Preek nieuwjaarsmorgen 2019

Preek nieuwjaarsmorgen 2019
Hebreeën 12:1-2

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Aan het begin van het nieuwe jaar kijken we vooruit,
benieuwd wat het nieuwe jaar ons brengt.
Misschien wordt dit jaar wel een bijzonder jaar voor je,
omdat je dit jaar verkering krijgt, een vaste baan, gaat trouwen, een kind verwacht.
Dat zijn momenten om naar uit te kijken.
Je kunt ook opzien tegen het nieuwe jaar, gespannen,
omdat je niet goed weet wat het jaar gaat brengen.
En nu je hier in de kerk bent, is er een gebed in je hart:
‘Heere, zegen mij en allen die bij horen.
Geef ons een goed jaar, waarin we het goed hebben met elkaar
een jaar waarin we dicht bij U mogen leven en mogen groeien in geloof.

We beginnen het nieuwe jaar op deze eerste dag met de aansporing uit Hebreeën:
Houd je oog op Christus gericht!
Dat is toch de beste manier om dit nieuwe jaar te beginnen.
Door op te zien naar de hemel, waar Christus is,
onze Heer die op aarde geweest is en nu in de hemel is,
Waar Hij aan Gods rechterhand zit en samen met Zijn Vader regeert
over ons leven en over deze wereld.
Richt je gedachten op onze Heer, die in de hemel is
en stel je hart open voor Hem, zodat Hij in je hart kan wonen!

 

Die aansporing om de aandacht op Jezus in de hemel te houden
klinkt niet zomaar in de Hebreeënbrief.
De aansporing om Jezus in het oog te houden is gericht aan gelovigen
die allerlei zorgen hebben, waardoor ze vergeten aan Jezus te denken.
De gelovige wordt hier voorgesteld als iemand die mee doet aan een hardloopwedstrijd,
waarbij het niet er niet om gaat wie als eerste over de finish komt
Je kunt het meer vergelijken met een sponsorloop,
zoals die over enkele weken in onze gemeente gehouden wordt tbv de winteractie.
Het gaat om het volhouden.
De wedstrijd vraagt om uithoudingsvermogen,
waarbij je, als je voelt dat je moe wordt, niet opgeeft, maar verder gaat.
Het geloof in Christus is niet iets dat je zomaar doet,
het kost inspanning en kracht en vooral: je moet niet zomaar opgeven als het niet lukt,
maar je moet jezelf aansporen en volhouden, verdergaan.

De wedstrijd van het geloof loop je niet in je eentje.
Er zijn mensen gekomen die je willen aanmoedigen.
Het zijn Abel en Noach en Abraham, Sara, Mozes en Rachab
en al die anderen die eerder geleefd hebben.
Op de tribune kunnen ook familieleden van je zitten, een vader of moeder, opa of oma,
een broer of zus, die de wedstrijd ook gelopen hebben en de eindstreep hebben gehaald
en mogen uitrusten van de wedstrijd die ze hebben afgelegd.
Ze kijken in de hemel niet werkloos toe, met hun rug naar de aarde gekeerd.
Nee, ze zitten op de tribune om je aan te moedigen om vol te houden.
Zo zijn we verbonden met degenen die al overleden zijn en ook in Christus hebben geloofd.
Misschien zie je wel allerlei bekenden daar op de tribune zitten.
Als er supporters zijn, dan voel je je tijdens een wedstrijd meer gestimuleerd.
Je ervaart de steun, juist als het geloven niet iets dat je zo maar even fluitend doet,
is er de support van al diegenen die zelf deze wedstrijd ook hebben gelopen.

Als je deze wedstrijd loopt, heb je niets aan allerlei ballast.
Hardlopers nemen geen complete rugzak aan bagage voor onderweg mee,
maar trekken alleen het hoognodige aan kleren aan.
En wielrenners zorgen er dat hun fiets zo licht mogelijk is
om onderweg geen last te hebben van het gewicht
en zwemmers maken hun zwemuitrusting zo,
dat ze zo min mogelijk last hebben van de weerstand van het water.
Zo moeten we als gelovige zo min mogelijk extra bagage meenemen.
Het is niet helemaal duidelijk wat er mee bedoeld wordt.
Je kunt allerlei zorgen met je meedragen, die als een zware rugzak op je rug hangt
en je weet: ik moet die zorgen eigenlijk in Gods handen leggen
en ook aan het begin van het nieuwe jaar moet ik erop vertrouwen
dat het beter is om ze in Gods handen te leggen dan er zelf mee te zeulen,
maar je geeft ze niet zo makkelijk af
en als je ze afgeeft, dan blijven ze rondspoken in je hoofd en in je hart.
Doe dat niet en geef aan het begin van het nieuwe jaar je zorgen uit handen
in handen waar ze horen: Gods handen en richt je aandacht op Christus!

Bij een wedstrijd heb je ook tegenstanders, die je zoveel mogelijk uit je ritme houden,
om te voorkomen dat je de eindstreep haalt,
die je onderweg willen laten struikelen, die willen zorgen dat je uit de bocht vliegt,
zodat je moet stoppen en niet aankomt bij de finish.
Hier wordt gesproken over zonde, waardoor je als gelovige onderweg struikelt,
die je belemmeren om voluit te rennen in de kracht van Christus.
Het is altijd goed om tegen de zonde te strijden,
maar hier wordt een extra reden gegeven:
het zijn obstakels, waardoor je niet vrijuit kunt gaan.
Het wordt hier niet concreet uit de doeken gedaan om welke zonden het zou kunnen gaan.
Ik denk dat iedereen voor zichzelf wel weet, welke zonde voor jou een belemmering is,
die jou wil doen laten struikelen.
Voor de één is dat je graag roddelt.
Voor een ander dat je allereerst aan jezelf denkt en je niet met anderen bezig houdt.
Of je bent gevoelig voor luxe en ga je grenzen over om die luxe te bereiken.
Het kunnen seksuele verleidingen zijn.
De aandacht richten op Jezus is bedoeld, dat je daarmee niet gericht bent op de zonde
die probeert om je hart een plek te veroveren om daar voor altijd te zijn.
Kijken naar Jezus is bedoeld als een manier om sterk te staan in de strijd tegen je zwakten.

Hoe kun je Jezus dan zien?
In de preek van Tweede Kerstdag heb ik aangegeven
dat het voor de gelovigen van die tijd niet zo eenvoudig was om Jezus voor zich te zien.
Hoe kunnen ze dan naar Jezus kijken?
Ook dat past in het beeld van de wedstrijd, die we als gelovigen lopen.
Bij een wedstrijd kon er een eregast zijn,
die was uitgenodigd om de wedstrijd meer gewicht te geven.
Die eregast reikte dan ook de prijs uit, waardoor je als winnaar nog meer eer ontving.
Hier is Christus de eregast.
Dat betekent in ieder geval, dat Hij ook aanwezig is tijdens de wedstrijd van het geloof.
De hindernissen en hobbels die je als gelovige kunt hebben,
kunnen je soms het idee geven dat je maar in je eentje loopt,
zonder dat iemand weet heeft van de strubbelingen die je doormaakt.
Maar met het beeld van Christus als eregast wordt juist aangegeven dat Hij er bij is,
dat Hij niet afzijdig staat, maar je ziet en aanmoedigt
en aan de finish wacht om je de prijs te overhandigen, die Hij je alleen kan geven.
Je aandacht richten op Jezus is dus mogelijk, omdat Hij erbij is,
je ziet en je aanmoedigt.
Als je je aandacht richt op Jezus, dan ontvang je de kracht die Hij je wil geven,
om vol te houden, om verder te gaan.

Het is Jezus, die aangekomen is in de hemelse heerlijkheid
en zijn werk op aarde heeft verricht en is aangekomen bij Zijn Vader.
Dat Hij in de hemel is, betekent niet dat Hij ons heeft achtergelaten.
Vanuit de hemel moedigt Hij ons aan en stimuleert ons: Hou vol, ga in Mijn kracht!
Je aandacht richten op Jezus die in de hemel is, dat is net als bij het avondmaal:
Je gaat in gedachten, je gaat in je hart in de hemel en je komt bij Christus.
Maar je mag daarbij ook denken aan de weg die Jezus zelf heeft afgelegd.
Hij kwam naar de aarde en legde de hemelse heerlijkheid af,
Hij werd mens, net als wij.

Er is een reden waarom we het steeds over Jezus hebben
en waarom we onze aandacht op Hem moeten richten.
Jezus is namelijk degene die vooropgaat, de aanvoerder.
Jezus wordt hier vergeleken met een veldheer,
die op een paard zit en boven iedereen uitsteekt en bovendien als eerste de strijd aangaat.
Zijn moed, zijn kracht om te strijden geeft ons weer moet we gaan achter Hem aan.
Zoals een vermoeide soldaat zijn aanvoerder zit en zich weer krachtig voelt,
omdat zijn heer voorop gaat in de strijd en daardoor zich bij elkaar raapt en gaat.
Een aanvoerder is iemand die in onrustige tijden
als niemand weet wat er gedaan moet worden
het voortouw neemt en duidelijk de koers uitzet
en iedereen mee weet te krijgen de nieuw tijd in.
Een aanvoerder is iemand, die als eerste durft, die als eerste de strijd waagt.
Zo kijken we aan het begin van het nieuwe jaar naar Jezus,
Die vooropgaat, waardoor we kunnen volgen, die ons kracht en moed geeft.
Op Hem is ons geloof gebaseerd.
Hij is het fundament waarop ons levenshuis gebaseerd is.
Wat er ook aan mooi weer, of wat er ook aan stormen komt in het komende jaar,
als ons huis op dit fundament is gebouwd, staat het stevig.

Over Jezus wordt meer gezegd dan dat Hij voorop gaat.
Hij is ook degene die ons geloof voltooit, af maakt, wat onvolmaakt is, volmaakt maakt.
En dat is maar goed ook, want als geloof betekent dat er veel van ons gevraagd wordt,
Dat we ons volledig moeten inzetten, kunnen er momenten zijn,
Waarop het niet lukt, waarop we stagneren of zelfs struikelen of uit de bocht vliegen.
Er kunnen momenten zijn, waarop je denkt: mijn geloof valt helemaal in stukken
en ik ben niet meer in staat om het te maken.
Dat zal je in het komende jaar ook kunnen overkomen.
Ook daarom moeten we naar Jezus kijken: die heel kan maken,
die kan voltooien wat wij niet kunnen voltooien.

Als je je aandacht op Christus richt, kun je ook terugdenken
aan de weg die Hij heeft afgelegd, een bijzondere weg.
Hij kwam uit de hemel en daalde op aarde neer, zonder de hemelse heerlijkheid.
Het was geen makkelijke weg, die Hij hier op aarde had.
In een van de formulieren die we lezen, staat dat Hij vanaf het begin van Zijn menswording
de straf van God voor ons heeft gedragen.
Vanaf het begin dat Hij mens werd, toen Hij in de kribbe lag en de herders kwamen
en de wijzen uit het oosten kwamen omdat ze geroepen werden door een ster.
Alle fouten die wij dit komende jaar zullen maken,
heel het oordeel van God dat over 2019 zal liggen, heeft Hij toen al gedragen.
En dat heeft Hem heel veel gekost: het was een weg van spot, van schande,
waarin Hij zichzelf vernederde.
Dat mag ons troost en houvast geven aan het begin van het nieuwe jaar:
dat de misstappen die we maken, de zonden die we begaan,
al weggedragen zijn, omdat Jezus ze meegenomen heeft aan het kruis.
Dat is niet om ons gemakzuchtig te maken.
Integendeel, als je kijkt naar Jezus aan het kruis,
dan kun je daar toch niet gemakkelijk over denken,
dan kun je toch niet verder gaan met achteloos leven, met God negeren,
met je volop aan de zonde overgeven als je weet, dat dat toen allemaal gedragen is.
Christus had dat voor ons over,
want Hij keek vanaf het kruis naar de hemel, niet voor zichzelf alleen,
maar ook voor ons.
Want Hij wist, toen die weg ging, zal er later voor u, voor jou een plek in de hemel zijn,
gereinigd door Zijn bloed. Daardoor hield Hij stand.
Zoals Hij naar ons keek en voor ons ging,
zo kijken wij aan het begin van het nieuwe jaar naar Christus,
naar hoe Hij aan het kruis ging en volhield en niet opgaf, omdat Hij dacht aan ons.
Zo kijken we naar Hem, die nu al in de hemel is, om plaats te bereiden.
We weten niet wanneer we daar zullen aankomen,
of wanneer Hij terugkomt om ons te halen.
We weten niet of dat in het komende jaar al gebeurt, of dat er nog jaren zullen volgen.
Bij alles wat ons bezig houdt, weten we dat we gesterkt worden,
omdat er Iemand is die we in het oog kunnen houden: Jezus Christus, onze Heer.
Toen aan het kruis en nu in de hemel.

Laten wij met volharding  e wedloop lopen die voor ons ligt,
terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof.
Amen


 

Preek nieuwjaarsdag 2018

Preek nieuwjaarsdag 2018
Exodus 33:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We zijn hier vanmorgen in de kerk om aan de Heere te vragen
of Hij met ons meegaat het nieuwe jaar in,
net als het volk Israël dat bij de berg Sinaï was aangekomen
om vandaar de Heere mee te vragen naar het land dat hen beloofd is.
Zo staan we op de drempel van een nieuw jaar, net begonnen
En we kijken een toekomst in en weten niet wat die toekomst ons brengen zal
met in ons hart het gebed: ‘Heere, wilt U ons niet alleen laten,
maar met ons meegaan en voor ons uitgaan?’

Want we moeten er niet aan denken, dat de Heere niet met ons mee zou gaan
en dat Hij niet voor ons uit zou gaan.
We moeten er niet aan denken, dat terwijl wij verder gaan in de tijd
de Heere achterblijft en Zelf niet meegaat.
Want wat zou er van ons terecht komen, als de Heere niet voor ons uit gaat
om de weg te wijzen?
Dan zouden wij niet weten welke kant we op moeten gaan
en zouden we een verkeerde weg inslaan die niet goed voor ons is.
Wat zou er van ons terecht komen, als de Heere niet voor ons uit zou gaan,
Om voor ons een weg te banen?
Dan zouden we ergens lopen waar geen weg is en zouden we struikelen en verdwalen.
Waar zouden we zijn als de Heere niet meegaat om ons onderweg te beschermen,
moed in te spreken en te dragen?

Daarom vanmorgen dit gebed van Mozes:
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Houd ons tegen, Heere, als wij wel verder gaan, terwijl U achterblijft
en wij dan verder zouden gaan zonder U in ons midden.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Het is een tekst die ik in het verleden nog wel eens in een trouwdienst werd meegegeven.
Je ziet het voor je: een jong stel, samen aan een nieuwe toekomst begonnen
en dan als herinnering van de dominee die de preek hield in de trouwdienst:
Vergeet de Heere niet mee te nemen in je reis door het leven.
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Hoe zou het zo’n jong stel vergaan?
In de eerste weken wordt dit advies misschien nog wel opgevolgd om God erbij te betrekken,
maar als het weer wat gewoon is om bij elkaar te zijn,
Als er weer gewerkt moet worden, als je weer verder gaat met sporten
en als er later kinderen komen, als er de gewone dagelijkse beslommeringen zijn,
dan kan dat er zo bij in schieten om de Heere erbij te betrekken.
Vaak helpt het om een vast moment te hebben,
zoals vanmorgen, aan het begin van een nieuw jaar, om de Heere weer mee te vragen.
Daarom zijn we hier in de kerk bij elkaar, om deze vraag bij de Heere neer te leggen.
Voordat we verder gaan, voordat we familie op gaan zoeken om nieuwjaar te wensen,
voor we in huis bezig zijn of buiten de rommel van de nieuwjaarsnacht opruimen:
Eerst even de tijd nemen om hier bij God te zijn,
voordat we opgeslokt worden door onze alledaagse bezigheden
om te voorkomen dat er zo een week voorbij kan zijn voordat we God hebben gevraagd
om met ons mee te gaan en voor ons uit te gaan.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Met minder dan God zelf doen we het niet.
Zelfs een engel die meegestuurd wordt is nog niet genoeg, want God zelf moet mee!

Er is een reden waarom de Heere tegen Mozes en tegen het volk zei:
Jullie moeten zonder Mij hier van deze berg verdergaan; Ik kán niet meegaan!
Want in het voorgaande had het volk een beeld van goud opgericht in de vorm van een kalf
en dat gouden kalf dat zij door Aäron hadden laten maken
zagen zij aan voor de God die hen uit Egypte had geleid
en ze hadden om de aanwezigheid van deze god gedanst en feest gevierd:
De Heere is in ons midden! Hij is er!
We hoeven er niet meer aan te twijfelen: We kunnen Hem zien, we kunnen Hem aanraken.
We kunnen Hem meenemen, we hoeven ons nooit meer af te vragen
of de Heere wel met ons meegaat en voor ons uitgaat, want we hebben Hem bij ons.
In dat gouden kalf dat meegaat, gaat God zelf mee.
Ze hadden het mis, want ze hadden zelf een god in elkaar geknutseld
die hun eigen zelf in elkaar geknutselde god aangezien voor de levende God,
aangezien voor de God die hen uit Egypte had uitgeleid.
Het was een vergissing, een verwisseling die de Heere hoog opnam:
Ze hadden God ingewisseld voor een ander
en het was geen vergissing die per ongeluk gebeurde, maar bewust.
Een halsstarrig volk – een volk dat de nek niet wil buigen, dat niet wil knielen,
maar trots en fier overeind wil blijven staan.
Met zo’n volk kan ik gewoonweg niet meegaan.
Daar is God te heilig voor en het volk zou het niet uithouden bij deze heilige God.
Het zou het niet uithouden bij deze heiligheid, maar daardoor vernietigd worden.
Het contrast tussen de heiligheid van God en de onheiligheid van het volk was te groot.
In die zin was het ook een bescherming dat God niet mee zou gaan,
maar dat er ‘slechts’ een engel mee zou gaan.

Door een engel mee te sturen zou het volk wel gespaard blijven.
Een engel konden ze nog wel verdragen, maar niet de heilige God.
Een engel, misschien ook net zo zichtbaar als dat gouden kalf
dat ze gemaakt hadden om God zichtbaar in hun midden te hebben.

Zo gek was het niet om een beeld te maken,
omdat er bij heel veel mensen de behoefte is om God te zien,
om Hem zichtbaar in je midden te hebben, om Hem te zien, te kunnen aanraken,
want dan weet je dat Hij er is, dat Hij meegaat.
Is Hij niet zichtbaar, dan kan er altijd de vraag zijn: Is Hij wel mee.
Maar juist als wij God zelf zichtbaar maken, zetten we ons op het verkeerde been,
dan kunnen we er te gemakkelijk vanuit gaan dat God meegaan,
omdat wij Hem zichtbaar maken.
De Heere kan alleen op Zijn eigen manier in ons midden zijn.
Niet op de manier waarop wij Hem willen hebben.
Omdat het volk dit niet accepteert
en steeds zichtbaar wil hebben en bevestigd wil zien, dat God er is, kan God niet mee.
Hij kan niet leven in een sfeer van wantrouwen, van voortdurend zich te moeten bewijzen.
Daarom: Ik kan niet mee. Jullie gaan en krijgen een engel mee,
zodat jullie wel veilig en wel in het land komen dat Ik beloofd heb,
maar jullie zullen het daar zonder Mij moeten doen.

Dan gebeurt er iets bij het volk, als Mozes met deze mededeling terugkomt.
Nu dringt het tot het volk door wat er is gebeurd bij dat gouden kalf.
Ze komen in actie, een actie die eerst wat vreemd overkomt:
De sieraden worden afgedaan en het volk gaat rouwen,
rouwen om het achterblijven van de Heere, terwijl het zelf verder moet.
Sieraden werden echter naar alle waarschijnlijkheid gebruikt
om als vrouw op te vallen bij de mannen,
door een prostituee om mannen te verleiden bij haar in de tent te komen.
Het afleggen van sieraden houdt in: we bieden ons niet meer aan andere goden aan.
We kiezen voor de ene God, de ware God, de God die ons werkelijk bevrijdde,
die ons uit Egypte hier bracht en die beloofd had om ons door de woestijn te geleiden.
Het is een gebaar van inkeer, van schuldbelijdenis,
een gebaar waarmee alle andere goden worden afgezworen:
We zijn alleen van Hem.
Zo beginnen wij ook dit jaar alleen met de Heere
en zeggen het tegen Hem: we zoeken het alleen bij U,
een andere god hebben wij niet nodig, wij zoeken niet ergens anders steun of geluk.
U bent onze Heer, wij hebben geen leven zonder U.
En dan staat er een regel bij: Vanaf die dag droegen de Israëlieten geen sieraden meer.
Nu hoeven wij niet zonder sieraden te leven,
die mogen wij best dragen,
maar de achterliggende gedachte is wel voor ons van belang:
We behoren alleen Christus toe, in ons leven, in ons sterven.
We bieden ons nergens anders aan, we flaneren niet om elders geluk mee te krijgen.
Voor ons geen ‘meidenmarkt’ waarop we ons aanbieden voor andere goden.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.

Dan doet Mozes iets gewaagds, waarmee Hij de Heere uitdaagt.
Als de Heere niet in het midden van Zijn volk kan wonen, dan maar een eindje erbuiten.
Als iedereen maar naar Hem toe kan gaan.
Als iedereen God maar kan zoeken en Hem kan vinden.
Wellicht is het zijn eigen tent geweest
en hij geeft het de naam, die de tent van God zou krijgen als die gebouwd zou worden,
De tent waarin God in het midden zou wonen.
Maar als God niet in hun midden kan zijn, dan zal de tabernakel ook niet worden gebouwd.
De tabernakel, de tent waarin de Heere woont tussen Zijn volk
en daarom een tent van ontmoeting van mens en God zal zijn.
Dan maar zijn tent buiten het kampement om daar God te raadplegen.
Want hoe kun je als mens zonder de raad en de bijstand van God?
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Het is een eigen initiatief van Mozes.
Daar zit ook iets hardnekkigs in, iets van protest.
Als U niet meegaat, Heere, dan zoeken we U steeds weer op.
Dan creëren wij een plek, waar we naar toegaan om U te zoeken,
net zolang tot we U vinden.
Het is een protest van Mozes tegen zijn God, die aankondigt niet mee te gaan
van Mozes die beseft, dat het volk niet zonder zijn God kan
en daarom op zoek moet naar een manier om God te blijven ontmoeten.
Deze hardnekkigheid van Mozes wens ik u en jou en ons als gemeente toe,
dat we niet rusten als God er niet is, maar dat we Hem blijven zoeken, blijven benaderen.
Als de Heere niet onder Zijn volk kan zijn, tussen de tenten van Israël,
dan maar net erbuiten, wat op afstand, een afstand die wel te overbruggen is.

Hier blijkt Mozes God te kennen en Gods weg met Israël te kennen.
Hij weet dat de Heere het volk niet achter kan laten,
niet op pad kan sturen zonder zelf mee te gaan.
Want God heeft Zijn naam verbonden aan dat volk.
Mozes gebruikt zijn bijzondere relatie die hij met de Heere heeft
om de Heere over te halen, te verbidden: U moet mee.
Mozes die vriend van God genoemd wordt
en als vriend tegen de Heere kan zeggen: U moet mee.
Als U werkelijk om mij geeft, als ik echt genade gevonden heb in Uw ogen,
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Mozes krijgt hier iets van Christus: tussen God en het volk in,
om een goed woord voor het volk te doen.
Laat hen niet zonder U verder gaan, dat gaat niet goed.
Dat weet U zelf ook.
Alleen als U zelf in ons midden bent, zijn we dat bijzondere volk.
Alleen dan kunnen we Uw weg gaan, de weg die U voor ons hebt uitgestippeld
Alleen dan kan Uw plan met deze wereld in vervulling gaan.
Verbidden: God op andere gedachten brengen,
door aan te knopen bij Zijn barmhartigheid, bij God zelf, Zijn eigen karakter, Zijn belofte.
Ik wens u toe dat u zo dit komende jaar steeds weer een beroep doet
op Gods barmhartigheid, op Zijn karakter, op Zijn belofte:
U hebt het zelf beloofd.
Als U dat niet doet, wat komt er dan terecht van Uw werk in deze wereld?
Wat komt er dan terecht van Uw kerk?
Wat komt er dan terecht van ons die U geroepen hebt tot Uw dienst?
Waar God zegt: Ik kan niet mee, zegt Mozes: U moet. Het kan niet anders.
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Zo vragen ook wij Gods aanwezigheid, God persoonlijk mee.
Het kan niet anders. Het moet.
Want wat komt er anders van ons terecht?
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Amen

Preek nieuwjaarsmorgen 2017

Preek nieuwjaarsmorgen 2017
Schriftlezing: Johannes :1-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Laten we dit jaar beginnen met Christus.
Want er is toch niemand anders met Wie we het nieuwe jaar kunnen beginnen?
Hij was er al, voordat de wereld geschapen werd.
Alles wat er is, is er door Hem gekomen.
In het begin was het Woord –
met dat Woord wordt Christus bedoeld, voor Hij naar de aarde kwam.
Alle dingen zijn door het Woord gemaakt,
en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is.
Ook deze aarde zijn door het Woord gemaakt, ook de wereld waarin wij leven.
Christus, die hier het Woord genoemd wordt,
omvat de hele geschiedenis die de aarde heeft en zal kennen.
Hij staat aan het begin van de aarde en de geschiedenis,
als Heer, als Schepper
en zal ook in het komende jaar Heer, Schepper zijn.
Alle dingen zijn gemaakt – ook het jaar 2017 is er door Hem.
Anno Domini 2017 – ook het jaar 2017 is het jaar
waarin Christus Heer is, waarin Hij regeert.

Woord – zo wordt Christus hier genoemd,
het woord waardoor God aan het begin heeft gesproken,
het woord waarmee God deze wereld heeft geschapen,
in het leven geroepen, bij name geroepen.
Vanaf het begin heeft God gesproken
en door dat spreken is de wereld ontstaan, geschapen.
God is nooit ophouden te spreken.
Ook in het jaar 2017, hoe dat jaar ook zal zijn, zal God de sprekende God zijn,
die tot ons en tot de wereld spreekt.
Een spreken vol macht, door wegen te openen die er voor ons gevoel niet zijn.
Een spreken dat tot leven kan wekken wat dood is, doen opstaan uit de dood.
Een spreken vol betrokkenheid en liefde,
waarmee God laat weten: ‘Ik laat deze wereld niet los en Ik laat jou niet los,
ook niet in het komende jaar.’
Dat is het houvast waarmee we het komende jaar in kunnen.
Christus die al vanaf het begin van de schepping bezig is met deze wereld,
door Wie deze wereld geworden is,
zal ook in het komende jaar zorg dragen voor deze wereld,
voor u, voor jou, voor mij.
Op de achtergrond speelt niet alleen Genesis 1 mee,
waarin de Bijbel ons meedeelt hoe de wereld is geschapen door Gods spreken,
maar ook Jesaja 55:
Want zoals regen neerdaalt uit de hemel en daarheen niet terugkeert,
maar aarde doorvochtigt en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen
en zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter,
zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat,
het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt.
Ook in 2017 zal het Woord van God niet vruchteloos, zonder effect zijn.
Als het Woord van God, dat niet vruchteloos zal zijn, dat effect zal hebben,
kwam Christus op aarde – om mens te worden – om nog meer effect te hebben:
dat mensen in Hem gaan geloven en het leven vinden.

Dat Christus effect zal hebben, zien we niet altijd
en zullen we ook in het komende jaar niet altijd zien.
Ook in het komende jaar zullen er rampen komen:
natuurrampen, aanslagen misschien ook wel,
of misschien wel afscheid nemen van iemand die ons dierbaar is.
Ook in het komende jaar zullen we berichten horen over christenvervolging.
En ook in het komende jaar zullen we niet alleen horen
over hoe mensen tot geloof komen of een groei in geloof doormaken,
maar zullen we ook horen over ongeloof,
zullen we misschien zelf in eigen kring meemaken
dat je op weerstand kunt stuiten, omdat je gelooft
of wilt praten over God, over Christus.
Als je dat meemaakt, kun je ontmoedigd raken.
Als je hoort van ingrijpende gebeurtenissen,
dan weet je zelf misschien niet eens hoe je moet reageren
en kun je ook nog eens van vrienden of collega’s de vraag krijgen:
‘Jij gelooft in God, toch? Kun jij mij dan vertellen hoe het zit?’
Dan is het niet altijd eenvoudig om te geloven dat in Christus het leven is,
dat Hij het leven brengt,
als je berichten hoort over mensen die omgekomen zijn
en de vraag bij je boven komt, of door anderen gesteld:
Had God dat niet kunnen tegenhouden?
Als Hij alles in Zijn macht heeft, als Hij deze wereld geschapen heeft
en leidt en bestuurt?

Er is op deze wereld een duisternis.

Soms wordt die duisternis zichtbaar in een gruwelijke gebeurtenis,
die nog weken het nieuws beheerst en waar je nog weken van verbijsterd kunt zijn,
Soms wordt die duisternis zichtbaar in het klein, wat meer verborgen:
in een keuze die iemand maakt, die heel nadelig uitpakt voor anderen:
een scheiding, als iemand opgelicht wordt,
als iemand allerlei kwade geruchten over je de wereld in helpt,
waar je jezelf niet tegen kunt wapenen.
Soms merk je de duisternis in je eigen hart en kun je van jezelf schrikken.
duisternis, zegt Johannes, is vooral het tegengestelde van God,
waar God niet wordt geloofd,
waar Zijn stem die tot leven roept, wordt genegeerd,
waar Christus wordt afgewezen.
Het Woord, Jezus, het spreken van God is op aarde gekomen
om hier op aarde het licht te zijn en het licht weer te brengen.
Christus die het leven in zich heeft, eeuwig leven, is gekomen
om weer dat leven te geven aan wie het verloren hebben.
In deze wereld, die door God geschapen is,
maar donker geworden is, omdat het God heeft afgewezen,
is Christus gekomen – om te schijnen.
In een wereld waarin de duisternis soms de macht lijkt te hebben,
is Christus gekomen als het licht.
Zoals bij de schepping God met het licht de duisternis verdreef
en wegbande, geen plek in de goede schepping had,
zo is Christus gekomen, om de duisternis van de zonde, van de dood,
van ziekte en geweld te verdrijven.
Daarom is Christus op aarde gekomen,
om het leven te brengen, leven in verbondenheid met God,
met degene die deze wereld geschapen heeft en bewaart en leidt.
Christus kwam op aarde om de duisternis te verdrijven
en mensen weer terug te brengen.
Het licht schijnt in de duisternis – in deze wereld kwam Christus
om er Zijn Vader te brengen, om te vertellen en te getuigen
en de mensen terug te brengen bij Zijn Vader.
Ook al is Hij weer terug gegaan, Hij is nog steeds het licht dat schijnt,
in een wereld die van God niet wil weten – en ook dat zullen we wellicht in 2017 zien, misschien ook wel heel dichtbij –
kwam Hij om die duisternis van het niet willen weten van God,
het niet willen leven met God te verdrijven.

Dat stuit op weerstand en dat zal op weerstand blijven stuiten.
Maar hoe groot die weerstand ook zal zijn,
het licht van Christus zal niet doven, niet op deze aarde.
Christus zal sterker zijn dan de duisternis,
sterker dan de dood, sterker dan de duivel,
sterker dan iedereen die zich tegen God verzet.
Dat is al vanaf het begin van de wereld zo,
dat God sterker is dan de duisternis.
Toen Hij de hemel en de aarde schiep, maakte Hij scheiding tussen licht en duister.
Voor het duister was er op Zijn wereld geen plek
en mensen waren bedoeld om in Zijn licht te leven.
Ook in de tijd voor de komst van Christus op aarde, was Zijn macht sterker.
Met Christus op aarde was dat nog eens een bevestiging van Zijn macht
en van Zijn wil om mensen te redden van deze duisternis.
God wil deze duisternis op aarde niet.

Sindsdien loopt er een tweedeling door de mensheid:
degenen die van het Licht, van Christus, van Gods uitgestoken reddende hand
niets moeten weten en liever in de duisternis blijven,
die strijden tegen het licht,
maar ook die andere groep: die wel gelooft,
die blij en dankbaar is met het Licht dat voor hen gekomen is,
die merken dat er met hen iets is gebeurt,
waar ze zelf geen vat op hebben,
iets dat hun leven vernieuwt, radicaal vernieuwt,
nog bijzonderder is dan hun geboorte,
een nieuwe geboorte, van boven.
Als u door dit Licht gegrepen bent,
als je gelooft dat je zonder Christus niet meer kunt leven,
dan zegt Johannes: dan heb je een bijzondere volmacht,
een bijzondere toestemming van Christus zelf.
Dan mag je jezelf kind van God noemen,
je bent weer van God geworden, weer kind van de hemelse Vader,
omdat je gelooft dat Christus ook voor jou, voor u gestorven is.
Kun je dat van jezelf dan zeggen?
Nee, dat is niet iets dat je jezelf aanmatigt, maar wat je mag zeggen
op basis van de toestemming van Christus.
Omdat Zijn spreken in je niet zonder effect is gebleven,
omdat Zijn spreken in jou leven heeft gedaan wat God behaagt,
het keert niet zonder vrucht bij God terug.

Of heeft Zijn spreken nog geen gehoor bij je gevonden en roept Hij nog tevergeefs?
Dan is het komende jaar een jaar dat je nog krijgt uit Gods genade,
zodat Hij ook in jouw leven het donker kan verdrijven.
‘Donker in mijn leven? Het is zo donker nog niet in mijn leven’, kan je reactie zijn.
‘Ik red me nu nog prima.’
Maar je mist dan God wel en hoe kan je leven zonder God prima zijn?
Ja, die reactie is mogelijk, dat je ondanks
dat Christus als een licht in je leven schijnt,
je niets met Hem hebt, dat het van je afglijdt.
Het is een van de moeilijke vragen van het geloof:
Als het Woord van God effect heeft, als Christus geloof vindt,
als er mensen zijn die zich kinderen van God noemen, waarom dan niet bij iedereen.
Waarom kan dat afgewezen worden?
Johannes geeft ons moed: laat je niet ontmoedigen.
De duisternis zal het niet winnen, ondanks de tegenstand en het ongeloof
is Christus niet voor niets gekomen.
Hij kwam om op aarde te schijnen.
En Zijn licht schijnt nog steeds.

‘k Heb U altijd van node, dag en nacht,

slechts uw gena verwint des bozen macht.

Wie kan als Gij mijn gids en sterkte zijn?

Blijf bij mij, Heer, in nacht en zonneschijn!

 

Soms meer als gebed:

Houd hoog uw kruis voor mijn verdonk’rend oog,

Licht in de schemer, leid mij naar omhoog!

De morgen daagt, de schaduw gaat voorbij:

in dood en leven, Heer, blijf mij nabij!

Met deze belijdenis en dit gebed gaan we het nieuwe jaar in,
met hoop en geloof, omdat Christus kwam en het liet weten:
Ik ben niet voor niets gekomen.
Ik ben Gods Woord en dat zal doen wat God wil, ook in 2017.
Amen

Preek nieuwjaarsdag 2012

Preek nieuwjaarsdag 2012

Lukas 2:29-30
Nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, volgens Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als we aan Simeon denken, zien we een oude man voor ons. Een oude man, die een heel leven voor zich heeft. Zo wordt hij ook vaak afgebeeld: als een oude man, die een eerbiedwaardige leeftijd bereikt heeft.
Maar is dat wel zo? Is Simeon een oude man? Hoe komen we er eigenlijk bij om van Simeon een oude man te maken. Heeft dat te maken met het lied dat hij zingt, een lied waarin hij zingt dat de Heere hem nu mag laten gaan in vrede? Wanneer we van Simeon een oude man maken, zou dit gedeelte eerder geschikt zijn voor oudjaarsavond. Dan zouden we met deze oude Simeon terugblikken en zeggen dat het goed was zo. In onze terugblik zouden we bedenken: We hebben een mooi en gezegend leven gehad. Dit lied van Simeon zou dan een lied zijn, dat wij zelf op onze oude dag zouden zingen. Als afsluiting van een leven. Het zit er nu op.
Wanneer we zo denken, zou dat betekenen dat wij het leven zelf in eigen hand hebben en als het voor ons genoeg is, dat wij het leven da teruggegeven aan de Heere. Als wij bepalen dat wij genoeg in dit leven hebben gezien. Als we oud en verzadigd zijn.
Het kan zijn, dat wij zo denken. We doen er in ieder geval Simeon geen recht mee. Hij zegt niet tegen de Heere: ‘Nu is het mooi geweest. Ik heb genoeg in het leven gezien. Alles wat ik nog mee wilde maken, heb ik bereikt. Nu mag het wat mij betreft erop zitten.’ Nee, Simeon stelt een vraag of de Heere hem van zijn plicht wil ontslaan. Simeon heeft zijn leven niet voor zichzelf geleefd, maar voor God. Op het leven van Simeon is zondag 1 van de Heidelberger Catechismus van toepassing: Hij wist dat hij, Simeon, toebehoorde aan Jezus Christus, Zijn getrouwe heiland en zaligmaker. Al had hij zijn Heiland en Zaligmaker tot dan toe nog niet gezien, Hij stond in dienst van zijn Heere.
Wellicht is het u wel eens opgevallen, dat de Catechismus in dat bekende antwoord geen onderscheid maakt tussen leven en sterven. Terecht maakt de catechismus geen onderscheid. De opstellers hebben het goed begrepen, dat er geen onderscheid is tussen leven en sterven als het gaat om toebehoren aan de Heere Jezus. We behoren met lichaam en ziel, in leven en sterven aan Hem toe.
Wat dat betekent om in niet alleen met het oog op het naderende sterven, maar ook midden in het volle leven van de Heere Jezus te zijn, kunnen we zien aan Simeon. Hij zingt het uit met het Kind in zijn armen: Nu laat Gij, Heere, uw dienstknecht gaan in vrede. Het is een verzoek aan de Heere. Simeon had zijn leven niet in eigen hand. Hij was geen kapitein op zijn eigen levenschip. U kent wellicht wel het versje. Mijn vader schreef dat bij mijn zussen in hun poëziealbum: Geef de Heiland ’t roer in handen van uw aardse levenschip. Dat had Simeon gedaan. Hoor maar wat hij zingt: uw dienstknecht. Hij zingt niet: nu de reis van mijn aardse levenschip er bijna op zit, zoek ik een haven waarin ik mijn schip kan aanmeren, zodat ik veilig aan land kan komen. Simeon had zijn leven niet in eigen hand, maar was een dienstknecht. Dat woord geeft aan, dat Simeon een ondergeschikte was. Hij volgde de bevelen van de Heere op. Dat zien we niet alleen aan het woord dienstknecht, maar ook uit wat Lukas nog meer over Simeon vertelt: dat de Heilige Geest op hem was. Dat kan ook een verlangen van ons zijn om met de Heilige Geest vervuld raken. Beseft u wel dat u daarmee de regie over uw eigen leven kwijtraakt. Want vervuld raken met de Heilige Geest betekent niet, dat we op hetzelfde niveau staan als God en dat Hij ons alles laat weten waar Hij mee bezig is. Het kan natuurlijk wel zo zijn, dat je door de Heilige Geest een tipje van de sluier wordt opgelicht en dat we iets mogen zien van Gods plan. Vervuld raken met de Heilige Geest betekent ook niet, dat wij enthousiast gemaakt worden, in vuur en vlam en er nu eindelijk voor gaan. Nee, vervuld zijn door de Heilige Geest betekent juist het tegenovergestelde: dat we toeschouwer worden gemaakt. Passief. Het enige wat we moeten doen, is op weg gaan naar de plaats die God ons wijst, zodat wij getuige zijn van wat God doet. Net als Simeon. Zijn leven stond in het teken van de verwachting. Hij zal er over gesproken hebben. Hij zal de belofte, die hij van God ontvangen heeft, wellicht hebben gedeeld met anderen. We weten het niet. Daar gaat het ook niet om. Het gaat de Heere erom, dat wij slechts komen om het heil, dat Hij, de Heere, bereidt om dat te aanschouwen. Christenzijn zit niet in activiteiten, maar in aanschouwen van wat God doet. De machtige, grote daden van God op ons laten inwerken. Zoals Simeon daar staat, met het Kind in zijn armen. De redder. Degene die verwacht werd, waar hij, Simeon, zo naar heeft uitgekeken.
Nu hij het Kind gezien heeft, nu hij met eigen ogen de weg ziet, die God gekozen heeft om Israël de vertroosting te zien, nu mag hij gaan. Zijn taak was niet om een massa op de been te brengen om deze redder, deze troost van Israël met groots onthaal te ontvangen. Hij moest slechts zichzelf brengen. Hij zegt ook niet: mijn taak zit er op. Hij vraagt: mag ik in vrede gaan. Hij dient een verzoek in aan diegene die de regie heeft over zijn leven. Maar als de Heere andere plannen met hem heeft? Zou hij, Simeon, dan ook zeggen: Uw wil geschiede? Ik vermoed van wel, want hij was in leven en sterven, met lichaam en ziel, met alles wat hij had, eigendom van Christus, van dat Kind dat Hij in de armen heeft.
Nu laat gij, Heere, uw dienstknecht gaan in vrede. Ik heb deze tekst niet voor niets gekozen om het nieuwe jaar mee te beginnen. Want wat Simeon hier zingt, zo horen we in het leven te staan. Met de bereidheid dat ons kan laten gaan, als Hij van mening is, dat onze taak er op zit. Christenzijn, dat betekent: dat we kunnen leven met de bereidheid om te sterven. Niet dat we leven alsof ons leven er op zit en hier op deze aarde niets meer te zoeken is, maar leven met de wetenschap dat dit leven niet het enige is. Dat we niet alles uit dit leven hoeven halen, want dat ook een leven in Gods heerlijkheid komt. Op zo’n manier leven, dat ook het leven hier op deze aarde al van Christus is. Zoals Paulus dat zegt: het leven is mij Christus, het sterven is winst. Ook dat eerste: dat ons leven Christus is. Daar is wat Simeon belijdt. Zijn leven is van Christus.
Wat het betekent dat ons leven van Christus is, kunnen we beter begrijpen als we het vergelijken met een gewoonte van nieuwjaarsdag, namelijk: de goede voornemens. Aan het begin van het jaar nemen we voor om te minderen met onze slechte gewoontes: stoppen met roken, minder drinken, meer tijd voor het gezin, meer tijd voor God. Het heeft ook iets moois, dat het nieuwe jaar iets van een nieuwe start krijgt. Als we er in slagen om die slechte gewoonten te minderen, mogen we daarin de genade van God zien. Hij geeft ons weer een nieuw begin. Waar het mij om gaat, is dat wij van goede voornemens vaak weinig terecht brengen. We beloven het aan onze familie of aan onszelf. Soms tegen beter weten in. En we menen het ook wel, maar op de een of andere manier slagen wij er zelden in om onze voornemens in praktijk te brengen. Om echt een nieuw leven te leiden. Al in januari vallen wij weer terug in het oude levenspatroon. Daarmee frustreer je jezelf. Je voelt je falen. Daar ga je weer. Je had het al gedacht, dat je het niet zou halen, maar je wilde het toch proberen. En nu je weer in je oude patroon terugvalt, val je jezelf zo tegen.
Het leven is Christus vraagt om een andere kijk naar onszelf. Het gaat er allereerst niet om wat wij doen, wat wij voornemen, maar om wat God doet. De enige rol die wij hebben is toekijken naar wat God in ons leven doet, in de wereld om ons heen. Oog hebben voor het werk van de Heere. Daarmee zeg ik niet dat u geen goede voornemens moet hebben. En ik zeg ook niet, dat u niet moet stoppen met slechte gewoonten. Want het maakt nogal uit of wij zelf ons eigen leven op de rit moeten hebben of dat er een Kind is geboren, die gekomen is voor degenen die weinig van hun leven maken. Voor degenen die het wel proberen om het goed te doen, maar op de een of andere manier niet in slagen. We moeten overigens niet te onschuldig denken over die slechte gewoonten. Bepaalde slechte gewoonten kunnen grote gevolgen hebben voor de nabije omgeving. Veel drinken bijvoorbeeld zorgt voor spanningen in een huwelijk, zorgt ervoor argwaan naar elkaar, een verstoring. Natuurlijk wil je er mee breken, wie wil dat ten diepste niet. Maar het goede dat ik wil, dat doe ik niet en het kwade dat ik niet wil, dat staat mij bij. Als je in dat patroon gevangen bent, kun je verlangen naar vrede. Vrede met de mensen om je heen, vrede met God, vrede met jezelf.
Nu zal dat niet iedereen te maken hebben met zulke ontwrichtingen. Maar op de een of andere manier hebben wij er allemaal wel mee te maken dat wij onze waardigheid afmeten aan wat wij kunnen of wat we hebben bereikt. Net als bij de goede voornemens, waar het gaat om wat wij (moeten) doen.  Je hebt dat niet altijd door, totdat je thuis komt te zitten en echt alles moet inleveren wat te maken heeft met je baan. Of als je iets overkomt, dat je door ziekte echt niet meer kunt. Een hard gelag. Een moeizame tijd waarin je noodgedwongen onder ogen ziet, dat er meer in het leven is dan je werk. Dan wat jij kunt.
Laat uw dienstknecht gaan in vrede. Laat dat onze levenshouding zijn. Niet alleen aan het einde van het jaar, of aan het einde van een leven. Maar aan het begin van het jaar. Heel ons leven. Zodat wij die vrede ontvangen.
Wat is de vrede dan waarover Simeon zingt en waar de engelen in het hun koor ook over hadden? Voor ieder werkt dat weer anders uit, maar het heeft alles te maken met dat Kind, dat alles een licht uitstraalt over alles en iedereen dat God gekomen is om zich te ontfermen. Dat dit kind gekomen is als een redder. God troost Zijn volk Israël en de gehele wereld door dit Kind, Zijn eigen Zoon. Die vrede merken we niet alleen in de zegeningen die we ontvangen. Als het goed met ons gaat, als wat wij kunnen wordt beloond. Die vrede kan er ook zijn als het leven tegenzit. Die vrede is meer dan accepteren van wat er over je heen komt. Die vrede is het geloof dat je leven geborgen is bij God. Dat wat er ook gebeurt, dat God je leven leidt en in Zijn hand houdt. Op de pieken van je leven, op het toppunt van je kunnen, maar ook in de diepe dalen, waarin je het niet meer ziet zitten. Die vrede heeft ermee te maken dat mijn Heiland voor al mijn zonden betaald heeft. Dat wie ik ben te maken heeft met dat Kind dat Simeon in zijn armen houdt.
Mijn ogen hebben het gezien, wat God gedaan heeft. Dat Kind. Voor ons is dat zien niet weggelegd, zoals Simeon dat wel mocht. Maar mij mogen er over horen en het op die manier van heel dicht bij ervaren. Het gaat erom, dat God iets doet. En als wij al iets moeten doen is dat kijken, aanschouwen, op ons laten inwerken en geloven. Het gaat er niet om dat ik mijzelf overeind houd, maar het gaat er om wat God mij geeft. Dag in dag uit. Leven als christen is kunnen ontvangen, leven uit wat God geeft. Leven alsof we kunnen sterven. Niet om het hier op te geven, maar wel om te relativeren. Het echte leven is dat leven dat God mij geeft, waarin ik geborgen ben in het werk van Christus. Nu laat gij, Heere, uw dienstknecht gaan naar 2012, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.
Amen