Gods geduld (meditatie)

Gods geduld (meditatie)

Het geschiedde, toen de dagen van Zijn  opneming vervuld werden, dat Hij Zijn aangezicht naar Jeruzalem keerde om daarheen te reizen. (Lukas 9:51)

Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook  Elia gedaan heeft? (Lukas 9:54)

En hij antwoordde en zei tegen hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar staan, totdat ik om hem heen gegraven en hem bemest heb (Lukas 13:8)

Jezus gaat op weg naar Jeruzalem. Hij kiest daarvoor wel een ongebruikelijke route: door Samaria. Samaria is ander gebied dan Galilea en Jeruzalem. Galilea was het gebied waar Hij rondtrok, verkondigde, onderwijs gaf, genas. Jeruzalem is de stad van de tempel, de stad waar God woning heeft op aarde, een heilige stad. Ook de stad van Golgotha, de plaats waar Jezus zal lijden en sterven. De stad van de Olijfberg waar vandaan Christus weer terug gaat naar de hemel.

Samaria is een gebied waar de mensen anders zijn: een ander geloof hebben, onverschillig zijn of zelfs vijandig. Op reis door Samaria vindt Jezus geen onderdak. De mensen in Samaria zijn ongastvrij, een grove belediging in die contreien. Zou onze tijd ook niet een soort Samaria zijn? Een tijd waarin mensen anders geloven? Waarin mensen mensen onverschillig zijn of zelfs vijandig zijn ten opzichte van Christus? Op zondag is er dan even een Galilea of een Jeruzalem, waar je samen met de gemeente bent, maar doordeweeks Samaria: kritische vragen van collega’s, schampere opmerkingen, schouderophalen. Opmerkingen als: ‘Dat moet jij zelf weten. Het boeit mij niet.’

Op de weg door Samaria doet Jezus iets bijzonders. Hij voert gesprekken. Hij vertelt verhalen over het gewone alledaagse leven, gelijkenissen die – zonder dat ze over God gaan – aan het nadenken zetten over God. Geen verkondiging of onderwijs, maar alledaagse gesprekken, alledaagse verhalen. Dat is wat we in Samaria kunnen doen. Niet prediken of betweterigheid, maar ruimhartige gesprekken met aandacht voor de vragen die mensen hebben. Ons laten bevragen op ons geloof. Verhalen vertellen die tot nadenken stemmen over God. Niet speciaal geestelijke verhalen, maar gewone alledaagse verhalen die toch iets onthullen over Gods liefde, Gods geduld en barmhartigheid, een uitnodiging zijn om ook kennis te maken met de Heere.

Het geestelijke en het alledaagse zijn niet gescheiden. Het geestelijke is alledaags en het alledaagse kan heel geestelijk zijn. Onze omgang met Christus vraagt dezelfde taal als onze omgang met onze vrienden. En omgekeerd: onze omgang met onze vrienden vraagt dezelfde taal als onze omgang met Christus. Onze gereformeerde traditie heeft altijd een grote waardering gehad voor het gewone alledaagse leven. Daar heeft God ons geplaatst. We leven niet alleen op de zondag. Niet alleen in Jeruzalem of Galilea, maar ook in Samaria. Ook op maandag tot zaterdag.

Op de reis door Samaria is er afwijzing en tegenstand. De zonen van Zebedeüs hebben daar wel een oplossing voor: weg ermee. Vuur uit de hemel. Religieuze ijver zoals Elia had.
In de kerk zijn er vaak zonen van Zebedeüs geweest, die tegenstand uit het evangelie met geweld uit de weg wilden ruimen. Soms letterlijk geweld, door mensen die anders denken en geloven om te brengen. Soms met verbaal geweld, door zulke mensen scherp te bestrijden. Door zulke mensen buiten de gemeenschap te plaatsen.

Jezus houdt ze tegen en houdt hen iets anders voor: geduld. Even later zal Hij een verhaal vertellen over een vijgenboom, die geen vrucht draagt. Al 3 jaar niet. De eigenaar wil de boom omhakken. De tuinman zegt: ‘Nee. Laat mij nog een jaar werken en deze boom voeden.’ Het voeden is geen gemakkelijk werk. Ook niet binnen de kerk. Voeden vraagt geduld en volharding, terwijl je niet weet of de boom nog vrucht kan dragen. Het tegendeel zal eerder het geval zijn: vruchteloos zwoegen.

Het is makkelijker om radicaal overnieuw te beginnen. Nee, zegt Jezus. Er zijn tijden waarin je alleen maar moet voeden en hoop moet houden, dat een boom zonder vrucht toch vrucht zal dragen. Is dat niet onze roeping als gemeente? In volharding en vol geduld voedsel geven. In de verwachting dat Gods zelfs het meest doodse tot leven kan wekken. Geen mens, hoe onverschillig of vijandig, is buitengesloten van de mogelijkheid om door God gevonden te worden.

(Nav de eerste hoofdstukken van: Eugene H. Peterson, Tell It Slant)

Discipelschap leer je op reis door Samaria

Discipelschap leer je op reis door Samaria, waar mensen onbekend zijn met of onverschillig zijn ten op zichte van Jezus.

Als Jezus het Woord is dat vlees geworden is (Johannes 1:14), dan is taal van grote betekenis voor spiritualiteit. Eugene H. Peterson is niet alleen predikant en hoogleraar Spirituele theologie geweest, maar is ook dichter. In zijn dagelijks leven en daarmee ook in zijn geestelijk leven spelen taal en literatuur een grote rol. Tijdens zijn predikantschap las hij intensief de romans van Dostojeski, die hij in zijn agenda inplande als ‘gesprekken met FD’. 

Gesprekken
Gesprekken zijn van grote betekenis voor spiritualiteit. Naast verkondiging en onderwijs heeft de kerk altijd de waarde ingezien van gesprekken. Niet alleen van diepgaande, filosofische gesprekken over God en geloof, maar ook van alledaagse gesprekken. Juist die gewone alledaagse gesprekken kunnen diep spiritueel zijn. Voor Peterson is er geen specifieke spirituele taal en zijn het dagelijks leven en het geestelijk leven geen twee gescheiden werelden. Hij beroept zich daarvoor op de gesprekken die Jezus voerde, zoals die door het evangelie van Lukas zijn doorgegeven.

Alledaags
In zijn evangelie geeft Lukas aan ons 10 door Jezus vertelde gelijkenissen door, die niet zijn opgenomen in de andere evangeliën. Deze gelijkenissen zijn alledaagse verhalen over alledaagse onderwerpen. In het alledaagse geven ze iets van God door. Het bijzondere van gelijkenissen is dat het verhalen zijn, die ons erbij betrekken. Door de gelijkenissen zijn we opeens, zonder dat we er op bedacht zijn, bezig met God.

Verkondiging
De gesprekken zijn een derde vorm van taalgebruik – naast de verkondiging en het onderwijs. De verkondiging is proclamatie; de verkondiging benoemt wat God nu doet, in het hier en nu, op deze plaats, in deze tijd. Verkondiging is het goede nieuws, dat God de levende is, die aanwezig is en heel concreet handelt in het hier en nu. Verkondiging betrekt ons op God die aanwezig is en handelt – Hij is aanwezig en handelt voor mij. In het evangelie van Markus staat voor Peterson de verkondiging voorop.

Onderwijs
Een tweede vorm is het onderwijs, waarin we te horen krijgen wat het leven als christen in het dagelijkse bestaan inhoudt: Wat het betekent om volgens het koninkrijk van God te leven. Wat het inhoudt met Christus gekruisigd te worden en op te staan tot een nieuw leven (to live the crucifixion and resurrection life). Dit onderwijs gebeurt onder andere door het herscheppen van onze verbeelding, door ons metaforen te geven. Peterson koppelt het onderwijs aan het evangelie van Mattheüs.

Gesprekken als derde vorm
De gesprekken zijn een derde vorm. Deze derde vorm ziet Peterson in het evangelie van Lukas naar voren komen. Lukas vertelt over informele gesprekken die Jezus heeft, met woorden uit het alledaagse leven en over onderwerpen uit het dagelijks leven. Tijdens deze gesprekken bereidt Jezus Zijn leerlingen voor op een leven van met Hem gekruisigd te worden en met Hem op te staan. Peterson moet bij deze handelswijze denken aan een gedicht van Emily Dickinson: Tell the truth but tell it slant (vertel de waarheid, maar buig je voorover, ga door de knieën).

Grensgebied
Lukas laat Jezus deze gelijkenissen vertellen op de weg naar Jeruzalem. Tussen het Galilea en Jeruzalem is Jezus onderweg door het grensgebied Samaria. ‘In between’, zoals Peterson dat noemt. Samaria is niet het Galilea, waar Jezus verkondigde en genas. Samaria is niet Jeruzalem, de heilige stad waar de tempel staat, het doel ook van Jezus’ reis. Daar in Jeruzalem zal Jezus sterven aan het kruis en opstaan. Samaria is geen van beide. Het is vijandig gebied, gebied van godsdienstige onverschilligheid, van mensen zonder betrokkenheid op God. In dat grensgebied bereidt Jezus zijn leerlingen voor op dat leven van mede gekruisigd worden en mede op te staan. Om hen voor te bereiden als zij later zelf in dat grensgebied wonen.

Amerika als grensgebied
Peterson maakt de toepassing op zijn eigen context. De christenen in de VS leven vaak in dat grensgebied: het grensgebied ‘tussen de zondagen’. Op zondag is er de eredienst, het samenzijn met de gemeente. Doordeweeks is het leven tussen de amerikaanse Samaritanen: mensen die de godsdienstige taal niet beheersen, onbekend met God of onverschillig zijn.

Gesprekken in dat grensgebied
Jezus voert in dat grensgebied gesprekken. Hoewel het einddoel Jeruzalem nadert, gaat Jezus geen godsdienstige crisistaal gebruiken, waarin hij de mensen oproept tot bekering. Hij voert gesprekken. Informeel. Hoe dichter hij bij Jeruzalem komt, hoe meer ontspannen Hij is. Hij gebruikt niet de intense taal, die in preken vaak gebruikt wordt als de urgentie toeneemt.
Die intense taal ontneemt ons het zicht op de mensen met wie we te maken hebben. De mensen met wie we omgaan, zijn niet meer mens maar worden een geval. Gedrongen door de urgentie om het woord van God te spreken komt de relatie waarin er ruimte is om echt te luisteren onder druk te staan. Terwijl we willen spreken over het Woord dat vlees geworden is, eindigen we met onpersoonlijke taal: christelijk jargon (godtalk).

Alledaagse
Jezus’ reis door Samaria geeft ons oog voor het alledaagse, het gewone als de plek waar de volgelingen van Jezus worden gevormd. Temidden van de mensen die geen idee hebben van Jezus en ons niet zullen aanmoedigen Jezus te volgen. De reis door Samaria opent onze ogen ervoor dat de Heilige Geest gewone gesprekken over heel alledaagse onderwerpen kan gebruiken om iets van God te laten zien. Vaak gebeurt dat onbedoeld door een gebaar of door een opmerking, een verhaal.

Zonen van Zebedeüs
Het reisverslag wordt voorafgegaan door de zonen van Zebedeüs, die vol religieuze ijver zijn het verzet tegen Jezus te bestrijden. Maar volgens Jezus is dat geen taak voor Zijn leerlingen. IJver voor Jezus ontaardt al snel in geweld tegen mensen die niet voor Jezus open staan. Dat geweld begint al in de taal.

Jezus biedt op de weg naar Samaria een alternatief. En leert Zijn volgelingen ook vandaag de dag door een hedendaags Samaria te gaan, waar mensen onverschillig zijn met betrekking tot Jezus en de taal van Jezus.

N.a.v Eugene H. Peterson – Tell it slant. A conversation of the language of Jesus in his stories and prayers. Serie: Conversations in spiritual theology, deel 4 (Grand Rapids / Cambrigde: Eerdmans, 2007) 1-31

Lukas-Handelingen: de weg van het heil


Lukas-Handelingen: de weg van het heil

In de exegetische literatuur over Lukas is de gedachte populair dat Lukas uitging van een heilsgeschiedenis. Daarbij zou Christus het centrum van de tijd en de wereldgeschiedenis zijn. Deze gedachte is onder andere afkomstig van Oscar Cullmann. Hans Klein (Lukasstudien) vindt dat deze theorie meer zegt over de tijd waarin Cullmann schreef (Tweede Wereldoorlog) dan over de theologie van Lukas.

Lukas gebruikte niet het woord geschiedenis niet. Volgens Klein is het daarom beter om niet te spreken over heilsgeschiedenis, maar over de weg van het heil.  Wel gaat het over heil: gered worden of het (eeuwige) leven verkrijgen – woorden die dezelfde strekking hebben als gerechtigheid bij Paulus of het eeuwige leven bij Johannes. Het wandelen van de weg is een thema, dat wortels heeft in het Oude Testament.

de weg van Jezus als uitgangspunt
Lukas gaat in zijn ogen uit van de weg van Jezus Christus, een weg die ging van vernedering naar verhoging. De Christus moest lijden. De volgeling van Jezus deelt in die weg van vernedering naar verhoging. De weg die de volgelingen van Jezus gaan, is geen gemakkelijke weg, maar wel de weg die naar het heil leidt.
Het is een leven van dagelijks het kruis opnemen. Lukas vertelt in zijn beide boeken hoe die weg eruit ziet en wat die weg kost en waar die weg naar toe leidt: het eeuwige leven. God kan ingrijpen in de weg die mensen gaan en hen op de weg van Christus brengen (zoals Paulus, of de kamerheer uit Ethiopië).

mensen van de weg
Om te benadrukken dat het om de weg van het heil gaat, vertelt Lukas veel reisverhalen. In zijn evangelie vormt de reis naar Jeruzalem een rode draad (vanaf 9:51). Waarbij in het begin van die reis veel vermeld wordt over het navolgen. Ook in het boek Handelingen wordt veel gereisd. Daar worden de volgelingen van Jezus niet alleen christenen genoemd, maar ook mensen van de weg.

De synagoge in de Antieke oudheid en de betrouwbaarheid van Lukas

De synagoge in de Antieke oudheid en de betrouwbaarheid van Lukas

In het Reformatorisch Dagblad van zaterdag 22 februari 2014 wordt een artikel uit het Nederlands Dagblad overgenomen. Het is een uitgebreide recensie van Rien van den Berg over een standaardwerk over synagogen in de Antieke Oudheid. Het is Van den Berg niet alleen te doen om die synagogen, maar om de historische betrouwbaarheid van de Bijbelschrijver Lukas.

De redenering van Van den Berg is: Decennialang is men er in de theologie vanuit gegaan dat de weergave van Lukas historisch niet betrouwbaar is.
Een van de argumenten daarvoor is de beschrijving van Lukas, dat Jezus optreedt in de synagoge. Dat kon niet betrouwbaar zijn, want archeologisch is het bestaan van de synagoge vóór 70 na Christus niet aangetoond. Theologen deden haalden de betrouwbaarheid nog sterker naar beneden, want zij gingen er vanuit dat Lukas en andere Bijbelschrijvers veel verschijnselen niet alleen vanuit hun eigen omgeving projecteerden op het leven in Palestina, maar ook nog eens het een en ander verzonnen om de toenmalige gemeentepraktijk te onderbouwen. Nu echter met een nieuw handboek, waarin het nieuwste archeologische onderzoek is verwerkt, wordt duidelijk dat die synagogen er wel degelijk waren in de tijd van Jezus. Dus Lukas is historisch wel betrouwbaar.

De auteur beweert dat in de theologie het bestaan van synagogen in de tijd van Jezus ontkend wordt en dat hele generaties theologen – met name aan rijksuniversiteiten – met dit beeld zijn opgeleid.
Van den Berg meldt echter niet op welke periode hij doelt als hij spreekt over hele generaties theologen. Bovendien geeft hij niet weer om welke theologen het gaat, die deze stelling aanhingen.
Daarmee is voor mij deze bewering niet te checken of te weerleggen. Toch valt wel het De redenering is daardoor naar mijn idee erg tendentieus. Daarmee bedoel ik dat de redenering niet op feiten is gestoeld, maar het een en ander bewust in een kwaad daglicht door niet alle feiten te vermelden.

Op de stelling valt namelijk nogal wat af te dingen:

(1) Voor mijzelf is de bewering, dat het bestaan van synagogen in de tijd van Jezus ontkend wordt, nieuw. Ik ben in 1997 begonnen met studeren de Rijksuniversiteit Utrecht. Ik ben deze bewering nooit tegengekomen. En ook niet als argument tegen de historische betrouwbaarheid van Lukas.
Als ik mijn studieboeken uit die tijd opsla, kom ik de bewering dat er in de tijd van Jezus geen synagogen bestonden niet tegen. Everett Ferguson (Backgrounds of Early Christianity) veronderstelt dat het fenomeen synagoge opkomt ten tijde van de ballingschap of na de ballingschap. In zijn beschrijving van de synagoge grijpt hij ook terug om aan te geven hoe het er in de synagogen aan toe ging. De auteurs van The Book of Acts in Its Palestinian Context zijn nou niet bepaald auteurs die een tegenstelling creëren tussen de gegevens uit de Bijbel en de archeologische gegevens.

(2) Als ik de standaardwerken naga, die tot mijn beschikking zijn, kom ik de genoemde bewering ook niet tegen. (De auteurs die een lemma schrijven in zo’n standaardwerk worden gezien als betrouwbare experts op een bepaald vakgebied. Zo’n lemma bevat zelden een noviteit, maar eerder een objectieve weergave van de wetenschappelijke discussie.)
Er wordt weliswaar vermeld dat het bestaan van synagogen in die tijd archeologisch gezien omstreden is. Er wordt niet de conclusie getrokken dat deze synagogen dan niet hebben bestaan. Sterker nog: sommige synagogen zijn mogelijk na het jaar 50 v Chr gebouwd (Gamla). Ook in Jeruzalem zou er voor de verwoesting van de tempel een grote synagoge geweest kunnen zijn (zie de discussie over de inscriptie van Theodotus).
Vanaf de jaren-’90 lopen er verschillende onderzoeksprojecten naar de synagoge uit de oudheid: denk aan het onderzoeksproject onder leiding van Howard C. Kee. Overigens: de auteur van het genoemde boek was al in 1992 de auteur van het lemma ‘synagogue’ in de toonaangevende Anchor Bible Dictionary.

(3) Bij de discussie over de synagoge dient men er rekening mee te houden, dat er in de tijd na Jezus twee ingrijpende gebeurtenissen zijn geweest, die mogelijk invloed hebben gehad op de synagoge: de verwoesting van Jeruzalem en het schisma tussen Joden en christenen. Doordat er weinig gegevens zijn van voor 70 n Chr is het onduidelijk of de synagoge een verandering heeft doorgemaakt. Daarom is het niet verkeerd om een zekere terughoudendheid te betrachten wanneer Bijbel en exegese aan elkaar worden gekoppeld.
(4) Als de bewering niet in standaardwerken over synagoge voorkomt, moet het wellicht in de exegetische discussie over Lukas voorkomen. In een veelgebruikte Einleitung in das Neue Testament van Udo Schnelle kom ik de bewering ook niet tegen. Schnelle gaat wel er vanuit, dat Lukas niet alles even betrouwbaar opschrijft, omdat hij van buiten Palestina komt en aan christenen van buiten Palestina schrijft. De bewering dat Lukas het bestaan van de synagogen projecteert op Palestina hanteert Schnelle niet als argument om zijn visie kracht bij te zetten.
Als ik kijk in commentaren bij Lukas 4, het gedeelte waarnaar door Van den Berg verwezen wordt, kom ik het argument ook niet tegen. Heinz Schürmann (Herder Theologischer Kommentar) die rekening houdt met het verschil tussen de historische Jezus en de theologie van de auteur, gaat er bijvoorbeeld vanuit dat Jezus als jongen heeft deelgenomen aan de eredienst in de synagoge.

(4) De discussie over de betrouwbaarheid van een Bijbelgedeelte of Bijbelschrijver is geen eenvoudige. Die discussie is afhankelijk van de waarde die men toekent aan (1) de tekst van de Bijbel, (2) aan de beschrijving van niet-Bijbelse auteurs over dezelfde periode, (3) de datering van de archeologische vondsten, (4) de mogelijkheid om archeologie en Bijbel met elkaar in verbinding te brengen.
Er zijn inderdaad theologen en exegeten die pas uitgaan van een historische betrouwbaarheid wanneer een beschrijving uit de Bijbel wordt bevestigd door buitenbijbelse bronnen. Maar niet elke theoloog gaat daarvan uit. Er zijn volop theologen die de Bijbel beschouwen als serieuze bron en uitgaan van een accurate beschrijving – tot het tegendeel blijkt. (In het Duitse vakgebied oa: Peter Stuhlmacher, Martin Hengel, Rainer Riesner, Klaus Haacker).

(5) In de exegese kan er inderdaad een verschil zijn tussen de historische werkelijkheid en de beschrijving van de Bijbelschrijver. Een bekend verschil die in de theologie gehanteerd wordt is de historische Jezus, die kan afwijken van wat de Bijbelschrijvers over hem weergeven. Vanuit de theologie die deze auteurs zelf hebben of in hun gemeente tegenkomen (of juist willen bestrijden) kunnen zij de beschrijving van de historische Jezus kleuren.
Deze tegenstelling wordt overigens niet door iedereen gedeeld. Ook hier zijn er exegeten die uitgaan van de accuraatheid van de schrijver – tot het tegendeel blijkt.
Het is wel mogelijk dat de werkelijkheid een andere inkleuring krijgt door een schrijver. Daarbij hoeft men niet altijd aan te nemen, dat zo’n auteur of de latere gemeente deze gegevens bewust verzonnen heeft. Wanneer Van den Berg weergeeft dat de gemeentetheologie in de ogen van theologen ‘ter kwader trouw’ is, omdat die theologie de feiten verzonnen heeft, geeft hij in mijn ogen een karikaturale omschrijving. De gedachte wordt wel gevonden, maar is niet gemeengoed.

(6) De historische betrouwbaarheid van Lukas als Bijbelschrijver is niet gekoppeld aan de beschrijving van synagogen. In het tweede gedeelte van zijn artikel blijkt ook de zwakte van het leunen van Van den Berg op het genoemde boek: lang niet iedereen is overtuigd van de herdateringen die in het boek worden voorgesteld.
Problematischer en meer bediscussieerd zijn Lukas’ weergave van de geografie of van de historische omstandigheden.
Het klopt dat Lukas niet als altijd betrouwbaar werd of wordt gezien. Udo Schnelle is daarvan een voorbeeld. Tegelijkertijd zijn er veel exegeten, die geen behoefte hebben om de beschrijving van Lukas te problematiseren. Zij gaan ervan uit, dat Lukas zich niet voor niets presenteert als een schrijver die zijn bronnen heeft (Lukas 1:1-4).