Preek in de belijdenisdienst 2019

Preek in de belijdenisdienst 2019
Genesis 31:43-52, Jesaja 43:1-4, Mattheüs 7:7-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zal het vast elk jaar zeggen als er belijdenis gedaan wordt,
maar ik zeg het nog maar een keer:
het is bijzonder om mee te maken hoe iemand
naar het moment van belijdenis toegroeit.

Het is voor mij elk jaar weer een groot voorrecht om getuige te mogen zijn
van mensen die groeien in geloof
door de gesprekken met elkaar over de Bijbel, over wat God in je leven doet.
Afgelopen september zijn we begonnen.
De een wat aarzelend: het is misschien wel goed om belijdenis te gaan doen.
De ander al meer overtuigd:
Ik wil mijn leven aan Jezus geven, met Hem verder gaan.

Voor jullie een bijzonder moment,
voor mij ook bijzonder om met jullie te mogen optrekken in die afgelopen maanden.
En ook voor iedereen hier in de kerk bijzonder dat jullie belijdenis willen doen,
bemoedigend voor de gemeente om te zien
dat jullie je leven met Christus willen delen.
Pinksteren: het feest van de Geest, oogstfeest.
Jullie zijn de oogst van de Geest, de Geest heeft in jullie gewerkt
en zal dat blijven doen.

De belofte bij de doop:
Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest
verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen
en dat Hij ons tot leden van Christus zal heiligen.
Zo wil de Heilige Geest aan ons schenken wat wat in Christus hebben: de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente van de uitverkoren in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen.

Ik kijk even de ouders van deze nieuwe lidmaten aan
De meeste van jullie ouders mogen hier getuige van zijn
en als een van je ouders dit niet meer heeft kunnen meemaken,
zul je vast gedacht hebben:
had mijn vader, mijn moeder dit maar mogen meemaken.
Mooi voor de ouders, die dit mogen meemaken en getuige van mogen zijn.
Ze hebben jullie laten dopen en mogen nu zien
hoe jullie zelf antwoord geven op de doop.

Er is van alles besproken.
We hadden het over de Bijbel, over geloof, over God,
maar ook over andere zaken: over studeren, toetsen, onderzoeken,
over de spanning van ziekzijn en onderzoeken, over familie.
Soms heel serieus, dan weer wat minder serieus.
Soms was het voor mij ook weer even zoeken
naar hoe het gesprek weer bij het onderwerp van de avond gebracht kon worden.

Want we dwaalden ook wel eens af.
Dat afdwalen had ook iets moois.
Als je bij elkaar komt om je te verdiepen in het geloof,
om verder op de weg van Christus te gaan dan hoort alles van je leven erbij.
Ook de kleine dingen, die je op dat moment bezighouden,
Zoals de stress van de opleiding, de hectiek van werk en gezin.
Geloof is niet een afgezonderd stukje van je leven, een apart eilandje,
dat alleen maar op zondag of op een kwartiertje op een avond even aangedaan wordt, maar geloof in Christus heeft met heel je leven te maken:
Ook met hoe je je werk doet, met hoe je met collega’s of medestudenten,
met familie en vrienden omgaat, waar je je kracht om iets te doen vandaan haalt.
Als je belijdenis doet, geef je aan dat je met heel je leven en alles wat je hebt
wil horen bij Christus.
Daarom zullen jullie straks ook knielen, om aan te geven: heel mijn leven is van U.


In de afgelopen weken hebben we samen deze dienst voorbereid.
Jullie hebben liederen aangedragen, die we zouden kunnen zingen.
Ook hebben jullie verteld welk gedeelte uit de Bijbel veel voor jullie betekenen.
Het zijn 3 verschillende gedeelten: uit Genesis, uit Jesaja en uit Mattheüs.
Die drie verschillende stukjes uit de Bijbel hebben wel een overeenkomst.

De overeenkomst is dat God in je leven aanwezig is en dat Hij in je leven werkt.
In een gedeelte gaat het erom, dat je Hem erom vraagt.
Als je Hem vraagt om iets, zal Hij het geven.
Hij werkt ook in je leven als je er niet om vraagt, als je je er niet bewust van bent.
Dat zijn de andere twee gedeelten.

In Jesaja gaat het om God die je bij je naam roept.
Net zoals een vader of moeder bij je op de slaapkamerdeur klopt en bij je bed
om te zeggen dat je op moet staan.
Of je vriend, vriendin, je man of vrouw, die je naam zegt om te zeggen: Ik hou van je!
Nu kunnen je ouders, je vriend of vriendin,
je man of vrouw nooit altijd bij je zijn.
God wel.

Ook op de moeilijke momenten: als je door het water moet gaan, of door vuur.
Als je ergens bent en je niet verder kunt, of het kost veel moeite om verder te gaan
of als je ergens doorheen moet
en je er niet zonder kleerscheuren vanaf zult brengen.
Dan zegt God: Ik ben bij je en ga met je mee en je zult dat merken.

Ook als het minder heftig en gewoner is, geldt het: Ik ben bij je en help je.
Met je studie, in je gezin en familie, met je werk.
God gaat mee en staat je bij, omdat je belangrijk voor Hem bent.
Kostbaar in Gods ogen, waardevol. God die tegen je zegt: Ik hou van je!

God zegt dat tegen jou, die soms zo twijfelt aan jezelf
en bij jezelf denkt: Ik stel niet zo veel voor. Ik ben het maar.
Denk je dat God iets met mij wil?

Kostbaar ben je voor God en Hij kent de gedachten die je in jezelf hebt.
De twijfels die in je leven over jezelf, die anderen helemaal niet kennen.
Waardevol, zo waardevol dat Hij het grootste geschenk gaf: Hij gaf Zijn eigen Zoon.

Moet Hij nog meer laten zien, dat Hij zo om ons geeft?
Jesaja zegt dat God niet naar het grote kijkt.
Israël, een klein volkje, op dat moment ook in een hele moeilijke periode,
stelde eigenlijk helemaal niet zoveel meer voor – God zegt: jullie zijn Mijn volk.
Ik roep jou.
Stel dat er een belangrijk iemand hier in Oldebroek komt
en er staan allemaal mensen op de eerste rij: de sponsoren, de belangrijkste Oldebroekers
En dat diegene jou dan naar voren roept, je bij je naam roept en zegt: Jou wil ik erbij!
God zegt dat over jou en over mij: Ik bereid om alle anderen op te geven,
om jou te winnen.
Zoveel beteken je voor Mij. Zo groot is Mijn liefde voor jou.

Dat God in je leven werkt, heb je niet altijd direct door.
Er kunnen periodes zijn,
waarop je je er helemaal niet bewust van bent dat God in je leven werkt.
Je merkt het niet op en het zegt je ook niets.
Je hebt je eigen leven en God niet echt nodig.
Daarom sta je er niet open voor, dat God in je leven wil komen, met je wil optrekken.
Als je er niet voor open staat,
dan moet God een weg vinden om in je leven te komen.

Dat kan Hij, omdat Hij ons kent en ook ons leven bestuurt.
Hij zorgt ervoor dat er momenten zijn,
waarop we niet aan Hem voorbij kunnen gaan.
Dat is het verhaal van Jakob.

De rode draad in de verhalen van Jakob is dat zijn leven door God wordt gestuurd.
Daar lijkt het vaak niet op.
De ene keer lijkt het erop, dat hij zelf heel goed in staat is om zijn leven te sturen.
Als hij van Ezau het eerstgeboorterecht krijgt voor een bord soep
en als hij zijn vader bedreigt en net doet of hij Ezau is om de zegen te ontvangen.
Dan lijkt alles tegen te zitten en God ver weg te zijn.
Hij moet vluchten en kan niets meenemen.
Hij  moet hard moet werken voor zijn bruid,
wordt zelf bedrogen door zijn schoonvader.

Toch zijn er momenten, waarop God van zich laat horen.
Als Jakob alleen ligt de slapen, een kwetsbare vluchteling, berooid,
zonder enige steun,
zegt de Heere dat Hij meegaat en dat Jakob weer hier zal terugkomen in dit land.
In het gedeelte dat we gelezen hebben is Jakob weer op weg naar huis
en de opdracht om naar huis te gaan komt bij God vandaan.
Duidelijke momenten waarop God zich in het leven van Jakob laat merken.

Zo zijn er in jullie leven ook zulke momenten geweest,
waarin je stil gezet werd.
Christus die je tegen hield,
even een pas op de plaats liet maken
en je deed nadenken: vergeet je iets niet?
Vergeet je niet met Mij bezig te zijn?

Je kunt stil gezet worden, omdat je ziek wordt.
Of omdat je even een pas op de plaats moet maken
en alles even niet meer aankunt.
Of door een opmerking die iemand maakt,
waardoor je een bepaalde kant opgeduwd wordt,

Waarin je toch de stem van Christus hoort, die jou een kant op wil sturen.
Ik denk dat als je terug gaat in je leven, dat er heel wat momenten zijn geweest
Waarin Christus met je bezig is geweest,
aan de deur van je hart stond
en aanklopte om binnengelaten te worden.

Vaak via mensen, die door Hem gebruikt werden:
een vader of moeder die je over de Heere Jezus vertelde,
aan wie je iets kon merken van de liefde die er voor Christus is.
Vrienden met wie je over het geloof sprak.

Zo werkt de Heere in je leven om jou bij Hem te krijgen.
Een buurvrouw die je psalmen leerde: Opent uwe mond, eist van mij vrij moedig.
Bid en u zal gegeven worden, zoekt en u zult vinden, klopt en voor u zal worden opengedaan.
– Mooi als je dat als kind al hebt mogen leren. Daar mag je dankbaar voor zijn!

Zo eenvoudig is het – en toch aan de kant van ons mensen niet.
Voor allevier is het van jullie niet vanzelfsprekend gegaan.
Voor drie van de vier zijn er jaren overheen gegaan
voor je zover was om belijdenis te doen.
Steeds was er weer wat, waarom je het niet deed.

Maar nu zijn jullie – gelukkig! Goddank! – zover dat je belijdenis kunt doen.
Ook als je jong bent, is het niet een stap die je zomaar even doet.
Al heb je al heel jong het verlangen gehad om belijdenis te gaan doen
en ik hoop dat er heel wat jongeren in de gemeente zijn,
die aan het nadenken gezet worden om volgend jaar belijdenis te gaan doen
of anders het jaar erop,
al heb jij dat verlangen heel jong al gekregen – door de Geest die in je werkt,
het is ook voor jou niet iets dat je zomaar even doet.
Ook voor jou is het bijzonder om hier te voorin te zitten en straks te knielen.

Een heel seizoen is voorbijgegaan – voorbij gevlogen!
Waarin heel wat gebeurd is, waarin jullie elkaar hebben leren kennen
en naar elkaar zijn toegegroeid en met elkaar mochten optrekken.
Nu gaan jullie weer je eigen weg verder.
Misschien samen met elkaar naar een van de Bijbelkringen.
Misschien ieder voor zich.
Jullie delen wel wat samen.
Zo komen we uit bij de tekst uit Genesis 31: Laban en Jakob die afscheid nemen.
Zij weten dat ze elkaar niet meer zullen zien
en dat Laban zijn dochters niet meer zal zien.
Ze weten ook, dat er een God is, die met hen meegaat,
en al gaan zij uit elkaar en zullen ze elkaar niet meer zien,
God houdt hen samen.
Zo zijn jullie in de liefde van Christus met elkaar verbonden,
hoe jullie ook verder gaan.
Of je elkaar nog veel ziet of dat je allemaal een eigen weg gaat.
God verbindt jullie samen, en niet alleen jullie als groep,
maar ook jullie en de gemeente.

Je kunt dat heel tastbaar maken met een Mizpa-munt:
Twee helften, die bij elkaar passen.
Als je allebei een helft meeneemt, dan is er iets dat jullie samenbindt
en dat is die munt die gedeeld is, maar meer nog de God waarover die munt spreekt.

Als Jakob en Laban uit elkaar gaan, dan markeren ze de plek waar ze waren
Door een hoop stenen bij elkaar te brengen en één grote steen neer te zetten.
Eigenlijk is het Jakob die dat doet.
Hij maakt zichtbaar dat er een God is die in zijn leven werkt.
Met belijdenis doen maak je het ook even zichtbaar:
Je zit vooraan, je zegt ja, je knielt
waarmee je als het ware zegt:
God heeft een stukje van zo’n munt en ik heb zo’n stukje.
Dat past bij elkaar en zo horen wij bij elkaar
en zijn altijd aan elkaar verbonden door de liefde van Christus.
Nu is de belijdeniscatechisatie voorbij – het leertraject niet: je blijft altijd leren.
Jullie zeggen het tegen elkaar en als gemeente zeggen wij het tegen jullie,
Wat Laban en Jakob tegen elkaar zeggen:
Moge de Heere over je waken als onze wegen uit elkaar gaan.

Er is een oude zegen, voor mensen die op reis gingen:
De Heer zij voor u om u de juiste weg te wijzen

de Heer zij achter u om u in de armen te sluiten en om u te beschermen tegen gevaar

de Heer zij onder u om u op te vangen wanneer u dreigt te vallen

de Heer zij in u om u te troosten  als u verdriet hebt

Hij omgeve u als een beschermende muur wanneer anderen over u heen vallen

de Heer zij boven u om u te zegenen  

zo zegene u God vandaag morgen en in eeuwigheid. Amen

 

Preek zondagmiddag 10 februari 2019

Preek zondagmiddag 10 februari 2019
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: vers 18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
We zijn hier bij elkaar om de Heere te danken voor wat Hij ons geeft in het avondmaal.
Allereerst geeft Hij een tafel hier in het midden van de kerk,
waar Hij zelf de gastheer is en waar wij naar toe kunnen gaan
om bij Hem, onze Heere, aan tafel te zitten.
Dat is al een voorrecht: de Heere die hemel en aarde gemaakt heeft,
die alles wat er is gemaakt heeft: de wereld waarin wij leven en de schepping om ons heen,
die aan ons het leven heeft gegeven,
die in de hemel troont en regeert over het hele universum, over alles wat er is,
een voorrecht dat Hij in ons midden wil zijn en dat wij naar Hem toe kunnen gaan,
bij Hem aan tafel kunnen zitten, waar Hij ons bedient met brood en wijn.
De almachtige en heilige God wil met zondaren de tafel delen
en aan hen Zijn goede gaven geven.
Dat op zichzelf is al een reden om de Heere te danken.

Aan Zijn tafel maakt de Heere zichtbaar dat er voor ons vergeving is voor ons.
Een tweede reden om Hem te danken,
dat Hij het ons niet meer aanrekent, wanneer we een verkeerde weg hebben gekozen,
dat Hij het vergeeft als we te weinig vertrouwen hadden,
te weinig met Hem bezig geweest zijn, Hem uit het oog verloren zijn.
Zelf wanneer we tegen Hem in gegaan zijn, een verkeerde keuze maakten, zondigden,
als we ons mee lieten nemen door verleidingen,
dan is er bij de Heere vergeving.
Dat die vergeving er is, wordt zichtbaar in het brood dat gebroken wordt,
een herinnering aan hoe het lichaam van Christus voor ons verbroken werd.
Dat God ons vergeeft en met ons opnieuw wil beginnen wordt zichtbaar in de wijn,
die rondgaat, de beker waaruit we drinken,
die ons weer doet weten, wat Christus heeft over gehad, dat Hij Zijn leven gaf,
dat Hij diep wilde gaan, zo diep mogelijk,
als Herder die het verloren schaap zoekt, hoe ver dat ook is afgedwaald,
bereid om uit de hemel te komen, maar ook bereid om aan het kruis te gaan,
in het rijk van de dood en in de hel, om ons bij de Vader terug te brengen.

Avondmaal is een moment bij Hem zijn.
De grazige weiden, waar we neer mogen liggen en op krachten mogen komen,
de stille wateren, waar Hij ons naar toe leidt.
Hij sterkt ons met Zijn aanwezigheid,
Hij voedt ons met Zijn Woord en lest onze dorst met het levende water, de Heilige Geest.
Avondmaal is een plek op onze reis door het leven,
op de weg die smal is en moeilijk te vinden en moeilijk te gaan is,
om bij te komen, maar ook de bevestiging te krijgen, dat dit de juiste weg is,
de weg die God wil dat we gaan.
We krijgen er aanwijzingen voor hoe we verder gaan
en de bevestiging dat  de Heere zelf mee gaat op onze weg.
Wat we krijgen bij het avondmaal, het moment om heel dicht bij God te zijn,
aan Zijn tafel gast te zijn, gesterkt te worden in het geloof,
de bevestiging dat er voor ons vergeving is en dat God weer opnieuw met ons begint,
ons reinigt van onze zonde – dat nemen we mee als we naar huis gaan
en er zijn in ons eigen huis, in ons gezin, onze familie, de buurt waarin we wonen,
op de plek waar we werken en onder collega’s zijn.
Dat is wat de Heere Jezus bedoelt met de goede vruchten die een gelovige voortbrengt.

(2) Christus verwacht van de gelovige goede vruchten
Het klinkt steeds bij de voorbereiding van het Heilig Avondmaal:
laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken
of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven
waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen
en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht.
Dat laat zien dat het Heilig Avondmaal niet alleen een plek is om op adem te komen,
om gesterkt te worden in het geloof,
om weer te zien en te mogen weten dat het lichaam van Christus ook voor u gebroken is
en dat Hij ook voor jou Zijn leven gaf, daar aan het kruis van Golgotha.
Christus geeft dat aan ons, het is een geschenk dat we aan mogen nemen
en we hoeven daar niets voor te betalen, we mogen dat zo maar ontvangen,
maar Hij verwacht er wel iets voor terug:
Hij verwacht dat we Hem dankbaar zijn
en dat we die dankbaarheid die we hebben niet alleen maar in woorden zullen zeggen,
of als een gevoel in ons hart meedragen,
maar dat die dankbaarheid ook tot uiting komt in wat we doen.
Christus verwacht van ons daden, waarin het zichtbaar wordt,
dat we vergeving hebben ontvangen,
dat God het goed maakte met ons en opnieuw wil beginnen.
Christus verwacht het van ons, dat het zichtbaar wordt, allereerst voor God
maar ook voor de mensen om ons heen,
zodat die weten dat we een God hebben, een Heer hebben die Zijn leven gaf,
die met ons een nieuwe start maakt, die genadig is.
Aan de vrucht zult u ze kennen.
Stel dat je een moestuin hebt, waar je niets aan doet.
Je laat de planten hun gang gaan, ook het onkruid (of het niet-gewenste kruid).
Als je dan een aantal maanden later gaat kijken, om iets uit de tuin te halen
als groente, of vruchten die groeien, of om een bos bloemen op tafel te zetten,
dan zul je niets vinden.
Van een brandnetel kun je geen appel plukken: daar heb je een appelboom voor nodig.
Als er zevenblad in je tuin staat, dan kun je die niet oogsten
om die in de pan te koken en als groente op tafel te zetten.
Wanneer je groente uit de tuin wilt hebben, dan moet je zaaien,
Moet je weten welk zaad je moet hebben
en moet je de tuin steeds wieden en het gewas steeds weer opnieuw verzorgen.
Dan zegt de Heere Jezus: wie gelooft en dat niet alleen maar van binnen doet,
maar ook je karakter door het geloof laat vormen,
als je leven met Christus een stempel op je drukt,
dan ben je kun je verwachten dat er vrucht te vinden is.
Dan zal God dat in ieder geval merken.
Of de mensen om je heen dat merken zullen, hangt ervan af
of zij de ogen hebben om de vrucht van het geloof waar te nemen.
Als je geen werk maakt van je geloof,
als geloof alleen maar een gevoel is dat je af en toe hebt, een fijne stemming,
Als geloof alleen maar iets is wat je oppervlakkig doet
en waar je niet uit leeft, dan moet je er niet raar van opkijken
als je geen vrucht voortbrengt, als er niets bij je te vinden is,
voor God niet en voor de mensen om je heen niet.
Hij draagt het ons wel op, om die vrucht voort te brengen
en de avondmaalstafel, of nu deelgenomen hebben of niet, vraagt aan ons:
En nu, wat ga je er mee doen? Wat breng je er van in praktijk?
Niet om dat als een vervelende plicht te doen,
maar uit dankbaarheid, omdat je zoveel van de Heere ontvangen hebt,
omdat Hij er weer was, omdat Hij je geloof wil vernieuwen en je wil vergeven.
Wat staat daar tegenover? Wat doe je ermee?
Laat je het alleen een fijn gevoel zijn, of mag het ook een uitwerking op je leven hebben?
Denk ook er aan, dat je met wat je in je in je leven gedaan hebt voor God komt te staan.
Zul je dan kunnen aankomen met een mooie oogst uit je leven, die je Hem kunt aanbieden?
In de voorbereiding lopen wij zelf er even in de tijd terug
om na te gaan, welke vruchten wijzelf zouden kunnen vinden in ons leven,
Wat wij vanuit wat wij zien de Heere kunnen aanbieden.

Vrucht dragen kan alleen als je aan Christus verbonden bent,
Als je van Hem bent en als Hij met Zijn Geest in je leven werkt.
Dan mag je ervan uit gaan, dat je wat aan kunt bieden.
Dat je kunt zeggen: Heer, ik heb omgezien naar mijn buurman die niemand had.
Ik was bereid om iemand op te zoeken die het moeilijk had.
Ik was iemand op wie je kon bouwen. Ik heb nooit iemand laten vallen.
God zal vruchten bij ons vinden, die we zelf niet zouden zien:
de vreugde die je uitstraalt brengt bij anderen de vreugde in het leven.
De manier waarop je moedig met je zorgen omgaat, geeft anderen een voorbeeld
om zelf wanneer er moeilijkheden komen niet van slag te raken
en de steun en hulp bij de Heere te zoeken.
Vruchten die groeien als je bij de Heere Jezus hoort.
En met het avondmaal hebben we aangegeven,
dat wat wij er zelf aan kunnen doen ook zullen doen,
uit dankbaarheid en liefde voor God.
Kunnen wij dat wel uit onszelf, wat God ons opdraagt?
En wat brengen er in de komende tijd van terecht?

(3) God laat de gelovige goede werken doen
De belofte van God bij het avondmaal is, dat Hij die vrucht aan ons geeft,
omdat we bij Christus horen
en het vanmorgen weer bij Hem gezocht hebben,
omdat we aan Zijn tafel kwamen en daarmee aangaven:
We brengen er zelf niets van terecht.
De vruchten die wij zelf zien in ons leven, de vruchten van geloof,
is maar een schamele opbrengst en niet de grote oogst die U belooft, die U vraagt.
En  dan zegt Hij tegen ons: Ik laat je vrucht dragen.

Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen.
Als je bij Mij hoort, als je naar Mij luistert, dan zul je vrucht dragen.
Dan zal er iets te vinden zijn, wat je later als je voor Mij verschijnt kunt aanbieden,
dankbaar en vol verwondering, dat je dit mocht doen.
Als je dan op je leven terug kijkt, dan zul je tot je eigen verrassing zien,
dat er een licht van je uitstraalde in de wereld om je heen,
niet je eigen licht, maar Gods licht dat door je heen ging
en dat andere mensen om je heen merkten: er is een God, die ook mijn God wil zijn.
Er is een God, die mij niet veroordeelt als ik kom
omdat er een gelovige was, die mij niet veroordeelde.
Er is een God, die royaal geeft, omdat er een christen in mijn omgeving was,
Die niet karig was in het geven.
Er is een God, die bereid is om iemand die van zijn leven niets gemaakt heeft,
op te zoeken en een nieuw leven te geven,
omdat er iemand was, gedreven door dezelfde liefde die deze God heeft,
Die mij opzocht in de gevangenis of in een kliniek.
Er is een God, die geduld met mij heeft, omdat ik iemand ontdekte,
Die beter thuis was in het geloof, die de tijd en de moeite nam om uitleg te geven
en met mij mee te lopen en mijn vragen aan te horen.
Er is een God die luistert, omdat ik iemand heb waar ik mijn verhaal kan uitstorten
en elke keer als ik met mijn verhaal kom is het niet teveel,
maar kan ik zomaar weer vertellen, waar anderen zeggen: nu weten we het wel.
In wat we doen, vervangen we God niet
en we doen het wellicht, omdat het ons zo geleerd is, of bij ons karakter past
En toch zijn het de gaven die de Heere uit ons leven kan vinden,
vruchten die Hij zelf aan ons laat groeien, omdat we aan Christus zijn verbonden
en dat we aan Christus verbonden zijn, is te merken aan de vrucht die we voortbrengen.
Vrucht voortbrengen is altijd een wonder van God.
Dat geldt voor een appelboom, voor een veld vol koren, voor koeien die melk geven.
Ook de vrucht die in het leven van gelovigen groeit is een wonder van God.
Bijzonder dat Hij ons kan gebruiken, een instrument in Zijn hand
om de wereld om ons heen van Hem te laten zien.
In het evangelie van Mattheüs is er steeds de aansporing om vrucht voort te brengen.
– Dat is wellicht in de afgelopen weken al opgevallen.
Het gaat erom, dat we het niet alleen bij woorden laten, maar ook doen.
Steeds wordt daarbij naar de basis gegaan: ons hart.
Als ons hart goed is, dan is het als een goede boom die goede vruchten voortbrengt.
Vruchten vol smaak en kleur, voedzaam en gezond.
Het is het wonder van Gods genade, dat God met ons hart bezig is om het te zuiveren,
te reinigen van de zonde,
zodat we die goede vruchten kunnen voortbrengen.
Vanmorgen hebben we dat gevierd, mocht het weer zichtbaar worden,
Dat Christus zijn leven gaf, zich liet verbreken om ons te reinigen van onze zonde,
volkomen verzoening van al onze zonden.
Dan kunnen we vrucht voortbrengen.

(4) Afsluiting
Een leven niet voor onszelf, maar voor anderen en vooral voor God.
Dan is ons leven een loflied op Hem,
dan is onze manier van leven een eerbetoon aan onze Heer.

Amen.

Preek zondagmorgen 10 februari 2019

Preek zondagmorgen 10 februari 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Vers 24-27

Gemeeente van onze Heere Jezus Christus,

We moeten allemaal eens voor God verschijnen.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan komen we voor Zijn troon te staan.
Hoe zal Hij dan over ons leven oordelen?
Mag je binnenkomen in Zijn heerlijkheid?
Of zal Hij aangeven dat er geen plaats voor je is?

Je kunt die vraag voor je uitschuiven,
maar er komt een dag waarop we daar staan voor Hem.
Niemand weet wanneer die dag zal komen
en niemand of hij of zij de tijd krijgt om daar alsnog over na te denken.
Als je niet wilt nadenken over hoe het straks zal zijn, als je voor Hem komt,
dan lijk je op iemand die een huis bouwt op het zand, een huis zonder fundament.
Een huis op zand bouwen, betekent dat je je niet zo druk maakt
over hoe het zal gaan als je voor God komt te staan.
Je komt er wel door en zult wel worden binnengelaten.
Je bent dan iemand die een huis bouwt, je eigen levenshuis,
zonder je druk te maken om het fundament,
zonder na te denken of je huis wel stevig staat.
Het is onverstandig, dwaas, als je ervan uit gaat dat het altijd mooi weer blijft,
dat de zon altijd in je leven blijft schijnen.
Als het zover is, blijft er weinig van overeind, want het had geen enkele vastigheid.
De storm, waar de Heere Jezus over spreekt,
de hevige regen en het water dat buiten de oevers treedt en zorgt voor een overstroming,
daarmee bedoelt Hij niet dat er over je aardse levens heel wat stormen kunnen komen.
Dat kan zeker – hier in de kerk zijn er heel wat bij wie het gestormd heeft in hun leven
en ook dan is het belangrijk dat het huis van je leven op Christus de rots is gebouwd.
Maar hier betekenen de storm die om het huis heen waait:
het oordeel van God over ons leven, dat Hij zal uitspreken
Als we aan het einde van ons aardse leven voor Zijn troon komen te staan.
Er is maar één manier waarop ons levenshuis in die storm overeind kan blijven staan,
Waardoor we ook geen zorgen hoeven te maken voor dat moment,
Waarop we voor Hem moeten verschijnen.
Als ons huis gebouwd is op Christus de rots
en het huis van ons leven is op Hem gebouwd
als we Hem in geloof aannemen, als we in vertrouwen op Hem leven
en dat niet alleen bij mooie woorden laten.
Ons levenshuis is op Hem gebouwd, als we Zijn woorden niet alleen horen,
maar ook in praktijk brengen.
Wanneer je dat doet, dan ben je verstandig
en dan weet je zeker dat je kunt verschijnen, dat je houvast hebt.

Wanneer je dat niet doet, wanneer je de woorden van Jezus wel hoort,
maar langs je heen laat glijden en er niets mee doet en ze niet in praktijk brengt
dan ga je er aan voorbij dat je leven hier op aarde eens zal eindigen
en dan ben je net zo dwaas bezig als iemand die een huis bouwt,
zonder voor een goed fundament te denken.
We komen niet alleen aan het einde van ons leven voor God,
maar ook als we in de kerk zijn, als we bidden of lezen in de Bijbel.
Dan komen we voor God te staan.
Omdat we Hem dan niet zien en niet altijd ervaren,
kunnen we er op dat moment aan voorbij gaan, dat we voor God zijn gekomen.
En als we het hier goed hebben, kunnen we het voor ons uitschuiven
dat het moment eens zal komen waarop de Heere vraagt
wat we met ons leven hebben gedaan.
We kunnen dat niet voor ons uitschuiven,
want als we ons levenshuis nu niet op Hem bouwen, dan staat ons huis op het zand
En zijn we onvoorbereid voor dat moment.
Het gaat er om dat ons levenshuis op Hem is gebouwd.
Als we naar de kerk gaan, dan is de vraag die steeds op ons afkomt:
Waar is ons huis op gebouwd?
Op zand omdat we denken dat we er zo wel komen en zelf genoeg doen?
Of is ons huis gebouwd op de enige Rots die er is: Jezus Christus?
Als we avondmaal vieren, dan zijn we bezig om ons levenshuis op Hem te bouwen.
We beseffen dat als Christus niet het fundament onder ons leven is
We niet overeind blijven als we voor Hem komen.
Als we avondmaal vieren, kijken we ook terug en beseffen we
Dat er heel wat momenten weer zijn geweest, waarop we eerder bouwden op het zand
Dan op de Rots, die God ons biedt, de stevigheid, het houvast dat God ons aanreikt.
Avondmaal vieren is de kans weer opnieuw krijgen,
om niet op zand te bouwen, maar ons levenshuis te bouwen op Christus.
Alleen dan heeft ons huis stevigheid en houvast.
Alleen dan blijft ons levenshuis overeind als de storm om het huis giert,
Als een zware regenbui tegen de ramen en de muren aanslaat.
De Heere Jezus vertelt het ons ook als uitnodiging om het te doen,
als aansporing om te komen tot Hem en ons leven niet zonder Hem te leven.
Als waarschuwing dat als we dat niet doen,
we niets anders hebben dan een huis zonder fundament, dat niet overeind blijft.
Als we avondmaal vieren, dan zoeken we onze houvast in Hem.
Dan zeggen we tegen de Heere: wij willen ons huis niet op zand bouwen,
maar ons levenshuis bouwen op het fundament dat U geeft, dat U zelf bent.
Als we avondmaal vieren, is dat een gebed: Bouwt U ons levenshuis,
legt U dat fundament onder ons leven,
want wijzelf zijn geneigd om op een verkeerde plek te bouwen.
Dat moeten we ook belijden, en vragen of U ons wilt vergeven
door het sterven van Uw zoon Jezus Christus
Door Zijn sterven is er fundament onder ons leven
En met dat fundament onder ons leven laat U ons bij U binnengaan. Amen

 

Preek zondag 3 februari 2019

Preek zondag 3 februari 2019
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Mattheüs 7:13-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Er zijn kinderen, jongeren en volwassenen die in deze tijd een keuze moeten maken.
Leerlingen in groep 8 hebben net de CITO-toetsen gemaakt
en denken nu samen met hun ouders na over de school die gekozen moet worden.
Leerlingen op de middelbare school in de 2e of de 3e denken na
over welk profiel er gekozen moet worden voor het volgende jaar.
Eindexamenkandidaten denken na over de vervolgopleiding of studie na het examen.
Er zijn gemeenteleden die een keuze hebben moeten maken
of ze door gingen met een ingrijpende behandeling of chemokuur of gingen stoppen.
In de komende week denken gemeenteleden ook na over de keuze
of ze wel of niet aan het avondmaal zullen aangaan.

Bij een keuze kun je het gevoel hebben, dat je op een kruispunt staat:
Je kunt uit twee of meerdere wegen kiezen,
maar je weet niet goed wat nu de juiste weg is om in te slaan,
omdat je niet goed weet hoe een bepaalde keuze gaat uitpakken.
Je kunt wel kiezen voor havo/vwo, maar je weet niet of je het aankunt.
En je kunt wel kiezen voor kwl of tl, maar je weet niet of het te makkelijk zal zijn.
Je kunt nu wel een bepaald profiel kiezen, maar je weet niet goed
of je met dit profiel wel goede cijfers haalt en zult slagen voor je examens.
Een keuze maken of je wel of niet moet doorgaan met een behandeling
is een ingewikkelde keuze, omdat je niet weet hoe je gaat reageren:
word je er heel ziek door of reageert je lichaam er heel goed op.
Zelfs bij de keuze om aan het avondmaal aan te gaan
of juist de keuze te maken om weg te blijven of om in de bank te blijven zitten
kun je nog de twijfel hebben of je er wel goed aan doet:
Zal deelname aan het avondmaal mij dichter bij Christus brengen?
Is het een goede keuze om weg te blijven of te blijven zitten?

Een keuze maken kan ook ingewikkeld zijn, omdat je niet goed weet
of je de keuze nog een keer kunt maken.
Bepaalde keuzes zijn zo belangrijk, dat je niet meer terugkunt.
Het is dan net alsof je voor verschillende deuren staat:
Bij een keuze ga je door een van deze deuren en je komt nooit meer bij de andere deur.
Als je kiest voor kwl of tl ga je een richting op, waarbij je voor sneller voor een beroep leert
en als je dan toch nog hogerop wil voor een opleiding of studie kan dat extra tijd kosten.
Als je in je examenjaar kiest voor een vervolgopleiding kun je niet zo makkelijk switchen
omdat de kosten te groot zijn voor het ruilen van studie.
Je moet daarom goed weten wat je van tevoren kiest, zodat je geen verkeerde keuze maakt.
Heb je gekozen, dan zit je voor een deel vast aan die keuze.
Ook als het gaat om stoppen met een behandeling of doorgaan, gaat het om een keuze
waarbij je waarschijnlijk niet meer de kans krijgt om nog een keer te kiezen,
of het moet zijn dat de behandeling je zwaar valt en weinig resultaten geeft,
zodat je alsnog wel moet stoppen met de behandeling.
Ook als je kiest om wel deel te nemen aan het avondmaal, kun je misschien niet meer terug
maar ook als je er voor kiest om niet aan te gaan
zal de keuze om ooit wel te gaan niet zo makkelijk genomen worden.

De Heere Jezus wil ook dat we een keuze maken
en gebruikt daarvoor het beeld van een poort (deur) en van een weg:
De poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt,
en weinigen zijn er die hem vinden.
Je hebt twee keuzes: de ene is een hele brede poort en een ruime weg,
de andere is een klein deurtje en smal weggetje.
Moet u zich eens voorstellen wat dat betekent:
De manier van leven, zoals de Heere Jezus die voorschrijft, is geen makkelijke weg.
Het is een klein deurtje, een kleine poort.
Een kleine ingang, waar je zo maar aan voorbij kunt lopen, als je er niet op gericht bent
en als je er naar op zoek bent, om zo te leven als Jezus dat vraagt,
kan het zijn dat je er eerst aan voorbij loopt, omdat deze poort niet opvalt,
je moet door de straat waar je bent heen en weer lopen
en als je ervoor staat, vraag je je nog steeds af of je wel goed zit.
Voor de deur ligt alles nog onder het sneeuw,
geen enkele aanwijzing door voetstappen in de sneeuw dat iemand door die deur is gegaan.
Jezus vervolgt het beeld: een nauwe poort en een smalle weg.
Een smalle weg is een weg die je bijna niet ziet,
Waarbij je goed moet uitkijken of je inderdaad op de weg bent of er niet naast stapt.
Een weg waardoor je niet vordert.
Of een weg, zoals in de bergen, waarbij je voorzichtig moet lopen,
omdat de ruimte om erover te lopen niet zo breed is.
Het is een weg, waar je vooral alleen op loopt.
Het is stil, je ziet bijna niemand anders,
en daardoor ga je je afvragen of je wel op de goede weg zit.
Is dit wel de weg naar het beloofde einddoel?
De weg die Jezus aanprijst is een nauwe poort, een achterafweggetje,
waar je heel lang erover doet om de stad uit te komen.
Die weg waarop je allerlei verkeersdrempels tegenkomt,  verkeerslichten waar je voor stopt
een vrachtwagen die gelost moet worden die de weg blokkeert,
tegenliggers voor wie je aan de kant moet gaan en even moet stoppen.
Een weg die je veel tijd kost en waarop je na verloop van tijd je afvraagt of je wel goed zit
want je komt voor je gevoel nauwelijks vooruit.
De manier van leven die Jezus voorschrijft is niet als die gemakkelijke weg,
die door de massa genomen wordt,
De levensstijl die bij Hem hoort is niet als een weg waarop je zo weg komt en snel opschiet.
Bijna niemand die dezelfde keuze maakt.

Kun je bij de keuze voor een school nog laten meewegen wat je vrienden kiezen,
deze weg, die Jezus aanprijst, wordt door bijna niemand gegaan.
De meerderheid kiest die andere weg, en die andere poort:
Een brede poort met allure die uitstraalt dat je daar moet zijn.
Een brede, wijde poort geeft aan dat die ingang erg belangrijk is, die moet je hebben!
Dit is de hoofdweg, de meest belangrijke weg die er is, die weg moet je gaan.
Of in onze tijd een hoofdsnelweg van 3 of meer banen, een weg die bijna iedereen kiest
en niet dat achterafweggetje waar je heel lang erover doet, met veel oponthoud.
De ruime weg is een weg, waarop je mooi kunt opschieten
met een duidelijke bestemming en die je het gevoel geeft dat je bestemming belangrijk is.

Wat is dan die keuze, waar de Heere Jezus het over heeft?
Want dat is toch wel van belang om te weten welke keuze je moet maken,
Hoe je door die nauwe poort kunt gaan en welke weg je moet inslaan.
Als je een keuze maakt voor een school, ga je naar een open dag.
Als je een keuze moet maken voor een profiel vraag je het bij docenten na
Bij een keuze voor wel of geen behandeling laat je je voorlichten door het ziekenhuis.
Hoe zit dat met de nauwe poort, waarvan Jezus zegt dat we daar doorheen moeten gaan?
Je zou kunnen denken aan wat nodig is bij de voorbereiding voor het avondmaal:
Erover nadenken wat er mis is in je leven, wat er mis zit in de relatie met God
en bereid zijn om dat eerlijk aan God toe te geven dat het mis zit
En Hem te vragen of Hij opnieuw wil beginnen met je
en te vragen of Hij je de kracht wilt geven zelf ook opnieuw met God te beginnen.
Het is niet makkelijk om naar God toe eerlijk te zijn over jezelf,
al weet je dat Hij alles van je weet en alles gezien
en nog beter dan jijzelf weet hoe het ervoor staat met je.
We kunnen de neiging hebben om dat weg te stoppen en ons groot te houden voor God.
Of je kunt wat geprikkeld reageren: moet het steeds gaan over wat mis gaat?
Moet is steeds nadenken over mijn zonde?
Het eerlijk toegeven, aan God belijden en om vergeving vragen en ook een nieuw begin
kan een nauwe poort zijn, omdat je daar niet aan wilt
en je loopt door met zoveel anderen, die dat ook niet willen, verder over die ruime weg.

Of je wilt dat niet, omdat die keuze om door de nauwe poort te gaan veel van je vraagt
en je weet al dat je het niet vol kunt houden op die smalle weg.
Je weet dat je niet het vertrouwen in God hebt dat je zou moeten.
Je komt in je geloof zoveel tekort en je kent jezelf,
je weet van jezelf dat dit er – als het aan jezelf ligt – er niet beter op gaat worden.
Of er zit wat tussen jou en iemand anders in, onenigheid
en je weet dat je zo op deze manier niet aan het heilig avondmaal kunt komen,
omdat het niet goed zit, maar je wilt het niet goed maken,
omdat je eigen trots je tegenhoudt om de minste te zijn,
je wilt niet de eerste stap zetten om het goed te maken,
omdat je dan moet toegeven dat je zelf ook niet goed zat en er zelf ook een aandeel in had.

Om te weten wat de Heere Jezus bedoelt met die nauwe poort kunnen we ook lezen
in de toespraak die Hij hield daar op die heuvel bij het meer van Galilea.
Hij sprak over degenen die lijden aan deze wereld,
omdat deze wereld zo ver verwijderd is van hoe God deze wereld bedoelde.
Hij sprak over verleidingen die je naar de ondergang kunnen brengen
en dat het daarom beter is om een oog uit te steken of een hand af te hakken.
Hij sprak over voor iemand die je afdwingt om iets te doen het dubbele te doen.
Hij gaf aan dat als iemand je slaat je ook de andere wang moet toekeren
en als iemand je vijand is, dat je voor diegene moet bidden en zelfs moet liefhebben.
Dat je hen het goede toewenst en ook hen op een goede manier behandelt.
Hij gaf aan dat je je geen zorgen mag maken en dat wie dat wel doet kleingelovig is.
Als je die hele bergrede leest, gaat het steeds om een manier van leven
die we niet kunnen opbrengen.
Wij kunnen niet doen wat Jezus ons opdraagt.
En dan moeten we in deze week ons voorbereiden op het avondmaal.
Je weet dat het niet goed zit met God, omdat je steeds de fout in gaat
en je beseft: wat Jezus van mij vraagt kun je niet volbrengen.
Hoe kun je dan ooit nog aan het avondmaal gaan.
Want zoals je leeft, dat is dan toch de brede weg, de weg naar de ondergang?
Dan hebben de gemeenteleden die volgende week niet komen, omdat het niet voor hen is,
toch gelijk en kunnen we toch beter het avondmaal maar overslaan,
Want Jezus legt de lat zo hoog dat niemand die kan behalen.
Wees volmaakt, zoals onze Vader in de hemel volmaakt is.

Wat Jezus vraagt is in veel gevallen moeilijk op te brengen,
maar Hij doet dat niet om ons te ontmoedigen.
Ja, Hij weet dat het een moeilijke weg is en daarom noemt Hij dat ook zo:
Een smalle weg, waarop je soms kunt voortploeteren,
een weg waarop je de moed geregeld in de schoenen zinkt.
Het is een weg van jezelf verloochenen, kruisdragen.
Jezus vertelt er niet bij waarom die weg zo moeilijk begaanbaar is.
Het kan zijn dat we zelf veel willen vasthouden, wat we los moeten laten.
Dat we niet kunnen knielen voor Hem,
of bereid zijn om alles te geven.
Of dat we die keuze niet kunnen maken, omdat we kijken naar ouders of vrienden,
die de keuze om de weg van Jezus te gaan niet hebben gemaakt.
Als het gaat om niet aan kunnen gaan aan het avondmaal
wordt dat nogal eens aangedragen: mijn ouders gingen niet en ik ben niets beter dan zij.
Nee, inderdaad, maar het gaat niet om welke keuze zij gemaakt hebben,
maar het gaat om welke keuze jijzelf maakt, nu je voor de mogelijkheid staat.
Ga je door die nauwe poort, de weg van Jezus op of loop je door op die brede weg?
Zou de stap naar het avondmaal niet een manier zijn om door die nauwe poort te gaan
en met wat je daar krijgt aan vergeving en kracht in je geloof, vernieuwing
verder te gaan op de weg die je bent ingeslagen, de weg dicht bij Jezus
Dat is één manier.
Kinderen en jongeren en gemeenteleden die geen belijdenis hebben gedaan
Jullie vragen je misschien af, hoe je door die nauwe poort kunt gaan.
Want het is niet een poort die je ziet, net als je de weg niet ziet waar Jezus over spreekt.
Door die nauwe poort gaan is kiezen voor Jezus.
Bijvoorbeeld met je hart: ik wil bij U horen, ik wil met U meegaan, mijn leven is van U.
Maar wat de Heere Jezus hier bedoelt is dat het om meer gaat.
Dat je niet alleen met je hart zegt: ik geloof, ik wil van U zijn, U bent mijn Heer.
Maar dat je dat ook laat merken in hoe je doet,
een manier van leven, een levensstijl.
Als je verkering hebt, dan hoor je bij iemand en dat laat je vaak merken.
Je schrijft de naam van je vriend en vriendin op verschillende plaatsen op,
je versiert die naam misschien met allerlei hartjes.
Maar je laat dat ook zien door met die ander op te trekken
En als het echt serieus is, ga je ook rekening met elkaar houden.
Je laat dingen na, die de ander niet zo leuk vindt,
of je gaat je gedragen, zoals die ander graag wil.
Door de nauwe poort gaan, betekent:
dat je je gaat gedragen, zoals de Heere Jezus dat graag wilt
omdat je van Hem houdt, en Hem wil volgen in je leven.
Ik heb net een aantal voorbeelden genoemd en ik zal ze nu kort nog herhalen:
verleidingen uit de weg gaan en ertegen vechten,
als iemand je vervelend behandelt, dat niet gelijk beledigd doorvertellen aan anderen,
of gaat schelden of gaat ruziemaken of zelfs gaat vechten
maar dat je nadenkt: hoe kan ik goed zijn voor die ander.
Als ik nu eens voor die ander ga bidden,
dat is beter dan allerlei nare gedachten over die ander te hebben.
Dat doe je omdat Jezus graag wilt dat je zo wordt.

En in de komende week, waarin we nadenken over het avondmaal,
denken we of we wel zo geleefd hebben, zoals Jezus dat graag zou willen.
Dan kom je erachter, dat het veel beter kan,
Dat je je soms er wel makkelijk van af gemaakt hebt, of gewoon niet wilde.
Dat is niet goed, dat moet beter.
Het mooie van het avondmaal, is dat je weet: Christus vergeeft en begint met mij opnieuw
Ik mag het opnieuw proberen en steeds weer opnieuw proberen.
Soms vorder ik en doe ik het echt beter, geregeld stel ik mijzelf en Christus teleur,
Dat klinkt makkelijk maar is het niet, want je hebt spijt dat je verkeerd was, steeds weer.
maar dan mag ik weer opnieuw beginnen. Christus begint met mij opnieuw.
Dat is de smalle weg en die nauwe poort: de weg van spijt en opnieuw moeten beginnen,
maar Christus die steeds met mij opnieuw begint, telkens weer.
Want Hij wil dat ik op die smalle weg blijf lopen,
om bij Hem aan te komen in Zijn heerlijkheid.
Daarom geeft Hij het avondmaal als een middel om het vol te houden
in de strijd tegen verleiding, tegen zonde, tegen afhaken
om het vol te houden op die smalle weg. Die kracht hebben we nodig,
evenals de vergeving die we ontvangen. Ook die hebben we nodig.
Het avondmaal herinnert ons eraan dat we bij Hem moeten zijn.
Daarom word jij, wordt op genodigd, opgeroepen op te komen bij Hem
om brood en wijn te ontvangen.
Amen







Preek zondag 2 maart 2014

Preek zondag 2 maart 2014 – Evangelisatiezondag
Mattheüs 7:24-27 (Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27 + Ezechiël 13:10-14)
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We houden ervan om risico’s zoveel mogelijk uit te sluiten.
Dat begint al vroeg in het leven.
In december is onze dochter geboren
en vrij snel na haar geboorte werd zij niet alleen aangegeven bij de burgerlijke stand,
maar ook bij de zorgverzekering
en werd er een rekening voor haar geopend,
want mocht zij later willen gaan studeren, dan is het verstandig om nu al te sparen.

Zo gaat het in het leven door: voortdurend risico’s proberen uit te sluiten.
Dat geldt voor het werk: bij het zoeken naar een nieuwe baan
of de stap om voor jezelf te beginnen,
probeer je eerst zoveel mogelijk zeker te zijn en dan neem je de nieuwe stap.
En als we zelf niet erover nadenken om de risico’s te beperken
zijn het anderen wel die ons eraan herinneren
dat we naar zekerheid moeten streven.
Door pensioenfondsen die er steeds bij ons op terugkomen
of wij ons pensioen wel goed geregeld hebben.
Niemand kan in de toekomst kijken, maar je kunt wel voorbereid zijn.

Ook als het om onze gezondheid gaat
proberen we zoveel mogelijk risico’s uit te sluiten
Door gezond te leven bijvoorbeeld
of door mee te doen aan een bevolkingsonderzoek om,
mochten we toch ziek zijn, daar zo snel mogelijk achter te komen
en onze kans om door te leven zo groot mogelijk te maken.
En begrijpelijk, want de gevolgen kunnen ingrijpend zijn
als je te laat erachter komt dat er iets met je aan de hand is
en niet alleen voor ons zelf, maar ook voor degenen om ons heen.
We hebben zoveel mensen vaak met wie we verbonden zijn
en die kunnen we niet missen.
We hebben zoveel en daarom zoeken we naar zekerheden
omdat we niemand kunnen missen die ons dierbaar is.
Dat zoeken naar die zekerheid en het buitensluiten van zoveel mogelijk risico’s
is ook een zoeken vast te houden en te beschermen
van wat kostbaar is in ons leven,
en dan bedoel ik daarmee écht kostbaar: het leven van je man of vrouw,
van je kind, van vrienden wellicht.
Wie wil dat kostbare verliezen? We willen dat bewaren – en terecht!

Welke rol heeft God daarin voor u, voor jou?
Komt Hij pas in beeld als we zoveel mogelijk zekerheden hebben geregeld
om de gaatjes op te vullen, die er nog overgebleven zijn en die wij niet kunnen opvullen?
Komt Hij pas in beeld, nadat wij het huis van ons leven hebben opgebouwd
om de gaatjes die er zijn, waardoor de tocht naar binnenkomt, dicht te kitten?
Als het bouwwerk van ons leven, van onze plannen staat,
om daarna er een zegen over te vragen – voor het geval we toch nog iets vergeten zijn?
Dat is een grote valkuil in ons leven, dat we allereerst zelf van alles optuigen
en als dat staat, bedenken: o, ja – er is ook nog een God.
Laten we Hem er ook bij betrekken, dan worden we nog zekerder.
Ik krijg wel eens de indruk, dat God er vooral is om ons die zekerheid te geven
die wij zelf niet meer in de hand hebben.
Dat wij er niet zijn voor God, maar dat we God gebruiken voor dat laatste restje zekerheid,
de laatste risico’s buitensluiten.

Maar van alle risico’s die er op ons afkomen en waar we ons op kunnen voorbereiden,
is er één waarbij we ons naar mijn gevoel niet op voorbereiden.
Ik hoor het mensen wel eens zeggen: één ding is zeker in het leven.
Daarmee bedoelen ze, dat we ons op veel dingen die op ons af komen,
kunnen voorbereiden, maar dat het altijd anders kan uitpakken dan wij zelf denken
en dat wij ons niet op alles kunnen voorbereiden.
En met die éne zekerheid bedoelen ze dan: dat we eens zullen sterven.
Dan klinkt er iets in door: bouw niet teveel op wat uiteindelijk geen zekerheid biedt.

In de woorden die we met elkaar van hem gelezen hebben,
gaat Jezus een stap verder: er is niet alleen de zekerheid van het einde van ons leven
of van het einde van de wereld,
maar er is ook de zekerheid dat er als het einde van ons leven is aangebroken
of het einde van de wereld
dat we voor Christus komen te verschijnen
en dat we dan hebben te verantwoorden wat we met ons leven hebben gedaan.
Jezus zegt: we kunnen in het leven hier op aarde een leven vol met zekerheden opbouwen
dat in onze eigen ogen en ook in de ogen van de mensen om ons heen
staat als een huis, stevig, goed bewoonbaar,
maar dat als we voor Christus verschijnen al die zekerheid een schijnzekerheid bleek te zijn.
Staande voor Christus, die van ons rekenschap vraagt van ons leven,
kan het duidelijk worden dat er van die zekerheid niets meer overblijft
omdat het bouwwerk van onze zekerheden, van het leven dat wij hadden opgebouwd
in het leven op aarde, geen fundament had.
Nergens op gebouwd is.

Jezus zegt niet, dat ons levenshuis nergens op gebaseerd is,
maar dat het huis van ons leven, met onze zelfgecreëerde zekerheden
op niets gebouwd kan zijn.
En Hij zegt erbij dat we dan dwaas zijn, als we onze toevlucht in die zekerheden zoeken
die – als we voor Hem komen te staan – niets waard blijken te zijn
en Hij zegt het als een waarschuwing, zodat we ons niet rijk rekenen met schijnzekerheden.
Als een waarschuwing
dat we bij alles wat op ons afkomt ons voorbereiden,
behalve op het moment dat we verantwoording hebben af te leggen
over wat we hebben gedaan met het leven
dat we van de Heere hebben gekregen.
Want schuiven we het voorbereiden op dat moment niet liever voor ons uit.
Omdat we het hier nog best goed hebben
en door al onze voorzorg die zekerheid hebben om een goed leven te hebben
en ook prima kunnen redden zonder God
en daarom Hem niet in ons leven hoeven toe te laten.
Omdat het huis van je leven nog staat.
en als God bestaat, dan zal Hij toch dat levenshuis van mij overeind houden
want God wil toch dat wij gelukkig zijn?

Jezus vertelt deze gelijkenis niet voor niets:
om het tot ons te laten doordringen
dat het er niet om gaat hoe wij God in ons leven gebruiken
– als een extra zekering, als een zegen achteraf over wat wij hebben opgebouwd –
maar dat het er om gaat, welk oordeel Hij over ons leven velt.
Dat kunnen we wel uit de weg gaan,
want als het daar op aan komt, is dat iets wat wij niet in de hand hebben
en wellicht is dat ook de reden
waarom we er liever niet over nadenken,
omdat we er onzeker over zijn, wat ons daarin te wachten staat
en hoe God over ons leven zal oordelen en wat Hij dan tegen ons en over ons zal zeggen.
Maar het is dwaas, zegt Jezus, om dat uit de weg te gaan.
En daarmee bedoelt Hij niet dat het “een beetje dom” is
en dat de keuze om het weg te duwen of uit de weg te gaan eentje is
om je schouders over op te halen.
Want je haalt ook niet de schouders op als iemand gaat rijden in een auto waarvan de remmen het niet doen, of als een kind gaat zwemmen in het diepe, terwijl het nog nooit heeft geleerd om te zwemmen, maar denkt dat hij het wel even kan.
Als je dat ziet gebeuren, schrik je en sla je alarm, want je wilt niet dat het verkeerd afloopt.
Dwazer, zegt Jezus, is om in daar voor God te komen, zonder dat je er op voorbereid bent
en erop gokt dat het wel even goed afloopt.
Niet omdat Jezus niet gelooft in Gods barmhartigheid,
maar omdat Jezus weet dat wij de neiging kunnen hebben om met schijnzekerheden voor God te verschijnen en dat God ons ook hierdoor wel matst en ons erdoor helpt.

Er is als we voor God verschijnen maar één zekerheid
en daar kunnen we op bouwen,
dat is net zo zeker als de trouw van God zelf
als een rots waarop we kunnen bouwen en waarvan we mogen geloven
dat ons huis, als het daarop is gebouwd, staande blijft voor God.
En dat vertelt Jezus ook als eerste, om daarmee aan te geven dat het Zijn Vader,
dat het Hem te doen is om die eerste keuze: het bouwen op de rots,
om wijs en verstandig te handelen.
Wie Mijn woorden doet, zegt Jezus, die bouwt op die rots.
Daar gaat het in het leven dus om:
Dat we Jezus’ woorden horen en in praktijk brengen.
God is er niet om ons dat laatste restje zekerheid te bieden,
dat wat wij zelf niet meer voor elkaar krijgen.
Wie Mijn woorden doet – Jezus heeft veel gesproken, een hele bergrede.
De woorden van Jezus doen – dat betekent dat we oog krijgen, en oor, en mond, en handen.
Oog voor wat God doet.
Want daar begin de bergrede mee, dat Jezus de armen van Geest zalig spreekt.
Zalig de mensen die het niet meer op hun eigen manier doen,
niet bedenken wat hun zekerheid geeft, niet God gebruiken om de gaatjes dicht te kitten, niet als laatste stap, maar als eerste stap
en het daarom tegen de Heere kunnen zeggen: doet U het maar,
in mijn leven, in deze wereld, want het gaat om Uw koninkrijk.
En die daarom oog voor krijgen dat deze wereld niet alles is
omdat er voor God niet altijd plaats is.
Omdat in ons eigen leven niet altijd plaats is voor God.
Daarom zoeken we naar die poort naar God tot wij Hem vinden.

Oog krijgen, niet alleen voor God, maar ook voor de mensen om ons heen.
Omdat zij ook schepselen van God zijn en daarom geroepen zijn om te dienen
soms alleen al door hen op te merken en te zien als schepselen van God,
die ook eens voor God komen te verschijnen.

Bouwen op deze rots is geen onverschilligheid voor de wereld om ons heen,
maar het geloof omdat het gaat om Gods wil en Gods plan
om ons en deze wereld te redden van onze dwazigheid
om ons te redden van een leven dat opgebouwd is uit schijnzekerheden, die het niet zullen houden
en ons daarvoor in de plaats de echte zekerheid geeft:
Zijn woorden, die als een rots staan, in alle stormen die op ons afkomen
en ons overeind houden, de stormen hier in het leven, maar ook van Zijn oordeel.
Zijn woorden die door ons gehoord worden en daarom het oor,
want dat wordt geopend voor wat de woorden van God.
Al blijft het voor ons vaak moeilijk om tussen al die stemmen om ons heen
op te vangen wat Gods woord is
maar als ze door ons gehoord worden een onbezorgdheid geven en een vreugde
omdat we weten dat God onze zekerheid is.
Wanneer we die woorden horen, als onze oren geopend worden,
worden we fijngevoelig, voor wat God te zeggen heeft en voor de mensen om ons heen.
Aandacht en openheid.

Als we die woorden horen, wordt onze mond geraakt,
Spreken we tot God en vol lof over God.
De woorden van God vormen ons ook in wat we zeggen over anderen en tegen anderen.
Leren we ook te zwijgen als het moet, omdat we weten
dat we ook over onze woorden en gesprekken rekenschap aan God afleggen.

en onze handen en voeten.
Voeten om de weg van Jezus te gaan: hier is mijn leven, Heer! Ik heb u gevonden!
Handen om de weg te wijzen, te helpen als het nodig is,
maar bovenal om te vouwen, uit afhankelijkheid en dankbaarheid.

Die woorden gaan door ons helemaal heen en nemen ons helemaal
in dienst van God.

Wat houd u nog tegen om op die rots te bouwen?
Waar bouw jij op?
Op Christus of op jezelf?
Amen

Het huis op de rots gebouwd

het huis op de rots gebouwd.
Preekvoorbereiding bij Mattheüs 7:24-27

Komende zondag is het in de Hervormde Gemeente Oldebroek evangelisatiezondag. Dat houdt in dat de morgendienst is ‘laagdrempeliger’ is en de dienst is afgestemd op degenen die niet of niet zo vaak in een kerkdienst komen. De middagdienst is afgestemd op de gemeenteleden om hen toe te rusten om het evangelie uit te dragen.

De evangelisatiecommissie heeft voor deze zondag het thema bedacht: Waar bouwt u / jij op? Gekozen is voor de Schriftlezing uit Mattheüs 7:24-27:

Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.

Hierbij enkele gedachten bij de preekvoorbereiding:

Thema
Het thema is Waar bouwt u / jij op? Voor iemand die geregeld naar de kerk gaat, is dit geen vreemde vraag. In de preek zal deze vraag vaak worden gesteld. Al is het niet eenvoudig om een antwoord onder woorden te brengen, hij of zij heeft wel een richting: God of Christus.
Zal iemand die niet zo vaak in de kerk komt, wel nadenken over deze vraag? Ik ben daar nog niet zeker van. De meesten van hen leiden misschien een ‘gewoon’ leventje, zonder zich allerlei diepgaande existentiële vragen te stellen.

Dat betekent dat in de verkondiging op een eenvoudige manier uitgelegd moet wat deze vraag betekent en waarom deze vraag van betekenis is.

Bouwen
De exegese levert ook enkele vragen op. Want in Mattheüs 7:24-27 krijgt ‘ergens op bouwen’ een ander antwoord dan in eerste instantie verwacht zou worden. Een logisch antwoord zou zijn: je hoort op God, op Christus te bouwen.
(a) In Mattheüs 7:24-27 is het Jezus er om te doen, dat degenen die Zijn woorden horen deze woorden ook in praktijk brengen. Wie de woorden niet in praktijk brengt, heeft Zijn woorden niet echt gehoord.

De vraag is hoe in de verkondiging uitgelegd kan worden dat Jezus het beeld ‘ergens op bouwen’ gebruikt om aan te sporen om ook te handelen naar Jezus woorden.

Oordeel
(b) Tijdens de exegese ontdekte ik, dat de woorden die Jezus spreekt staan in het kader van het laatste oordeel. De stormen en de waterstromen die op het huis afkomen zijn beeldspraak van het laatste oordeel. Op de achtergrond staan een gedeelte uit Ezechiël 13:11-14:

Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een alles wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten. Zie, als de muur omvalt, zal dan tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt? Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een alles wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een vernietigend einde. Zo zal Ik de muur omverhalen die u met kalk bepleisterd hebt en Ik zal hem op de aarde neer doen storten, zodat zijn fundament blootgelegd wordt. Zo zal de stad vallen, en u zult in het midden ervan omkomen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Daarmee wordt de vraag Waar bouwt u / jij op? meer dan een existentiële vraag. Het is een vraag, die de kerkganger eraan herinnert: eens komen we in het oordeel van God. Hoe zal Hij over ons leven oordelen?

Cathedrale_d'Amiens_-_tympan_central_-_Christ_du_Jugement_Dernier

Het specifieke van het evangelie van Mattheüs is dat Jezus als de komende Mensenzoon het oordeel op zich neemt: Mattheüs 25:31-46. In dat oordeel zal het gaan ook over onze daden gaan. Het gaat om meer dan geloof. Het gaat zelfs om meer dan macht over de demonen (7:21-23). Het gaat om de vraag: Hebben wij Jezus’ woorden in praktijk gebracht?
Daarmee krijgt dit gedeelte een ernst. Niet alleen voor degene die zo af en toe in de kerk komt. Ook voor degene die trouw de kerkdiensten bezoekt. Al gauw wordt, als het gaat over het laatste oordeel, gesproken over de genade en over Christus die ons oordeel op zich neemt. Hier is sprake van een eschatologische ernst: Het doet er toe hoe wij leven.

Laagdrempelig?
Kan in een laagdrempelige dienst wel over het oordeel gesproken worden? Schrikt dat de mensen niet af?
Ja, het moet zelfs, zegt Corinna Dahlgrün, omdat de Bijbel spreekt over oordeel, eeuwig leven, over hemel en hel. Predikanten zijn het daarom de mensen verschuldigd om daarover te spreken. In de oordeelsaankondigingen in de Bijbel gaat het allereerst om de kans die God geeft om tot inkeer toe komen. Dat is een door God gewilde mogelijkheid. De Bijbel laat echter ook zien, dat er een te laat is en dat de veroordeling (verdoemenis) in het oordeel een reële mogelijkheid is.
Daarnaast laat het laatste oordeel zien dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun doen en laten. Niet aan mensen, maar aan God. God is als schepper en rechter de Ander, de Tegenover aan wie mensen verantwoording hebben af te leggen.

Lukt het mij om in de verkondiging het oordeel aan de orde te stellen als een (wezenlijk) onderdeel van het evangelie? Lukt het mij om over het laatste oordeel te preken als een boodschap die vreugde geeft?

Woord van God
Kan dat wel? Is deze boodschap niet te vreemd geworden en roept deze boodschap van het laatste oordeel niet teveel weerstand op?
Volgens Dahlgrün komt het aan op het geloof van de prediker. De prediker moet zijn eigen ongeloof en twijfel door de Bijbelse beelden ter discussie laten stellen. De prediker dient zich beschikbaar te stellen voor het Woord van God.
Dat de boodschap over het oordeel veel weerstand of onbegrip oproept, komt volgens Dahlgrün door meer een ‘tekortschietende praxis piëtatis’ dan als een probleem van authenticiteit. De beelden van het laatste oordeel worden vaak slechts cognitief doordacht en krijgen niet de kans in het hart of de existentie te raken. Als ik als prediker met deze teksten ga lezen, worden het mijn teksten en kan ik er ook vanuit deze geloofswerkelijkheid preken.

Schaar ik mijzelf ook onder het laatste oordeel of sluit ik mij op voorhand van het oordeel buiten? Hoe wordt het oordeel een geloofswerkelijkheid voor mij van waaruit ik leef (en verkondig)?

De Bijbel waar niet over gepreekt wordt
Tijdens de voorbereiding moet ik denken aan de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Om twee redenen: (1) In zijn Predigtlehre heeft hij ook een hoofdstuk over de prediking over Christus als de komende rechter . Helpt zijn uiteenzetting mij met deze preek? (2) Bohren spreekt voortdurend over stukken uit de Bijbel die in de verkondiging niet aanbod komen: de Bijbel waarover niet gepreekt wordt. Deze gedeelten komen nooit aan de orde, omdat zij bij de prediker op verlegenheid stuiten. Ze passen niet in het wereldbeeld of het geloofssysteem van de prediker.

De toekomst van de Komende
Het probleem is volgens Bohren dat er te weinig rekening gehouden wordt met het gegeven dat Christus ook nog (weder)komt: degene die gekomen is, komt nog! De prediking rondom Goede Vrijdag en Pasen zijn zonder toekomst, omdat men alleen nog meer spreekt over Christus als de gekomene, maar de ‘toekomst van de Gekomene’(Walter Kreck) niet meer benoemt. Daarmee wordt over het hoofd gezien, aldus Bohren, dat het oordeel voor de christenen ook verscherpt wordt. Daarbij verwijst Bohren naar de Bergrede en naar de Hebreeënbrief.

Vreze des Heeren
Het besef van het komende oordeel geeft vrees (vreze des Heeren!). Deze vreze voor de Heere zorgt ervoor dat voor de mensen niet gevreesd hoeft te worden. Deze vreze geeft ook moed tot eenzijdigheid. Deze eenzijdigheid kan zelfs een kenmerk worden van een Godvrezende preek. Deze vreze des Heeren heeft ook een gevolg: een missionair élan (2 Kor. 5:11). Ontzag voor de komende Rechter kan alleen bestaan als Godvrezendheid. Niet het komende lot of oordeel is te vrezen, maar de komende Heere. ‘Zonder pure Godvrezendheid zijn wij overgeleverd aan onze eigen waanbeelden.’ De vreze des Heeren, de Godvrezendheid is een vrucht van het luisteren (naar God en Zijn Woord).

Revisor
In 1985-1986 geeft Bohren college over het gebed. Die collegereeks opent Bohren met een citaat van Nikolai V. Gogol (dat hij tegenkwam in een programmaboekje van een toneelopvoering in Heidelberg):

‘Bedenk toch dat de gehele wereld een ijdele leugen is en dat alles heel anders aan ons verschijnt dan het in werkelijkheid is (…) Ons leven is zwaar en dan vergeten we nog elk ogenblik dat al onze handelingen eens voor een Revisor komen die niemand voor zich kan inwinnen (of omkopen).’

Daaruit stelt Bohren dat ons bidden ‘revisionsbedürftig’ is.
Met het oog op de prediking kunnen wij zeggen, dat alles in ons leven verlegen is om een revisie. Als alles wat wij doen verlegen is om een revisie, dan geeft dat de ernst van het oordeel aan: Hoe kunnen wij daaraan ontkomen?

Huis op de rots
Dan is het goed om vast te houden aan de belofte van Jezus: het huis dat op de rots gebouwd is, blijft overeind staan. Wie de woorden van Jezus hoort en doet en hier op aarde al rekening houdt met de revisie zal overeind staan als een huis dat op een goed fundament is gebouwd.
Het gaat Jezus dus om ons voor te bereiden op het komende oordeel en ervoor te zorgen dat we hier in het leven al daar rekening mee houden. Wie dwaas is, leeft alsof er nooit een oordeel komt. Voor wie de wijsheidsliteratuur uit het Oude Testament kent (Spreuken, Prediker) weet, dat de dwazen ook de goddelozen zijn, die zich geen rekenschap geven van God en Zijn oordeel. Zij leven hier alsof zij zonder God zijn.
Ook al vertonen hun daden de schijn van geloof, ze hebben geen geloof maar zijn slechts gericht op het leven in het hier en nu. Het komt dus aan op eerlijkheid en authenticiteit. Niet eens zozeer naar de mensen, maar allereerst naar God toe. Er kan een huis op het zand worden gebouwd: in het aardse leven lijkt het stevig en prima bewoonbaar. In het oordeel blijkt dat het slechts een schijnzekerheid geweest is.
Voor de gemeente komt het aan op de gave van de onderscheiding: want niet iedereen die de naam van de Heer in de mond neemt en in Zijn naam geweldige daden laat zien (als het uitwerpen van duivels) heeft het geloof en de levenspraktijk waar het op aankomt.

Confronterend
De verkondiging over het oordeel is confronterend. De meesten schuiven het liever voor zich uit en kiezen dan eerder de dwaze levensstijl door een huis op het zand te bouwen.
Op welke manier kan de preek dit confronterende element vasthouden waarbij de confrontatie de gemeenteleden bij Christus brengt en Zijn woorden laat doen?
Ik bedenk mij dat de nieuwtestamenticus Gerd Theiβen in 2003 (het Duitse Jaar van de Bijbel) een boek schreef om het lezen van de Bijbel te stimuleren. In dat boek houdt hij rekening met een maatschappij die steeds meer seculariseert en multireligieus wordt. In zijn boek wil Gerd Theiβen laten zien, dat de Bijbel goed in staat is om de dialoog aan te gaan met deze seculariserende en multireligieuzer wordende maatschappij.
Ik herinner mij dat hij verschillende motieven uit de Bijbel naar voren haalt en deze motieven in dialoog brengt met hedendaagse mensen, die gestempeld zijn door de secularisatie. Een van die motieven is het motief van het oordeel. Op welke wijze zou Gerd Theiβen dat aanpakken?
Bij het doorbladeren zie ik ook weer zijn eigen model en zie ik dat hij ook de kerygmatische aanpak niet onder stoelen of banken steekt: de Bijbel is een kans om in dialoog te komen met God. Het motief van het oordeel laat volgens Gerd Theiβen zien dat wij verantwoordelijk voor onze daden zijn en ook vaak de behoefte hebben om ons te verdedigen en te rechtvaardigen. Het motief van de
Net zo belangrijk aan het doorbladeren van het boek is dat hij mij (weer) op het spoor van Thomas Ruster brengt. Ruster schreef een kritisch boek over De inwisselbare God. Volgens hem is de levende God in de loop van de kerkgeschiedenis steeds ingewisseld voor allerlei menselijke constructies (afgoden). De Bijbel en de verkondiging gaan met ons de confrontatie aan om weer de levende God te zoeken en te kiezen.

Hoe wordt in de verkondiging de confrontatie op een goede manier aangegaan, zodat degenen die een huis vol schijnzekerheden op het zand hebben gebouwd ontdekken dat het anders moet.
Hoe wordt de confrontatie aangegaan, zodat de luisteraars beseffen dat zij bij Christus moeten zijn en Hem ook gehoorzamen?

Tegenover
Wordt die confrontatie uit de weg gegaan doordat men niet geloofd in God als een Persoon die aan ons rekenschap vraagt? Omdat men God als de Levende heeft ingewisseld voor een soort pantheïstische kracht? Die suggestie kwam ik tegen bij Gerd Hartmann. Hartmann liet zijn studenten rollenspellen doen, waarbij zij ook in de volmacht van Jezus de vergeving moesten aanzeggen. Hij vertelt dat zijn studenten dat niet kunnen. Zij blokkeren of wijken uit als zij dit in een rollenspel moeten uitvoeren. Een de redenen voor dit uitwijken is volgens hem dat zijn studenten onzeker zijn over de aanwezigheid van God als een Tegenover.

Betekent dit voor de verkondiging ook dat meer het besef overgedragen moet worden dat God een levende werkelijkheid is en dat Hij geen macht is, maar een tegenover die als Schepper en Rechter ons rekenschap zal vragen van wat wij gedaan hebben?

De preekopbouw
Nu er heel veel voorwerk gedaan is, is de vraag: hoe komt de preek eruit te zien? Welke opbouw: Moet ik beginnen met de confrontatie of moet ik langzaam toe werken naar de confrontatie? In het laatste geval is het beter om te beginnen bij wat herkenbaar is of gemakkelijk is uit te leggen. Wanneer de confrontatie aangegaan wordt, moet ook direct duidelijk zijn wat er dan mis is.
En ook van groot belang: hoe zorg ik dat de preek begrijpelijk wordt en kerkgangers (zowel degenen die geregeld komen en degenen die af en toe komen) zich geroepen en genoodzaakt voelen om de weg van Christus te gaan?
Tot slot, de vraag die al eerder gesteld is: hoe wordt overgebracht dat het om evangelie (d.w.z. blijde boodschap over God) gaat?

Verwijzingen
– Corinna Dahlgrün, ‘Von Auferstehung und Gericht predigen’, in: Heinrich Bedford-Strohm (Hg.), “… und das Leben der zukünftigen Welt”. Von Aufersteung und Jüngstem Gericht (Neukirchen-Vluyn, 2007) 77-89.
– Rudolf Bohren, ‘Predigt des kommenden Richters’, in: Idem, Predigtlehre (1971) 251-265.
– Rudolf Bohren, Das Gebet I. EDITION BOHREN Bd 1 (Waltrop, 2003).
-Gerd Theiβen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh, 2003).
– Gerd Hartmann, Lebensdeutung. Theologie für die Seelsorge (Göttingen, 1993) 113-116