Missie in een seculiere tijd? Een reactie

Missie in een seculiere tijd? Een reactie

‘Het is nu niet de tijd voor nieuwe groeiplannen. Het is de tijd om de kleren te scheuren, as op het hoofd te strooien en de klaagliederen te zingen.’ Deze opmerking van mijn collega dr. W.M. Dekker was een steen in de missionaire vijver. Deze opmerking ging gepaard met andere ‘stenen’ in die vijver: de kritische boeken van W. Dekker (Marginaal en misisonair) en prof. dr. A. van de Beek (Is God terug?) Zulke stenen vragen om een reactie.

Een van de reacties was een scriptie, geschreven door Pieter Gorissen ter afronding van de missionaire master aan de ThUK: Missie in een seculiere tijd. Een empirische en theologische evaluatie van het oordeelmotief bij W. Dekker, W.M. Dekker en A. van de Beek. Eind januari werd deze scriptie op de website www.kerklab.nl gepubliceerd.

Bij het lezen van deze scriptie vroeg ik mij sterk af of de auteur het springende punt van deze theologen wel helder had gekregen. Daarom van mijn kant een reactie op deze scriptie, waarbij ik hoop dat mijn kritische vragen en opmerkingen een bijdrage leveren aan het misisonaire debat in Nederland.

Vreemdheid
Een van de uitgangspunten in de hedendaagse missiologie is de gedachte van de ‘ vreemdheid van de ander’: in het missionaire werk en de (geloofs)gesprekken die gevoerd worden moet niet te snel ervan uit gegaan worden dat wij de ander kennen. Ook in het missionaire werk gaat het erom, dat de ander recht gedaan wordt. Zorgvuldig luisteren, doorvragen, analyseren zonder iemand iets in de schoenen te schuiven zijn daarom basale voorwaarden voor het missionaire werk.

Vanuit dit missiologische basisprincipe mag verwacht worden dat de auteur zorgvuldig probeert na te gaan, wat de genoemde theologen beogen met hun kritische reacties op de missionaire opleving. Een logischere vraagstelling voor de scriptie was in mijn ogen geweest: Wat bedoelen deze theologen te zeggen met hun kritische opmerkingen over gemeentestichting en missionaire plannen? Of: Welke bijdrage leveren deze kritische geluiden aan het missionaire debat in Nederland?

Daarnaast vraag ik mij af, hoe zinvol het is om deze 3 theologen op een hoop te gooien. Krijgt de auteur wel helder wat de mogelijke verschillen zijn?

Evaluatie
De doelstelling van de auteur is een empirische en theologische evaluatie. Daarbij geeft de auteur bij het opstellen van de vraagstelling niet zijn uitgangspunt helder weer. Pas op bladzijde 49 geeft hij aan dat zijn eigen vertrekpunt is bij Stuart Murray.
Van groot belang is dat Stuart Murray een anabaptistische theoloog is met een heel andere opvatting over kerkzijn en secularisatie. Naar mijn idee realiseert de auteur zich te weinig dat hij Dekker, Dekker en Van de Beek vanuit Murray leest en lukt het hem daarom niet om helder te krijgen waar het in deze discussie om gaat.

Willibrord
In de scriptie haalt de auteur aan, dat er met de komst van Willibrord iets eschatologisch gebeurde in Nederland. De auteur koppelt deze opmerking aan het denken over de voorzienigheid (en brengt daarbij een onderscheid in tussen de hand en de vinger van God). De auteur ziet over het hoofd, dat we in dogmatisch opzicht niet zijn in het locus van de voorzienigheid, maar in het locus van de ecclesiologie.

Planting
Het uitgangspunt van de gereformeerde cq. reformatorische leer van de kerk is dat de kerk door God zelf in het leven geroepen wordt. Om met hervormde woorden te spreken: de kerk is een planting Gods. De komst van het christelijk geloof is daarom geen mensenwerk, maar handelen van God. Met de verschijning van de kerk in Nederland in de 6e en 7e eeuw verschijnt God zelf in Nederland. In Marginaal en missionair sluit W. Dekker zich aan bij dr. H. Vreekamp, die in gelijke bewoordingen spreekt over de komst van God in Nederland.

Verschijnen
In de scriptie ontbreken de woorden ‘verschijnen’, ‘ verschijning’ en ‘epifanie’. Daarmee ziet de auteur in mijn ogen ook over het hoofd wat de theologische gedachte is bij het positieve spreken over de volkskerk en bij spreken van kerkverlating als crisis en oordeel van God. Het gaat om een fundamentele vraag, die naar mijn idee in het missionaire debat: als de komst van de kerk gelijk staat aan de komst van God zelf in een gebied en als het waar is dat het God is die de gemeente in het leven roept en bouwt, wat is de neergang van de kerk en kerkverlating dan?

Crisis
De gedachte dat de neergang van de kerk een doelbewuste handeling van God, waarbij Hij verdwijnt uit Nederland, is niet alleen een logische gevolgtrekking maar heeft ook parallellen in het Oude Testament. In het Oude Testament verbergt God niet alleen zijn gezicht, maar vertrekt Hij ook daadwerkelijk uit het midden van het volk Israël. Pas wanneer het volk in de crisis van de ballingschap terecht komt, beseft het volk dat God niet meer in hun midden was. Tot die tijd was men ervan uitgegaan dat er niets met hen kon gebeuren, want God was toch in hun midden. De gedachte van de crisis is: wanneer God te vanzelfsprekend is en geloof mensenwerk wordt, kan God verdwijnen. Als het volk in de crisis is en ondergaat, handelt God op een verrassende manier door zijn volk uit de ballingschap uit te leiden. God handelt niet alleen in oordeel, maar in of na zijn oordeel ook in genade.
Daarbij gaat het er niet om, dat de kerk de plaats van Israël inneemt. Wel dat de God van Israël op dezelfde manier handelt (of kan handelen) als aan Israël.

Genade
De auteur citeert wel voortdurend over het handelen van God in oordeel en genade. In de samenvatting van de standpunten raakt het handelen van God en zijn handelen in genade uit beeld. Daarbij ziet de auteur over het hoofd wat het missionair handelen is in deze concepten. Missionair is allereerst dat God handelt in de missie – het is missio Dei. De missionaire houding is een houding van ontvankelijkheid en gebed: het zoeken van Gods weg, in het geloof en vertrouwen dat God zelf nieuwe wegen kan scheppen. Het is geen houding van berusting, maar van volharding en actieve houding van gebed.
De auteur zoekt parallellen in de kerkgeschiedenis. Het is jammer dat hij in de geschiedenis duikt en zo enkele willekeurige analogieën naar boven haalt. Zinvoller was het geweest als hij een vergelijking had gemaakt met hedendaagse praktisch-theologen, die vergelijkbaar zijn met de 3 onderzochte theologen. Ik denk aan bijvoorbeeld Christian Möller.

Empirie
Wanneer de opkomst en afbraak van de kerk handelen van God is, wordt het moeilijk om daar een empirische toetsing aan te verbinden. Bij een empirische toetsing gaat het om een (godsdienst)sociologische analyse. Het uitgangspunt van de godsdienstsociologie is echter dat zij het handelen van God niet meet. Zij richt zich op de immanente verschijnselen die waarneembaar zijn. De auteur had beter kunnen kiezen voor een andere evaluatie, zoals de fenomenologische benadering: welke verschijnselen neem ik waar en hoe kan ik die theologisch duiden?

Geloofsafval
Ook bij geloofsafval slaat de auteur een verkeerde weg in. De auteur ziet over het hoofd dat geloof ook een geschenk van God is. De onderzochte theologen hebben dus een andere invulling van geloof dan Murray of de godsdienstsociologie. Als geloof een geschenk van God is, is het wel degelijk mogelijk om kerkverlating te zien als geloofsafval: men kiest ervoor om het door God gegeven geschenk te verwerpen.
Daarnaast zijn de gegevens van de empirische toetsing nogal selectief. Op basis van een enkel onderzoek van Alrik Vos wordt beweerd dat kerkplantingen succesvoller zijn dan traditionele kerken én een positief effect hebben op de kerk als geheel. Daarbij ziet de auteur over het hoofd dat het ledenverlies van zowel de PKN als de RKK omvangrijk is. Daarbij heeft de PKN wel degelijk behoorlijke aantallen belijdende leden verloren.
Als de PKN per jaar 60.000 leden verliest, is dat vergelijkbaar met 80% van de CGK of 2x de gehele NGK of 50% van de GKv. Kunnen de kerkplantingen dat verlies opvangen of corrigeren? Volgens mij niet en zou dat een overschatting zijn van het effect van de kerkplantingen.
Als het gaat om empirische gegevens missen we een aantal gegevens: Wat is het totaal aantal mensen dat via kerkplantingen de weg naar de kerk (terug)vinden? Wat is het totaal aantal mensen dat via traditionele gemeenten (als een volkskerk) de weg naar de kerk (terug)vinden?

Volkskerk
Volgens de auteur is het verlies van de leden niet zo erg. Dat waren over het algemeen toch randleden. Hij volgt hierin Murray, die de volkskerk veroordeelt.
Het is niet erg dat de auteur de gedachte en de praktijk van de volkskerk kritisch benadert. Wel is het in mijn ogen problematisch, dat hij niet nagaat wat de theologische gedachte achter de volkskerk is en dat hij het concept volkskerk alleen vanuit Murray benadert. (Dat is hetzelfde als aan een Feyenoordfan vragen of Ajax een kampioenswaardige ploeg heeft.)

Voor de volkskerk horen alle leden erbij: de actieve leden en de leden die niet actief zijn. Vanuit de volkskerkgedachte is het problematisch om over randleden te spreken. Er is een actieve en een minder actieve kern, maar er is geen verschil in waardering. De minder actieve leden behoren evengoed tot het verbond dat God sloot als de actieve leden. Wanneer niet-betrokken leden zich laten uitschrijven is dat een even groot verlies als het verlies van belijdende leden.

De volkskerk is kerk voor het volk, omdat deze mensen aan de zorg van de kerk zijn toevertrouwd. Bij de volkskerk kunnen mensen aangesloten zijn die niet kunnen verwoorden waarom ze geloven. Of die liever vrijwilliger zijn de bij de plaatselijke voetbalclub of de kringloopwinkel dan bij de kerk. Die liever naar het buurtcafé om de klaverjassen gaan dan naar de bijbelstudiemorgen van de kerk.

Incarnationeel
De gedachte van de volkskerk gaat terug op het optreden van Jezus. Hij kiest discipelen uit, maar heeft daarbij het volk op het oog. Volgens de evangeliën is Jezus niet gekomen voor de actieve gelovigen, maar voor degenen die God niet kennen. De PKN heeft daarom gemeenten op plaatsen waar men niet over piekert om daar een gemeente te starten: denk aan Noord-Holland, noord-oost-Groningen enz. Evenals de gemeentestichtingen wordt de volkskerkgedachte gedragen door de incarnatorisch missiologie: daar zijn waar de mensen zijn, omdat Jezus dat ook deed.

Tot besluit
Iets meer respect voor waar de volkskerk voor staat als het werk van God in deze kerk (en daarmee de missionaire kracht van deze kerk) had wel fairder geweest. Daarnaast: is het nodig om volkskerk en gemeentestichtingen tegen elkaar uit te spelen?

Marginaal & missionair (3) – Document van geleefd geloof

Marginaal & missionair (3) – Document van geleefd geloof

Aan het geloof is niets vanzelfsprekends’, schrijft Wim Dekker in reactie op Martin van Dam. Martin van Dam, predikant te Hagestein, had hem om raad gevraagd. Hij kwam steeds meer jongeren tegen die geen raad meer wisten met geloof. Het geloof leek hen te ontglijden. Het antwoord van Dekker had ik zelf weer als een vanzelfsprekendheid gelezen. Voor mij was vanzelfsprekend dat geloof niet vanzelfsprekend (meer) is. Sinds ik Marginaal & missionair heb gelezen, weet ik dat er in die woorden voor Dekker zelf niets vanzelfsprekends in zit. In zijn boek geeft hij namelijk aan, dat het vanzelfsprekende van het geloof in de crisis is gekomen. Marginaal & missionair is daarom een document van geleefd geloof.

Geleefd geloof is een term uit de praktische theologie. Geleefd geloof – dat vooral vanaf de jaren-’90 een (onderzoeks)thema is van de praktische theologie – wil aangeven op welke manier het geloof een plek heeft in levens van mensen. Hoe het geloof geleefd wordt, kan anders zijn dan in de geloofsleer wordt beschreven.
Het geleefd geloof komt vooral in hoofdstuk 1, een terugblik, aan bod. Hierin beschrijft Dekker hoe hij met het thema missionair kerk-zijn altijd bezig is geweest. ‘Dat is bij mij wel door een diepe crisis heen gegaan, en ik heb het gevoel dat ik die nog steeds niet achter me heb gelaten.’ (p. 15) Naar mijn idee is het hele boek een antwoord op en verwerking van deze crisis. Het spreken over het oordeel, het centraal stellen van de prediking, de aandacht voor Gods presentie en handelen, heeft naar mijn idee de oorsprong in deze crisis.
‘In de Bijbel hebben crises altijd te maken met het oordeel van God, met verzoeking, omkeer, loutering.’ (p. 16) In het boek gaat het er niet alleen om, dat de kerk in het oordeel is gekomen, maar ook Wim Dekker en het geloof van Wim Dekker. De omkeer en de loutering is ook aanwezig: hij spreekt over het nieuwe dat van Gods kant komt, ‘door een proces van loutering en crisis heen’. (p. 19) In dat proces van loutering is Dekker het vanzelfsprekende van het geloof kwijtgeraakt. Hij heeft er wel iets voor teruggevonden: het geloof dat God handelt in de geschiedenis en zelfs in het proces van marginalisering van de kerk.
Dekker heeft ook het een en ander af moeten leren. Daarin is hij heel eerlijk en door zijn eerlijkheid snap ik zijn oproep tot schuldbelijdenis. In enkele voor mij onthutsende woorden schrijft hij: ‘Met mijn geestverwante generatiegenoten begon ik mijn werk in de gemeente vanuit de gedachte dat de kerk weliswaar hier en daar ingezonken was, maar daar zou je veel aan kunnen doen, mits je  maar op een goede manier aan de slag ging.’ (p. 22) Met andere woorden: was je goed en actueel gereformeerd kon je weinig gebeuren. Dat houdt mij de spiegel voor: op welke manier ga ik op een vanzelfsprekende manier om met God, waardoor Hij voor mij afwezig wordt.
De crisis is geen gemakkelijke weg geweest: ‘Mijn spiritualiteit is gestempeld door het leven in een tijd van secularisatie, van Gods verduistering, woestijnervaringen, ballingschap.’ (p. 19), Maar wel een heilzame weg: net als Israël ontdekte Dekker de mogelijkheid dat God afwezig kan zijn. De afwezigheid is geen onverschilligheid van God, maar een manier om het volk Israël tot inkeer te brengen. Na het verdwijnen van de vanzelfsprekendheid van Gods aanwezigheid, kreeg Dekker de aandacht voor vrijmacht van God. Op Gods handelen en presentie is geen beslag te leggen: ‘Laten we niet te gauw denken dat God wel blij zal zijn met ónze plannen.’ Of zoals dr. Henk Vreekamp in een interview in Maandblad Réveil over Gods verschijning zegt: ‘Je hebt het niet in je macht. De heiden in mij wil houvast, wil beslag op God leggen. Israël moet het doen met het heilige der heiligen, dat leeg blijft. God is niet te zien. Mozes mocht slechts een afglans van Zijn heerlijkheid zien. God is in het Nieuwe Testament nog meer verborgen. Wie zou God in een mens zoeken? Hij ontglipt ons zodra wij er de hand op leggen, zoals bij de Emmaüsgangers (Luc. 24:31): ‘Hij geschiedde onzichtbaar’ (vertaling Dirk Monshouwer). Dit geeft ook troost: ik hoef het geheimenis niet te bewaken. Ik mag het loslaten.’
Marginaal & missionair is een indrukwekkend document van geleefd geloof, een geloof dat juist door de crisis heen God vindt – niet op de plaats waar mensen Hem denken te vinden, maar waar Hij zichzelf openbaart.

ds. M.J. Schuurman

Marginaal en missionair (2): Handelen van God

Marginaal en missionair (2): Handelen van God

Over Marginaal en missionair van Wim Dekker valt veel te zeggen. Het boek biedt genoeg om er lang over na te denken, om er tegen in te gaan. Dekker spreekt over de krimp van de kerk, die wel eens een oordeel van God kan zijn. Hij plaatst de kerkdienst (preek, avondmaal en liturgie) in het hart van gemeentezijn en is niet gelijk overtuigd van de noodzaak van kerkplanting. Het is verleidelijk om direct daarover in discussie te gaan. Alleen dan wordt naar de kern van het betoog van Dekker over het hoofd gezien: het handelen van God.

Voor alles lees ik Marginaal en missionair als een boek dat (weer) oog wil hebben voor het primaat van Gods handelen. De kerk is allereerst een gebeuren van God. Het handelen van God in en aan de kerk is niet alleen te zien in de groei van de kerk. Wanneer alleen over Gods handelen gesproken wordt als de kerk groei, valt de zegen van God samen met succes. Dekker wil ook in het kleiner worden van de kerk niet voorbij aan Gods handelen. Kan het niet een oordeel zijn van Godswege waardoor de kerk kleiner wordt?
Ook in de vernieuwing van de eredienst en in het centraal stellen van de preek gaat het om het handelen van God. In de christelijke traditie is de eredienst de plaats bij uitstek waar God te ontmoeten is. Overigens, Dekker voert niet alleen een pleidooi voor de preek, maar in het kader van Gods handelen aan ons ook voor het avondmaal. Als de eredienst de plaats van ontmoeting tussen God en mens, waarin wij het heil ontvangen, krijgt ook de gemeente betekenis vanuit het handelen van God. Geloven kan niet zonder de kerk, omdat dan de plaats waar God handelt genegeerd wordt.

Vergelijkbare stemmen

Met zijn nadruk het primaat van het handelen van God staat Dekker niet alleen. Ook dr. Bert de Leede legt hier de laatste tijd de nadruk. Ik denk aan zijn artikel, waarin hij zich afvraagt waarom tijdens zijn verblijf in de VS meer werd aangesproken dan in de gemiddelde kerkdienst in Nederland (http://www.izb.nl/index.php?aId=1393&hilite=leede).[1] Of aan zijn lezing “De kerk in het vizier” tijdens de conferentie van de Gereformeerde Bond in 2010 over Geestelijk leiding geven vandaag (https://mjschuurman.wordpress.com/2010/05/29/922/). Of aan zijn lezing op de Kontekstueel-dag: ‘Het voor-laatste woord: samen met alle heiligen’ (na te lezen via www.kontekstueel.nl). Ook de bijdragen van prof. dr. A. van de Beek horen bij deze (nieuwe?) ontwikkeling. Vooral zijn hoofdstuk over de doop in God doet recht.
Ook dr. H. Vreekamp, die niet voor niets enkele keren in Marginaal en missionair voorbij komt, past in deze ontwikkeling. In zijn boek De tovenaar en de dominee komt hij in zijn zoektocht naar het handelen van God uit bij de Schrift die in de eredienst wordt gelezen. Daar wordt God ontmoet. (Ook al is dat op een andere manier dan wij vaak denken.)
Het fascinerende is dat lijnen uit het boek ook te vinden zijn in het werk van Wolfgang Ratzmann[2] en Eberhard Winkler[3], praktisch-theologen uit Oost-Duitsland, die zich bewust rekenschap hebben gegeven van de seculiere context van Oost-Duitsland.[4] Beiden zijn niet alleen bezig geweest met missionaire gemeenteopbouw of missionaire liturgie, maar hebben ook nagedacht over het belang van (goede) kerkmuziek.
Ook de Duitse praktisch-theoloog Christian Möller past in dit plaatje. De laatste jaren is hij uit het Nederlandse gezichtsveld verdwenen, omdat hij niet veel moet hebben van allerlei modellen.[5]

Mijns inziens is het van belang om de lijn van het handelen God als basis voor de kerk verder te doordenken. Niet alleen met het oog op de toekomst van de kerk, maar vooral ook met het oog op het heden. We zijn immers vandaag de dag kerk. De toekomst is niet in onze hand.

ds. M.J. Schuurman


[2] Wolfgang Ratzmann, “Gott ist gegenwärtig”. Aufsätze zum Gottesdienst. Beiträge zu Liturgie und SPiriualität 19 (Leipzig, 2010).

[3] Eberhard Winkler, Gemeinde zwischen Volkskirche und Diaspora. Eine Einführung in die praktisch-theologische Kybernetik (Neukirchen-Vluyn, 1998). Winkler heeft naast zijn functie als hoogleraar Praktische theologie altijd als predikant ook een (kleine) gemeente gediend.

[5] Christian Möller, Wovon die Kirche lebt. Gewißheit – Gemeinschaft – Lehre – Sakrament (Göttingen, 1980); “Wenn der Herr nicht das Haus baut…”Briefe an Kirchenälteste zum Gemeindeaufbau (Göttingen, 20076); Der heilsame Riß. Impulse reformatorischer Spiritualität (Stuttgart, 2003); Lasst die Kirche im Dorf! Gemeinden beginnen den Aufbruch (Göttingen, 2009). Zie: https://mjschuurman.wordpress.com/2009/12/05/gods-belofte-als-basis-voor-het-kerkewerk/

Marginaal en missionair (1) Korte impressie

We maken het mee dat we als kerk steeds kleiner worden. Wanneer we dat om ons heen zien, misschien zelfs bij onze eigen kinderen, bestaat het gevaar dat we gaan twijfelen. Heeft het nog zin om met de kerk door te gaan? Of moet het roer totaal omgedraaid worden? Hierbij een korte impressie. (Het is mijn bedoeling om aan dit boek een aantal blogs te wijden.)

Om op deze vragen in te gaan heeft ds. Wim Dekker een boek geschreven: Marginaal en missionair. Kleine theologie voor een krimpende kerk.
Dekker ziet geen heil in het opleuken van de kerk. Volgens hem moet het in de kerk (weer) gaan om het ene punt dat de kerk uniek maakt: de kerk is de plaats om God te ontmoeten.
Wil de kerk missionair zijn, dan moet ze volgens Dekker twee dingen doen: (1) beseffen dat de kerk voorlopig klein blijft, (2) opnieuw erover nadenken wat het betekent om in de kerk(dienst) God te ontmoeten.
In de kerkdienst gaat het erom, dat  Gods grote daden gedenken. Gedenken wil zeggen: niet als iets van het verleden beschouwen, maar zien dat God op dezelfde manier kan handelen. ‘Ons verloren bestaan wordt opgenomen in de ruimte van Gods aanwezigheid die tegelijk redding, vergeving en eeuwig leven inhoudt. (…) Uitsluitend in dat kader kunnen we ook nadenken over de viering van het avondmaal en of dat vaker zou moeten. Misschien is de dag dan niet meer ver dat we allen aanvoelen: we moeten vaker vieren omwille van ons leven. Anders sterven we van dorstin een Godvergeten cultuur.’

Als het in de kerk om de ontmoeting met de levende God gaat, moet het ook in de preek om de ontmoeting van God met ons leven. Vanuit die ontmoeting leren wij om aan anderen uit te leggen wat het in ons dagelijks leven inhoudt om bij Christus te horen. Een goede preek, waarin deze ontmoeting tussen God en mens plaatsvindt, is dus van missionair belang.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v.: Wim Dekker, Marginaal en missionair. Kleine theologie voor de krimpende kerk (2011).

Geschreven voor De kerk thuis mei/juni 2011