‘Ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen’

‘Ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen’
Michael Herbst over pastoraat in een kinderziekenhuis

Het komt voor dat kinderen in een ziekenhuis moeten verblijven. Voor kinderen is dat een hele inbreuk op hun leven. Zij leven niet meer in hun vertrouwde omgeving, maar verblijven in een (kinder)ziekenhuis. Dat is een wisseling van systemen. Het ene is voor hen vertrouwd, in het andere is bijna alles in eerste instantie vreemd, en is er veel voor kinderen onduidelijk. Deze overgang naar het systeem van het (kinder)ziekenhuis heeft een duidelijk symbool: het omgekleed worden. Ze dragen niet meer hun dagelijkse kleren, waarmee ze naar school gaan, thuis rond lopen, op avontuur gaan, maar worden als een patiënt gekleed.

Voor kinderen kan het een heel ingrijpende gebeurtenis zijn. Zij begrijpen niet wat zij meemaken. Niet altijd worden zij door ouders of het verplegend personeel geïnformeerd over wat er met hen gaande is. Ondertussen merken zij wel dat er iets ernstigs aan de hand is. Zij voelen aan hun eigen lichaam dat hun krachten afgenomen zijn. Ze lezen het af aan de gezichten van de ouders, de verpleging of de dienstdoende artsen. Wanneer zij niet geïnformeerd worden over wat er met hen gebeurt, kunnen kinderen erg bang worden. Ook de apparatuur waarmee zij omgeven worden kunnen een bron van angst worden als niet aan hen wordt uitgelegd welke functie deze apparatuur voor hen heeft.
Kinderen kunnen heel veerkrachtig zijn. Zij kunnen zich overgeven aan hoe het leven in een ziekenhuis er aan toe gaat. Zij maken vaak een bepaalde geestelijke ontwikkeling door en kunnen voor hun leeftijd al wijs zijn.

Wat kan pastoraat betekenen voor deze kinderen?
Wat kan pastoraat betekenen voor deze kinderen? Deze vraag kan ook ruimer gesteld worden, want in een ziekenhuis zijn niet alleen deze kinderen. De ouders zijn vaak aanwezig. Er kunnen broers of zussen zijn, of andere familie. Ook voor het gezin heeft een ziekenhuisopname een hele impact: een ander dagritme, de zorg om het kind, zelfverwijt niet goed voor het eigen kind te hebben gezorgd, geloofsvragen die opeens of verhevigd opduiken, een huwelijk of een relatie die onder spanning komt te staan.
Michael Herbst was enige jaren als geestelijk werkzaam in een kinderziekenhuis. In zijn boek over pastoraat schreef hij een mooi en uitgebreid hoofdstuk over deze ervaringen. Daarin beschrijft hij wat pastoraat aan kinderen in het ziekenhuis kan betekenen. (Leerzaam ook voor ‘gewoon’ pastoraat aan kinderen). Daarnaast geeft hij weer, hoe met deze kinderen over de Heere Jezus kan worden gesproken.

Met Jezus in de boot
Lisa was 5 jaar toen Herbst haar voor het eerst ontmoette. Lisa zei bij die ontmoeting: ‘God houdt niet van mij. Hij wil niet dat ik gezond wordt.’ Zij was in het ziekenhuis, omdat een hersentumor operatief verwijderd moest worden. Na de operatie bleef zij nog enige tijd om te herstellen van de operatie. In die tijd bezocht Herbst haar elke avond en las haar voor. Lisa’s houding veranderde voortdurend: dan was ze moedeloos, dan opgewekt, soms ook niet aanspreekbaar, vaak lief en aandoenlijk. Bij het vaste afscheidsritueel hoorde de vraag van Lisa: ‘Wanneer komt u weer?’
Op een avond las Herbst het verhaal voor van de storm op het meer, die door Jezus werd gestild. Tijdens het voorlezen viel Lisa in slaap. Hij dekte haar toe en verliet met een onbevredigend gevoel de kamer uit. De volgende morgen kwam hij de moeder van Lisa tegen: ‘Moet u eens horen wat Lisa vanmorgen vertelde. Lisa vertelde hoe de dominee was gekomen en een verhaal had verteld. En Lisa zei: ‘Mama, moet je voorstellen, ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen.’’

Presentie
Pastoraat begint met aanwezig zijn en het opbouwen van contact. Wij leven in een post-christelijk tijdperk waarbij het voor het personeel, voor de opgenomen kinderen, voor hun familie niet duidelijk is wat pastorale begeleiding kan betekenen.
Herbst adviseert beginnende geestelijk verzorgers om te laten zien dat je er bent. Presentie is het sleutelwoord. Wees aanwezig door koffie te drinken met het verplegend personeel, oor de bedden langs te gaan en de patiënten te bezoeken, door in contact te komen met ouders. Niet altijd weet het personeel wat men met een geestelijk verzorger of predikant aan moet, omdat men niet meer bekend is met de kerk. Een geestelijk verzorger moet daarom zijn legitimiteit op twee manieren onderbouwen: vanuit de kerkelijke theologie en vanuit de missie van een ziekenhuis. Wanneer een predikant of verzorger bekend is, kan hij of zij worden uitgenodigd om mee te doen met het teamoverleg.
De positie is van een geestelijk verzorger of een ziekenhuispredikant is niet eenvoudig. Hij of zij is geen expert in het behandelend team. Deze positie is tegelijkertijd de kracht van een pastor. De geestelijk verzorger of predikant is geen bedreiging voor de patiënt en de familie en ook niet voor het personeel. De predikant is een gesprekspartner voor allemaal en heeft een vertrouwenspositie. De geestelijk verzorger of ziekenhuispredikant kan zijn of haar taak in de ogen van Herbst alleen vervullen wanneer hij of zij bewust ook theoloog is. Hij of zij brengt God mee, komt in naam van God (missio Dei).

Begeleiding
Om pastoraal te kunnen begeleiden, moet er wel contact zijn. Contact wordt opgebouwd door present te zijn. Door jezelf te laten zien in de gangen en in de kamers. Door aan het bed te komen. Pastoraat bestaat allereerst uit het opbouwen van relaties. Daarbij hoeft het niet om diepe gesprekken te gaan. Het gewone contact kan in het ziekenhuisbestaan al bijzonder zijn. Zeker wanneer een predikant of geestelijk verzorger met een duidelijke regelmaat langskomt, kan hij of zij al veel betekenen voor de opgenomen kinderen. Door regelmatig langs te gaan wordt de geestelijk verzorger een betrouwbare partner. Dat regelmatige contact is voor kinderen al heel waardevol.

‘De pastor moet een betrouwbare partner voor het kind zijn: iemand die zijn belofte nakomt en ook daadwerkelijk terugkomt als hij dat heeft beloofd. Hij moe de deur zoeken die het kind voor hem opent. Op den duur gaat dat alleen als hij vreugde beleeft aan de omgang met kinderen en niet voortdurend zich afvraagt of dit wel het eigenlijke van het pastoraat is. Ook niet als hem af en toe de gedachte bekruipt dat een sociaalpedagogische opleiding zinvoller was geweest. Zo zal hij de vergeefse taak hebben om te winnen van de 6jarige Hanna met memory. Met een handpop komt hij voorzichtig dichterbij bij de kleine Freddy, omdat hij niet wil eten en merkt dat de kleine Freddy al snel met de handpop een heel serieus gesprek heeft over de voor- en nadelen van eten. Freddy zei later over de handpop Bruno: ‘Bruno was mijn kleine ziekenhuispastor.’ Hij voert de 4jarige Sebastiaan, omdat de zusters het op dit moment echt te druk hebben. Of hij rijdt de 11jarige Jessica in een rolstoel over de veranda, zodat zij weer even buiten kan zitten. Of hij vertelt de 4jarige Tobias een zelfverzonnen verhaaltje voor het slapen gaan, omdat zijn moeder vroeg naar huis moest gaan. Of hij drinkt een kopje koffie met de wachtende ouders. Dat is niet oneigenlijk. Dat is zorg in elke relatie.’ (p. 501-501)

Taal leren
Het is een fundamentele taak voor de pastor om de taal die deze kinderen gebruiken te leren. Kinderen praten over thema’s die te maken hebben met hun ziekte, het leven in het ziekenhuis, hun gezin, hun omgeving, God. De pastor heeft te leren op welke manier kinderen spreken over hun angsten en hun hoop. Kinderen uiten dat in woorden, maar ook non-verbaal. En vaak door het gebruik van metaforen. Zij spreken over ridders, rovers, ruimteschepen als zij het hebben over hun ziekte. Wil de pastorale relatie slagen, dan moet de pastor zich de taalwereld van de ander leren eigen te maken.
Rosemarie Fuchs vertelt van de 15jairge Michaela: Deze Micheala vroeg aan de pastor of zij graag reisde. Op een keer vroeg Michaela of zij de komende zomer mee mocht op reis. De pastor begreep deze vraag naar de gezamenlijke vraag als een verzoek om Michaela niet alleen te laten als zij ‘de grote reis’ ondernam.

Tempo
Bijzonder is het tempo waarmee kinderen vragen over het bestaan of over God aan de orde stellen. Vaak worden vragen of opmerkingen zomaar tussen het gesprek door gegooid. ‘God houdt niet van mij,’ zei de 5jarige Lisa zomaar tijdens een gesprek. Vaak een signaal naar de pastor: heb je wel gehoord wat ik zei?

Andreas en de roverhoofdman
Andreas (9) werd na een ernstig verkeersongeluk in het kinderziekenhuis gebracht. Bij dat ongeluk, een frontale botsing na een inhaalmanoeuvre, kwamen zijn ouders om het leven. Zijn oma, die ook in de auto zat, bleef ongedeerd. Andreas werd uit de auto geslingerd en raakte zwaargewond. Andreas lag ruim 3 maanden in het ziekenhuis en kon zich de meeste tijd niet bewegen. De behandelende artsen hadden gevraagd of de predikant Andreas steeds ook pastoraal wilde begeleiden.
De familie van Andreas wilde de dood van zijn ouders lang geheim houden voor Andreas. Dat leverde een onwerkbare situatie voor het verplegend personeel op, omdat Andreas steeds vaker vroeg naar zijn ouders. Men slaagde er na enige tijd de familie te overtuigen dat het beter was om Andreas in te lichten. De psycholoog, die Andreas begeleidde, vertelde hem wat er was gebeurd bij dat ongeluk. Toen hij dat hoorde, huilde Andreas even, maar begon al snel over een ander onderwerp te praten. Hij kwam ook niet meer terug op de dood van zijn ouders.
Tijdens het teamoverleg kwam de situatie van Andreas aan de orde. De psycholoog adviseerde om Andreas te begeleiden: om op zijn niveau te blijven en in zijn tempo mee te gaan. Dan zou er vanzelf een moment komen waarop Andreas over de dood van zijn ouders zou spreken, zou huilen en zou rouwen. Voor Herbst bestond de begeleiding uit dagelijkse bezoeken en uit voorlezen. Dat laatste was hij niet gewend, omdat hij steeds door zijn ‘electronische oma’ werd vermaakt. In het ziekenhuis werd de tijd dat hij mocht computeren aanzienlijk beperkt. In plaats daarvan ging hij naar verhalen luisteren: Naar verhalen uit de Bijbel, die voor hem nieuw en spannend waren. Naar verhalen over ridders en rovers, zoals het verhaal van Ronja de Roversdochter van Astrid Lindgren. Vlak voordat Andreas het ziekenhuis mocht verlaten, kwamen zij met het voorlezen aan het einde van dit boek. Lindgren vertelt hoe een oude rover sterft en de roverhoofdman Matthis dat niet kan begrijpen, omdat zijn hart breekt. Er is even een korte pauze en dan zegt Herbst tegen Andreas: ‘Dat begrijp je, he, Andreas?’ Hij kijkt hem aan, slikt en huilt. Daarna begint hij vragen te stellen: ‘Als ik nu een ongeluk zou krijgen en zou sterven, waar zou ik dan heengaan? Zal ik mama weer terugzien? En hoe zit het met de hel en de hemel?’ Dan spreken Herbst en Andreas er met elkaar over hoe erg het allemaal is, maar ook wat het kan betekenen om op de Heere Jezus te vertrouwen, die sterker is dan de dood en wat het betekent om in het sterven naar Huis terug te gaan.
De dag erop mocht Andreas uit het ziekenhuis en woonde hij voortaan bij zijn oma
.

Uithouden
Een belangrijke taak voor een pastor is het uithouden van moeilijke omstandigheden. Omstanders kunnen de neiging hebben om op de vlucht te gaan. Vrienden die het bezoek naar het ziekenhuis niet aandurven. Ouders die hun kinderen niet willen inlichten over de werkelijke situatie. Ouders en artsen die onmachtig zijn. Emoties als angst, agressie of woede die bij kinderen kunnen boven komen. De pastor heeft hier een belangrijke taak door trouw present te zijn.
Bij het uithouden hoort ook de taak om in bepaalde omstandigheden te zwijgen. Nadat de arts heeft bericht dat er geen hoop meer is. Tijdens het wachten op de einde van een operatie. Met de ouders waken nadat een kind is overleden. Meedragen en uithouden.

Dorothea Dobzin vertelde dat zij eens ouders zou begeleiden naar het mortuarium. Aan het bed stond zij samen met de ouders enige tijd stil aan het bed van het overleden kind. ‘Ik speurde de innerlijke onrust van de ouders. Ik legde mijn hand op hun schouders. In stilte bad ik het onze vader, waarbij ik geregeld de woorden ‘uw wil geschiede’ en ‘geef ons heden ons ons dagelijks brood’ herhaalde. Lange tijd later ontving ik van de moeder een brief waarin zij mij bedankte voor de woorden die ik gesproken had.’

Vertellen over Jezus
Pastoraat betekent de ander waarnemen vanuit Christus. In het ziekenhuispastoraat betekent dat: het kind dat is opgenomen waarnemen vanuit Christus. Als schepsel van God met een unieke, niet af te nemen waarde, geroepen tot een vernieuwde, heilzame bij het kind passende relatie met God. Daarnaast betekent pastoraat: vertellen van verhalen uit de bijbel, hedendaagse verhalen over God die aan de kinderen troost en hoop geven. Of die hun angsten, vragen en omstandigheden verwoorden. Daarnaast liederen en gedichten, rituelen zoals een zegen.

N.a.v. Michael Herbst, beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchener-Vluyn, 2012) 469-559