Dubbele geesteshouding

Dubbele geesteshouding

Op 2-3 juni werd de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond gehouden. Deze conferentie ging over het boek van Stefan Paas, Vreemdelingen en priesters.

Op de tweede dag was er een lezing van collega C.M.A. van Ekris. Hij pleitte voor een houding van parrhesia: met een vrijmoedig geloof midden in de seculiere cultuur staan (zonder geïmponeerd te raken door de seculiere cultuur). Dat houdt voor hem een dubbele geesteshouding in:

  • Een geesteshouding van mystiek: afgekeerd van de wereld en nauw in contact met God, een leven uit de Schrift en het gebed.
  • Tegelijkertijd een houding waarbij we midden in onze eigen tijd en eigen cultuur staan en ons daar helemaal aan geven: een delen in de mooie kanten van onze cultuur maar ook in het lijden van deze cultuur. (aangedaanheid).

Het gaat hem om een geestelijk leven dat niet afdingt aan een van deze beide zijden. De parrhesia kan alleen als je midden in de cultuur staat en daarin ‘verantwoordelijkheid voor God neemt’ (Rowan Williams). Parrhesia is dan in de seculiere cultuur wandelen in de vrijheid God.

https://www.youtube.com/watch?v=CQnLl1aRdVI

Deze dubbele geesteshouding is voor ons als predikanten van belang. Het is ook van belang om deze geesteshouding de gemeente aan te leren. Deze geesteshouding is niet een bedoeld als een optimistische houding die al het negatieve wegwuift. Wel een houding die rekening mee houdt dat God in elke samenleving en elke tijd – ook de meest seculiere – kan ingrijpen.
Als de gemeente deze dubbele geesteshouding geleerd wordt, is het van belang zowel de ervaring van God als het gemis aan God door te geven. De dubbele geesteshouding is dan een vorm van volharding, die volhoudt in het geloven als de ervaring van God achterwege blijft.

Het viel Van Ekris op dat veel van zijn generatiegenoten niet geleerd is om weerbaar in het geloof te zijn. De kerk moet die weerbaarheid gaan aanleren. Hij doelde niet op een apolegetische houding, waarbij men de discussie niet schuwt, maar een innerlijke houding om niet geïmponeerd te raken door deze cultuur of door het gemis aan God.

Reflectie
1) Van Ekris raakt een belangrijk punt m.b.t. de weerbaarheid en de ervaring van Gods afwezigheid.
Het valt mij op dat deze ervaring nooit in methoden van (belijdenis)catechisatie aan de orde wordt gesteld. In Hou(d)vast komt het wel even aan de orde, maar dan op een theoretische manier. Het is van belang om in de catechese (en helemaal in de belijdeniscatechese) te leren wat aanvechting is en kan doen en welke houding daarbij nodig is.

Enkele jaren geleden kreeg ik een flink aantal jaargangen uitgeschreven preken (Genade voor genade, Uit de levensbron). Ik schat in dat het aantal preken die de aanvechting serieus neemt op één hand te tellen is. Van de preken die ik zelf gehoord heb, ging zelden een preek over de ervaring van aanvechting en het uithouden van de aanvechting. Meestal werd de aanvechting óf uit de weg gegaan óf weggeredeneerd.

2) Van Ekris pleit voor een dubbele geesteshouding. Het valt mij in de praktijk van de gemeente dat velen de mystiek of de verborgen omgang met God ontzettend ingewikkeld vinden. In het afgelopen seizoen van de belijdeniscatechisatie kwam steeds de vraag terug hoe in een druk leven toch tijd voor God gevonden kan worden en hoe we de signalen die God op ons afzendt kunnen waarnemen.
Daarnaast valt het me ook voortdurend op dat veel gemeenteleden eigenlijk niet kunnen bidden. Bijbel lezen gebeurt wel als praktijk. Maar ik schat in dat de meeste gemeenteleden niet goed weten hoe ze de Bijbel moeten lezen als versterking van hun geloof of als een luisteren naar Gods stem.
Naast het aanleren van de weerbaarheid is het ook van belang de gemeente in te wijden in de omgang met God.

3) Het is bij de dubbele geesteshouding van belang om midden in deze tijd te staan. Zelf kom ik uit de traditie waarin een combinatie was van een mijden en een antithese. De cultuur moest gemeden worden of er moest een verantwoord alternatief geboden worden.

Onlangs kreeg ik de vraag of ik iets wilde schrijven over het gebruik van films op catechisatie of tijdens de kerkdienst. Mijn eerste reactie was: dat kan alleen vanuit die dubbele geesteshouding. Films (of andere voorbeelden) kunnen in de kerkelijke praktijk alleen maar gebruikt worden als je films kijkt omdat je houdt van het kijken naar films. Niet omdat je op zoek bent naar illustraties. Want dan instrumentaliseer je een middel zoals een film. Dat geldt ook voor het lezen van literatuur, gebruik van songs, enz.

Ik merk dat ik slechts voor een deel midden in de cultuur sta. Ik kijk wel films maar bewust weinig tv en volg het nieuws slechts op beperkte schaal. Ik heb een bepaalde afstand nodig naar media en nieuws toe om de mystiek, de verborgen omgang met God niet in het gedrang te laten komen. Wanneer ik teveel opga in deze cultuur ben ik te onrustig voor Bijbel en gebed. De monniken hebben goed begrepen: je trekt je af en toe terug uit deze wereld om je aan God toe te wijden. Door deze toewijding kunnen ze dan weer zich beter toewijden aan hun dienst in de wereld. Het zou voor de gemeente goed zijn om bepaalde monastieke gebruiken te integreren in het dagelijks leven.

een boven alles uitstijgend leven

een boven alles uitstijgend leven
Het leven van Jeremia als voorbeeld voor gewone gelovigen en predikanten

Het is een raadsel waarom zoveel mensen zo slecht leven. Niet slecht in de betekenis van verdorven, maar in de betekenis van zinloos. Niet in de zin van wreed, maar in de zin van dom. Er is zo weinig om te bewonderen en zo weinig om te imiteren in de mensen die in onze cultuur dominant zijn. We hebben beroemdheden maar geen heiligen.

3706

Zo begint Eugene H. Peterson zijn boek over Jeremia, dat hij schreef voor zijn zoon Eric. Zijn zoon volgde op het moment dat hij zijn boek schreef een studie theologie maar had nog niet besloten wat hij daarmee zou doen. Uiteindelijk werd Eric, net als zijn vader, predikant.

In dit boek maakt Peterson een contrast met onze oppervlakkige cultuur en het leven van Jeremia. Onze oppervlakkige cultuur: want Peterson schrijft weliswaar vanuit de Amerikaanse cultuur van begin jaren-’80, maar die cultuur wijkt net zoveel af van het leven van Jeremia als de cultuur waarin wij leven. Het contrast van het leven van Jeremia met de cultuur waarin hij leefde is – in de schets van Peterson – net zo groot.
In die oppervlakkige cultuur van het Jeruzalem van net voor de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap leidt Jeremia een leven dat indruk maakt, waarmee hij ons een voorbeeld geeft hoe wij kunnen leven in onze eigen oppervlakkige cultuur.

Meer nog dan zijn woorden heeft het leven van Jeremia een grootsheid, een grandeur. Niet dat hij daarmee een onmenselijke grootheid krijgt. Het leven dat Jeremia leidt zou door iedereen geleid kunnen worden, maar de meesten kiezen voor een oppervlakkig leven in plaats van een leven dat uitblinkt in excellentie.
Jeremia voelde ook de verleiding om te kiezen voor een oppervlakkig leven. In zijn leven als profeet was er een moment, waarop hij er de brui aan wilde geven en wilde kiezen voor een oppervlakkig leven. Door zijn roeping aan de HEER terug te geven. Daarom kreeg Jeremia van de HEER de vraag:

Zo, Jeremia, als je al in de hardloopwedstrijd met mensen uitgeput raakt,
hoe kom je dan op het idee dat je de race tegen paarden kunt winnen?
Als je je verstand niet kunt behouden in een rustige tijd,
wat gebeurt er dan als de nood komt die zal doorbreken als een watersnoodramp?
(Jerema 12:5)

running-horse

Daarop besluit Jeremia zijn leven vol te houden en zo met zijn manier van leven een stugge, volhardende verkondiging te zijn, een levende boodschap van de HEER.

Jeremia had er niet zelf voor gekozen. Tegen zijn wil in werd hij geroepen als profeet. Een roeping die al aan zijn geboorte vooraf ging. De HEER gaf daarbij aan, dat hij niet bang moest zijn voor de reacties van de mensen.

Ik zal je zo onneembaar als een vesting maken,
zo onbeweeglijk als een pilaar van staal,
zo solide als een massieve muur.
Je zult een eenmansverdediging zijn
tegen deze cultuur,
tegen Juda’s koningen en prinsen,
tegen priesters en lokale leiders.

Ondanks zijn geregelde worstelingen met God over zijn rol, gaf Jeremia gehoor aan die roeping. Met zijn manier van leven gaf Jeremia aan, dat hij zich liet leiden door de levende God. 23 jaar lang leefde hij dit geloof voor. Kritisch in een tijd waarin de reformatie van de godsdienst slechts een oppervlakkige omkeer was. Scherp in een tijd waarin zijn volk afscheid nam van het geloof in de levende HEER.
Een scherpe criticus ook van de populaire predikers, die door iedereen geliefd werden en door iedereen werd gesticht. Kritisch was hij, omdat deze predikers niet Gods boodschap brachten, maar slechts religieuze masseurs van de massa waren. Terwijl de massa niet door hadden dat deze predikers slechts met hun eigen ego bezig waren. Een van deze religieuze masseurs van de massa, Paschur, wordt door hem Overal-gevaar genoemd, een uitdrukking die door het volk weer als een spotnaam voor Jeremia wordt gebruikt. Kritisch was hij op het nationalisme, dat het volk ervan weerhield als volk van God te leven.

Jeremia was een dichter, die oog had voor Gods boodschap in de alledaagse gebeurtenissen: het dagelijkse werk van de pottenbakker bevatte een boodschap van God voor zijn volk. Hij koos zijn woorden zorgvuldig. Nooit werd hij abstract of algemeen. Geen profetisch boek kent zoveel namen als het boek van Jeremia. Zelfs de profetieën over de landen waar hij nooit is geweest, zijn gedetailleerd en onthullen dat hij zich verdiepte in zijn hoorders. Zijn optreden had vaak symbolische betekenis: een dure mantel, die door onzorgvuldigheid vergaan was, gaf de status aan van Gods volk. Een juk gaf aan wat er te wachten stond. Maar boven alles was Jeremia een man van gebed, die steeds gericht was op God. Hoe onbegrijpelijk de opdrachten van de HEER waren, hij voerde ze uit. Hoewel worstelend, toch zijn leven lang dezelfde: als een onbeweeglijke stalen pilaar.

Uniek? Dat zeker. Want er was niemand die het hem nadeed en slechts een enkeling die zich bij hem voegde. En toch: niet uniek in de zin dat het alleen voor religieuze hoogvliegers was weggelegd. Zo maken middelmatige mensen zich ervan af: dat het leven van een excellent gelovig leven niet is weggelegd voor de gewone man. Als Jeremia de opdracht krijgt om de Rechabieten wijn aan te bieden, ontdekt hij dat een leven naar Gods geboden voor iedereen is weggelegd. De Rechabieten houden zich onder alle omstandigheden aan de voorschriften van hun voorvader, die hen verboden had om wijn te drinken en om in huizen te wonen. Zelfs tijd van oorlog of kameraadschap kon hen niet op andere gedachten brengen. Zo kunnen gewone mensen ook een indrukwekkend leven leiden door zich naar Gods geboden te voegen. Hoezeer Jeremia’s kracht om zo stabiel te zijn van de HEER afkomstig is, hij is een voorbeeld voor gelovigen. En zeker voor predikanten en pastores.

Michelangelo_Buonarroti_027

Een heel leven lang was Jeremia een eenling. Eenzaam bekritiseerde hij het volk in de tijd van de reformatie van Josia. Zonder gehoor was hij toen hij waarschuwde voor de komst van de Babyloniërs. Als hij om de mening van de HEER gevraagd werd, was dat zelden zonder bijbedoeling. Gevangengenomen, geslagen en bespot, in de put gegooid en gevangen genomen. Maar toen aan het einde van zijn leven waardering kwam, ging hij er niet in mee. De waardering kwam van de Babyloniërs, die hem eerden als een profeet. Hij kon met hen mee, om als een gewaardeerd profeet in Babel verder te leven. En toch koos hij, om bij de armoedige achterblijvers, het uitschot dat niet waardig genoeg was om in ballingschap gevoerd te worden. Om zo tot uitdrukking te brengen dat na dit oordeel de HEER van deze armoedige bende weer zijn volk zal maken en het weer het oude luister zou teruggeven. Terwijl de glorie van het vaderland en de religie weg was, bleef God aanwezig.

Ook toen werd hij niet gehoord en tegen zijn zin meegevoerd naar Egypte. In Egypte, de plaats waar hij niet wilde zijn met mensen die hem slecht behandelden, bleef hij vastberaden geloofwaardig, magnifiek dapper en harteloos verworpen – een boven alles uitstijgend leven fenomenaal geleefd.

N.a.v. Eugene H. Peterson – Run With the Horses. The Quest for Life at Its Best (Downers Grove, Illinois: IVP Books, 20092).

Column voor In Contact, blad van de SGP-Jongeren

Om een gemeenschap te kunnen dienen, moet je die gemeenschap willen leren begrijpen
Column voor In Contact, blad van de SGP-Jongeren

Op 14 januari 2007 werd ik bevestigd als predikant van Ilpendam en Watergang. Enkele dagen daarvoor verhuisden mijn vrouw, onze dochter en ik vanuit Veenendaal naar Noord-Holland. Dat bleek een hele overgang te zijn. De plaats van de kerk in de samenleving was heel anders, omdat in deze regio weinig mensen actief bij de kerk betrokken zijn.  Ik moest wennen aan de keuzes die op zondag werden gemaakt: jongeren deden mee met hockey of voetbal op zondag (en konden daardoor ook niet altijd naar de kerk). Ook aan de volksaard heb ik moeten wennen: men zegt gelijk wat men denkt. Als men ergens niet mee eens is, wordt dat niet opgespaard maar direct en soms op een confronterende manier gezegd.

Het heeft ook lang geduurd, voordat ik de mensen daar begreep en kon aanvoelen. Misschien juist omdat het zo lang duurde, heb ik ontdekt hoe belangrijk het is om een gemeenschap te begrijpen. Ik heb daardoor te snelle oordelen over anderen afgeleerd. Om een gemeenschap te kunnen dienen, moet je die gemeenschap willen leren begrijpen en het liefst leren waarderen en leren liefhebben. Op 4 september 2011 begon dat proces weer opnieuw. Dit keer in Oldebroek. Weer een intensief proces, maar opnieuw de moeite waard.

Dat is wat een politicus kan leren van een predikant: Dat je een gemeenschap alleen kunt dienen als je die gemeenschap begrijpt en aanvoelt. Dat je een gemeenschap waardeert, ook de gemeenschap ethische of politieke keuzes maakt die je als gelovige niet kan onderschrijven. Dat je dan niet te snel veroordeelt, maar oprecht nieuwsgierig vraagt naar de intenties.

Omgekeerd: mocht je als gemeenteraadslid meemaken, dat er een nieuwe predikant komt in de plaats waar je woont, help hem dan inburgeren en leer hem de gemeenschap begrijpen en liefhebben.

Volmacht om te verkondigen

Volmacht om te verkondigen

In de verkondiging in de eredienst komt God aan het woord. Hij laat zich in Christus door de Geest kennen. God spreekt door middel van mensenwoorden. De prediker heeft de volmacht om in Gods naam te spreken.

In de leerboeken over preken maken wordt deze volmacht zelden gethematiseerd. Een van de weinige uitzonderingen is de Predigtlehre (1971) van Rudolf Bohren.

Volmacht
Volmacht is een begrip dat heden ten dage vooral in juridische zin wordt gebruikt. Het is de opdracht of de bevoegdheid om in naam van iemand te handelen.
In het Nieuwe Testament is het woord voor volmacht exousía. Bij dit woord gaat het om een van hogerhand gegeven opdracht of toestemming. Het is een handelen in afgeleid gezag. Bij een volmacht telt niet zozeer de innerlijke kwaliteit of de persoonlijke begaafdheid van degene die de volmacht heeft gekregen, maar de status van de volmacht. In een volmacht gaat het niet alleen om een opdracht of toestemming van hogerhand, maar ook om een concreet doel waartoe de volmacht gegeven is. Jezus is bij uitstek de drager van de volmacht.

Gegeven volmacht
Jezus laat Zijn leerlingen in deze volmacht delen. Zij vertegenwoordigen Christus en zijn – in de woorden van Luther – de mond van Christus. Aan de leerlingen wordt effect op hun verkondiging beloofd. Effect is echter niet hetzelfde als succes. Net als bij hun Meester kunnen de woorden van de leerlingen op instemming en op afwijzing rekenen.
Volmacht is niet gebaseerd op een bijzondere Geesteskracht of karaktereigenschap, maar op de door Christus of Zijn gemeente gegeven volmacht. De volmacht wordt niet door zwakheid van de gezondene belemmert maar door zonde van de gezondene. Ongehoorzaamheid blokkeert de volmacht: Zonder Mij kunt u niets doen.

Uitblijven van effect?
Voor veel predikanten is het (ogenschijnlijk?) uitblijven van effect een steeds terugkerende aanvechting. Predikanten hebben verschillende argumenten om het uitblijven van het effect te verklaren:
– De tijdgeest beïnvloedt de kerkgangers, waardoor ze niet meer willen horen of geloven.
– Het christelijk geloof vindt geen ingang, omdat andere heilsleren veel populairder zijn.
– De media zorgen ervoor dat mensen niet meer naar een betoog of verhaal kunnen luisteren.
– De kudde van Jezus zal nooit van grote omvang zijn.
Deze verklaringen zijn gevaarlijk, omdat ze laten zien dat de prediker niet meer gelooft in het effect van het Woord. Met zo’n verklaring capituleert de prediker door zijn eigen ongeloof.

Maar op Uw woord …
Lukas 5:1-11 is een bemoediging voor de prediker die weinig van zijn preken verwacht. De strekking van een meditatie met het oog op de prediking zou kunnen zijn: Ik wil iets van mijn verkondiging verwachten!
Petrus komt moe en gebroken van het vissen thuis. Hij heeft niets gevangen. Voor Jezus kan en hoeft hij zijn frustratie niet voor zich te houden. Hij hoeft zich bij Jezus niet groot te houden. Wanneer Jezus hem de opdracht geeft om opnieuw uit te gaan, is dat woord sterker dan de frustratie: Maar op Uw woord! Petrus waagt het, omdat Christus hem die opdracht geeft.
Een predikant kan zeggen: ‘Ik waag het opnieuw om mijn roeping op mij te nemen en er toch iets goeds van te verwachten. Ik ga met scepsis en met mijn angst om teleurgesteld te worden en toch ga ik!’

Gods goedheid
Als Petrus gaat, ervaart hij een diepte die elke predikant tegenkomt: een onverwacht rijke oogst door Gods goedheid. Het is deze overweldigende goedheid die laat zien wie Jezus is.
In Petrus komt de reactie op die veel predikers zullen herkennen: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Is het niet beter voor Uw koninkrijk en de oogst als U een ander zoekt, een ander roept in mijn plaats? Jezus distantieert zich echter niet van zondaars, maar trekt hen nauwer naar zich toe.

Gelijkenis
Hij geeft de discipel een nieuwe opdracht: je zult mensen vangen. Dat woord vangen heeft de betekenis van: vangen om te laten leven, om nieuw leven te schenken; vanuit een wereld waarin het bestaan ten dode is opgeschreven gevangen om een nieuw leven te ontvangen. Zoals een reddingsteam jonge flamingo’s redt uit een drooggevallen poel redt en hen brengt naar een waterrijk gebied, zo zullen de discipelen mensen opvissen die zonder Jezus verloren zijn en verloren gaan. Daarmee wordt de gebeurtenis een gelijkenis: de netten zullen niet leeg blijven als de prediker het waagt op Jezus’ woord. Het loont om op Zijn woord te gaan – ondanks alle teleurstelling. Wie weet of toch niet op een dag de netten dreigen te scheuren vanwege de enorme vangst.

Theologische consequentie
De volmacht is een geschonken volmacht: U zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen en u zult Mijn getuigen zijn.
Er is effect beloofd op de gegeven volmacht. Effect is echter niet hetzelfde als succes. Het is een grote theologische fout als een kerkenraad tegen de predikant zou zeggen: ‘Als u meer volmacht zou hebben, zou het er anders uitzien in de gemeente!’ Aan de andere kant is het eveneens een grote theologische fout om het uitblijven van effect als een normaal gegeven te beschouwen en elke vorm van getalsmatige groei (in de eigen gemeente of bij anderen) verdacht te maken.

Persoonlijke consequentie
Niet zwakheid maar zonde blokkeert de volmacht. De prediker moet telkens opnieuw teruggrijpen op de belofte en de opdracht van de ordinantie, de bevestiging tot het ambt: U bent gevolmachtigd om te verkondigen, te dopen en het avondmaal te bedienen. In eredienst, onderwijs en herderlijke zorg zult u meewerken aan de opbouw van de gemeente en de gemeente bemoedigen tot haar dienst in de wereld.
Wanneer een prediker zich zwak voelt, kan hij – in menselijk perspectief paradoxaal genoeg – van grote betekenis zijn, omdat hij zich dan opent voor het handelen van God.
Wie eigenmachtig handelt, staat het handelen van God in de weg. Daarom is zonde een blokkade; zie het optreden van Achan (Jozua 7).
Het is voor de prediker steeds weer nodig om de balans op te maken door zich te toetsen aan Gods Woord.
Zonder Mij kunt u niets doen, zegt Jezus. Hij zegt daar achteraan: Maar als u in Mij blijft, zult u vrucht dragen.

Homiletische consequentie
Vanwege de volmacht mag de prediker effect verwachten op de verkondiging en daarmee de verkondiging op een hoge plaats zetten. Het blijft voor een gemeente niet verborgen als een predikant weinig van de prediking verwacht. De Geest zal voor effect zorgen, al kan dat ook een afwijzende houding opleveren.
De Geest is op samenwerking uit. Wie de volmacht heeft om te verkondigen krijgt nooit een kant-en-klare preek uit de hemel. De Geest neemt mensen in dienst. Daar is een ordelijke manier van werken voor nodig. De Geest is niet tegen vaste methoden. Integendeel. Wanneer Hij mensen inschakelt, gebruikt Hij zowel hun gaven en talenten, als hun zwoegen.

Consequenties voor de gemeenteopbouw
De verkondiging is op de gemeente gericht. De volmacht wordt namens God door de gemeente gegeven. De gemeente kan ook worden ingeschakeld. Bijvoorbeeld door een consistoriegebed, eventueel door daarbij meerdere gemeenteleden uit te  nodigen. De gemeente kan meewerken door een nagesprek of door tijdens de voorbereiding van een preek mee te denken.
De preek eindigt met een amen. Dat amen wordt door de gemeente overgenomen. De gemeente neemt de preek en het Bijbelwoord van de preek mee naar huis en leeft daar in de komende week uit. Daarom kan het waardevol zijn om het Bijbelgedeelte van de preek te bespreken op Bijbelkring, tijdens catechese of huisbezoek.
Een verkondiging vanuit volmacht geeft effect: er vonkt iets tussen het Bijbelwoord en de aanwezige gemeente en de preek ontvouwt voor de aanwezige gemeente de betekenis van de Bijbeltekst voor het dagelijks leven.

N.a.v. Michael Herbst / Matthias Schneider, … wir predigen nicht uns selbst. Ein Arbeitsbuch für Predigt und Gottesdienst (Neukirchen-Vluyn, 2001) 17-30.

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Veel (het meeste?) pastorale werk gebeurt wanneer we het niet door hebben dat we als pastor bezig zijn. Dat is een van de lessen die Eugene H. Peterson heeft moeten leren op zijn levenslange weg om pastor te zijn. Een weg die hij zelf niet heeft uitgestippeld, maar die hem grotendeels is overkomen. Door wat hij van thuis meekreeg in zijn opvoeding. Door ontmoetingen van mensen die op juiste momenten een afslag wezen. Door lange tijd van dezelfde gemeente predikant te zijn. Door zich steeds te verdiepen in Gods Woord en te zoeken hoe dat Woord van God toegepast kan worden in de Amerikaanse cultuur, de context van zijn gemeente en van hemzelf.

Eugene-Peterson

In 2011 publiceerde hij pastorale memoires over de ontdekkingen die hij deed tijdens zijn weg. Het is het verhaal van een intelligente jongen die als student eerder een toekomst ziet weggelegd als een hoogleraar of een studeerkamergeleerde. Een jongen die, zonder dat hij het zelf en zonder dat zijn omgeving het door heeft, hongert naar kennis en verdieping. Een jongen die zelf in de plaatselijke bibliotheek alle grote schrijvers ontdekt en verslindt.
De memoires van Peterson zijn geschreven in een soort verwondering dat veel stappen in zijn leven uiteindelijk hebben bijgedragen aan zijn ontwikkeling tot pastor. Peterson verwoordt dat door een dichtregel van Denise Levertov te citeren: Elke stap een aankomst (every step an arrival). Het is een verhaal van leiding in het leven, hoe God hem elke stap laat zetten om op zijn bestemming als pastor te komen. Deze regel komt uit een gedicht over een hond, die doelbewust lukraak (intently haphazard) zijn weg gaat. Lukraak, maar niet zonder doel. Dat is een samenvatting van de levensweg van Eugene H. Peterson als pastor.

51ndsDLf2uL._SY344_BO1,204,203,200_

Kindertijd
De memoires beginnen in zijn kindertijd. Zijn moeder leidde in Montana als vrouw een kleine pinkstergemeente die alleen maar uit mannen bestond. In de diensten die zij belegde, vertelde zij op een kleurrijke manier uit de Bijbel. Eugene ging altijd mee. Zijn vader deed nooit mee.
Zijn moeder hield ermee op, toen iemand haar de Bijbeltekst liet lezen over de plicht van vrouwen om te zwijgen in de samenkomsten. Daarna maakte hij in de Pinksterbeweging verschillende predikanten mee. Predikanten die het in Montana maar een paar jaar volhielden en dan een hogere roeping kregen.
Van zijn vader leerde hij een gemeenschap op te bouwen. Een eigenschap die hem van pas bleek te komen, toen hem later gevraagd werd om een gemeente te stichten. Zijn vader was slager en onderhield goede contacten met zijn klanten. Eugene hielp zijn vader in de slagerij. Als Peterson over die periode vertelt, wordt ook duidelijk dat hij heel veel verbeeldingskracht heeft. Hij ziet zichzelf als een priester die samen met zijn vader dienstdoet in het heiligdom. Als er later een predikant komt, die alleen maar bezig is met de offerdiensten uit het Oude Testament, is Eugene eerst gefascineerd. Hij haakt af als deze predikant vergeet dat offeren een smerige, bloederige aangelegenheid is.

Edom
Als middelbare scholier heeft hij een bijbaantje: ‘s nachts moet hij de planten in het stadje van water voorzien. Hij ziet ‘s morgens de zon opkomen. Op een gegeven moment heeft hij een associatie met Psalm 108: Ik wil het morgenrood wekken. Vanaf dat moment gaat de psalm bij  de nachtelijke werkzaamheden een rol spelen.  Een psalm die ook gaat over de vijanden: de Edomieten. Later in zijn periode als gemeentepredikant komt deze psalm terug. Dan leert hij om voor zijn vijanden te bidden, zoals Jezus opdraagt. Wie zal mij naar Edom leiden? bidt de psalm. Later ziet hij in, dat God hem naar Edom heeft geleid, als hij zich in de Badlands van zijn gemeente is.
Peterson gaat Semitische talen studeren en besluit door te gaan naar een seminarie in New York. Doel: hoogleraar theologie worden. Dat seminarie in New York blijkt verbonden te zijn aan een presbyteriaanse gemeente, waar Peterson ook naar toe gaat en gaat meedraaien. Het blijkt de gemeente te zijn – wat hij later ontdekt – een toonaangevende predikant: George Buttrick. Deze predikant nodigt steeds op zondagavond enkele studenten van het seminarie uit voor een gesprek. Peterson raakt betrokken bij de gemeente door het sportteam van de gemeente te coachen. Deze stap blijkt zijn aankomst als presbyteriaans predikant te zijn.
Peterson krijgt een duo-baan: docent Hebreeuws en Grieks en een aantal uur werkzaam als predikant in een gemeente. Deze stap blijkt beslissend te zijn. In plaats van het wetenschappelijke pad op te gaan, trekt de gemeente en ontdekt hij zijn roeping om predikant te worden. Een bijna voltooid proefschrift wordt vernietigd.

De ‘kerk met de gevouwen handen’
Door de presbyteriaanse kerk wordt hij gevraagd om een gemeente te stichting in een nieuwbouwwijk van Bel Air. Een suburbane omgeving waarin de mensen op en top Amerikaans zijn en volgens de American way leven en denken, zoals hijzelf ook doet. Vanaf die tijd ontdekt Peterson welke geweldige spanning en concurrentie er is tussen een American way of life en leven uit Christus. Vanaf die tijd is hij bezig om te ontdekken wat zijn taak als pastor is en waar God in de suburbania van Amerika werkt.
In Bel Air (Maryland) sticht hij samen met zijn vrouw een presbyteriaanse gemeente. De gemeente komt samen in de schuilkelder van hun huis. Deze schuilkelder was gebouwd vanwege de dreiging van de Koude Oorlog. Een van de jongeren noemt deze kerk de catacomben-kerk, een verwijzing naar de eerste christenen. (Het was in theologisch opzicht de tijd van de dood van God.)

De kerk 'met de gevouwen handen' De ‘kerk met de gevouwen handen’

In de omgeving waarin hij verkeert, zijn de psychische problemen groter dan elders in Maryland. Een psychiater nodigt de pastores, predikanten en een rabbijn uit deze omgeving uit om college te geven over psychologie en psychiatrie. Als na 2 jaar deze colleges stoppen, gaat de groep door. Ze gaan, zonder dat ze het weten, op zoek naar hun identiteit als pastor. Het is de rabbijn die hen op het juiste spoor brengt. De rabbijn brengt hen op het spoor van de 5 Megilloth.Aan elk van de grote feesten is een feestrol gekoppeld dat over het alledaagse leven gaat.  Deze 5 feestrollen helpen volgens de Joodse traditie om de grote daden van God te verbinden met het dagelijks leven. Peterson werkt deze lessen uit in Five Smooth Stones for Pastoral Work (1980). Als na jarenlang samenkomen de balans wordt opgemaakt, verwoord een van de collega-predikanten de lessen van de bijeenkomsten: ‘Ik heb geleerd om mijn gemeente te zien als een heilige gemeenschap. Dat veroorzaakte een revolutie in mijn manier van werken. Ik ging mijn gemeente met respect en waardigheid behandelen. Ik denk dat ‘heilig’ het juiste woord is.’

download

Na 3 jaar gaat de gemeente van Peterson een eigen kerkgebouw bouwen. Het wordt een bijzonder concept, anders dan de toenmalige koloniale stijl waarin de kerken in Maryland werden gebouwd, maar geënt op de na-oorlogse kerken in Europa. Dezelfde jongere gaf ook deze kerk een nieuwe bijnaam: ‘de kerk van de gevouwen handen’. Zij vond de kerk lijken op de gevouwen handen van Dürer.

Badlands
Nadat de kerk is gebouwd, komt Peterson onverwachts in een crisis. Omdat hij de American way of life begint te ontdekken. Verschillende gemeenteleden haken af, omdat er nu geen doel meer is. Een Amerikaan moet een doel hebben, en anders trekt hij het niet. En Peterson raakt zelf in vertwijfeling. Moet hij de gemeente verlaten en gaan richten op een nieuw (gemeente- of kerk)bouwplan? Hij besluit te blijven. Het is geen gemakkelijke periode: een periode van 6 jaar, die hij de Badlands noemt.

volcanic-decor

Verwijzend naar het stukje Amerika waar hij steeds doorheen gaat met zijn gezin, op weg naar het Montana van zijn ouders. Op een gegeven moment ontdekt hij dat de natuurlijke Badlands hun schoonheid hebben en ontdekt hij ook dat de geestelijke Badlands hun schoonheid hebben. Ze zijn vormend voor zijn bezigzijn als pastor.
In deze fase leert hij namelijk stil-zitten, zoals een labradorpup de opdracht krijgt om te zitten en alleen maar mag weglopen als de baas dat aangeeft. Hij leert om te zien dat kerkzijn niet afhangt van menselijke activiteit, maar dat hij moet zien waar God werkt. Een omschakeling  van een competatieve predikant (Amerikaanse cultuur!) naar een contemplatieve predikant. Een omschakeling waarbij de juiste mensen er zijn, die hem op het spoor van het gebed brengen, van Karl Barth, die hem volharding leren en de betekenis van stilte, van de sabbat, die hem leren het dagelijks werk als pastor te waarderen.

Eucharistische gastvrijheid
Ook zijn vrouw helpt hem verder. Zij heeft een tuin en ‘doet’ maar wat: niet meer dan tuinieren, haar gezin onderhouden, vriendschappen sluiten met vrouwen die worstelen met hun rol met de opkomst van het feminisme. Haar gastvrijheid wordt een eucharistische gastvrijheid. Ze laat zien dat elke maaltijd een verwijzing is naar het avondmaal. Ze leert de andere huisvrouwen in Amerika dat hun taak niet is om allerlei grootse rollen te hebben, maar een huishouwen waar een gezamenlijke maaltijd gehouden wordt en tijdens de maaltijden gesprekken waarin men zich oprecht in elkaar interesseert.

Presbycostal
Peterson is presbyteriaans predikant met een pinksterachtergrond. Hij wil geen keuze maken. Van de Pinksterbeweging heeft hij geleerd om de Schrift te leven. Van de presbyterianen leert hij dat geloven niet vandaag begint, maar dat er een gemeenschap is door alle tijden heen en over alle continenten. Van de presbyterianen leerde hij dat pastor zijn een bepaalde waardigheid en roeping inhoudt, discipline kent, aandacht voor detail, aandacht voor de nood en de pijn van anderen. Pastor-zijn is een erenaam met een roeping, een all-inclusive way of life (en niet het hebben van een godsdienstige baan.)

peterson-square

Besluit
De memoires zijn vol van bijzondere gebeurtenissen. Al lezende krijg ik de indruk dat het Peterson helemaal niet om die bijzondere gebeurtenissen gaat als zodanig. Hij is aan het ontdekken op welke wegen God zijn leven heeft geleid. Welke stappen hij zette, om op zijn bestemming als pastor te komen. Peterson heeft een grote sensitiviteit en creativiteit. Het gaat het er ook niet om dat te etaleren. Het gaat hem erom dat elke pastor leert om te kijken welke stappen God je laat zetten. Ik denk dat veel predikanten kunnen spreken over verrassende afslagen, bijzondere ontmoetingen, opmerkingen van gemeenteleden die het juiste zetje in een richting zijn. Ook zijn er talloze momenten, die God geeft en die niet worden gezien. Dan spreek ik uit eigen ervaring. Pastor-zijn is allereerst waarnemen van de kansen die God je op je pad brengt. Een all-inclusive way of life en dan niet als belasting, maar met een openheid naar God, vanuit gebed en leven in de Schrift. Een zeer waardevol en voor mij belangrijk boek.

(Sinds enige tijd heb ik gemerkt dat de boeken van Eugene H. Peterson iets voor mij zijn. Dat ging ook via een Every stap an arrival – manier. Ik las in een voetnoot bij Cornelius Plantinga, dat Eugene H. Peterson geregeld in zijn agenda FD zette. Dan had hij een gesprek met Fyodor Dostojewski. Niemand hoefde te weten dat FM geen gemeentelid was. Zijn gesprekken met FD waren niet alleen goed voor hemzelf, maar uiteindelijk ook voor de gemeente. Deze opmerking was voor mij een reden om hem eens te lezen. Every day an arrival.)

N.a.v. Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir (New York: HarperOne, 2011)


De predikant als minor poet

De predikant als minor poet
Over de roeping, de inzet en taak van de predikant

Als iemand predikant wordt, brengt offers. Een predikant verhuist naar de plaats waar de gemeente gevestigd is. Hij neemt zijn gezin mee en laat zijn sociale netwerk achter. Hij moet een hele nieuwe omgeving leren kennen, waarderen en liefhebben.

Het leren kennen betekent niet alleen de buitenkant: de weg in de omgeving, de plaats waar de winkels staan. Een predikant moet ook de binnenkant leren kennen: de manier van denken en handelen, de interacties tussen mensen, de taal van het hart, de emoties van de gemeenschap, de lokale geschiedenis, de relatie tot God in de gemeenschap.

Totale overgave
Predikant zijn van een gemeente kan alleen door je helemaal, zonder reserve te geven. Zo ervaar ik mijn roeping ook. Geregeld komt de psalmregel boven: Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd (Psalm 69:4 Oude Berijming). Predikant worden is offers brengen. Dat is niet altijd erg, want deze offers worden gebracht voor een hoger doel: in naam van Christus voor de gemeente zorgen.
Tot voor kort had ik altijd gedacht dat het wezen van het predikantschap ook het brengen van dat offer was, dat grote gebaar van mijzelf helemaal geven aan deze gemeenschap. Door het lezen van The Pastor as Minor Poet heb ik leren inzien dat de roeping van de predikant een heel andere is: niet het grote offer, maar een bepaalde manier van naar de gemeente kijken en de gemeente daarbij helpen. Niet het grote gebaar, maar een fijnzinnige waarneming van wat God in de gemeente doet. Voor mij is The Pastor as Minor Poet  een belangrijk boek geworden.

Geschonken identiteit
Craig Barnes is hoogleraar Leadership and ministry en leidt hij predikanten op en begeleidt hij hen in hun werk. Volgens hem is predikantschap de laatste decennia ingewikkelder geworden, omdat de roeping en de taak van predikanten diffuser is geworden. Deze roeping en taak is ingewikkelder geworden, omdat we leven in een maatschappij die de suggestie wekt dat we onze identiteit zelf kunnen en moeten vormgeven (constructed identity). Rode lijn door het boek heen is dat identiteit in het christelijk geloof juist het tegenovergestelde is: identiteit is geen menselijke prestatie maar een geschenk van Christus. Het leven is geen presteren maar ontvangen: ‘We ontvangen deze identiteit door onze participatie in Christus, die ons thuis bracht in de gemeenschap met onze Schepper.’ Ons bestaan is een gracieuze gift van Christus. Alleen is het ontvangen van deze identiteit in een maatschappij van zelfgecreëerde identiteiten niet eenvoudig. Daarom hebben we volgens Barnes predikanten nodig: om ons eraan te herinneren en te helpen inzien dat onze identiteit een genadig geschenk is.

Minor poet
De roeping en de taak van de predikant is daarom volgens Barnes om de minor poet van de gemeente te zijn: het leren zien van dit geschenk in alle kleine onderdelen van het gemeentezijn. Dichters kijken niet alleen naar de werkelijkheid, maar zijn ook op zoek naar de waarheid in of achter de werkelijkheid. De predikant is bezig met de diepere laag van de ziel. Niet op een grote schaal, maar in de kleinschaligheid van de lokale context van de gemeente.
Er zijn ook major poets. Dat zijn theologen die in hun leven met een enkel thema bezig zijn (geweest) en daar veel en grote offers voor hebben gebracht. Dat zijn de Bijbelschrijvers, vroege christenen die hun leven gaven, de woestijvaders die uit de maatschappij waren getreden, de reformatoren die gevangen zaten. In een maatschappij zijn volgens de dichter T.S. Eliot beide dichters nodig. Barnes past het toe op de kerkelijke gemeente. Predikanten zijn minor poets die de theologische waarheden en de inzichten van de major poets doorvertalen naar de lokale gemeenschap. De lokale gemeenschap zit niet te wachten op de inzichten van Luther of Barth. De predikant gebruikt hun inzichten wel om zelf het werk van God in de eigen, kleine, lokale gemeenschap waar te nemen. De creativiteit van de minor poet is niet het vinden van een nieuwe theologische waarheid, maar het ontdekken en onthullen van de waarheid in deze lokale gemeenschap. De meeste theologische opleidingen leiden predikanten op als major poets, maar in de praktijk zullen de meeste predikanten juist minor poets zijn.

Alledaags
Over het algemeen is de lokale gemeenschap juist niet-poëtisch. Terwijl een predikant wellicht in de gemeente komt met hoge idealen om het geleerde door te geven. De gemeente zit vaak niet op diepe theologie te wachten, maar eerder op eenvoudige inzichten. Barnes: ‘Niemand heeft mij tijdens de opleiding geleerd om rond te lopen in de lage vlakten van de alledaagse gesprekken over alledaagse dingen.’ (Wel door hooggebergten met theologische vergezichten.) Volgens Barnes hoort een predikant in het Westen de taal van het gebabbel te leren over koetjes en kalfjes. Net zoals een zendeling in Afrika Swahili hoort te leren.
Small talk is vaak een manier om over kleine dingen te praten om ons te verbergen voor het heilige gebeuren. Het heilige is, zoals Rudolf Otto aangaf, niet alleen aantrekkelijk maar ook afschrikwekkend.

Oog voor Gods aanwezigheid
Volgens Barnes komen mensen vanwege de taak van de predikant als minor poet naar de kerk: zodat de predikant in hun prozaïsche levens iets kan laten zien van de poëzie van Gods werkzaamheid in hun alledaagse leven. De predikant kan dat alleen doen door de het heilige in het alledaagse leven te onthullen, zodat in het alledaagse er een sacramentele ervaring van God is. Barnes geeft als voorbeeld de naturalistische stelling van Ludwig Feuerbach: De mens is wat hij eet. Hij haalt de Orthodoxe theoloog Alexander Schmemann aan die die zinsnede onderschrijft, maar daar tegenover stelt: het materiële maakt ons spiritueel. Hij laat zien hoe belangrijk het eten is voor de band tussen God en mens. Het eten doet hem bewust zijn van zijn afhankelijkheid van God. Gemeenteleden geven in theorie Schmemann gelijk, maar handelen en kijken naar de werkelijkheid alsof Feuerbach gelijk heeft. Ze zien de werkelijkheid los van God als bron. En deze werkelijkheid los zien van God is zonde.

Waarheid
De minor poet helpt de gemeente inzien dat de werkelijkheid niet alleen bestaat uit de realiteit van wat voor ogen is, maar ook uit de waarheid van Gods aanwezigheid en werkzaamheid en helpt de gemeente de werkelijkheid van Christus te zien vanuit het reddend en verzoenend handelen van Christus. Deze zoektocht naar het geheimenis in de werkelijkheid, de laag van de ziel, is een van de grote taken van de predikant als minor poet.

Donkere nacht van de ziel
De minor poet heeft oog voor Gods aanwezigheid in het schone. De predikant als minor poet heeft ook oog voor Gods aanwezigheid in de donkere nacht van de ziel en helpt gemeenteleden te ontdekken hoe God daarin aanwezig is. De donkere nacht van de ziel is een uitdrukking van Johannes van het Kruis. Daarmee bedoelde hij dat de gelovige alle zegeningen van God kwijt raakt. In deze donkere nacht van de ziel is het enige dat de gelovige nog kan doen zichzelf aan het kruis van Christus te hangen. In een crisis, een ramp raakt de gelovige alles kwijt. Het kruis is dan nog het enige houvast. (Barnes werkt dit uit aan de hand van een huwelijkscrisis: de vrouw die van haar man te horen gekregen heeft dat hij bij haar weg wil, moet niet persé gaan voor de redding van het huwelijk. Want haar huwelijk is niet haar houvast. Het enige werkelijke houvast is het kruis van Christus. De minor poet helpt gemeenteleden dat houvast te ontdekken.)
Predikanten kennen vaak de donkere nacht van de ziel maar al te goed. Zij lopen rond met krassen en schrammen op de ziel. Veroorzaakt door het leven, door hun familie door henzelf, door de gemeente. Volgens Barnes is de predikant met de littekens op de ziel een voorbeeld voor de gemeente. De predikant is geen voorbeeld met de open wonden. De wonden zijn genezen door Christus, maar de littekens zijn gebleven. Predikanten lijden veel. Soms aan hun eigen familie, aan zichzelf, aan de gemeente. Soms aan de vraag waarom zij geen ‘succesvolle’ gemeente mogen dienen. Deze littekens laten zien dat zij niet perfect zijn. Juist in hun fragmentarisch bestaan zijn ze van waarde en tot voorbeeld voor de gemeente.

N.a.v. M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet. Texts and Subtexts in the Ministerial Life (Grand Rapids / Cambrigde: William B. Eerdmans Publishing Company, 2009)

Waarom word je geen dominee?

Waarom word je geen dominee?

In memoriam prof. dr. G.G. de Kruijf

Ik heb de vraag nog nooit aan iemand gesteld. Ik wil de vraag nu al jou stellen: waarom word je geen dominee?
Je zult er wellicht nooit over nagedacht hebben. En als je al wel over deze vraag hebt nagedacht, heb je vast gedacht: dat is niets voor mij. In de eerste jaren dat ik theologie studeerde, zei ik er altijd bij: “Maar ik word geen dominee!”
Het is ook niet altijd gemakkelijk. In de 6 jaar dat ik predikant ben, ben ik steeds de jongste van de kerkenraad geweest. Het is werk met lange dagen met veel schakelen en onregelmatigheid. Er is veel tijdsdruk en vaak ben je terwijl je vrij bent nog met je hoofd bij het werk.
Toch is het mooi werk. Ik mag bij veel mensen binnenkomen. Als ik binnenkom, delen ze hun levensverhaal. Geregeld worden dingen verteld die nooit aan anderen verteld worden. Vaak voel ik mij bevoorrecht om zulke verhalen aan te horen. Zulke ontmoetingen kunnen al een reden zijn om dominee te worden. Maar er is nog een groter voorrecht: je mag het met mensen over God hebben. En mensen verwacht dat ook van je. Of ze nu ongelovig zijn of heel gelovig. Ik heb vaak de indruk dat wat mensen tegen mij zeggen, zij eigenlijk tegen God zeggen.
Als je dominee hebt, heb je het voorrecht en de roeping om te preken. Nu zijn vele mensen van mening dat de preek achterhaald is. Mijn ervaring is een andere. Ik heb in verschillende omstandigheden gepreekt: In een zaaltje in een verzorgingstehuis met 10 ouderen, waarvan de jongste 86 was. In een kerkdiensten met soms 10 – 20 kerkgangers. In begrafenisdiensten, waarbij de nabestaanden soms geen besef meer hadden van wat een kerkdienst is. Daar heb ik gemerkt dat luisteraars veel aan een preek kunnen hebben. Natuurlijk, de andere kant is er ook: de kritiek op preken. “Het gaat langs mij heen!” “Ik raak u aan het begin van de preek al kwijt!” Soms is het geloof van gemeenteleden bijna uitgedoofd en hopen ze dat de preek hun geloof weer aanwakkert en hen meeneemt en in vuur en vlam zet.
De preek is een spreken van God. Als je dominee zou worden, worden jouw woorden gebruikt door God om de gemeente aan te spreken. En bij alle kritiek die er op preken kan komen, hopen gemeenteleden ook dat zij aangesproken worden. Door God. Als dat gebeurt, als een preek slaagt omdat je merkt dat de luisteraars de stem van God horen in hun eigen leven, zijn dat momenten waarop je gelukkig zult zijn.
Het is een roeping om dominee te worden. Het vraagt om een leven in nederigheid en dienstbaarheid. Wellicht bij jij ook geroepen. Denk niet te snel dat het niet voor je is weggelegd! Daarom aan jou de vraag: Waarom word je geen dominee? Het is een mooie roeping om Christus en Zijn kerk te dienen.

Deze woorden schreef ik om prof. dr. G.G. de Kruijf te gedenken. Hij was een leraar van de kerk. Niet alleen als hoogleraar, maar vooral ook omdat hij velen gestimuleerd heeft om predikant te worden. Moge zijn gedachtenis tot zegen zijn.

Geschreven voor HWConfessioneel