Preek zondag 25 augustus 2019

Preek zondag 25 augustus 2019
Genesis 25:19-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn begintijd in Oldebroek, nu bijna 8 jaar geleden, had ik een manier
om te achterhalen hoe het wonen in Oldebroek werd beleefd.
Ik vroeg aan de stelletjes, die ik ging trouwen
of ze blij waren om in Oldebroek te kunnen wonen
of dat ze juist blij waren om weg te kunnen uit Oldebroek.
In het ene geval zei het toekomstige bruidspaar: ‘We zijn blij om weg te zijn.’
In het andere geval: ‘We willen voor geen goud weg uit Oldebroek.’
Twee heel tegengestelde reacties.

Wellicht herken je je in een van die reacties:
Als ik straks voor mijzelf kan kiezen, dan ben ik blij dat ik weg kan gaan.
Helemaal opnieuw beginnen, zonder dat de anderen hier al weten wie ik ben,
me in een hokje stoppen waar ik niet in pas
en als ik iets geks doe daar gelijk over beginnen te roddelen.
Ik wil zo snel mogelijk weg hier.

OF je hebt juist die andere reactie: Ik moet er niet aan denken om weg te gaan.
Hier ben ik opgegroeid. Hier heb ik mijn familie en vrienden.
Ik weet hier hoe de mensen in elkaar zitten.
Dit is mijn thuis. Hier hoor ik.
Hier kom ik weg, veur mien hiele leben

Ben ‘k met dizze horizon verweben


In dit verhaal over Ezau en Jakob gaat het om de vraag:
Hoe kijk je naar de plek waar je vandaan komt?
Hoe waardeer je de plek waar je geboren bent en opgegroeid?
Is dat een plek, die je zo snel je kunt achter je wilt laten,
op zoek naar een plek waar je jezelf kunt zijn, zonder de beperkingen van hier?
Of ben je blij dat je hier geboren bent en ervaar je dat de Heere je hier geplaatst heeft?

Dan niet zozeer deze locatie, maar vooral je thuisbasis in geloof:
Wat je meegekregen hebt thuis aan geloof, aan kennis over God, het leven in de Bijbel, bidden, geloven, het leven met de Heere.
Je krijgt het wel van je ouders mee, maar het pakt je niet, het doet je niets,
je ziet niet in waarom het voor jou is, je zou dat liever achter je laten
en op zoek gaan naar wat wel bij je past.

In het verhaal is Ezau degene die het thuis niet kan vinden.
Ezau heeft een andere levensstijl dan zijn ouders en zijn broers.
Ezau heeft namelijk een bepaalde kennis die zijn ouders niet hebben:
Hij heeft kennis van het jagen. Hij is goed thuis in de jacht.
Daarbij moeten we niet denken aan een hedendaagse jager,
die het jagen vaak als hobby heeft, naast zijn baan, een vaste woonplaats heeft
en alleen op bepaalde dagen gaat jagen.
In Oldebroek heb ik heel wat verhalen gehoord van de oudere generatie,
die zelf jaagden of meehielpen bij de jacht: samen een dag de polder in
en dan afsluiten met een gezamenlijke borrel en dan weer naar huis.
Ezau’s levensstijl is een andere.
Het is een thuis niet kunnen aarden bij zijn ouder en broer.
Dat was geen probleem geweest als hij niet uit een bijzondere familie kwam,
een familie die door de Heere uit een heel ander deel van de wereld hier gebracht was,
een land dat aan hen beloofd was, om hier op deze plek voor andere volken tot zegen te zijn
door het leven met de Heere voor te leven,
te laten zien wie God is en te laten zien welke manier van leven de Heere vraagt.
Als oudste zoon is hij de drager van de erfenis en toch kiest hij ervoor om erop uit te trekken
en thuis voor thuis te laten en alleen maar bezig te zijn met zichzelf.
Koningen in het Oude Nabije Oosten lieten zich graag als jagers afbeelden
om te laten wat voor een geweldenaar ze waren,
Dat niemand tegen hen opgewassen was en niemand aan hen kon ontsnappen.
Hier in dit gedeelte zegt het gegeven dat Ezau kennis van de jacht heeft
ook dat hij voor zichzelf leeft, dat zijn familie hem niets ze zeggen heeft
En al helemaal de zegen van God niet.
Van zijn familie los, van God los. Ik leef voor mijzelf alleen.
De anderen kunnen mij niet schelen.
De roeping die God mij en mijn familie geeft – ik heb er niet zoveel mee.
Ik stippel mijn eigen weg wel uit. Ik ben baas over mijn eigen leven.
De opdracht van God om tot zegen te zijn beperkt mij om te leven zoals ik wil.
Ik hoef mijn thuis niet in God te hebben, maar ik trek rond in de wereld
op zoek naar wat mij aanspreekt, waarvan ik vind dat het mij gelukkig maakt.
Misschien is het jagen ook wel zo aantrekkelijk, omdat je voelt dat je leeft.
De spanning die je hebt als je op jacht gaat: kom ik een dier tegen dat ik kan schieten,
of zal ik met mijn val erin slagen om een dier in de valstrik te lokken?
Op zijn zwerftochten als jager zal hij tot ver in de omgeving hebben rondgetrokken
en gezien hoe het leven bij de Kanaänieten was.
Dat blijkt ook wel later, als hij een vrouw uit de Kanaänieten neemt
en daarmee helemaal openlijk aangeeft, dat hij voor de wereld kiest en niet voor God.
Dat hij zijn achtergrond prijsgeeft, zijn opvoeding van thuis
en dat hij liever kiest voor de Kanaänitische levensstijl,
de stijl die in de Bijbel altijd egocentrisch is, op jezelf gericht, hard en wreed voor anderen,
een levensstijl om de ander te onderwerpen.

Die gevoeligheid voor die harde, wrede stijl van de Kanaänieten zal er al jong in.
Als hij geboren wordt, ziet hij er rood uit.
Dat heeft niet met zijn haar te maken, maar met zijn huid.
Een rode huid is een teken, dat er iets bijzonders is.
Deze jongen kan uitgroeien tot een held. Je mag bijzondere verwachtingen hebben.
Hij heeft ook een andere kant: harig.
En dat geeft hem iets dierlijks.
Twee kanten: een heldhaftige kant en een dierlijke kant – welke kant van hem zal winnen?
Zal hij inderdaad de held worden en iedereen versteld doen staan?
Of zal hij iemand zijn die je vreest, waar je voor uitkijkt, waar je voor uit de weg gaat?
Als hij jager wordt, heeft dat er veel van weg dat het dierlijke aspect wint.
Iemand waar je voor op de hoede moet zijn, die zijn instincten volgt,
op jacht gaat naar een prooi.

In dit verhaal gaat het ook om ons.
Ook wij kunnen twee kanten hebben: een kant die ons boven onszelf doet uitstijgen.
Dan zweef ik op de wind, gedragen door uw Geest en door de kracht van uw liefde.
Of zoals in Psalm 18 staat: Want met U ren ik door een legerbende,

met mijn God spring ik over een muur. (Psalm 18:30)

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
Sinds de zondeval ook een andere kant: dat dierlijke,
geneigd om onze driften hun gang te laten gaan,
ons te laten leiden door onze boosheid of verongelijktheid, onze lust, onze pijn.
Een leven zoeken waarop wij meer krijgen voor onszelf,
al moeten we daarvoor ons met de ellebogen omhoog werken
en anderen naar beneden trappen.
Welke kant heeft in ons de overhand. Wat wint er bij ons?
Twee wegen: Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen.
Of de weg van mijn manier?
Worden we een Jakob of een Ezau?

Ja, Jakob staat er niet goed op, omdat hij op een zwak moment van Ezau,
als hij uitgeput, meer dood dan levend, het tentenkamp behaalt
en Jakob zijn kans grijpt om Ezau iets afhandig te maken,
dat alleen Ezau heeft en Jakob zo graag zou willen hebben:
de eerste plek in het gezin en daarmee de erfenis:
het bezit van zijn vader dat later voor een groot deel van Ezau zal zijn.
Jakob wordt vaak gezien als iemand die zijn plek niet kent en meer wil
en niet in staat is om te wachten tot God geeft,
Wat de Heere voor hem, Jakob, bedoeld heeft.
Ik houd ook een andere uitleg voor mogelijk.
Jakob die ziet dat Ezau zijn verantwoordelijkheid als oudste zoon ontloopt
en niets geeft om de opdracht van God om tot zegen te zijn
en zijn schouders ophaalt bij de zegen die God beloofd heeft.
En Jakob maakt zich zorgen, dat als Ezau zo doorgaat,
het gedaan is met zijn familie, zich vermengt met de mensen in de omgeving
en oplost, niet meer bestaat.
En daarmee is ook de weg van God een mislukking – einde voor God op aarde.
Jakob neemt die verantwoordelijkheid wel door niet erop uit te trekken
en voor eten te zorgen.
Dan op een keer ziet hij dat Ezau thuiskomt.
Het kan zijn dat hij Ezau er wel op aangesproken heeft:
Ezau, jouw manier van leven berokkent ons schade, is een minachting voor God,
Ezau, je bent mijn broer, maar jouw manier van leven brengt je niets.
Want de weg van de goddeloze loopt dood.
Ezau, op de weg die jij gaat, vind je de dood. Daar vind je het leven niet.
Het brengt je niets.
Er is een bijzonder gezang voor het Liedboek voor de Kerken,
dat sinds ik het voor het eerst hoorde mij altijd is bijgebleven,
omdat het iets van het rusteloze zoeken van mensen verwoordt:
Hij overmant de wilde dieren,
vaart uit op zeeën en rivieren,
doorzoekt der aarde donkre schoot.
Ja, hij snelt voort op hoge winden
om de allerlaatste grens te vinden.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Altijd maar op zoek gaan. Altijd maar kijken of je niet meer kunt vinden.
Als een grens wordt aangegeven, niet stoppen, maar kijken of je toch verder kunt.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Zo is het met Ezau ook: meer dood dan levend komt hij aan.
Zijn manier van leven, zijn kennis van de jacht, levert het niets op,
laat hem gruwelijk in de steek.
Het scheelt niet veel of zijn leven is voorbij.
In die conditie klopt hij thuis aan.
Als een verloren zoon, die beseft dat hij te ver gegaan is,
met zijn manier van leven zo’n groot risico genomen heeft,
maar dat risico altijd weggewuifd heeft, omdat hij in zichzelf geloofde.
Hij hoefde God niet, want hij kon zichzelf wel bedruipen.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Maar dan is thuis er nog. Zo klopt hij thuis aan,
De man die niet thuis wilde zijn, maar erop uit trok om elders te vinden.
Nu heeft hij thuis nodig om in leven te blijven, om überhaupt te kunnen bestaan.
Maar zijn manier van thuiskomen heeft iets onverschilligs:
Geef me dat rode daar.
En als Jakob voorstelt om het eten te ruilen voor het eerstgeboorterecht,
laat hij zien dat het eerstgeboorterecht hem niets kan schelen,
zo gefixeerd is hij op het eten:  als hij maar in leven blijft.
Het dierlijke komt in hem boven. Hij wil dat rode opschrokken, als een dier.
Al het menselijke is hij kwijt.
Meer een wolf, die leeft door zijn instinct om te eten en zo in leven te blijven.
Dan maakt het niet uit wat je eet en welke prijs je ervoor betaald.
Ik sluit niet uit, dat het een test van Jakob is,
een provocatie om tot Ezau door te dringen.
Ezau, jager die ondanks al je kennis van de jacht met lege handen thuis komt,
lucht en leegte, alleen meer leegte, jouw manier van leven.
Weet je dan niet dat je hier een taak hebt,
Een taak die God je opgedragen heeft, omdat je als eerste geboren werd.
Wat maak je ervan waar?
Steeds zijn er twee wegen, twee manieren van leven waaruit je als mens kunt kiezen.
De ene is de weg die God wijst, die de Heere opdraagt om te gaan.
De andere is de weg, die je als mens zelf kiest, omdat je Gods weg niet wil gaan,
Gods opdracht om op zijn manier te leven als een beperking wordt ervaren
en niet als een manier van leven, waarop je door God gezegend wordt,
omdat Hij meegaat.

Wat Jakob hier Ezau voorhoudt, zijn ook de twee wegen
die Christus voorhoudt uit Mattheüs 7: de brede en de smalle weg.
De brede weg is makkelijk te vinden en velen kiezen voor die weg.
De smalle weg is moeilijk te vinden, die ga je voor je gevoel alleen,
niemand die met je meegaat.
Het is de opdracht die Jozua voorhoudt: Kies heden wie u dienen wilt.
Welke weg kiest u, kies jij?
Er is één weg die het leven brengt, de weg van God.
Jakob begreep dat, al was ook hij gevoelig om zelf zijn weg uit te stippelen.
Ezau haalde zijn schouders op/
Het wordt ons niet verteld om nu eens een stevige mening over Ezau te hebben,
maar zodat wij naar onszelf gaan kijken.
Het is God die ons die keuze voorhoudt.
Het is Christus die ons roept om de juiste weg te gaan,
die de juiste weg heeft voorgeleefd en voor ons gebaand.
Zodat ook wij die weg kunnen gaan.

 

Heer, wijs mij uw weg en leid mij als een kind

dat heel de levensweg slechts in U richting vindt. 

Als mij de moed ontbreekt om door te gaan,

troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.

 

Heer toon mij uw plan; maak door uw Geest bekend

hoe ik U dienen kan en waarheen U mij zendt.

Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,

toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Amen

 

Uitleg van Richteren / Rechters 1:1-15

Uitleg van Richteren / Rechters 1:1-15

Het Bijbelboek Richteren (NBV: Rechters) bevat veel verhalen. Wat de betekenis van die verhalen is, is niet zo maar duidelijk. Daarom wil ik van het eerste gedeelte van dit Bijbelboek een mogelijke uitleg delen.

Vertellen
Het begint met vertellen. Vertellen kan om verschillende redenen. Iemand kan graag vertellen om herinneringen uit het verleden te delen. Of om een bepaalde sfeer te scheppen. Er kan een verhaal verteld worden om subtiel een boodschap aan je door te geven. In de trant van: wie de schoen past, trekke hem aan. De verhalen die in Richteren worden verteld, geven een boodschap op een vertellende wijze door. Vaak gebeurt dat zo subtiel, dat het voor de hedendaagse lezer niet eenvoudig is om die boodschap op te pikken.

Nieuw tijdperk
De openingszin van een boek zet vaak de toon. Zo ook in Richteren: Het gebeurde na de dood van Jozua dat de Israëlieten de HEERE vroegen: Wie van ons zal het eerst optrekken tegen de Kanaänieten om tegen hen te strijden? Hier is sprake van een nieuw tijdperk: Jozua is gestorven.

Jozua
Wat was het tijdperk van Jozua? Jozua had de uittocht uit Egypte meegemaakt, de reis door de woestijn, de intocht in Kanaän en de vestiging in dit land. Jozua is degene die herinnert aan Gods handelen in die tijd: door Zijn sterke arm en krachtige hand werd Israël uitgeleid. Jozua was mee de berg op, toen Mozes de wet uit Gods hand ontving. Jozua was getuige van alle keren dat het volk mopperde op de leiding van God en zag ook hoe de Heere steeds weer opnieuw Zijn volk hielp. Soms na straf en oordeel. Jozua was mee naar het Beloofde Land als verspieder en was samen met Kaleb (die verderop aan de beurt komt) de enige die geloofde dat God hen dit land kon geven.

Verleden tijd
Met de dood van Jozua zijn al die gebeurtenissen verleden tijd. Niemand die zich de daden van God en de omwegen van het volk herinnert uit eigen ervaring. Degenen die nu de leiding hebben kennen dit alleen maar van horen zeggen. Hoe zal dat de leiders vergaan? En het volk? Zullen ze in het spoor van Gods wetten gaan? Of zullen ze ervan afwijken? In dit eerste hoofdstuk worden al de eerste signalen gegeven: Zonder de leiding van Jozua gaat het niet goed. Steeds zal het volk moeite hebben om op Gods weg te blijven wandelen.

Broederschap
In de eerste zin van Richteren wordt het volk nog als één geheel gepresenteerd: de kinderen van Israël. Die eenheid staat steeds onder druk of wordt verscheurd door conflicten en tegenstellingen. Geregeld zijn er burgeroorlogen. Broederschap is een van de thema’s van het Richterenboek. In het volgende verzen staat dat Juda Simeon meeneemt en later Simeon belooft te helpen het gebied dat hij toegewezen heeft gekregen te veroveren.

Volk van God
Met de aanduiding kinderen van Israël speelt er nog iets mee: Israël is geen gewoon volk. Israël is anders dan de Kanaänieten en de Ferezieten (Perizzieten). Israël is het volk van God en heeft de roeping om op een andere manier te leven in het Beloofde Land. Als Abram de opdracht krijgt om weg te trekken uit zijn land en familiekring, krijgt hij de belofte én opdracht mee om voor de andere volken tot zegen te zijn. In het Bijbelboek Richteren blijkt dat het volk niet in staat is om naar Gods wetten te leven en steeds weer de levensstijl van de volkeren in Kanaän overneemt.

 

Raadplegen

Het begin is goed: Israël gaat niet op eigen initiatief, maar raadpleegt de Heere. Er wordt niet verteld hoe het antwoord komt. Juda zegt later tegen Simeon dat dit de uitkomst is van het lot, dat geworpen is. In eerste instantie lijkt het erop dat Israël in vertrouwen op de Heere wil leven. Alleen werpt het Bijbelboek Richteren gelijk de vraag op: zit het wel goed met het vertrouwen. Want Juda neemt Simeon mee. Is dat een daad uit broederschap, omdat Juda de kleinere stam Simeon, die ook nog eens het grondgebied kreeg dat midden in Juda’s gebied ligt, bij wil staan? Of is het een signaal dat Juda niet alleen wil gaan, ook al mag het verwachten dat de Heere aan deze stam het land geeft dat aan hen is toegewezen? Juda zal optrekken. Zie, Ik heb het land in zijn hand gegeven (vers 2).

Geweld
Een van de thema’s die het voor christenen lastig maakt om de boodschap van Richteren op te pikken is het geweld. In dit hoofdstuk is het ook nog eens geweld in opdracht van de Heere. Hoe moet je daar als christenen tegenaan kijken? Hadden de Puriteinen gelijk, die met Richteren in de hand de indianen uitmoorden, omdat ze zich het nieuwe Israël waanden en de kolonie in Amerika als het door God aan hen Beloofde Land? Nee, Richteren wil juist het tegenovergestelde zeggen: voorzichtig met geweld. Wie geweld gebruikt, gaat snel grenzen over. Dat gebeurt ook in de strijd van Juda tegen Adonibezek. Moet er wel geweld gebruikt worden om het land te veroveren? Was het niet genoeg om te weten dat God het land  zal geven? Zal geven op Zijn manier? Als David op Goliath afloopt, zegt hij: En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost. (1 Samuël 17:47a) God is bij machte om zonder geweld te winnen. Ook in het verhaal van Gideon wint verdrijft het volk de vijand zonder al te veel geweld te gebruiken.

Kanaänieten
Het is goed om te beseffen wie de Kanaänieten zijn. Als het volk de opdracht krijgt om de Kanaänieten te verdrijven uit het land gaat het niet om een idee dat de inwoners in dat land minderwaardig zijn. Het is vergelijkbaar met het Babylon waaruit Abram wegtrekt. Of met de farao uit Egypte die de Hebreeën op een gewelddadige manier knecht. De Kanaänieten staan voor een gewelddadig systeem, een harde, wrede, egoïstische levensstijl zonder respect voor de tegenstander. God haat de Kanaänieten niet omdat ze andere mensen zijn dan de Israëlieten. Want de Kenieten (vers 11-16) worden opgenomen in het volk Israël. Bovendien is God ook de Schepper van die mensen. Nee, Adonibezek laat zien welke stijl er in Kanaän gebruikelijk is.

Ban
Er is nog een andere reden, waarom Israël alle inwoners moet doden. Het land is aan de Heere gewijd. Alles wat er voor de intocht in Kanaän aanwezig is, is voor de Heere. Door mensen te sparen, kan Israël de Kanaänieten gebruiken voor eigen gewin. Bovendien loopt het volk Israël het risico om de levensstijl van Kanaän over te nemen.  (Ik besef dat het niet alle vragen over het geweld beantwoordt, omdat wij tegenwoordig geneigd zijn om naar de individuele mensen te kijken, omdat veel geweld in de afgelopen gewelddadige eeuw werd veroorzaakt door het kijken naar bevolkingsgroepen in plaats van de individuele mens te zien.)

Adonibezek
Adonibezek, heer van Bezek, laat zien wat er in Kanaän gebruikelijk was: overwonnen koningen werden verminkt. Duimen en tenen werden afgehakt. Door deze verminking waren de overwonnen koningen niet meer in staat om naar de wapens te grijpen of te marcheren als soldaten. Zonder duim konden ze geen zwaard of speer hanteren. Zonder de grote teen konden ze geen rechte lijn meer lopen. De koningen krijgen niet meer te eten dan de kruimels die van de tafel vallen: ze worden als honden behandeld. Als uitschot. Deze koning wordt bij Bezek verslagen, de plaats waar later Saul zijn soldaten voor het eerst verzameld om op te trekken. Vanaf Bezek gaan ze de Ammonieten verslaan.

Straf van God?
Als Adonibezek zelf gevangen genomen wordt en verminkt wordt op de manier waarop hij anderen verminkte, ervaart hij dat als straf van God. (Of van de goden, zo kun je het ook vertalen.) Zijn gedachte lijkt te passen bij het oog om oog, tand om tand: wat je de ander aandoet, mag jou worden aangedaan worden. Het lijkt te passen bij hoe het Oude Testament denkt over de gevolgen van een slechte daad: wanneer je een slechte daad verricht, komen de gevolgen als een boemerang naar je toe. Je draagt zelf de consequenties van een slechte daad.
Al het gegeven dat Adonibezek dat pas beseft nadat het hem zelf is overkomen, doet de vraag rijzen of hij gelijk heeft met zijn conclusie. (Zijn geweten sprak blijkbaar niet eerder, niet eerder leek hij te beseffen dat ook hij aan God verantwoording schuldig is voor zijn daden, alsof hij als koning boven Gods wetten stond.) Adonibezek, die als enige gespaard blijft, terwijl er 10.000 soldaten (dit aantal kan ook voor het totaal zijn: alle soldaten) zijn gesneuveld, lijkt op Agag die door Saul wordt gespaard. Daarmee overtreden de Judeeërs de gedachte van de ban: iedereen moet worden gedood.

Trofee
Bovendien wordt Adonibezek op deze manier een trofee. De overwonnen koning wordt geshowd. Bij het showen van een overwonnen koning kan al snel de gedachte opkomen: dat hebben wij zelf toch maar mooi voor elkaar gekregen. De overwonnen koning tonen kan snel leiden tot een op de borst kloppen. Een op de borst kloppen is niet ver verwijderd van een vergeten dat God de overwinning heeft geschonken.

Kanaänitische stijl
Nog problematischer is dat de Judeeërs een grote fout begaan met de behandeling van Adonibezek. Ze doen wat Adonibezek altijd zelf deed. Boontje komt om zijn loontje, zouden we kunnen zeggen. Richteren oordeelt anders: de Judeeërs nemen de levensstijl van de Kanaänieten over: de krijgsgevangen op een wrede, onmenselijke manier behandelen, hen verminken, hen minder dan een mens maken. Nog maar net in het land of ze handelen niet meer als volk van God, maar kopiëren het gedrag van de volken die ze aantreffen in het land. Niet de torah van de Heere, maar wat ze aantreffen in het land geeft het voorbeeld. Richteren laat zien: steeds weer begaat het volk Israël de fout om als de Kanaänieten te worden. God is een God van recht en leven. In de omgang met Adonibezek vervallen de Judeeërs in een ver-baä-isering en ver-kanaän-isering van hun levensstijl. Niet de Kanaänieten zijn het probleem, maar de gevoeligheid van Israël voor deze wrede, inhumane stijl van met elkaar omgaan. Richteren houdt ook christenen een spiegel voor: niet elk middel heiligt een doel. In hoeverre kunnen wij niet een Kanaänitische omgangsvorm hebben met degenen die anders denken binnen of buiten de kerk?

 

Achsa
Tot slot: Achsa. Wat is de reden dat dit verhaal is opgenomen in Richteren? Met andere woorden: wat is de boodschap? Othniël is de zoon van Kenaz. Kenaz is mogelijk de stamvader van de Kenieten, een stam die het volk onderweg tegenkomt en zich aansluit bij Israël omdat zij geloven in de God van Israël en Zijn weg willen gaan. Integratie in Gods volk voor mensen van buitenaf is blijkbaar mogelijk. Het bijzondere van Achsa is dat zij vraagt om een zegen. Een zegen is een geschenk van God. Ze vraagt niet om water of bronnen. Ze geeft aan dat ze afhankelijk wil zijn van Gods zegen. Aan Gods zegen is alles gelegen. Daarmee is zij een voorbeeld van een niet-Israëlitische die de weg van God wel gaat. Ze houdt Israël een spiegel voor: de weg van God is wel degelijk te bewandelen. In een donkere tijd mag zij het licht van God verspreiden.

 

Vragen bij Richteren 1:1-15

Vragen bij Richteren 1:1-15

 

  1. Wie kent er iemand die goed verhalen kan vertellen? Hoe doet hij/zij dat? En waarom?
    => Uitleg over de speciale manier waarop Richteren vertelt.
  2. Na de dood van Jozua komt er een nieuw tijdperk. Wanneer hebt u een wisseling van tijdperken meegemaakt?
  3. Na de dood van Jozua vragen de Israëlieten de Heere om raad. In welke situaties hebt u de Heere om raad gevraagd? Op welke manier gaf Hij antwoord?
  4. Het Bijbelboek Richteren is/lijkt een boek vol geweld. Hier in hoofdstuk 1 in opdracht van de Heere. Wat moeten wij als christenen van denken?
  5. Adonibezek is een gewelddadige koning. Als hem de vingers en tenen worden afgehakt, ziet hij dat als straf van God. Is dat terecht?
  6. In het Bijbelboek Richteren nemen de Israëlieten steeds weer de levensstijl van de Kanaänieten over. Hoe zien we dat in dit gedeelte? Op welke manier lopen wij het risico de ‘Kanaänitische levensstijl’ over te nemen? Hoe zouden we dat kunnen voorkomen?
  7. Waarom staat het verhaal van Otniël en Achsa in de Bijbel? Met andere woorden: Wat is de boodschap van deze anekdote?

Preek 17 december 2017

Preek 17 december 2017
Preek jongerendienst. Thema: Wat trek jij aan met Kerst?
N.a.v. Romeinen 13:8-14
24232378_1724355950931116_7173329242606294367_nVanmiddag komt mijn broer met zijn vrouw
om hier bij ons het kerstdiner te gebruiken.
Ik ben de hele week al bezig met nadenken:
Wat doen we met dit kerstdiner? Wat zetten we op tafel?
Want ja, mijn broer heeft stijl.
Misschien komt dat wel door zijn vrouw…
En weet je hoe hij er altijd uitziet?
Het is altijd, ja hoe zal ik het zeggen: verrassend,
een soort sjiek, maar dan ook weer een soort losjes.
Als hij komt, dan kijk ik toch altijd naar zijn kleren
en dan heb ik het idee dat ik zelf er maar gewoontjes bijloop, wat ik ook aantrek.
Daarom ben ik er al een paar dagen mee bezig, wat ik aantrek.

[voorbeelden: colberts/gilet & pyjama]

Hebben jullie dat ook, dat je al heel lang van tevoren
erover nadenkt wat je zult aantrekken?

Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Er een kerstboom uit ons tuintje
in de kamer werd gezet.

Ach nee, bij ons werd er nooit een kerstboom in de tuin gezet,
dat was heidens.
Wat we wel eens deden: na nieuwjaar kerstbomen bij ons in de tuin zetten.
Hadden we toch een kerstboom.
En een kerstdiner hadden we ook niet,
want we moesten veel naar de kerk:
Op Eerste Kerstdag 2x
en op Tweede Kerstdag hadden we ‘s morgens een gewone kerkdienst
en ‘s middags een lange kerstviering van de zondagsschool in de kerk.
Daarom aten we altijd heel eenvoudig met kerst.
Heel af en toe hebben we met Kerst gegourmet,
als ik de foto’s mag geloven
maar ik kan me het niet meer herinneren.

En toch, weet je: de kerstvieringen vond ik altijd bijzonder.
Ook de kerstviering op school:
‘s avonds laat nog naar school (zo voelde het), de zondagse kleren aan.
in het donker op school, kaarsen aan, de kerstliederen,
de sfeer, de vertelling uit de Bijbel, het kerstverhaal.
Heb jij ook een mooie herinnering aan de kerstvieringen?
Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Weet je, voor mij hebben die kerstvieringen mij geholpen, denk ik zo,
om als kind te geloven in dat Kind dat kwam,
Gods eigen Zoon in de kribbe,
Dat Hij kwam voor mij.

Daarom is het voor mij een feest dat veel betekent, ik hoop voor jullie ook.
Maar ja, nu komt mijn broer met kerst
en ik ben nu veel meer bezig met hoe het in de kamer er uit moet zien, hoe de sfeer is,
Wat er op tafel moet staan, wat ik aantrek.
Kun jij ook zo er mee bezig zijn hoe anderen over je denken?
Hoe zij het bij jou vinden om bij jou in huis te zijn?

Ik ben daar haast meer mee bezig dan waarom ze komen
en waarom we feestvieren,
Waarom het gezellig is:
Omdat er een Kind geboren is, niet zomaar een Kind, de Redder.
Hij kwam in een wereld, die helemaal niet zo gezellig was,
in een stal, omdat niemand zijn ouders een plekje in huis wilde geven, nergens welkom.
De Redder – en nergens welkom!
Kun jij dat voorstellen, dat je nergens welkom bent
en dat je maar in een schuur geboren wordt
en neergelegd wordt in een kist waar eerst dierenvoer in zat?
Kun je je voorstellen dat je ouders nadat je geboren bent
snel hun spullen moeten pakken
en op de vlucht moeten naar een ander land,
omdat je anders gedood wordt?
Wat kunnen wij ons dan druk maken over wat we moeten aantrekken!
Is Hij bij jou wel welkom?
In jouw hart, in jouw leven?

Er komt een dag, waarop Jezus terugkomt, het Kind van Bethlehem.
Hij komt dan niet terug als kind, maar als Koning.
Ben jij daarop voorbereid?
Want je kunt je wel, net als ik, op een feestje met elkaar voorbereiden,
maar uiteindelijk gaat het erom, dat we deze Koning kunnen ontmoeten.
Dat betekent niet, dat je elk moment aan Hem moet denken,
maar wel dat als Hij komt, dat je dan niet verrast bent,
maar juist blij bent: Heere Jezus, mijn HEER, U bent gekomen!
Ik heb er naar uitgekeken!

Weet je, zegt Paulus, die dag komt snel dichterbij.
Nu is het nog donker op deze wereld, niet gezellig donker,
maar duister, verkeerd en dreigend.
Mensen die alleen maar denken aan zichzelf
en dat zij het maar goed hebben en een ander laten stikken.
Die van anderen kunnen stelen – ik kan me dat niet voorstellen
wat daar aan is, dat je van een ander steelt.
Die vriendschappen of relaties kapot maken, omdat ze alleen maar met zichzelf bezig zijn en hoe zij gelukkig kunnen worden,
ook al is dat ten koste van anderen.
Ze kunnen zich soms heel mooi voordoen, mooi aankleden,
de duurste kleren kopen
en indruk maken met hoe ze voor de dag komen
en toch is het leeg in hun leven, hebben ze niets en zijn ze niets.

Weet je wanneer je pas iets bent en iets hebt?
Als je gelooft in Jezus, als je Hem toegelaten hebt.
Weet je wat je er gebeurt als je gaat geloven?
Dan wordt het weer licht in je leven, dan wordt het dag,
het licht gaat schijnen in je leven en over je leven.
Net zoals toen de engel bij de herders kwam.
Het is dan niet meer donker, niet meer duister.
Je mag opstaan, een nieuw leven krijgen.

Er kunnen van die dagen zijn, waarop je moeilijk kunt opstaan.
Misschien heb je dat juist wel in deze dagen als het donker is en koud.
Je weet niet wat je aan moet trekken
en daarom ga je eerst maar eens naar beneden om te ontbijten
om als je wakker bent dan te kijken wat je aandoet.
Ook al is het donker, dan is er toch al een nieuwe dag begonnen.

Zo legt Paulus uit hoe het voor ons om uit te kijken naar de Wederkomst.
Het lijkt nog donker om je heen:
Je ziet zoveel mensen die niet geloven in Christus,
er niet mee bezig zijn dat er er een God is,
of er niet voor hen zelf mee bezig zijn.
Misschien jijzelf ook nog niet.
Dan slaap je nog, terwijl het al dag geworden is!
De dag is al begonnen zegt Paulus, want Jezus is al geboren,
Hij is al gestorven en jij mag geloven dat Hij ook voor jou gekomen is.
Maar dan moet je ook opstaan
en je pyjama uitdoen,
want in het echt ga je ook niet met je pyjama aan naar school,
naar de kerk, naar vrienden, naar de winkel.
Je trekt kleren aan, op een gewone dag misschien gewone kleren
en op een speciale dag speciale kleren
waar je al lang over nagedacht hebt.

Als je gelooft, heb je een nieuw leven, ben je aan de dag begonnen,
je slaapt niet meer, maar je bent wakker geworden.
Daar horen nieuwe kleren bij: Bekleed je met de Heere Jezus Christus.
Trek Christus aan, zoals je elke morgen aankleedt.

Hoe doe je dat dan?
Dat is allereerst: geloven. Geloven dat Jezus ook jouw Heer wil zijn.
Dat je zegt: Wilt U ook in mijn hart komen?
Heb je dat al eens gedaan?
Maar ook: dat je als christen leeft.
Dat je in wat je doet bewust bent: Ik hoor nu bij Christus.
Dat is ook wat anderen aan mij zien.
Liefde en bewogenheid, de liefde en bewogenheid van Christus.
Je doet een aantal dingen niet meer, omdat ze niet bij Christus horen.
Alles wat niet bij Christus past, dat doe je uit, zoals je je pyjama uitdoet.
Daarmee kun je Christus niet onder ogen komen
als Hij terugkomt.
Wat moet je dan uitdoen? Wat kan niet meer?
Teveel eten, vreten – want dan denk je alleen aan jezelf
en is je buik je god waarvoor je knielt.
Niet teveel drinken en niet dronken worden.
Niet steeds aan seks denken of porno kijken.
Geen ruzie meer maken
of ook niet ervoor zorgen dat twee anderen ruzie met elkaar krijgen.
Niet jaloers meer zijn.
Daarmee kun je niet voor Christus komen als Hij komt.
Alleen als je Hem aangetrokken hebt,
als je gelooft, als Hij in je hart leeft en ook als je leeft uit Hem.

Dat kan best moeite kosten – dat kost strijdt.
de werken van de duisternis afleggen
en de wapens van het licht aandoen
[Geestelijke wapenrusting: met Kerst uniform aandoen!]
Maar het is de moeite waard! Neem dat maar van mij aan.
En je bent goed voorbereid voor als Jezus terugkomt.

Dus … wat trek je aan met Kerst?
Dat mag van alles zijn. Zelfs je pyjama.
Als je maar de Heere Jezus hebt aangedaan.
Als je opgestaan bent en leeft alsof het al dag is,
alsof het al de dag is dat Christus is teruggekomen.
Dat als Hij komt je niet schrikt,
maar zegt: Welkom HEER. Ik had U al verwacht. Amen

Preek zondag 5 november 2017 – kinderdienst

Preek zondag 5 november 2017 – kinderdienst
Schriftlezing: Mattheüs 5:13-16 / Mattheüs 21:28-32.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is tussen de middag en Thessa zit samen met haar moeder en broertje aan tafel.
Na het eten zegt haar moeder: ‘Thessa, ruim jij de tafel af?’
Thessa zucht: ‘Waarom moet ik altijd helpen?’
Ze gaat gauw naar de wc en als ze klaar is gaat ze gauw even naar haar kamer
om zogenaamd iets voor school te pakken.
Dan gaat ze naar beneden en trekt ze haar jas aan.
‘Mam,’ roept ze, ‘het is tijd. Ik ga. Doei!’
En in de kamer staat de tafel nog steeds gedekt. Thessa heeft niet opgeruimd.

Uit school gaat Thessa naar een vriendinnetje, Lisa.
Tegen etenstijd krijgt de moeder van Thessa de vraag
of Thessa mag blijven eten bij Lisa. Het mag.
Na het eten wordt Thessa thuisgebracht.
De moeder van Lisa is enthousiast:
Tegen de moeder van Thessa zegt ze:
‘Je hebt een leuke dochter en ze is zo behulpzaam!
Na het eten heeft ze geholpen met tafel afruimen en de keuken opruimen!
Nou, als ik iets aan Lisa vraag, dan voert ze niets uit.
Nu met Thessa erbij hielp ze mee. Thessa was een goede hulp!
Je hebt je dochter een goede opvoeding gegeven!’

Wat moet de moeder van Thessa nu:
Moet ze boos zijn omdat ze thuis niet hielp
of moet ze blij zijn dat Thessa bij een ander wel geholpen heeft?
Want Thessa heeft door te helpen wel voor een goede naam gezorgd.

Zo moeten jullie ook een stralend licht zijn voor de mensen.
Als Thessa door te helpen bij Lisa ervoor zorgt
dat de moeder van Lisa positief is over de opvoeding van Thessa,
dan laat ze iets zien, dat ze iets van haar moeder heeft geleerd
en dat wat haar moeder belangrijk vindt ook in praktijk brengt.
Dat is hoe wij hebben te leven als we geloven in de Heere Jezus,
als we de Heere Jezus kennen en van Hem houden en bij Hem willen horen.
Dan kunnen wij iets van de Heere Jezus laten zien.
Dan kunnen wij, dan kunnen jullie iets van de Heere Jezus uitstralen,
een licht in de wereld.
En zo’n licht zijn, de Heere Jezus laten zien aan andere mensen,
kan door wat je doet, wat je moet doen van de Heere Jezus.

Als je ruzie hebt bijvoorbeeld met iemand
en je gaat naar de kerk om de Heere God te danken
en Hem iets te geven omdat je dankbaar bent,
dan moet je naar huis gaan, voordat je iets geeft
en het goedmaken met die persoon met wie je ruzie hebt.

Of je kunt je heel erg boos maken om iemand die een moord heeft gepleegd.
Daarover zegt de Heere Jezus: Dat is ook heel erg verschrikkelijk.
Mijn Vader in de hemel heeft dat niet voor niets verboden.
Maar als je op iemand kwaad bent, is dat niet minder erg.
Een ander ziet dat niet, aan de buitenkant kun je heel erg aardig doen.
Maar van binnen kun je allerlei lelijke gedachten hebben over degene
op wie je kwaad bent, of zelfs allerlei verschrikkelijke dingen doen in je gedachten.

Of als je ruzie hebt en het loopt op vechten uit
en iemand slaat je in je gezicht, dan moet je niet terugslaan
maar je moet je hoofd omdraaien, want dan kan die ander je nog een keer slaan.
Je hebt mensen aan wie je een hekel hebt
of mensen die aan jou een hekel hebben.
Die jou steeds pesten, die zich naar gedragen.
Je moet van die mensen houden, zegt de Heere Jezus
en zelfs voor hen bidden. Bijvoorbeeld of de Heere hen anders wil maken
en ervoor wilt zorgen dat ze zich wel aardig gedragen.
Want dan doe je net als de Heere God.
De Heere God maakt ook geen verschil tussen mensen die goed leven
en mensen die slecht leven.
Als het regent, dan regent het ook voor slechte mensen
en als de zon schijnt, kunnen ook mensen die slecht leven van de zon genieten.
Als er koren is, kunnen slechte mensen eten krijgen
en als er vrede is, hebben ook mensen die slecht leven vrede.
God is goed voor iedereen, voor iemand die goed leeft én voor iemand die slecht leeft.

Dat is niet makkelijk: van iemand houden die je steeds dwarszit
en voor iemand bidden die je pijn doet of pest.
Het is niet makkelijk om eerst je boosheid kwijt te zijn of eerst iets goed te maken
voordat je de Heere God dankt.
Geen wonder dat er mensen zijn, die net als Thessa zeggen: Ik heb er geen zin in.
Net als die leerling die zijn huiswerk niet wil maken.
Het kost teveel moeite. Ik moet er teveel voor doen
en dan kan ik ondertussen veel leukere dingen doen.

Het is ook niet makkelijk om zo te leven.
Dat weet de Heere Jezus ook.
Daarom vertelt Hij een verhaal over twee zonen.
De ene zoon krijgt een opdracht. Hij zegt “Ja!” maar uiteindelijk doet hij het niet.
Een andere zoon krijgt ook de opdracht.
Deze zegt eerst “Nee!” maar doet het toch.
Wie is er dan het meest gehoorzaam?
Dat is toch degene die het uiteindelijk wel doet,
ook al zegt hij eerst nee?

Als je het doet, als je doet wat de Heere Jezus van je vraagt,
Dan ben je een licht, dan schijnt je licht voor alle mensen.
Als de Heere Jezus over licht spreekt, dan is dat niet zomaar een woord,
maar het licht hoort bij God. God is licht, staat er in de Bijbel.
En de Heere Jezus heeft eens gezegd: Ik ben het licht van de wereld.
In het begin van de Bijbel, bij de schepping, lezen we dat God als eerste licht maakt.
Nadat Hij de hemel en de aarde heeft geschapen,
wil Hij dat er allereerst licht is.
Op de aarde mag geen donker zijn, geen duisternis.
Geen nare dingen als ziekte of pijn, of liegen en iemand bedriegen,
geen mensen die slecht zijn of verkeerde dingen doen.
Alles is goed, helemaal vol van het licht van God.
Duisternis mocht er niet zijn.
Maar die is er wel gekomen, jullie weten dat vast wel
en je kunt dat ook merken, om je heen, bij anderen uit de klas, of in de straat,
zelfs bij je vrienden of vriendinnen, zelfs in je eigen familie
en ook bij jezelf, in je eigen hart.
Dat wij als mensen allemaal in staat zijn om slechte dingen te doen:
Soms liegen we als dat beter uitkomt, soms zijn we lui als we geen zin hebben,
soms ongehoorzaam, of soms zijn we zomaar gemeen tegen iemand,
soms vertellen we zomaar iets door over een ander dat niet klopt
maar ja, het is zo’n leuk verhaal.

Dan zegt de Heere Jezus: je moet anders leven.
Je moet daar niet aan mee doen: niet aan pesten, niet aan liegen,
niet aan gemene dingen doen of verhalen over anderen vertellen die niet kloppen.
Als je zo leeft, ben je een licht.
Als heel veel mensen om je heen, misschien wel allemaal, iets verkeerd doen
of iets slechts in zich hebben, of iets gemeen doen, dan ben jij anders.
In een wereld die donker is, omdat er zoveel slechtheid of oneerlijkheid is,
ben jij anders en daarom straal je iets uit: het licht van God.
De mensen om je heen zien iets aan je,
namelijk dat er een God is en ze gaan over God nadenken,
omdat ze aan jou merken, dat er een God is, die voor deze wereld zorgt.
Het geeft gevolg – net zoals de leerlingen voor een huiswerk leren,
er iets voor doen er een beter cijfer mee krijgen,
zo heeft het ook gevolg wat we doen, wat we in naam van de Heere Jezus doen.
Niet dat andere mensen over ons gaan praten
en ons zo bijzonder vinden, maar ze gaan nadenken over God
En ze gaan nadenken of ze zelf ook niet aan de Heere moeten denken, moeten geloven
en of zij zelf ook niet anders moeten gaan leven.
Wees een stralend licht – straal iets van God uit, door wat je doet.
Dat doe je allereerst voor God, en ook voor de mensen om je heen.
Nogmaals, het is niet makkelijk.
Het is niet makkelijk om niet mee te doen, als de hele klas wel meedoet,
als er kinderen uit je klas ruziezoeken met kinderen van een andere school.
Of als iedereen uit de klas wel meedoet met pesten
en je durft niet te stoppen, omdat je bang bent voor wat de anderen dan met jou doen.
De Heere Jezus zegt er ook niet bij dat het makkelijk is,
maar wel dat je het niet voor jezelf doet,
of dat je het doet om er zelf beter van te worden.
Je doet het voor God, om Hem te dienen.

Je mag ook weten dat de Heere God ziet, als je niet meedoet terwijl anderen dat wel doen.
Je mag ook weten, dat de Heere ziet wat het je kost,
dat het je niet gemakkelijk afgaat.
Hier op aarde heb je het dan misschien niet makkelijk,
maar er komt ook een ander leven, als ons leven op aarde voorbij is.
Dan is er het echte geluk.
Het echte geluk is dan voor jou, als je weet dat je God nodig hebt.
Of zoals het ook gezegd kan worden: Zalig de armen van Geest.
Want dan mag je bij God in Zijn koninkrijk komen.
Het echte geluk is voor wie verdriet heeft, want God zal je troosten.
Het echte geluk is voor jou als je vriendelijk bent, als je doet wat God wil
en als je vindt dat wat God wil het allerbelangrijkste is, dan zal God je moeite belonen.
Voor mensen die eerlijk zijn, die vrede sluiten, die lijden omdat ze doen wat God wil.
Je hoort bij de Heere en daarom wil je zo leven.
Dan wordt het misschien niet door de mensen om je heen gezien.
Maar God ziet het wel en Hij vergeet het niet. Je doet het niet voor niets.

Wees een stralend licht – misschien wel tussen allerlei mensen, die geen licht laten zien.
Mensen van de kerk, mensen hier in het dorp, kinderen uit je eigen klas.
Je kunt niet zeggen: ja maar iedereen deed mee,
Of niemand deed wat U vroeg. Iedereen deed als Thessa of als die ene leerling,
als die oudste zoon die zei ik doe het, maar het uiteindelijk toch niet deed.

Als je bij een voetbalclub hoort, heb je een tenue die je aan hebt met wedstrijden.
Als je bij die club hoort, ben je er trots op dat je dit tenue mag dragen.
Misschien draag je dat ook wel eens doordeweeks.
Maar als je bij een voetbalclub hoort, heb je nog meer, heb je regels.
Ik kom wel eens bij voetbalclubs en dan zie je bij de ingang of bij de kantine altijd regels:
Dat je respect hebt voor je medespelers én voor je tegenstander én voor de scheids.
Dat je niet scheldt en vloekt, dat je sportief bent
en dat je niet steeds je tegenstander expres hard onderuit schopt.
Soms hangt er ook iets over hoe ouders zich langs de lijn hebben te gedragen.
Eigenlijk zijn die regels bij elke voetbalclub hetzelfde:
Of je nu bij Owios zit of bij VSCO, bij CSV of Westerholte, DOS of Go Ahead.
Maar dat zijn regels aan de muur, regels op papier.
Het gaat er om wat er op het voetbalveld mee gebeurt:
Wat je als team doet, wat de ouders bij de wedstrijd doet, of een scheids eerlijk is.
zo is het ook met de woorden van de Heere Jezus:
Je moet ze doen, je moet ze opvolgen, gehoorzamen,
want anders straal je geen licht uit
En zeggen de mensen: hoort hij nu bij God? Ik merk er anders niets van.

Het gaat niet altijd fout.
Toen ik bij een supermarkt begon te werken, zei iemand van die supermarkt:
We nemen graag jongelui aan die bij de kerk horen,
want die zijn vaak eerlijk en betrouwbaar, die zijn bereid om hard te werken.
Die kun je goed in een winkel hebben.
Dan laat je een lichtstraal zien.
De Heere Jezus zegt erbij: Het kan ook veranderen.
Je kunt een lamp ook ergens onder zetten. Onder je bed, of onder een emmer.
Dan is er wel licht, maar je hebt er niets aan.
Dat kan eigenlijk niet, net zoals zout zijn smaak verliest.
Daar heb je niets meer aan, dat gooi je weg.
Zout werd in die tijd gebruikt om eten te bewaren (ze hadden geen koelkasten)
maar ook om de grond vruchtbaar te maken.
Eigenlijk kan het niet, dat zout niet meer zout is.
Ja, in die tijd was zout vaak vermengd met zand, of gruis van de rotsen.
Echt zuiver zout had je vaak niet.
Je leeft als christen ook tussen mensen die niet goed leven,
en dat kunnen ook gelovigen zijn. Het kan eigenlijk niet, maar het gebeurt wel.
Daar wil de Heere Jezus voor waarschuwen.
Wees een stralend licht – het is ook een waarschuwing.
Stop dat licht niet weg.
Dat doe je als je wel meedoet met pesten, wel kwaad blijft en het niet wil goed maken.
Overigens – soms zijn er redenen waarom je wel kwaad mag blijven.
Als iemand pijn gedaan is, of als het oneerlijk aan toegaat.
En toch … juist dan kun je een stralend licht zijn, omdat je weet: God heeft het gezien,
dat het niet eerlijk aan toeging – ik geef het maar aan God,
Hij moet er dan voor zorgen en nu hier op deze aarde,
of later als Hij terugkomt het goed maken.

Nog één ding: de goede dingen die je doet, zullen ervoor zorgen,
dat de mensen om je heen de hemelse Vader eren.
Hemelse Vader- die naam van God die kennen we, die kennen jullie
namelijk: uit het gebed: Onze Vader die in de hemelen zijt, trouwe Vader in de hemel.
Op een goede manier leven, eerlijk zijn, trouw, vriendelijk – en bidden
het hoort bij elkaar.
Je kunt niet oneerlijk zijn, gemeen, slecht – en bidden.
Dat kan wel, maar toch past dat niet. Dan moet je eerst je hart veranderen,
laten veranderen door de Heilige Geest, die ons nieuw wil maken.
Maar ook omgekeerd, als je bidt dan kun je niet zeggen:
nu zit mijn taak erop, ik hoef niets meer te doen.
Ja, soms kun je er niets meer aan doen.
Maar bidden maakt niet lui. Bidden en doen – dat hoort bij elkaar.
Bidden betekent ook, dat je God steeds om kracht vraagt:
Help mij om een stralend licht te zijn,
laat mij een zegen zijn.
Bidden betekent dat je aan de Heere vraagt om vergeving
als je geen licht was, niet durfde te zijn, niet wilde te zijn:
Wilt U mij vergeven en help mij om toch weer een licht te zijn.
Wilt U mij weer gebruiken om iets van uw licht uit te stralen?
Bidden betekent ook vragen om wijsheid, of God wil uitleggen, duidelijk maken
op welke manier jij als een licht kunt stralen, zodat de mensen om je heen zien:
Er is een God, dat zien we aan hem, aan haar.
Bidden betekent: dat je tegen God zegt:
Er komt een nieuwe wereld, waarop alles weer licht zal zijn.
Al het donker van zonde, van verkeerde dingen, van ziekte en pijn,
van oneerlijkheid en slechtheid, geen oorlog of geweld – het zal er niet meer zijn
en iedereen die van de Heere Jezus houdt en bij Hem hoort
mag daar zijn in het land van alleen maar licht, het land van Hem, bij God in de hemel.
Bidden betekent: dat je vraagt of God dat land, die wereld wilt laten komen
en dat je vraagt: Heere Jezus, wilt U komen met Uw koninkrijk, met dat land?
En tot die tijd zal het vaak donker zijn op deze wereld.
U hebt dat niet gewild.
En in die donkere wereld mogen wij een licht zijn, mogen wij stralen,
zodat de mensen weten: Er is een God in de hemel, die ons niet vergeten is.
Mogen ook wij Hem leren kennen?
Zodat de mensen weten: Er komt een andere tijd, waarop alles weer goed zal zijn:
de wereld en de mensen, zoals God heeft bedoeld.
amen