Preek zondag 8 april 2018

Preek zondag 8 april 2018
Kinderdienst. Thema: Groeien & bloeien
Schriftlezing: Johannes 15:1-8. Bijbel in Gewone Taal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De lente is weer begonnen.
De narcissen bloeien volop en de tulpen gaan beginnen
en de bomen beginnen al groene knoppen te krijgen.
Gisteren was het mooi weer:
Je merkte dat bij het voetballen, bij het spelen in de speeltuin, bij buitenspelen.
Als het mooi weer is, kunnen de bloemen gaan bloeien, de bomen weer groen worden.
Dan worden de lammeren geboren en kunnen de koeien naar buiten.
Dat alles groeit en bloeit, dat de lente gekomen is, dat jonge dieren geboren worden,
dat gebeurt niet zomaar, maar dat komt, omdat de Heere God dat laat groeien.
Een paar weken geleden was het nog heel koud.
Er bloeiden hooguit wat krokussen en misschien een eerste narcis.
De bomen waren nog kaal.
Dan kun je je afvragen: komt de lente nog wel?
Ja, natuurlijk komt de lente, want die komt elk jaar
Het lijkt zo gewoon, dat het weer lente wordt,
dat alles weer groen wordt, dat de bloemen gaan bloeien, dat er jonge dieren komen,
maar het is de zorg van God voor de aarde.
Hij heeft de wereld geschapen en Hij zorgt ervoor dat er weer een nieuw seizoen komt.

Vorige week hebben we Pasen gevierd.
Pasen lijkt op de lente: er is weer nieuw leven, omdat Christus opstond uit de dood.
Alleen het verschil is, dat we de lente heel gewoon vinden.
Dat hoort elk jaar zo te zijn
en het verschil is ook dat na de lente de zomer en de herfst komen en alles weer dood gaat.
Maar het nieuwe leven, de lente die Christus bracht
door op te staan uit de dood
gaat nooit voorbij.

Het bijzondere is dat wij dat nieuwe leven ook kunnen krijgen,
dat er voor ons ook dat nieuwe leven kan komen,
waarvoor Christus stierf aan het kruis en opstond uit de dood.
Jezus zegt: Ik ben een stam en jullie zijn takken.
Takken die afgezaagd zijn, die kunnen niet lang meer leven.
Vorig jaar was een grote tak van een kastanjeboom afgezaagd
En daarna bleven de bladeren toch nog even doorgroeien,
maar uiteindelijk gingen de bladeren dood, omdat ze geen voedsel kregen.
Die voeding die ze nodig hebben, krijgt een tak alleen als hij aan de boom vastzit.
Zo kunnen wij alleen dat nieuwe leven krijgen als we aan de Heere Jezus verbonden zijn.

Daar gaat het dus om: ben jij verbonden met de Heere Jezus?
Net zoals een tak aan een boom vastzit.
Als dat zo is, dan kun je leven, dan kun je groeien, dan kunnen er vruchten aan je komen.
Maar als dat niet zo is, als je niet aan de Heere Jezus verbonden bent?
Wat gebeurt er dan?
Dan gebeurt hetzelfde met een tak die van een boom wordt afgehaald.
Die tak gaat dood en aan die tak kunnen er geen vruchten meer komen.
Dat die tak dood gaat, dat die tak geen vrucht kan dragen, ligt niet aan de boom.
Als jij niet aan de Heere Jezus verbonden bent, als een tak aan een boom,
ligt dat niet aan de Heere Jezus:
Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Dat is misschien een gekke vergelijking. Wie vergelijkt zich nu met een stam, een plant?
Nou, in het Oude Testament wordt het volk Israël vaak vergeleken met een druivenplant,
of met een wijngaard, een hele tuin vol druivenplanten.
Die tuin of die druivenplant is door God geplant,
Eerst uitgegraven in Egypte en opnieuw geplant in het land Kanaän.
Waarom deed God dat dan?
Omdat Hij voor Israël wilde zorgen, omdat de Heere wilde
Dat er vruchten aan Israël, de druivenplant, zouden komen: druiven om wijn van te maken.
Wijn om je dorst te lessen, wijn die je kunt drinken als je feest gaat vieren.
Alleen: Israël wilde geen vruchten laten zien. Israël; was niet zo geïnteresseerd in God.
Ondanks dat God zorgde, kozen ze ervoor andere goden te dienen.
Ondanks de zorg van God geen vruchten, geen druiven aan de plant.

En wat doe je met een plant die niets opbrengt?
Als de plant dood is, zaag je de plant om, of hak je de plant om
en gebruik je het hout van de plant om een vuur aan te steken.
Nu zegt de Heere Jezus over zichzelf: Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Ik ben de ware wijnstok: Ik zorg dat al die takken wel vruchtdragen,
dat die takken, als ze dood waren, weer nieuw leven krijgen
en toch doen waarvoor God ze geplant heeft: dat er vrucht, fruit aan komt.
Als je aan de Heere Jezus verbonden bent, dan ga je leven en dan komen er vruchten.
De Heere Jezus zei het tegen de discipelen, maar ook tegen ons:
Jullie zijn de takken en zorg dat je aan Mij vast zit en dat je niet meer losgaat.
Want als je los bent, als je nog niet vast zit, of als je losraakt, dan gaat het mis, goed mis!
Daar gaat het om – dat je verbonden bent met de Heere Jezus.

Hoe kun jij vastkomen aan de Heere Jezus?
Als je gaat geloven. Als je de woorden van de Heere Jezus hoort,
als je Hem hoort – en dat kan als je een Bijbelverhaal hoort, of een preek,
Als je je vader of je moeder, iemand van de clubleiding,
een juf op school hoort vertellen over Hem
en je weet, je merkt: dat is waar! Ik wil bij Hem horen, ik wil in Hem geloven.
Dan maakt de tuinman jou als tak vast aan de boom
en Jezus zegt: Mijn Vader, God zelf, is de tuinman.
Hij zorgt ervoor dat je aan de Heere Jezus vast komt te zitten, dat je aan Hem gaat groeien.
Als je gelooft, dan hoef je daar dus niet meer druk over te maken.
God doet het, je bent verbonden.
Het gaat er om of wij willen, of wij aan de Heere Jezus vast willen groeien.
God als tuinman en de Heere Jezus als de stam willen dat. En jij en u?
Als je dat wilt, dan kun je verder groeien.
Je hebt misschien wel ergens in huis een plek waar je een streepje zet
om aan te geven hoe hard je groeit.
Zo kun je ook in geloof groeien: door meer te weten, meer te geloven, meer vrucht.

Wat is nu die vrucht die aan ons kan groeien?
Wat zijn nu vruchten die aan je groeien als gelovige?
Dat je trouw blijft geloven, ook als het niet makkelijk is bijvoorbeeld.
Of dat je merkt dat je geen verkeerde dingen meer wilt doen,
omdat je weet dat je daardoor bij God weggaat, omdat daardoor je tak weer los gaat
en dan gaat het alsnog mis.
Een andere vrucht is liefde – ook voor iemand waar je eigenlijk niet van wilt houden,
maar je weet dat God alle mensen geschapen heeft
en wilt dat alle mensen aan de Heere Jezus verbonden zijn,
dan doe je je best ook van hen te houden.
Misschien heb je pas nog het verhaal gehoord van de Heere Jezus
die de voeten van de leerlingen waste. Hij zei: jullie moeten net zo doen.
Als je bij de Heere Jezus hoort, ga je groeien en bloeien.
Dan kunnen andere mensen dat zien.
Niet alleen maar door wat je zegt, maar door hoe je bent.
Ze zien dan dat in jou de Heere Jezus leeft. Dat noemt de Heere Jezus vrucht dragen.

Dat kan dus alleen als je bij Hem hoort. Als je gelooft.
Alleen dan stroomt het leven dat de Heere Jezus heeft
en dat Hij aan ons wil geven omdat Hij gestorven is en opgestaan
naar jou toe door.

Een boom geeft aan de takken sappen door, voeding.
Als je bij de Heere Jezus hoort, dan merk je ook dat er iets van Hem in jou komt.
Zijn woorden, die ga je doen
Maar ook het slechte waar je aan denkt en dat je doet, wilt doen,
dat wordt uit je gehaald.
Je wordt schoongemaakt van binnen. Gereinigd van de zonden. Door de Heere Jezus.

Er gebeurt nog iets. Dat gebeurt door de tuinman, door God dus die de tuinman is.
Er worden takken weggesnoeid.
Wij hebben om de tuin een coniferenhaag staan.
In die haag van coniferen zitten bepaalde gaten.
Daar hebben vorig jaar takken van andere struiken gezeten.
Zij hebben het zonlicht tegengehouden.
Er kan ook bij ons, bij jou iets zijn, dat het zonlicht van God tegenhoudt
en dat zonlicht is dan: Zijn liefde en genade, Zijn zorg.
Je kan dan niet groeien, en ook geen vrucht dragen.
Dan kun je denken aan een zonde, die groeit.
Of dan kun je denken aan onverschilligheid: je wilt niet geloven, geen zin in.
Of je denkt: geloven, dat komt later wel, als ik volwassen ben.
En dan komt de tuinman, God de Vader, die haalt dat weg.
Die haalt die zonde uit je weg. Die haalt die onverschilligheid uit te weg.
Die haalt de gedachte uit je weg, dat het later wel komt
en je beseft: ik moet nu gaan geloven.
Snoeien kan pijnlijk zijn, maar het is wel beter voor je:
Want dan ga je weer groeien en komen er nog meer vruchten aan je.
Het is pijnlijk, maar het is juist de zorg van God om je beter te maken.
Net als er een splinter in je voet of je hand.
Die kun je laten zitten, omdat het niet fijn is die er uit te halen en toch is dat beter.

Als je groeit en bloeit komt dat door de Heere Jezus,
Die zoals een boom aan de takken voeding doorgeeft aan jou Zijn liefde doorgeeft.
Als je niet groeit, als er geen vruchten zijn, dan ben je maar een kale tak,
een dode tak. Dan doe je niet waarom God je gemaakt heeft.
Hij kan je afknippen en weggooien en verbranden.
Eens zal God alle zonde wegdoen, alles wat niet bij Hem hoort wegdoen, voor altijd.
Maar het is Pasen geweest. Wat dood is, kan levend worden.
Wat dood is, kan door de Heere Jezus tot leven gewekt worden.
Als jij nog dood bent, is er hoop voor je.
Als je bij de Here Jezus gaat horen, ga je leven.
maar altijd bij Hem te blijven: altijd naar Zijn woorden luisteren.
Het is een waarschuwing om niet bij Hem weg te gaan.
Doe je dat, dan kun je veel mooie dingen laten zien: vruchten groeien er aan je!
En alle mensen zullen zeggen: Wat is God goed!
Ze zullen zeggen: We zien dat God werkt, dat God een tuinman is, die zorgt.
Dat willen wij ook. Wij willen ook bij de Heere Jezus horen.
Zo maken jullie de hemelse macht van Mijn Vader zichtbaar
Dan groei je en bloei je – tot eer van God.
Amen

Preek 17 december 2017

Preek 17 december 2017
Preek jongerendienst. Thema: Wat trek jij aan met Kerst?
N.a.v. Romeinen 13:8-14
24232378_1724355950931116_7173329242606294367_nVanmiddag komt mijn broer met zijn vrouw
om hier bij ons het kerstdiner te gebruiken.
Ik ben de hele week al bezig met nadenken:
Wat doen we met dit kerstdiner? Wat zetten we op tafel?
Want ja, mijn broer heeft stijl.
Misschien komt dat wel door zijn vrouw…
En weet je hoe hij er altijd uitziet?
Het is altijd, ja hoe zal ik het zeggen: verrassend,
een soort sjiek, maar dan ook weer een soort losjes.
Als hij komt, dan kijk ik toch altijd naar zijn kleren
en dan heb ik het idee dat ik zelf er maar gewoontjes bijloop, wat ik ook aantrek.
Daarom ben ik er al een paar dagen mee bezig, wat ik aantrek.

[voorbeelden: colberts/gilet & pyjama]

Hebben jullie dat ook, dat je al heel lang van tevoren
erover nadenkt wat je zult aantrekken?

Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Er een kerstboom uit ons tuintje
in de kamer werd gezet.

Ach nee, bij ons werd er nooit een kerstboom in de tuin gezet,
dat was heidens.
Wat we wel eens deden: na nieuwjaar kerstbomen bij ons in de tuin zetten.
Hadden we toch een kerstboom.
En een kerstdiner hadden we ook niet,
want we moesten veel naar de kerk:
Op Eerste Kerstdag 2x
en op Tweede Kerstdag hadden we ‘s morgens een gewone kerkdienst
en ‘s middags een lange kerstviering van de zondagsschool in de kerk.
Daarom aten we altijd heel eenvoudig met kerst.
Heel af en toe hebben we met Kerst gegourmet,
als ik de foto’s mag geloven
maar ik kan me het niet meer herinneren.

En toch, weet je: de kerstvieringen vond ik altijd bijzonder.
Ook de kerstviering op school:
‘s avonds laat nog naar school (zo voelde het), de zondagse kleren aan.
in het donker op school, kaarsen aan, de kerstliederen,
de sfeer, de vertelling uit de Bijbel, het kerstverhaal.
Heb jij ook een mooie herinnering aan de kerstvieringen?
Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Weet je, voor mij hebben die kerstvieringen mij geholpen, denk ik zo,
om als kind te geloven in dat Kind dat kwam,
Gods eigen Zoon in de kribbe,
Dat Hij kwam voor mij.

Daarom is het voor mij een feest dat veel betekent, ik hoop voor jullie ook.
Maar ja, nu komt mijn broer met kerst
en ik ben nu veel meer bezig met hoe het in de kamer er uit moet zien, hoe de sfeer is,
Wat er op tafel moet staan, wat ik aantrek.
Kun jij ook zo er mee bezig zijn hoe anderen over je denken?
Hoe zij het bij jou vinden om bij jou in huis te zijn?

Ik ben daar haast meer mee bezig dan waarom ze komen
en waarom we feestvieren,
Waarom het gezellig is:
Omdat er een Kind geboren is, niet zomaar een Kind, de Redder.
Hij kwam in een wereld, die helemaal niet zo gezellig was,
in een stal, omdat niemand zijn ouders een plekje in huis wilde geven, nergens welkom.
De Redder – en nergens welkom!
Kun jij dat voorstellen, dat je nergens welkom bent
en dat je maar in een schuur geboren wordt
en neergelegd wordt in een kist waar eerst dierenvoer in zat?
Kun je je voorstellen dat je ouders nadat je geboren bent
snel hun spullen moeten pakken
en op de vlucht moeten naar een ander land,
omdat je anders gedood wordt?
Wat kunnen wij ons dan druk maken over wat we moeten aantrekken!
Is Hij bij jou wel welkom?
In jouw hart, in jouw leven?

Er komt een dag, waarop Jezus terugkomt, het Kind van Bethlehem.
Hij komt dan niet terug als kind, maar als Koning.
Ben jij daarop voorbereid?
Want je kunt je wel, net als ik, op een feestje met elkaar voorbereiden,
maar uiteindelijk gaat het erom, dat we deze Koning kunnen ontmoeten.
Dat betekent niet, dat je elk moment aan Hem moet denken,
maar wel dat als Hij komt, dat je dan niet verrast bent,
maar juist blij bent: Heere Jezus, mijn HEER, U bent gekomen!
Ik heb er naar uitgekeken!

Weet je, zegt Paulus, die dag komt snel dichterbij.
Nu is het nog donker op deze wereld, niet gezellig donker,
maar duister, verkeerd en dreigend.
Mensen die alleen maar denken aan zichzelf
en dat zij het maar goed hebben en een ander laten stikken.
Die van anderen kunnen stelen – ik kan me dat niet voorstellen
wat daar aan is, dat je van een ander steelt.
Die vriendschappen of relaties kapot maken, omdat ze alleen maar met zichzelf bezig zijn en hoe zij gelukkig kunnen worden,
ook al is dat ten koste van anderen.
Ze kunnen zich soms heel mooi voordoen, mooi aankleden,
de duurste kleren kopen
en indruk maken met hoe ze voor de dag komen
en toch is het leeg in hun leven, hebben ze niets en zijn ze niets.

Weet je wanneer je pas iets bent en iets hebt?
Als je gelooft in Jezus, als je Hem toegelaten hebt.
Weet je wat je er gebeurt als je gaat geloven?
Dan wordt het weer licht in je leven, dan wordt het dag,
het licht gaat schijnen in je leven en over je leven.
Net zoals toen de engel bij de herders kwam.
Het is dan niet meer donker, niet meer duister.
Je mag opstaan, een nieuw leven krijgen.

Er kunnen van die dagen zijn, waarop je moeilijk kunt opstaan.
Misschien heb je dat juist wel in deze dagen als het donker is en koud.
Je weet niet wat je aan moet trekken
en daarom ga je eerst maar eens naar beneden om te ontbijten
om als je wakker bent dan te kijken wat je aandoet.
Ook al is het donker, dan is er toch al een nieuwe dag begonnen.

Zo legt Paulus uit hoe het voor ons om uit te kijken naar de Wederkomst.
Het lijkt nog donker om je heen:
Je ziet zoveel mensen die niet geloven in Christus,
er niet mee bezig zijn dat er er een God is,
of er niet voor hen zelf mee bezig zijn.
Misschien jijzelf ook nog niet.
Dan slaap je nog, terwijl het al dag geworden is!
De dag is al begonnen zegt Paulus, want Jezus is al geboren,
Hij is al gestorven en jij mag geloven dat Hij ook voor jou gekomen is.
Maar dan moet je ook opstaan
en je pyjama uitdoen,
want in het echt ga je ook niet met je pyjama aan naar school,
naar de kerk, naar vrienden, naar de winkel.
Je trekt kleren aan, op een gewone dag misschien gewone kleren
en op een speciale dag speciale kleren
waar je al lang over nagedacht hebt.

Als je gelooft, heb je een nieuw leven, ben je aan de dag begonnen,
je slaapt niet meer, maar je bent wakker geworden.
Daar horen nieuwe kleren bij: Bekleed je met de Heere Jezus Christus.
Trek Christus aan, zoals je elke morgen aankleedt.

Hoe doe je dat dan?
Dat is allereerst: geloven. Geloven dat Jezus ook jouw Heer wil zijn.
Dat je zegt: Wilt U ook in mijn hart komen?
Heb je dat al eens gedaan?
Maar ook: dat je als christen leeft.
Dat je in wat je doet bewust bent: Ik hoor nu bij Christus.
Dat is ook wat anderen aan mij zien.
Liefde en bewogenheid, de liefde en bewogenheid van Christus.
Je doet een aantal dingen niet meer, omdat ze niet bij Christus horen.
Alles wat niet bij Christus past, dat doe je uit, zoals je je pyjama uitdoet.
Daarmee kun je Christus niet onder ogen komen
als Hij terugkomt.
Wat moet je dan uitdoen? Wat kan niet meer?
Teveel eten, vreten – want dan denk je alleen aan jezelf
en is je buik je god waarvoor je knielt.
Niet teveel drinken en niet dronken worden.
Niet steeds aan seks denken of porno kijken.
Geen ruzie meer maken
of ook niet ervoor zorgen dat twee anderen ruzie met elkaar krijgen.
Niet jaloers meer zijn.
Daarmee kun je niet voor Christus komen als Hij komt.
Alleen als je Hem aangetrokken hebt,
als je gelooft, als Hij in je hart leeft en ook als je leeft uit Hem.

Dat kan best moeite kosten – dat kost strijdt.
de werken van de duisternis afleggen
en de wapens van het licht aandoen
[Geestelijke wapenrusting: met Kerst uniform aandoen!]
Maar het is de moeite waard! Neem dat maar van mij aan.
En je bent goed voorbereid voor als Jezus terugkomt.

Dus … wat trek je aan met Kerst?
Dat mag van alles zijn. Zelfs je pyjama.
Als je maar de Heere Jezus hebt aangedaan.
Als je opgestaan bent en leeft alsof het al dag is,
alsof het al de dag is dat Christus is teruggekomen.
Dat als Hij komt je niet schrikt,
maar zegt: Welkom HEER. Ik had U al verwacht. Amen

De zeven werken van barmhartigheid

De zeven werken van barmhartigheid
N.a.v. Fulbert Steffensky, Orte des Glaubens. Die sieben Werke der Barmherzigkeit (Stuttgart: Radius Verlag, 2017)

In het jodendom, het christendom en de islam worden de gelovigen opgeroepen om barmhartig te zijn, omdat God barmhartig is. In hun houding en handelwijze dienen gelovigen Gods barmhartigheid uit te dragen. In het christendom is er de traditie gekomen van de zeven werken van de barmhartigheid.

Over deze werken van barmhartigheid heeft Fulbert Steffensky een meditatief boekje geschreven waarbij de strekking is: in deze werken ontmoeten we Christus. Dit boekje bestaat uit twee delen: het eerste deel gaat over de lichamelijke werken van barmhartigheid en het tweede deel over de geestelijke werken van barmhartigheid.

800px-Werken_van_Barmhartigheid,_Meester_van_Alkmaar_(1504)

DE ZEVEN LICHAMELIJKE WERKEN VAN BARMHARTIGHEID

(1) Het voeden van wie honger hebben
Het eerste werk is het voeden van degenen die honger hebben. Het gebrek aan voldoende voedsel is de meest radicale vorm van armoede. In evangelie worden degenen die honger hebben zalig geprezen, omdat ze zijn te arm om vroom te zijn: honger zorgt voor een harde strijd om het bestaan. Jezus zegt: als je die arme niet van voedsel voorziet, ga je aan Mij voorbij.

(2) Het lessen van de dorst
Het tweede werk is het lessen van de dorst. In Hamburg, waar Steffensky gewoond heeft, was er een kerk waarin een lezing werd gehouden met als titel: Wie profiteert van de privatisering van het drinkwater? Vanuit de kerk kwam protest: de kerk mengt zich in de politiek. Steffensky geeft aan: dit werk van barmhartigheid vraagt ook om zorg voor de bron van ons water. Ook vraagt het om aandacht voor het klimaat, om droogte elders tegen te gaan.

(3) Het herbergen van vreemden
Het derde werk is het herbergen van vreemden. Steffensky beschrijft hoe over het gezicht van een Sudanese vluchtelinge het gezicht van Christus schuift. In de vreemdeling ontmoeten we Christus. Als we de vreemdeling niet gastvrij ontvangen, dan missen we heel wat: We missen hoe verrijkend het is om gastrecht te verlenen. In de ontmoeting van de vreemdeling met een andere godsdienst of andere cultuur leren we onze eigen rijkdom kennen en leren we gelijk dat onze cultuur niet zaligmakend is.

900x450_2515

(4) Het kleden van wie naakt zijn
Het vierde werk is het aankleden van wie naakt zijn. Naaktheid is de diepste vorm van kwetsbaarheid en weerloosheid. Steffensky trekt dit werk breder. Om geborgen te zijn tegen de diepste vorm van weerloosheid kan een kind niet zonder godsdienst. Godsdienst leert kinderen om te leven. Wanneer kinderen geen godsdienstige taal of gebruiken leren, zijn ze sprakeloos als ze angstig zijn of dankbaar. Ze missen verhalen, gebruiken en liederen die hen vormen als mens en die hen helpen om te leven.

(5) Het verzorgen van zieken
Het vijfde werk is het verzorgen van de zieken. De zieken zijn degenen die zichzelf niet meer kunnen verzorgen omdat ze daar de kracht niet meer voor hebben. Vaak worden deze hulpelozen uitgestoten uit de maatschappij. Daarmee wordt hen hun menselijkheid ontnomen. In de kerkgeschiedenis zijn er steeds geestelijke orden geweest die het als hun taak zagen deze uitgestotenen te herbergen en te verplegen.

(6) Het bezoeken van gevangenen
Het zesde werk is het bezoeken van gevangenen. Jezus gaf daarbij niet aan of deze gevangenen terecht of onterecht vastzitten en ook niet of ze een gruwelijk misdrijf op hun geweten hebben. Jezus heeft steeds oog voor de mensen die geen eerbaar leven meer hebben en hun toekomst hebben vergooid. In het evangelie zien we steeds dat mensen vrij mogen komen van het verleden dat hen gevangen houdt. Ze mogen opnieuw beginnen, zonder dat God de gevolgen van hun verkeerde daden negeert. Met wat ze gedaan hebben, krijgen ze een plek terug in de gemeenschap.

(7) Het begraven van de overledenen
Vanaf de twaalfde eeuw wordt het begraven van de overledenen als zevende werk van barmhartigheid gezien. Het is de laatste vorm van ontmenselijking als je niemand hebt die je begraaft en niemand hebt die je herinnert. Daarom gaat dit werk niet alleen om het begraven als zodanig, maar ook om het langdurig herinneren van hoe iemand als mens geweest is. In onze maatschappij blijft niemand onbegraven, maar worden wel veel mensen vergeten.

DE ZEVEN GEESTELIJKE WERKEN VAN BARMHARTIGHEID

getimage

(1) Het onderwijzen van de onwetenden
Het eerste geestelijke werk is onderwijzen van de onwetenden. Het gaat hier niet om betweterij, maar om wat je tijdens je zoektocht door het leven hebt ontvangen, waar je gepassioneerd van geraakt bent. Je hebt iets ontdekt dat de moeite waard is om door te geven, zoals een geloofsweg.

(2) Het bemoedigen van de twijfelaars
Het tweede geestelijke werk is het bemoedigen van de twijfelaars. Twijfel kan er zijn aan de goedheid van het leven. Over God. Over zijn betrouwbaarheid. De goede raad voor twijfelaars is niet om hen een geloofssysteem aan te leren. Een beter advies is advies dat een abt aan een twijfelende monnik gaf, die aangaf niet meer te kunnen bidden. Deze abt zie: ‘Ga en kijk toe hoe je broeders bidden!’ De jonge monnik leerde te luisteren naar de stemmen van zijn broeders. Hij vergelijk zijn karig geloof met de kracht van anderen en merkte dat zijn geloof sterker werd.

(3) Het troosten van degenen die verdriet hebben
Het derde geestelijke werk is het troosten van degenen die verdriet hebben. Als Steffensky schrijft over het troosten van degenen die verdriet hebben, geeft hij iets weer van zijn eigen ervaring nadat zijn vrouw Dorothee Sölle was overleden. Er waren vrienden die hem probeerden te troosten door zijn verdriet te verminderen. De een wilde hem meenemen naar de film. Anderen zeiden: ‘Het leven gaat verder.’ De beste troosters waren degenen die kwamen en de rouw respecteerden. Troosten is: iemand in rouw niet alleen laten. Troost opent de ogen ervoor dat we ons leven niet in alles de baas kunnen zijn en dat de kwetsbaar zijn.

(4) Het terechtwijzen van de zondaars
Het vierde geestelijke werk is het terechtwijzen van de zondaars. Dat kan heel onbarmhartig klinken, zoals dit terechtwijzen in de kerkgeschiedenis ook vaak onbarmhartig gebeurde. De kerk in navolging van Jezus heeft echter ook een profetische taak in de strijd tegen onrecht. Vooral tegen het onrecht waarvan men niet meer bewust is dat het onrecht is, zoals luxe die gestolen is van anderen. Het terechtwijzen is een daad van barmhartigheid: het gebeurt vanuit het geloof dat iemand kan veranderen. Misschien is dat wel het grootste wat een mens kan verrichten, zo geeft Steffensky op basis van Psalm 51 aan, dat hij zich niet verbergt voor zijn eigen schuld maar weerloos wordt voor Gods oordeel en voor zijn eigen geweten.

(5) Het geduldig verdragen van de spotters
Het vijfde geestelijke werk is het geduldig verdragen van de spotters. Het vraagt al geloof en geduld om jezelf te verdragen. Als ik mijzelf kan verdragen, kan ik ook de mensen om mij heen verdragen: partner, ouders, kinderen. Net als ik zijn zij niet perfect. Dit verdragen is geen onverschilligheid, maar een diep geloof dat ook iemand met wie je een moeizame verhouding hebt kan veranderen.

41gPtYC34xL._SX300_BO1,204,203,200_

(6) Het van harte vergeven van hen die ons beledigd hebben
Het zesde werk is het van harte vergeven van hen die ons beledigd hebben. De schoonheid van dit werk is dat de beledigingen die je kunnen raken je niet beheersen. Het geeft een soevereiniteit om je niet door beledigingen te laten dicteren. Vergeven is niet iets wat zomaar voor handen is. Dat moet groeien. Vergeven is moeilijk genoeg, maar niet moeilijker dan jezelf te laten vergeven.

(7) Het bidden voor de levenden en overledenen
Het zevende werk is het bidden voor de levenden en de overledenen. Iemand gedenken betekent dat je deelneemt aan het leven van diegene. Je laat die ander niet alleen, maar schenkt hem of haar een gemeenschap. Iedereen heeft mensen om zich heen nodig die hoop voor je blijven houden en voor je bidden. In de katholieke traditie is er het gebruikelijk om de overledenen te gedenken in een vorm van gedachtenis en voorbede. Voor Steffensky is dit gebed niet bedoeld om God over te halen tot een gunstiger oordeel, maar eerder een vraag aan God om de overledenen niet te vergeten. De dood verbreekt niet de solidariteit, niet de liefde voor wie er eens was en ook niet het handelen van God.

N.a.v. Fulbert Steffensky, Orte des Glaubens. Die sieben Werke der Barmherzigkeit (Stuttgart: Radius Verlag, 207)

gastbeitrag_steffensky

Fulbert Steffensky (1933) was ooit benedictijner monnik, maar trad uit en werd protestants zonder zijn katholieke achtergrond helemaal op te geven. Naar beide tradities bleef hij kritisch. Hij was getrouwd met Dorothee Sölle, met wie hij van 1968-1972 politieke avondgebeden hield. Van 1972-1998 was hij hoogleraar pedagogiek en later godsdienstpedagogiek. In de afgelopen jaren gaf hij bij Radius Verlag verscheidene meditatieve boekjes uit.

Vragen bij 1 Petrus 1:1-12

Vragen bij 1 Petrus 1:1-12

1) Als je gelooft, ben je in deze wereld een vreemdeling, zegt Petrus (vers 1). Op welke manier merk jij dat je een vreemdeling bent in jouw omgeving omdat je gelooft in Jezus?

2) Als je gelooft, is er een verandering in je leven gekomen. Je bent dan, schrijft Petrus, opnieuw geboren door de opstanding van Jezus Christus (vers 3) en geheiligd door de Heilige Geest (vers 2). Wat is er in jouw leven veranderd?

3) Wat er ook veranderd is, is dat je nu leeft met een doel. Je bent uitverkoren, zegt Petrus, om Christus gehoorzaam te zijn en in deze wereld priester te zijn (‘besprenkeld met Zijn bloed’, vers 2). Wat is in jouw leven van dat doel te merken?

4) Doordat Christus opstond uit de dood, mag jij nu leven vanuit hoop. Op welke momenten ben jij je van deze hoop bewust? Wat is er in jouw leven anders door deze hoop? Op welke momenten mag je die hoop nog wel meer hebben?

5) Er ligt een erfenis klaar in de hemel. Ben jij je van die erfenis bewust? Of leef je vooral voor het leven hier op deze aarde? Op welke manier heeft een toekomstig leven in de hemel te maken met ons levensdoel op aarde (zie vraag 3)?

6) Dat leven in de hemel is iets van de toekomst. We leven nu nog op aarde en dat is niet altijd een makkelijk leven. Je geloof kan aangevallen worden. Er zijn verleidingen die je van Christus afbrengen. Wat merk je van die aanvallen en die verleidingen? Wat betekenen die aanvallen en verleidingen voor je relatie met Christus?

7) De Heere kan die aanvallen en verleidingen gebruiken om jouw geloof sterker te maken. Wat merk jij ervan dat jouw geloof sterker wordt in moeilijke perioden? Wat heb jij dan nodig om een sterker geloof te krijgen?

Preek zondagmorgen 10 april 2016

Preek zondagmorgen 10 april 2016
Bediening Heilige Doop
1 Petrus 1:13-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen maandag ben ik begonnen aan een cursus.
Dan begin je natuurlijk met de kennismaking.
Een van de vragen tijdens de kennismaking was:
‘Wie ben je?’
Op die vraag is nog niet eens zo makkelijk een antwoord te geven.
Want hoe vertel je nou aan iemand anders wie je werkelijk bent.
Dat bleek ook wel tijdens het rondje voorstellen.
Iedereen moest ook wel nadenken
voor dat hij of zij een antwoord gaf.
Een van de aanwezigen rondde af, nadat hij over zichzelf had verteld, met de opmerking:
‘Ik ben een kind van God. Een kind van God, door God geliefd en gekend.’
Dat is wel mooi dat hij dat van zichzelf zei:
‘Ik ben een kind van God.’
Daarmee zei hij van zichzelf: dat is wat ik ben.
Er is heel veel te vertellen over wie ik ben, maar dit ben ik ook: kind van God.
Dat behoort tot mijn identiteit, dat maakt wie ik ben.
‘Ik ben een kind van God, door God geliefd en gekend!’

Vandaag zijn er 3 kinderen gedoopt
en hebben daarmee het teken van het verbond met God ontvangen.
Een eeuwig verbond van genade met God.
Ook voor hen geldt: Ik ben een kind van God,
nu al op deze jonge leeftijd, hoe klein ik ook ben,
ik ben een kind van God.
Al weet ik eigenlijk helemaal niet wie ik ben – ik ben een kind van God.
Ik heb een Vader in de hemel.
Dat is voor jullie, doopouders, ook een belangrijke reden
Waarom je je kind wilt laten dopen.
Dat het ook een kind van God is.
Dat jijzelf, als ouder, dat weet.
Dat je kind dat weet en ook dat God zelf dat weet.
De doop geeft aan: er is heel wat over dit kind te vertellen, nu al.
Over hoe de bevalling ging, over je kind al doorslaapt of niet,
op wie hij of zij lijkt, welke trekken je nu al herkent.
De doop geeft daarbij aan: bij dat alles geldt het ook – dit is een kind van God.
door God geliefd en gekend.

Jullie hebben als ouders vandaag beloofd
om dat ook in de opvoeding je kind bij te brengen
dat Lynn, dat Thijs, dat Jesse zichzelf leert zien als kind van God, gekend en geliefd door God.
Dat God onze hemelse Vader is, is bijzonder.
Het klinkt wellicht heel gewoon, omdat het ons geleerd is in het Onze Vader bijvoorbeeld,
of omdat we onze gebeden beginnen met “trouwe Vader in de hemel”
en er veel liederen zijn waarin we zingen over God als Vader.
In zijn brief die Petrus schrijft, geeft hij aan:
Daar is wel wat voor gebeurd, dat we in ons gebed God als onze Vader mogen aanroepen.
Dat mag en dat moeten we vooral ook doen: God als onze Vader aanroepen.
Maar daarvoor is wel wat gebeurd!
Allereerst is er iets gebeurd op Golgotha:
Jezus die stierf aan het kruis voor onze zonde.
Petrus geeft dat aan met de woorden: het kostbaar bloed van Christus
als van een smetteloos en onbevlekt lam.
Dat wij God als onze Vader mogen zien en mogen aanroepen
komt omdat Christus stierf aan het kruis op Golgotha.
Dat bloed wast onze zonden af.
En het doopformulier benadrukt dat de doop aangeeft
dat Christus dat ook zal doen bij de kinderen die gedoopt zijn.
Die stelligheid van het doopformulier verbaast mij steeds weer,
omdat we in onze traditie gewend zijn om meer een slag om de arm te houden.
We hopen dan dat het gaat gebeuren
en als je van jezelf hier in deze omgeving zegt dat je kind van God bent
gaan de wenkbrauwen omhoog en wordt er gedacht:
Ja, ja, dat kun je niet zomaar van jezelf zeggen,
daarvoor moet er eerst iets in je leven gebeuren.
Dat is waar – maar Petrus hier in zijn brief (en het formulier van de doop sluit daarbij aan)
geeft aan: het belangrijkste wat er gebeuren moest, is ook gebeurd.
Er is ook heel iets bijzonders gebeurd,
namelijk dat Jezus stierf aan het kruis, voor u, voor mij, voor deze gedoopte kinderen.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon
dat Hij ons wast in Zijn bloed van onze zonden
en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding.

Dat is het tweede wat er is gebeurd als we God onze Vader noemen.
Dat is er wat er met ons is gebeurd.
Dat je door God geroepen bent, waardoor er in je leven heel veel is veranderd:
een verschil tussen vroeger en nu, een omkeer in je leven.
Geroepen worden is heel persoonlijk, waarin je merkt:
God komt nu naar mij toe en ik kan niet anders, ik moet wel in Hem geloven.
Voor de mensen aan wie Petrus schrijft betekent dat een breuk:
een breuk met wat ze van hun ouders hebben meegekregen aan geloof:
ze dienden verschillende goden, maar kende de echte, levende God niet.
Ze ontdekten: er is maar één God die leeft
en die God kwam in Christus naar deze aarde en stierf aan het kruis.
Geroepen worden houdt in: dat je ervaart dat dit ook voor jouzelf is gebeurd
dat Jezus stierf aan het kruis
en dat je God leert kennen, niet als iemand die ver weg is
en zich nauwelijks met je leven bemoeide,
maar God die zich om jou persoonlijk bekommert, die jouw God wil zijn.
Groot, almachtig, heilig en toch ook Vader – heel intiem met jou, geliefd en gekend.
Daar bij de Vader, dat is mijn bestemming.
Dat is de God die mij geschapen heeft. Een andere god is er niet.
Een verandering, een breuk met het oude leven.
In de tijd van Petrus gaf de doop die verandering ook aan:
ik stap uit het leven zoals ik nu leid en kom tot de Vader.
In de uitleg wordt dit gedeelte uit 1 Petrus ook wel aan de doop gekoppeld.
Wat Petrus hier aangeeft over dat verschil tussen toen en nu
kan aan de doop worden verbonden.
De doop geeft die overgang aan: van onwetendheid naar het kennen van God.
Nu ken ik God, zoals Hij mij al kende.
Nu heb ik God lief, zoals Hij mij al liefhad en daarom mij riep bij mijn naam
om van Hem te worden.

Dat oude leven was een leven van onwetendheid.
Dat kan onschuldig klinken: als je nooit over de ene ware God gehoord hebt,
weet je ook niet Wie Hij is en kun je Hem ook niet kennen.
Petrus bedoelt: er waren genoeg aanwijzingen in de wereld om je heen
waardoor je op het spoor van God gezet kon worden:
Hoe God werkt in de schepping, hoe God door alle tijden heen alles leidt en regeert.
Als je de tijd en de rust neemt om dat tot je te laten doordringen kon je dat weten.
Maar God doorbrak die onwetendheid,
doordat Hij Zijn Zoon naar deze aarde stuurde.
Sinds die tijd kunnen mensen over heel de wereld nu God echt kennen,
zoals Hij is: Vader – die Zijn schepselen kent en liefheeft.

Hoe zit dat nu?
Want jullie hebben allemaal ouders, die je bij God hebben gebracht.
Je hebt zelf allemaal als kind al de doop ontvangen
en nu geef je je kind de doop mee.
Dat is een verschil met de mensen aan wie Petrus schrijft.
De tijd van de onwetendheid is jullie bespaard gebleven.
Dan kan het een vanzelfsprekendheid zijn dat God je Vader is en dat je gelooft.
Gevolg is wel dat er een belangrijk onderdeel van wat Petrus bedoelt wegvalt:
namelijk dat je anders bent in deze wereld
en dat de doop je ook anders maakt:
Kind van God en dus geen kind van deze wereld.
Dat de doop aangeeft, dat je hier in deze wereld ook een vreemde bent.
In een omgeving van Oldebroek, van Elspeet, waarin veel mensen naar de kerk gaan
en als kind gedoopt zijn en de verhalen over de Heere meekrijgen,
als het niet thuis gebeurde kon je ze nog op school meekrijgen.
Daarmee hebben we een voorsprong op de gelovigen uit de tijd van Petrus
die voor een nieuw geloof moesten kiezen, waardoor ze vreemden werden,
met gevolgen voor zichzelf en hun gezin.
Zijzelf en hun kinderen, ze konden er zomaar uit liggen,
buiten gesloten worden, alsof ze vreemden geworden waren
die er niet meer bij hoorden.
Omdat ze geloofden in die ene God die naar de aarde kwam
en stierf aan het kruis om hen weer tot Zijn kinderen te maken.

Een gevaar in onze eigen omgeving is dat de doop niet meer het verschil uitmaakt
En alleen maar het teken is dat iemand een kind van God is.
Kind van God zijn betekent dat je ook anders bent: apart gezet.
Daar zet Petrus in dit gedeelte volop op in.
Het is al heel wat als je van jezelf mag weten dat je een kind van God bent.
geliefd en gekend door God.
Dat geeft ook een verplichting om als kind van God te leven.
Om een heilig leven te leiden.
Word heilig – schrijft Petrus.
Deze drie kinderen, die gedoopt zijn, worden opgeroepen om te groeien naar een heilig leven.
En jullie als hun ouders horen daarin voor te gaan.
En u als gemeente hoort om de ouders heen te staan
en ook dat voorbeeld te geven, dat u bereid bent en uw best doet
om te groeien in heiligheid.
Word heilig.
Dat is niet alleen maar een taak van de Geest in ons.
De Geest werkt in ons, dat is de belofte die de Geest meegeeft in de doop.
We hebben daarbij ook zelf ons best te doen in een groei naar een heilig leven.
Omdat we kinderen van God zijn, die Zelf heilig is.
Omdat we kinderen van God geworden zijn,
die vrijgekocht zijn omdat Jezus stierf aan het kruis
en ons wilde redden en een nieuw bestaan wilde geven een bestaan in heiligheid.
Heilig – dat heeft de betekenis van apart gezet,
maar ook van zuiver en oprecht, vol van Gods Geest en Gods reinheid en heiligheid.
Word heilig – als opdracht: ook dat past bij de doop,
waarin aan ons een nieuwe gehoorzaamheid gevraagd wordt.
Als we God als Vader aanroepen, dan horen we gehoorzame kinderen te zijn
die naar Hem luisteren en Zijn wil opvolgen.
Dat houdt voor Petrus in dat we afstand nemen van een bepaalde manier van leven:
Word niet gelijkvormig aan de begeerten die er in dat oude leven waren.
Laat je niet vormen door die begeerten.
Petrus gebruikt in het Grieks een woord waarin wij het woord “schema” herkennen.
Laat niet de begeerten het schema van je leven vormen,
maar laat Gods heiligheid je schema zijn, dat jouw leven en het leven van je kind vormt.
Welk schema bepaalt jouw leven, uw leven
en welk schema geeft u mee in de opvoeding van uw kinderen
en door welk schema laten wij ons als gemeente bepalen?
Er zijn verschillende begeerten, verleidingen die zo hun eigen schema hebben.
We hoeven echt niet voor alle schema’s gevoelig te zijn,
maar vaak is er wel een zwakke plek in ons,
waardoor we niet God en Zijn heiligheid ons leven laten bepalen,
maar een ander schema.
Bijvoorbeeld het schema van ons werk
– dat alles in ons gezinsleven in het teken staat van het werk.
Alles moet er voor wijken. Ook de gezamenlijke maaltijden samen.
Of het schema van de fun,
waarbij alles gemeten wordt aan de fun die het geeft, de kick.
Ik weet niet of dit schema in onze gemeente zo toonaangevend is.
Ik hoor meer van gemeenteleden die over hun collega’s spreken
die mopperen over hen, omdat ze niet bereid zijn om echt ervoor te gaan,
maar alleen voor het salaris, zodat ze daarmee leuke dingen kunnen doen.
Het kan ook het schema van een oppervlakkig leven zijn,
waarbij alles zijn gangetje gaat,
waardoor je er vergeet bij stil te staan wat God in je leven doet.
Er gaan dagen voorbij, waarbij je niet kijkt naar wat God in je nabijheid doet:
geen oog voor de schepping die weer tot bloei komt,
geen oog voor de zon die opkomt – een teken van Gods trouw aan jou en deze wereld.
En de zondag is dan om bij te slapen, omdat je het doordeweeks druk gehad hebt.
De tijd die je samen hebt, gebruik je niet om met elkaar door te praten
waar je echt voor leeft en wat jouw leven zin geeft
en wat God in jullie leven samen doet.

Schema’s die niet van God zijn, maken ons weer slaaf
en doen het werk van God teniet, terwijl Hij ons juist wilde bevrijden
– echt weer mens te laten worden.
We zouden als antwoord kunnen geven op de vraag waarom Christus moest sterven
dat Hij stierf om ons weer echt mensen te maken,
Vrije mensen, die bevrijd zijn van alle schema’s die ons beknellen,
omdat ze geen ruimte geven voor God
en daarmee ook ons de hoop ontnemen.
Want als we niet zien waar God is, kunnen we ook niet geloven in de hoop die God geeft
Dat deze wereld in Zijn hand is,
Want dat zien we dan niet,
omdat de schema’s van deze wereld ons de ogen ervoor sluiten hoe God aan het werk is.
En hoe kun je jezelf dan kind van God noemen,
als daar niet naar leeft, als je Gods heiligheid je leven daardoor niet laat bepalen.
De doop is een vraag aan ons: ben je bereid om bewust te leven
bewust te leven voor Gods aangezicht.
Want, zegt Petrus, de God die wij als Vader aanroepen,
is ook onze Rechter, die over ons oordeelt
Wat je hebt gedaan met de bevrijding die je door Christus kreeg
en wat je hebt gedaan met de heiligheid die je door Christus terugkreeg.
Heb je daaruit geleefd, gestreefd naar een leven waarin je groeide in heiligheid,
of heb je dat verkwanseld, omdat je alles op een beloop liet
en de strijd met de begeerten in jezelf of in de wereld om je heen niet aanging.

Kind van God zijn en heilig leven, dat heeft te maken met je binnenkant, met je hart
wat daarin leeft
en wat je laat zien, wat er vanuit je hart naar buiten komt,
hoe je omgaat met God en met anderen.
Waar je voor leeft en waar je leven naar toe gaat.
Word heilig – in je denken, in wat je in jezelf ervaart
Word heilig – in je leven met God, doordat je Hem je leven laat bepalen.
Word heilig – in je omgang met andere mensen: Heb elkaar vurig lief uit een rein hart.
We zullen hier – helaas – nooit volledig heilig worden,
maar dat mag ons er niet van weerhouden – om te streven naar die heiligheid.
Omdat God heilig is – en dat van ons vraagt
Omdat Gods Zoon naar deze aarde kwam
en Zijn heiligheid opgaf en ons vrijkocht – om ons weer heilig te maken
en weer kind van God, gekend en geliefd door God.
Ook in onze strijd zijn we gekend en geliefd door God.
Temidden van de opdracht die Petrus geeft,
spreekt hij ook over de hoop en over geloof:
Onze hoop, ons geloof is op Hem gericht,
omdat Hij bezig is met onze heiliging.
Omdat Hij ons geroepen heeft – om kind van God te zijn
en Hij vormt ons, steeds meer als kinderen van God.
Daarom: leef uit de doop, word heilig en hoop op God.

 

U die mij geschapen hebt,
U wil ik aanbidden als mijn God.
In voor- en tegenspoed,
uw liefde doet mij zingen.
U die mij geschapen hebt,
U wil ‘k danken hoe ik mij ook voel
en U gehoorzaam zijn.
Heer, U bent mijn doel.

 

U bent mijn bestemming.
U hebt mij gemaakt om als uw kind
in voor- en tegenspoed
uw liefde uit te stralen.
Dit is mijn bestemming.
Dienen met verstand en met gevoel
vanuit gehoorzaamheid.
Heer, U bent mijn doel.


Amen

Meditatie Titus 3:8

… ervoor zorgen voor aan te staan in goede werken            (Titus 3:8)

Geloof kan niet zonder effect blijven. Levensheiliging noemen we dat: dat we geheiligd worden door Gods Geest.
Aan de scheurmakers is juist te merken, dat zij zijn afgeweken van het heilzaam geloof. Zij houden zich met gedoe bezig. Men houdt zich bezig met de aardse afkomst en vergeet daardoor dat een christen in Christus een nieuw mens is geworden.
Volgens de apostel kan men merken, dat men het spoor van het bevrijdende evangelie geheel bijster is. Men discussieert over de invulling van de wet. Welke regels moeten er allemaal gelden voor een gemeentelid? Niet aan de regels van de tegenstanders. Men moet op God letten en zich spiegelen aan Zijn menslievendheid. Nuchterheid, barmhartigheid, gastvrijheid, dat behoren de kenmerken te zijn van een christen.
In de eerste eeuwen groeide de kerk sterk, doordat buitenstaanders onder de indruk waren van het gedrag van de christenen. Hun liefdewerken, zoals begraven en armenzorg, golden ook voor buitenstaanders.
Op welke manier kunnen wij laten zien aan anderen, hoe goed God is?

Schriftlezing: Titus 3:8-15
Zingen: Gezang 126: 1, 2 en 3 (Liedboek van de Kerken): Verwacht de komst des Heren

ds. M.J. Schuurman

Immanuël-kalender 30 november 2009