Neemt het respect voor de predikant af?

Neemt het respect voor de predikant af?

Op zijn blog plaatst collega K. van der Geest een hartenkreet: in de kerken ontbreekt steeds meer het respect voor de predikant. Terwijl de predikant steeds meer doet aan nascholing en reflectie, vindt er door de gemeenten een haast persoonlijke afrekening plaats. Dat gebeurt doordat gemeenteleden de overstap naar andere gemeenten maken of door losmaking van predikanten als de samenwerking niet meer werkt. In het blog geeft Van der Geest een aantal voorbeelden van de pijn die er onder predikanten leeft weer.

Zonder de pijn aan de kant te willen schuiven, wil ik aangeven dat er meer te zeggen valt dan het steeds meer ontbrekende respect voor predikanten. Die hartenkreet is heel serieus te nemen. Door collega’s binnen en buiten ‘zijn’ kerk, door landelijke kerk(en) en gemeenten.  Die pijn wil ik zelf heel serieus nemen en is op bepaalde punten ook wel herkenbaar. Toch zou ik willen aangeven dat het goed voor een predikant en voor de samenwerking in een gemeente kan zijn om te om te kijken waar die pijn vandaan komt en hoe die pijn veroorzaakt wordt. Zowel pijn, als het toewijzen van schuld en het aangeven dat respect ontbreekt kunnen een belemmering vormen om te kijken naar wat er in de communicatie tussen predikant en gemeente gebeurt. Sterker nog: zolang die pijn niet goed geanalyseerd is, zal de communicatie tussen predikant en gemeente daardoor vertroebeld worden en zullen ze nog meer uit elkaar groeien. Mijn eigen ervaring is dat het mogelijk is om door een intensieve reflectie op wat er innerlijk bij iemand in de communicatie gebeurt en intense reflectie op hoe er in de communicatie wordt gereageerd helpend en helend zijn in het werk in de gemeente.

In vaktermen gesproken: het gaat hier om congruentie en om het verschil tussen inhoud en betrekking in de communicatie:
* Congruentie: Kun je als predikant waarnemen wat er gebeurt als er iemand iets tegen je zegt of aan je schrijft? Heb je van jezelf helder dat het gebeurt en waar die emotie vandaan komt en waar die emotie voor staat?
* Inhoud en betrekking: in de communicatie gaat het er niet alleen om wat er inhoudelijk wordt gereageerd, maar ook om de relatie. Men denkt op de inhoud te reageren, maar reageert onbewust op wat er in de relatie gebeurt. Men reageert op de inhoud, omdat die gehoord wordt, maar heeft niet helder dat de inhoud niet persé datgene is wat gecommuniceerd wil worden.

Ik ga op de voorbeelden in, maar zie die als casussen. Mijn reactie moet niet als een reactie op de personen die in de voorbeelden aan de orde komen, maar als mogelijke alternatieven in deze casus.

Het blog begint met een meisje van 18 jaar, dat haar predikant mailt door hem met de voornaam aan te schrijven: ‘Hoihoi, ik wil even iets aan je vragen, Klaas!’ Hij geeft aan, dat hij dat niet prettig vindt, omdat hij hierin respect voor zijn leeftijd en voor zijn ambt opmerkt. Dat kan. Maar dat is niet de enige mogelijke reactie. Hij had het ook fijn kunnen vinden, dat hij voor een meisje van 18 ondanks zijn leeftijd benaderbaar is. Dat ze dat doet op een manier waarop hij dat zelf op die leeftijd niet zou doen, kan hij door de vingers zien. Hij kan het ook fascinerend vinden: zo wordt er dus gecommuniceerd door jongeren.
De mail valt echter verkeerd. Dat is op zich niet zo problematisch. Dat gebeurt heel vaak in de communicatie. Een echtelijke ruzie kan ontstaan, doordat een opmerking – onverwacht vaak – verkeerd valt. In dit voorbeeld is de betrekking voor het meisje dusdanig dat zij aan haar predikant een vraag durft te stellen en dat doet op de manier waarop zij dat gewend is te doen.
Er kan een reden zijn, waarom deze predikant in dit voorbeeld zich respectloos behandeld voelt. Het behoort tot de professie van de predikant om te achterhalen, waarom hij in deze situatie op deze manier reageert.
Dat begint met de waarneming van het gevoel en de emotie die deze vraag oproept. Heeft hij helder dat hij geprikkeld is over de manier waarop de vraag is gesteld? Zo niet, dan zal de irritatie mogelijk in het antwoord doorwerken. Of hij steeds een neutraal antwoord, maar bouwt in zichzelf wel een irritatie op die in een volgende situatie mee gaat spelen.
Als hij helder heeft, welk gevoel de vraag oproept, kan hij besluiten of hij dat teruggeeft, of dat hij dat gevoel voor lief neemt en de vraag als zodanig belangrijker vindt dan het gevoel dat het oproept. In dit geval reageert de predikant door de mail te ondertekenen met: ds. X. Voor hem is het duidelijk dat hij heeft aangegeven: ik sta er op om met mijn titel en achternaam aangeschreven te worden, ook als het communicatiemedium van de mail wat laagdrempeliger is. Het is de vraag of de catechisant dit signaal oppikt, omdat de predikant zijn gedachten niet onder woorden brengt, maar verpakt en veronderstelt dat die ander dit signaal oppikt. Dat is het lastige in de communicatie: impliciete boodschappen zijn voor de zender duidelijk, maar voor de ontvanger niet omdat dit signaal verpakt is. De frustratie bouwt bij de zender op, omdat hij duidelijk denkt te zijn in zijn signaal en de ontvanger blijft onwetend over de toenemende frustratie.
Hierbij gaat het om de congruentie in de communicatie: geeft de predikant een reactie die congruent is aan zijn innerlijk gevoel.

De waarneming van het gevoel kan worden aangevuld met verdere reflectie: Wat is de reden waarom deze predikant met zijn titel en achternaam aangesproken of aangeschreven wordt. En is het bij degenen die op hem reageren duidelijk dat hij zo aangesproken wil worden. (In het geval is het fascinerend dat het voorbeeld staat op een blog dat de voornaam van de predikant draagt en ook nog eens niet het officiële ds, maar pastor.)
Daarnaast kan het zinnig zijn, om in de eigen biografie na te gaan, waar deze emotionele reactie vandaan komt. Dat kan van alles zijn: lastig vinden om familiair aangesproken te worden, voorvallen waarbij in een familiaire communicatie een innerlijke schade werd aangericht, de frustratie over een autoritair patroon in vroeger tijd, enz. Nogmaals: dat kan zo zijn. Het is van belang, om te beseffen dat de gehele eigen geschiedenis opeens in een klein voorval onbewust kan opspelen, zonder dat de zender of ontvanger dat weten. Er wordt dan niet alleen gereageerd in de huidige communicatie, maar het verleden aan voorvallen speelt op, speelt mee. Het is de kunst om in de communicatie dat verleden niet onbewust te laten mee te spelen, maar bewust te zijn van die pijnpunten. Hoe meer bewustwording, des te meer kan iemand in het ‘nu’ van de communicatie zijn. En hoe minder helderheid over de manier van communiceren en reageren, des te meer miscommunicatie.
In het voorbeeld kan het dus zo zijn, dat de predikant een kribbige mail terugschrijft. Het meisje ontvangt verbaast die kribbige reactie en deelt dat met de ouders. De ouders vertellen in de gemeenschap, dat de predikant zo’n reactie heeft gegeven en zien weer een bevestiging in wat zij al vinden, namelijk dat de predikant niet goed is in communicatie en niet goed is in jongeren. Door die bevestiging van het (voor)oordeel neemt het vertrouwen in deze predikant nog meer af. (Gelukkig zijn er nog talloze manieren om het misverstand recht te zetten: tijdens belijdeniscatechisatie ontdekt dit meisje dat haar predikant zich veel positiever opstelt, de ouders maken de predikant mee tijdens een pastoraal gesprek, enz.)

Pijn
Het blog gaat over predikanten die losgemaakt worden. Losmaking is aan de orde wanneer de samengaan van predikant en gemeente niet meer vruchtbaar is. Aan losmaking gaat een pijnlijk proces vooraf. Die pijn is vaak na de losmaking niet voorbij, maar kan toenemen. Bijvoorbeeld in de vorm van rouw over een roeping die niet goed ingevuld kon worden. Van der Geest wil aandacht vragen voor de pijn die losmaking veroorzaakt bij predikanten. Hij wil ook onder de aandacht brengen, dat die pijn er niet alleen is bij predikanten die losgemaakt zijn, maar ook breder onder predikanten leeft: namelijk het gemak waarmee predikanten door de gemeente worden afgerekend en het gebrek aan vertrouwen van gemeente of kerkenraad in de predikant.

Wat het blog lastig maakt, is dat de pijn die gesignaleerd wordt tot een soort algemene praktijk wordt gemaakt en dat in het beschrevene predikant en gemeente of kerkenraad vooral tegenover elkaar staan, waarbij vooral gemeente of kerkenraad de boosdoener zijn omdat predikanten al decennia op zichzelf reflecteren. Voorzichtig zou ik willen vragen of het wel terecht is om alles bij de ander neer te leggen. Ik zou juist de schuldvraag willen laten rusten en willen nagaan of er geen andere mogelijkheden zijn.

Respect als stopbord
In het blog wordt de kaart van respect gespeeld: gemeenten en kerkenraden hebben tegenwoordig te weinig respect voor de predikant. Dat lijkt een theologische norm: de gemeente hoort te weten hoe je een predikant hoort te benaderen. Het ingewikkelde is, dat die norm impliciet is en per tijd verschilt én dat respect ook iets uit de communicatiepsychologie is. Wanneer iemand vindt dat hij respectloos behandeld is, deelt hij een rode kaart aan degene uit naar degene die iets naar hem zegt of mailt: dit mag jij op deze manier niet tegen mij zeggen. Het is een stopbord op betrekkingsniveau: heb het lef niet om dichter bij te komen. Door die rode kaart uit te delen, hoeft er ook op de inhoud van de communicatie niet gereageerd te worden.

Van nature geneigd
Er worden enkele voorbeelden gegeven van predikanten die losgemaakt zijn. De eerste is een oudere predikant die met toewijding zijn pastorale werk doet (meer eigenlijk dan nodig is waarbij hij zichzelf niet spaart), maar in de prediking niet goed overkomt.
Voordat ik naar de casus ga, wil ik een van de eerste vragen uit de Heidelberger Catechismus aanhalen en toepassen op predikant en gemeente. Wat is onze ellende? Dat wij van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten. Voor mijzelf heb ik dat ooit eens toegepast op mijzelf als predikant: Van nature ben ik, predikant, geneigd om God en mijn gemeente te haten. Toen vielen voor mij wat puzzelstukjes op zijn plek. Ik haal deze catechismusvragen naar voren om aan te geven, dat toewijding op zich heel mooi is, maar dat er achter die toewijding een veel minder geestelijke wereld schuil kan gaan (kan gaan – niet: gaat).
Het zou de moeite waard zijn om met deze predikant na te gaan, waarom hij zo veel tijd aan het pastoraat besteed. Daar kunnen hele mooie redenen voor zijn: omdat het zijn hart heeft, omdat hij de pastorale nood van de gemeenteleden opmerkt. Maar die redenen kunnen heel wat minder geestelijk zijn: in de huidige of een eerdere gemeente is deze predikant steeds om zijn preken bekritiseerd. Ter compensatie stort hij zich op het pastoraat. Om waardering te ‘kopen’ of om de preekvoorbereiding te ontlopen. In zijn verleden kan hij vaak over het hoofd gezien zijn, waardoor hij een drive heeft dat bij anderen te voorkomen. Hij kan moeite met de planning hebben en gaat op elke impuls van het pastoraat in.

Zichzelf niet sparen
Dat hij zichzelf spaart is echter niet gezond. Hij kan hard werken om de kritiek uit de gemeente te willen pareren: zien jullie dan niet hoe hard ik werk? Net als bij respect is dit een rode kaart op het gebied van inhoud en betrekking: jullie mogen niet dichterbij komen en ik heb het recht om alles wat jullie naar mij toe communiceren naast mij neer te leggen. Het vraagt echter reflectie van de predikant waarom hij zichzelf niet spaart. Geldt het gebod van de sabbat voor de gehele gemeente, maar is de predikant uitgesloten? Is de predikant sterker dan onze Heer zelf, die zich op aarde af en toe terugtrok om te bidden, om te rusten, om te eten? Werkt de predikant echt wel zo hard, of is dat alleen maar eigen beeldvorming? Wat gebeurt er als de predikant zijn eigen planning onder de loep neemt en uren schrijft? Zijn er taken, die deze predikant met een gerust hart kan afstoten of kan delegeren? Wat heeft deze predikant nodig om zich geestelijk op te laden en te voeden? Kan het zijn dat de kerkenraad wel eens heeft gevraagd om taken over te kunnen nemen, maar dat deze predikant dat geweigerd heeft? Kan het zijn, dat de eigen afwerende houding van de predikant mede de oorzaak is dat er innerlijk geen ruimte is voor eigen groei in geloof en afnemend vertrouwen in de gemeente?

Voorspelbare preken
De kritiek is dat de preken voorspelbaar zijn. Dat lijkt een duidelijke reactie op de prediking. Maar wat bedoelen gemeenteleden daarmee. Mensen zijn niet altijd duidelijk in de communicatie en zeggen vaak iets op een gebrekkige manier om iets duidelijk te maken. Als de verhouding met de gemeente nog vertrouwt is, kan de predikant bij bepaalde gemeenteleden (belijdeniscatechisanten, leden van een Bijbelkring, kerkenraad) vragen of ze met hem op ontdekkingstocht willen om te kijken wat er met die voorspelbaarheid bedoeld wordt. Wanneer dat helderder is, kan er gemakkelijker een andere invulling van de preek komen. Wat wordt er mee bedoeld?
– Denkt de predikant theologisch te schematisch, waardoor er geen ruimte is voor een dialoog, voor een andere mening of voor twijfel?
– Is door de drukke pastorale werkzaamheden de exegese erbij ingeschoten, waardoor de predikant terugvalt op de exegese die hij in zijn jeugd heeft meegekregen?
– Is de predikant te gespannen voor wat de preek met de gemeente doet, waardoor zijn voordracht krampachtig wordt?
– Heeft de predikant moeite om iets van zichzelf te laten zien in de prediking?
– Wat belemmert deze predikant om zijn ervaring in het pastoraat te laten terugkomen in de preek? (Niet in de zin van anekdotes uit zijn praktijk, maar thematisering van wat hij in de pastorale gesprekken tegenkomt)
– Gaat de predikant teveel op in de gemeente, waardoor hij geen zicht heeft op wat er buiten in de wereld gebeurt en er dus voor veel gemeenteleden geen connectie is met hun eigen leefwereld?
– Is de predikant zelf iemand die op harmonie is gericht, waardoor hij het niet aandurft om geloofstwijfel of spannende thema’s aan de te stellen?
– Raakt de predikant murw door het zien van alle leed in zijn pastorale praktijk, waardoor hij niet meer de vrijheid en frisheid heeft voor een opbouwende preek?
– Komt de predikant er niet toe om af en toe vrij te nemen, om lichamelijk, geestelijk en mentaal uit te rusten waardoor hij niet meer bij zijn creativiteit of eigen gevoel kan?
Zo maar wat vragen om aan te geven dat één enkele opmerking op verschillende manieren bedoeld zijn. Het loont daarom de moeite om door te vragen naar wat er werkelijk bedoeld wordt. Maar dat vraagt wel geestelijke en innerlijke ruimte en die ruimte staat onder druk als iemand zichzelf niet spaart.

Briljante theoloog
Het tweede voorbeeld gaat over een briljante theoloog, die werkelijk vooruit kan denken. Eerst even over dat briljante. Want het hangt af van de theologie wat als briljant geduid wordt. Hier dus in het kader van vernieuwing en het weten te inspireren voor gereformeerd geloven in deze tijd.  Hier gaat het wel om een theologisch principe, namelijk dat van de kerk als gemeenschap (van mensen die heiligen en zondaars tegelijk zijn). Wat is theologisch briljant als er geen connectie met de gemeente is? Dan zou deze briljante theoloog kunnen leren op welke manier hij voor de gemeente inzichtelijk maakt waar hij mee bezig is. Hij zou zich kunnen bezinnen op hoe hij de gemeente kan betrekken bij zijn idealen. Ook zou hij kunnen overwegen of de kritische stemmen vanuit de gemeente juist niet zinvol zijn om zijn ideaal beter uitvoerbaar te maken. Het is zowel op communicatief als theologisch gebied te gemakkelijk om de gemeente hier slechts verwijten te geven. Ook voor een briljante theoloog geldt het dubbele gebod van de liefde: God liefhebben boven alles en de naaste als zichzelf. Het zou mooi zijn als hij leert om zijn briljant theologiseren in dienst weet te stellen van kerk of gemeente. Het kan zijn dat er in biografisch opzicht een pijnpunt zit (deze man heeft nooit geleerd om goed te communiceren, heeft het in de opvoeding niet meegekregen om relaties aan te gaan, heeft nooit geleerd om zijn gedachten voor anderen begrijpelijk te maken – om enkele mogelijkheden te noemen) waardoor de communicatie van de ideeën niet goed verloopt. Ook voor briljante theologen is empathie in het pastoraat een voorwaarde: ben ik als hoogopgeleide in staat om de gedachtengangen, de gevoelens van de laagopgeleide gemeenteleden te begrijpen?

(Ooit heb ik me verdiept in de briljante theoloog Klaas Schilder, die ik theologisch hoog heb, maar die in de gemeentepredikant eigenlijk voortdurend vastliep.).

Roeping
Naast de kaart van respect wordt ook de kaart van de roeping gespeeld. Dat vind ik bij mijzelf herkenbaar: als predikant ben ik geroepen om op een bepaalde plek te komen werken. De predikant is nog een van de weinigen die in het gebied van zijn werk komt wonen. Steeds vaker is het zo, dat onderwijskrachten niet meer wonen in de plek waar zij werken. Zelfs bij wethouders wordt de mogelijkheid geboden om buiten de gemeente te blijven wonen. Predikanten gaan vaak wonen in een gebied, dat ze niet bij voorbaat kennen. Dat maakt hen kwetsbaar, want wie zegt er dat er een klik komt, een veilige sfeer van wederzijds vertrouwen die er nodig is om vruchtbaar te werken? Predikanten gaan vaak met een bepaalde roeping naar een gemeente. Dat is een intiem gebeuren, waarbij het contact met Christus gezocht wordt. Toch kan er meer over gezegd worden. In een gereformeerde traditie is een verwijzing naar roeping alleen niet afdoende. Een roeping mag ook getoetst worden door (bevoegde) anderen. Het zou goed zijn om bij een beroep uit een bepaalde gemeente met vertrouwde anderen door te spreken in hoeverre hier sprake is van een roeping. Welke menselijke factoren moeten uitgefilterd worden? Welke menselijke overwegingen mogen best een plek krijgen. Mag je weg omdat de woonkosten hoog zijn? Mag je blijven, omdat je vrouw een baan heeft of kinderen hun vertrouwde plek op school hebben? Welke reden heb ik om op een beroep in te gaan of af te wijzen? Vervolgens: hoe werkt die roeping door in de concrete werkzaamheden op een nieuwe plaats en hoe blijft die roeping tijdens het werk op de nieuwe plaats levend?
Voor gemeenten is hier ook een belangrijke taak weggelegd: in hoeverre zijn gemeenten bereid om een werkelijk reëel beeld te schetsen door ook de problematiek en de spanningen eerlijk in kaart te brengen? Weet de gemeente expliciet te maken welke verwachtingen er daadwerkelijk leven? Wil men vernieuwing of wil men juist alles bij het oude laten? En wiens wens is dat: van de gemeente of van degenen die toevallig op dat moment in de kerkenraad zitten? Dat is nogal van belang bij het beroepingswerk. Is er een werkelijke veilige sfeer voor een nieuwe predikant om te aarden en zijn werk te doen? In hoeverre is de gemeente eerlijk in het beroepen van een bepaalde predikant? Welke zorg besteed men aan de predikant als hij er daadwerkelijk is.
Er leven nogal onterechte vooroordelen. Toen ik wat jonger was, was een van de factoren om mij te beroepen dat ik zo goed met de jeugd overweg zou kunnen. Dat was niet gecheckt. Ik zie dat oudere collega’s dat vaak veel beter kunnen. Door hun levenservaring of doordat ze kinderen in die leeftijd hebben. In de kerk, waar levenservaring van groot belang is, vind ik het verbazingwekkend dat oudere predikanten minder beroepen krijgen.

Begeleiding
Wat het blog duidelijk maakt, is hoe belangrijk begeleiding door de landelijke kerk is. Ook na losmaking hoort er optimale zorg vanuit de kerk te zijn. Bijvoorbeeld door geestelijke begeleiding, of door een predikant onderdeel te laten zijn van een werkgemeenschap, zodat ze toch merken dat ze – ondanks de losmaking – volwaardig ambtsdrager binnen de kerk zijn. Het zou goed zijn om die begeleiding niet pas in conflictsituaties te bieden, maar al vanaf de opleiding. Zoals psychiaters en psychotherapeuten zelf in therapie moeten, kan het voor de predikant ook goed zijn om een geestelijk begeleider te hebben. Een regel in het pastoraat is, dat pas degene die zelf pastorale zorg voor zichzelf heeft, ook in staat is om pastoraat te bieden.

Vertrouwen
Werken in de kerk vraagt om onderling vertrouwen: van de predikant naar de gemeente toe en van de gemeente naar de predikant toe. Er kunnen allerlei redenen zijn, waarom dat vertrouwen er niet is of niet meer is. Dat hoeft niet altijd aan de predikant zelf te liggen. De gemeente kan door de spanningen, die voor een buitenstaander nog verborgen gehouden worden, een onveilige plek zijn. Het kan een biografische oorzaak hebben bij de predikant, waardoor hij zich niet kan of durft te geven. Vertrouwen groeit als predikant en gemeente zich aan elkaar geven. Niet voor 100%. Dat kan alleen binnen het huwelijk en het gezin. Een predikant hoeft niet alles met zijn gemeente te delen. Maar helemaal niets delen van zichzelf kan een behoorlijke aanslag op het vertrouwen zijn. Het kan goed zijn om helder te hebben wat je wel en wat je niet van jezelf deelt binnen de gemeente, het pastoraat en in de prediking. Iets van jezelf geven werkt uitnodigend. Wie iets van zichzelf geeft, nodigt de ander ook iets van zichzelf te geven. Je kunt alleen niet de voorwaarden bepalen van wat de ander mag of moet geven. De ander blijft daar vrij in. Het is ook niet goed om teveel te geven, omdat je dan te kwetsbaar wordt en beschadigd kunt raken.

Ontbreekt het respect en vertrouwen steeds meer? Ik weet dat niet. Ik ben ‘slechts’ 10 jaar predikant en kan niet anders dan in deze tijd predikant te zijn. Het is soms best spannend om predikant te zijn: krijg ik het vertrouwen, houd ik het vertrouwen, is de chemo niet ooit eens onverwacht voorbij? Tegelijkertijd wil ik mij niet door die angst laten leiden. Ik ben nu geroepen om in deze tijd predikant te zijn en niet in een andere tijd. Het is een complexe tijd, maar het is geen hopeloze tijd omdat God ook nu nog steeds werkt. Door mensen heen. Niet alleen door predikanten heen, maar ook door gemeenteleden heen. Gelukkig zijn er manieren om zicht te krijgen op hoe ik het doe en hoe ik overkom, wat en waarom ik het doe en hoe in de gemeente kan werken. Dat is slechts genade. Die genade gun ik anderen ook: dat ze met vertrouwen en tot zegen in de gemeente van Christus mogen werken.

 

Dubbele geesteshouding

Dubbele geesteshouding

Op 2-3 juni werd de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond gehouden. Deze conferentie ging over het boek van Stefan Paas, Vreemdelingen en priesters.

Op de tweede dag was er een lezing van collega C.M.A. van Ekris. Hij pleitte voor een houding van parrhesia: met een vrijmoedig geloof midden in de seculiere cultuur staan (zonder geïmponeerd te raken door de seculiere cultuur). Dat houdt voor hem een dubbele geesteshouding in:

  • Een geesteshouding van mystiek: afgekeerd van de wereld en nauw in contact met God, een leven uit de Schrift en het gebed.
  • Tegelijkertijd een houding waarbij we midden in onze eigen tijd en eigen cultuur staan en ons daar helemaal aan geven: een delen in de mooie kanten van onze cultuur maar ook in het lijden van deze cultuur. (aangedaanheid).

Het gaat hem om een geestelijk leven dat niet afdingt aan een van deze beide zijden. De parrhesia kan alleen als je midden in de cultuur staat en daarin ‘verantwoordelijkheid voor God neemt’ (Rowan Williams). Parrhesia is dan in de seculiere cultuur wandelen in de vrijheid God.

https://www.youtube.com/watch?v=CQnLl1aRdVI

Deze dubbele geesteshouding is voor ons als predikanten van belang. Het is ook van belang om deze geesteshouding de gemeente aan te leren. Deze geesteshouding is niet een bedoeld als een optimistische houding die al het negatieve wegwuift. Wel een houding die rekening mee houdt dat God in elke samenleving en elke tijd – ook de meest seculiere – kan ingrijpen.
Als de gemeente deze dubbele geesteshouding geleerd wordt, is het van belang zowel de ervaring van God als het gemis aan God door te geven. De dubbele geesteshouding is dan een vorm van volharding, die volhoudt in het geloven als de ervaring van God achterwege blijft.

Het viel Van Ekris op dat veel van zijn generatiegenoten niet geleerd is om weerbaar in het geloof te zijn. De kerk moet die weerbaarheid gaan aanleren. Hij doelde niet op een apolegetische houding, waarbij men de discussie niet schuwt, maar een innerlijke houding om niet geïmponeerd te raken door deze cultuur of door het gemis aan God.

Reflectie
1) Van Ekris raakt een belangrijk punt m.b.t. de weerbaarheid en de ervaring van Gods afwezigheid.
Het valt mij op dat deze ervaring nooit in methoden van (belijdenis)catechisatie aan de orde wordt gesteld. In Hou(d)vast komt het wel even aan de orde, maar dan op een theoretische manier. Het is van belang om in de catechese (en helemaal in de belijdeniscatechese) te leren wat aanvechting is en kan doen en welke houding daarbij nodig is.

Enkele jaren geleden kreeg ik een flink aantal jaargangen uitgeschreven preken (Genade voor genade, Uit de levensbron). Ik schat in dat het aantal preken die de aanvechting serieus neemt op één hand te tellen is. Van de preken die ik zelf gehoord heb, ging zelden een preek over de ervaring van aanvechting en het uithouden van de aanvechting. Meestal werd de aanvechting óf uit de weg gegaan óf weggeredeneerd.

2) Van Ekris pleit voor een dubbele geesteshouding. Het valt mij in de praktijk van de gemeente dat velen de mystiek of de verborgen omgang met God ontzettend ingewikkeld vinden. In het afgelopen seizoen van de belijdeniscatechisatie kwam steeds de vraag terug hoe in een druk leven toch tijd voor God gevonden kan worden en hoe we de signalen die God op ons afzendt kunnen waarnemen.
Daarnaast valt het me ook voortdurend op dat veel gemeenteleden eigenlijk niet kunnen bidden. Bijbel lezen gebeurt wel als praktijk. Maar ik schat in dat de meeste gemeenteleden niet goed weten hoe ze de Bijbel moeten lezen als versterking van hun geloof of als een luisteren naar Gods stem.
Naast het aanleren van de weerbaarheid is het ook van belang de gemeente in te wijden in de omgang met God.

3) Het is bij de dubbele geesteshouding van belang om midden in deze tijd te staan. Zelf kom ik uit de traditie waarin een combinatie was van een mijden en een antithese. De cultuur moest gemeden worden of er moest een verantwoord alternatief geboden worden.

Onlangs kreeg ik de vraag of ik iets wilde schrijven over het gebruik van films op catechisatie of tijdens de kerkdienst. Mijn eerste reactie was: dat kan alleen vanuit die dubbele geesteshouding. Films (of andere voorbeelden) kunnen in de kerkelijke praktijk alleen maar gebruikt worden als je films kijkt omdat je houdt van het kijken naar films. Niet omdat je op zoek bent naar illustraties. Want dan instrumentaliseer je een middel zoals een film. Dat geldt ook voor het lezen van literatuur, gebruik van songs, enz.

Ik merk dat ik slechts voor een deel midden in de cultuur sta. Ik kijk wel films maar bewust weinig tv en volg het nieuws slechts op beperkte schaal. Ik heb een bepaalde afstand nodig naar media en nieuws toe om de mystiek, de verborgen omgang met God niet in het gedrang te laten komen. Wanneer ik teveel opga in deze cultuur ben ik te onrustig voor Bijbel en gebed. De monniken hebben goed begrepen: je trekt je af en toe terug uit deze wereld om je aan God toe te wijden. Door deze toewijding kunnen ze dan weer zich beter toewijden aan hun dienst in de wereld. Het zou voor de gemeente goed zijn om bepaalde monastieke gebruiken te integreren in het dagelijks leven.

een boven alles uitstijgend leven

een boven alles uitstijgend leven
Het leven van Jeremia als voorbeeld voor gewone gelovigen en predikanten

Het is een raadsel waarom zoveel mensen zo slecht leven. Niet slecht in de betekenis van verdorven, maar in de betekenis van zinloos. Niet in de zin van wreed, maar in de zin van dom. Er is zo weinig om te bewonderen en zo weinig om te imiteren in de mensen die in onze cultuur dominant zijn. We hebben beroemdheden maar geen heiligen.

3706

Zo begint Eugene H. Peterson zijn boek over Jeremia, dat hij schreef voor zijn zoon Eric. Zijn zoon volgde op het moment dat hij zijn boek schreef een studie theologie maar had nog niet besloten wat hij daarmee zou doen. Uiteindelijk werd Eric, net als zijn vader, predikant.

In dit boek maakt Peterson een contrast met onze oppervlakkige cultuur en het leven van Jeremia. Onze oppervlakkige cultuur: want Peterson schrijft weliswaar vanuit de Amerikaanse cultuur van begin jaren-’80, maar die cultuur wijkt net zoveel af van het leven van Jeremia als de cultuur waarin wij leven. Het contrast van het leven van Jeremia met de cultuur waarin hij leefde is – in de schets van Peterson – net zo groot.
In die oppervlakkige cultuur van het Jeruzalem van net voor de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap leidt Jeremia een leven dat indruk maakt, waarmee hij ons een voorbeeld geeft hoe wij kunnen leven in onze eigen oppervlakkige cultuur.

Meer nog dan zijn woorden heeft het leven van Jeremia een grootsheid, een grandeur. Niet dat hij daarmee een onmenselijke grootheid krijgt. Het leven dat Jeremia leidt zou door iedereen geleid kunnen worden, maar de meesten kiezen voor een oppervlakkig leven in plaats van een leven dat uitblinkt in excellentie.
Jeremia voelde ook de verleiding om te kiezen voor een oppervlakkig leven. In zijn leven als profeet was er een moment, waarop hij er de brui aan wilde geven en wilde kiezen voor een oppervlakkig leven. Door zijn roeping aan de HEER terug te geven. Daarom kreeg Jeremia van de HEER de vraag:

Zo, Jeremia, als je al in de hardloopwedstrijd met mensen uitgeput raakt,
hoe kom je dan op het idee dat je de race tegen paarden kunt winnen?
Als je je verstand niet kunt behouden in een rustige tijd,
wat gebeurt er dan als de nood komt die zal doorbreken als een watersnoodramp?
(Jerema 12:5)

running-horse

Daarop besluit Jeremia zijn leven vol te houden en zo met zijn manier van leven een stugge, volhardende verkondiging te zijn, een levende boodschap van de HEER.

Jeremia had er niet zelf voor gekozen. Tegen zijn wil in werd hij geroepen als profeet. Een roeping die al aan zijn geboorte vooraf ging. De HEER gaf daarbij aan, dat hij niet bang moest zijn voor de reacties van de mensen.

Ik zal je zo onneembaar als een vesting maken,
zo onbeweeglijk als een pilaar van staal,
zo solide als een massieve muur.
Je zult een eenmansverdediging zijn
tegen deze cultuur,
tegen Juda’s koningen en prinsen,
tegen priesters en lokale leiders.

Ondanks zijn geregelde worstelingen met God over zijn rol, gaf Jeremia gehoor aan die roeping. Met zijn manier van leven gaf Jeremia aan, dat hij zich liet leiden door de levende God. 23 jaar lang leefde hij dit geloof voor. Kritisch in een tijd waarin de reformatie van de godsdienst slechts een oppervlakkige omkeer was. Scherp in een tijd waarin zijn volk afscheid nam van het geloof in de levende HEER.
Een scherpe criticus ook van de populaire predikers, die door iedereen geliefd werden en door iedereen werd gesticht. Kritisch was hij, omdat deze predikers niet Gods boodschap brachten, maar slechts religieuze masseurs van de massa waren. Terwijl de massa niet door hadden dat deze predikers slechts met hun eigen ego bezig waren. Een van deze religieuze masseurs van de massa, Paschur, wordt door hem Overal-gevaar genoemd, een uitdrukking die door het volk weer als een spotnaam voor Jeremia wordt gebruikt. Kritisch was hij op het nationalisme, dat het volk ervan weerhield als volk van God te leven.

Jeremia was een dichter, die oog had voor Gods boodschap in de alledaagse gebeurtenissen: het dagelijkse werk van de pottenbakker bevatte een boodschap van God voor zijn volk. Hij koos zijn woorden zorgvuldig. Nooit werd hij abstract of algemeen. Geen profetisch boek kent zoveel namen als het boek van Jeremia. Zelfs de profetieën over de landen waar hij nooit is geweest, zijn gedetailleerd en onthullen dat hij zich verdiepte in zijn hoorders. Zijn optreden had vaak symbolische betekenis: een dure mantel, die door onzorgvuldigheid vergaan was, gaf de status aan van Gods volk. Een juk gaf aan wat er te wachten stond. Maar boven alles was Jeremia een man van gebed, die steeds gericht was op God. Hoe onbegrijpelijk de opdrachten van de HEER waren, hij voerde ze uit. Hoewel worstelend, toch zijn leven lang dezelfde: als een onbeweeglijke stalen pilaar.

Uniek? Dat zeker. Want er was niemand die het hem nadeed en slechts een enkeling die zich bij hem voegde. En toch: niet uniek in de zin dat het alleen voor religieuze hoogvliegers was weggelegd. Zo maken middelmatige mensen zich ervan af: dat het leven van een excellent gelovig leven niet is weggelegd voor de gewone man. Als Jeremia de opdracht krijgt om de Rechabieten wijn aan te bieden, ontdekt hij dat een leven naar Gods geboden voor iedereen is weggelegd. De Rechabieten houden zich onder alle omstandigheden aan de voorschriften van hun voorvader, die hen verboden had om wijn te drinken en om in huizen te wonen. Zelfs tijd van oorlog of kameraadschap kon hen niet op andere gedachten brengen. Zo kunnen gewone mensen ook een indrukwekkend leven leiden door zich naar Gods geboden te voegen. Hoezeer Jeremia’s kracht om zo stabiel te zijn van de HEER afkomstig is, hij is een voorbeeld voor gelovigen. En zeker voor predikanten en pastores.

Michelangelo_Buonarroti_027

Een heel leven lang was Jeremia een eenling. Eenzaam bekritiseerde hij het volk in de tijd van de reformatie van Josia. Zonder gehoor was hij toen hij waarschuwde voor de komst van de Babyloniërs. Als hij om de mening van de HEER gevraagd werd, was dat zelden zonder bijbedoeling. Gevangengenomen, geslagen en bespot, in de put gegooid en gevangen genomen. Maar toen aan het einde van zijn leven waardering kwam, ging hij er niet in mee. De waardering kwam van de Babyloniërs, die hem eerden als een profeet. Hij kon met hen mee, om als een gewaardeerd profeet in Babel verder te leven. En toch koos hij, om bij de armoedige achterblijvers, het uitschot dat niet waardig genoeg was om in ballingschap gevoerd te worden. Om zo tot uitdrukking te brengen dat na dit oordeel de HEER van deze armoedige bende weer zijn volk zal maken en het weer het oude luister zou teruggeven. Terwijl de glorie van het vaderland en de religie weg was, bleef God aanwezig.

Ook toen werd hij niet gehoord en tegen zijn zin meegevoerd naar Egypte. In Egypte, de plaats waar hij niet wilde zijn met mensen die hem slecht behandelden, bleef hij vastberaden geloofwaardig, magnifiek dapper en harteloos verworpen – een boven alles uitstijgend leven fenomenaal geleefd.

N.a.v. Eugene H. Peterson – Run With the Horses. The Quest for Life at Its Best (Downers Grove, Illinois: IVP Books, 20092).

Column voor In Contact, blad van de SGP-Jongeren

Om een gemeenschap te kunnen dienen, moet je die gemeenschap willen leren begrijpen
Column voor In Contact, blad van de SGP-Jongeren

Op 14 januari 2007 werd ik bevestigd als predikant van Ilpendam en Watergang. Enkele dagen daarvoor verhuisden mijn vrouw, onze dochter en ik vanuit Veenendaal naar Noord-Holland. Dat bleek een hele overgang te zijn. De plaats van de kerk in de samenleving was heel anders, omdat in deze regio weinig mensen actief bij de kerk betrokken zijn.  Ik moest wennen aan de keuzes die op zondag werden gemaakt: jongeren deden mee met hockey of voetbal op zondag (en konden daardoor ook niet altijd naar de kerk). Ook aan de volksaard heb ik moeten wennen: men zegt gelijk wat men denkt. Als men ergens niet mee eens is, wordt dat niet opgespaard maar direct en soms op een confronterende manier gezegd.

Het heeft ook lang geduurd, voordat ik de mensen daar begreep en kon aanvoelen. Misschien juist omdat het zo lang duurde, heb ik ontdekt hoe belangrijk het is om een gemeenschap te begrijpen. Ik heb daardoor te snelle oordelen over anderen afgeleerd. Om een gemeenschap te kunnen dienen, moet je die gemeenschap willen leren begrijpen en het liefst leren waarderen en leren liefhebben. Op 4 september 2011 begon dat proces weer opnieuw. Dit keer in Oldebroek. Weer een intensief proces, maar opnieuw de moeite waard.

Dat is wat een politicus kan leren van een predikant: Dat je een gemeenschap alleen kunt dienen als je die gemeenschap begrijpt en aanvoelt. Dat je een gemeenschap waardeert, ook de gemeenschap ethische of politieke keuzes maakt die je als gelovige niet kan onderschrijven. Dat je dan niet te snel veroordeelt, maar oprecht nieuwsgierig vraagt naar de intenties.

Omgekeerd: mocht je als gemeenteraadslid meemaken, dat er een nieuwe predikant komt in de plaats waar je woont, help hem dan inburgeren en leer hem de gemeenschap begrijpen en liefhebben.

Volmacht om te verkondigen

Volmacht om te verkondigen

In de verkondiging in de eredienst komt God aan het woord. Hij laat zich in Christus door de Geest kennen. God spreekt door middel van mensenwoorden. De prediker heeft de volmacht om in Gods naam te spreken.

In de leerboeken over preken maken wordt deze volmacht zelden gethematiseerd. Een van de weinige uitzonderingen is de Predigtlehre (1971) van Rudolf Bohren.

Volmacht
Volmacht is een begrip dat heden ten dage vooral in juridische zin wordt gebruikt. Het is de opdracht of de bevoegdheid om in naam van iemand te handelen.
In het Nieuwe Testament is het woord voor volmacht exousía. Bij dit woord gaat het om een van hogerhand gegeven opdracht of toestemming. Het is een handelen in afgeleid gezag. Bij een volmacht telt niet zozeer de innerlijke kwaliteit of de persoonlijke begaafdheid van degene die de volmacht heeft gekregen, maar de status van de volmacht. In een volmacht gaat het niet alleen om een opdracht of toestemming van hogerhand, maar ook om een concreet doel waartoe de volmacht gegeven is. Jezus is bij uitstek de drager van de volmacht.

Gegeven volmacht
Jezus laat Zijn leerlingen in deze volmacht delen. Zij vertegenwoordigen Christus en zijn – in de woorden van Luther – de mond van Christus. Aan de leerlingen wordt effect op hun verkondiging beloofd. Effect is echter niet hetzelfde als succes. Net als bij hun Meester kunnen de woorden van de leerlingen op instemming en op afwijzing rekenen.
Volmacht is niet gebaseerd op een bijzondere Geesteskracht of karaktereigenschap, maar op de door Christus of Zijn gemeente gegeven volmacht. De volmacht wordt niet door zwakheid van de gezondene belemmert maar door zonde van de gezondene. Ongehoorzaamheid blokkeert de volmacht: Zonder Mij kunt u niets doen.

Uitblijven van effect?
Voor veel predikanten is het (ogenschijnlijk?) uitblijven van effect een steeds terugkerende aanvechting. Predikanten hebben verschillende argumenten om het uitblijven van het effect te verklaren:
– De tijdgeest beïnvloedt de kerkgangers, waardoor ze niet meer willen horen of geloven.
– Het christelijk geloof vindt geen ingang, omdat andere heilsleren veel populairder zijn.
– De media zorgen ervoor dat mensen niet meer naar een betoog of verhaal kunnen luisteren.
– De kudde van Jezus zal nooit van grote omvang zijn.
Deze verklaringen zijn gevaarlijk, omdat ze laten zien dat de prediker niet meer gelooft in het effect van het Woord. Met zo’n verklaring capituleert de prediker door zijn eigen ongeloof.

Maar op Uw woord …
Lukas 5:1-11 is een bemoediging voor de prediker die weinig van zijn preken verwacht. De strekking van een meditatie met het oog op de prediking zou kunnen zijn: Ik wil iets van mijn verkondiging verwachten!
Petrus komt moe en gebroken van het vissen thuis. Hij heeft niets gevangen. Voor Jezus kan en hoeft hij zijn frustratie niet voor zich te houden. Hij hoeft zich bij Jezus niet groot te houden. Wanneer Jezus hem de opdracht geeft om opnieuw uit te gaan, is dat woord sterker dan de frustratie: Maar op Uw woord! Petrus waagt het, omdat Christus hem die opdracht geeft.
Een predikant kan zeggen: ‘Ik waag het opnieuw om mijn roeping op mij te nemen en er toch iets goeds van te verwachten. Ik ga met scepsis en met mijn angst om teleurgesteld te worden en toch ga ik!’

Gods goedheid
Als Petrus gaat, ervaart hij een diepte die elke predikant tegenkomt: een onverwacht rijke oogst door Gods goedheid. Het is deze overweldigende goedheid die laat zien wie Jezus is.
In Petrus komt de reactie op die veel predikers zullen herkennen: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Is het niet beter voor Uw koninkrijk en de oogst als U een ander zoekt, een ander roept in mijn plaats? Jezus distantieert zich echter niet van zondaars, maar trekt hen nauwer naar zich toe.

Gelijkenis
Hij geeft de discipel een nieuwe opdracht: je zult mensen vangen. Dat woord vangen heeft de betekenis van: vangen om te laten leven, om nieuw leven te schenken; vanuit een wereld waarin het bestaan ten dode is opgeschreven gevangen om een nieuw leven te ontvangen. Zoals een reddingsteam jonge flamingo’s redt uit een drooggevallen poel redt en hen brengt naar een waterrijk gebied, zo zullen de discipelen mensen opvissen die zonder Jezus verloren zijn en verloren gaan. Daarmee wordt de gebeurtenis een gelijkenis: de netten zullen niet leeg blijven als de prediker het waagt op Jezus’ woord. Het loont om op Zijn woord te gaan – ondanks alle teleurstelling. Wie weet of toch niet op een dag de netten dreigen te scheuren vanwege de enorme vangst.

Theologische consequentie
De volmacht is een geschonken volmacht: U zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen en u zult Mijn getuigen zijn.
Er is effect beloofd op de gegeven volmacht. Effect is echter niet hetzelfde als succes. Het is een grote theologische fout als een kerkenraad tegen de predikant zou zeggen: ‘Als u meer volmacht zou hebben, zou het er anders uitzien in de gemeente!’ Aan de andere kant is het eveneens een grote theologische fout om het uitblijven van effect als een normaal gegeven te beschouwen en elke vorm van getalsmatige groei (in de eigen gemeente of bij anderen) verdacht te maken.

Persoonlijke consequentie
Niet zwakheid maar zonde blokkeert de volmacht. De prediker moet telkens opnieuw teruggrijpen op de belofte en de opdracht van de ordinantie, de bevestiging tot het ambt: U bent gevolmachtigd om te verkondigen, te dopen en het avondmaal te bedienen. In eredienst, onderwijs en herderlijke zorg zult u meewerken aan de opbouw van de gemeente en de gemeente bemoedigen tot haar dienst in de wereld.
Wanneer een prediker zich zwak voelt, kan hij – in menselijk perspectief paradoxaal genoeg – van grote betekenis zijn, omdat hij zich dan opent voor het handelen van God.
Wie eigenmachtig handelt, staat het handelen van God in de weg. Daarom is zonde een blokkade; zie het optreden van Achan (Jozua 7).
Het is voor de prediker steeds weer nodig om de balans op te maken door zich te toetsen aan Gods Woord.
Zonder Mij kunt u niets doen, zegt Jezus. Hij zegt daar achteraan: Maar als u in Mij blijft, zult u vrucht dragen.

Homiletische consequentie
Vanwege de volmacht mag de prediker effect verwachten op de verkondiging en daarmee de verkondiging op een hoge plaats zetten. Het blijft voor een gemeente niet verborgen als een predikant weinig van de prediking verwacht. De Geest zal voor effect zorgen, al kan dat ook een afwijzende houding opleveren.
De Geest is op samenwerking uit. Wie de volmacht heeft om te verkondigen krijgt nooit een kant-en-klare preek uit de hemel. De Geest neemt mensen in dienst. Daar is een ordelijke manier van werken voor nodig. De Geest is niet tegen vaste methoden. Integendeel. Wanneer Hij mensen inschakelt, gebruikt Hij zowel hun gaven en talenten, als hun zwoegen.

Consequenties voor de gemeenteopbouw
De verkondiging is op de gemeente gericht. De volmacht wordt namens God door de gemeente gegeven. De gemeente kan ook worden ingeschakeld. Bijvoorbeeld door een consistoriegebed, eventueel door daarbij meerdere gemeenteleden uit te  nodigen. De gemeente kan meewerken door een nagesprek of door tijdens de voorbereiding van een preek mee te denken.
De preek eindigt met een amen. Dat amen wordt door de gemeente overgenomen. De gemeente neemt de preek en het Bijbelwoord van de preek mee naar huis en leeft daar in de komende week uit. Daarom kan het waardevol zijn om het Bijbelgedeelte van de preek te bespreken op Bijbelkring, tijdens catechese of huisbezoek.
Een verkondiging vanuit volmacht geeft effect: er vonkt iets tussen het Bijbelwoord en de aanwezige gemeente en de preek ontvouwt voor de aanwezige gemeente de betekenis van de Bijbeltekst voor het dagelijks leven.

N.a.v. Michael Herbst / Matthias Schneider, … wir predigen nicht uns selbst. Ein Arbeitsbuch für Predigt und Gottesdienst (Neukirchen-Vluyn, 2001) 17-30.

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Veel (het meeste?) pastorale werk gebeurt wanneer we het niet door hebben dat we als pastor bezig zijn. Dat is een van de lessen die Eugene H. Peterson heeft moeten leren op zijn levenslange weg om pastor te zijn. Een weg die hij zelf niet heeft uitgestippeld, maar die hem grotendeels is overkomen. Door wat hij van thuis meekreeg in zijn opvoeding. Door ontmoetingen van mensen die op juiste momenten een afslag wezen. Door lange tijd van dezelfde gemeente predikant te zijn. Door zich steeds te verdiepen in Gods Woord en te zoeken hoe dat Woord van God toegepast kan worden in de Amerikaanse cultuur, de context van zijn gemeente en van hemzelf.

Eugene-Peterson

In 2011 publiceerde hij pastorale memoires over de ontdekkingen die hij deed tijdens zijn weg. Het is het verhaal van een intelligente jongen die als student eerder een toekomst ziet weggelegd als een hoogleraar of een studeerkamergeleerde. Een jongen die, zonder dat hij het zelf en zonder dat zijn omgeving het door heeft, hongert naar kennis en verdieping. Een jongen die zelf in de plaatselijke bibliotheek alle grote schrijvers ontdekt en verslindt.
De memoires van Peterson zijn geschreven in een soort verwondering dat veel stappen in zijn leven uiteindelijk hebben bijgedragen aan zijn ontwikkeling tot pastor. Peterson verwoordt dat door een dichtregel van Denise Levertov te citeren: Elke stap een aankomst (every step an arrival). Het is een verhaal van leiding in het leven, hoe God hem elke stap laat zetten om op zijn bestemming als pastor te komen. Deze regel komt uit een gedicht over een hond, die doelbewust lukraak (intently haphazard) zijn weg gaat. Lukraak, maar niet zonder doel. Dat is een samenvatting van de levensweg van Eugene H. Peterson als pastor.

51ndsDLf2uL._SY344_BO1,204,203,200_

Kindertijd
De memoires beginnen in zijn kindertijd. Zijn moeder leidde in Montana als vrouw een kleine pinkstergemeente die alleen maar uit mannen bestond. In de diensten die zij belegde, vertelde zij op een kleurrijke manier uit de Bijbel. Eugene ging altijd mee. Zijn vader deed nooit mee.
Zijn moeder hield ermee op, toen iemand haar de Bijbeltekst liet lezen over de plicht van vrouwen om te zwijgen in de samenkomsten. Daarna maakte hij in de Pinksterbeweging verschillende predikanten mee. Predikanten die het in Montana maar een paar jaar volhielden en dan een hogere roeping kregen.
Van zijn vader leerde hij een gemeenschap op te bouwen. Een eigenschap die hem van pas bleek te komen, toen hem later gevraagd werd om een gemeente te stichten. Zijn vader was slager en onderhield goede contacten met zijn klanten. Eugene hielp zijn vader in de slagerij. Als Peterson over die periode vertelt, wordt ook duidelijk dat hij heel veel verbeeldingskracht heeft. Hij ziet zichzelf als een priester die samen met zijn vader dienstdoet in het heiligdom. Als er later een predikant komt, die alleen maar bezig is met de offerdiensten uit het Oude Testament, is Eugene eerst gefascineerd. Hij haakt af als deze predikant vergeet dat offeren een smerige, bloederige aangelegenheid is.

Edom
Als middelbare scholier heeft hij een bijbaantje: ‘s nachts moet hij de planten in het stadje van water voorzien. Hij ziet ‘s morgens de zon opkomen. Op een gegeven moment heeft hij een associatie met Psalm 108: Ik wil het morgenrood wekken. Vanaf dat moment gaat de psalm bij  de nachtelijke werkzaamheden een rol spelen.  Een psalm die ook gaat over de vijanden: de Edomieten. Later in zijn periode als gemeentepredikant komt deze psalm terug. Dan leert hij om voor zijn vijanden te bidden, zoals Jezus opdraagt. Wie zal mij naar Edom leiden? bidt de psalm. Later ziet hij in, dat God hem naar Edom heeft geleid, als hij zich in de Badlands van zijn gemeente is.
Peterson gaat Semitische talen studeren en besluit door te gaan naar een seminarie in New York. Doel: hoogleraar theologie worden. Dat seminarie in New York blijkt verbonden te zijn aan een presbyteriaanse gemeente, waar Peterson ook naar toe gaat en gaat meedraaien. Het blijkt de gemeente te zijn – wat hij later ontdekt – een toonaangevende predikant: George Buttrick. Deze predikant nodigt steeds op zondagavond enkele studenten van het seminarie uit voor een gesprek. Peterson raakt betrokken bij de gemeente door het sportteam van de gemeente te coachen. Deze stap blijkt zijn aankomst als presbyteriaans predikant te zijn.
Peterson krijgt een duo-baan: docent Hebreeuws en Grieks en een aantal uur werkzaam als predikant in een gemeente. Deze stap blijkt beslissend te zijn. In plaats van het wetenschappelijke pad op te gaan, trekt de gemeente en ontdekt hij zijn roeping om predikant te worden. Een bijna voltooid proefschrift wordt vernietigd.

De ‘kerk met de gevouwen handen’
Door de presbyteriaanse kerk wordt hij gevraagd om een gemeente te stichting in een nieuwbouwwijk van Bel Air. Een suburbane omgeving waarin de mensen op en top Amerikaans zijn en volgens de American way leven en denken, zoals hijzelf ook doet. Vanaf die tijd ontdekt Peterson welke geweldige spanning en concurrentie er is tussen een American way of life en leven uit Christus. Vanaf die tijd is hij bezig om te ontdekken wat zijn taak als pastor is en waar God in de suburbania van Amerika werkt.
In Bel Air (Maryland) sticht hij samen met zijn vrouw een presbyteriaanse gemeente. De gemeente komt samen in de schuilkelder van hun huis. Deze schuilkelder was gebouwd vanwege de dreiging van de Koude Oorlog. Een van de jongeren noemt deze kerk de catacomben-kerk, een verwijzing naar de eerste christenen. (Het was in theologisch opzicht de tijd van de dood van God.)

De kerk 'met de gevouwen handen' De ‘kerk met de gevouwen handen’

In de omgeving waarin hij verkeert, zijn de psychische problemen groter dan elders in Maryland. Een psychiater nodigt de pastores, predikanten en een rabbijn uit deze omgeving uit om college te geven over psychologie en psychiatrie. Als na 2 jaar deze colleges stoppen, gaat de groep door. Ze gaan, zonder dat ze het weten, op zoek naar hun identiteit als pastor. Het is de rabbijn die hen op het juiste spoor brengt. De rabbijn brengt hen op het spoor van de 5 Megilloth.Aan elk van de grote feesten is een feestrol gekoppeld dat over het alledaagse leven gaat.  Deze 5 feestrollen helpen volgens de Joodse traditie om de grote daden van God te verbinden met het dagelijks leven. Peterson werkt deze lessen uit in Five Smooth Stones for Pastoral Work (1980). Als na jarenlang samenkomen de balans wordt opgemaakt, verwoord een van de collega-predikanten de lessen van de bijeenkomsten: ‘Ik heb geleerd om mijn gemeente te zien als een heilige gemeenschap. Dat veroorzaakte een revolutie in mijn manier van werken. Ik ging mijn gemeente met respect en waardigheid behandelen. Ik denk dat ‘heilig’ het juiste woord is.’

download

Na 3 jaar gaat de gemeente van Peterson een eigen kerkgebouw bouwen. Het wordt een bijzonder concept, anders dan de toenmalige koloniale stijl waarin de kerken in Maryland werden gebouwd, maar geënt op de na-oorlogse kerken in Europa. Dezelfde jongere gaf ook deze kerk een nieuwe bijnaam: ‘de kerk van de gevouwen handen’. Zij vond de kerk lijken op de gevouwen handen van Dürer.

Badlands
Nadat de kerk is gebouwd, komt Peterson onverwachts in een crisis. Omdat hij de American way of life begint te ontdekken. Verschillende gemeenteleden haken af, omdat er nu geen doel meer is. Een Amerikaan moet een doel hebben, en anders trekt hij het niet. En Peterson raakt zelf in vertwijfeling. Moet hij de gemeente verlaten en gaan richten op een nieuw (gemeente- of kerk)bouwplan? Hij besluit te blijven. Het is geen gemakkelijke periode: een periode van 6 jaar, die hij de Badlands noemt.

volcanic-decor

Verwijzend naar het stukje Amerika waar hij steeds doorheen gaat met zijn gezin, op weg naar het Montana van zijn ouders. Op een gegeven moment ontdekt hij dat de natuurlijke Badlands hun schoonheid hebben en ontdekt hij ook dat de geestelijke Badlands hun schoonheid hebben. Ze zijn vormend voor zijn bezigzijn als pastor.
In deze fase leert hij namelijk stil-zitten, zoals een labradorpup de opdracht krijgt om te zitten en alleen maar mag weglopen als de baas dat aangeeft. Hij leert om te zien dat kerkzijn niet afhangt van menselijke activiteit, maar dat hij moet zien waar God werkt. Een omschakeling  van een competatieve predikant (Amerikaanse cultuur!) naar een contemplatieve predikant. Een omschakeling waarbij de juiste mensen er zijn, die hem op het spoor van het gebed brengen, van Karl Barth, die hem volharding leren en de betekenis van stilte, van de sabbat, die hem leren het dagelijks werk als pastor te waarderen.

Eucharistische gastvrijheid
Ook zijn vrouw helpt hem verder. Zij heeft een tuin en ‘doet’ maar wat: niet meer dan tuinieren, haar gezin onderhouden, vriendschappen sluiten met vrouwen die worstelen met hun rol met de opkomst van het feminisme. Haar gastvrijheid wordt een eucharistische gastvrijheid. Ze laat zien dat elke maaltijd een verwijzing is naar het avondmaal. Ze leert de andere huisvrouwen in Amerika dat hun taak niet is om allerlei grootse rollen te hebben, maar een huishouwen waar een gezamenlijke maaltijd gehouden wordt en tijdens de maaltijden gesprekken waarin men zich oprecht in elkaar interesseert.

Presbycostal
Peterson is presbyteriaans predikant met een pinksterachtergrond. Hij wil geen keuze maken. Van de Pinksterbeweging heeft hij geleerd om de Schrift te leven. Van de presbyterianen leert hij dat geloven niet vandaag begint, maar dat er een gemeenschap is door alle tijden heen en over alle continenten. Van de presbyterianen leerde hij dat pastor zijn een bepaalde waardigheid en roeping inhoudt, discipline kent, aandacht voor detail, aandacht voor de nood en de pijn van anderen. Pastor-zijn is een erenaam met een roeping, een all-inclusive way of life (en niet het hebben van een godsdienstige baan.)

peterson-square

Besluit
De memoires zijn vol van bijzondere gebeurtenissen. Al lezende krijg ik de indruk dat het Peterson helemaal niet om die bijzondere gebeurtenissen gaat als zodanig. Hij is aan het ontdekken op welke wegen God zijn leven heeft geleid. Welke stappen hij zette, om op zijn bestemming als pastor te komen. Peterson heeft een grote sensitiviteit en creativiteit. Het gaat het er ook niet om dat te etaleren. Het gaat hem erom dat elke pastor leert om te kijken welke stappen God je laat zetten. Ik denk dat veel predikanten kunnen spreken over verrassende afslagen, bijzondere ontmoetingen, opmerkingen van gemeenteleden die het juiste zetje in een richting zijn. Ook zijn er talloze momenten, die God geeft en die niet worden gezien. Dan spreek ik uit eigen ervaring. Pastor-zijn is allereerst waarnemen van de kansen die God je op je pad brengt. Een all-inclusive way of life en dan niet als belasting, maar met een openheid naar God, vanuit gebed en leven in de Schrift. Een zeer waardevol en voor mij belangrijk boek.

(Sinds enige tijd heb ik gemerkt dat de boeken van Eugene H. Peterson iets voor mij zijn. Dat ging ook via een Every stap an arrival – manier. Ik las in een voetnoot bij Cornelius Plantinga, dat Eugene H. Peterson geregeld in zijn agenda FD zette. Dan had hij een gesprek met Fyodor Dostojewski. Niemand hoefde te weten dat FM geen gemeentelid was. Zijn gesprekken met FD waren niet alleen goed voor hemzelf, maar uiteindelijk ook voor de gemeente. Deze opmerking was voor mij een reden om hem eens te lezen. Every day an arrival.)

N.a.v. Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir (New York: HarperOne, 2011)


De predikant als minor poet

De predikant als minor poet
Over de roeping, de inzet en taak van de predikant

Als iemand predikant wordt, brengt offers. Een predikant verhuist naar de plaats waar de gemeente gevestigd is. Hij neemt zijn gezin mee en laat zijn sociale netwerk achter. Hij moet een hele nieuwe omgeving leren kennen, waarderen en liefhebben.

Het leren kennen betekent niet alleen de buitenkant: de weg in de omgeving, de plaats waar de winkels staan. Een predikant moet ook de binnenkant leren kennen: de manier van denken en handelen, de interacties tussen mensen, de taal van het hart, de emoties van de gemeenschap, de lokale geschiedenis, de relatie tot God in de gemeenschap.

Totale overgave
Predikant zijn van een gemeente kan alleen door je helemaal, zonder reserve te geven. Zo ervaar ik mijn roeping ook. Geregeld komt de psalmregel boven: Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd (Psalm 69:4 Oude Berijming). Predikant worden is offers brengen. Dat is niet altijd erg, want deze offers worden gebracht voor een hoger doel: in naam van Christus voor de gemeente zorgen.
Tot voor kort had ik altijd gedacht dat het wezen van het predikantschap ook het brengen van dat offer was, dat grote gebaar van mijzelf helemaal geven aan deze gemeenschap. Door het lezen van The Pastor as Minor Poet heb ik leren inzien dat de roeping van de predikant een heel andere is: niet het grote offer, maar een bepaalde manier van naar de gemeente kijken en de gemeente daarbij helpen. Niet het grote gebaar, maar een fijnzinnige waarneming van wat God in de gemeente doet. Voor mij is The Pastor as Minor Poet  een belangrijk boek geworden.

Geschonken identiteit
Craig Barnes is hoogleraar Leadership and ministry en leidt hij predikanten op en begeleidt hij hen in hun werk. Volgens hem is predikantschap de laatste decennia ingewikkelder geworden, omdat de roeping en de taak van predikanten diffuser is geworden. Deze roeping en taak is ingewikkelder geworden, omdat we leven in een maatschappij die de suggestie wekt dat we onze identiteit zelf kunnen en moeten vormgeven (constructed identity). Rode lijn door het boek heen is dat identiteit in het christelijk geloof juist het tegenovergestelde is: identiteit is geen menselijke prestatie maar een geschenk van Christus. Het leven is geen presteren maar ontvangen: ‘We ontvangen deze identiteit door onze participatie in Christus, die ons thuis bracht in de gemeenschap met onze Schepper.’ Ons bestaan is een gracieuze gift van Christus. Alleen is het ontvangen van deze identiteit in een maatschappij van zelfgecreëerde identiteiten niet eenvoudig. Daarom hebben we volgens Barnes predikanten nodig: om ons eraan te herinneren en te helpen inzien dat onze identiteit een genadig geschenk is.

Minor poet
De roeping en de taak van de predikant is daarom volgens Barnes om de minor poet van de gemeente te zijn: het leren zien van dit geschenk in alle kleine onderdelen van het gemeentezijn. Dichters kijken niet alleen naar de werkelijkheid, maar zijn ook op zoek naar de waarheid in of achter de werkelijkheid. De predikant is bezig met de diepere laag van de ziel. Niet op een grote schaal, maar in de kleinschaligheid van de lokale context van de gemeente.
Er zijn ook major poets. Dat zijn theologen die in hun leven met een enkel thema bezig zijn (geweest) en daar veel en grote offers voor hebben gebracht. Dat zijn de Bijbelschrijvers, vroege christenen die hun leven gaven, de woestijvaders die uit de maatschappij waren getreden, de reformatoren die gevangen zaten. In een maatschappij zijn volgens de dichter T.S. Eliot beide dichters nodig. Barnes past het toe op de kerkelijke gemeente. Predikanten zijn minor poets die de theologische waarheden en de inzichten van de major poets doorvertalen naar de lokale gemeenschap. De lokale gemeenschap zit niet te wachten op de inzichten van Luther of Barth. De predikant gebruikt hun inzichten wel om zelf het werk van God in de eigen, kleine, lokale gemeenschap waar te nemen. De creativiteit van de minor poet is niet het vinden van een nieuwe theologische waarheid, maar het ontdekken en onthullen van de waarheid in deze lokale gemeenschap. De meeste theologische opleidingen leiden predikanten op als major poets, maar in de praktijk zullen de meeste predikanten juist minor poets zijn.

Alledaags
Over het algemeen is de lokale gemeenschap juist niet-poëtisch. Terwijl een predikant wellicht in de gemeente komt met hoge idealen om het geleerde door te geven. De gemeente zit vaak niet op diepe theologie te wachten, maar eerder op eenvoudige inzichten. Barnes: ‘Niemand heeft mij tijdens de opleiding geleerd om rond te lopen in de lage vlakten van de alledaagse gesprekken over alledaagse dingen.’ (Wel door hooggebergten met theologische vergezichten.) Volgens Barnes hoort een predikant in het Westen de taal van het gebabbel te leren over koetjes en kalfjes. Net zoals een zendeling in Afrika Swahili hoort te leren.
Small talk is vaak een manier om over kleine dingen te praten om ons te verbergen voor het heilige gebeuren. Het heilige is, zoals Rudolf Otto aangaf, niet alleen aantrekkelijk maar ook afschrikwekkend.

Oog voor Gods aanwezigheid
Volgens Barnes komen mensen vanwege de taak van de predikant als minor poet naar de kerk: zodat de predikant in hun prozaïsche levens iets kan laten zien van de poëzie van Gods werkzaamheid in hun alledaagse leven. De predikant kan dat alleen doen door de het heilige in het alledaagse leven te onthullen, zodat in het alledaagse er een sacramentele ervaring van God is. Barnes geeft als voorbeeld de naturalistische stelling van Ludwig Feuerbach: De mens is wat hij eet. Hij haalt de Orthodoxe theoloog Alexander Schmemann aan die die zinsnede onderschrijft, maar daar tegenover stelt: het materiële maakt ons spiritueel. Hij laat zien hoe belangrijk het eten is voor de band tussen God en mens. Het eten doet hem bewust zijn van zijn afhankelijkheid van God. Gemeenteleden geven in theorie Schmemann gelijk, maar handelen en kijken naar de werkelijkheid alsof Feuerbach gelijk heeft. Ze zien de werkelijkheid los van God als bron. En deze werkelijkheid los zien van God is zonde.

Waarheid
De minor poet helpt de gemeente inzien dat de werkelijkheid niet alleen bestaat uit de realiteit van wat voor ogen is, maar ook uit de waarheid van Gods aanwezigheid en werkzaamheid en helpt de gemeente de werkelijkheid van Christus te zien vanuit het reddend en verzoenend handelen van Christus. Deze zoektocht naar het geheimenis in de werkelijkheid, de laag van de ziel, is een van de grote taken van de predikant als minor poet.

Donkere nacht van de ziel
De minor poet heeft oog voor Gods aanwezigheid in het schone. De predikant als minor poet heeft ook oog voor Gods aanwezigheid in de donkere nacht van de ziel en helpt gemeenteleden te ontdekken hoe God daarin aanwezig is. De donkere nacht van de ziel is een uitdrukking van Johannes van het Kruis. Daarmee bedoelde hij dat de gelovige alle zegeningen van God kwijt raakt. In deze donkere nacht van de ziel is het enige dat de gelovige nog kan doen zichzelf aan het kruis van Christus te hangen. In een crisis, een ramp raakt de gelovige alles kwijt. Het kruis is dan nog het enige houvast. (Barnes werkt dit uit aan de hand van een huwelijkscrisis: de vrouw die van haar man te horen gekregen heeft dat hij bij haar weg wil, moet niet persé gaan voor de redding van het huwelijk. Want haar huwelijk is niet haar houvast. Het enige werkelijke houvast is het kruis van Christus. De minor poet helpt gemeenteleden dat houvast te ontdekken.)
Predikanten kennen vaak de donkere nacht van de ziel maar al te goed. Zij lopen rond met krassen en schrammen op de ziel. Veroorzaakt door het leven, door hun familie door henzelf, door de gemeente. Volgens Barnes is de predikant met de littekens op de ziel een voorbeeld voor de gemeente. De predikant is geen voorbeeld met de open wonden. De wonden zijn genezen door Christus, maar de littekens zijn gebleven. Predikanten lijden veel. Soms aan hun eigen familie, aan zichzelf, aan de gemeente. Soms aan de vraag waarom zij geen ‘succesvolle’ gemeente mogen dienen. Deze littekens laten zien dat zij niet perfect zijn. Juist in hun fragmentarisch bestaan zijn ze van waarde en tot voorbeeld voor de gemeente.

N.a.v. M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet. Texts and Subtexts in the Ministerial Life (Grand Rapids / Cambrigde: William B. Eerdmans Publishing Company, 2009)