, zodat in het alledaagse er een sacramentele ervaring van God is. Barnes geeft als voorbeeld de naturalistische stelling van Ludwig Feuerbach: De mens is wat hij eet. Hij haalt de Orthodoxe theoloog Alexander Schmemann aan die die zinsnede onderschrijft, maar daar tegenover stelt: het materiële maakt ons spiritueel. Hij laat zien hoe belangrijk het eten is voor de band tussen God en mens. Het eten doet hem bewust zijn van zijn afhankelijkheid van God. Gemeenteleden geven in theorie Schmemann gelijk, maar handelen en kijken naar de werkelijkheid alsof Feuerbach gelijk heeft. Ze zien de werkelijkheid los van God als bron. En deze werkelijkheid los zien van God is zonde.

Waarheid
De minor poet helpt de gemeente inzien dat de werkelijkheid niet alleen bestaat uit de realiteit van wat voor ogen is, maar ook uit de waarheid van Gods aanwezigheid en werkzaamheid en helpt de gemeente de werkelijkheid van Christus te zien vanuit het reddend en verzoenend handelen van Christus. Deze zoektocht naar het geheimenis in de werkelijkheid, de laag van de ziel, is een van de grote taken van de predikant als minor poet.

Donkere nacht van de ziel
De minor poet heeft oog voor Gods aanwezigheid in het schone. De predikant als minor poet heeft ook oog voor Gods aanwezigheid in de donkere nacht van de ziel en helpt gemeenteleden te ontdekken hoe God daarin aanwezig is. De donkere nacht van de ziel is een uitdrukking van Johannes van het Kruis. Daarmee bedoelde hij dat de gelovige alle zegeningen van God kwijt raakt. In deze donkere nacht van de ziel is het enige dat de gelovige nog kan doen zichzelf aan het kruis van Christus te hangen. In een crisis, een ramp raakt de gelovige alles kwijt. Het kruis is dan nog het enige houvast. (Barnes werkt dit uit aan de hand van een huwelijkscrisis: de vrouw die van haar man te horen gekregen heeft dat hij bij haar weg wil, moet niet persé gaan voor de redding van het huwelijk. Want haar huwelijk is niet haar houvast. Het enige werkelijke houvast is het kruis van Christus. De minor poet helpt gemeenteleden dat houvast te ontdekken.)
Predikanten kennen vaak de donkere nacht van de ziel maar al te goed. Zij lopen rond met krassen en schrammen op de ziel. Veroorzaakt door het leven, door hun familie door henzelf, door de gemeente. Volgens Barnes is de predikant met de littekens op de ziel een voorbeeld voor de gemeente. De predikant is geen voorbeeld met de open wonden. De wonden zijn genezen door Christus, maar de littekens zijn gebleven. Predikanten lijden veel. Soms aan hun eigen familie, aan zichzelf, aan de gemeente. Soms aan de vraag waarom zij geen ‘succesvolle’ gemeente mogen dienen. Deze littekens laten zien dat zij niet perfect zijn. Juist in hun fragmentarisch bestaan zijn ze van waarde en tot voorbeeld voor de gemeente.

N.a.v. M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet. Texts and Subtexts in the Ministerial Life (Grand Rapids / Cambrigde: William B. Eerdmans Publishing Company, 2009)

Waarom word je geen dominee?

Waarom word je geen dominee?

In memoriam prof. dr. G.G. de Kruijf

Ik heb de vraag nog nooit aan iemand gesteld. Ik wil de vraag nu al jou stellen: waarom word je geen dominee?
Je zult er wellicht nooit over nagedacht hebben. En als je al wel over deze vraag hebt nagedacht, heb je vast gedacht: dat is niets voor mij. In de eerste jaren dat ik theologie studeerde, zei ik er altijd bij: “Maar ik word geen dominee!”
Het is ook niet altijd gemakkelijk. In de 6 jaar dat ik predikant ben, ben ik steeds de jongste van de kerkenraad geweest. Het is werk met lange dagen met veel schakelen en onregelmatigheid. Er is veel tijdsdruk en vaak ben je terwijl je vrij bent nog met je hoofd bij het werk.
Toch is het mooi werk. Ik mag bij veel mensen binnenkomen. Als ik binnenkom, delen ze hun levensverhaal. Geregeld worden dingen verteld die nooit aan anderen verteld worden. Vaak voel ik mij bevoorrecht om zulke verhalen aan te horen. Zulke ontmoetingen kunnen al een reden zijn om dominee te worden. Maar er is nog een groter voorrecht: je mag het met mensen over God hebben. En mensen verwacht dat ook van je. Of ze nu ongelovig zijn of heel gelovig. Ik heb vaak de indruk dat wat mensen tegen mij zeggen, zij eigenlijk tegen God zeggen.
Als je dominee hebt, heb je het voorrecht en de roeping om te preken. Nu zijn vele mensen van mening dat de preek achterhaald is. Mijn ervaring is een andere. Ik heb in verschillende omstandigheden gepreekt: In een zaaltje in een verzorgingstehuis met 10 ouderen, waarvan de jongste 86 was. In een kerkdiensten met soms 10 – 20 kerkgangers. In begrafenisdiensten, waarbij de nabestaanden soms geen besef meer hadden van wat een kerkdienst is. Daar heb ik gemerkt dat luisteraars veel aan een preek kunnen hebben. Natuurlijk, de andere kant is er ook: de kritiek op preken. “Het gaat langs mij heen!” “Ik raak u aan het begin van de preek al kwijt!” Soms is het geloof van gemeenteleden bijna uitgedoofd en hopen ze dat de preek hun geloof weer aanwakkert en hen meeneemt en in vuur en vlam zet.
De preek is een spreken van God. Als je dominee zou worden, worden jouw woorden gebruikt door God om de gemeente aan te spreken. En bij alle kritiek die er op preken kan komen, hopen gemeenteleden ook dat zij aangesproken worden. Door God. Als dat gebeurt, als een preek slaagt omdat je merkt dat de luisteraars de stem van God horen in hun eigen leven, zijn dat momenten waarop je gelukkig zult zijn.
Het is een roeping om dominee te worden. Het vraagt om een leven in nederigheid en dienstbaarheid. Wellicht bij jij ook geroepen. Denk niet te snel dat het niet voor je is weggelegd! Daarom aan jou de vraag: Waarom word je geen dominee? Het is een mooie roeping om Christus en Zijn kerk te dienen.

Deze woorden schreef ik om prof. dr. G.G. de Kruijf te gedenken. Hij was een leraar van de kerk. Niet alleen als hoogleraar, maar vooral ook omdat hij velen gestimuleerd heeft om predikant te worden. Moge zijn gedachtenis tot zegen zijn.

Geschreven voor HWConfessioneel

Interview

Op 6 oktober 2011 had ik een interview van bijna een uur met Marjolein van Eendenburg voor het programma “Een goed gesprek met …” Dat programma wordt uitgezonden door de LOCO (de lokale omroep van de gemeente Oldebroek).

Via deze link van soundcloud http://soundcloud.com/matthijs-schuurman/interview is het interview terug te beluisteren.

Een interview over mijn overgang van Noord-Holland naar de Veluwe, over geloof en twijfel, over mijn roeping als predikant en over kerkzijn.

De afgelopen week

De afgelopen week
Bijgehouden voor www.domineeworden.nl

Zondag 23 januari
Deze week zou ik beschrijven wat ik door de week doe. Voor mij begint de week (nog steeds) op zondag. Vandaag stond in het teken van de viering van het Heilig Avondmaal. Eerst om 9.00 in Watergang. We zijn normaal al niet met veel, maar vandaag was het door de hardnekkige griepvirus enigszins uitgedund. Om 10.30 in Ilpendam. De preek ging over de doop van Jezus. In de beschrijving van Lukas ligt de nadruk op de open hemel, nadat Jezus dezelfde doop als het volk heeft ontvangen. Aan de gemeente heb ik uitgelegd dat dit betekent dat Jezus ons leven op zich neemt en in onze plaats gegaan is. De preek was niet lang. Er werd goed naar geluisterd, was mijn indruk. Ik merkte dat in beide gemeenten viering iets met de gemeente deed. (Ik kan dat merken aan kleine dingen: aan de handdruk bij de uitgang, het gebed van de ouderling van dienst, aan de sfeer in de kerk). Dat stemde mij dankbaar.
Omdat wij ’s avonds geen dienst hebben, ga ik ’s avonds vaak elders voor. Dit keer ook een avondmaalsdienst. Voordat ik aankwam, kwam ik in een file terecht. Dit was de eerste keer dat het mij overkwam. Niet prettig, maar het (behalve de late start van de dienst) weinig invloed op het verloop. Voor mijzelf was het mooi om deze dienst te doen. Een dienst ’s avonds staat altijd in het teken van de dankzegging.
Al sinds de Kerst is het hier thuis een ziekenboeg. Vannacht moest onze oudste een flink aantal keren overgeven. Iedereen ligt al voor half tien op bed. Ik vind dat zelf te vroeg om te gaan. Ik zou morgen nog een artikel inleveren voor Maandblad Réveil. Onderwerp mag ik altijd zelf weten. Niet altijd even gemakkelijk. Ik had bedacht om een wat intiem en overwogen artikel te schrijven. Gisteren bedacht ik dat ik wel eens kon reflecteren op een opmerking van een gemeentelid: “U bent tenminste een dominee die niet altijd over geloof praat.” Ik heb in het artikel voor mijzelf nagegaan, waarom mijn theologie en spiritualiteit steeds robuuster worden, maar dat in mijn pastoraat nauwelijks doorwerkt. Zoiets uitschrijven helpt mij altijd heel erg. Ook na te lezen op mijn weblog.

Maandag
Vanmorgen een kort bezoek bij een gemeentelid. Nu ze met de chemo bezig is, kom ik elke week even langs. Alleen al door langs te komen, kun je iemand weer wat moed geven. Ook het lezen uit de bijbel en gebed geeft weer nieuwe moed om verder te gaan.
Verder vandaag Romeinen 13 doorgenomen, omdat ik morgen met enkele gemeenteleden dit hoofdstuk lees. Als ik het vandaag doe, kan ik morgen wellicht nog een bezoek afleggen. Verder 2 catechisaties voorbereid van vanavond. Gids voor beroepingswerk uitgeprint en begonnen door te lezen. Deze week heb ik als consulent een vergadering met een beroepingscommissie.

Dinsdag
Vanmorgen Romeinen 13 voorbereid. Vooral gefocust op hoe Paulus over de rol van de overheid als dienaar (diaken en liturg) van God spreekt. Ik had een vermoeden dat het gesprek daarover zou gaan. Op een gegeven moment bedacht ik om de Theologische Verklaring van Barmen erop na te slaan en lees ook na in de uitleg van Eberhard Jüngel (Mit Frieden Staat machen). Een boeiend gesprek over welke overheid er gediend moet worden. Al gauw kwam het gesprek op Hitler in 1933 en de Duitse inval in Nederland (1940). De Theologische Verklaring van Barmen werd met interesse ontvangen.
Na thuiskomst een meditatie van Christian Möller over “Die Zeitmaß des Reiches Gottes” (over Mk. 4:24-27) bewerkt voor ons kerkblad: De norm van het Koninkrijk van God: groeitijd. Christian Möller, emeritus hoogleraar Praktische theologie van de universiteit van Heidelberg, lees ik graag.
’s Avonds gegeten bij de AlphaCursus van onze buurgemeente. Ik geef daar enkele avonden een inleiding en dit was ter kennismaking met de groep. Mooi om de cursisten van vorig jaar te zien. Een vrouw had haar man mee. Na de AlphaCursus van de vorige keer begon zij thuis naar ds. Van de Veer te kijken en haar man keek mee. Hij is daardoor een kerkganger geworden en wilde nu ook naar de AlphaCursus.

Woensdag
Deze dag was oorspronkelijk mijn vrije dag. Daar is weinig van terecht gekomen. De laatste tijd probeer ik deze dag (in ieder geval de morgen) te gebruiken voor schrijfwerk. Vanmorgen schrijf ik een artikel voor in het kerkblad over “Met anderen over God spreken”. ’s Middags begin ik alvast wat met de exegese voor de preek van volgende week zondag. ’s Avonds komen enkele gemeenteleden langs om te eten.

Donderdag
Vanmorgen 2 bezoeken gedaan. Meestal doe ik er één op een dag, omdat een bezoek behoorlijk wat concentratie vraagt. Ik doe er twee, omdat ik al vanaf december niet meer aan bezoeken toegekomen ben. Van tevoren bedacht hoe ik zou reageren op verwijten als zou ik te lang zijn weggebleven. ’s Middags de laatste voorbereidingen voor de dienst en voorbereiding voor de Bijbelkring.
Bij aanvang van de dienst bleek de organist (een zeer professionele organist, die vindt dat ouderen in een verzorgingstehuis ook recht hebben op goede muziek en daarom vrijwilliger is) er nog niet te zijn. Hij stond vast in de file. Met bewondering heb ik toegekeken hoe hij de zettingen en de voorspelen improviseerde. Na afloop zei de pastoraal medewerker van dit huis (die dezelfde achtergrond heeft als ik, maar daar behoorlijk van weggegroeid is), dat zij het een mooie overdenking vindt.
’s Avonds om 19.30 een gesprek met de afvaardiging van de kerkenraad van de buurgemeente, omdat ik als consulent hun beroepingswerk mag begeleiden. Voor mij de eerste keer om consulent te zijn. Daarna om 20.30 nog een Bijbelkring over het thema “discipelschap”.

Vrijdag
Een late opstart omdat onze dochter vandaag vrij is van school. Op bezoek bij een jong gemeentelid. Het was een mooi gesprek, omdat zij erachter kwam dat het evangelie betekent dat God naar ons toekwam en wij onszelf voor God niet hoeven te bewijzen. Iemand die heel erg zelfkritisch is, velt over zichzelf een oordeel. Ik zei tegen dit gemeentelid: ‘Er is er volgens de Bijbel maar Eén die een oordeel over ons leven mag vellen.’ De opmerking werd begrepen. Aan het einde van het gesprek las ik Romeinen 8:1. Ik merkte dat de ander echt geraakt door deze tekst. Daarnaast las ik Mattheüs 11:26-29 en zei erbij: “Dit is een opdracht van Jezus. Hij zegt het als een opdracht, want anders zouden wij het niet doen. En ik lees het voor jou ook als een opdracht.” Aan het einde van het gesprek de afspraak gemaakt dat ik de komende tijd om de week langskom.
’s Middags catechisatie voorbereid en alvast wat exegese gedaan voor de preek van volgende week. Ook het gesprek op catechese was een mooi gesprek. Met 2 jongeren begon ik over de hemelvaart, maar uiteindelijk belandde ik in de uitleg dat geloven te maken heeft met vertrouwen. Ik leg dat altijd uit aan de hand van verkering. Eerst vind je elkaar aardig en heb je daar genoeg aan. Maar als je relatie verdiept, dan moet je tegen je vriend(in) ook vertellen wat er in je hart leeft. Dat is niet gemakkelijk. Geloven vraagt dus om jezelf bloot te geven voor God, omdat je Hem vertrouwt.

Om 20.00 is het weekend. Voor het eerst sinds maanden, denk ik. Zelfs op zaterdag hoef ik deze keer niets voor mijn werk te doen. Als gezin gaan we er een dag op uit.

Zondag
’s Morgens een dienst in Nieuw-Vennep. ’s Middags een afscheidsdienst van een collega. Meestal ga ik naar deze diensten niet heen, maar ik ben nu consulent van deze gemeente. ’s Avonds in de buurgemeente (van oorsprong een Gereformeerde kerk) een avonddienst. Dit contact is in de loop van mijn predikantschap ontstaan. Bijzonder, omdat ik dat niet verwacht had in deze omgeving. Vorig jaar leidde ik met een andere collega de AlphaCursus van deze gemeente en dit jaar die ik enkele avonden.
Nadat ik in deze gemeente de eerste keer voorgegaan was, zei een gemeentelid tegen mij: “U bent zeker van de Gereformeerde Bond?” “Hoezo dan?” “Nou, zulke preken horen wij niet zo vaak.” “Bedoel je dat positief of negatief?” “Ik zou best meer van zulke preken willen horen!” Deze opmerking en die ik eerder hoorde bevestigen mij in de mening, dat de reformatorische traditie ook in de breedte van de kerk gehoord mag worden. Daar hoop ik op mijn manier een steentje aan bij te dragen.

ds. M.J. Schuurman

Bijgehouden voor www.domineeworden.nl

“U bent tenminste een dominee die niet alleen over geloof praat.”

“U bent tenminste een dominee die niet alleen over geloof praat.”

“U bent tenminste een dominee die niet alleen over geloof praat.” Hoewel het als compliment was bedoeld, raakte het bij mij toch een gevoelige snaar. In de vier jaar dat ik predikant ben, probeer ik waar het in de kerk om gaat en waar het in levens van mensen om gaat met elkaar te verbinden. Maar het lukt me niet. In gesprekken met mensen gaat het nauwelijks over Christus of over eeuwig zieleheil of over het navolgen van Christus. Terwijl ook tot mijn ambt behoort om daar men mensen over te spreken.

Misschien komt het wel goed. Ik heb het met mijn preken ook gehad. Veel verkondiging zat er niet in mijn eerste preken. In mijn eerste preken ging het vooral over wat ik zelf nog met God kon. Als ik mijn eerste preken terug zou lezen, denk ik met God niet veel kon. Door het werk in de gemeente en misschien ook wel mijn eigen groei in het geloof is dat veel meer geworden. Ik merk dat ik bij het gezamenlijk bidden het Onze Vader nu hardop meebidt, terwijl ik dat voorheen niet deed. Ik merk dat ik kriegelig wordt als anderen gaan twijfelen, maar het naar mijn idee eerder een pose is dan een werkelijk worstelen met God. Door eenvoudige gebeurtenissen is mijn eigen geloofsleven robuuster geworden: door gesprekken met mensen die hun vertrouwen daadwerkelijk op God stelden. Doordat ik gevraagd werd om meditaties te schrijven voor een dagkalender over onbekende Bijbelgedeelten. Gedeelten, waarin het veelvuldig ging over de toorn van God. Die Bijbelgedeelten deden me behoorlijk wat. Al duurde het een tijd voor dit in mijn preken doorwerkte. Maar het gebeurt steeds meer. Al is het tastenderwijs.
Alleen in mijn bezoekwerk niet. Wordt mijn eigen theologie steeds robuuster, tijdens mijn bezoeken ben ik nog steeds voorzichtig om het gesprek op God of Christus te brengen. Ik weet dat zorgvuldig luisteren naar wat de ander vertelt, een goede houding is. Dat probeer ik ook te doen. Tegelijkertijd is het mijn ervaring dat degene bij wie ik op bezoek ben, uit zichzelf vaak niet over Christus begint. Daarbij maakt het niet uit of ik zoals in mijn eigen gemeenten buiten de Biblebelt bevindt of dat ik in een degelijke Gereformeerdebondsgemeente zou zijn.
Lange tijd heb ik mij afgevraagd of ik wel iets met Christus heb. Ik merkte dat ik Hem lang niet altijd een plaats kon geven in mijn gebeden en preken. Terwijl in mijn nadenken over God en geloof Hij wel een belangrijke rol speelde. En steeds belangrijker wordt als Degene die in mijn plaats wilde gaan en mijn schuld op zich nam. Alleen zo zeg, dreigt het een lege formulering te worden, die ik wel in preken gebruik, maar nooit de diepgang kunnen verwoorden die het voor mij heeft. Ook al gebruik ik ze soms bij gebrek aan beter. Zinnen die gemakkelijk tot lege formuleringen worden: zou dat een reden, waarom het in mijn gesprekken weinig over Christus gaat?
Wellicht is er een andere reden. Het eigen geloof is een terrein, dat mensen verborgen houden en waar ze niet zo gemakkelijk iemand binnenlaten. De ander wil zich eerst vertrouwd voelen, erkenning krijgen voor het levensverhaal. Dat geldt niet alleen voor degene bij wie ik op bezoek ben, maar ook voor de ander. Dat is het kader waarbinnen het gesprek over God (en misschien zelfs over Christus) een plaats kunnen krijgen. Het kost mij tijd om te weten wie de ander is. Vaak wordt de ziel van de ander eerder geraakt door oprechte belangstelling dan door een verplicht gesprek over God. Daarbij bedoel ik: als ik vind dat ik we nu hoognodig ook over de relatie met God moeten praten.
Vaak zie ik echter signalen, die kunnen leiden tot een gesprek op dit verborgen terrein, over het hoofd. Als ik eerder in het gesprek teveel bezig ben met wat ik wil weten in plaats van wat de ander wil vertellen. Of als ik zelf graag iets kwijt wil. Over God bijvoorbeeld.
Mijn onmacht heeft mij ook de ogen geopend. Voor hoe God aanwezig is. Ik hoef Hem niet present te stellen. Voor de ander is Hij er vaak al. Omdat ik als Zijn dienaar kom. Zijn aanwezigheid wordt ook ervaren als ik met aandacht luister naar wat de ander te vertellen heeft. Ik breng Hem mee, zonder dat ik er erg in heb. Want de gesprekken vinden voor Zijn aangezicht plaats. Dat is niet alleen mijn beleving, maar ook dat van degene bij wie ik op bezoek ben. Ik merk dat als ik uit de Bijbel een gedeelte lees, dat over hun leven gaat en voor hen bidt. Dat wordt vaak met dankbaarheid en ontroering ontvangen. Gods aanwezigheid is niet afhankelijk van hoe ik Hem ter sprake breng. Hij is er. Het is slechts mijn taak om mij en de ander daar op het juiste moment aan te herinneren. Dat kan alleen door zorgvuldig te luisteren naar wat de ander wil vertellen.

ds. M.J. Schuurman

Een woord van macht en de taak van de verkondiging

Een woord van macht en de taak van de verkondiging
(n.a.v. Handelingen 8:26-40)

Het verhaal van de kamerling uit morenland is een bekend verhaal. Vaak wordt er over gepreekt na Pinksteren. Het is een voorbeeld van een bekeringsverhaal.
Vaak gaat de aandacht uit naar de vraag, die Filippus aan de kamerling stelt: ‘Verstaat gij wat gij leest?’ (vers 30) De gedachte is dat de kamerling door middel van de uitleg van wie Jezus is tot geloof komt en behoefte heeft om te dopen.
Op die manier is de verkondiging in een valkuil gelopen, die de reformatorische verkondiging al vanaf het begin kent. Namelijk de valkuil van het cognitieve. Is het echt zo, dat mensen tot geloof komen door middel van het begrijpen van wie Jezus is? Volgens mij niet.
Het verkondigen van Jezus (euèggelísato autooi ton Ièsoun) is daarom ook geen uitleggen, maar meer. Uitleg kan belangrijk zijn, maar is slechts een hulpmiddel. Het woord betekent dat door het noemen van de naam en door het lezen van de gebeurtenissen die over Christus gaan, deze man onder de macht van dit woord komt te staan. Er vind een verbinding plaats tussen het verhaal van de gekruisigde Christus en deze man. Niet doordat de man begrijpt, wie Christus is en wat Hij heeft gedaan. Want wie kan dat begrijpen? Maar vooral doordat het leven van deze man wordt overgenomen door Christus.
Mij intrigeert waarom in dit verhaal Jesaja 53 een prominente rol speelt (terwijl die tekst in Lukas’ versie van het lijdensverhaal ontbreekt). Waarom hier? Wat is het effect van de tekst?
Het leven van deze man komt onder de macht van Christus te staan. Het leven van deze man komt onder invloed van het machtige woord. Verkondigen – en zeker het verkondigen van Jezus – is een woord van macht uitspreken. Daarom verlangt de man om gedoopt te worden. Verlangen komt vaak niet voort uit inzicht, maar uit een werkelijke verandering van het leven. En zeker het verlangen naar de doop niet. Want de doop benadrukt dat iemand het koninkrijk van God kan binnengaan. Ingelijfd wordt in Christus. Zó effectief is dit woord van macht dus.

Daarmee krijgt de hedendaagse verkondiging een andere uitdaging. Niet alleen uitleg, maar de macht van de Heilige Schrift en vooral van de naam van Jezus ondergaan. Die naam over dit leven wordt uitgesproken, waardoor er verbinding ontstaat tussen Christus en het leven van een luisteraar. En door die verbinding het leven in Christus’ macht komt. Niet een kwade macht, maar de bron van het leven. Deze man gaat het leven binnen door die verkondiging met kracht.
Niet de prediker geeft aan de verkondiging de kracht, maar de Heilige Geest en het werk van Christus zelf. De prediker kan echter wel de kracht belemmeren door te kiezen voor uitleg in plaats van verkondiging.

Dat roept voor de voorbereiding wel de vraag op: hoe kan een preek deze kracht in Jezus’ naam ontwikkelen? Wat kan ik daar als prediker voor doen? En hoe belemmer ik deze machtige uitwerking?

Het betekent in ieder geval dat ik Jesaja 53 nog eens goed op me moet laten inwerken! Want juist het verhaal van de lijdende Knecht des Heren, van Jezus, blijkt aantrekkingskracht te hebben. Zozeer zelfs, dat een volslagen vreemde verlangt om gedoopt te worden.
Kan in elke preek over Jezus maar zo’n kracht uitgaan. In ieder geval is het wel mogelijk, dat een preek deze kracht heeft. Dankzij de kracht van Jezus zelf.

ds. M. J. Schuurman

De predikant als geestelijk leider

De predikant als geestelijk leider

Wat is de taak van een predikant? Volgens Manfred Josuttis is het de taak van de predikant om mensen binnen te leiden in het verborgen en verboden terrein van ‘het heilige’.

Vanaf het begin van de jaren-’90 baseert Manfred Josuttis zijn visie op het predikantschap op godsdienstfenomenologische basis. Hoewel zijn visie niet onomstreden zijn, heeft zijn visie mij geboeid en ook daadwerkelijk geholpen om als predikant werkzaam te zijn.

Getuige
Op basis van de dialectische theologie (Barth, Thurneysen) werd de predikant (en ook het gewone gemeentelid) als getuige gezien. De profeet stond model voor de predikant. De predikant kon kritisch zijn ten opzichte van kerk en samenleving.
De praktische theologie werd gedefinieerd vanuit de verkondiging. In de godsdienstles en in het pastorale gesprek ging het om de verkondiging van het evangelie. De dogmatiek leverde de grondslag, want het ging om de juistheid van de leer. Denk om de strijd tegen de Deutsche Christen (vermenging van christendom en nazisme)!
Bij de preekvoorbereiding werd niet gekeken naar de behoeften en verlangens van de mensen. Er was geen aanknopingspunt voor de boodschap.
Het effect van dit model is dat de praktische theologie en daarmee ook elk godsdienstige handeling vooral een cognitief gebeuren werd.
Toen de secularisatie opkwam, hield dit model niet meer stand.

Helper
In de jaren-’70 kwamen de menswetenschappen op. Ook de theologie werd er door beïnvloed. In de praktische theologie ging het niet meer om verkondiging maar om het helpen van mensen en op de communicatie. In het pastoraat werd professionaliteit van belang. KPV-trainingen kwamen op. In de preekvoorbereiding werden de wensen en verlangens van de luisteraars juist wel erg belangrijk.
Het belang van religieuze symbolen en rituelen werd ingezien. Niet vanwege de kracht die symbolen, maar vanwege het nut. In deze periode ging het om het functionele, het nut van het godsdienstige.

Geestelijk leider
Met zijn model van geestelijk leider verzet Josuttis zich tegen zowel het overheersende van het cognitieve als het overheersende van het functionele. Godsdienst is meer dan cognitie en meer dan nuttig.
Het gaat Josuttis om het binnenleiden in de werkelijkheid van het ‘heilige’. Voor de getuige was het ‘heilige’ een verdachte categorie. Was het geen heidense categorie? Voor de helper was het ‘heilige’ vooral functioneel. Het maakte niet uit of het ‘heilige’ bestond of dat het ‘tussen de oren zat’. Als het maar werkte.
Voor Josuttis bestaat het ‘heilige’ wel degelijk. Niet in onszelf. Het ‘heilige’ is een gebied waar je binnen kunt gaan. Wanneer je dit gebied binnengaat, heeft het een uitwerking op je. Heiliging noemt Josuttis dat.
In deze samenleving is het echter not done om erover te spreken of het gebied van het ‘heilige’ binnen te gaan. Het is daarom verboden terrein. Maar ook omdat dit terrein de enige macht is die de macht van het geld kan tegenwerken.
Het terrein is ook verborgen, omdat je het vanuit jezelf niet gemakkelijk vindt. De predikant is daarom een gids die je het terrein laat zien en je erbinnen leidt. Rituelen en symbolen zijn een werkelijkheid die buiten ons werkelijk bestaan. Ze helpen je om de grens naar het heilige over te gaan. Rituelen en symbolen creëren de heilige werkelijkheid buiten ons om en leiden ons erin. Dat betekent dus dat de predikant vertrouwd moet zijn in dat gebied, moet weten welke verleidende en veranderende macht rituelen en symbolen hebben.

Godsdienstfenomenologische basis
Het model van Josuttis is gebaseerd op de godsdienstfenomenologie. Vooral de fenomenologie van Hermann Schmitz, de filosoof uit Kiel. Volgens hem is het heilige een terrein dat boven het rationele en boven jezelf als persoon uitstijgt. Symbolen, woorden en rituelen hebben een effectieve kracht: zij zijn in staat de heilige werkelijkheid te creëren.
Josuttis brengt deze fenomenologie de theologie binnen. Een belangrijk gegeven voor het is, dat het evangelie (letterlijk) een kracht Gods is. De werkelijkheid van het ‘heilige’ is goed voor de mens. Want daardoor komt de mens in aanraking met en onder de macht van God, die de bron des levens is (Ps. 36:10).
Daarnaast baseren zowel Schmitz als Josuttis hun model op Rudolf Otto, die in 1917 het beroemde boek over Het heilige schreef. Voor Otto is het ‘heilige’ een mysterie dat zowel aanlokkelijk en fascinerend (mysterium fascinosum) is en ook beangstigend en bedreigend (mysterium tremendum). De predikant moet voor Josuttis daarom deskundige zijn, een leider zijn. In aanraking komen met het ‘heilige’ is niet onschuldig. Want het heilige oefent ook invloed uit. Met de goede sturing is het een goede invloed, een proces van heiliging en reiniging.

Bezwaren
Tegen het model van de geestelijke leider zijn bezwaren in te brengen:
* Sociaalpsychologisch: Duitsland heeft in de 20e eeuw een foute leider gehad. Daarnaast hebben veel mensen de behoefte om leider te zijn over anderen of juist de behoefte om zich helemaal uit te leveren aan een leider. De geestelijk leider dient zich daarom bewust te zijn van zijn macht en invloed en bereid zijn om zich te laten corrigeren (door zowel God als de medemens).
* Godsdienstsociologisch: de geestelijk leider kan door de beheersing van de godsdienstige technieken en de toegang tot het heilige ook uitgroeien tot een bovenmenselijke leider. Macht kan misbruikt worden
Om dat te voorkomen dient de leider ook in nauw contact met God te leven. Juist ook om anderen hiervan te laten delen. Wie niet dichtbij God leeft en niet veelvuldig in contact staat met God, kan geen geestelijk leider zijn.
*Theologisch: Binnen de kerk bestaat aversie tegen leiderschap. Zeker door de kerkstrijd tegen de Duitse Christenen (Vgl. Barmen III). Macht is echter een gegeven. Wanneer macht uitgesloten wordt, gaat het op een verborgen manier functioneren. Beter is het daarom om de geestelijke macht zorgvuldig theologisch te doordenken. Daardoor wordt ook zichtbaar welke grenzen geestelijke macht heeft.
*Feministisch: voor veel feministen is macht en leiderschap vooral een mannelijk gegeven. Want leiden zou heersen betekenen. Tegenwoordig wordt de koppeling tussen macht en patriarchaat losgelaten. Een van de toonaangevende feministische theologes E. Schüssler Fiorenza heeft leiderschap op een positieve manier gebruikt: de wijsheid is leidster op de weg.

Mystagogiek en christologie
Vooral door RK-theologen (K. Rahner, P.M. Zulehner) is het belang van mystagogiek ingezien. Mystagogiek betekent het inwijden en binnenleiden in de geheimen en werkelijkheid van het geloof. Mystagogiek heeft tot taak om de geschiedenis van de individuele gelovige te verbinden met het geloof. Bij die geschiedenis behoort ook de aanvechting.
De geestelijk leider doet dat niet door middel van manipulatie of dwang, maar door gesprekken en rituelen waarin de gelovige zijn eigen leven beter begrijpt. Mystagogiek is in feite niets anders dan inwijding in het leven als zodanig. Het binnengaan van het ‘heilige’ betekent daarom ook het binnengaan van het echte leven.
Ook het christelijk geloof kent de overgang naar het leven: de overgang naar het koninkrijk van God. Ook die overgang betekent het binnengaan van het leven.
Het leven is alleen te vinden in het koninkrijk van God, in het lichaam van Christus, in de volheid van de liefde.
Elke gelovige heeft een leider nodig die hem helpt bij de overgang naar dat koninkrijk. Een leider die in dit gebied thuis is en de weg weet. Geloof en leven staan niet haaks op elkaar, maar het binnengaan in de werkelijkheid van het geloof verruimt juist en biedt toegang tot het leven.

ds. M.J. Schuurman 

N.a.v. Manfred Josuttis, Die Einführung in das Leben. Pastoraltheologie zwischen Phänomenologie und Spiritualität (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlaghaus, 1996) 9-33