Luther – zijn leven, zijn werk (recensie)

Luther – zijn leven, zijn werk (recensie)

Het is markant beeld: de monnik Maarten Luther die een vel papier op de deur van de Slotkapel van Wittenberg met een hamer vastspijkert, waarmee hij de startsein geeft voor een vernieuwing van de kerk. Geen wonder dat 31 oktober internationaal wordt gebruikt om 500 jaar Reformatie te vieren. Maar wie was die Luther? Waarom kwam hij in verzet en stond juist hij aan het begin van vernieuwing van de kerk?

In de afgelopen eeuwen is Luther heel wat keren herdacht als held van de Duitse nationale geschiedenis of de protestantse kerkgeschiedenis, zonder dat helder was wat de inhoud van zijn boodschap was. Bij deze Reformatieherdenking zijn er gelukkig heel wat publicaties, die de levensweg en de inhoud van deze reformator bekendheid willen geven.
9789043528054-luther-zijn-leven-zijn-werk-m-LQ-f
Een van die publicaties is het boek Luther, zijn leven, zijn werk onder redactie van Sabine Hiebsch en Martin L. van Wijngaarden (zie: hier). Het gaat om een derde druk van een boek dat al in 2007 verscheen en dat vanwege het Reformatiejubileum geactualiseerd is. Het doel van dit boek is om de erfenis van Luther door te geven. Om Luther voor een breed publiek toegankelijk te maken is er gekozen voor een heldere opzet: het lopende verhaal is de biografie van Luther. Tussendoor worden in kleine hoofdstukjes belangrijke thema’s uit Luthers leven en theologie uitgelegd.

Luther werd op 10 november 1483 geboren als Martin Luder, zoon van Hans Luder die via de kopermijnen maatschappelijk promotie had gemaakt. Zijn zoon Martin mocht studeren om maatschappelijk nog meer vooruit te komen. Deze plannen van vader Luder gaan niet door als Martin op 2 juli 1505 op reis naar zijn ouders wordt overvallen door onweer.

Het is niet duidelijk waarom hij die reis ondernam. Het zou kunnen dat hij zijn studie met zijn vader wilde bespreken of dat zijn vader hem gevraagd had om thuis te komen om huwelijksplannen te bespreken.

Als hij vlakbij het dorpje Stotternheim door heftig onweer wordt overvallen door heftig onweer, roept hij de heilige Anna aan en legt de gelofte af dat hij als hij het er levend van afbrengt monnik zal worden. Een jaar eerder overleefde Martin een levensbedreigende beenwond. Hij legde toen geen gelofte af. Zijn vader reageert fel op de voorgenomen wijziging van studie.

Op 17 juli doet hij intrede bij de augustijneremieten in Erfurt,  een kloosterorde waarin armoede, kuisheid en gehoorzaamheid een centrale rol speelde. Tijdens zijn rechtenstudie was hij al bezig met de vraag naar een genadige God. Door een strenge, ascetische levenswijze, waarbij zelfkastijding ook een rol speelde, probeerde hij Gods genade te ontvangen en daarmee rust voor zijn ziel en geweten. Hij liep daarin echter steeds meer vast. Daardoor konden zijn biechten steeds langer duren en konden uren in beslag nemen.

Tijdens zijn studie in Erfurt komt hij in aanraking met het nominalisme. Dit nomalisme is een vrij recente ontwikkeling in de Middeleeuwse theologie en werd daarom via moderna (de moderne weg) genoemd. Uitgangspunt van het nominalisme was algemene begrippen, die aan voorwerpen of (groepen) mensen toegeschreven niet zozeer werkelijk bestaande objecten waren, maar namen (nomina) die door mensen voor deze begrippen zijn bedacht.

Het effect van het nominalisme was dat mensen als zelfstandige individuen werden gezien in plaats van onderdeel van de ‘categorie mens’. Het nominalisme was bovendien van mening dat de werkelijkheid niet gekend kan worden zonder het verstand, de ervaring en de geest van degene die de werkelijkheid tracht te doorgronden. Het nominalisme was een stroming die ruimte bood aan nieuwe, revolutionaire ideeën. Deze ideeën moesten niet worden aangepast aan wat reeds bekend is. Voor het ontstaan van de Reformatie is het van grote betekenis geweest dat Luther in deze traditie werd onderwezen.

Zijn eigen ervaring dat hij geen genade van God kon krijgen door zichzelf hard aan te pakken was een van de factoren die leidde tot Luthers ontdekking dat deze genade niet verdiend wordt, maar door God geschonken wordt. Deze ontdekking doet Luther op tijdens de voorbereidingen van colleges over de Psalmen, de brief aan de Romeinen en de Hebreeënbrief.

Als in dezelfde tijd Tetzel op pad gaat om aflaten, die dienen vrijspraak in het oordeel van God te verkrijgen, te verkopen komt Luther in geweer. Hij vindt dat een misstand in de kerk, omdat op deze manier mensen God uit de weg gaan en geen echte boetedoening afleggen en daarmee ook niet de genade ontvangen. Hij verwoordt zijn bezwaren in 95 stellingen.

In het boek wordt wel betwijfeld of Luther daadwerkelijk deze stellingen heeft vastgespijkerd op de deur van de Slotkapel. De stellingen waren namelijk in het Latijn, bedoeld voor wetenschappelijke disputatie. Op 31 oktober 1517 verstuurt hij ze wel naar de bisschop van het gebied waarin Tetzel actief is. In deze brief gebruikt hij voor het eerst zijn nieuwe naam Luther, afgeleid van het Griekse Eleutherus (‘de bevrijdde’). Deze stellingen verspreiden zich snel, maar echt invloedrijk is pas zijn Preek over de aflaat en genade die hij een jaar later in het Duits publiceert.

Luthers intentie was niet om een nieuwe kerk te stichten, maar om de kerk te vernieuwen. Luther moet zijn theologie steeds verder blijven ontwikkelen, want radicale stromingen vinden dat hij niet ver genoeg gaat en boeren zien in Luthers optreden een legitimatie om in opstand te komen.

In het boek komen de belangrijkste thema’s uit Luthers werk op een begrijpende wijze aan de orde, zoals waarom het kruis van Christus zo belangrijk voor hem was, zijn visie op wet en evangelie, zijn visie op het avondmaal, op de praktijk van de gemeente, enzovoort.

Het boek is extra bijzonder door de vele afbeeldingen die opgenomen zijn, waarmee we een indruk krijgen van de betekenis van Luther door de eeuwen heen. Daarbij is ook veel materiaal in Nederland opgenomen. Naar mijn idee zijn de auteurs van dit boek erin geslaagd om de persoon en de betekenis van Luther op een begrijpelijke wijze te schetsen.

N.a.v. Sabine Hiebsch (tekstredactie), Martin L. van Wijngaarden (beeldredactie), Luther, zijn leven, zijn werk (Utrecht: Uitgeverij Kok, 2017)

Advertenties

Martin Luther en zijn theologie van het kruis

Martin Luther en zijn theologie van het kruis

Voor Luther is de ‘theologie van het kruis’ de kern van zijn theologie. ‘CRUX sola est nostra theologia.’ Vanuit hedendaags perspectief worden er echter bezwaren aangedragen tegen Luthers visie. Moet die ‘theologia crucis’ nog wel gehandhaafd worden?
Hans-Martin Barth neemt zijn vertrekpunt in de kritiek op de theologie van het kruis. Hij gaat na wat Luther beoogde en sluit af met een kritische evaluatie.

Kritiek
De meeste kritiek raakt niet alleen de visie van Luther, maar van de gehele klassiek-reformatorische visie op het kruis van Christus.
De betekenis van dit kruis is voor veel mensen verdwenen. In veel kerken spreekt men niet over de lijdenstijd, maar over de veertigdagentijd. Waarbij niet altijd duidelijk is wat deze periode nog te maken heeft met het kruis.
Het kruis staat symbool voor de macht van de kerk. Deze macht is tanende, maar de kerk heeft moeite om dit verlies te accepteren. Eind jaren-’90 is er in Duitsland een stevige discussie gevoerd over de aanwezigheid van het kruis in klaslokalen (het zgn. Kruzifix-Beschluß).
Mensen in het westen kunnen niets meer met het kruis aanvangen, omdat zij in staat zijn zichzelf te ontplooien. Aan de andere kant zijn er velen in deze wereld die zoveel lijden, dat zij met het kruis van Christus ook niets kunnen beginnen.
Velen hebben vandaag de dag moeite met de klassieke visie, dat Jezus’ dood een offer zou zijn. Vanuit andere godsdiensten stuit men ook op onbegrip: hoe kan de veroordeling van één enkele mens van betekenis zijn voor de gehele mensheid?

Het uitgangspunt
Luther introduceert het begrip theologia crucis voor het eerst in 1518 in de Heidelberger Disputaties.
Twee bijbelteksten vormen de basis voor deze theologie van het kruis: 1 Korinthe 1:18vv (het kruis als dwaasheid voor de Grieken en ergernis voor de Joden) en Romeinen 1:18-23.
In de Heidelberger Disputaties gebruikt Luther het kruis van Christus om aan te geven dat men niet genoeg heeft om te spreken over God als de schepper. Men kent God onvoldoende als men alleen naar Zijn handelen in de schepping kijkt. Die weg is niet meer begaanbaar, omdat de mens die weg heeft misbruikt. Sindsdien kan men God alleen maar kennen op de manier waarop Hij zich bekend maakt(e) aan onze werkelijkheid: door Zijn, nederigheid, lijden en kruis. Alleen in Christus kunnen wij de eeuwige God ontmoeten.
Luther gebruikt de theologie van het kruis op een kritische manier: om de zelfverheerlijking en de zelfbepaling van mensen door te prikken. De mens kan God niets aanbieden wat Hem behaagt. Tegelijkertijd vormt God uit de (gevallen) mens een nieuwe schepping. Deze herschepping is vergelijkbaar met de opstanding der doden: het niets wordt tot aanzijn, tot leven geroepen.
Het kruis is voor Luther de plaats waar wij mensen God kunnen vinden. God is vooral te vinden in de vernedering. Het kruis van Christus, Zijn sterven waarin Gods vernedering blijkt, is het kernstuk van het christelijk geloof en werkt in alle onderdelen door.

Kritisch op prestatiedruk
Het tegenovergestelde van de theologie van het kruis is de theologia gloriae: theologie die zich baseert op menselijke prestatiedrang. Deze menselijke prestatiedrang heeft de neiging om God voor zijn karretje te spannen. God wordt op die manier een menselijk instrument. De mens is dan niet meer wat hij hoort te zijn: dienaar van God. De mensen die deze theologie aanhangen zijn mensen die streven naar een perfect leven, ook voor Gods aangezicht. Men streeft dan naar indrukwekkende kerkgebouwen en structuren, naar invloedrijke gemeenschappen. Het kruis van Christus is voor deze gelovigen eerder een abstract idee of een symbool.
De werkelijke kerk is volgens Luther echter onaanzienlijk: een kerk in de schaduw, bespot vanwege de dwaasheid van het evangelie. De Koning van de kerk is een knecht (Jes. 53)
De theologie van het kruis krijgt daarmee ook een politieke lading. Vanuit de knechtsgestalte van de Heer kan er kritiek worden uitgeoefend op elke machtsaanspraak.

Barth betreurt het echter dat Luther in concrete situaties, zoals de Boerenopstand (1525) niet de volledige consequenties heeft getrokken uit zijn eigen leer. Maar ook hier ligt het genuanceerder dan ogenschijnlijk lijkt. In zijn boek gaat hij in op de rol van Luther in de Boerenopstand (p.72-87) in het hoofdstuk over ‘Zugangsschwierigkeiten’.

M.J. Schuurman

N.a.v. Hans-Martin Barth, Die Theologie Martin Luthers Theologie (Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2009) p. 169-192: ‘Alternative – zwischen Kreuz und Selbstbestimmung’.

Luther en de Joden

Luther en de Joden

In de 20e eeuw is het Joodse volk hard getroffen door de Shoah. In de aanloop naar deze gebeurtenis werd enkele geschriften van de reformator Luther gebruikt om het antisemitisme te verdedigen.
Dit gegeven maakt het bepaalde mensen onmogelijk om nog iets goeds over Luther te zeggen. Vorig jaar hoorde ik van iemand die het lied Een vaste burcht pertinent niet wilde zingen. Vanwege deze reden.
Dat de relatie tussen Luther en de Joden een heikel thema is, bewijst ook de heftige discussie die enkele jaren geleden gevoerde werd n.a.v. het boek van de Joodse theoloog René Süss.
Het thema Luther en de Joden is vandaag de dag om nog een andere reden actueel. Steeds meer duikt de visie op, dat godsdienst leidt tot geweld, uitsluiting en onderdrukking. Alleen daarom al is het goed om stil te staan bij de volgende vragen: Wat zijn de feiten? Hoe moeten wij daarmee omgaan?

De feiten
Luther heeft zich zowel positief als zeer negatief uitgelaten over de Joden. Een van de laatste geschriften die Luther schreef, was een Vermaning tegen de Joden (opgenomen in deel 51 van de Weimarer Ausgabe). Daarin komt de dubbele houding naar voren: aan de ene kant moeten de christenen hun liefde laten blijken voor de Joden in daden en voor hen bidden. Tegelijkertijd beschrijft hij dat hij in de dorpen veel Joden tegenkomt, die hem een koude rilling bezorgen.

Het meest beruchte boek van Luther over de Joden is zijn geschrift uit 1543: Over de Joden en hun leugen (Weimarer Ausgabe, deel 53, p. 417-552). Hierin beschrijft hij, dat de christen buiten de duivel om geen ergere vijand heeft dan de Jood. Zij hebben de Heiland gedood en weigeren nog steeds om tot bekering te komen. Hij pleit ervoor de ban aan de Joden te voltrekken (Deuteronomium 13:16): om de huizen te verwoesten en hen buiten het maatschappelijke leven te plaatsen.

De anti-Joodse houding van Luther is niet beperkt tot de laatste jaren van zijn leven. Ook in zijn vroege periode komen al anti-Joodse uitspraken voor, bijvoorbeeld in zijn Dictata super Psalterium (1513-1515).

In 1523 schrijft Luther een geheel ander geschrift: Dass Jesus Christus ein geborener Jude sei. Hij publiceert dit geschrift als reactie op de beschuldiging, dat hij niet meer zou geloven in de maagdelijke geboorte. In dit geschrift geeft Luther aan dat christenen niet altijd op de goede manier met Joden zijn omgegaan. Men heeft hen vaak als honden behandeld. Hij pleit vanuit missionair oogpunt voor integratie van de Joden in de samenleving: men moet hen niet bepaalde ambachten verbieden.
Hij is kritisch op het Joodse geloof: het is vooral een geloof waarin je moet werken voor je eigen heil. Daarnaast geeft hij aan, dat christenen het Hebreeuws moeten gaan beheersen om het Oude Testament te begrijpen.
Soms komt hij Joden tegemoet in hun kritiek. Hij schroomt er niet in de voor christenen belangrijke tekst Jesaja 7:14 te veranderen. Traditioneel las men hier maagd (vanwege de maagdelijke geboorte). Luther verandert dit woord in jonge vrouw.

Duiding
Waar komen deze wisselende reacties op het Jodendom vandaan? Men heeft verschillende opties naar voren gebracht:

(1) Luther was teleurgesteld geraakt in de Joden.
Hij dacht dat zij zich zouden aansluiten bij de Reformatie. Het tegenargument: Luthers houding komt al in zijn vroege geschriften voor.

(2) Luther week niet af van de geest van zijn tijd.
Gelijkluidende stemmen vindt men ook bij Reuchlin, Erasmus, Van Eck. Tegenargument: andere theologen als Melanchton en Osiander zijn veel positiever naar de Joden geweest.

(3) Luther heeft vooral theologisch geargumenteerd.
Zijn visie op de Joden wijkt niet af van zijn visie op de heidenen, de Turken en de heksen. Bovendien beschouwde hij deze groep vanuit zijn eigen theologie. Hij zag in de Jood het type gelovige, waartegen hij zich juist verzette: de zondige mens, die zichzelf als gelovig bestempelt en die denkt vanuit zijn eigen handelen bij God te kunnen uitkomen.

(4) Beroep op de Bijbel
Hans-Martin Barth draagt een ander argument aan: in discussie met zijn tegenstanders kon Luther zich altijd beroepen op de Bijbel. In de discussie met de Joden ging dat niet. Zij hadden een kleinere bijbel en accepteerden dat gezag niet. Luthers verzet tegen de Joden heeft vooral te maken met zijn visie op wat de Heilige Schrift is. Volgens hem was het duidelijk, dat heel de Schrift heenwijst op Christus. Ook het Oude Testament (christologische Schriftvisie) Hij was geen rabiaat antisemiet, maar was bang dat in die tijd van crisis christenen zouden overgaan naar het Jodendom.

Barth wijst erop, dat de geschriften van Luther niet kritiekloos kunnen worden overgenomen. Vanuit dit thema vraagt Hans-Martin Barth zich af of ook niet Luthers Schriftvisie onder kritiek moet worden gesteld. De christologische Schriftvisie is te beperkt. Heeft Luthers negatieve houding ten opzichte van de Joden er ook niet mee te maken, dat Luther weinig doet met de triniteit?

In ieder geval is duidelijk. Luther is geen heilige. Ook hij heeft het nodig heeft om als goddeloze rechtvaardig gesproken te worden.

N.a.v. Hans-Martin Barth, Die Theologie Martin Luthers. Eine kritische Würdigung (Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2009) p. 49-63

Aanbevolen literatuur
* Thomas Kaufmann, Luthers “Judenschriften” in ihren historischen Kontexten (Göttingen, 2005) – Kaufmann is een expert op het terrein van de lutherse traditie in de 16e en de 17e eeuw.
* Peter von der Osten-Sacken, Martin Luther und die Juden – neu untersucht anhand von Anton Margarithas “Der gantz Jüdisch glaub”(1530/31) (Stuttgart, 2002). – Von der Sacken-Osten heeft veel onderzoek gedaan naar de christelijke wortels van het antisemitisme.