Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir

Veel (het meeste?) pastorale werk gebeurt wanneer we het niet door hebben dat we als pastor bezig zijn. Dat is een van de lessen die Eugene H. Peterson heeft moeten leren op zijn levenslange weg om pastor te zijn. Een weg die hij zelf niet heeft uitgestippeld, maar die hem grotendeels is overkomen. Door wat hij van thuis meekreeg in zijn opvoeding. Door ontmoetingen van mensen die op juiste momenten een afslag wezen. Door lange tijd van dezelfde gemeente predikant te zijn. Door zich steeds te verdiepen in Gods Woord en te zoeken hoe dat Woord van God toegepast kan worden in de Amerikaanse cultuur, de context van zijn gemeente en van hemzelf.

Eugene-Peterson

In 2011 publiceerde hij pastorale memoires over de ontdekkingen die hij deed tijdens zijn weg. Het is het verhaal van een intelligente jongen die als student eerder een toekomst ziet weggelegd als een hoogleraar of een studeerkamergeleerde. Een jongen die, zonder dat hij het zelf en zonder dat zijn omgeving het door heeft, hongert naar kennis en verdieping. Een jongen die zelf in de plaatselijke bibliotheek alle grote schrijvers ontdekt en verslindt.
De memoires van Peterson zijn geschreven in een soort verwondering dat veel stappen in zijn leven uiteindelijk hebben bijgedragen aan zijn ontwikkeling tot pastor. Peterson verwoordt dat door een dichtregel van Denise Levertov te citeren: Elke stap een aankomst (every step an arrival). Het is een verhaal van leiding in het leven, hoe God hem elke stap laat zetten om op zijn bestemming als pastor te komen. Deze regel komt uit een gedicht over een hond, die doelbewust lukraak (intently haphazard) zijn weg gaat. Lukraak, maar niet zonder doel. Dat is een samenvatting van de levensweg van Eugene H. Peterson als pastor.

51ndsDLf2uL._SY344_BO1,204,203,200_

Kindertijd
De memoires beginnen in zijn kindertijd. Zijn moeder leidde in Montana als vrouw een kleine pinkstergemeente die alleen maar uit mannen bestond. In de diensten die zij belegde, vertelde zij op een kleurrijke manier uit de Bijbel. Eugene ging altijd mee. Zijn vader deed nooit mee.
Zijn moeder hield ermee op, toen iemand haar de Bijbeltekst liet lezen over de plicht van vrouwen om te zwijgen in de samenkomsten. Daarna maakte hij in de Pinksterbeweging verschillende predikanten mee. Predikanten die het in Montana maar een paar jaar volhielden en dan een hogere roeping kregen.
Van zijn vader leerde hij een gemeenschap op te bouwen. Een eigenschap die hem van pas bleek te komen, toen hem later gevraagd werd om een gemeente te stichten. Zijn vader was slager en onderhield goede contacten met zijn klanten. Eugene hielp zijn vader in de slagerij. Als Peterson over die periode vertelt, wordt ook duidelijk dat hij heel veel verbeeldingskracht heeft. Hij ziet zichzelf als een priester die samen met zijn vader dienstdoet in het heiligdom. Als er later een predikant komt, die alleen maar bezig is met de offerdiensten uit het Oude Testament, is Eugene eerst gefascineerd. Hij haakt af als deze predikant vergeet dat offeren een smerige, bloederige aangelegenheid is.

Edom
Als middelbare scholier heeft hij een bijbaantje: ‘s nachts moet hij de planten in het stadje van water voorzien. Hij ziet ‘s morgens de zon opkomen. Op een gegeven moment heeft hij een associatie met Psalm 108: Ik wil het morgenrood wekken. Vanaf dat moment gaat de psalm bij  de nachtelijke werkzaamheden een rol spelen.  Een psalm die ook gaat over de vijanden: de Edomieten. Later in zijn periode als gemeentepredikant komt deze psalm terug. Dan leert hij om voor zijn vijanden te bidden, zoals Jezus opdraagt. Wie zal mij naar Edom leiden? bidt de psalm. Later ziet hij in, dat God hem naar Edom heeft geleid, als hij zich in de Badlands van zijn gemeente is.
Peterson gaat Semitische talen studeren en besluit door te gaan naar een seminarie in New York. Doel: hoogleraar theologie worden. Dat seminarie in New York blijkt verbonden te zijn aan een presbyteriaanse gemeente, waar Peterson ook naar toe gaat en gaat meedraaien. Het blijkt de gemeente te zijn – wat hij later ontdekt – een toonaangevende predikant: George Buttrick. Deze predikant nodigt steeds op zondagavond enkele studenten van het seminarie uit voor een gesprek. Peterson raakt betrokken bij de gemeente door het sportteam van de gemeente te coachen. Deze stap blijkt zijn aankomst als presbyteriaans predikant te zijn.
Peterson krijgt een duo-baan: docent Hebreeuws en Grieks en een aantal uur werkzaam als predikant in een gemeente. Deze stap blijkt beslissend te zijn. In plaats van het wetenschappelijke pad op te gaan, trekt de gemeente en ontdekt hij zijn roeping om predikant te worden. Een bijna voltooid proefschrift wordt vernietigd.

De ‘kerk met de gevouwen handen’
Door de presbyteriaanse kerk wordt hij gevraagd om een gemeente te stichting in een nieuwbouwwijk van Bel Air. Een suburbane omgeving waarin de mensen op en top Amerikaans zijn en volgens de American way leven en denken, zoals hijzelf ook doet. Vanaf die tijd ontdekt Peterson welke geweldige spanning en concurrentie er is tussen een American way of life en leven uit Christus. Vanaf die tijd is hij bezig om te ontdekken wat zijn taak als pastor is en waar God in de suburbania van Amerika werkt.
In Bel Air (Maryland) sticht hij samen met zijn vrouw een presbyteriaanse gemeente. De gemeente komt samen in de schuilkelder van hun huis. Deze schuilkelder was gebouwd vanwege de dreiging van de Koude Oorlog. Een van de jongeren noemt deze kerk de catacomben-kerk, een verwijzing naar de eerste christenen. (Het was in theologisch opzicht de tijd van de dood van God.)

De kerk 'met de gevouwen handen' De ‘kerk met de gevouwen handen’

In de omgeving waarin hij verkeert, zijn de psychische problemen groter dan elders in Maryland. Een psychiater nodigt de pastores, predikanten en een rabbijn uit deze omgeving uit om college te geven over psychologie en psychiatrie. Als na 2 jaar deze colleges stoppen, gaat de groep door. Ze gaan, zonder dat ze het weten, op zoek naar hun identiteit als pastor. Het is de rabbijn die hen op het juiste spoor brengt. De rabbijn brengt hen op het spoor van de 5 Megilloth.Aan elk van de grote feesten is een feestrol gekoppeld dat over het alledaagse leven gaat.  Deze 5 feestrollen helpen volgens de Joodse traditie om de grote daden van God te verbinden met het dagelijks leven. Peterson werkt deze lessen uit in Five Smooth Stones for Pastoral Work (1980). Als na jarenlang samenkomen de balans wordt opgemaakt, verwoord een van de collega-predikanten de lessen van de bijeenkomsten: ‘Ik heb geleerd om mijn gemeente te zien als een heilige gemeenschap. Dat veroorzaakte een revolutie in mijn manier van werken. Ik ging mijn gemeente met respect en waardigheid behandelen. Ik denk dat ‘heilig’ het juiste woord is.’

download

Na 3 jaar gaat de gemeente van Peterson een eigen kerkgebouw bouwen. Het wordt een bijzonder concept, anders dan de toenmalige koloniale stijl waarin de kerken in Maryland werden gebouwd, maar geënt op de na-oorlogse kerken in Europa. Dezelfde jongere gaf ook deze kerk een nieuwe bijnaam: ‘de kerk van de gevouwen handen’. Zij vond de kerk lijken op de gevouwen handen van Dürer.

Badlands
Nadat de kerk is gebouwd, komt Peterson onverwachts in een crisis. Omdat hij de American way of life begint te ontdekken. Verschillende gemeenteleden haken af, omdat er nu geen doel meer is. Een Amerikaan moet een doel hebben, en anders trekt hij het niet. En Peterson raakt zelf in vertwijfeling. Moet hij de gemeente verlaten en gaan richten op een nieuw (gemeente- of kerk)bouwplan? Hij besluit te blijven. Het is geen gemakkelijke periode: een periode van 6 jaar, die hij de Badlands noemt.

volcanic-decor

Verwijzend naar het stukje Amerika waar hij steeds doorheen gaat met zijn gezin, op weg naar het Montana van zijn ouders. Op een gegeven moment ontdekt hij dat de natuurlijke Badlands hun schoonheid hebben en ontdekt hij ook dat de geestelijke Badlands hun schoonheid hebben. Ze zijn vormend voor zijn bezigzijn als pastor.
In deze fase leert hij namelijk stil-zitten, zoals een labradorpup de opdracht krijgt om te zitten en alleen maar mag weglopen als de baas dat aangeeft. Hij leert om te zien dat kerkzijn niet afhangt van menselijke activiteit, maar dat hij moet zien waar God werkt. Een omschakeling  van een competatieve predikant (Amerikaanse cultuur!) naar een contemplatieve predikant. Een omschakeling waarbij de juiste mensen er zijn, die hem op het spoor van het gebed brengen, van Karl Barth, die hem volharding leren en de betekenis van stilte, van de sabbat, die hem leren het dagelijks werk als pastor te waarderen.

Eucharistische gastvrijheid
Ook zijn vrouw helpt hem verder. Zij heeft een tuin en ‘doet’ maar wat: niet meer dan tuinieren, haar gezin onderhouden, vriendschappen sluiten met vrouwen die worstelen met hun rol met de opkomst van het feminisme. Haar gastvrijheid wordt een eucharistische gastvrijheid. Ze laat zien dat elke maaltijd een verwijzing is naar het avondmaal. Ze leert de andere huisvrouwen in Amerika dat hun taak niet is om allerlei grootse rollen te hebben, maar een huishouwen waar een gezamenlijke maaltijd gehouden wordt en tijdens de maaltijden gesprekken waarin men zich oprecht in elkaar interesseert.

Presbycostal
Peterson is presbyteriaans predikant met een pinksterachtergrond. Hij wil geen keuze maken. Van de Pinksterbeweging heeft hij geleerd om de Schrift te leven. Van de presbyterianen leert hij dat geloven niet vandaag begint, maar dat er een gemeenschap is door alle tijden heen en over alle continenten. Van de presbyterianen leerde hij dat pastor zijn een bepaalde waardigheid en roeping inhoudt, discipline kent, aandacht voor detail, aandacht voor de nood en de pijn van anderen. Pastor-zijn is een erenaam met een roeping, een all-inclusive way of life (en niet het hebben van een godsdienstige baan.)

peterson-square

Besluit
De memoires zijn vol van bijzondere gebeurtenissen. Al lezende krijg ik de indruk dat het Peterson helemaal niet om die bijzondere gebeurtenissen gaat als zodanig. Hij is aan het ontdekken op welke wegen God zijn leven heeft geleid. Welke stappen hij zette, om op zijn bestemming als pastor te komen. Peterson heeft een grote sensitiviteit en creativiteit. Het gaat het er ook niet om dat te etaleren. Het gaat hem erom dat elke pastor leert om te kijken welke stappen God je laat zetten. Ik denk dat veel predikanten kunnen spreken over verrassende afslagen, bijzondere ontmoetingen, opmerkingen van gemeenteleden die het juiste zetje in een richting zijn. Ook zijn er talloze momenten, die God geeft en die niet worden gezien. Dan spreek ik uit eigen ervaring. Pastor-zijn is allereerst waarnemen van de kansen die God je op je pad brengt. Een all-inclusive way of life en dan niet als belasting, maar met een openheid naar God, vanuit gebed en leven in de Schrift. Een zeer waardevol en voor mij belangrijk boek.

(Sinds enige tijd heb ik gemerkt dat de boeken van Eugene H. Peterson iets voor mij zijn. Dat ging ook via een Every stap an arrival – manier. Ik las in een voetnoot bij Cornelius Plantinga, dat Eugene H. Peterson geregeld in zijn agenda FD zette. Dan had hij een gesprek met Fyodor Dostojewski. Niemand hoefde te weten dat FM geen gemeentelid was. Zijn gesprekken met FD waren niet alleen goed voor hemzelf, maar uiteindelijk ook voor de gemeente. Deze opmerking was voor mij een reden om hem eens te lezen. Every day an arrival.)

N.a.v. Eugene H. Peterson, The Pastor. A Memoir (New York: HarperOne, 2011)


De predikant als minor poet

De predikant als minor poet
Over de roeping, de inzet en taak van de predikant

Als iemand predikant wordt, brengt offers. Een predikant verhuist naar de plaats waar de gemeente gevestigd is. Hij neemt zijn gezin mee en laat zijn sociale netwerk achter. Hij moet een hele nieuwe omgeving leren kennen, waarderen en liefhebben.

Het leren kennen betekent niet alleen de buitenkant: de weg in de omgeving, de plaats waar de winkels staan. Een predikant moet ook de binnenkant leren kennen: de manier van denken en handelen, de interacties tussen mensen, de taal van het hart, de emoties van de gemeenschap, de lokale geschiedenis, de relatie tot God in de gemeenschap.

Totale overgave
Predikant zijn van een gemeente kan alleen door je helemaal, zonder reserve te geven. Zo ervaar ik mijn roeping ook. Geregeld komt de psalmregel boven: Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd (Psalm 69:4 Oude Berijming). Predikant worden is offers brengen. Dat is niet altijd erg, want deze offers worden gebracht voor een hoger doel: in naam van Christus voor de gemeente zorgen.
Tot voor kort had ik altijd gedacht dat het wezen van het predikantschap ook het brengen van dat offer was, dat grote gebaar van mijzelf helemaal geven aan deze gemeenschap. Door het lezen van The Pastor as Minor Poet heb ik leren inzien dat de roeping van de predikant een heel andere is: niet het grote offer, maar een bepaalde manier van naar de gemeente kijken en de gemeente daarbij helpen. Niet het grote gebaar, maar een fijnzinnige waarneming van wat God in de gemeente doet. Voor mij is The Pastor as Minor Poet  een belangrijk boek geworden.

Geschonken identiteit
Craig Barnes is hoogleraar Leadership and ministry en leidt hij predikanten op en begeleidt hij hen in hun werk. Volgens hem is predikantschap de laatste decennia ingewikkelder geworden, omdat de roeping en de taak van predikanten diffuser is geworden. Deze roeping en taak is ingewikkelder geworden, omdat we leven in een maatschappij die de suggestie wekt dat we onze identiteit zelf kunnen en moeten vormgeven (constructed identity). Rode lijn door het boek heen is dat identiteit in het christelijk geloof juist het tegenovergestelde is: identiteit is geen menselijke prestatie maar een geschenk van Christus. Het leven is geen presteren maar ontvangen: ‘We ontvangen deze identiteit door onze participatie in Christus, die ons thuis bracht in de gemeenschap met onze Schepper.’ Ons bestaan is een gracieuze gift van Christus. Alleen is het ontvangen van deze identiteit in een maatschappij van zelfgecreëerde identiteiten niet eenvoudig. Daarom hebben we volgens Barnes predikanten nodig: om ons eraan te herinneren en te helpen inzien dat onze identiteit een genadig geschenk is.

Minor poet
De roeping en de taak van de predikant is daarom volgens Barnes om de minor poet van de gemeente te zijn: het leren zien van dit geschenk in alle kleine onderdelen van het gemeentezijn. Dichters kijken niet alleen naar de werkelijkheid, maar zijn ook op zoek naar de waarheid in of achter de werkelijkheid. De predikant is bezig met de diepere laag van de ziel. Niet op een grote schaal, maar in de kleinschaligheid van de lokale context van de gemeente.
Er zijn ook major poets. Dat zijn theologen die in hun leven met een enkel thema bezig zijn (geweest) en daar veel en grote offers voor hebben gebracht. Dat zijn de Bijbelschrijvers, vroege christenen die hun leven gaven, de woestijvaders die uit de maatschappij waren getreden, de reformatoren die gevangen zaten. In een maatschappij zijn volgens de dichter T.S. Eliot beide dichters nodig. Barnes past het toe op de kerkelijke gemeente. Predikanten zijn minor poets die de theologische waarheden en de inzichten van de major poets doorvertalen naar de lokale gemeenschap. De lokale gemeenschap zit niet te wachten op de inzichten van Luther of Barth. De predikant gebruikt hun inzichten wel om zelf het werk van God in de eigen, kleine, lokale gemeenschap waar te nemen. De creativiteit van de minor poet is niet het vinden van een nieuwe theologische waarheid, maar het ontdekken en onthullen van de waarheid in deze lokale gemeenschap. De meeste theologische opleidingen leiden predikanten op als major poets, maar in de praktijk zullen de meeste predikanten juist minor poets zijn.

Alledaags
Over het algemeen is de lokale gemeenschap juist niet-poëtisch. Terwijl een predikant wellicht in de gemeente komt met hoge idealen om het geleerde door te geven. De gemeente zit vaak niet op diepe theologie te wachten, maar eerder op eenvoudige inzichten. Barnes: ‘Niemand heeft mij tijdens de opleiding geleerd om rond te lopen in de lage vlakten van de alledaagse gesprekken over alledaagse dingen.’ (Wel door hooggebergten met theologische vergezichten.) Volgens Barnes hoort een predikant in het Westen de taal van het gebabbel te leren over koetjes en kalfjes. Net zoals een zendeling in Afrika Swahili hoort te leren.
Small talk is vaak een manier om over kleine dingen te praten om ons te verbergen voor het heilige gebeuren. Het heilige is, zoals Rudolf Otto aangaf, niet alleen aantrekkelijk maar ook afschrikwekkend.

Oog voor Gods aanwezigheid
Volgens Barnes komen mensen vanwege de taak van de predikant als minor poet naar de kerk: zodat de predikant in hun prozaïsche levens iets kan laten zien van de poëzie van Gods werkzaamheid in hun alledaagse leven. De predikant kan dat alleen doen door de het heilige in het alledaagse leven te onthullen, zodat in het alledaagse er een sacramentele ervaring van God is. Barnes geeft als voorbeeld de naturalistische stelling van Ludwig Feuerbach: De mens is wat hij eet. Hij haalt de Orthodoxe theoloog Alexander Schmemann aan die die zinsnede onderschrijft, maar daar tegenover stelt: het materiële maakt ons spiritueel. Hij laat zien hoe belangrijk het eten is voor de band tussen God en mens. Het eten doet hem bewust zijn van zijn afhankelijkheid van God. Gemeenteleden geven in theorie Schmemann gelijk, maar handelen en kijken naar de werkelijkheid alsof Feuerbach gelijk heeft. Ze zien de werkelijkheid los van God als bron. En deze werkelijkheid los zien van God is zonde.

Waarheid
De minor poet helpt de gemeente inzien dat de werkelijkheid niet alleen bestaat uit de realiteit van wat voor ogen is, maar ook uit de waarheid van Gods aanwezigheid en werkzaamheid en helpt de gemeente de werkelijkheid van Christus te zien vanuit het reddend en verzoenend handelen van Christus. Deze zoektocht naar het geheimenis in de werkelijkheid, de laag van de ziel, is een van de grote taken van de predikant als minor poet.

Donkere nacht van de ziel
De minor poet heeft oog voor Gods aanwezigheid in het schone. De predikant als minor poet heeft ook oog voor Gods aanwezigheid in de donkere nacht van de ziel en helpt gemeenteleden te ontdekken hoe God daarin aanwezig is. De donkere nacht van de ziel is een uitdrukking van Johannes van het Kruis. Daarmee bedoelde hij dat de gelovige alle zegeningen van God kwijt raakt. In deze donkere nacht van de ziel is het enige dat de gelovige nog kan doen zichzelf aan het kruis van Christus te hangen. In een crisis, een ramp raakt de gelovige alles kwijt. Het kruis is dan nog het enige houvast. (Barnes werkt dit uit aan de hand van een huwelijkscrisis: de vrouw die van haar man te horen gekregen heeft dat hij bij haar weg wil, moet niet persé gaan voor de redding van het huwelijk. Want haar huwelijk is niet haar houvast. Het enige werkelijke houvast is het kruis van Christus. De minor poet helpt gemeenteleden dat houvast te ontdekken.)
Predikanten kennen vaak de donkere nacht van de ziel maar al te goed. Zij lopen rond met krassen en schrammen op de ziel. Veroorzaakt door het leven, door hun familie door henzelf, door de gemeente. Volgens Barnes is de predikant met de littekens op de ziel een voorbeeld voor de gemeente. De predikant is geen voorbeeld met de open wonden. De wonden zijn genezen door Christus, maar de littekens zijn gebleven. Predikanten lijden veel. Soms aan hun eigen familie, aan zichzelf, aan de gemeente. Soms aan de vraag waarom zij geen ‘succesvolle’ gemeente mogen dienen. Deze littekens laten zien dat zij niet perfect zijn. Juist in hun fragmentarisch bestaan zijn ze van waarde en tot voorbeeld voor de gemeente.

N.a.v. M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet. Texts and Subtexts in the Ministerial Life (Grand Rapids / Cambrigde: William B. Eerdmans Publishing Company, 2009)

Waarom word je geen dominee?

Waarom word je geen dominee?

In memoriam prof. dr. G.G. de Kruijf

Ik heb de vraag nog nooit aan iemand gesteld. Ik wil de vraag nu al jou stellen: waarom word je geen dominee?
Je zult er wellicht nooit over nagedacht hebben. En als je al wel over deze vraag hebt nagedacht, heb je vast gedacht: dat is niets voor mij. In de eerste jaren dat ik theologie studeerde, zei ik er altijd bij: “Maar ik word geen dominee!”
Het is ook niet altijd gemakkelijk. In de 6 jaar dat ik predikant ben, ben ik steeds de jongste van de kerkenraad geweest. Het is werk met lange dagen met veel schakelen en onregelmatigheid. Er is veel tijdsdruk en vaak ben je terwijl je vrij bent nog met je hoofd bij het werk.
Toch is het mooi werk. Ik mag bij veel mensen binnenkomen. Als ik binnenkom, delen ze hun levensverhaal. Geregeld worden dingen verteld die nooit aan anderen verteld worden. Vaak voel ik mij bevoorrecht om zulke verhalen aan te horen. Zulke ontmoetingen kunnen al een reden zijn om dominee te worden. Maar er is nog een groter voorrecht: je mag het met mensen over God hebben. En mensen verwacht dat ook van je. Of ze nu ongelovig zijn of heel gelovig. Ik heb vaak de indruk dat wat mensen tegen mij zeggen, zij eigenlijk tegen God zeggen.
Als je dominee hebt, heb je het voorrecht en de roeping om te preken. Nu zijn vele mensen van mening dat de preek achterhaald is. Mijn ervaring is een andere. Ik heb in verschillende omstandigheden gepreekt: In een zaaltje in een verzorgingstehuis met 10 ouderen, waarvan de jongste 86 was. In een kerkdiensten met soms 10 – 20 kerkgangers. In begrafenisdiensten, waarbij de nabestaanden soms geen besef meer hadden van wat een kerkdienst is. Daar heb ik gemerkt dat luisteraars veel aan een preek kunnen hebben. Natuurlijk, de andere kant is er ook: de kritiek op preken. “Het gaat langs mij heen!” “Ik raak u aan het begin van de preek al kwijt!” Soms is het geloof van gemeenteleden bijna uitgedoofd en hopen ze dat de preek hun geloof weer aanwakkert en hen meeneemt en in vuur en vlam zet.
De preek is een spreken van God. Als je dominee zou worden, worden jouw woorden gebruikt door God om de gemeente aan te spreken. En bij alle kritiek die er op preken kan komen, hopen gemeenteleden ook dat zij aangesproken worden. Door God. Als dat gebeurt, als een preek slaagt omdat je merkt dat de luisteraars de stem van God horen in hun eigen leven, zijn dat momenten waarop je gelukkig zult zijn.
Het is een roeping om dominee te worden. Het vraagt om een leven in nederigheid en dienstbaarheid. Wellicht bij jij ook geroepen. Denk niet te snel dat het niet voor je is weggelegd! Daarom aan jou de vraag: Waarom word je geen dominee? Het is een mooie roeping om Christus en Zijn kerk te dienen.

Deze woorden schreef ik om prof. dr. G.G. de Kruijf te gedenken. Hij was een leraar van de kerk. Niet alleen als hoogleraar, maar vooral ook omdat hij velen gestimuleerd heeft om predikant te worden. Moge zijn gedachtenis tot zegen zijn.

Geschreven voor HWConfessioneel

Interview

Op 6 oktober 2011 had ik een interview van bijna een uur met Marjolein van Eendenburg voor het programma “Een goed gesprek met …” Dat programma wordt uitgezonden door de LOCO (de lokale omroep van de gemeente Oldebroek).

Via deze link van soundcloud http://soundcloud.com/matthijs-schuurman/interview is het interview terug te beluisteren.

Een interview over mijn overgang van Noord-Holland naar de Veluwe, over geloof en twijfel, over mijn roeping als predikant en over kerkzijn.

De afgelopen week

De afgelopen week
Bijgehouden voor www.domineeworden.nl

Zondag 23 januari
Deze week zou ik beschrijven wat ik door de week doe. Voor mij begint de week (nog steeds) op zondag. Vandaag stond in het teken van de viering van het Heilig Avondmaal. Eerst om 9.00 in Watergang. We zijn normaal al niet met veel, maar vandaag was het door de hardnekkige griepvirus enigszins uitgedund. Om 10.30 in Ilpendam. De preek ging over de doop van Jezus. In de beschrijving van Lukas ligt de nadruk op de open hemel, nadat Jezus dezelfde doop als het volk heeft ontvangen. Aan de gemeente heb ik uitgelegd dat dit betekent dat Jezus ons leven op zich neemt en in onze plaats gegaan is. De preek was niet lang. Er werd goed naar geluisterd, was mijn indruk. Ik merkte dat in beide gemeenten viering iets met de gemeente deed. (Ik kan dat merken aan kleine dingen: aan de handdruk bij de uitgang, het gebed van de ouderling van dienst, aan de sfeer in de kerk). Dat stemde mij dankbaar.
Omdat wij ’s avonds geen dienst hebben, ga ik ’s avonds vaak elders voor. Dit keer ook een avondmaalsdienst. Voordat ik aankwam, kwam ik in een file terecht. Dit was de eerste keer dat het mij overkwam. Niet prettig, maar het (behalve de late start van de dienst) weinig invloed op het verloop. Voor mijzelf was het mooi om deze dienst te doen. Een dienst ’s avonds staat altijd in het teken van de dankzegging.
Al sinds de Kerst is het hier thuis een ziekenboeg. Vannacht moest onze oudste een flink aantal keren overgeven. Iedereen ligt al voor half tien op bed. Ik vind dat zelf te vroeg om te gaan. Ik zou morgen nog een artikel inleveren voor Maandblad Réveil. Onderwerp mag ik altijd zelf weten. Niet altijd even gemakkelijk. Ik had bedacht om een wat intiem en overwogen artikel te schrijven. Gisteren bedacht ik dat ik wel eens kon reflecteren op een opmerking van een gemeentelid: “U bent tenminste een dominee die niet altijd over geloof praat.” Ik heb in het artikel voor mijzelf nagegaan, waarom mijn theologie en spiritualiteit steeds robuuster worden, maar dat in mijn pastoraat nauwelijks doorwerkt. Zoiets uitschrijven helpt mij altijd heel erg. Ook na te lezen op mijn weblog.

Maandag
Vanmorgen een kort bezoek bij een gemeentelid. Nu ze met de chemo bezig is, kom ik elke week even langs. Alleen al door langs te komen, kun je iemand weer wat moed geven. Ook het lezen uit de bijbel en gebed geeft weer nieuwe moed om verder te gaan.
Verder vandaag Romeinen 13 doorgenomen, omdat ik morgen met enkele gemeenteleden dit hoofdstuk lees. Als ik het vandaag doe, kan ik morgen wellicht nog een bezoek afleggen. Verder 2 catechisaties voorbereid van vanavond. Gids voor beroepingswerk uitgeprint en begonnen door te lezen. Deze week heb ik als consulent een vergadering met een beroepingscommissie.

Dinsdag
Vanmorgen Romeinen 13 voorbereid. Vooral gefocust op hoe Paulus over de rol van de overheid als dienaar (diaken en liturg) van God spreekt. Ik had een vermoeden dat het gesprek daarover zou gaan. Op een gegeven moment bedacht ik om de Theologische Verklaring van Barmen erop na te slaan en lees ook na in de uitleg van Eberhard Jüngel (Mit Frieden Staat machen). Een boeiend gesprek over welke overheid er gediend moet worden. Al gauw kwam het gesprek op Hitler in 1933 en de Duitse inval in Nederland (1940). De Theologische Verklaring van Barmen werd met interesse ontvangen.
Na thuiskomst een meditatie van Christian Möller over “Die Zeitmaß des Reiches Gottes” (over Mk. 4:24-27) bewerkt voor ons kerkblad: De norm van het Koninkrijk van God: groeitijd. Christian Möller, emeritus hoogleraar Praktische theologie van de universiteit van Heidelberg, lees ik graag.
’s Avonds gegeten bij de AlphaCursus van onze buurgemeente. Ik geef daar enkele avonden een inleiding en dit was ter kennismaking met de groep. Mooi om de cursisten van vorig jaar te zien. Een vrouw had haar man mee. Na de AlphaCursus van de vorige keer begon zij thuis naar ds. Van de Veer te kijken en haar man keek mee. Hij is daardoor een kerkganger geworden en wilde nu ook naar de AlphaCursus.

Woensdag
Deze dag was oorspronkelijk mijn vrije dag. Daar is weinig van terecht gekomen. De laatste tijd probeer ik deze dag (in ieder geval de morgen) te gebruiken voor schrijfwerk. Vanmorgen schrijf ik een artikel voor in het kerkblad over “Met anderen over God spreken”. ’s Middags begin ik alvast wat met de exegese voor de preek van volgende week zondag. ’s Avonds komen enkele gemeenteleden langs om te eten.

Donderdag
Vanmorgen 2 bezoeken gedaan. Meestal doe ik er één op een dag, omdat een bezoek behoorlijk wat concentratie vraagt. Ik doe er twee, omdat ik al vanaf december niet meer aan bezoeken toegekomen ben. Van tevoren bedacht hoe ik zou reageren op verwijten als zou ik te lang zijn weggebleven. ’s Middags de laatste voorbereidingen voor de dienst en voorbereiding voor de Bijbelkring.
Bij aanvang van de dienst bleek de organist (een zeer professionele organist, die vindt dat ouderen in een verzorgingstehuis ook recht hebben op goede muziek en daarom vrijwilliger is) er nog niet te zijn. Hij stond vast in de file. Met bewondering heb ik toegekeken hoe hij de zettingen en de voorspelen improviseerde. Na afloop zei de pastoraal medewerker van dit huis (die dezelfde achtergrond heeft als ik, maar daar behoorlijk van weggegroeid is), dat zij het een mooie overdenking vindt.
’s Avonds om 19.30 een gesprek met de afvaardiging van de kerkenraad van de buurgemeente, omdat ik als consulent hun beroepingswerk mag begeleiden. Voor mij de eerste keer om consulent te zijn. Daarna om 20.30 nog een Bijbelkring over het thema “discipelschap”.

Vrijdag
Een late opstart omdat onze dochter vandaag vrij is van school. Op bezoek bij een jong gemeentelid. Het was een mooi gesprek, omdat zij erachter kwam dat het evangelie betekent dat God naar ons toekwam en wij onszelf voor God niet hoeven te bewijzen. Iemand die heel erg zelfkritisch is, velt over zichzelf een oordeel. Ik zei tegen dit gemeentelid: ‘Er is er volgens de Bijbel maar Eén die een oordeel over ons leven mag vellen.’ De opmerking werd begrepen. Aan het einde van het gesprek las ik Romeinen 8:1. Ik merkte dat de ander echt geraakt door deze tekst. Daarnaast las ik Mattheüs 11:26-29 en zei erbij: “Dit is een opdracht van Jezus. Hij zegt het als een opdracht, want anders zouden wij het niet doen. En ik lees het voor jou ook als een opdracht.” Aan het einde van het gesprek de afspraak gemaakt dat ik de komende tijd om de week langskom.
’s Middags catechisatie voorbereid en alvast wat exegese gedaan voor de preek van volgende week. Ook het gesprek op catechese was een mooi gesprek. Met 2 jongeren begon ik over de hemelvaart, maar uiteindelijk belandde ik in de uitleg dat geloven te maken heeft met vertrouwen. Ik leg dat altijd uit aan de hand van verkering. Eerst vind je elkaar aardig en heb je daar genoeg aan. Maar als je relatie verdiept, dan moet je tegen je vriend(in) ook vertellen wat er in je hart leeft. Dat is niet gemakkelijk. Geloven vraagt dus om jezelf bloot te geven voor God, omdat je Hem vertrouwt.

Om 20.00 is het weekend. Voor het eerst sinds maanden, denk ik. Zelfs op zaterdag hoef ik deze keer niets voor mijn werk te doen. Als gezin gaan we er een dag op uit.

Zondag
’s Morgens een dienst in Nieuw-Vennep. ’s Middags een afscheidsdienst van een collega. Meestal ga ik naar deze diensten niet heen, maar ik ben nu consulent van deze gemeente. ’s Avonds in de buurgemeente (van oorsprong een Gereformeerde kerk) een avonddienst. Dit contact is in de loop van mijn predikantschap ontstaan. Bijzonder, omdat ik dat niet verwacht had in deze omgeving. Vorig jaar leidde ik met een andere collega de AlphaCursus van deze gemeente en dit jaar die ik enkele avonden.
Nadat ik in deze gemeente de eerste keer voorgegaan was, zei een gemeentelid tegen mij: “U bent zeker van de Gereformeerde Bond?” “Hoezo dan?” “Nou, zulke preken horen wij niet zo vaak.” “Bedoel je dat positief of negatief?” “Ik zou best meer van zulke preken willen horen!” Deze opmerking en die ik eerder hoorde bevestigen mij in de mening, dat de reformatorische traditie ook in de breedte van de kerk gehoord mag worden. Daar hoop ik op mijn manier een steentje aan bij te dragen.

ds. M.J. Schuurman

Bijgehouden voor www.domineeworden.nl

“U bent tenminste een dominee die niet alleen over geloof praat.”

“U bent tenminste een dominee die niet alleen over geloof praat.”

“U bent tenminste een dominee die niet alleen over geloof praat.” Hoewel het als compliment was bedoeld, raakte het bij mij toch een gevoelige snaar. In de vier jaar dat ik predikant ben, probeer ik waar het in de kerk om gaat en waar het in levens van mensen om gaat met elkaar te verbinden. Maar het lukt me niet. In gesprekken met mensen gaat het nauwelijks over Christus of over eeuwig zieleheil of over het navolgen van Christus. Terwijl ook tot mijn ambt behoort om daar men mensen over te spreken.

Misschien komt het wel goed. Ik heb het met mijn preken ook gehad. Veel verkondiging zat er niet in mijn eerste preken. In mijn eerste preken ging het vooral over wat ik zelf nog met God kon. Als ik mijn eerste preken terug zou lezen, denk ik met God niet veel kon. Door het werk in de gemeente en misschien ook wel mijn eigen groei in het geloof is dat veel meer geworden. Ik merk dat ik bij het gezamenlijk bidden het Onze Vader nu hardop meebidt, terwijl ik dat voorheen niet deed. Ik merk dat ik kriegelig wordt als anderen gaan twijfelen, maar het naar mijn idee eerder een pose is dan een werkelijk worstelen met God. Door eenvoudige gebeurtenissen is mijn eigen geloofsleven robuuster geworden: door gesprekken met mensen die hun vertrouwen daadwerkelijk op God stelden. Doordat ik gevraagd werd om meditaties te schrijven voor een dagkalender over onbekende Bijbelgedeelten. Gedeelten, waarin het veelvuldig ging over de toorn van God. Die Bijbelgedeelten deden me behoorlijk wat. Al duurde het een tijd voor dit in mijn preken doorwerkte. Maar het gebeurt steeds meer. Al is het tastenderwijs.
Alleen in mijn bezoekwerk niet. Wordt mijn eigen theologie steeds robuuster, tijdens mijn bezoeken ben ik nog steeds voorzichtig om het gesprek op God of Christus te brengen. Ik weet dat zorgvuldig luisteren naar wat de ander vertelt, een goede houding is. Dat probeer ik ook te doen. Tegelijkertijd is het mijn ervaring dat degene bij wie ik op bezoek ben, uit zichzelf vaak niet over Christus begint. Daarbij maakt het niet uit of ik zoals in mijn eigen gemeenten buiten de Biblebelt bevindt of dat ik in een degelijke Gereformeerdebondsgemeente zou zijn.
Lange tijd heb ik mij afgevraagd of ik wel iets met Christus heb. Ik merkte dat ik Hem lang niet altijd een plaats kon geven in mijn gebeden en preken. Terwijl in mijn nadenken over God en geloof Hij wel een belangrijke rol speelde. En steeds belangrijker wordt als Degene die in mijn plaats wilde gaan en mijn schuld op zich nam. Alleen zo zeg, dreigt het een lege formulering te worden, die ik wel in preken gebruik, maar nooit de diepgang kunnen verwoorden die het voor mij heeft. Ook al gebruik ik ze soms bij gebrek aan beter. Zinnen die gemakkelijk tot lege formuleringen worden: zou dat een reden, waarom het in mijn gesprekken weinig over Christus gaat?
Wellicht is er een andere reden. Het eigen geloof is een terrein, dat mensen verborgen houden en waar ze niet zo gemakkelijk iemand binnenlaten. De ander wil zich eerst vertrouwd voelen, erkenning krijgen voor het levensverhaal. Dat geldt niet alleen voor degene bij wie ik op bezoek ben, maar ook voor de ander. Dat is het kader waarbinnen het gesprek over God (en misschien zelfs over Christus) een plaats kunnen krijgen. Het kost mij tijd om te weten wie de ander is. Vaak wordt de ziel van de ander eerder geraakt door oprechte belangstelling dan door een verplicht gesprek over God. Daarbij bedoel ik: als ik vind dat ik we nu hoognodig ook over de relatie met God moeten praten.
Vaak zie ik echter signalen, die kunnen leiden tot een gesprek op dit verborgen terrein, over het hoofd. Als ik eerder in het gesprek teveel bezig ben met wat ik wil weten in plaats van wat de ander wil vertellen. Of als ik zelf graag iets kwijt wil. Over God bijvoorbeeld.
Mijn onmacht heeft mij ook de ogen geopend. Voor hoe God aanwezig is. Ik hoef Hem niet present te stellen. Voor de ander is Hij er vaak al. Omdat ik als Zijn dienaar kom. Zijn aanwezigheid wordt ook ervaren als ik met aandacht luister naar wat de ander te vertellen heeft. Ik breng Hem mee, zonder dat ik er erg in heb. Want de gesprekken vinden voor Zijn aangezicht plaats. Dat is niet alleen mijn beleving, maar ook dat van degene bij wie ik op bezoek ben. Ik merk dat als ik uit de Bijbel een gedeelte lees, dat over hun leven gaat en voor hen bidt. Dat wordt vaak met dankbaarheid en ontroering ontvangen. Gods aanwezigheid is niet afhankelijk van hoe ik Hem ter sprake breng. Hij is er. Het is slechts mijn taak om mij en de ander daar op het juiste moment aan te herinneren. Dat kan alleen door zorgvuldig te luisteren naar wat de ander wil vertellen.

ds. M.J. Schuurman

Een woord van macht en de taak van de verkondiging

Een woord van macht en de taak van de verkondiging
(n.a.v. Handelingen 8:26-40)

Het verhaal van de kamerling uit morenland is een bekend verhaal. Vaak wordt er over gepreekt na Pinksteren. Het is een voorbeeld van een bekeringsverhaal.
Vaak gaat de aandacht uit naar de vraag, die Filippus aan de kamerling stelt: ‘Verstaat gij wat gij leest?’ (vers 30) De gedachte is dat de kamerling door middel van de uitleg van wie Jezus is tot geloof komt en behoefte heeft om te dopen.
Op die manier is de verkondiging in een valkuil gelopen, die de reformatorische verkondiging al vanaf het begin kent. Namelijk de valkuil van het cognitieve. Is het echt zo, dat mensen tot geloof komen door middel van het begrijpen van wie Jezus is? Volgens mij niet.
Het verkondigen van Jezus (euèggelísato autooi ton Ièsoun) is daarom ook geen uitleggen, maar meer. Uitleg kan belangrijk zijn, maar is slechts een hulpmiddel. Het woord betekent dat door het noemen van de naam en door het lezen van de gebeurtenissen die over Christus gaan, deze man onder de macht van dit woord komt te staan. Er vind een verbinding plaats tussen het verhaal van de gekruisigde Christus en deze man. Niet doordat de man begrijpt, wie Christus is en wat Hij heeft gedaan. Want wie kan dat begrijpen? Maar vooral doordat het leven van deze man wordt overgenomen door Christus.
Mij intrigeert waarom in dit verhaal Jesaja 53 een prominente rol speelt (terwijl die tekst in Lukas’ versie van het lijdensverhaal ontbreekt). Waarom hier? Wat is het effect van de tekst?
Het leven van deze man komt onder de macht van Christus te staan. Het leven van deze man komt onder invloed van het machtige woord. Verkondigen – en zeker het verkondigen van Jezus – is een woord van macht uitspreken. Daarom verlangt de man om gedoopt te worden. Verlangen komt vaak niet voort uit inzicht, maar uit een werkelijke verandering van het leven. En zeker het verlangen naar de doop niet. Want de doop benadrukt dat iemand het koninkrijk van God kan binnengaan. Ingelijfd wordt in Christus. Zó effectief is dit woord van macht dus.

Daarmee krijgt de hedendaagse verkondiging een andere uitdaging. Niet alleen uitleg, maar de macht van de Heilige Schrift en vooral van de naam van Jezus ondergaan. Die naam over dit leven wordt uitgesproken, waardoor er verbinding ontstaat tussen Christus en het leven van een luisteraar. En door die verbinding het leven in Christus’ macht komt. Niet een kwade macht, maar de bron van het leven. Deze man gaat het leven binnen door die verkondiging met kracht.
Niet de prediker geeft aan de verkondiging de kracht, maar de Heilige Geest en het werk van Christus zelf. De prediker kan echter wel de kracht belemmeren door te kiezen voor uitleg in plaats van verkondiging.

Dat roept voor de voorbereiding wel de vraag op: hoe kan een preek deze kracht in Jezus’ naam ontwikkelen? Wat kan ik daar als prediker voor doen? En hoe belemmer ik deze machtige uitwerking?

Het betekent in ieder geval dat ik Jesaja 53 nog eens goed op me moet laten inwerken! Want juist het verhaal van de lijdende Knecht des Heren, van Jezus, blijkt aantrekkingskracht te hebben. Zozeer zelfs, dat een volslagen vreemde verlangt om gedoopt te worden.
Kan in elke preek over Jezus maar zo’n kracht uitgaan. In ieder geval is het wel mogelijk, dat een preek deze kracht heeft. Dankzij de kracht van Jezus zelf.

ds. M. J. Schuurman