Preek Tweede Kerstdag 2017

Preek Tweede Kerstdag 2017
Mattheüs 2:1-23
Tekst: vers 14-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is een oude profetie die zegt dat als er een kind geboren zal worden
het voorbij is met het  marcheren van de soldaten van de vijand,
die je met hun gestamp je angst inboezemen,
dat de wapens waarmee ze hebben huisgehouden onbruikbaar geworden zijn
en de uniformen waar de sporen van de strijd nog aan te zien zijn
in het vuur verbrand zullen worden.
Er zal een bevrijding zijn en vrede
omdat er een Kind geboren is, een Zoon die aan ons gegeven wordt,
die regeren zal, die de verantwoordelijkheid zal hebben om te regeren.
Deze vredevorst zal voor altijd regeren.

Als dat Kind dan geboren is, gebeurt juist het tegenovergestelde van deze profetie:
Een van de zwartste bladzijden van de Bijbel wordt geschreven
als de soldaten van Herodes het dorp inmarcheren
om in het dorp Bethlehem en de hele omtrek uit voorzorg alle jongetjes te doden.
Herodes laat zich van zijn meest wrede kant zien
omdat de wijzen niet gekomen zijn om hem van informatie te voorzien.
Een stem is in Rama gehoord, geklaag, gejammer en veel gekerm; Rachel huilde over haar kinderen, en wilde niet vertroost worden, omdat zij er niet meer zijn.
Er is geen troost te bedenken voor het dorp dat getroffen is.
Mooie woorden worden er niet geaccepteerd.
Er zit verzet in deze houding: mijn kinderen hebben ze afgenomen,
Ze nemen mij ook niet het verdriet om mijn kinderen af, want ze zijn er niet meer.
Het is de harde werkelijkheid van de wereld waarin wij leven,
Waarin dit Kind geboren is, die de Vredevorst zal zijn.
Een engel waarschuwt Jozef
en nog diezelfde nacht, onder de bescherming van het duister,
gaat Jozef op pad naar een ander land, naar Egypte, samen met het Kind en Zijn moeder.
Balling zijn ze daar in dat land, waar eerder al Abraham naar vluchtte
omdat er in het land dat God hem gegeven had honger dreigde.
Balling net als Jerobeam, die ook voor zijn leven moest vluchten
nadat de profeet Ahia hem tot opvolger van Salomo had aangewezen
en Salomo dat te weten kwam en Jerobeam om het leven wilde brengen.
Zo moet ook Jezus vluchten voor Zijn leven en een veilig heenkomen zoeken in Egypte,
omdat er een koning is die Hem wil doden.
Nog maar net zijn er wijze mannen geweest uit het oosten
om Hem te aanbidden als de nieuwe Koning van Israël die net geboren is.
Ze hebben geknield bij de kribbe
en toen ze vertrokken waren kreeg Jozef een droom en meteen verliet hij Bethlehem.
Een Koning in ballingschap, waar Hij in een vreemd land moet opgroeien.
Dat Christus de hemel verliet en als hulpeloze baby geboren werd,
dat was al een bijzondere weg, dat was al een weg van vernedering, van kruisdragen,
de beloofde Redder, die Koning zal zijn en elke macht zal verbreken,
wordt geboren als een kwetsbaar kindje dat verzorgd moet worden.
Die kwetsbaarheid en die zorg wordt nog groter
als blijkt dat er gevlucht moet worden.
De Zoon van God, de beloofde redder en koning, wordt een vluchtelingenkind.
Zoals zoveel mensen door de eeuwen heen hebben moeten vluchten voor hun leven.
Jezus deelt in hun misère.
Het is al het eerste kruis dat Hij in Zijn leven te dragen heeft.

Dat Gods Zoon een vluchteling wordt heeft de spot opgeroepen.
Enkele eeuwen later was er een felle bestrijder van het christelijk geloof: Celsus.
Hij dreef de spot met deze vlucht:
Als Jezus God was en de macht en het gezag had van God
dan had Hij toch niet hoeven vluchten.
Voor deze Celsus was het een teken van zwakte, ongeloofwaardig,
dat Jezus een veilig heenkomen moest zoeken.
Hij zag het al voor zich: een God op de vlucht, mooie God is dat.
Een God die een zwerverskind is, een asielzoekerskind.
Er is iemand die deze Celsus bestrijdt: Origenes.
Deze Origenes wijst erop dat dit de weg is die God vaak kiest
En zeker met Jezus gaat: De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten.
God draait de verhoudingen om.
Machtigen, die geloven dat aan hun macht nooit een einde komen, vallen van de troon.
Jezus draait alle verhoudingen om: de meeste wordt de minste, de Heer een knecht.
En het loopt er op uit dat omgekeerd de minste de meeste wordt,
We zongen het afgelopen zondagmiddag:

Sterk mij door uw tere handen,
maak mij door uw kleinheid groot,
maak mij vrij door uwe banden,
maak mij rijk door uwe nood,
maak mij blijde door uw lijden,
maak mij levend door uw dood!

Omkering van de rollen: het loopt uit op de opstanding van de doden.
Om dat voor ieder mens te laten gelden moest Jezus ook  helemaal mens worden.
Door te vluchten deelt Jezus in ons bestaan;
anders kon Jezus niet de hoop zijn voor al die mensen die door al de eeuwen heen
moesten vluchten voor een beter bestaan of moesten vluchten voor hun leven.
Anders konden al die mensen zeggen: Mooi verhaal, maar wat heb ik er aan?
Wat heeft het met mij te maken,
ik die mijn land moest verlaten omdat ik anders gedood zou worden
en doordat ik gevlucht ben, heeft mijn familie moeten boeten.
Jezus deelt in het leed, in de wonden, in de vlucht, de dreiging voor gevaar.
Toch is dat niet het enige wat Mattheüs ons wil meegeven:
God die weet wat het is om kwetsbaar te zijn, om op de vlucht te moeten,
die weet wat is om bedreigd te worden.
Wat Mattheüs wil zeggen: Kijk verder dan deze Herodes en alle Herodessen die er zijn.
Want als de tijd van Herodes voorbij is komt deze Koning weer terug,
keert de balling naar huis – Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
De Herodessen in deze wereld hebben het niet voor het zeggen.
Ook al lijkt het er wel op als we het nieuws op ons laten inwerken.
Dictators die hun macht niet uit handen willen geven
en met een woord, een gebaar een hele stad kunnen uitmoorden.
Er zijn heel wat namen te noemen:
Oradour-sur-Glane, Lidice, Putten, Halabja, Tiananmenplein in Peking
– zij weten wat het is om met Rachel mee te treuren over de kinderen die er niet meer zijn.
En toch … Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Dat citaat uit de profeet Hosea geeft Mattheüs
nog voordat hij schrijft over de gruweldaad van Herodes.
Uit Egypte, waar de jongetjes in de Nijl geworpen moesten worden,
Waar de vaders zo hard moesten werken,
dat ze geen tijd meer hadden om bij elkaar te komen,
maar dag en nacht als dwangarbeiders moesten werken,
zodat het volk kapot gemaakt zou worden.
Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Het Egypte, waar de noodkreten van een lijdend volk naar de hemel stegen
en bij God in de hemel aankwamen,
en al duurde het nog tachtig jaar voordat Mozes geroepen werd
om het volk uit te leiden, tachtig lange, harde jaren,
de poort van Egypte ging open.
Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Uiteindelijk mag Israël uit Egypte gaan, uitgeleid door de sterke hand van God.
Steeds als er een Egypte is, een hard bestaan, dan zal er ook een uittocht zijn.
Ook al houdt Herodes nog huis, zijn macht is slechts voor korte duur.
Het is de draak uit Openbaring 12 die wacht tot hij het kind kan verslinden,
maar uiteindelijk zelf verslagen wordt en het onderspit moet delven
en hoe hij ook tekeergaat en slachtoffers maakt, zijn macht is van korte duur,
gebroken is zijn macht en vernietigd.

Uit Egypte heb ik Mijn Zoon geroepen – dat is ook de troost voor Rachel
die niet getroost wil worden, die zich verzet tegen elke troost
En haar machteloosheid, haar waarom, haar verdriet naar de hemel schreeuwt
en ook door God niet getroost wil worden.
Om de pijn en het verdriet van Bethlehem te beschrijven
grijpt MAttheüs terug op een oude gebeurtenis, ook diep ingrijpend,
nooit vergeten door Bethlehem, als een oude wond, nog steeds een litteken.
In de tijd dat de Babyloniërs kwamen om de kinderen van Rama mee te nemen,
als ballingen weggevoerd naar Babel, naar de concentratiekampen ver weg.
Rachel, ze weent om haar kinderen, omdat ze er niet meer zijn, niet meer bij haar,
maar ver weg, onbereikbaar,
ontroostbaar is ze, want die kinderen zullen nooit meer terugkomen.
Voorgoed kwijt.
Een diep, intens verdriet, dat nu in Bethlehem door Herodes wordt herhaald.
De kinderen, ze komen niet meer terug.

Er is iets bijzonders met de tekst die Mattheüs aanhaalt.
Mattheüs die in zijn evangelie een echte bijbelkenner blijkt te zijn laat iets weg.
Want de tekst die hij aanhaalt, geeft juist aan dat er voor de ontroostbare Rachel
troost is, omdat de Heere ingrijpt
en de kinderen uit Babel zal laten terugkeren naar Israël.
Rachel, die ontroostbaar is, zal worden herenigd met haar kinderen.
Maar voor die tweede Rachel?
Mattheüs laat de troost weg.
Hij vertelt alleen dat Herodes sterft en dat er een engel verschijnt aan Jozef
en Jozef opdraagt om terug te keren naar Israël.
Er is bij Jozef nog wel aarzeling, omdat er een zoon van Herodes nu regeert.
Is het wel veilig?
Is dat de troost voor Rachel? Dat Jezus weer terugkeert? Of is er geen troost?
Mattheüs kan alleen maar vertellen over Jezus die terugkeert met Jozef,
nog niet helemaal veilig en daarom maar de uitwijk moet nemen naar Nazareth
en daar verder opgroei.
Mattheüs kan alleen maar vertellen dat de tijd van Herodes voorbij is
en de tijd van Jezus is gekomen.
Mattheüs kan alleen maar vertellen hoe na dertig jaar na het drama van Bethlehem
deze Jezus rondtrekt door Zijn land, als de nieuwe koning,
met meer gezag dan de Schriftgeleerden, lerend over een nieuwe wereld die komt:
Gods koninkrijk, waarin degenen die treuren getroost worden,
waarin de zachtmoedigen het land zullen bezitten
en dat dit koninkrijk er is voor hen die vanwege de gerechtigheid worden vervolgd.
Mattheüs vertelt verder, een heel evangelie lang, over deze koning
tot deze Jezus komt te staan voor iemand die Herodes opgevolgd heeft: Pilatus.
Pilatus die voor elkaar krijgt wat Herodes niet gelukt is:
Om deze koning te doden, uit de weg te ruimen.
Hoe deze koning aan het kruis wordt bespot als een machteloze,
iemand die zei dat Hij een redder zou zijn, maar zichzelf niet kan redden,
iemand die de koning van Israël zou zijn, maar daar troont op een kruis
gekroond met een doornenkroon en sterft aan het kruis
Daarmee is het verhaal van Mattheüs niet uit.
Rachel, het verhaal van dit Kind van jou gaat verder,
Treur niet te lang, wees niet ontroostbaar,
want kijk wat er op de eerste dag van de week gebeurt,
Als de sabbat voorbij is, de dag waarop God rustte van Zijn werk:
De engel die afdaalt en de steen wegrolt en opnieuw de Zoon wegroept uit Egypte,
Uit het Egypte van de dood
En zoals de soldaten van Herodes Jezus niet konden doden, God hen te snel af is,
Kunnen de soldaten van Pilatus Jezus niet in de dood houden,
ook hen is God te snel af.
Daar komt Hij uit het graf, die gekruisigd is geweest en leeft.
En nog, Rachel, is Zijn verhaal niet, van deze Zoon van jou.
Het eindigt ermee, dat Hij op de berg staat en tegen Zijn leerlingen zegt:
Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Houd dit voor ogen: Ik ben bij jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.
Zo is Hij ook jou nabij, Rachel, in je verdriet,
Zoals Jezus er is als er weer een nieuw Bethlehem is,
als er weer een stem van geween uit Rama klinkt, en Rachel niet getroost wil worden.
In het donker van de wreedheid,
als je machteloos moet toekijken hoe je kinderen worden je worden afgenomen.
Ik ben bij je – Mij is gegeven alle macht.
Is dat het einde van het verhaal?
Nee, pas als de wereld voltooid is, dan is het verhaal voorbij.
Dan is de rouw van Rachel voorbij,
Want dan worden ook haar kinderen uit het Egypte van de dood geroepen
en bij Rachel teruggebracht,
Dan is de boze vijand, dan is Herodes en alle Herodessen die er zijn geweest,
Verslagen en de draak zal geen dreiging meer kunnen uitoefenen.
Dan wordt het waar als het Koninkrijk van de hemelen er is en Christus koning.
degenen die treuren getroost worden,
de zachtmoedigen het land zullen bezitten
dat dit koninkrijk er is voor hen die vanwege de gerechtigheid worden vervolgd.
Samen met Rachel kijken wij uit naar die dag
dat er werkelijk vrede komt op deze wereld
en ondertussen weten we en houden we ons eraan vast,
dat geen enkele Herodes hier het laatste woord heeft,
maar dat vooraf aan wat er komen gaat deze belofte staat:
Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen, uit elk Egypte, zelfs  uit het rijk van de dood.
en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd,  Ik ben de Eerste en de Laatste. en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.
Amen.

Meditatie Tweede Kerstdag

Knieval
Meditatie Tweede Kerstdag

De schilder Rembrandt heeft een schilderij gemaakt van de aankomst van de wijzen. Wat daarbij opvalt, is dat Rembrandt niet het accent legt op het goud, de wierook en de mirre. Hij schilderde een oude, statige man. Aan zijn kleding te zien een rijke man. Deze rijke, statige man valt op zijn knieën neer voor het Kind. Zijn muts, teken van zijn waardigheid, is van zijn hoofd gevallen.

De knieval zorgt voor consternatie bij zijn gevolg. Zijn dienaren kijken met verbazing en verbijstering naar wat hun heer doet. Maar hun heer maalt er niet om. Hij heeft hem gevonden! Wat er tot dan toe nog in zijn leven was, telt niet meer. Op het schilderij is te zien dat deze man zichzelf geeft. Hij wijdt zich aan het Kind.


Ik denk dat Rembrandt het Bijbelverhaal goed heeft begrepen. Het gaat niet om de geschenken goud, wierook en mirre. Zelfs niet om de afstand die deze wijzen hebben afgelegd om dit doel te bereiken. Het gaat om de toewijding aan dit Kind, de knieval. Bij Rembrandt straalt de man uit: ik heb mijn levensdoel gevonden in het Kind, waar we naar op reis zijn geweest. Hij is mijn alles. De knieval van deze man, deze wijze is een bekering: het vinden van de levende God.

Bekering
Er zijn daarom ook mensen die in de reis van de wijzen hun bekering zien. Een beroemd voorbeeld is T.S. Eliot (1888-1965), een van de belangrijkste Engelse dichters en in 1948 winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur. Hij schreef een gedicht over de reis, die de wijzen vanuit het oosten maakten.* Hij schreef dat gedicht in het jaar van zijn bekering tot het christelijk geloof. Daarom gaat het in dit gedicht niet alleen over de reis van de wijzen, maar over de reis van Eliot naar Christus.

 
Eliot vertelt in dat gedicht over een moeizame tocht, waarop alles tegenzit. Het personeel, dat mee is op reis, weigert dienst. Een barre tocht, waarop ze vaak dachten: ‘Waar zijn we aan begonnen?’ Maar het was wel de moeite waard.
En toch … de prijs was groot. Want deze wijzen konden niet meer op de oude manier verder leven. Zij hadden de ware, levende God ontdekt. In dat Kind hadden wij het werkelijke leven en God gevonden.
Blijkens het gedicht herkende Eliot in de reis van de wijzen zijn eigen weg tot geloof. Hij herkende het moeizame van de tocht, van zijn bekering, maar hij herkende ook de meerwaarde van het vinden. Alle ontbering, elk offer om het Kind te aanbidden was de moeite waard. Deze aanbidding kent ook een hoge prijs: in leveren van het oude leven. Afstand doen van jezelf.

Inleveren
Op de laatste avond van de catechisatie kregen catechisanten het schilderij van Rembrandt ook te zien. Zij moesten erover nadenken, welk offer zij moesten brengen. Wat moesten zij inleveren als zij dit Kind zouden aanbidden. Een van de groepen gaf aan: je verliest je coolheid.
De tocht die de wijzen maakten, stelt ons voor de vraag: Wat hebben wij over om dit Kind te aanbidden? Of willen we toch onszelf behouden?

Ster
Waarmee begon die reis? De reis begon met de verschijning van een ster. Een teken door God zelf gegeven.
Door dit verhaal kunnen wij voor onszelf ook wachten op een speciaal teken, dat door God wordt gegeven, waardoor wij op reis zouden gaan. We willen dan wel, maar kunnen geen teken vinden om op reis te gaan. God roept ieder van ons op Zijn eigen manier. De wijzen uit het oosten waren gewend om naar de hemel te kijken. Wat er aan de hemel stond had invloed op wat er op aarde gebeurde. De ster die verscheen, kwam op het werkterrein van de wijzen. Het gaat in dit verhaal niet om het uitzonderlijke, maar om de roeping door die ster. God kan ons tekenen op ons eigen gebied geven, waardoor wij in beweging gezet worden om Christus te aanbidden en ons leven aan hem te verliezen.
In het verhaal van de wijzen zijn er genoeg die wel over dit Kind horen, maar niet in beweging komen. Zij blijven zitten waar ze zitten. Ook wij kunnen toeschouwer blijven en niet in beweging komen. Dan zou het wel eens kunnen zijn, dat anderen van wie we het niet hadden verwacht ons voorgaan in het aanbidden van Christus.

Verhaal van Jan
Ieder van ons wordt op zijn eigen wijze geroepen. De wijzen waren geleerden. We kunnen ook in alle eenvoud geroepen worden. Een mooi voorbeeld van een eenvoudige roeping vond ik in het verhaal van Jan:

Op Tweede Kerstdag zouden de evangelisatieclubs hun Kerstfeest houden. Er werd een kerstspel opgevoerd en iedereen was uitgenodigd om het feest bij te wonen. Jan wilde graag meespelen, maar een rol uit het hoofd leren was te moeilijk voor hem. De taak van de herbergier leek geknipt voor Jan. Hij hoefde maar één zinnetje te kennen: “Nee, er is geen plaats in de herberg.” Hij moest dat driemaal zeggen en er de derde keer aan toevoegen: “Maar jullie mogen wel in de stal.”
Jozef en Maria speelden hun rol zo hartverwarmend, dat het zinnetje “Nee, er is geen plaats in de herberg”  steeds minder overtuigend klonk uit de mond van Jan de herbergier. En na de derde keer riep hij: “Jullie mogen wel in mijn kamertje, dan ga ik wel in de stal!”
Daarmee was het kerstspel bedorven. Of toch niet? Jan had het in alle eenvoud begrepen waar het op aankomt. Dat er plaats is voor Jezus in de herberg van ons hart
.**
Amen

ds. M.J. Schuurman

* Titel van het gedicht: Journey of the Magi; in het Nederlands vertaald door Martinus Nijhoff, ‘De reis van de drie koningen’ http://www.dbnl.org/tekst/nijh004verz05_01/nijh004verz05_01_0192.php
** Het verhaal van Jan komt uit de meditatie die Jaap Zijlstra schreef voor Tweede Kerstdag in zijn dagboek Toekomst.