Preek zondagmorgen 19 mei 2019

Preek zondagmorgen 19 mei 2019
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader.
Daarmee zegt hij hardop,
hoe er binnen het gezin en onder de knechten over de jongste zoon werd gedacht.
Dat hoeft niet eens hardop uitgesproken te zijn, toen die jongste zoon het erf verliet,
het ouderlijk huis achter zich liet en brak met zijn familie.
Het kan ook zijn, dat toen de jongste zoon wegtrok, zijn spullen ook weg waren.
Dat alles wat aan de jongste zoon herinnerde opeens weg was:
zijn plek aan tafel werd niet meer gedekt, zijn slaapkamer leeg, zijn kleren verdwenen.
Op de dag dat hij jarig was, werd er geen aandacht aan besteed.
Er werd gedaan alsof die dag niets bijzonders had.
Alsof hij nooit onderdeel had uitgemaakt van dit gezin.
Alsof hij nooit bestaan heeft.
Of het is een uitspraak geweest, die gedaan werd toen over de jongste werd gepraat.
‘Mijn broer? Die bestaat niet meer voor mij!’

Het vertrek van de jongste was pijnlijk geweest.
Allereerst voor de vader: de jongste zoon die met zijn vraag om de erfenis te krijgen,
deed alsof zijn vader al overleden was en voor hem niet meer bestond.
Na het vertrek van zijn jongste zoon had de vader geen leven meer,
Want niemand in het dorp kon hem nog serieus nemen,
met die zoon van hem die hem zo openlijk de grond in getrapt had.

Pijnlijk was het geweest voor zijn oudere broer.
Wellicht niet eens omdat hij een deel van de boerderij opgeëist had
(Als tweede zoon zou de jongste ⅓ krijgen) en dat verkocht had,
maar omdat die jongste zoon vertrek en zijn oudere broer in de steek liet.
Hem alleen achterliet met die vader.
Als broers kun je onderling bespreken hoe je ouders zijn.
Dat kun je niet met iemand van buiten het gezin bespreken.
Wanneer zijn vader er niet meer zou zijn, zou zijn jongere broer een belangrijke steun zijn
om het bedrijf over te nemen en verder uit te bouwen.
Nu die broer van hem vertrokken is,
heeft niet alleen het bedrijf een behoorlijke financiële klap gekregen,
Waarbij je hard moet werken om het bedrijf weer enigszins rendabel te maken.
Teleurgesteld in zijn broer, die hem hier alleen achter laat met zijn vader en het bedrijf
En egoïstisch alleen maar denkt aan zijn eigen verlangens
en niet in staat is geweest om zijn eigen wensen ondergeschikt te maken
aan de belangen van de familie
en met zijn wens om de erfenis te krijgen, zijn deel te verkopen en weg te trekken
aangeeft dat zijn familie niet meer voor hem bestaat, voorgoed met hen breekt
en hen met de schande en de schade achterlaat, die hij heeft aangericht.
Wanneer dat zoveel pijn geeft, als je denkt aan wat je broer heeft gedaan
en als je je ervoor schaamt dat hij is weggegaan en daar niet over durft te vertellen,
dan kun je er maar beter over zwijgen. Net doen of hij niet meer bestaat.

In dit verhaal dat de Heere Jezus vertelt
gaat het niet alleen over hoe het er in gezinnen aan toe gaat,
Maar hoe iemand zich van God verwijdert
en ook hoe degenen die wel bij God blijven daarmee omgaan,
Hoe ze naar iemand kijken.
Of ze iemand afschrijven of de deur open houden om terug te komen.
Om ons een spiegel voor te houden vertelt Jezus de meest extreme vorm:
iemand die weggaat, de deur achter zich dicht trekt
en een deel van de achterblijvers die ook de deur op geen enkel moment willen opendoen.
Lekker makkelijk om er zo op los te leven
en dan als je wilt veranderen, kun je nog bij God terecht en vergeeft Hij je helemaal.
En jij gaat maar elke zondag naar de kerk.
Als je uitgenodigd wordt voor een feestje op zondag, zeg je dat je niet kunt
en wanneer je zaterdagavond iets hebt, zorg je ervoor dat je bijtijds thuis bent,
zodat je op zondagmorgen er toch nog redelijk fris bij zit in de kerk.
Je houdt je aan de regels van het geloof en het kost je moeite,  elke dag weer opnieuw,
omdat je ook wel eens wat moet laten schieten,
wat je eigenlijk wel zou willen, maar wat niet kan volgens je geloof.
Je zet een film af, omdat er iets in gebeurt dat je niet kunt rijmen met je geloof.
Je helpt je broer, hoewel hij je nooit bedankt en nooit iets voor jou doet,
maar vind dat je hem niet kan laten vallen, omdat Jezus daar iets over gezegd heeft.
En als je dan eens kijkt naar mensen, die niet geloven, hebben die het soms maar makkelijk.
Voor jou is geloven zwoegen, veel ontzeggen, omdat het botst met het leven met God.
Dan leven ze eerst heel gemakkelijk, dan kunnen ze toch nog aankloppen bij God
en Hij doet voor hen open en zegt niet dat ze eerst hun leven op orde moeten hebben.

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader tegen zijn knechten
en zegt het later als zijn oudste zoon weigert om met het feest mee te doen,
het feest dat gegeven wordt omdat de jongste zoon thuisgekomen is:
Jouw broer – na alles blijft het je broer, je kunt die band niet wegpoetsen – was dood,
maar hij is weer levend geworden.
Het is niet minder dan een opstanding uit de dood, dat deze zoon, jouw broer gekomen is.

Zou de jongste zoon dat ook zo gevoeld hebben, dat hij voor zijn familie als een dode was
en vast ook voor degenen die in het dorp wonen
en wisten welke schande die jongste zoon over zijn familie uitstortte?
De vader zegt het niet tegen hem, dat hij dood was.
Hij zegt het alleen tegen de knechten en tegen zijn oudste zoon.
Zou hij het ook zo ervaren hebben?
Hij zal in het begin er zijn schouders over opgehaald hebben:
Hoezo dood? Nu leef ik pas! Eindelijk los van mijn familie en opnieuw beginnen,
het leven zoals ik altijd gewild heb. Geen druk, geen regels – mijn eigen leven.
Dat hij met zijn uitbundige levensstijl een leegte verbloemde, heeft hij nooit beseft.
Aan het opbouwen van contacten dacht hij niet, want hij leefde alleen voor zichzelf.
Aan anderen denken, investeren in relaties – dat was iets van zijn familie.
Totdat hij niets meer had en er alleen voor stond:
Zijn feesten, zijn uitgavepatroon, zijn levensstijl lieten hem met lege handen staan.
Een destructieve manier van leven, dat alles kapot maakt:
Eerst zijn familie en daarna het geld dat van zijn familie is
en er is niets voor in de plek gekomen.
Wie had dat gedacht: van shoppen in Parijs, naar shoppen voor de laagste prijs?

Denk je dat hij tot inkeer komt?
Dat er een moment is waarop hij nadenkt over wat hij gedaan heeft?
Wanneer hij helemaal failliet is en niets meer heeft en bij niemand kan aankloppen
is er nog geen zelfreflectie bij deze jongste zoon.
Nog steeds probeert hij zichzelf te redden, zich staande te houden.
Hij is van huis gegaan en heeft daar de deur dicht gedaan. Dus die weg is afgesloten.
Pas als hij geen eten meer heeft
en hij toekijkt naar de varkens, waar hij voor zorgt, die wel te eten hebben en hij niet,
dan komen de eerste gedachten aan thuis toe.
Als hij helemaal aan de grond zit, dan moet hij opeens aan zijn vader denken
En komt zijn vader hem voor de geest.
Zijn vader, waar hij mee gebroken heeft, bij wie hij het niet uithoudt,
zou zijn knechten niet zo slecht behandelen als deze baas,
Die hem bij de beesten af behandelt.
Hoe negatief hij ook altijd over zijn vader heeft gedacht,
of gewoon niet aan hem heeft willen denken,
nu beseft hij dat zijn vader toch een goede kant heeft, die hem in het leven kan houden.

Je broer was dood, zegt de vader
en hij bedoelt misschien wel hetzelfde als die oudste zoon zegt,
dat zijn jongere broer het geld er doorheen gejast heeft door naar de hoeren te gaan.
Maar er is wel een verschil in toon:
de oudere broer kan alleen maar vanuit verbittering kijken naar zijn jongere broer,
zijn eigen pijn en teleurstelling is zo diep dat hij niet kan zien
hoe zijn jongere broer ook een pijn en teleurstelling met zich mee droeg
en dat hij niet in staat was ook maar iets goed te maken van de pijn die hij veroorzaakte.
Hoe hard die jongste zoon ook werkte, de zoon kon het niet meer goed maken.
Ja, dat geld kon er wellicht komen.
Maar het zou nooit meer worden wat het was
En als het toch goed zou komen, dan zouden er nog de jaren zijn van gemis,
waarop ze niet bij elkaar waren.

De vader heeft ook pijn gehad, elke dag heeft hij de leegte gevoeld,
geleden, niet door beledigde trots, maar er aan geleden dat zijn zoon er niet was,
dat zijn plek leeg bleef.
Dat hij er niet bij was met de maaltijden, dat hij niet meewerkte op de boerderij,
dat hij er niet bij was als er feest gevierd werd.
Het leven ging door en die jongste zoon die miste zoveel van het gezinsleven.
Wat zal hij allemaal niet gemist hebben: bruiloften, geboorten, uitbreiding van het bedrijf.
Elke dag heeft deze vader uitgekeken, de horizon afgespeurd,
alsof hij niet kon geloven dat zijn jongste zoon voorgoed zou wegblijven
en dat er een moment moest zijn, waarop zijn gestalte in de verte zichtbaar zou zijn.
Toen het bericht van hongersnood kwam, heeft hij wellicht gedacht:
Als hij nog leeft, dan komt hij wel terug – want hij moet toch ergens van leven.
Hij heeft gewacht en gewacht en gewacht – en steeds was er niets te zien in de verte.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.
En wat je nu ook doet, Zijn liefde blijft bestaan.
Ook niets wat jij ooit deed verandert daar iets aan.
Omdat Hij van je houdt gaf hij zijn eigen Zoon.
En nu is alles klaar wanneer jij komt.

Kom tot de Vader, kom zoals je bent.
Heel je hart, al je pijn
is bij Hem bekend.
De liefde die Hij geeft, de woorden die Hij spreekt.
Daarmee is alles klaar wanneer jij komt.

Terwijl voor de oudste broer elke dag dat zijn broer niet kwam opdagen een opluchting was
of niet meers meer aan de mogelijkheid heeft gedacht dat zijn broer nog terug kon komen,
wacht de vader.
Waarmee Jezus wil zeggen: besef je niet dat Mijn Vader op jou wacht?
Op de uitkijk staat.
Ik kwam wel eens bij een gemeentelid, waarin de kamer tegenover de stoel waar ze altijd zat
er een geborduurde schilderij van de verloren zoon hing die thuiskwam,
waarbij de vader steeds de armen wijd houdt.
Alsof ze dat steeds nodig had om daarnaar te kijken, om eraan herinnerd te worden:
dit is mijn hemelse Vader. Hij staat met de armen wijd, totdat ik ook kom.

Jezus vertelt die gelijkenis niet alleen voor degenen die ver weg getrokken zijn,
die afscheid namen van God en van het leven met God,
er op uit trokken om hun eigen leven te leven, van God los.
Ook voor degenen die achterblijven, die hun hele leven bij de vader thuis bleven wonen
en niet de wijde wereld in trokken, maar thuis hun bijdrage leverden
en zo hard werkten dat er geen tijd was voor een feest met de eigen vrienden.
En als de jongste zoon dan thuis komt, wil hij niet mee doen met het feest.
Dat gunt hij zijn jongste broer niet
en waar de jongste broer uit eigen beweging thuis komt,
moet de oudste zoon gehaald worden.
Ook met hem zit het niet goed.
Hij is wel voortdurend bij zijn vader, maar ook voor hem is er een afstand tot de vader.
Heel subtiel en alleen zichtbaar voor wie in staat is
om familepatronen te doorzien, die de schone schijn ophouden van een perfecte familie.
De oudste zoon is op het veld. Ook hij is weg, net als de jongste zoon.
Alleen hij kan het maskeren door te doen alsof hij plichtsgetrouw is.
Ook hij wil erop uit trekken, een leven zonder de vader,
want hij verlangt naar een feest met zijn vrienden, waar hij zonder zijn vader is.
maar hij doet het niet – te kiezen voor een leven zonder zijn vader.
Of omdat plicht hem weerhoudt, of omdat hij niet durft.
Bang is om dood verklaard te worden en alles kwijt te raken.
Hij is altijd bij de vader gebleven, maar heeft nooit ingezien hoe waardevol dat was
en hij heeft ook niet gezien hoe zijn vader was.
Nooit het hart gezien van deze vader. Nooit zijn pijn om de zoon,
nooit willen zien dat zijn vader getroost moest worden, omdat er één weg was.
Zou dat ook voor God gelden? Dat Hij getroost moet worden, als Hij er één mist,
een van Zijn kinderen, die erop uit getrokken zijn?
Wij kunnen God wellicht niet troosten, maar als er mensen erop uit trekken,
de wijde wereld in en Hem niet nodig hebben, zal het Hem zeker iets doen
en staat Hij op de uitkijk, te wachten of ze al komen.

Die liefde is er ook voor de oudste zoon.
Want er is feest om de terugkeer van de jongste zoon,
maar het feest is incompleet als de oudste zoon, die er altijd is geweest, weg blijft.
Ook hij hoort erbij
en als hij niet uit eigen beweging komt, dan haalt de vader hem op
en legt hem uit, waarom dat feest noodzakelijk was,

waarom zo groots uitgepakt moest worden:
dat zijn jongste zoon toch terug durfde te komen, al was hij platzak
en was hij op geen enkele manier in staat om het goed te maken,
dat hij kwam, deed hem als vader goed.
Zo is God! Natuurlijk is hij ook streng en rechtvaardig,
maar als je aanklopt bij God, dan zal de Heere je niet laten staan.

Maar ook die oudste zoon mag van de vader niet buiten blijven staan.
Ook hij hoort op het feest.
De vader had twee zonen – een oudste en een jongste.
Hij is de vader van hen beiden en wil hen allebei op het feest.
Wanneer de oudste wegblijft, gaat er iets van de feestvreugde weg.

Het verhaal blijft open. Je kunt dan invullen hoe het is gegaan.
Hoe die oudste zoon zicht toch mee liet nemen naar het feestgedruis,
daar eerst boos zat en onwennig – hij was niet gewend om feest te vieren.
Maar als hij zich langzaam overgeeft, als zijn hart ontdooit,
komt er ook ruimte voor de vreugde: mijn broer was dood. Inderdaad, nu besef ik dat.
En wellicht was ik dat zelf ook dood – maar de liefde van onze Vader maakt levend.

Het verhaal van Jezus blijft open. We weten niet hoe de oudste zoon reageert.
Dat is bewust. Want bij een open einde zijn wij aan de beurt.
Wat zouden wij doen? Zouden wij thuiskomen?
Zijn wij in staat om onze boosheid op te geven en mee te vieren,
omdat we beseffen hoe bijzonder het is dat iemand weer thuis komt,
levend geworden is, door de liefde die onze hemelse Vader heeft.
Wat zou u doen?
Amen

Preek zondagmiddag 14 februari 2016

Preek zondagmiddag 14 februari 2016
Dankzegging en nabetrachting
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Jij bent altijd bij mij.’
Dat zegt de vader tegen zijn mopperende oudste zoon.
Een mooiere omschrijving van het geloof is niet te geven:
Altijd bij onze Vader zijn.
En niet alleen voor geloof is dat een mooie omschrijving.
Zo zouden we ook geluk kunnen definiëren, of leven.
Dat zouden we kunnen antwoorden, als mensen vragen of je gelukkig bent:
‘Als ik bij de Vader bent, dan wel.’
Of als mensen vragen wat je in je leven wilt bereiken,
dat je dan antwoordt:
‘Altijd bij de Vader zijn, altijd bij Hem blijven.’
Niet alleen op een avondmaalszondag,
als we bij de Heere aan Zijn tafel zijn, maar elke dag.
Dat is pas leven, dat is pas geluk!
Avondmaal wil ook niet een incident in ons leven zijn, iets dat eenmalig is.
Nee, de viering van het avondmaal,
gast zijn aan de tafel van de Heere,
is bedoeld om ons te helpen elke dag bij Hem zijn en met de Heere te leven.

In die woorden die de vader tegen de oudste zoon zegt,
gaat een diepte open: ‘Je bent altijd bij mij.’
Alsof de vader voelt dat die oudste zoon stiekem met jaloezie kijkt
naar wat de jongste zoon allemaal gepresteerd heeft.
Natuurlijk, van binnen is er de boosheid bij de oudste zoon,
boos dat zijn jongere broer de gehele erfenis erdoorheen gejaagd heeft
met een zondige levensstijl.
Het is alsof de vader proeft dat zijn oudste zoon het geluk
ook ergens anders had willen beproeven – maar nooit durfde.
Nooit durfde die oudste zoon een klein feestje te geven.
Niet voor het hele dorp, zoals zijn vader heeft gedaan bij de terugkeer van de jongste zoon.
Alleen een klein feestje voor zichzelf en zijn vrienden.
Hij heeft het nooit aangedurfd, ook niet in het klein.
Waarom niet?
Omdat hij in zijn vader een belemmering zag?
Ik ben nu nog bij mijn vader – later als ik alles voor mijzelf heb, dan…
Voor de buitenwereld doet hij wat er van hem verwacht wordt:
hij blijft thuis, behartigt de belangen van zijn vader,
en toch zou er ook bij hem een afstand tot zijn vader kunnen zijn.
Zijn jongere broer is in een ver land,
maar hij is – hoewel dichtbij – ook ver verwijderd van zijn vader.
Hij heeft niet door dat zijn geluk is, dat hij bij zijn vader is,

met zijn vader leeft en dat de vader alles met zijn oudste zoon deelt.
Zo kan dat in een mensenleven zijn,
Dat je dichtbij iemand leeft, als man en vrouw, als vader en zoon, moeder en dochter
en dat je toch innerlijk van elkaar vervreemd bent.
Ondanks dat je veel bij elkaar bent, of zelfs het zelfde huis deelt,
kan er een diepe kloof zijn.

Ook naar God toe kan die kloof er zijn:
Niet aan de buitenkant, omdat je elke zondag naar de kerk gaat,
omdat je lid bent van de kerk en je kerkbalans betaalt
of misschien wel actief meedoet,
maar toch, van binnen is er een afstand.
Je kunt er niet van genieten, dat je zo heel dicht bij God leeft.
En je kijkt naar de mensen om je heen,
die helemaal niet naar de kerk gaan,
die van zichzelf meer mogen
en je denkt bij jezelf: dat zou ik ook wel willen.
Het probleem van die oudste zoon is niet eens dat hij boos is op zijn broer,
het werkelijke probleem is
dat de oudste zoon geen plezier meer in beleefd om bij zijn vader te zijn.
‘Jij bent altijd bij mij.’
Gemeente, daarin ligt uw geluk, uw leven.
Altijd met de Heere te leven en altijd bij Hem te zijn,
onderdeel zijn van Zijn gemeenschap
– als dat de basis van ons leven niet is,
dan hebben we helemaal niets.
Dan is ons geloof een lege huls
en je kerkgang verbloemt de innerlijke afstand,
die de mensen niet waarnemen, maar God wel.
Dan geldt voor ons, wat de vader tegen de oudste zoon zegt:
‘Besef je wel dat je broer dood was, toen hij ver bij ons weg was.
In jouw zit er misschien ook wel datzelfde verlangen
om je geluk en je leven buiten mij op te vinden.
Maar besef je dan niet dat het leeg en doods is.
Je hebt niets!’
De vader ervaart het terugkomen van zijn zoon als meer dan een terugkomen, een weerzien.
Voor de vader is de terugkomst van zijn zoon een opstanding uit de dood.
Leven in gemeenschap met Christus is leven hebben, is opstaan uit de dood.
We leven wel naar avondmaal toe – een week van voorbereiding.
Maar we moeten ook uit avondmaal leven.
Niet doen alsof het nu vandaag voorlopig voorbij is.
Nee, we zijn er weer bij bepaald dat er maar één plek is waar we moeten zijn:
Bij Hem. – ‘Jij bent altijd bij Mij.’ Altijd. Altijd bij Mij.
Dat is toch bijzonder.
Iets om je over te verwonderen.
Iets om te koesteren en het je nooit meer af te laten nemen.
Niet door je eigen twijfel, niet door drukte, niet door onachtzaamheid.

Leven in gemeenschap met Christus is leven hebben, is opstaan uit de dood
Daarom is het zo schrijnend als er mensen zijn die buiten Christus leven
en mogen we ons als gemeente er niet berustend bij neerleggen
waarbij we accepteren dat ze nergens meer aan doen.
Als ze er niet over willen praten, als ze niet meer willen komen,
als ze onbereikbaar zijn,
hebben we nog wel het gebed voor hen,
waarbij we de Heere kunnen vragen dat Hij hen stil wil zetten.
We moeten wel beseffen dat dat een ingrijpend gebed is.
Want dat kan betekenen dat hen hetzelfde overkomt als de jongste zoon:
dat ze vastlopen en helemaal niets meer overhebben
en alleen nog maar een honger voelen in zichzelf die zij niet meer kunnen stillen,
een honger, waarbij het heimwee naar vroeger boven komt.
Niet naar de sfeer, geen nostalgie,
maar een heimwee naar God, om weer bij Hem te zijn.

We leven in de lijdenstijd,
de tijd waarin we het lijden en sterven van de Heere Jezus op ons laten inwerken
en beseffen dat we die plaats aan de tafel
alleen maar te danken hebben aan Zijn dood
en een leven met Hem alleen maar aan het kruis dat op Golgotha stond
waar Hij voor ons stierf en Zijn leven gaf.
Dat er voor ons een opstanding uit de dood mogelijk is,
zoals die jongste zoon als een wonder weer levend thuiskomt.
Wie in de gemeenschap van deze Heer leeft,
beseft dat het genade is dat we bij Hem zijn
en dat dat ons geluk en leven is, geschonken leven, gegeven geluk.
Een leven, een geluk dat we ook aan anderen gunnen.
Als u bij deze Vader hoort, krijgt u ook iets van Zijn liefde.
Je gaat op de uitkijk staan, met in je hart het gebed:
Heere, breng ze bij u terug.
Wachtend tot ze komen,
in het geloof dat, hoever ze ook zijn, ze terug kunnen komen.
Als u in de gemeenschap bij deze Vader leeft,
als u deelt in de gemeenschap van Christus – van Hem bent,
– ‘Jij bent altijd bij mij.’
Dan vormt je dat.
Je leert te zien met de ogen van onze Heer.
In de verte ziet de vader zijn zoon al komen.
En voor de jongen is aangekomen, is de vader al diep geraakt,
een medelijden die hem diep van binnen raakt: barmhartigheid.

Wie aan de tafel heeft gezeten bij de Heer,
door Hem is gevoed, vergeven, verzoend,
zou willen dat er anderen ook komen,
om daar aan te zitten, om in de gemeenschap van de Heer te zijn,
terug te keren.
Je gunt het dat ze er ook komen.

De Heere Jezus vertelt de gelijkenis van de verloren zoon niet zomaar.
Hij vertelt deze gelijkenis om de kritiek van de farizeeën en de Schriftgeleerden te pareren.
Jezus ontvangt zondaars.
Hij neemt degenen die zonder God leven op in Zijn gemeenschap.
Hij laat ze toe tot Zijn gemeenschap
en deelt Zijn leven met hen.
Het moet niet gekker worden, geven ze farizeeën en Schriftgeleerden aan.
Ze mopperen onder elkaar. Dit is toch te gek voor woorden.
Hoe kan Jezus dat doen?
Weet Jezus dan niet wie ze zijn
en hen aanklaagt waardoor ze niet in Gods gemeenschap kunnen zijn?
In het verhaal dat Hij hen als antwoord geeft,
wil Christus hen dieper laten kijken.
Hij bekritiseert hun visie op zonde niet.
Zonde is schuld voor God en zonde is een blokkade om bij God te kunnen zijn,
om met Hem te leven, van Hem te zijn.
Maar die schuld is voor Hem geen reden Zich afzijdig te hebben.
Jezus ziet in de schuld van de mensen die tot Hem komen, die bij Hem zijn
en over wie de farizeeën mopperen – Jezus ziet ook hun nood.
Jezus ziet hun schuld, hun zonde, maar Hij ziet ook hun nood, hun verlorenheid.
Ze zijn er niet bij – en dat kan Hij niet accepteren, dat ze er niet zijn.
Ze horen er te zijn, bij Hem, in Zijn gemeenschap.
Maar daarvoor moet er wel iets gebeuren.
Ze moeten gevonden worden, zij die verloren zijn.
In de gelijkenis van de verloren zoon gaat Hij zelfs verder.
Ze moeten weer uit de dood opstaan en het leven herkrijgen,
het leven dat alleen bij Hem te krijgen is.
Jezus laat zondaars, mensen met een leven waarin ze alles hebben vergooid,
tot Hem komen,
Zijn leven delen.
Hier wordt al zichtbaar wat er op het kruis van Golgotha gebeurt:
Dat Hij tot de zondaars gerekend wordt.
Maar niet zomaar, niet uit nonchalance, niet uit verzet tegen Gods wet,
maar juist uit ontzag voor God,
om de liefde van God te laten zien, te brengen
die niet wil dat mensen verloren zijn en verloren gaan.
Als de verlorenen de weg terugvinden, als de doden opstaan en levend terugkomen,
dan is Gods wil vervuld.
Dat is Gods plan, Gods diepste wens.
Daarom, zo zegt de vader tegen de jongste zoon, kan Ik niet anders.
Heb ik geen andere keuze, moet ik wel – feestvieren.
En jij kunt toch niet achterblijven, als je beseft dat je broer opgestaan is uit de dood,
een wonder! Levend teruggekeerd!

Als ik het verhaal van de verloren zoon vertel en uitleg hoeveel hij vergooid heeft,
is er altijd weer iemand die aangeeft dat het wel gemakkelijk gaat:
je leeft er op los – en degenen die wel trouw zijn, die hebben het nakijken.
Die hebben evenveel.
Nee, zegt de vader tegen zijn oudste zoon:
Jij hebt meer dan je jongste broer, niet aan bezit,
maar omdat je altijd bij Mij bent.
Wie gelooft, wie het leven gevonden heeft in Christus,
als u, als jij je geluk in Jezus gevonden hebt, dan is dat toch alles.
Als we dat leven hebben – hebben we toch alles?
Dan hebben we niet de last van die verloren zoon,
die daar terug op het erf van zijn vader er voortdurend aan herinnerd wordt
dat het bedrijf vroeger groter en mooier was
en dat er door zijn toedoen de glans er deels af is.
De jongste zoon draagt de last van al die dagen dat hij niet bij zijn vader was,
een nog grotere last dan het geld dat hij er doorheen gejaagd had.
Dat had hij kunnen terugverdienen,
maar die dagen dat hij zijn vader gemist heeft, niet.
Zo kunnen wij de dagen dat we zonder God geleefd hebben niet overdoen.
We hebben toen echt wat gemist.
We kunnen die keren dat er avondmaal was en we niet aangingen niet overdoen.
We hebben toen echt wat gemist.
Ondanks dat alles, die tekorten, dat ongeloof, dat gebrek aan ijver
was het vandaag toch feest.
Ik kan niet anders, zegt de Vader: Kijk eens hoeveel er het leven, hun geluk
in Mij gevonden hebben, en daarom levend zijn, opgestaan uit de dood.
Dan kan Ik toch niet anders – Ik moet wel feestvieren
en Ik sta op de uitkijk tot die anderen, Mijn andere kinderen, ook komen.
En Ik verwacht van jullie, Mijn kerk, Mijn kinderen
dat je ook op de uitkijk staat en hen welkom heet,
hen opneemt in je gemeenschap en blij bent als ze komen.
‘Ik ben blij dat ook jij er bent!’
amen

Preek zondag 14 februari 2016 – morgendienst

Preek zondag 14 februari 2016
Morgendienst – Viering Heilig Avondmaal
Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Teruggaan is een hele stap.
We zien dat bij de jongste zoon in dat verre land.
Als hij door zijn geld heen is, gaat hij nog niet direct terug
maar probeert hij zichzelf nog te redden
Door een baantje aan te nemen: het hoeden van de varkens.
Maar hij moet met een lege maag toekijken hoe de varkens te eten hebben.
Dat wat die varkens eten, zou hij ook wel lusten.
Als hij die honger voelt in zijn maag, gaat hij terug denken aan zijn vader:
Was ik maar thuis bij mijn vader.
De jongen laat het niet bij die gedachte, maar begint aan de terugweg
op weg naar zijn vader, naar zijn thuis.

Ook teruggaan naar de Heere is een hele stap.
Wie de verkeerde trein is ingestapt
en niet bij de Heere uitkwam, maar een eind bij Hem vandaan op de verkeerde bestemming
gaat niet gemakkelijk terug.
Ook niet als je doorhebt, dat je op de verkeerde plaats bent uitgekomen.
Ik denk niet het voor u, voor jou zo moeilijk was
om te ontdekken dat je op de verkeerde plaats bent uitgekomen:
Wij erkennen dat wij nog vele zonden en gebreken in onszelf aantreffen,
namelijk dat wij geen volkomen geloof hebben,
en ons er niet toe zetten God met zo’n ijver te dienen als wij behoren te doen,
maar dagelijks strijd hebben te voeren
met de zwakheid van ons geloof en onze verderfelijke begeerten.
Dat heeft u in de afgelopen week misschien wel bezig gehouden.
Ik kan toch niet aan het avondmaal gaan?
Er is toch nog zoveel op mij aan te merken.
Ja .. en dan?
Is dat een reden om maar niets te doen?
Om te denken: het is niet voor mij?
Stel dat die jongste zoon in dat verre land dit had gedacht:
Ik zou wel terug willen naar mijn vader, terug naar huis.
Maar dat kan niet. Dat moet je gegeven worden.
Dan zou hij helemaal verpieteren in dat verre land,
wegkwijnen door de honger.
Maar die honger is hem juist gegeven om terug te gaan.

Als u merkt dat u zoveel tekort komt, is dat juist de honger die aan u gegeven wordt.
Dan moet u niet achterblijven in de bank,
maar in uzelf zeggen: Ik zal opstaan en naar mijn Vader gaan
en dat ook doen: opstaan en naar de Vader gaan!
Want kijk eens naar onze Vader in de hemel,
wat de Heere Jezus over Hem verteld:
Hij staat al op de uitkijk. Hij wacht en kijkt, tot u, tot jij komt.
Zijn zoon is vertrokken naar een ver land
en de vader ziet hem al komen vanuit dat verre land.
En nog voor de jongen iets kan zeggen,
komt zijn vader hem tegemoet gesneld en omhelst hem:
‘Welkom terug, jongen, ik ben blij dat je er bent.’
Zo staat onze hemelse Vader op de uitkijk tot u, tot jij naar Hem toekomt.
‘Welkom terug, Ik ben blij dat je er bent.’

Kan dat zomaar? Terugkeren? Opstaan om naar de Vader te gaan?
We zitten vol met tegenwerpen,
net als de jongste zoon: ‘Vader, ik ben het niet meer waard uw zoon te zijn.’
Zo zit u wellicht ook vol tegenwerpingen
en is de moed je in de afgelopen week in de schoenen gezakt.
Maar kijk dan eens naar de Vader.
Als de jongen met verwijten over zichzelf komt
– ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u!’ –
Krijgt hij niet eens de kans om uit te praten.
Zijn vader onderbreekt hem en zegt tegen zijn knechten:
‘Haal een mantel, haal een ring en slacht het gemeste kalf.’
Weet u wat dat betekent?
Dat de jongen die terugkeert, weer aangenomen wordt als zoon:
de mantel en de ring geven dat aan.
Als u, als jij komt met verwijten over jezelf bij de Heere,
dan krijgt u niet eens de kans om dat uit te praten.
‘Ik ben blij dat je er bent. Welkom thuis, Mijn kind!’
Dat is wat er aan het avondmaal gebeurt:
Dat u door de Heere weer wordt aangekleed met Zijn waardigheid,
waardoor voor iedereen, voor de mensen om je heen en ook voor jezelf,
zichtbaar wordt: Dit is Mijn kind!
Al zou je van alles tegen de Heere willen zeggen, wat er mis is,
dan zegt de Heere tegen je:
Je bent er weer. Bij Mij!

Zie, ik breng voor mijn behoud
U geen wierook, mirr’ of goud;
moede kom ik, arm en naakt,
tot de God, die zalig maakt,
die de arme kleedt en voedt,
die de zondaar leven doet.

En dan zegt de Heere, onze Vader in de hemel:
‘Ik had je al verwacht. Hier bij Mij! Ik ben blij dat je gekomen bent.’
Amen

Dagboek

Dagboek

Dagboeken kunnen helpen om elke dag in de Bijbel te lezen. Onze ervaring als gezin is dat er weinig dagboeken zijn die geschikt zijn voor kinderen. Of ze zijn te moeilijk. Of ze gaan steeds over dezelfde thema’s, zoals dat je door God geliefd bent.
Daarom ben ik begonnen om een soort dagboek bij de Bijbel te maken. Voor elke week een eigen persoon, thema of Bijbelboek. Zodat als je enkele dagen mist, niet steeds het gevoel hebt dat je achterloopt. Voor elke zondag een overdenking uit een Psalm, die bij het thema van die week past. Voorlopige opzet:

Week Thema Week Thema
1 Abraham 27 Jaloezie / Tiende gebod
2 Wonderen van Jezus 28 Inkeer
3 Bidden 29 Leven als christen
4 Gelijkenissen van Jezus 30 Negende gebod
5 Vriendschap 31 Kerk
6 Mozes 32 Job
7 Op weg naar Jeruzalem 33 Petrus, brief van
8 Goede Vrijdag 34 David
9 Pasen 35 Psalmen – 2
10 Sterven en opstanding 36 Spreuken
11 Avondmaal 37 Verloren zoon
12 Openbaring 38 Jozef
13 Psalmen -1 39 Doop
14 Hemelvaart 40 Brief van Paulus
15 Heilige Geest 41 Woestijnreis
16 Pinksteren 42 Efeze
17 Zending 43 Intocht
18 Romeinen 12 (en omgaan met anderen) 44 Jakobus
19 3e gebod 45 Jeremia
20 Kruistheologie 46 Schuld belijden en vergeving
21 Paulus (Handelingen) 47 Koningen
22 Ouders / 5e gebod 48 Hemel
23 School, leren 49 Wederkomst
24 Schepper van hemel en aarde 50 Jesaja
25 Beeld van God 51 Kerst
26 Zonde 52 Oudjaar / nieuwjaar

Voorbeeld:

Maandag: Lukas 15:11-14
En de jongste van hen zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de goederen dat mij toekomt. (Lukas 15:12)

Een vader heeft twee zonen. Deze twee zonen heeft hij goede opvoeding willen geven. Want als hij er niet meer is, moeten deze twee zoons het bedrijf voortzetten. Hij wil dat zijn jongens dan een goede baas zullen zijn: eerlijk, betrouwbaar en rechtvaardig.
Bij de jongste zoon is dat niet gelukt. De vader merkt het als de jongste zoon door het bedrijf loopt meer geïnteresseerd is in wat alles kost dan wat er in het bedrijf gebeurt. Die zoon denkt bij zichzelf: ‘Als ik dat geld nu eens had, zou ik een leuk leven kunnen leiden. Dan zou ik nooit meer hoeven te werken.’
Op een dag krijgt hij een idee. Hij gaat naar zijn vader toe: ‘Pa, later als je er niet meer bent, krijg ik toch een deel van dat bedrijf? Kan ik dat deel niet nu al krijgen? Ik heb er later toch recht op!’

Om over door te praten
1) Wie leert jou om eerlijk, betrouwbaar en rechtvaardig te zijn?
2) Zou jij die vraag van de jongste zoon ook aan je vader stellen? Hoe zou jouw vader reageren?

Dinsdag: Lukas 15:14-16
En toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden.

De vader luistert naar zijn jongste zoon. Hij verdeelt zijn bedrijf. De jongste zoon wordt directeur van het ene deel van het bedrijf. Misschien heeft zijn vader gedacht: ‘Mijn zoon moet een kans krijgen om zich te bewijzen. En als hem het niet lukt, spring ik wel bij om hem te helpen.’
Maar zijn zoon wil helemaal geen directeur zijn. Hij wil niet werken, maar genieten en elke dag feestvieren. Het bedrijf van zijn vader interesseert hem helemaal niet. Zodra hij directeur is, verkoopt hij dat deel van het bedrijf waar hij nu eigenaar van is. Als hij dat geld heeft, wil hij ook niet bij zijn familie blijven. Hij gaat zo ver mogelijk weg. Hij heeft nu zoveel geld. Hij kan elke dag feestvieren.
Dit verhaal vertelt Jezus om te laten zien dat er mensen zijn, die van het leven willen genieten en daarom niet aan God willen denken.

Om over door te praten
1) Stel dat jouw vader directeur is en dat jij zijn opvolger wordt, wat doe je dan: verkoop je dat bedrijf of blijf je voor dat bedrijf werken? Waarom?
2) Als je later volwassen bent, blijf je dan bij je familie wonen? Of ga je juist heel ver weg wonen.
3) Zou jij zonder God kunnen?

Woensdag: Lukas 15:16-20
Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u.

Zolang hij geld heeft, heeft die jongste zoon vrienden. Die vrienden komen graag op zijn feestjes. Het interesseert hen niet dat zijn vader hard heeft moeten werken om dat geld te verdienen. Aan zijn vader denkt hij niet.
Maar dan komt er een economische crisis. Alles wordt steeds duurder: eten, drinken, kleding en feestjes. Zijn geld raakt op. Daar had hij niet op gerekend. Hoe moet hij nu verder? Bij anderen om geld vragen? Daar piekert hij niet over. Dan gaat hij nog liever werken. Het enige werk dat hij vindt, is werk dat in die tijd alleen maar door slaven werd gedaan: zorgen voor de varkens. Hij heeft honger, maar mag het eten van de varkens niet eens opeten.
Nu hij zo’n honger heeft, beseft hij opeens dat hij verkeerd is geweest. Hij moet terug naar zijn vader, om te zeggen: ‘Vader, ik ben verkeerd bezig geweest. Ik heb gezondigd.‘

Om over door te praten
1) Zou jij het doorhebben als je iets verkeerds hebt gedaan?
2) Zou je durven toegeven aan als je iets verkeerds hebt gedaan?
3) Zou je dat ook aan God durven toe te geven? Hoe zou Hij reageren?

Donderdag: Lukas 15:20-24
Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.

Hoe ver hij ook bij zijn vader vandaan is, zijn vader merkt op dat hij terugkomt. Stond hij misschien al op de uitkijk? In de verte herkent hij de man die aan komt lopen direct als zijn zoon. De jongen krijgt niet eens kans om te zeggen dat hij verkeerd is geweest. Zijn vader rent op hem af en omhelst hem: ‘Welkom, jongen, ik ben zo blij dat je er weer bent!’ De jongen probeert nog wel om zijn excuus aan te bieden, maar de vader luistert er niet naar. Hij geeft zijn knechten de opdracht: ‘Haal een mantel, haal een ring, want iedereen moet kunnen zien dat hij mijn zoon is. Geef een feest voor heel het dorp. Want mijn jongen was dood, maar is levend teruggekomen.’
Wanneer je ziet dat je verkeerd hebt gedaan en naar God teruggaat om dat te erkennen, is Hij blij met jouw komst.

Om over door te praten
1) Geloof je dat God ook op jou staat te wachten?
2) Zou jij blij zijn als iemand, die verkeerd deed, de weg naar God terugvindt?
3) Waarom zegt de vader over de jongen dat hij eerst dood was? En waarom zegt hij dat hij weer levend is geworden?

Vrijdag: Lukas 15:25-30
Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan. Toen ging zijn vader naar buiten en spoorde hem aan. (Lukas 15:28)

De oudste zoon is er ook nog. Hij heeft toegekeken hoe zijn vader het bedrijf opdeelde. Hij kreeg zijn deel. Maar het werd harder werken omdat het bedrijf nu kleiner geworden was. En zijn jongere broer verkocht direct zijn deel van het bedrijf direct en ging weg om feestjes te houden. Als zijn jongere broer thuiskomt, is hij niet bij zijn vader. Hij is buiten in het veld. Aan het werk. Verbaasd hij bij thuiskomst de muziek en de feestvreugde. Als hij de reden van het feest hoort, wordt hij boos. Zijn broer heeft alles weggegooid en een slecht leven geleid. Waarom zou hij dan blij moeten zijn dat zijn broer thuisgekomen is? Maar zijn vader wil hem niet buiten laten staan: ‘Doe mee. Ik heb een reden om blij te zijn. Je broer was dood. Nu is hij levend thuis gekomen. Dan kunnen we toch niet anders dan feestvieren?’

Om over door te praten
1.) Kun je uitleggen waarom die oudste zoon niet blij is dat zijn broer weer terug gekomen is?
2.) Begrijp je de reactie van die oudste zoon? Waarom wel/niet?
3.) Waarom wil de vader die oudste zoon erbij hebben op het feest?

Zaterdag: Lukas 15:28-32

En hij zei tegen hem: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou.

Geluk hoef je meestal niet ver weg te zoeken. Wie goede ouders heeft, kan al gelukkig zijn. Maar de oudste zoon heeft dat niet door. Als hij aan zijn vader denkt, is er een boosheid in hem: ‘Mijn vader laat mij nooit eens een feestje geven voor mijn vrienden. Hij weet niet wat ik nodig heb. Hij kent mij niet.’
Hij is zo vol boosheid dat hij nooit de liefde van zijn vader heeft gezien. ‘Jij bent altijd bij mij,’ zegt zijn vader. ‘Mijn jongen, besef je niet hoe gelukkig ik met jou ben? En weet je waarom ik zo zuinig ben? Omdat dit alles van jou is. Maar nu mijn kind weer levend is geworden, heb ik geen andere keus. Ik moet dat feest wel geven!’
Daarmee is het verhaal van Jezus uit. Hoe loopt het af? Begrijpt de oudste zoon zijn vader? Of blijft hij toch buiten staan?

Om over door te praten
1) Bedenk hoe dit verhaal verder zal gaan: Wat doet de oudste zoon? Hoe gaat de jongste zoon verder met zijn leven?
2) Kennen jouw vader en jouw moeder jou goed? Waarom wel/niet?
3) Wat wil de Heere Jezus ons met dit verhaal duidelijk maken?

Preek 7 februari 2016

Preek 7 februari 2016
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een vader heeft twee zonen.
Deze vader heeft geprobeerd om deze zonen een goede opvoeding te geven.
Want deze zonen zullen niet alleen zijn bedrijf voortzetten,
maar zijn er ook om zijn goede naam hoog te houden
en dat zullen ze doen door eerlijk en betrouwbaar te zijn,
door een goede baas te zijn,
elk over dat deel van de boerderij dat ze zullen erven.
Als hij er niet meer is, zullen ze hun vader eren
door hun stijl van leiding geven aan de boerderij.

Bij een van de jongens komt de opvoeding, die deze vader geeft, niet over.
Dat is de jongste van de twee.
De jongste zoon heeft een oppervlakkig karakter.
Deze jongen heeft geen oog voor de ziel van de boerderij.
Wanneer hij aan de boerderij denkt, denkt hij alleen aan het geld dat er in omgaat.
Hij heeft er geen over voor dat de boerderij van zijn vader
al generaties in de familie is,
waarbij de zorg voor de dieren en het grond van vader op zoon wordt doorgegeven.
Hij denkt alleen maar aan de financiële kant van de zaak.
Zo loopt hij ook over de boerderij.
‘Voor hoeveel zouden we deze koe kunnen verkopen, vader?’
‘Die koe? Die verkopen we niet.
Dat is eersteklas stamboekvee, gefokt door onze eigen familie.
Dat is de trots van ons geslacht!’
‘Hé, broer, wat zou onze buurman voor die akker overhebben?’
Al rekenend brengt hij zijn dagen door op de boerderij.
Dat is toch wat, zoveel geld dat er in de boerderij omgaat,
maar met dat geld kun je helemaal niets beginnen,
omdat dat weer geïnvesteerd moet worden of bewaard als buffer.
Met al dat geld zou ik toch een heel mooi leven hebben.
Ik hoef nooit meer te werken.
Ik kan de wijde wereld in om te zien dat er meer is dan dit achtergebleven boerengedoe.
Leven wil ik!
En wat heb ik? Voor de rest van mijn leven gebonden.

Opeens is er die gedachte: als ik dat geld nu eens zou hebben.
Niet pas later als mijn vader er niet meer is.
Dan heb ik niet veel tijd meer om van het leven te genieten
en misschien ben ik dan getrouwd
en kan ik hier niet meer weg. Voorgoed gebonden.
Opeens is er die gedachte: als ik mijn vader eens zover krijg
dat hij mij nu al dat geld geeft.
Niet later, maar nu.
Hij gaat naar zijn vader en zijn verzoek is ontzettend grof:
‘Pa, je gaat toch een keer dood,
geef mij nu al het geld dat ik dan als erfenis krijg.
Ik heb er toch recht op. Geef het me nu maar.’

Hoe zou u reageren als uw zoon op die manier bij u aanklopt?
En voor de kinderen: hoe zou je vader reageren,
Als je hem dit verzoek geeft.
Dat hoef je niet te proberen.

Er is een subtiel verschil tussen de vader en de jongen hoe ze naar het bezit kijken.
De jongen kan alleen maar kijken met euro-tekens in zijn ogen.
De koeien zijn zoveel waard, de akkers zijn zoveel waard,
de stal brengt dat op.
In de gelijkenis gebruikt de zoon ook een ander woord dan zijn vader.
De jongen zegt: Geef mij de rijkdom mee, waar ik recht op heb.
Het geldbedrag dat het oplevert.
De vader kijkt anders naar zijn bezit, naar zijn boerderij,
die hij zelf ook weer gekregen heeft van zijn vader.
Er klinkt bezorgdheid in de stem van de vader door:
‘Jongen, ik geef je genoeg mee om van te leven.’
De vader gebruikt een ander woord: bios,
dat ook gebruikt wordt bijvoorbeeld in biologie, biobrandstof, biodiversiteit.
Bios – staat voor iets dat leeft, levendig is, volop leeft.
Jongen, ik geef je een leven mee. Je hoeft niets tekort te komen.
Levensonderhoud.
De jongen kijkt naar het geld waar hij recht op heeft
om van het leven te proeven – met volle teugen en overdadig.
De vader kijkt naar de jongen en beseft:
Wat hij meekrijgt moet hem helpen om in het bestaan te voorzien.
De jongen moet op eigen benen staan.
Misschien had de vader helemaal niet verwacht dat de jongen alles zou verkopen.
Had hij misschien gedacht, dat hij gewoon in de buurt zou blijven
en dat de vader, wellicht zonder dat die jongen dat besefte, zou bijspringen
en hem voor gezichtsverlies zou behoeden
als hij er met de pet naar gooide.
Maar zodra die jongen alles heeft, verkoopt hij alles.
Dan blijkt dat hij zijn plan al klaar had.
Hij had al kopers gevonden, voor zijn vader hem iets gegeven had.
De vader heeft zijn bezit nauwelijks verdeeld
en de jongen levensonderhoud gegeven, de mogelijkheid op eigen benen te staan.
Maar de jongen maakt er geld van.
Hij verzamelt alles, om het ver weg het er doorheen te jagen.

Deze gelijkenis vertelt de Heere Jezus vooral met het oog op de terugkomst van deze zoon.
Maar ook het begin van deze gelijkenis houdt ons een spiegel voor
nu we een week in gaan
waarin we onszelf onderzoeken hoe onze relatie met God ervoor staat.
In dat onderzoek kunnen we niet voorbij gaan aan onze zonden.
Over zonde las ik deze week de volgende definitie:
Toe-eigenen wat je anders van God zou krijgen.
De jongen zou ooit eens de erfenis krijgen,
maar hij eigende het zich toe, alsof hij er nu al recht op heeft.
Zonde is dan naar jezelf toehalen, toe-eigenen van wat je later gegeven wordt
en het dan ook nog eens op een manier gebruiken die niet past
bij de reden waarom het je gegeven wordt.
Ik denk dat er niet heel veel zijn die in die jongen die diep aan de grond zit,
zichzelf herkennen.
De meesten van u gelukkig niet.
Maar ik denk dat de houding van die jongen aan het begin van de gelijkenis
dichter bij ons komt.
We zijn, denk ik, allemaal wel op zoek naar een gelukkig bestaan, naar leven.
We kunnen er veel voor over hebben om ons eigen geluk na te streven.
Zelfs zoals die jongen, dat je het naar jezelf toehaalt,
toe-eigent en voor nu gebruikt, terwijl je dat later gegeven zal worden.
Een jongen die een relatie uitstapt, omdat hij het in die relatie niet meer vindt.
Je moet toch voor je eigen geluk kiezen?

En dat kan ook naar God toe:
God heeft toch bij de doop beloofd dat Hij het kwade van mij zal weren?
Dan heb ik toch recht op mijn gezondheid
en als ik dan toch ziek wordt of met beperkingen te maken krijg,
dan houdt God bij mij weg, wat Hij mij hoort te geven.
Ik heb er recht op, want gezondheid dat maakt mij pas echt gelukkig.
En voor we het weten hebben we het geschenk van God
veranderd in iets waar we recht op hebben
en dat ons gelukkig maakt
gemaakt tot iets waar we ons leven op bouwen.
Zoals die jongen denkt dat hij gelukkig kan worden met het geld
dat hij kan krijgen als hij zijn vaders erfenis verpatst.

Dat geeft hem een goed leven. Dan merk je pas dat je leeft, bestaat.
En hij heeft niet door dat hij niet alleen het geld van zijn vader er doorheen jaagt
maar ook de verantwoordelijkheid, het familiebezit.
Ik leef voor mijzelf
en de ander, zelfs God, is er om mij te dienen.

In de eerste plaats zullen we onze zonden overdenken en de vervloeking door God.
Dat is niet, omdat God ons eens fijntjes onder de neus wil wrijven
dat we verkeerd bezig zijn,
maar omdat Hij ons wil redden van een verkeerd leven,
Waarin we denken gelukkig te worden, maar waarin we uiteindelijk vastlopen.
We kunnen de schijn ophouden, terwijl we van binnen een leeg leven hebben.
Juist in onze tijd van veel welvaart en rijkdom wordt die leegte ervaren.
Juist bij degenen die een goede baan hebben en een groot huis
kan de leegte zo knagen: is dit alles wat ik heb?
Misschien had die jongen die leegte al ervaren toen hij nog thuis was
en was zijn weggaan een vlucht om de leegte van binnen te ontlopen.
Misschien was die jongen verblind
door de verleiding hij met een rijkgevulde portemonnee leven kon vinden,
vrienden kon krijgen en liefde, aandacht, waardering kon kopen.

Waaruit kent gij uw ellende, vraagt de Heidelberger Catechismus.
Die ellende heeft 2 betekenissen: het is allereerst misère – je bent er slecht aan toe.
En die misère kun je opvullen door te streven naar welvaart en rijkdom,
naar succes, naar beroemd te worden, gezien te zijn.
Maar daarmee kun je die misère alleen verbloemen, verdoezelen, overschreeuwen.
Die misère draag je in je hart,
want wat is die misère is dat je buiten God leeft.
Zoals die jongen niet meer bij zijn vader is en de band doorsnijdt
en in dat vreemde land alles weggooit wat hij van thuis heeft meegekregen:
zijn geloof, zijn opvoeding, zijn beschaving, zijn geld – tot hij niets meer overhoudt.
Weet u het antwoord nog, van de catechismus,
Hoe we onze misère kennen
en hoe we die misère kunnen duiden als een los-van-God gaan?
Uit de wet van God.
Is dat omdat die wet ons steeds aanklaagt en voorhoudt dat we het niet goed doen?
Zeker.
Maar ook omdat in die wet Gods goedheid zichtbaar wordt
en duidelijk wordt hoe God ons leven heeft bedoeld.
Hoe we gelukkig kunnen worden: met Hem.
God wil ons een gelukkig leven geven
en over het hoe doet Hij niet geheimzinnig,
maar het kan niet buiten Hem om.

Voordat ik ontdekte dat er in de gelijkenis een woordspel is rondom dat bezit,
het gebruik van andere woorden en een andere kijk,
dacht ik na over de vraag waarom die jongen de goederen direct verkoopt en weggaat.
Ik dacht bij mijzelf: misschien is die jongen wel verrast door alles wat hij krijgt.
Overweldigd. Hij wist niet dat hij recht had op zoveel
en door de hoeveelheid weet hij van gekkigheid niet wat hij er mee moet.
Zo kunnen we ons ook overweldigd weten
door wat God ons geeft,
maar in plaats van dat het ons dichter bij Hem brengt, raken we van ons af.
Ik hoor dat nogal eens zeggen:
Als ik het goed heb, ga ik toch minder bidden.
Pas als ik in moeilijkheden ben, mijn misère echt realiseer, zogezegd,
dan zoek ik Hem weer op.
Gek is dat eigenlijk. Dan zijn we net als die jongste zoon:
Je krijgt zo ontzettend veel om een goed leven hier te hebben:
de zegen van God en voor je er erg in hebt,
ga je een weg in waarbij je God even niet meer nodig hebt.
De week van voorbereiding is dan weer een bezinning om terug te keren tot God.
Ook die zonde overdenken van het achteloos omgaan
met Gods zegeningen, waarbij je niet bij Hem uitkomt maar bij Hem weggaat.

Tragisch hoe het leven van die jongen verloopt.

Zo had hij zijn weg niet uitgestippeld.
Een beroemde Amerikaanse predikant begon zijn preek over de verloren zoon
met een verhaal dat hij las in de krant:
Een man ging met de bus naar Detroit,
maar zonder dat hij er erg in had stapte hij in de bus naar Kansas
en hij had het onderweg niet door dat hij in de verkeerde bus zat.
Toen hij uitstapte moest hij bij een bepaalde straat zijn.
Niemand kon hem de weg vertellen
en hij werd steeds geïrriteerder want hij wist dat die straat er in Detroit wel was.
Hij had niet door dat hij op 11 uur rijden van zijn bestemming was.
De jongste zoon had niet door dat hij de bus naar de afgrond gekozen had
en dat hij zou vastlopen en alles zou kwijtraken.
In het verlangen naar een goed leven, kunnen we onbewust de verkeerde bus nemen.
Niemand neemt voordat hij gaat trouwen voor om ooit eens te scheiden.
Niemand die kinderen krijgt neemt zich voor om van de opvoeding een zooitje te maken.
Maar het gebeurt. Soms door gebeurtenissen waar je zelf geen grip hebt,
maar ook door de verkeerde keuzes.
En voor een leven waarbij we God kwijtraken – kiezen we daar van tevoren voor?

Het is moeilijk om terug te gaan.
Ik las van de week: Ik ben lang genoeg predikant geweest
om te weten wanneer mensen in misère leven
Dat nog niet betekent dat ze hun leven veranderen.
Ze kunnen van werk veranderen, verhuizen, een andere relatie aangaan,
maar wat ze doen is niets anders dan het herschikken van de meubels.
Wat ze werkelijk nodig hebben is een nieuw leven.
Wat ze werkelijk nodig hebben, is dat ze hun plan opgeven
om weer hun leven vorm te geven
en dat ze leren het leven te ontvangen dat God geeft.
– Dus toegepast op de preek: niet naar je toehalen en toe-eigenen van wat je gegeven wordt
Dat ontvangen, gaf die predikant aan, bestaat in het opgeven van de controle over je leven.
Maar dat, zei hij, is te beangstigend.
Liever de misère dan de zorg en leiding van de Heere.
Maar ook dat is zonde: blijven zitten in de misère omdat je niet kunt ontvangen
en alleen maar kunt toe-eigenen.
Dat is zoiets als de verkeerde bus nemen
maar weigeren om de juiste bus te nemen naar de juiste bestemming.
Uit wrevel, uit angst voor gezichtsverlies – zeg het maar.
Toegepast op het toetsen van onze relatie met God in de komende week.
Je kunt beseffen dat je verkeerde bus genomen hebt
en met de zegeningen van God de verkeerde kant bent uitgegaan
en niet op de bestemming die God voor je bestemde.
Maar daar moet je niet blijven.
Je moet niet blijven steken in dat je het verkeerd hebt gedaan.
We zien dat bij die jongen in dat verre land.
Hij klopt niet aan bij volksgenoten,
terwijl de Joden in het buitenland een goed systeem hadden van aalmoes geven,
financiële ondersteuning aan andere Joden die in armoede vervielen.
Hij klopt niet bij hen aan, maar gaat slavenwerk doen:
Varkens hoeden; de varkens zijn nog meer waard dan hij,
want al verlangt hij het voedsel te eten van die onreine beesten,
het is onbereikbaar.
Hij kan niet meer de sociale ladder beklimmen,
zelfs niet meer in zijn eigen levensonderhoud voorzien, ondanks de zorg van zijn vader.
Alleen dan, wanneer hij niets meer heeft, gaat hij denken aan thuis.
Zo werkt God.
Als wij de bus verkeerd nemen en afdwalen,
kan Hij ons laten uitkomen op de verkeerde bestemming
Waar we niets meer overhouden.
Om ons dan te laten zien dat we dan nog een kant op kunnen: naar Hem.
Je moet terug: naar Jezus.
En dat is niet altijd de makkelijkste stap, want net als de verloren zoon kunnen we dan nog pogen om ons leven overeind te houden.
maar wel de enige juiste: naar Jezus toe.

 

Ten tweede: laat ieder zijn hart onderzoeken of hij de betrouwbare belofte van God gelooft, dat hem al zijn zonden alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn en dat de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijn eigendom toegerekend en geschonken is. Ja, zo volkomen alsof hijzelf, in eigen persoon, voor al zijn zonden betaald en alle gerechtigheid volbracht had.

Ik hoop en bid dat u, dat jij – als je je zonden overdenkt, daar niet blijft steken,
dan heb je de bus gemist
maar uitkomt bij Jezus
en dat als u daar niet komt, dat onze Heere u, jou zelf daar bij Hem brengt.

Amen