Mogelijkheid om liefde te tonen

Mogelijkheid om liefde te tonen

Oudtestamenticus John H. Walton had in het voorjaar van 2005 een studente uit Indonesië in zijn colleges. Het land wad enkele maanden geleden getroffen door de tsunami. Walton vroeg haar naar haar familie. Ze waren allemaal gespaard. In de jaren ervoor waren alle christenen namelijk door militante moslims verdreven vanuit het kustgebied naar de binnenlanden. Daardoor werden wel de moslims getroffen en niet de christenen. De christenen zagen dit als een straf van God. Hun wijze en vrome predikant wist echter dit beeld te kantelen. De tsunami was voor de christenen mogelijkheid om hun liefde te tonen door hulp te geven aan degenen die hen dwars gezeten / vervolgd hadden. ( John H. Walton, Job, NIVAC in zijn toepassing bij de toespraken van Elihu, Job 32-37)

Heb lief! Over een verhaal van een Samaritaan die goed doet.

Heb lief! Over een verhaal van een Samaritaan die goed doet.
Eugene H. Peterson – Tell It Slant (2)

Lukas heeft in zijn evangelie een ‘reisverslag’ van de weg die Jezus gaat vanuit Galilea naar Jeruzalem. Hij gaat daarbij door Samaria heen. In het eerste hoofdstuk van Tell It Slant zegt Eugene H. Peterson dat Samaria grensgebied, tussenin is: niet het Galilea waar Jezus rondtrok en verkondigde en niet het Jeruzalem van de tempel en Golgotha. Samaria is het gebied waar mensen vijandig zijn of waar mensen vanwege hun onverschilligheid geen band met God hebben. Het eerste verhaal dat Jezus vertelt op die reis is het verhaal van een Samaritaan die goed doet: de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37).

Drop-outs
Voordat Jezus dit verhaal vertelt, gaat de aandacht eerst naar 3 drop-outs, die Jezus niet kunnen of willen volgen:
– Een man die zegt dat hij Jezus wil volgen. Het antwoord van Jezus is dat Hij niet in hotels verblijft, maar geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De man verdwijnt daarop uit beeld.
– Er is een man die Jezus wel wil volgen, maar dan op eigen voorwaarden.
– Een man die best Jezus een keer zou willen volgen, maar nu nog niet. Hij is er nog niet klaar voor. Jezus gaat niet in op deze voorwaarden. We volgen Jezus op de voorwaarden die Hij stelt.

Uitgezondenen
Als contrast van de drie drop-outs krijgen we te horen van 72 mensen die Jezus wel gehoorzaam zijn. Zij trekken er op uit op bevel van Jezus. Jezus bereidt hen voor op weerstand, op oppositie. Niet iedereen in Samaria zal enthousiast reageren op de boodschap dat het koninkrijk van God gekomen is.

Oordeel
De weigering om te geloven is een serieuze aangelegenheid, want Jezus spreekt in het oordeel. Alleen als Hij over het oordeel spreekt, heeft Hij het niet meer over Samaria, maar heeft Jezus het opeens over steden uit Galilea, waar Hij rondtrok, verkondigde en onderwijs gaf: de ‘evangelische driehoek’ van Chorazin, Bethsaïda en Kapernaüm.
Wat Jezus hiermee wil aangeven is: verwacht weerstand hier in Samaria, dat vijandig kan zijn of op zijn minst onverschillig zal reageren, maar ga er niet vanuit dat deze weerstand tegenover de boodschap van het aangebroken koninkrijk van God uniek is voor de vijandige of onverschillige Samaritanen. Ook in Galilea is er deze weerstand.

Verrast door vreugde
De 72 mensen die uitgezonden zijn, zijn overweldigd door de positieve reacties. Tijdens hun missie onder de Samaritanen worden de uitgezondenen ‘verrast door vreugde’. Bij terugkomst worden ze wel weer gewaarschuwd door Jezus: ze lopen het gevaar om het bijzondere centraal te stellen en dat ze daarbij de kern vergeten. De kern is dat ook hun eigen namen in de hemel geschreven moeten staan in het boek van het leven.

Reacties op de boodschap
Deze twee uitersten – de 3 drop-outs die Jezus niet kunnen of willen volgen en de 72 mannen die gehoorzaam op pad gaan en overweldigd worden door de positieve respons – geven een realistisch beeld van hoe er in dat vijandige of onverschillige Samaria op de boodschap van het koninkrijk van God gereageerd wordt. Deze verhalen laten zien dat het uitdragen van de boodschap onder mensen die vijandig of onverschillig zijn gepaard gaat met zowel teleurstelling als met grote vreugde.

Wetgeleerde
Dan komt er iemand bij Jezus. Iemand van wie niet de naam wordt genoemd maar wel de functie: een wetgeleerde. Vandaag de dag zou je kunnen zeggen: hoogleraar theologie, bijbelwetenschapper. Hij wordt geïdentificeerd met zijn werk. De taak van deze bijbelwetenschapper is om uit te maken of het beroep wat mensen doen op de Bijbel terecht is. Hij komt om Jezus aan de Bijbel te toetsen.

Toetsen
Het toetsen aan de Schrift is helemaal niet verkeerd. De intentie hoeft niet gemeen te zijn. Het werk van deze hoogleraar is een serieuze zaak. Niemand wil een messias die niet de toets van de Schrift kan doorstaan. De norm voor messias is daarvoor te hoog. Jezus wordt vaker getoetst en op de proef gesteld. Nog voor zijn publiek optreden wordt hij getoetst door de satan. Tegen het einde van Zijn missie op aarde wordt Hij op de proef gesteld in de hof van Gethsemané. Tijdens de laatste maaltijd geeft Jezus aan: ‘Jullie zijn altijd bij mij geweest in verzoekingen.’ (Lukas 22:28) Een van die toetsen is de vraag van de wetgeleerde.

Toets via vraag om persoonlijk advies
Er komt een deskundige bij Jezus om Hem te toetsen. De toets is verpakt in een serieuze vraag om persoonlijk advies over het verkrijgen van het eeuwige leven. Deze wetgeleerde weet wat hij doet. Hij weet dat als je iemand toetst door een vraag te stellen diegene ontwapend is en zich niet bedreigd voelt. Wanneer je iemand om persoonlijk advies vraagt is dat minder aanvallend dan wanneer je iemand ter verantwoording roept. Een vraag om advies laat iets van respect zien.

Wedervraag
De man is geen partij voor Jezus, want hij krijgt van Hem een vraag terug. Toen Elie Wiesel wel eens gevraagd werd waarom Joden zoveel vragen stellen, stelde hij een wedervraag: waarom niet?In de reactie van Jezus zien we hoe Jezus de taal gebruikt: niet om te verkondigen of om te interpreteren, maar om de conversatie aan te gaan. Een conversatie nodigt uit tot participatie en bewerkstelligt participatie. De wetgeleerde moet nu zelf een antwoord geven. De rollen zijn omgedraaid. Jezus keurt het antwoord goed en geeft de man een opdracht: handel op deze manier en je zult leven!

Zelfrechtvaardiging
Alleen als je je niet op je gemak voelt of als je zelf aanvoelt dat je niet helemaal goed zit, ga je jezelf rechtvaardigen. Wat gaat er dan mis? Waarover voelt de wetgeleerde is ongemakkelijk? Met zijn professionele competentie is niets mis. Hij kent de Schrift. Door de vraag van Jezus wordt hij gedwongen na te denken over zijn levenshouding, over hoe hij is. Misschien voelt hij aan dat hij niet betrouwbaar is in een relatie die hem op de weg van lijden kan brengen. Heeft elke relatie dat niet in zich? Misschien dat hij niet bereid is om zich in te zetten in een relatie die om liefde vraagt. Misschien dat hij zich niet waagt aan een relatie met God of de mensen om zich heen, omdat een relatie onzekerheden en risico’s met zich meebrengt.

Zelf getoetst
De wetgeleerde wordt nu zelf persoonlijk betrokken in de toets. Ook hij moet de toets ondergaan. De wetgeleerde, die ondanks de wedervraag en de opdracht van Jezus nog niet overtuigd is van Jezus’ orthodoxie, gaat opnieuw een vraag stellen: ‘Wat is uw definitie van “naaste”?’ Lukas geeft weer dat de man zichzelf wilde rechtvaardigen. De man is expert in godsdienstige gesprekken. Hij weet dat iemand zich – zelf een heel leven lang – kan verschuilen achter godsdienstige vraagstukken.Hij moet gedacht hebben dat hij met
zijn wedervraag zich er op een goede manier uit redde. Aangeven wat je naaste is, is ontzettend moeilijk. Het is gemakkelijker om te omschrijven wie God is dan om aan te geven wie je naaste is.

Stereotypen
Door een verhaal te vertellen daagt Jezus de man uit nog meer te participeren. Hij nodigt door de gelijkenis de man uit om over zichzelf na te denken. Op deze weg door Samaria vertelt Jezus een verhaal aan een Joodse deskundige op geloofsgebied. Bewust van de stereotypen die leven vertelt Jezus een verhaal over een man die over een Joodse weg gaat en overvallen wordt. Drie keer wordt deze man – is het een Jood? – in de steek gelaten: door de overvallers, door een priester en een Leviet. Net als de wetgeleerde waren de priester en de Leviet ingewijd in de betekenis van de torah. Zij waren ervoor om het volk te onderwijzen in het liefhebben van God en de naaste, om het volk in te wijden en aan te spreken. Het is een Samaritaan die de man verpleegt en wegbrengt naar een betere plek.

Naaste
De hele conversatie tussen de wetgeleerde en Jezus draait om vragen. De definitieve vraag komt bij Jezus vandaan: Wie werd een naaste? De wetgeleerde moet het antwoord geven: die barmhartigheid heeft laten zien. Het verhaal van Jezus definieert niet wat een naaste is, maar creëert een naaste. Het verhaal van Jezus doorkruist alle mogelijke definities van ‘naaste’. De vraag is voortaan: ben ik een naaste? ‘Je kunt een naaste niet definiëren; je kunt alleen een naaste zijn.’ (Heinrich Greeven)

Heb lief!
Het leidende woord, hoewel niet nadrukkelijk aanwezig, is een werkwoord in de gebiedende wijs: heb lief! Het gebod om lief te hebben is de rode draad door de gehele conversatie. Liefde als zelfstandig naamwoord is een ingewikkeld woord, waar psychologen, filosofen en theologen veel woorden aan gewijd hebben om de culturele uitingen, de emotionele reacties en de psychologische nuances te verwoorden. In de Bijbel is liefde niet een woord waarover gediscussieerd wordt. Liefde als zelfstandig naamwoord komt in de Schrift voor. Maar vaker is het een werkwoord: zo lief heeft God de wereld gehad.

Verbeelding
Als een gebiedende wijs vraagt het om een houding van gehoorzaamheid, om in praktijk gebracht te worden: heb lief! ‘Ga en doe net zo!’ zegt Jezus. Geen vragen meer, geen antwoorden, geen veilige woorden over God of christelijk jargon (godtalk). De verhalen die Jezus vertelt spreken tot onze verbeelding om ons tot liefhebben uit te nodigen. Geen onpersoonlijke discussies meer, maar gehoorzame participatie, gehoorzame volgelingen op de weg van Jezus door Samaria.

Antwoord
Begreep de bijbelwetenschapper de opdracht die in het voor hem zo vertrouwde liefdesgebod wel? We kunnen die vraag niet beantwoorden. We kennen alleen ons eigen antwoord en onze eigen verhalen.

N.a.v.: Eugene H. Peterson, Tell It Slant. A Conversation on the Language of Jesus in His Stories and Prayers.  Serie: Conversations in spiritual theology, deel 4 (Grand Rapids / Michigan: Eerdmans, 2008) 32-43.

Naastenliefde

Naastenliefde als ethiek op ooghoogte: de ander écht zien

Het is een van de bekendste christelijke begrippen: naastenliefde. De Duitse theoloog Thomas Söding heeft er een boek over geschreven. Hij zet Jezus’ opdracht tot naastenliefde in een verrassend perspectief.

Naastenliefde is een toonaangevend begrip in de christelijke ethiek, omdat naastenliefde in het onderwijs en het leven van Jezus een belangrijke plaats innam. Die naastenliefde geldt ook voor degene met wie je het niet goed kunt vinden, zegt Jezus. ‘Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel’ (Matteüs 5:44-45a).

Deze woorden van Jezus zijn zo bekend, dat gemakkelijk de indruk bestaat dat hij de liefde voor de naaste heeft ingevoerd, schrijft Söding, katholiek theoloog en nieuwtestamenticus aan de Ruhr-Universiteit. Dat is niet zo. Door deze opdracht aan zijn leerlingen te geven toont Jezus zich een zoon van Israël. Als hij in de Bergrede de opdracht tot naastenliefde geeft, citeert Jezus uit de Thora een gebod dat de Heer aan zijn volk heeft gegeven: Heb je naaste lief als jezelf (Leviticus 19:18, 34).

Ook in de radicale uitleg, waarmee hij de opdracht tot naastenliefde uitbreidt tot het liefhebben van de vijand, is Jezus niet uniek, benadrukt Söding. In de context van de Heiligheidswet (Leviticus 19-26) wordt ook de vreemdeling, de niet-Israëliet als naaste gezien. Ook op andere plaatsen in het Oude Testament wordt de vreemdeling als naaste gezien. Zo mag een Israëliet niet het hoofd wegdraaien als hij ziet, dat de lastdier van een niet-Israëliet onder de last bezwijkt (Deuteronomium 22:1-4).

31567-1_Soeding_Naechstenliebe_V7.indd

Over grenzen

In de Thora is de Heer de basis van de naastenliefde. Omdat de Heer Israël liefheeft en Israël heeft uitgekozen is, krijgt het volk de opdracht om als volk van de Heer die liefde naar anderen uit te dragen. Niet alleen binnen het eigen volk, maar ook over de grenzen van het eigen volk. De Heer is immers de enige God die er is en Schepper van hemel en aarde. De andere volken hebben ook hun leven aan de liefde en zorg van de Heer als schepper te danken. Naastenliefde is het doorgeven dan de zorg en de liefde die Israël zelf van de Heer ontvangt. In de uitwerking van de naastenliefde in de Heiligheidswet wordt zichtbaar dat de naastenliefde is een ethiek van aangezicht tot aangezicht is, aldus Söding. Een ethiek op ooghoogte waarbij men elkaar in de ogen kijkt om elkaar echt te zien.
Het is niet verwonderlijk dat het gebod tot naastenliefde een belangrijke kern is in het onderwijs van Jezus. In zijn onderwijs werkt hij steeds die ethiek van aangezicht tot aangezicht uit, beschrijft Söding. Zijn optreden wordt steeds gekenmerkt door die ethiek op ooghoogte, waarbij de ander echt wordt gezien. Maar niet alleen in zijn onderwijs en zijn praktijk is de naastenliefde voor Jezus belangrijk. Het unieke van Jezus is dat de naastenliefde een christologische invulling krijgt: zijn eigen leven en zijn komst naar deze aarde is zelf uitdrukking van de naastenliefde die God heeft. Ook in de radicalisering om de vijanden lief te hebben. Jezus geeft van zichzelf aan dat hij de vervulling is van de wet. Die vervulling van de wet houdt in dat Jezus niet de wetten en richtlijnen van de Heer uit de Thora afschaft, maar de oorspronkelijke intentie met zijn eigen leven vervult.

De naastenliefde staat in het teken van Jezus’ zending en van zijn boodschap over het koninkrijk van God. Zijn komst naar de aarde is de belichaming van Gods liefde, ook voor degenen die God afwijzen. Zijn komst, zijn optreden en zijn sterven aan het kruis is Gods naastenliefde. Hij vervult met zijn woorden en daden en met zijn leven dit gebod.
In het Oude Testament wordt het gebod van de naastenliefde wel gekenmerkt door een spanning. Wanneer iemand vijandig tegenover God is, is dat in het Oude Testament vaak wel een grens: Zou ik niet haten wie u haten, Heer, niet verachten wie tegen u opstaan? (Psalm 139: 21). De haat tegenover Gods vijanden krijgt echter niet een plaats in de ethiek. De Israëliet wordt niet opgeroepen de vijanden van God te doden. Deze haat krijgt een plaats in het gebed: in de worsteling met God, waarbij de bidder een appel doet op Gods gerechtigheid.

Spanning

Daarmee draagt de naastenliefde in het Oude Testament een spanning in zich: ieder met wie men omgaat is een naaste. Wanneer men zich echter tegen God keert is een grens bereikt: de grens van Gods gerechtigheid. In het vroege Jodendom blijft die spanning bestaan. De naaste is dan vaak de mede-Israëliet. De haat tegen de vijanden van God blijft ook aanwezig. Niet als een oproep om geweld tegen hen te gebruiken, maar als een oproep voor de Jood om zich van de kwaaddoeners af te keren.

In het onderwijs van Jezus krijgt deze spanning ook een plaats, door voor de vijand het tegenovergestelde te doen: in plaats te wreken,te reageren met een zegen en een gebed voor de vijand. Jezus bracht dat zelf ook in praktijk doordat hij, terwijl hij aan het kruis werd geslagen, bad om vergeving voor zijn vijand. In de Bergrede gaf Jezus aan, dat dit gebed in lijn staat met wat God doet: Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matteüs 5:45).
Jezus draagt zijn leerlingen op hem na te volgen. Door de naastenliefde in praktijk te brengen, worden mensen onderdeel van het koninkrijk van God, dat Jezus verkondigde en dat in Jezus is aangebroken. Naastenliefde is een vorm van zelfverloochening en het dagelijks opnemen van het kruis. In de eerste gemeenten die ontstonden krijgt de naastenliefde een belangrijke rol. Naar binnen toe is de liefde die men zelf ontvangt de norm voor hoe men met anderen omgaat. Ook in conflicten die de gemeenten verdelen. Naar buiten toe is naastenliefde een manier om aan anderen de goedheid en genade van Christus uit te dragen. Kort nadat de gemeenten ontstaan begint ook de eerste vervolging. In die tijd neemt de naastenliefde toe: in het verdragen van het onrecht en het gebed om bekering van de vervolgers.

 

* N.a.v. Thomas Söding, Nächstenliebe. Gottes Gebot als Verheißung und Anspruch (Freiburg/Basel/Wien: Herder Verlag, 2015)


 

naastenliefde

Naastenliefde

31567-1_Soeding_Naechstenliebe_V7.indd

Naastenliefde is een toonaangevend begrip in de christelijke ethiek, omdat naastenliefde in het onderwijs en het leven van Jezus een belangrijke plaats innam. Die naastenliefde geldt ook voor degene met wie je het niet goed kunt vinden: ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. (Matteüs 5:44-45a)

Deze woorden van Jezus zijn zo bekend, dat gemakkelijk de indruk bestaat dat hij de liefde voor de naaste heeft ingevoerd. Dat is niet zo. Door deze opdracht aan zijn leerlingen te geven toont Jezus zich een zoon van Israël. Als hij in de bergrede de opdracht tot naastenliefde geeft, citeert Jezus uit de torah een gebod dat de Heer aan zijn volk heeft gegeven: Heb je naaste lief als jezelf (Leviticus 19:18, 34). Ook in de radicale uitleg, waarmee hij de opdracht tot naastenliefde uitbreidt tot het liefhebben van de vijand, is Jezus niet uniek. In de context van de Heiligheidswet (Leviticus 19-26) wordt ook de vreemdeling, de niet-Israëliet als naaste gezien. Ook op andere plaatsen in het Oude Testament wordt de vreemdeling als naaste gezien. Zo mag een Israëliet niet het hoofd wegdraaien als hij ziet, dat de lastdier van een niet-Israëliet onder de last bezwijkt (Deuteronomium 22:1-4).

Ethiek op ooghoogte

In de torah de Heer de basis van de naastenliefde. Omdat de Heer Israël liefheeft en Israël heeft uitgekozen is, krijgt het volk de opdracht om als volk van de Heer die liefde naar anderen uit te dragen. Niet alleen binnen het eigen volk, maar ook over de grenzen van het eigen volk. De Heer is immers de enige God die er is en Schepper van hemel en aarde. De andere volken hebben ook hun leven aan de liefde en zorg van de Heer als schepper te danken. Naastenliefde is het doorgeven dan de zorg en de liefde die Israël zelf van de Heer ontvangt God. In de uitwerking van de naastenliefde in de Heiligheidswet wordt zichtbaar dat de naastenliefde is een ethiek van aangezicht tot aangezicht is.een ethiek op ooghoogte waarbij men elkaar in de ogen kijkt om elkaar echt te zien.

Vervulling
Het is niet verwonderlijk dat het gebod tot naastenliefde een belangrijke kern is in het onderwijs van Jezus. In zijn onderwijs werkt hij steeds die ethiek van aangezicht tot aangezicht uit. Zijn optreden wordt steeds gekenmerkt door die ethiek op ooghoogte, waarbij de ander echt wordt gezien. Maar niet alleen in zijn onderwijs en zijn praktijk is de naastenliefde voor Jezus belangrijk.
Het unieke van Jezus is dat de naastenliefde een christologische invulling krijgt: Zijn eigen leven en zijn komst naar deze aarde is zelf uitdrukking van de naastenliefde die God heeft. Ook in de radicalisering om de vijanden lief te hebben. Jezus geeft van zichzelf aan dat hij  de vervulling van de wet. Die vervulling van de wet houdt in dat Jezus niet de wetten en richtlijnen van de Heer uit de torah afschaft, maar de oorspronkelijke intentie met zijn eigen leven vervult. De naastenliefde staat in het teken van Jezus’ zending en van zijn boodschap over het koninkrijk van God. Zijn komst naar de aarde is de belichaming van Gods liefde, ook voor degenen die God afwijzen. Zijn komst, zijn optreden en zijn sterven aan het kruis is Gods naastenliefde.  Hij vervult met zijn woorden en daden en met zijn leven dit gebod.

Spanning
In het Oude Testament wordt het gebod van de naastenliefde wel gekenmerkt door een spanning.  Wanneer iemand vijandig tegenover God is, is dat in het Oude Testament vaak wel een grens: Zou ik niet haten wie u haten, HEER, niet verachten wie tegen u opstaan? (Psalm 139:21). De haat tegenover Gods vijanden krijgt echter niet een plaats in de ethiek. De Israëliet wordt niet opgeroepen de vijanden van God te doden. Deze haat krijgt een plaats in het gebed: in de worsteling met God, waarbij de bidder een appèl doet op Gods gerechtigheid.
Daarmee draagt de naastenliefde in het Oude Testament een spanning in zich: Ieder met wie men omgaat is een naaste. Wanneer men zich echter tegen God keert is een grens bereikt: de grens van Gods gerechtigheid. In het Vroege Jodendom blijft die spanning bestaan. De naaste is dan vaak de mede-Israëliet. De haat tegen de vijanden van God blijft ook aanwezig. Niet als een oproep om geweld tegen hen te gebruiken, maar als een oproep voor de Jood om zich van de kwaaddoeners af te keren.
In het onderwijs van Jezus krijgt deze spanning ook een plaats, door voor de vijand het tegenovergestelde te doen: in plaats te wreken te reageren met een zegen en een gebed voor de vijand. Jezus bracht dat zelf ook in praktijk doordat hij, terwijl hij aan het kruis werd geslagen, bad om vergeving voor zijn vijand. In de bergrede gaf Jezus aan, dat dit gebed in lijn staat met wat God doet:
Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen ( Mattheüs 5:45).

Navolging
Jezus draagt zijn leerlingen op hem na te volgen. Door de naastenliefde in praktijk te brengen, wordt men onderdeel van het koninkrijk van God, dat Jezus verkondigde en dat in Jezus is aangebroken. Naastenliefde is een vorm van zelfverloochening en het dagelijks opnemen van het kruis. In de gemeenten die ontstaan krijgt de naastenliefde een belangrijke rol. Naar binnen toe is de liefde die men zelf ontvangt de norm voor hoe men met anderen omgaat. Ook in conflicten die de gemeenten verdelen. Naar buiten toe is naastenliefde een manier om aan anderen de goedheid en genade van Christus uit te dragen. Kort nadat de gemeenten ontstaan begint ook de eerste vervolging. In die tijd neemt de naastenliefde toe: in het verdragen van het onrecht en het gebed om bekering van de vervolgers.

N.a.v. Thomas Söding, Nächstenliebe. Gottes Gebot als Verheißung und Anspruch (Freiburg / Basel / Wien: Herder Verlag, 2015)

Preek zondag 20 febr 2011 (Lukas 10:25)

Preek 20 februari 2010
Schriftlezing: Lukas 10:21-37 en Romeinen 14:7-12

Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? (Lukas 10:25)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Deze vraag kan een oprechte vraag zijn. Bijvoorbeeld, als wij nadenken over onszelf en beseffen: wij zijn kwetsbare mensen. “Wij zijn mensen van één seconde,” zei iemand vrijdag na afloop van de begrafenis tegen mij. Hij bedoelde daarmee: in één seconde kan het leven voorbij zijn, waarbij het niet uitmaakt of we oud zijn of jong. We hebben in de afgelopen week ook kunnen zien hoe de dood onverwacht kan komen.
“Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Dat is een vraag die we niet zomaar uit de weg kunnen gaan. Wat een voorrecht om te mogen belijden dat de hemel opengaat en het eeuwige leven als een erfenis, een geschenk, klaar staat. Daarbij kunnen we alleen maar de naam van de Here Jezus noemen. Zonder Hem is er geen eeuwig leven. Of anders gezegd: door Hem is juist de weg geopend.
De Here Jezus zegt het ook tegen zijn discipelen: “Jullie zijn bevoorrecht! Velen hebben er naar verlangd om te mogen zien wat jullie zien en het gebeurt voor jullie ogen.”
Dat geldt ook voor ons. Wij hoeven niet in onzekerheid te zijn over het antwoord. De vraag Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? hoeft ons niet benauwd te maken. Het liefhebben van Christus is genoeg. Het onvoorstelbare kan ons wel eens bezig houden: Als ik de Here Jezus liefheb, is dat wel genoeg? Natuurlijk! De Here is toch niet Iemand die ons voor de gek houdt? Het kan wel aan ons blijven knagen: hoe kan God óns liefhebben? Dat is voor ons een vraag. Het wordt ons echter ook weer steeds voorgehouden: “Het is voor u, voor jou! Ik heb te voor u klaar!” Wees niet zo dwaas om het niet aan te nemen, omdat u gelooft dat het niet genoeg is. Het is genoeg!

Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Dat is hier echter geen dringende kwestie. Het is geen vraag waar de wetgeleerde van wakker ligt. Hij weet het al! Hij wil alleen maar kijken of Jezus het antwoord ook weet. Hoort u wat hij ten diepste zegt? “Ik heb het! Voor mij is het een veilig bezit. Ik ben er zeker van!” Hij zegt wel “ik”, maar hij houdt zichzelf op een afstand: de kritische beoordelaar, de controleur. Komt die ander wel met het juiste antwoord? Is hij wel zuiver op de graat? Ten diepste is hij helemaal niet in Jezus geïnteresseerd, maar in zijn eigen meetlat. Past Jezus langs mijn meetlat? Hij durft daarvoor een van de meest heilige vragen te misbruiken Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Dat is toch een vraag die ons allemaal aangaat? Waar we soms van wakker kunnen liggen? Een vraag van eeuwigheidswaarde? Een vraag die we allemaal persoonlijk onder ogen moeten zien? Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Het is een snijdende opmerking. De Here Jezus was nog vol van de Heilige Geest en meteen wordt Hij met die snerpende vraag teruggeroepen in de werkelijkheid van alledag, de werkelijkheid van elkaar toetsen, beoordelen en de maat nemen. Hier staat de wetgeleerde als keurmeester: is die Jezus wel uit het juiste hout gesneden?
Weet u wat er aan de hand is? Deze man bekijkt de wereld alleen maar vanuit zichzelf. Vanuit zijn eigen perspectief. Op een uitkijktoren boven de mensen. Hij wil niet teveel met de mensen rondom Jezus in aanraking komen. Stel je voor dat zij hem onrein maken. Die anderen interesseren hem niet. Als ze zich maar op de juiste manier gedragen. Als zij maar op de juiste manier geloven.
Het is gevaarlijk om Jezus langs je meetlat te leggen. Want dan zeg je: Ik zit goed. Eens kijken of Jezus wel aan mijn normen en maatstaven voldoet.
Deze man dacht bij zichzelf: “ik wandel het koninkrijk van God wel binnen. Het eeuwige leven is er al voor mij. Kijk maar naar wat ik er allemaal voor over heb.  Ik heb de bevoegdheid om mensen te toetsen en te keuren op hun geloof en gedrag. Ook om een oordeel te vellen over de woorden van Jezus. Deugt die Jezus wel?”
Want wat zegt de Here Jezus over zichzelf: “Zalig de ogen die zien,” Gelukkig de ogen die mogen zien dat Jezus de Vader onthult.
Deze man ziet echter Jezus niet, maar alleen zijn eigen meetlat. Keurend, wikkend en wegend gaat hij door het leven. De evangelist Lukas is gevoelig voor zulke keurende mensen, Haarfijn voelt hij dat aan.
Keuren, oordelen schept een afstand tot de medemens. Ik kom de hemel wel in, maar die ander? Dat moet ik nog maar zien. Het is alsof Lukas het met verontwaardiging opschrijft: Man, Gods Zoon staat voor je neus. David, Jesaja en Mozes hebben naar dit moment verlangd. Daar is Hij. Doe je ogen open! Hij, Jezus, schenkt je het eeuwige leven. Dit is de kans van je leven! Maar nee, Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
Hij denkt niet alleen aan zichzelf, maar hij luistert ook voor anderen. Horen zij wel de juiste dingen> Maakt Jezus het voor hen niet te gemakkelijk om het eeuwige leven te beërven? Er moet toch ook nog wat gedaan worden? Af en toe heb ik de indruk dat kerkgangers voor anderen luisteren: Het is goed dat deze preek gehouden wordt, want die en die is in de kerk. Goed dat hij het even hoort. Wie zo denkt, vergeet dat de preek niet voor de ander is bedoeld, maar voor zichzelf. Weet u dat zo denken voor de ander ten diepste zonde is? We gaan op de stoel van God zitten en doen alleen iets wat alleen God mag: een oordeel vellen over een ander.

Dan gebeurt er iets waar deze man niet op gerekend had. Hij krijgt de bal terug: “Wat denk je zelf? Je wilt jezelf buiten schot houden, maar hoe ga jij zelf om met Gods geboden?”
Ho, maar daar had hij niet om gevraagd. God liefhebben met alles wat in je zit, dat gaat nog wel. Kijk maar wat hij er voor over heeft, hoe stipt hij leeft. Dat breng ik in praktijk. Maar mijn naaste liefhebben? Als mijzelf? Moet ik dat gaan doen?
Ho, maar het was niet de bedoeling dat ik iets ging doen, dat ik aan de bak moest! De bal moest bij Jezus komen te liggen. Is er wel een naaste voor mij, die ik kan liefhebben? Ik kan toch niet iedereen liefhebben? Hierbij moet u bedenken dat de opdracht om de naaste lief te hebben (een gebod uit het Oude Testament) alleen werd toegepast op het eigen volk. Alleen heidenen die zich bij het Joodse volk hadden gevoegd door zich te laten dopen (proselietendoop) vielen ook onder dit gebod. En de zondaars dan, de hoeren en de tollenaars? Die plaatsten zichzelf toch buiten het verbond? Die kon hij toch niet liefhebben? Dan zou hij toch de zonde tolereren? En als hij er mee in aanraking kwam, zou hij onrein worden en kon hij God niet met alle overgave meer dienen. Er zijn toch uitzonderingsgevallen? Ik kan mijn buurman, die niet naar de kerk gaat, toch niet als mijn naaste beschouwen? Degene die op een andere manier de zondag invult (om eens iets van mijzelf te noemen waar ik mij in het begin over verbaasde), bijvoorbeeld door op vakantie te gaan, die kan toch geen echte gelovige zijn? Dat is wat de geleerde tegen Jezus zegt: Meester, als expert van de wet weet ik dat er uitzonderingsgevallen zijn. Situaties waarin men de naaste gewoon niet kan liefhebben. Er zijn toch categorieën van mensen die mijn naaste niet kunnen zijn? Merkt u hoe hij zich verzet tegen Jezus?
Maar de Here Jezus gaat niet mee in de voorbeelden. Het gaat de Here Jezus om iets anders. Niet de anderen in groepen verdelen: zo van jij hoort er bij en jij niet. Het gaat om onze houding naar de ander toe. Daarom vertelt Hij een verhaal:
Een man komt uit Jeruzalem. Wat zal hij in Jeruzalem hebben gedaan? In ieder geval de tempel hebben opgezocht. Nadat hij overvallen is door rovers ligt hij bijna dood langs de kant van de weg. Een priester en een leviet, dienaren van de Here, die vast dienst hebben gedaan in de tempel en weten wat Gods geboden inhouden, die weten wie de naaste is, zij zien deze man en denken bij zichzelf: “Lieve help, als ik maar niet onrein wordt, want dan kan ik nooit meer van mijn leven dienst doen in de tempel.” Ze redden hun eigen hachje door met een boogje om hem heen te lopen. Ze kijken angstvallig naar de man om hem te ontlopen en hem niet te hoeven aanraken. Ze kiezen voor hun eigen veilige, vertrouwde wereldje, maar dat blijkt een wereld vol valse zekerheid te zijn. Hun eigen zuiverheid is belangrijker dan de redding van de ander. Dat die ander verloren gaat… als ik maar laat zien dat ik trouw ben aan God.
Dan komt er een Samaritaan. Een onreine in de ogen van de halfdode Jood. Als de Samaritaan deze man zou aanraken, zou hij hem onrein maken. Had die Samaritaan moeten zeggen: “Sorry, ik kan je niet helpen, want dan zou ik je onrein maken?”

Waarom vertelt de Here Jezus dit verhaal? Om ons verantwoordelijk te maken. De Here Jezus vraagt niet: voor wie de halfdode man een naaste is, maar hij vraagt: wie gedraagt zich als een naaste voor die halfdode man? Het gaat er niet om wie mijn naaste is, maar voor wie ben ik een naaste? Niet alleen om de vraag, hoe ik het eeuwige leven beërf, mar wat ik doe, zodat ook die ander het eeuwige leven beërft. Hoe kunnen wij anders God met al onze krachten dienen? De vraag: hoe beërf ik het eeuwige leven is een belangrijke vraag, die we niet onder tafel mogen schuiven. Maar die vraag kan niet beantwoord worden zonder die andere vraag: wat doe ik om die ander te redden. Het eerste gebod God liefhebben boven alles is verbonden aan het liefhebben van onze naaste. Laat ik iemand verloren gaan, omdat ik bang ben voor mijn eigen zuiverheid? Maar wat koop ik voor mijn eigen zuiverheid als ik me distantieer van de ander, de ander verloren laat gaan? Als ik de ander alleen maar langs mijn meetlat leg in plaats van de ander bij God te brengen?
Wij zitten als mensen raar in elkaar. Als God zegt: hier is mijn genade, zeggen wij: Heer is dat niet te weinig? Moeten wij ook niet wat doen? En als God zegt: goed, je mag wat doen: heb je naaste lief als jezelf, dan zeggen wij: maar dat bedoelden wij niet. Wij waren alleen geïnteresseerd in het eeuwige leven. Dat eeuwige leven is niet los verkrijgbaar. Hoe kunnen wij met alle heiligen verenigd worden als wij ons hier van een aantal van hen hebben gedistantieerd? De hemel is er niet alleen voor ons. Het gaat erom, dat wij net als die Samaritaan de barmhartigheid van de Here laten zien. Aan anderen. Wat komt daar van terecht? Soms lukt het ons. Soms lukt het ons ook niet en kunnen wij alleen maar zeggen: Heer, wees mij zondaar genadig. De Here is barmhartig en kan ons ook genezen en bevrijden van onze egocentrisme. Ons bekeren van onze ik-gerichtheid. Daarmee bevrijdt Hij ons ook van onze valse zekerheid. Onze zekerheid ligt niet in onszelf, maar in Christus. Maar omdat wij van Christus zijn, worden wij ook opgedragen naar anderen iets van Christus te laten zien en anderen barmhartig te zijn.
Amen

ds. M.J. Schuurman