Preek zondagmiddag 8 oktober 2017

Preek zondagmiddag 8 oktober 2017
Romeinen 3:21-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Volgens Paulus is het goed mis tussen mensen en God.
Als ik dat uitleg met een voorbeeld uit ons bestaan,
dan kom ik steeds weer uit bij hele heftige voorbeelden,
want het is ook geen kleinigheid, wat er is misgegaan vanuit ons mensen naar God toe.
Zozeer misgegaan, dat we God niet meer onder ogen kunnen en mogen komen.
Dat we daar geen recht meer hebben om voor Hem te komen.
We zouden kunnen denken aan iemand die een ingrijpend misdrijf heeft gepleegd,
die iemand verkracht heeft of iemand vermoord.
Wanneer dat is gebeurd, begrijpen we het als een slachtoffer of de familie aangeeft:
Ik wil jou niet meer in de buurt hebben, want je hebt mij zoveel pijn gedaan,
je hebt mij zo beschadigd.

Zo geeft Paulus hier aan: wat er gebeurd is met de zonde is zo ingrijpend
dat wij als mensen geen recht meer hebben om God onder ogen te komen.
Niemand is zonder schuld naar God toe
En die schuld kunnen wij niet wegpoetsen als wij voor God komen.
Wij kunnen die schuld ook niet wegwerken door ons goed te gaan gedragen.
Net zoals iemand die een ernstig misdrijf op zijn geweten heeft
het goed kan maken door zich goed te gedragen.
Het goede gedrag van iemand na die misdrijf maakt de schade niet ongedaan.
Dat is ook de moeite die Paulus heeft als mensen aangeven:
Wij leven toch goed? Wij leven toch zoals God dat van ons vraagt?
Wij houden immers de wet?
Wanneer iemand met ernstig delict op zijn geweten de regels blijkt te kennen
En daar naar gaat leven,
dan kan de enige oprechte reactie zijn dat iemand inziet
wat hij gedaan heeft, welke schade en welke pijn hij heeft aangericht
dat hij geen enkel recht meer heeft om slachtoffer of nabestaanden onder ogen te komen.
Er moet eerst iets worden rechtgezet en kan dat wel?
Kan er genoegdoening plaatsvinden?
Kan een misdrijf die tegen mensen gepleegd is ooit ongedaan gemaakt worden?

Voor Paulus is het in ieder geval duidelijk dat wij als mensen niet in staat zijn
om het weer goed te maken met God.
De fout zit aan onze kant en die is in de ogen van Paulus zo ingrijpend
dat geen enkel mens nog, niemand, God onder ogen kan komen.
Niemand kan God onder ogen komen zonder de ogen neer te slaan
En te voelen wat de zwaarte is van onze fout.
En als wij die zwaarte niet voelen, klinkt het oordeel van God over ons leven:
Het zit mis.
Er is niemand rechtvaardig, ook niet één.
Dat is niet alleen de last die Paulus zelf ervaart en die hij zo sterk ervaart
dat deze last voor ieder mens er moet zijn.
Maar het is een oordeel van God dat al in het Oude Testament klinkt:
God die afdaalt naar de aarde om te zien of er iemand is
die uit zichzelf God zoekt en uit zichzelf naar Gods wil verlangt te leven.
Het antwoord is negatief: nee, er is niemand die zo wil leven.
Voor God zijn we allemaal gelijk
– niet alleen gelijk omdat we allemaal door Hem geschapen zijn,
maar ook omdat we allemaal delen in die last
en dat voor ons allemaal het oordeel over ons leven is dat het mis zit
en dat er eerst iets moet gebeuren voor wij weer God onder ogen kunnen komen.

Paulus is hier hard op weg om een strenge prediker te worden,
Die aangeeft: vergeet niet dat God jouw rechter is
en over jouw leven een oordeel zal vellen en dat oordeel zal niet positief zijn.
Het zit mis en jij kan daar weinig aan veranderen.
Want daar is Paulus heel duidelijk over:
Wij kunnen het niet voor elkaar krijgen, dat het weer goed komt.
Wij kunnen die plek niet terug verdienen door ons goed te gedragen,
door zo te leven als Hij dat wil,
Want dan gaan we er aan voorbij dat er iets is gebeurd aan onze kant
dat zo ingrijpend is, dat wij niet meer voor God kunnen en mogen verschijnen.
Er moet eerst verzoend worden.
Niet God moet verzoend worden – nee, wij.
het moet weer voor ons worden goedgemaakt, alleen wijzelf kunnen dat niet.
het is hopeloos: er ligt een oordeel over deze wereld, over ons
wij kunnen daar niet aan ontkomen en dat oordeel kunnen wij niet meer veranderen.
De enige conclusie die je dan nog kan trekken:
Wij zijn verloren – voor eeuwig verloren
en God heeft het volste recht om ons verloren te laten gaan.

En dan schrijft Paulus: maar nu.
Zijn boodschap krijgt een radicale verandering,
waardoor het hopeloze verandert in een deur die voor ons opengaat:
Maar nu – er is iets gebeurd aan Gods kant.
Op Golgotha stond een kruis, waaraan Gods Zoon stierf
en dat gebeuren op Golgotha, de dood van Jezus, is zo ingrijpend,
een totaal nieuw begin.
God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven, zo vertaalt de NBV.
Gerechtigheid van God tot allen en over allen die geloven, vertaalt de SV.
Gerechtigheid: dat houdt in dat we God onder ogen kunnen komen,
dat we de ogen niet hoeven neer te slaan in de ontmoeting met God vanwege de schuld
maar dat we God dankbaar en opgelucht kunnen aankijken.
Vrijspraak is wat er gebeurt – vrijspraak door God.
Waar het harde, maar terechte oordeel wordt verwacht:
Jij hoort niet bij Mij, Ik ken jou niet
heeft Paulus namens de hemelse rechter een andere boodschap:
de schuld is betaald, jij bent vrij van de schuld.

Op zondagsschool hoorde ik ooit het verhaal van een Russische tsaar
die ervan hield om incognito door zijn land te reizen,
om zo te weten wat er in het land en onder de bevolking leefde.
Op een dag neemt de tsaar de intrek bij een man, die rusteloos is, gespannen.
Wanneer deze man naar bed gaat, gaat de tsaar naar de kamer van deze man
om uit te zoeken waarom deze man zo gespannen en zo rusteloos is.
Hij ontdekt dat deze man een grote schuld heeft,
die hij veroorzaakt heeft door te stelen van de pachtopbrengst van zijn baas.
De volgende dag zou hij de pachtopbrengst moeten afdragen
En als hij het totaalbedrag niet kan overhandigen,
zou duidelijk worden, dat hij een deel van de opbrengst heeft ontvreemd.
Hij moet het totaalbedrag bij elkaar leggen,
maar heeft daarvoor het geld niet meer.
Ongerust en vol gespannen moet deze man de volgende dag afwachten
en vooral de reactie van zijn baas afwachten
en dat kan alleen maar een negatieve reactie zijn.
De volgende morgen is de tsaar al vroeg vertrokken,
voordat de man wakker is geworden.
Op de tafel van de man ligt een zak met geld, met een brief: je schuld is voldaan.
Ik weet niet of ik het verhaal goed herinner,
maar ik weet wel dat het verteld werd om ons duidelijk te maken
hoe de Heere Jezus onze schuld betaald
en het in onze plaats weer goed maakt tussen God en ons.

Maar nu – twee kleine woorden die het verschil aangeven dat God maakt:
een nieuwe tijd, een totaal nieuwe tijd,
waarin het mogelijk is om los te komen van de zonde,
om onder dat oordeel uit te komen, te ontsnappen,
niet doordat wij een handige sluiproute weten,
of dat wij ons zo verdienstelijk maken dat God ons wel moet aannemen,
maar omdat God zelf de schuld op zich neemt en betaalt.
Christus wordt middel tot verzoening, schrijft Paulus.
Wij hadden dat moeten betalen, moeten voldoen, maar konden niet,
en nu is daar God zelf, die Zijn eigen Zoon aandraagt: hij heeft het volbracht.

Die boodschap is niet nieuw.
Die is veel vaker verkondigd,
Als het goed is al die tijd dat deze kerk er staat.
Een boodschap van oordeel – namelijk dat het aan onze kant mis zit
en dat wij er niet aan kunnen bijdragen om het weer goed te maken,
een aan de andere kant, dat ontzaglijke aanbod van God:
het kan weer goed worden, de schuld kan worden weggedaan.
Die boodschap is bekend,
maar het spannende punt is vooral:
Hoe kan mijn schuld worden weggedaan?
hoe kan die vrijspraak over mijn leven klinken?
hoe kan ik die genade aannemen, die God in Christus aanbiedt?
hoe krijg ik een genadig God, hoe kan God mij genadig zijn?

het kan alleen maar van Gods kant.
Al onze pogingen van onze kant zijn tot mislukken gedoemd.
Zelfs al zouden we ons houden aan de wet, alle richtlijnen die God ons voorgehouden heeft.
Dat kunnen we niet, geeft Paulus herhaaldelijk aan,
Want er is altijd wel een gebod dat wij overtreden.
Wij zijn geen volmaakte mensen. Er is heel wat op ons aan te merken, zeker door God.
Die wet, die God ons heeft gegeven, herinnert ons er juist aan,
dat wij het van onze kant niet goed kunnen maken.
Wij kunnen die wet niet gebruiken, om God op andere gedachten over ons te brengen.

Dat was de gedachte van Luther toen hij in het klooster zijn intrek nam.
Door indruk te maken op God en daardoor God bewegen tot een gunstiger oordeel.
Luther werd er steeds extremer in, door steeds harder voor zichzelf te zijn,
tot aan zelfkastijding toe, en zich steeds meer te vernederen voor God.
Het hielp hem alleen niet.

Omdat zijn schuld niet wegging, niet weggenomen werd, maar bleef staan
en hij zelf het niet ongedaan kon maken, werd hij steeds wanhopiger.
Tot hij ontdekte: Ik kan het ook niet goed maken.
Het moet mij gegeven worden en het wordt mij ook gegeven.
Door God zelf
in de vorm van een vrijspraak, een gunstig oordeel van de hemelse rechter.
dat is de rechtvaardiging van de goddeloze.
De zondaar, de goddeloze krijgt van God te horen: je schuld is weg,
er is betaald door Christus.
het is niet een oordeel over iemand die van zichzelf vindt dat hij goed leeft,
of over iemand die van zichzelf vindt dat hij heel gelovig is.
het is de vrijspraak over iemand die weet ik zit mis, ik kan het niet goed maken.
Ik kan alleen maar bij God aankloppen: God, wees mij, zondaar genadig.
MEt lege handen

En zo wil God het juist geven: waar wij weten dat wij niets hebben
En niets hebben in te brengen
En alles in ons zegt daar horen we niet, maar we het kruis zien van Christus
Er is betaald, door Mij.
Wij kunnen er niets tegenover zetten dan alleen het aan te nemen.
Dan het te geloven dat Jezus gestorven is en niet zomaar gestorven,
maar ook voor Mij.
En geloven dat er ook voor ons die vrijspraak is.
Onvoorstelbaar, maar wel waar.
Als God mij vrijspreekt, kan niemand mij meer veroordelen:
de duivel niet, de zonde niet, ikzelf niet.

Mij heeft Hij zijn Zoon gegeven,

door ’t geloof nam ik Hem aan;

ja, ik weet, dat ik zal leven

en door Hem ten hemel gaan.

Mij heeft God in Hem verkoren,

zelfs eer ik nog was geboren,

eer de stem van zijne macht

immer iets had voortgebracht.

 

Wie zou hem nu nog verklagen,

die God zelf verkoren heeft,

wie zou te verdoemen wagen

hem, wie God de vrijspraak geeft?

Neen, geen hel kan mij vervaren,

nu God zelf mij wil bewaren

en geen schuld mij meer verdoemt,

daar mij God rechtvaardig noemt.

Amen

Preek zondag 24 september 2017

Preek zondag 24 september 2017
Romeinen 2:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulien en Chris zijn toch bij elkaar gekomen;
(Zie in de introductie van de preek van vorige week over Johannes 9)
hij heeft Paulien zien staan en het is wat geworden.
Ze zijn allebei wel heel verschillend.
Vaak is dat heel boeiend en kunnen ze daar van genieten.
Er zijn echter ook momenten waarop ze elkaar niet begrijpen.
Ook als ze een tijdje bij elkaar zijn en elkaar steeds beter gaan begrijpen,
zijn er momenten waarop het mis gaat tussen hen.
‘Als het weer een keer mis gaat, roept Paulien het wanhopig uit:
Je kan echt niet naar jezelf kijken; je legt de schuld altijd bij een ander neer.
Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is.’

Dat is ook het verwijt dat Paulus maakt tegen zijn gesprekspartner:
‘Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is. Je kijkt alleen maar naar de fouten van een ander.’
Paulus heeft net hiervoor geschreven
dat je aan de manier waarop heidenen leven kunt zien dat ze van God los zijn.
Ze hebben de levende God ingeruild voor afgoden,
hun natuurlijke driften, op het vlak van de seksualiteit kunnen ze niet beheersen.
Paulus is daarmee nog niet klaar met het aanwijzen van de fouten onder de heidenen:
Ze zijn vervuld van allerlei ongerechtigheid, hoererij, boosaardigheid, hebzucht, slechtheid. Ze zijn vol afgunst, moord, ruzie, bedrog, kwaadaardigheid
Kwaadsprekers zijn het, lasteraars, haters van God, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, bedenkers van slechte dingen, ongehoorzaam aan hun ouders,
onverstandigen, trouwelozen, mensen zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig.
Dat is nogal een hele lijst.
Tijdens deze opsomming zijn er mensen die tijdens het luisteren zijn gaan knikken:
‘Paulus heeft het maar eens goed gezegd. Zo is het.
Hij draait er tenminste niet om heen, maar heeft alles eerlijk benoemd.
In zo’n tijd leven we. Goed dat Paulus daar iets van zegt en daartegen waarschuwt.’
Er zijn ook kerkmensen die,
wanneer er verteld wordt wat er in onze samenleving of kerk niet deugt
vooral aan anderen denken en niet bij zichzelf nagaan op welke manier zijzelf betrokken zijn.
Terwijl Paulus al deze zonden opnoemt, zeggen ze in zichzelf  ‘Goed zo, Paulus!’
en in andere kerken zouden ze opgestaan zijn en zouden ze ‘Amen!’ roepen met applaus.

Ze hebben niet op het gevolg van de preek van Paulus gerekend,
want terwijl zij instemmen met de preek, spreekt Paulus juist die mensen aan
die Paulus hardgrondig beamen bij het opnoemen van al die zonden:
‘Maar jij moet niet denken dat je goed zit.
Jij kijkt alleen naar de fouten van een ander, maar je ziet je eigen aandeel over het hoofd.
Denk maar niet dat jij op deze manier voor God kunt verschijnen!’
Nou, dat hadden ze vast gedacht dat ze dat wèl konden.
Zij behoorden immers tot het volk van God en waarom zou God Zijn eigen volk veroordelen?
De mens die Paulus hier aanspreekt is naar alle waarschijnlijkheid een Jood,
die kan wijzen op zijn geboorte als Jood en dat nog eens bevestigd door de besnijdenis.
Ik behoor tot het volk van God – dan zit ik toch goed?
Ik heb de wet van God, die houd ik, alle geboden.
Met mijn manier van leven die zuiver en oprecht is, verantwoord, kom ik toch in de hemel?
Denk maar niet dat jij, mens, te verontschuldigen bent
en dat jij aan Gods oordeel over je leven kunt ontsnappen omdat je Jood bent
en dat je na jouw sterven in de hemel komt omdat je je aan Gods wet houdt.

Je moet altijd heel voorzichtig zijn
om een vergelijking te maken tussen het Joodse volk en de kerk
maar houdt Paulus hier ook niet een spiegel voor als je van jezelf vindt
dat je in de hemel kan komen, omdat je zo goed leeft, of omdat je bent gedoopt
en tegelijkertijd van anderen vindt dat zij daar echt niet kunnen komen?
In ieder geval houdt Paulus ons voor om voorzichtig te zijn met een oordeel over anderen
en dan vooral het oordeel wie er wel en wie er niet een oprechte gelovige is
en een oordeel wie er wel en wie er niet in de hemel zal komen.
Dat oordeel komt ons niet toe.
Dat oordeel komt Christus toe.
En als je over anderen oordeelt, dan ga je op de plek van Christus zitten
en doe je dan niet net als die anderen, die ongelovigen, die een afgod dienen
of die de levende God hebben ingeruild voor iets anders?
Er is een uitspraak van de Heere Jezus, waarin Christus hetzelfde verwoordt:
Oordeelt niet opdat u niet geoordeeld wordt.
want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u zelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.
Wat Paulus verwoordt, is de boodschap die Zijn meester ook had:
Wie zelf het oordeel velt over mensen,
die zal zelf aan het oordeel van God onderworpen worden.

Dit is toch een heel andere Paulus dan die wij rondom het avondmaal hadden,
Paulus die sprak over het evangelie als kracht van God tot behoud,
over vergeving van zonden en een nieuw leven dat door Christus mogelijk is.
Waarom eigenlijk?
Waarom houdt Paulus het niet bij die mooie boodschap, die je opbeurt?
Wat mij zelf altijd weer voorzichtig maakt met preken over God die oordeelt,
is dat er gemeenteleden zijn die te vaak hebben gehoord van een God die oordeelt,
zo vaak dat ze God alleen nog maar kunnen zien als een oordelende God
En vooral een God die hen veroordeelt en voor altijd afwijst.
Maar toch kunnen we er niet om heen,
want God oordeelt ook over wat wij doen, hoe wij in het leven staan.
Het was voor mij een verrassing om die tekst bij Paulus tegen te komen,
waarin Paulus aangeeft dat onze daden meetellen in het oordeel
dat God over ons leven uitspreekt als wij gestorven zijn,
wanneer wij voor God komen en God ons leven nagaat hoe we hebben geleefd.
God zal ieder vergelden naar zijn werken.
Ik dacht dat in het oordeel over ons leven het er alleen om gaat,
of je gelooft in de Heere Jezus en wanneer je gelooft dan ben je behouden,
dan mag je wanneer God als rechter over jouw leven oordeelt achter Hem schuilen
omdat Hij voor je zonden gestorven is en mag je de hemelse heerlijkheid binnengaan.
Nee, zegt Paulus, het doet ertoe hoe je hebt geleefd
En dan niet alleen maar in wat bij andere mensen zichtbaar is,
maar vooral ook hoe je van binnen bent geweest,
hoe je naar andere mensen gekeken hebt, welke mening je over hen had,
door welke emoties en driften jijzelf je liet beheersen.
Want je kunt wel zeggen dat je Gods wet houdt,
maar als dat alleen maar aan de buitenkant is,
als dat alleen maar is wat de mensen ervan zien
dan houd je die wet helemaal niet.
En je kunt wel zeggen dat je Jood bent, omdat je besneden bent
en daarmee het teken van het verbond hebt ontvangen,
maar daarmee red je het niet als er niet van binnen, in je hart niet iets is weggesneden,
Waardoor de zonde binnen in je leeft.
Daar eindigt het hoofdstuk ook mee: Jood-zijn zit niet aan de buitenkant,
maar van binnen, omdat daar – net als bij de besnijdenis – iets is weggesneden:
Alles wat je op het verkeerde pad brengt
en dat is veel vaker onzichtbaar voor de mensen om je heen.
Alleen God kent je hart en weet wat daar vanbinnen in je omgaat.
Ook als je van jezelf vindt dat het goed zit
en tegelijkertijd van mening bent dat het bij een ander goed mis zit,
heb je eraan te denken hoe God erover denkt en welk oordeel Hij velt,
over die ander, maar ook over jezelf.

Waarom begint Paulus daarover? Want ik heb daar nog geen antwoord op gegeven.
Omdat er als gelovige ook een trots kan komen,
Waarbij je vindt dat je het als mens, als gelovige beter doet dan die ander
Of waarbij je vindt dat jij als gelovige het evangelie beter hebt begrepen
en je jezelf omhoog werkt, hoger plaatst dan die ander, veel dichter bij God,
waarbij je bij jezelf denkt: zoals ik ben, zoals ik leef, zoals ik denk,
dan moet ik wel een plaatsje in de hemel krijgen.
Het gevaar om tevreden te zijn met jezelf, dat is wat Paulus wil bestrijden,
dat je denkt dat je op deze manier zo wel God onder ogen kunt komen na je sterven.
Dat is niet alleen gevaarlijk omdat je jezelf beter vindt dan een ander,
maar ook ervan uit gaat je wel in de hemel zult komen
zonder dat er over je geoordeeld wordt.
Ja, wel over die ander, maar niet over jezelf.
Je gaat eraan voor bij dat je alleen in de hemel kunt komen,
als je gelooft in de Heere Jezus, dat Hij voor je zonden gestorven is,
als je vrijgesproken bent van door God zelf.
Én je gaat eraan voorbij, dat het geloof in de Heere Jezus ook iets van je vraagt,
iets met je doet en dan niet alleen als gevoel iets doet,
dat je een warm gevoel van binnen krijgt, een enthousiasme voor God (dat kan zeker),
maar dat er iets gebeurt met hoe je naar jezelf kijkt, naar anderen kijkt, naar de wereld kijkt.
Dat je niet alleen maar de fouten van een ander kijkt,
maar ook inziet op welke manier jijzelf mis zit, naar God toe, naar anderen toe.
Dat je niet beter bent en het niet beter doet, alleen maar omdat je naar de kerk gaat,
alleen maar omdat je uit de Bijbel leest, alleen maar omdat je bent gedoopt.
Dat is allemaal goed, maar als het je niet verandert, niet een ander mens maakt,
blijf je zelf buiten schot en dat kan niet.
Want wat er moet iets met je gebeuren. Paulus gebruikt ergens anders een radicaal beeld.
De oude mens sterft en een nieuw mens staat op.
Zoals je nu bent, zo kun je niet blijven, want zo kun je niet voor God komen.
Er moet een ander hart komen, gereinigd van de zonde.
Je hart, dat gaat over de intentie waarmee je iets doet, je echte doel.

Nog even terug naar Paulien en Chris.
Chris kan een relatie met Paulien beginnen, waarbij hij aan zichzelf denkt,
om aan vrienden te laten zien bijvoorbeeld om zijn reputatie waar te maken
dat hij goed bij de meisjes ligt en makkelijk verkering krijgt.
Dan is het hem helemaal niet om Paulien te doen,
maar alleen hoe anderen naar hem kijken.
Wanneer het serieus wil worden, moet er iets bij Chris van binnen veranderen,
waardoor het echt iets wordt, dat de liefde leeft in het hart van Chris.
zo kan iemand zich aan de buitenkant gelovig voordoen,
maar van binnen in het hart niet met God bezig zijn, maar met zichzelf.
dan moet er van binnen iets veranderen, in het hart, waardoor echte liefde komt voor God
Daar hoort wel bij dat je inziet, dat je de liefde van God eerder hebt genegeerd,
Dat je niet open stond voor de boodschap die God had,
dat Hij in je leven wilde komen, dat Hij wat je verkeerd gedaan had wilde vergeven,
dat Hij je een nieuw mens wil maken.
Dat inzicht dat je verkeerd zat, dat hoeft geen voorwaarde vooraf te zijn,
Dat kan ook groeien in de loop van je leven met de Heere.
De relatie die wij hebben met de Heere, die wij krijgen,
is anders dan die tussen vriend en vriendin, een andere relatie dan die van Paulien en Chris.
Want God is degene die ons gemaakt heeft, Hij staat boven ons,
Hij is onze Heer – onze Meester, onze Chef, onze Baas. Wij zijn geen gelijke.

De preek begon ik met Paulien en Chris die af en toe niet op één lijn zitten.
Dat kan gebeuren, juist omdat ze zo verschillend zijn.
Maar als het goed is leren ze wel van die conflicten die ze hebben
en groeien ze in hun relatie.
Wanneer Chris van Paulien te horen krijgt
dat hij alle schuld buiten zichzelf legt en alleen maar naar anderen wijst,
Dan zal hij daar wellicht eerst boos over zijn,
maar al als het goed is er wel over nadenken, of Paulien toch niet ergens gelijk heeft.
Dat is wat Paulus ook beoogt met dit scherpe stuk in de brief aan Rome.
Zijn doel is dat de mensen die hij aanspreekt over zichzelf gaan nadenken
en hem gelijk geven dat ze zelf mis zitten.
Het is Paulus er niet om te doen om dat er fijntjes in te wrijven dat ze fout zitten.
Zijn doel is anders: Hij wil hen bij Christus brengen, dat is wat Hij beoogt.
Want alleen door de Heere Jezus kun je gered worden van het oordeel.
Hij hoopt door aan te geven dat ze mis zitten,
dat ze tot het inzicht komen dat er iets met hen moet gebeuren
en dat ze aan het juiste adres zullen zoeken: bij Christus die voor de zonde stierf.
Dat is ook de reden waarom we in de kerk over zonde praten.
Niet om ons daardoor beter dan anderen te voelen,
maar uit bewogenheid, zodat degenen die nog zonder de Heere Jezus leven
tot het besef komen, dat ze zonder hem niet kunnen leven, niet kunnen sterven.

We houden ons daarmee niet buiten schot,
Want we weten dat we niet beter zijn,
We weten dat uit de Bijbel, uit onze eigen ervaring,
Wat we wel weten is waar we het moeten zoeken
om bevrijd te worden, los te komen, om een ander mens te worden.
Bij Christus.
Vgl dankgebed doopformulier:  en onbevreesd voor de rechterstoel van Uw Zoon, Jezus Christus, mogen verschijnen

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Wiens wanbedrijf , waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die in ’t vroom en ongeveinsd gemoed;

Geen snood bedrog maar blank’ oprechtheid voedt.

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
Amen



Uitleg Psalm 36

hoog als de hemel is uw liefde
Uitleg Psalm 36

Twee werelden die niet te verenigen zijn maar tegelijkertijd wel samen bestaan: het kleine wereldje van de goddeloze en de wereld van Gods trouw. De goddeloze is op zichzelf gericht; Gods liefde bestrijkt heel het heelal, de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte (Efeze 3: 18).
In die allesomvattende trouw van God, die heel het heelal omvat, heeft de goddeloze zijn eigen kleine wereldje, niet geraakt door Gods liefde. Het enige dat de goddeloze met God heeft, is dat hij God brutaal in de ogen kijkt: ‘Wat maak je mij? Bang ben ik niet voor je.’ Dat blijkt ook wel uit wat hij doet. De goddeloze is iemand die zich in zijn doen en laten bewust negeert dat zijn daden ooit door God zullen worden geoordeeld. De goddeloze is van mening dat híj zich nooit voor God hoeft te verantwoorden. Zijn leven is daarom ook een totaal negeren van het goede van God.

Hij spreekt woorden van onheil en bedrog
en blijft ver van wat wijs en goed is,
op zijn bed bedenkt hij verderfelijke plannen
hij betreedt een verkeerde weg
en het kwade verwerpt hij niet.

Daarmee is de goddeloze het tegenbeeld van de rechtvaardige uit Psalm 1. Wat er met de goddeloze mis is, is dat zijn hart zich laat aanspreken door de zonde: de zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart. Het hart is waaruit je leeft, waarvan uit je beslissingen neemt, de kern van je bestaan, je ziel ook. De goddeloze wil de stem van God niet horen. Hij hoort alleen maar de stem van de zonde, die hem gepersonifieerd als een souffleur influistert zijn verkeerde weg in te gaan en zijn kwade plannen uit te voeren. De zonde sust ook nog eens zijn geweten in slaap, waardoor hij geen besef van schuld heeft, geen afkeer van het kwaad. De goddeloze heeft daarmee het kwade in zijn hart, verdorven tot in de kern van zijn bestaan. Wat in je hart leeft, waar je hart vol van is, dat blijkt uit je daden.
Zonde, dat is een breuk met God en met je naaste. Zonde is niet meer solidair willen zijn met de mensen om je heen, geen rekening meer met hen willen houden, de mensen om je heen alleen maar zien is om jou te dienen, jou te plezieren, als slaaf, als lustobject. De zonde leidt tot een wereld die alleen maar om het ego draait. Om die wereld in stand te houden wordt gebruik gemaakt van de leugen, van afpersing of onderdrukking, van machinaties. Als er al een geweten is, wordt dat in slaap gesust. Deze wereld is het tegenbeeld van de schepping, van het Koninkrijk van God. Zo heeft God de mens niet bedoeld en zo zal de mens in de herschepping niet zijn.

En dan God. Over Gods volkomenheid kunnen wel alleen maar in een veelvoud van begrippen spreken en zingen.Ook al houdt de goddeloze geen rekening met God, met het oordeel van God, Hij is er wel. Een rechtvaardige rechter, strijdbaar voor het recht van de machteloze en kwetsbare. De machtige Heer, die koningen van de troon werpt en rijke mensen failliet kan laten gaan en armen kan oprichten uit het stof. Over God kan alleen maar in lyrische tonen gesproken worden. God kan alleen maar bezongen en aangeroepen worden: HEER, hoog als de hemel is uw liefde, tot in de wolken reikt uw trouw. Als er partij gekozen moet worden, dan weet David wel welke kant hij kiest: Van David, dienaar van de HEER. Zo hoog als de hemel is, zo hoog is uw liefde. De hemel die eerder dan de aarde werd geschapen, zodat deze aarde nooit zal zijn zonder de hemel erboven. Als ik omhoog kijk, is er niets dat de liefde van God kan overstijgen. De hemel toont ons niet hoe ver God van ons verwijderd is, maar hoe groot Zijn liefde voor ons is. Kijkend omhoog weet ik: Uit de hoge hemel daalde Hij neer. Het heelal is vol van Gods trouw en liefde. Het kwade is niet in staat om God een grens te stellen of een gebied te ontzeggen. Anders dan de goddeloze, die alleen maar erop gericht is alles naar zich toe te halen, deelt God uit. Het kwaad van de goddeloze gaat niet ongemerkt en ongestraft voorbij.
Waarom laat God dan toch ruimte in die wereld waarin Zijn liefde en trouw aanwezig is en heerst voor de goddeloze en zijn kwade wegen en plannen? Jezus zal er later over zeggen: Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mattheüs 5:45) Laat God ruimte aan de goddeloze vanuit Zijn barmhartigheid ook voor hen, om hen ook de mogelijkheid te bieden Zijn weg te gaan. Om zich niet meer door de zonde te laten aanspreken, niet meer door hun egoïstische driften te laten beheersen? U, HEER, bent de redder van mens en dier. U redt mensen uit de hand van de goddelozen en de onrechtvaardigen. Maar ook de goddelozen en de onrechtvaardigen kunt U redden, uit de hand van de zonde.

Wat is er mooier dan die liefde te ontvangen? Wat is een mooiere plek dan te wonen bij God. Waar je gevoed wordt, waar je het water van het leven kunt drinken. In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen. Zo hoog als God woont, zo nabij kan Hij komen. Waar de goddeloze zich laat aanspreken door de zonde, leeft de mens die bij God woont uit God: door úw licht zien wij licht.

Wonen bij God en kijken vanuit het licht van God duwt het donker niet weg. Licht zal het pas helemaal zijn als God onder ons komt wonen. Als het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaalt en er geen nacht meer zal zijn en ook geen zon, omdat God, ons licht, er dan altijd is. Zover is het nog niet. Nog steeds is er de worsteling en de aanvechting, de strijd tegen het kwade, waarin de mensen die God trouw zijn ook nog onderspit delven. Ook daarin wordt God aangesproken: Laat de voet van de hoogmoedigen mij niet vertrappen. De rechtvaardige kijkt al verder, in een lofzang die op het eerste gezicht vreemd aandoen: daar liggen zij die verderf zaaien – gevallen, neergestoten, zonder kracht om op te staan. Het is de lofzang van de kwetsbare die ziet dat de machtige die zijn leven kapot maakt, zijn macht moet afstaan en zelf kwetsbaar en machteloos wordt. Het is de lofzang van degenen die zijn leven lang geknecht is en uitgebuit, gemarginaliseerd ziet hoe God gerechtigheid brengt. Zo ver is het nog niet, maar geloof kijkt vooruit en legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. Door het geloof komen we tot het inzicht dat de wereld door het woord van God is geordend, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het niet-zichtbare (Hebreeën 11:1, 3). Dat het koninkrijk van God dat nu nog niet zichtbaar is dan wel zichtbaar zal zijn. Dan zal de stem van de zonde zwijgen en de goddeloze kan zijn weg niet meer vervolgen. Dan zal alleen het loflied nog klinken:

HEER, hoog als de hemel is uw liefde,
tot in de wolken reikt uw trouw,
uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan:
U, HEER, bent redder van mens en dier.
Hoe kostbaar is uw liefde, God!

Preek zondagmiddag 26 maart 2017

Preek zondagmiddag 26 maart 2017
Ezechiël 34: 1-12 / Johannes 18:15-40

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat moment waarop Jezus zijn Meester verloochent,
vind ik een van de meest ontroerende en aangrijpende gebeurtenissen uit de Bijbel.
Ontroerend, omdat Petrus zijn Meester niet kan loslaten.
Aangrijpend, omdat als het erop aan komt zijn Meester in de steek laat.
Ik kan dit verhaal niet lezen, zonder het op mijzelf te betrekken.
Ik moet er voor mijzelf wel over nadenken.
Daar is de Bijbel ook voor bedoeld, dat je als gelovige over jezelf nadenkt,
dat er vanuit de Bijbel de vraag naar jezelf toekomt: en ik dan?
Hoe staat het met mij? Wat zou ik hebben gedaan?

Wat ik gedaan zou hebben, dat weet ik niet.
Hoe wij op iets zouden reageren, dat kunnen wij niet weten.
Soms kun je van jezelf versteld staan, dat je iets durft of dat je rustig bent,
terwijl je ervan tevoren tegenop gezien hebt.
Soms kun je helemaal van slag zijn, zonder dat je erop bedacht bent.
We kunnen soms heel anders reageren dan we verwacht hadden.
Ik weet niet of ik het Petrus na had durven doen: achter Jezus aangaan,
ook nadat Hij werd meegenomen door de soldaten en dienaren van de hogepriester.
Want Petrus waagt zich toch wel in het hol van de leeuw.
Hij zoekt het gevaar wel op, terwijl hij net een aanslag heeft gepleegd
op Malchus, de dienaar van de hogepriester, van wie hij het oor afsloeg.
Terwijl de dreiging van een naderende dood al in de lucht hangt,
een grote groep soldaten, dienaren van een hogepriester,
leiders van het volk die al uitgesproken hebben, dat Jezus moest sterven,
één man om een heel volk te redden.
Ondanks alle dreiging gaat Petrus mee met die andere leerling,
die hem toegang biedt tot het huis van de hogepriester.
Ik weet niet of ik dat gedaan zou hebben,
maar ik vind het wel ontroerend wat PEtrus hier doet:
Hij toont zijn verbondenheid met Jezus.
Wat jullie ook met Jezus willen doen, ik hoor bij Hem,
jullie hebben ook met mij rekening te houden.
Zo had hij dat ook eerder tegen Jezus gezegd: Ik wil voor U door het vuur gaan.
Ik zal alles geven. Ik ben bereid om zelfs voor U te sterven.
Nee, bang was Petrus niet uitgevallen en loyaal is Petrus gebleven
ook nadat Jezus werd meegenomen door die legermacht.
Als geloven betekent bij Jezus horen en met Hem verbonden zijn,
dan laat Petrus zien dat Hij bij Jezus hoort.
Hij zoekt het samenzijn met Jezus weer op.
Maar juist dat breekt hem op, het wordt hem fataal.

Ik denk niet dat deze tragische gebeurtenis uit het leven in de Bijbel is opgenomen
om met de vinger te wijzen naar Petrus
om dan te doen alsof wij, als wij Petrus geweest zouden zijn,
niet in de fout zouden gaan om Jezus te verloochenen.
Ik denk dat veel gelovigen beseffen, dat wat Petrus overkomen is, hen ook kan overkomen.
Tijdens de opleiding kregen wij als studenten bij het vak pastoraat de vraag:
Op welke persoon uit de Bijbel lijk jij het meest?
Er waren er heel wat die zich op Petrus vonden lijken:
Aan de ene kant enthousiasme om over Christus te vertellen,
maar tegelijkertijd ook weten, dat je op een verkeerd moment kun opgeven,
als je wel gevraagd wordt om Jezus te belijden
Dat je dan kunt zeggen: Ik hoor niet bij Hem.
Als het verhaal in de Bijbel is opgenomen om iets te leren,
is dat de Bijbel geen gelovigen kent, die boven een ander uitstijgen,
die op een perfecte manier Jezus volgen.
Dat is aan de ene kant een geruststelling:
zelfs Petrus zat er op een afschuwelijke manier naast.
Nou, als zelfs Petrus mis kan zitten, dan is er voor mij ook hoop,
ik die ook zo vaak faal.
Toch is het ook een waarschuwing: dat wat Petrus overkwam,
kan ook mij overkomen, dat ik te weinig geloof heb om het met Jezus vol te houden.
Ook al begin ik vol goede moed en zet ik de eerste stap nog richting Jezus.

Ik denk dat dit verhaal van Petrus in de Bijbel is opgenomen, vooral is
om iets van de Heere Jezus te laten zien.
Dat er in wat er met Petrus gebeurt iets zichtbaar wordt van Christus.
Als Christus wordt ondervraagd door Pilatus en de vraag krijgt of hij een koning is,
geeft Jezus een antwoord: Als ik koning was, hadden mijn dienaren wel voor mij gevochten
Had Petrus dat niet gedaan, toen hij zijn zwaard trok en het oor afsloeg?
Had hij daarmee niet waargemaakt wat hij eerder aangaf
namelijk dat hij bereid was om zijn leven te geven voor Jezus.
Petrus wilde vooral een dienaar van Jezus zijn.
Dat is op zich een mooie invulling van geloof
en wij zouden blij zijn als iemand in de kerk zou aangeven
dat hij Christus wil dienen met alle inzet die hij heeft, voor Jezus wil gaan,
bereid om zich helemaal op te offeren en tot het uiterste in te zetten.
Hij is bereid om te dienen.
Petrus wil alleen niet gediend worden.
Petrus protesteerde toen Jezus hem de voeten wilde wassen:
Ik zou U moeten dienen, U moet mij helemaal niet dienen.
Zou Petrus niet naar het huis van de hogepriester zijn gegaan om Jezus ook daar te dienen.
Er is een uitleg – ik weet niet hoe geloofwaardig die is,
die aangeeft, dat Petrus daar in het huis van de hogepriester gewacht heeft op een teken
van zijn Meester om in actie te komen.
Er wordt geen reden gegeven.
De reden die ik kan bedenken, is dat Petrus naar binnen moest gaan
en dat zijn geloof in Jezus stuk moest breken,
omdat dit de enige manier was om te accepteren
dat Jezus kwam om hém, Petrus, te dienen.
Het is een harde manier geweest, Petrus wordt zijn geloof in Jezus ontnomen,
de Jezus zoals hijzelf Jezus voorgesteld had.
Er moet eerst wat gebeuren, voor Petrus zover komt,
Dat hij kan aanvaarden dat Jezus gekomen is om ook hem te dienen – en niet andersom.
eerst moet er bij Petrus een verkeerd beeld van Jezus uit de weg worden geruimd,
Een beeld waarin hij, Petrus, gelooft, maar niet helemaal klopt.
Petrus heeft het beeld van een koning voor wie gestreden moet worden,
en Petrus ziet zichzelf als verantwoordelijk: hij moet strijden voor Gods zaak.
De verloochening door Petrus werpt niet alleen licht op de zwakte van Petrus,
maar werpt ook licht op wie Christus is en op wat Hij kwam doen op aarde.
Om dat te kunnen zien, moet eerst zijn eigen geloof, zijn eigen band worden afgebroken.
Het geloof van Petrus is nog teveel een geloof van hemzelf,
en zijn beeld van Jezus bestaat eruit dat hij iets moet bijdragen, zich moet inzetten.

Zo’n koning ben Ik niet, zegt Jezus tegen Pilatus.
Ik ben geen koning die mensen aanzet voor mij te strijden.
De mensen die Mij gegeven zijn, zijn geen kanonnenvlees,
die opgeofferd worden voor een hoger ideaal.
Zou Petrus dat gewild hebben: zijn leven inzetten voor een hoger ideaal,
het koninkrijk van Jezus,
waarvoor hij desnoods martelaar wil worden en geëerd met een standbeeld
Als dat koninkrijk eenmaal er is, als martelaar voor de goede zaak geëerd?
Als Jezus koning is, dan niet volgens menselijke maatstaven
als iemand die bezig is met zijn eigen macht,
om die macht te handhaven en uit te bouwen,
om gebruik te maken van mensen die aan je ondergeschikt zijn
of zelfs misbruik, om hen te gebruiken om je eigen naam te vestigen,
je eigen roem en glorie uit te bouwen.
Nee, zegt Jezus, een echte koning is een herder
Een echte herder offert zijn schapen niet op,
maar is bereid om zelf voor zijn schapen te sterven.
Niet Petrus moet voor Jezus sterven, maar Jezus moet voor Petrus sterven.
Was PEtrus nu al die bijzondere handeling van diezelfde avond nog vergeten,
waarbij Jezus opstond, om zijn mantel af te doen
en daarna knielde bij hem en de andere discipelen.
Petrus, jij dient Mij niet, maar Ik dien jou.

PEtrus kan het niet zien.
Petrus volgt zijn eigen Jezus en moet die Jezus opgeven
en ontdekt dat pas als hij de haan hoort kraaien
nadat hij drie keer heeft aangegeven dat hij niet bij deze Jezus hoort.
Petrus moet zijn eigen Jezus opgeven, dat is zijn strijd,
Waardoor hij niet kan zien wie Jezus wel is.
Terwijl Petrus daar struikelt en zich van Jezus verwijdert, wordt Jezus ondervraagd.
Dat gaat samen op. Twee gebeurtenissen op hetzelfde moment.
Petrus die bevraagd wordt en zegt dat hij niet bij Jezus hoort
en Jezus die ook bevraagd wordt.
Jezus wordt bevraagd door de leiders van het volk,
die zich zorgen maken over de invloed van Jezus op het volk.
Jezus wordt aan de tand gevoeld over wat hij vertelde, maar dat niet alleen.
Hij moet ook over zijn discipelen vertellen.
Hij had kunnen vertellen: willen jullie weten wie mijn leerlingen zijn?
Daar beneden is er een, die bezig is om zich van mij te verwijderen,
die mij aan het verloochenen is.
Maar Jezus zegt iets anders, zijn woorden zijn ruim, royaal.
Jullie maken je zorgen over wat Ik verteld heb en over wie Mijn leerlingen zijn?
Iedereen kan Mijn leerling zijn.
Ik heb in het openbaar gesproken, Ik heb het Woord gezaaid
En jullie zullen nog versteld staan hoeveel Ik gezaaid heb,
bij hoevelen die zaden zullen ontkiemen en gaan uitgroeien tot geloof in Mij.
Wat Jezus zegt, lijkt gelijk onderuit gehaald te worden door Petrus.
Daar staat Jezus als een meester zonder enige leerling,
een koning zonder enige onderdaan,
Die grote aantallen die in Hem zullen geloven, die van Hem zijn,
dat is wat we in deze tijd zouden zeggen: nepnieuws. Daar is niets van waar.
Integendeel, degene die Hem nog gevolgd was, zegt dat hij niet bij Jezus hoort.
hij zal er om uitgelachen worden, dat Hij zichzelf als koning heeft uitgegeven.
Is dat, is dat Mijn koning, is dat der vaad’ren wens?

Alleen het geloof ziet in Hem de koning.
Niet een koning, zoals het geloof van Petrus een koning in Hem zag.
Niet het ongeloof van Pilatus, die de bewering dat Jezus koning was, wel komisch vond,
interessant, maar te weinig reden om hem te laten doden.
Jezus zegt nooit voluit dat Hij koning van Israël,
wel dat Hij herder is, de goede herder, maar herder is in de Bijbel een ander beeld voor koning
Koning van heel de wereld, Koning van het universum,
die in Zijn eigen koninkrijk gekomen is, omdat er een andere macht in dat koninkrijk heerst:
de zonde, de duivel – donker is het geworden in Zijn koninkrijk van licht,
een duister waar Zijn onderdanen voor gekozen hebben.
Jezus betreedt de wereld, die Zijn koninkrijk is, maar geregeerd wordt door een andere vorst.
Tegen Nicodemus zei Jezus, dat hij niet gekomen was om de wereld te oordelen.
Daar had Hij wel alle reden toe, maar dan zou het duister voorgoed heersen
en zou de zonde de macht op deze wereld houden.
Hier wordt de koning van heel het heelal, die over alles oordeelt,
zelf aan een oordeel onderworpen, van de hogepriester, van de Romeinse stadhouder.
Jezus kiest om dat oordeel te ondergaan:
om van de waarheid te getuigen, zegt Jezus tegen Pilatus.
De waarheid is de donkerheid op deze wereld, de zelfgekozen nacht.
Als Ik word geoordeeld, zegt Jezus, dan wordt het duidelijk hoe het met de wereld voorstaat.
Een wereld die deze koning niet wil,
maar Gods oordeel is sterker dan de wil van de mensen.
De waarheid is niet alleen de menselijke waarheid van de zelfgekozen duisternis,
maar ook Gods waarheid, dat de zonde wordt veroordeeld,
maar ook wordt weggedragen en verbroken
en dat voor al degenen die aan Jezus zijn gegeven redding mogelijk is en nieuw leven.
Ook voor Petrus, die nu de band met Jezus loslaat,
maar later door Jezus weer wordt opgezocht en geroepen wordt,
opnieuw, als hij opnieuw aan een kolenvuur zit om zich te warmen.
Dan begrijpt Petrus het eindelijk: niet ik moest dienen, maar Hij.
Amen


Herstel van geschonden recht en gerechtigheid

Herstel van geschonden recht en gerechtigheid
Christus’ sterven aan het kruis als rectificatie – Fleming Rutledge 3

Dat Jezus stierf aan het kruis, is volgens Rutledge geen toevalligheid.  De vraag waarom Jezus moest sterven is onvolledig als daar niet de manier waarop wordt toegevoegd. Waarom deze gruwelijke en gewelddadige dood om Gods liefde te laten zien? Waarom deze manier van sterven om verzoening en verlossing tot stand te brengen? In het kruis gaat het om God die gerechtigheid brengt door middel van rectificatie.

Dat is de vraag die centraal staat in het derde hoofdstuk van The Crucifixion van Fleming Rutledgde. Dit hoofdstuk is een brug naar het vierde hoofdstuk over de relevantie van de gedachten van Anselmus voor onze tijd.

Onrechtvaardigheid
Om de diepte van Christus’ sterven aan het kruis te doorgronden, kunnen we niet om de betekenis van onrecht en onrechtvaardigheid heen, volgens Rutledge. Dat het kruis te maken heeft met rechtvaardigheid, waardoor God onrecht recht zet, wordt – aldus Rutledge nogal eens vergeten.

Gods karakter
Bijna iedereen, zelfs mensen die niet kerkelijk betrokken zijn, weten dat God volgens de Bijbel liefde is. Veel mensen kennen zelfs het Griekse woord agapè. Dat Christus’ dood ook te maken heeft met dikaiosynè (recht, gerechtigheid) verliezen veel mensen uit het oog. Gods rechtvaardigheid en Zijn streven naar recht is net zo wezenlijk voor de Bijbel als Gods liefde. Recht en gerechtigheid zijn net als liefde onderdeel van Gods karakter.

Rectificatie
In heel het Oude Testament kunnen we zien dat God streeft naar recht en gerechtigheid. Dat streven is tegelijkertijd een strijden tegen onrecht. God vraagt van Zijn volk om recht en gerechtigheid in praktijk te brengen. God herstelt recht en gerechtigheid waar recht en gerechtigheid geschonden worden. Gods handelen is gericht op herstel, rectificatie.

Vergeven?
Het is een gewoonte van christenen om snel te spreken over vergeven en over Gods barmhartigheid. Daarmee verliezen christenen uit het oog dat voor de Bijbel vergeving en barmhartigheid niet losgemaakt kunnen worden van herstel van recht en gerechtigheid. Rutledge geeft een voorbeeld uit haar eigen land: in de VS zijn er nogal wat schietpartijen op scholen geweest met verschillende leerlingen en studenten die gedood werden. Een van de allereerste  vragen die aan de nabestaanden en de medeleerlingen gesteld werd, was of zij de daders konden vergeven. Volgens haar is vergeving als zodanig niet de essentie van het christelijk geloof, maar moet worden gezien in relatie tot recht en gerechtigheid.

Gaten blijven
Rutledge geeft een verhaal door, opgetekend door een journalist ten tijde van de uittocht van Albaniërs uit Kosovo: Een vader slaat elke keer een spijker in een stuk hout als zijn zoon iets verkeerd heeft gedaan. Wanneer de jongen iets goeds gedaan heeft, haalt hij er weer een spijker uit. Uiteindelijk wist de jongen zijn vader zover te krijgen om alle spijkers eruit te halen. De spijkers waren eruit, maar in het hout zaten nog wel de gaten die de spijkers geslagen hadden. Die gaten blijven altijd.

Wel erkenning, geen herstel
Rutledge geeft voorbeelden van Rwanda na de genocide en de Waarheids- en Verzoeningscommissie uit het Zuid-Afrika van na de apartheid. In beide gevallen ging het er eerst om recht te doen aan slachtoffers, aan het leed dat geleden werd. Er kon geen volledig herstel plaatsvinden. Het recht dat kon geschieden was om de verhalen te vertellen van wat er gebeurd was: de daders moesten vertellen wat zij gedaan hadden, leed werd benoemd, namen van slachtoffers werden genoemd. Terwijl de beulen moesten vertellen wat zij gedaan hadden, waren nabestaanden van de slachtoffers aanwezig. Alleen al het openlijk vertellen, gaf een erkenning. Rechtgezet en hersteld worden kon er niet, want de gaten blijven.

Daders van morgen
De Waarheids- en Verzoeningscommissie werd geleid door aartsbisschop Desmond Tutu. Hij leidde de commissie op een wijze manier. Ook de zwarte bladzijden van het ANC werden publiekelijk verteld. Hij zorgde ervoor dat hij politiek onafhankelijk bleef, om te kunnen spreken wanneer de huidige regering de macht zou misbruiken. Bovendien werd hij geleid door het besef dat de slachtoffers van gisteren de daders van morgen kunnen zijn.

Erkenning
Het verleden kan niet hersteld worden door straf, gaf hij aan. We kunnen alleen de zwarte bladzijden herinneren. Daarom moeten die ook verteld worden. Een slachtoffer van onrecht en onderdrukking verliest zijn waardigheid als persoon. Gerechtigheid is erop gericht om die waardigheid zoveel als mogelijk te herstellen. Dat herstel van die waardigheid kan alleen door openlijk te vertellen wat er gebeurd is. Dan vergeet de natie het niet en krijgt het slachtoffer publiekelijk erkenning voor het leed dat is aangericht.

Herstel van een morele wereld
Michael Ignatieff, een schrijver zonder godsdienstige achtergrond was getuige van het optreden van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Hij schreef daarover: recht en gerechtigheid wordt meestal geassocieerd met straf. Het gaat echter om het herstel van een morele wereld. De commissie was voor hem een publieke ruimte waar waarheid waarheid mocht zijn en leugen leugen.

Wegkijk-mentaliteit
Deze inzichten wil Rutledge vruchtbaar maken voor haar antwoord op de vraag waarom Jezus aan het kruis moest sterven. Concluderend:
(1) Er is een diep menselijk verlangen naar waarheid en recht en gerechtigheid.
(2) Mensen zijn individueel en collectief niet in staat om volledig recht te doen aan wat er is aangericht. Een volledig herstel door mensen is onmogelijk.

De noodzaak tot recht en gerechtigheid en het herstel hiervan wanneer dit grof geschonden is, wordt slechts door weinigen ingezien. Alleen door degenen die het nieuws intensief volgen. Een groot deel van haar landgenoten worden gekenmerkt door een wegkijk-mentaliteit. Het kruis op Golgotha laat zien dat God niet door een wegkijk-mentaliteit beheerst wordt.
Wanneer we het kruis op Golgotha alleen uitleggen als vergeving, schieten we tekort. Er moet ook herstel van recht zijn wat geschonden is. De Bijbel spreekt er voortdurend over dat God handelt om geschonden recht en gerechtigheid te herstellen.


Relatie tussen recht en barmhartigheid
Het is niet gemakkelijk om in onze westerse cultuur te spreken over het kruis als herstel van geschonden recht. Er zijn uitdagingen voor de kerk:
(1) De Bijbel gaat uit van een gevallen mensheid. Maar hoe kun je daar op een goede en overtuigende manier over spreken in een feel good-maatschappij?
(2) Wanneer op een seculiere wijze recht en gerechtigheid wordt hersteld, mag dat gewaardeerd worden als een diep verlangen naar solidariteit tussen alle mensen.
(3) Niet altijd is direct duidelijk hoe christenen hebben te reageren op onrecht. Wanneer mag er sprake zijn van barmhartigheid en wanneer gaat het herstel van geschonden recht voorop?

Proportioneel
In april 1994 schoten twee Amerikaanse gevechtsvliegtuigen in de no fly-zone boven Irak twee helikopters van hun eigen leger neer. 26 soldaten kwamen om door friendly fire. Slechts één officier werd veroordeeld. In hoger beroep werd hij echter vrijgesproken. Wat de nabestaanden van dit afschuwelijke ongeval het meest dwars zat, was dat hun verdriet en pijn niet serieus genomen werd. Ze hadden het idee dat het hele gebeuren in een doofpot werd gestopt. Een van de vrouwen van de omgekomen militairen zei: ‘Ik was verbouwereerd dat er 26 soldaten om kunnen komen, zonder dat er een militair verantwoordelijk wordt gesteld.’
Het gaat Rutledge niet om de juistheid van het vonnis, maar om de verantwoordelijkheid die ontbrak. Ze wil dit voorbeeld gebruiken om uit te leggen wat er aan het kruis gebeurde:
– Eén mens die de verantwoordelijkheid nam voor velen.
– De relatie tussen het offer dat gebracht wordt en de omvang van de schade die is aangericht.

God neemt verantwoordelijkheid
In het kruis gaat het om recht en gerechtigheid in juiste proporties met wat mensen hebben aangericht. In het kruis wordt de wandaad niet verdoezeld, maar wordt zichtbaar dat God de verantwoordelijkheid voor de wandaden op zich neemt. God nemt die verantwoordelijkheid aan het kruis op zich, om recht en gerechtigheid te herstellen. Het kruis kan daarom niet losgemaakt worden van de toorn van God. Toorn is geen emotie, maar een handeling waarin God rechtzet.

Apocalyptiek
In het Oude Testament is de gedachte dat God ingrijpt in deze werkelijkheid om het recht en de gerechtigheid weer te herstellen. Na de ballingschap komt de gedachte op dat dit herstel pas aan het einde van de geschiedenis plaatsvindt: de apocalyptiek komt op. De nieuwtestamenticus Ernst Käsemann stelde dat de apocalyptiek de moeder van elke christelijke theologie is. Käsemann kreeg later te maken met de diepere betekenis van zijn stelling toen zijn dochter Elisabeth verdween ten tijde van de militaire junta in Argentinië. Elisabeth Käsemann werd gemarteld en vermoord. Lange tijd zweeg het regime over wat er gebeurd was. En in 2011 werden de beulen veroordeeld.

Nieuwe betekenis van gerechtigheid
In het Nieuwe Testament wordt de apocalyptische lijn doorgetrokken. De grondgedachte is dat de hele mensheid door eigen schuld in de macht van de zonde terecht gekomen is. De mensheid is een gevallen mensheid. In het Nieuwe Testament komt dan een nieuwe betekenis van gerechtigheid op: gerechtigheid is geen menselijke mogelijkheid meer; alleen God kan nog gerechtigheid brengen: een reddende en verlossende gerechtigheid. Omdat de hele mensheid gevallen is, heeft ieder mens die bevrijding en redding nodig. Die redding en bevrijding is gekomen door dat Christus stierf aan het kruis. Het kruis is de meest brute en meest inhumane vorm van sterven. Jezus sterft een dood waarin Hij ontmenselijkt wordt.In het kruis wordt Gods gerechtigheid zichtbaar, aldus Paulus. Omdat aan het kruis Christus het oordeel over deze wereld op zich neem. Dat is de manier waarop God zelf geschonden recht en gerechtigheid recht zet.

[Met deze uitleg van het kruis als herstel van geschonden recht en gerechtigheid door God zelf is de visie van Anselmus op de betekenis van Christus’ sterven aan het kruis beter te begrijpen. Daarover het volgende blog over Rutledges boek.]

N.a.v. Fleming Rutledge, The Crucificixion. Understanding the Death of Jesus Christ (Grand Rapids, Michigan: Eerdmans, 2015)  106-145


 

Preek zondag 24 januari 2016

Preek zondag 24 januari 2016
Lukas 7:18-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je moet maar durven: je twijfel over Jezus openlijk te verwoorden.
Zou u dat doen?
Onlangs hebben we als kerkenraad besloten
om meer aandacht te vragen voor kwetsbaar opstellen.
Johannes stelt zich hier wel heel kwetsbaar op.
Zo kwetsbaar, waarbij je hardop je vragen bij Jezus hardop stelt,
zullen we ons binnen een kerkenraad niet zo snel opstellen.
Hoe zou de andere kerkenraadsleden reageren
als u de vraag die Johannes  aan Jezus stellen ook eens hardop stelde
tijdens een kerkenraadsvergadering:
‘Is Jezus wel de ware? Is Hij wel degene die door God gestuurd is?
Of moeten we op zoek gaan naar iemand anders?’
En hoe zou u als gemeente reageren
als u zou horen dat deze vraag serieus tijdens een kerkenraadsvergadering werd gesteld,
Waarbij duidelijk werd dat een van de kerkenraadsleden openlijk twijfelt?

De een zal zich zorgen maken.
Als een ambtsdrager twijfelt en die twijfel ook nog eens openlijk verwoordt,
hoe kan zo iemand dan nog geloofwaardig ambtsdrager zijn?
Dan hoor je toch voor de waarheid te staan?
Een ander zal zeggen:
‘Gelukkig. Eindelijk iemand in de kerk die ook eens durft te zeggen wat ik ook heb.
Ik ben niet de enige met mijn twijfels.’

Johannes de Doper is nog wel meer dan de gemiddelde ambtsdrager.
Er zullen weinig ambtsdragers zijn
die zichzelf met Johannes de Doper zullen vergelijken.
Deze Johannes is niet de minste:
de belangrijkste van iedereen die uit een vrouw geboren is.
Er is in heel onze geschiedenis niemand die belangrijker is dan hij, zegt de Heere Jezus.
Nou, ga dan jezelf maar eens met deze Johannes vergelijken.
Johannes met zijn indringende boodschap
dat Gods tijd gekomen is om van iedereen rekenschap te vragen
wat iedereen met zijn leven heeft gedaan
en Johannes was van mening dat er maar weinigen waren
die zomaar door dat oordeel heenkonden:
De bijl ligt al aan de wortel.
Het is al bijna de tijd dat de boom van uw, van jouw leven zal worden omgehakt.
Er is maar één manier om jezelf te redden:
dat je je omkeert naar God toe en je leven verandert.
Johannes zou een prediker zijn die in Oldebroek zou worden gewaardeerd:
een prediker die zei waar het op stond,
die er niet omheen draaide en je aan durfde te spreken
en daarbij ook heel concreet zei, wat je moest doen.
Profetische prediking: de boel op scherp stellen.

Als mensen dan bij hem kwamen voor een makkelijke bekering,
een bekering zonder al te veel consequenties voor het dagelijks leven
schudde hij zijn hoofd en riep verontwaardigd:
‘Wie heeft jullie wijsgemaakt dat je zomaar aan het oordeel van God kunt ontsnappen?’
Zeker als ze bij hem kwamen om zich te laten dopen
als die doop alleen maar betekende dat hun zonden afgewassen worden.
Nee, als hij de mensen liet dopen betekende dat een heel nieuw leven,
waarbij je brak met het oude leven.
Als je meer had dan je kon gebruiken, moest je dat delen:
als je twee mantels had, moest je de ene geven aan wie niets had.
Als je met geld werkte, moest je eerlijk zijn.
Hij besefte dat zijn werk slechts voorlopig was: Ik doop maar met water.
Maar er zal Iemand komen die jullie zal dopen met vuur.
Ik mag dan scherp zijn in mijn woorden, maar er is bij mij nog een omkeer mogelijk.
Degene die nu mij komt, zal jullie het vuur van Gods oordeel laten ondergaan.

Opeens is daar twijfel gekomen bij Johannes de Doper.
Geen twijfel over zijn eigen boodschap die hij bracht, maar twijfel over Jezus.
Wat is er terecht gekomen van die man die het vuur zou brengen?
Het vuur van Gods toorn en oordeel: louterend en zuiverend,

Gij zult hen, daar G’ in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
’t Goddloze volk wordt haast tot as,
’t Zal voor Uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloende kolen.

Wat komt daarvan terecht in het optreden van Jezus?

Het gaat er wel erg makkelijk aan toe, bij Jezus:
Genezingen en wonderen, dat wel, bijzondere verhalen om je over te verbazen,
maar geen oordeel dat voltrokken wordt, geen vuur
geen enkele goddeloze is verdwenen,
degenen die zich tegen God keren en de gelovigen onderdrukken gaan gewoon door
met hun praktijken, hun macht wordt niet gebroken.
Kan Jezus dan wel degene zijn die verwacht wordt?
Het zit Johannes hoog: hij stuurt een delegatie naar Jezus toe,
om hem rekenschap te vragen. Leg maar verantwoording af van wie je werkelijk bent.

In onze tijd kan twijfelen een mode zijn.
De twijfel waar ik over heb is dan een soort vrijblijvendheid
om niet alles te hoeven te doordenken
om jezelf niet helemaal te geven.
Dat is niet de twijfel die Johannes heeft.
Voor Johannes staat er echt wat op het spel.
God zelf staat op het spel en ook zijn eigen missie hier op aarde.
Promoot Jezus niet een bepaalde vrijblijvendheid,
een soort geloof waar je je goed bij voelt, dat niet teveel kost?
Waar blijft de strijd tegen de zonde en het ongeloof, tegen de vijandschap richting God?
Het gaat wel erg makkelijk bij Jezus.
Je kunt zomaar de hemel binnenlopen, zomaar het Koninkrijk van God in.
Bent U wel degene die we verwachten? Die komen zou?
Of wachten we op iemand anders, die wel komt doen wat U nalaat?

Mooi is het dat de twijfel, de kritiek van Johannes vermeld wordt
in het evangelie over Jezus Christus.
Deze kritiek doet ertoe, de vraag van Johannes is niet zomaar een vraag,
van een kritisch iemand die overal wel wat op aan te merken heeft.
Op de rand van het ongeloof,
en toch anders dan de openlijke twijfel van de Farizeeën en de Schriftgeleerden.
Wat is eigenlijk het verschil?
Is de kritiek van Johannes eigenlijk niet net zo scherp als die van hen?
Mooi is het dat Jezus deze openlijke kritiek, deze twijfel toelaat.
Hij wordt er ook niet zenuwachtig van. Jezus schiet niet in de verdediging.
Mooi is ook dat Johannes zijn twijfel en kritiek bij Jezus brengt,
de dialoog aangaat – net als in de klaagpsalmen wordt geworsteld met God:
niet klagen over Jezus, maar worstelen met Jezus,
een gebed waarin er een appèl gedaan wordt op Jezus, zoals in de psalmen:
Doe er wat aan, aan dat onrecht, aan die goddeloosheid,
aan degenen die Gods werk en Gods kinderen dwarszitten en tegenwerken.
Zo kan het toch niet langer, dat Gods volk verloren gaat,
door de verkeerde wegen die voorgehouden worden door de leiders.
Heer, uw volk gaat verloren!
Johannes brengt zijn twijfel bij Jezus
en geeft Jezus de mogelijkheid om te reageren,
om te laten zien dat Hij wel degelijk de verwachte is.
Dat Johannes niet tevergeefs zijn hoop op Jezus heeft gesteld.

Als de boden bij Jezus komen, is Jezus bezig met zijn werk, zijn missie:
Genezing van zieken, verlamden die kunnen lopen,
boze geesten die verdreven worden, blinden die zien
Hij voegt er nog aan toe:
doden worden opgewekt en armen krijgen het evangelie te horen.

Kijk en luister – laat het op je inwerken wat er gebeurt.
Dat is het antwoord aan Johannes.
Wat is dat nu voor een antwoord?
Waarom zegt Jezus niet gewoon: “Ik ben het!”?
Waarom een antwoord door middel van de daden?
Omdat Jezus uit zijn daden is te kennen.
Zijn daden zijn het teken dat Hij het is.

Die genezingen niet zomaar zijn, niet zomaar wonderen.
Uit het Oude Testament is bekend dat men een ziekte kon ervaren als een oordeel,
waarbij God afwezig is en men een grote afstand tot God ervaart.
Nu zullen we dat niet zo snel meer zeggen, gelukkig,
maar ook vandaag de dag kan iemand die ziek is een grote afstand ervaren,
overvallen worden door vragen: waarom moest dit zo
en God op een grote afstand ervaren worden.
Kan de twijfel je overvallen: is dit nu Gods weg die ik moet gaan. Waar is Hij?

Wat zei diezelfde profeet die Johannes als wegbereider aankondigde?
Onze ziekten heeft hij op zich genomen, ons leed heeft hij gedragen.
Het klassieke avondmaalsformulier geeft daar een betekenis aan,
die de diepte raakt van wat Jezus als antwoord aan Johannes meegeeft:
Hij heeft de oorzaak van onze eeuwige armoede en honger op zicht genomen.
Het is niet de tijd van Gods oordeel, maar de tijd van Zijn heil,
waarbij al het verbrokene wordt geheeld,
waarbij de zonde vergeven wordt
en het oordeel van God gedragen – door Jezus zelf.
ezus’ weg op aarde anders dan verwacht: degene die gekomen is:
God komt in
Christus niet om aan onze verwachtingen te voldoen,
maar om vergeving van zonden te brengen en Gods wil te doen.

Het gaat wel erg makkelijk bij Jezus.
Ja, omdat Hijzelf in dat oordeel gaat, dat oordeel draagt,
gedoopt wordt in het vuur van Gods oordeel.
Later zal Jezus het zeggen, als Hij op weg is naar Jeruzalem:
dat Hij gekomen is om het vuur op aarde te brengen.
Dat oordeel is niet weg,
maar Hij voegt er aan toe: ik moet met een doop gedoopt worden
en die doop beklemt mij, totdat die is volbracht.
Jezus valt Johannes ook niet af.
Ook al waarschuwt hij Johannes, dat hij niet over Jezus moet vallen.
Dat werk van Johannes is een belangrijk werk geweest.
Een nieuwe Mozes was Johannes, die het volk uit de slavernij van de zonde moest leiden:
Een engel, een bode die voor jullie uitgezonden is,
zoals in de woestijn de weg gewezen werd voor het volk om in Kanaän te komen.
Een Elia, die eerst komt.
Johannes erfde de staf van Mozes en de mantel van Elia.
Zo wees Johannes jullie de weg naar God.

Het gaat bij Jezus wel gemakkelijk, zou je kunnen denken.
Maar of nu het oordeel aangekondigd wordt of de genade ruimhartig uitgedeeld
beiden zijn geen garantie voor geloof.
Het is niet zo, een sterke oordeelsprediking de mensen sneller bij God brengt.
Want ook bij een oordeelsprediking kunnen mensen voor de vorm geraakt zijn,
zoals de mensen bij Johannes kwamen om zich te laten dopen
en toen wel dachten dat ze klaar waren.
En ook de boodschap van de liefde van Jezus, van Zijn genade,
Daar kunnen de mensen aan voorbij gaan.
In beide gevallen kun je op een afstand blijven staan,
niet aangeraakt, onveranderd blijven.


Net als bij de kinderen, die een spel spelen.
Daar hoor je bij mee te doen.
Zoals mijn zoon elke dag komt vragen: een potje stratego, een potje rummikub?
Zoals een van mijn dochters naar mij toekomt en met me wil dansen.
Kinderen willen dat je in hun spel meedoet
en als je niet meedoet, ben je spelbreker.
Het is niet leuk als ik als vader niet meedans,
de kans op een potje stratego afsla.
Waarom blijf je bij een spel op een afstand? Waarom doe je niet mee?
Het is niets voor mij. Geen tijd. Nu niet, later.
We hebben op de fluit gespeeld en je hebt niet gedanst.
We hebben een klaaglied gezongen, maar je wilde niet verdrietig zijn.

Dat is het menselijk hart: dat kan onbewogen blijven bij wat God doet.
Of dat nu een scherpe oordeelsaankondiging is,
een krasse oproep je leven te radicaal te veranderen
of een vreugdevolle uitnodiging om mee te doen – je kan onbewogen blijven.
Maar dan doe je niet mee: niet mee met Jezus en deel je niet in Zijn redding,
dan is je oordeel niet weggedragen.

Zalig die aan Jezus geen aanstoot neemt,
Zalig die niet op een afstand blijft staan, maar gaat
Het is gemakkelijk om te blijven staan, op een afstand,
als een volwassene die geen zin heeft in kinderspelletjes,
als een mens onbewogen onder Gods oordeel,
onaangedaan door zijn blijk van liefde in zijn zoon Jezus Christus.
Zalig wie gehoor geeft en meedoet,
in Jezus een nieuw leven begint. Werkelijk nieuw, weggeroepen uit de zonde
en vergeven en de weg van Jezus gaat
ook in je dagelijkse bezigheden –  net zo concreet als Johannes deed.
Amen

Preek zondagmiddag 25 januari 2015

Preek zondagmiddag 25 januari 2015
Schriftlezing: Markus 2:13-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het evangelie van Markus wordt er geregeld gewezen op Jezus die ziet.
Dat Jezus ziet komt bij Markus steeds weer terug
en dat is niet zomaar.
Want als de Heere Jezus ziet, gebeurt er wat.
Dan is dat zien het begin van een contact, zoals dat bij de eerste discipelen gebeurde:
Jezus zag Simon en Andreas.
Hij ziet dat ze bezig zijn met hun dagelijks werk: Jezus zag dat ze hun netten in zee wierpen.
Nadat Jezus hen dat ziet doen, roept Hij hen.
Als Jezus ziet, dan gebeurt er wat, wordt er contact gemaakt.
Hier de eerste stap in de navolging.
Aan het begin van hoofdstuk 2 wordt ook vermeld dat Jezus ziet.
Het is het verhaal van de man die door zijn vier vrienden door het dak gelaten wordt.
Als die vrienden de man naar beneden laten zakken voor de voeten van Jezus,
Dan ziet de Heere Jezus hun geloof.
Dan volgt er ook contact, namelijk Jezus die zegt: ‘Je zonden zijn je vergeven.’
Als Jezus het tolhuis voorbij loopt, ziet Hij Levi zitten, daar binnen in het tolhuis.
Jezus had ook vooruit kunnen kijken,
om zo degene die in het tolhuis zit niet te hoeven zien.
Jezus kijkt opzij en ziet Levi zitten
en omdat Jezus Levi ziet zitten, stopt Jezus om deze Levi te roepen: ‘Volg Mij!’
Hoevelen zouden Levi voorbij gelopen zijn zonder hem aan te kijken,
hem zoveel mogelijk negerend, omdat hij en het werk dat hij deed gehaat werden.
Zouden de meesten, als ze hem zouden zien zitten, beschouwen als een foute man,
die zo fout kon zijn dat hij dit werk aannam?
Als Jezus ziet, dan ziet hij het dagelijks leven waarin de mensen verkeren,
de omstandigheden,
Een scherpe observeerder, die maar weinig nodig heeft
om te zien hoe het er met iemand voorstaat,
die ziet wat anderen vaak niet zien, omdat ze er niet op letten.
en dan niet veroordelend, maar geraakt, bewogen, uit op ontmoeting, op contact,
om de ander die Hij ziet, op te kunnen nemen in het Koninkrijk van God.
U moet bij het leven van het evangelie van Markus maar eens opletten,
hoe vaak er sprake is van een ontmoeting van de Heere Jezus
en dat dan de bewogenheid, de innerlijke ontferming bij de Heere Jezus beschreven wordt.
Jezus ziet: een troostrijke gedachte, dat Jezus ook u en mij ziet
en ziet wat anderen niet zien.
Als we iets van de Heere Jezus kunnen leren wat betreft pastoraat, dan is dat wel dit zien,
Dat werkelijk ziet en liefdevol ziet, het begin van een contact, een ontmoeting,
een weg naar opgenomen worden in het Koninkrijk van God.

Ook de Farizeeën zien.
Dat is een heel ander zien.
Bij hen is het zien geen begin van contact,
maar blijft er afstand, distantie.
Zij stappen niet op Jezus zelf af, maar op Zijn discipelen, de afstand wordt niet overbrugd.
Hun zien is meer een beoordelen.
Als zij zien, dan zien zij iets dat bij hen vragen oproept:
‘Hoe kan Jezus dat nou doen?’
Zij zien iets dat niet in de haak is.
Als zij zien, dan vullen zij in.
Dat is er zo een.
Die kun je beter mijden.
Die daar uit de weg gaan.
Maar wat zij zien is dat Jezus met de mensen die slecht zijn eet.
En zij zien niet alleen een gezellige maaltijd,
maar zij zien ook dat die maaltijd een betekenis heeft,
want zij kennen hun Bijbel en weten wat er daar bij de maaltijd gebeurt.
Als het tenminste waar was, wat Jezus zei
toen die verlamde man die door het dak kwam genezen was.
Toen noemde Jezus zichzelf de Zoon des mensen.
Als dat zou kloppen dat Jezus de Zoon des mensen is, dan klopt dit tafereel
van Jezus met de tollenaars en de slechte mensen niet.
Want die tafel waar zij met z’n allen omzitten,
wijst vooruit de maaltijd die gevierd wordt in de hemel, in het koninkrijk van God.
Wat zij zien is dat Jezus bij Gods tafel in Gods heerlijkheid
een plaats inruimt voor de mensen die slecht geleefd hebben.
Die het door hun levenswijze niet verdienen om bij God in Zijn heerlijkheid te zijn.
Daar aan die tafel,
dat zijn degenen die in het laatste oordeel veroordeeld zouden worden
en voor eeuwig van God weggestuurd zouden worden.
Die mensen zitten bij Jezus aan tafel
en de farizesche Schriftgeleerden zien dat Jezus daarmee hen ook een plek in de hemel aanbiedt.
Ze zien dat Jezus hen voorhoudt dat er voor hen geen laatste oordeel meer is
waarbij hun verkeerde daden ervoor zorgen dat zij naar de hel toe gaan.

Hebt u dat ook niet
dat je soms ook als die Farizeeën kunt kijken
en denken, misschien wel terwijl je om je heen kijkt in de kerk:
Wie van ons zullen er allemaal komen in Gods heerlijkheid?
Zou die daar achteraan zit, zou die daar komen?
Wat had ik nou pas over haar gehoord? Dat ze hier in de kerk durft te zitten,
zoals zij omgaat met haar gezin.
En hij met zijn bedrijf. De meesten weten het niet,
maar ik ben er wel van op de hoogte dat het op zijn bedrijf niet eerlijk aan toe gaat.
Benieuwd dat als ze er naar vragen, op welke manier hij er om heen zal draaien.
Maar straks zal hij voor God verschijnen en dan kan hij geen mooi weer blijven spelen.
Dan komt alles boven tafel.
Hoe zal God daar over oordelen? Dat kan toch niet dat de Heere voor hem een plaats heeft?
Dat zou toch oneerlijk zijn?
Ik ontzeg me zoveel. Ik doe mijn best om heel mijn leven in te vullen volgens Gods geboden.
Je zou bijna zeggen dat we net als de Farizeeën kijken,
maar de farizeeën die zo thuis in de Schrift waren, zagen tenminste nog
dat Jezus met hen eet, om zo te laten zien dat zij het koninkrijk van God kunnen binnengaan.
Beseffen wij dat ook bij het rondkijken, als wij naar anderen kijken,
dat Jezus eet met zondaars en tollenaars, dat Hij hun gemeenschap opzoekt?
Daar is het Hem om te doen: om die zondaars en tollenaars weer terug bij God te krijgen.

Het is een spannende vraag, wat er gebeurt met de levensstijl van die zondaars, die slechten.
Gaat Jezus hen later alsnog aanspreken op hun levensstijl,
zodat ze anders gaan leven?
IS het de bedoeling dat ze zelf gaan ervaren hoe verkeerd ze leven?
Dat kan toch niet, dat Jezus de zonde zomaar goed keurt
en deze mensen uitnodigt zonder dat er wat met hun leven gebeurt?
Ze moeten toch veranderen?
Jezus neemt de zonde uiterst serieus
en beseft terdege dat deze mensen in het oordeel van God niet kunnen verschijnen
en als zij wel voor God komen, zullen ze worden veroordeeld, weggestuurd
en daarom zoekt Jezus hen op – om hen te redden.
Omdat ze ziek zijn.
Hij is gekomen om zondaars tot bekering te roepen.
Dat gebeurt op een bijzondere manier: door hen te zien, door te zien waar ze zijn
en waar ze mee bezig zijn, door te zien wie ze zijn en wat ze nodig hebben.
Hij roept hen tot bekering door zich onder hun soort te begeven.
En dat kunnen de Farizeeën juist niet begrijpen.
Zo wordt het heilige van de Heere met het onheilige vermengd.
Je kunt bij de zonde maar beter op een afstand blijven en ook bij een zondaar,
want voor je het weet raak je er ook mee besmet.
Wat Jezus op de farizeeën tegen heeft, is niet hun levensstijl, en ook niet hun regels,
want zij proberen integer te leven en oprecht trouw te zijn aan alles wat God van hen vraagt,
met hart en ziel, heel hun bestaan, elke dag weer op nieuw.
Wat Jezus op hun tegen heeft, is de hardheid van hun houding,
de afstand die zij bewaren.
Wat Jezus hen kwalijk neemt, is dat ze Gods heiligheid boven alles stellen
en belangrijker achten dan de redding van de verlorenen.
Als God werkelijk heilig is en als je werkelijk heilig moet leven om tot Gods eer te leven,
dan moet je er toch op uit om degenen die anders leven, onheilig, te redden, te genezen?
Daarvoor is God gekomen:
de Heilige die aan tafel zit bij de onheiligen, de God die zal oordelen en veroordelen,
bij degenen die het oordeel verdienen.
Dat zien de Farizeeën en dat zien ze goed,
maar in hun streven om Gods wil te doen, missen ze het ene: compassie, bewogenheid,
de keuze van God om niet de heiligheid boven alles te stellen,
als een muur die beschermt en de onheiligen op afstand houdt.
Jezus laat zien hoe God God is: heilig maar juist vanwege Zijn heiligheid bereid
om af te dalen en gemeenschap te hebben met de zondaars.
Gods heiligheid toont zich in liefde die opzoekt,
niet degenen die er al zijn, maar degenen die buiten zijn, in de verlorenheid liggen.
Gods rechtvaardigheid toont zich in het tot zich roepen van de zondaars.
Zo is God.
Zo is God?
Dat hebben de Farizeeën toch anders gezien
en dat hebben ze niet zelf bedacht,
maar vanuit een intensieve studie van Gods Woord
en ze wilden daar nauwgezet naar leven.
Zij leefden met de ernst van het komende oordeel,
leefden vanuit het besef dat eens iedereen voor God verschijnt.
Gelooft Jezus nog wel dat er een oordeel komt
of kan iedereen zomaar de hemel binnen komen, ook degenen die hun leven hebben vergooid?
En dan komen we bij het tweede verhaal, het verhaal over de discussie rondom het vasten.

Wat Jezus laat zien en wat de Farizeeën wel degelijk opmerken,
is dat het oordeel van God anders uitpakt dan wij mensen denken.
Want komt dat oordeel wel?
Dat is de vraag die de Farizeeën aan Jezus stellen in het tweede verhaal:
Het is een vraag over het vasten,
maar onder die vraag over het vasten schuilt die vraag over dat binnen komen in de hemel.
Zo gaat het vaak: onder de vragen die gesteld worden, kan een heel andere vraag schuilen.
Hier wordt de vraag gesteld naar het vasten:
Waarom vasten uw leerlingen niet.
Iedereen doet dat toch? Onze leerlingen doen dat en de leerlingen van Johannes de Doper?
Ook weer dat zien!
Ze nemen waar dat Jezus niet vast en zijn leerlingen ook niet.
Het doen en laten van Jezus wordt gezien en het roept vragen op.

Dat vasten was een gebruik om te wachten op Gods komst.
Wie vast, geeft aan: ik geloof dat God binnenkort komt.
Ik neem de tijd om mij voor te bereiden op Zijn komst.
Wie vast slaat maaltijden over om die tijd te gebruiken aan toewijding,
aan gebed, bezinning, bijbellezen.
En als God komt, dan komt het eindelijk goed,
want dan worden de kwaaddoeners, de zondaars gestraft
en degenen die nauwgezet leven, die er ernst mee hebben gemaakt,
Die geloven dat zij later voor Gods aangezicht rekenschap hebben af te leggen,
zij worden binnen gelaten in het Koninkrijk van God.
Daarom vastten de leerlingen van de Farizeeën en van Johannes de Doper.
Omdat zij uitzagen naar die dag: reikhalzend van verlangen.
En dan vast Jezus niet.
Gelooft Hij niet meer dat God nog komt?
Gelooft Hij niet meer dat het oordeel van God nog komt.
Het overslaan van het vasten roept nog meer vragen op
dan zijn omgang met de slechten en de zondaars.
Wat Jezus doet, is een onbetamelijke lichtzinnigheid.
Ongepast!
Ziet Jezus dan niet in welke tijd wij leven?
Dat het op het einde aankomt?
Het achterwege laten van het vasten versterkt de vragen die de Farizeeën hebben bij Jezus.
Bij Jezus is alles mogelijk.
Hij spot met elke regel
en niet alleen met elke regel, maar alles wat voor hen fundamenteel is,
de basis onder hun geloof, de praktijk van hun leven met God
dat haalt Jezus onderuit.
Maar Jezus is niet tegen vasten, zoals Hij niet tegen heiligheid is.
Het is niet zo dat Jezus alleen maar de regels onderuit haalt,
Want dan maken we het voor ons gemakkelijk: we hoeven alleen maar regeltjes los te laten
en die ander, die nog wel vast zit aan die regels, die is een hedendaagse Farizeeër.
En dan vullen we gelijk aan: een huichelaar
en dan moeten we oppassen dat we niet zoals de Farizeeër in de gelijkenis God danken:
Heere, ik dank u dat ik niet ben als die farizeeër.
Ik heb tenminste geen regels die anderen beperken.
Jezus is niet tegen vasten, want Hij geeft aan dat Zijn discipelen later zullen vasten,
Als Hij er niet meer is.
Jezus weet wel degelijk welke tijd het is, Hij kent de tijd.
Omdat Hij op aarde is, hoeven de leerlingen niet te vasten.
Later, als Hij weggenomen wordt, dan wordt tijd om te vasten voor de leerlingen van Jezus.
Jezus gebruikt het beeld van een bruiloft.
Een bruiloft in het Midden-Oosten van die tijd,
Waarbij een groot feest gevierd wordt en iedereen in het dorp deelt in de feestvreugde.
Wie niet deelneemt aan het feest, zegt dat de bruidegom en de bruid hem niets waard zijn.
Vrienden van de bruidegom doen natuurlijk volop mee in het feest.
Zij houden zich niet afzijdig, maar gaan voorop in het feestvieren.
Feestvieren op een bruiloft is toch geen lichtzinnigheid,
maar een delen in de vreugde rondom dat bruidspaar?
Wat wil Jezus daarmee aangeven?
Dat Hij de bruidegom is van Israël,
dat het tijd is om feest te vieren, omdat God Zijn volk weer tot bruid neemt.
Hosea: Ik noem u weer mijn volk, mijn beminde.
Die tijd is het: Jezus die gekomen is van Godswege, God zelf, gekomen
om het zondige volk, dat weg was en terug is, te nemen tot zijn bruid.
Israël is weer van God. Eigen, omdat het is vrijgekocht door het bloed van deze bruidegom
die zijn leven geeft.
Het oordeel is niet weg, het komt, maar dat wordt gedragen door deze Bruidegom
door God zelf.
Tijdens het feest, als de bruidegom er nog is, is het juist ongepast om te vasten,
omdat je dan laat zien dat je niets om God geeft
niets om Zijn aanbod en zijn offer geeft, niets om de ruil aan het kruis op Golgotha.
Zolang Jezus op aarde is, is het feest.

Maar, zegt Jezus, er is een tijd dat Hij er niet meer is.
Dan is Hij weggenomen.
Doelt Hij op Zijn kruis of op de hemelvaart?
Het is in ieder geval de tijd waarin wij nu leven.
Wij kijken vooruit tot de bruidegom weer komt.
Misschien is het juist voor ons de tijd om te vasten
omdat we daarmee aangeven
dat we niet zomaar ongestoord kunnen leven, omdat onze Heer nog niet teruggekomen is.
Wij zijn niet compleet.
Over elk feest dat we hier op aarde hebben
hangt de schaduw van Zijn afwezigheid, van Zijn sterven en dood, van Zijn heengaan.
Of moet ik zeggen: Boven elk feest en elke dag van ons leven
gloort het perspectief van zijn wederkomst.
Dan is vasten gepast, want het doet ons vooruitkijken,
vasten voedt het verlangen naar Zijn komst.
We zeggen daarmee: pas als Hij er is, zal het helemaal goed zijn.
Zolang Hij er nog niet is, kunnen we niet volop genieten en ons laten gaan,
maar we weten wel dat die dag komt,
de dag van feest, van het bruiloftsmaal, de bruiloft van het lam.
Daar zullen we vieren, samen met allen die van het oordeel zijn gered,
niet omdat ze zo rechtvaardig, vroom en zuiver leefden,
maar omdat ze vrijgekocht en gered zijn van de zonde, zoals een Levi en hopelijk ook u en ik
door Hem die Zijn leven gaf om zondaren te redden.
Amen