Christelijk pastoraat in een seculiere context

Christelijk pastoraat in een seculiere context

Wat kan christelijk pastoraat betekenen in een omgeving die ontkerkelijkt en religieloos geworden is? Het is geen wonder dat Jürgen Ziemer deze vraag opneemt.

Ziemer is al decennialang werkzaam in de oost-Duitse stad Leipzig: eerst als predikant en later als docent en hoogleraar. Leipzig ligt in de voormalige DDR, een sterk geseculariseerd gebied. De universiteit van Leipzig is nauw verbonden met de kerk uit de omgeving van Leipzig. De vragen waar de kerk mee te maken krijgt worden door hoogleraren van deze universiteit opgenomen. Vandaar dat de thematiek van de ontkerkelijking en de religieloosheid van oost-Duitsland door theologen als Jürgen Ziemer (en ook door bijvoorbeeld Wolfgang Ratzmann) opgepakt.

Ontkerkelijkt
Wat kan christelijk pastoraat in deze context betekenen? Daarvoor moet eerst die seculiere context nauwkeurig en kritisch worden waargenomen.
Het aanzicht van de stad is sterk gestempeld door het christendom. Er zijn talloze kerken die het beeld van de stad bepalen. Toch is er in deze stad met 500.000 inwoners slechts 20% verbonden met een kerk:
– Evangelische Kirche: 60.000 (12%)
– Katholiek: 12.000 (4%)
– Freikirchlich: 12.000 (4%)
Dat houdt in dat 80% van de inwoners van Leipzig niet aan een (christelijke) confessie is verbonden.

Het proces van ontkerkelijking werd in de DDR van hogerhand gestimuleerd. In godsdienstsociologische studies naar de religiositeit wordt ook wel gesproken over geforceerde seculariteit. De Wende van 1989-1990 heeft echter geen verandering tot stand gebracht in de betrokkenheid op de kerk. Hoewel eerder begonnen is de secularisatie in oost-Duitsland geen geïsoleerde trend: grote delen van Europa hebben in mindere of meerdere mate te maken met deze ontkerkelijking.

Geen thema meer
Wanneer men de kerk uittreedt heeft men daarvoor al een heel proces van afwenden van de kerk achter de rug. De kerk wordt echter niet ingeruild voor een ander geloof. Het verbreken van de band met de kerk is een overgang naar religieloosheid. Voor de meeste mensen in oost-Duitsland is God geen thema meer. Deze religieloosheid is onderdeel van de opvoeding in oost-Duitsland.
De religieloosheid is al generaties de normale situatie voor de meeste oost-Duitsers. De kerk en het geloof doen er gewoonweg niet meer toe. Jongeren en veertigers hebben niet eens meer de behoefte om zich te verontschuldigen voor een religieloosheid.
Alleen bij de generatie van 18-29 was er een ander beeld te zien: meer aandacht voor religieuze vragen in de breedste zin van het woord. Het gaat dan meer om een experimentele denkbeweging dan een stap richting persoonlijke betrokkenheid.

Dat levert overigens een paradox op: omdat men zich niet meer hoeft te verzetten tegen het christendom, kan men wel onbevangen genieten van de cultuuruitingen die gestempeld zijn door het christelijk geloof (bijvoorbeeld van een Bach-cantate).

Traditie
Komt er dan werkelijk niets in de plaats van het christelijk geloof? Uit een onderzoek naar de religiositeit binnen 3 generaties laat Monika Wohlrab-Sahr zien, dat de inwoners van de voormalige DDR bezig zijn met wat zij noemt: mittlere Transzedenten (menselijke idealen met een zekere transcedente lading). Daarbij gaat het om het ideaal van gemeenschapszin, eerlijkheid en – vooral – arbeid. Deze drie waarden garanderen in hun ogen een zinvol leven.

Respecteren
Wat kan het christelijk pastoraat betekenen voor deze mensen, die met de inhoud van het christelijk geloof weinig kunnen aanvangen, maar toch op zoek zijn naar troost, advies en hulp? De eerste aanwijzing die Ziemer geeft is: respecteer de manier waarop mensen zichzelf beschrijven. Wanneer zij zich als atheïstisch of agnostisch typeren, hebben wij dat te respecteren.
Bij degenen die afscheid hebben genomen kan men ook tegenkomen dat men positief is ten opzichte van de christelijke waarden en normen en dat men zich ook nog wel als christen wil typeren. Ook deze zelfbeschrijving dient gerespecteerd te worden.

Profiel
Opvallend is dat degenen die niet meer tot een kerk of een confessie behoren getypeerd worden vanuit een gebrek of een tekort: a-theïst, a-gnost, confessie-loos, god-loos, randkerkelijk, dissident, niet-gelovigen.
Dat veronderstelt dat kerkelijke betrokkenheid of religiositeit het normale uitgangspunt zou zijn. Is dat wel terecht? Is dat niet teveel een kerkelijke arrogantie? Voor het pastoraat is het duiden van de mensen die wij tegenkomen vanuit dit gebrek contraproductief.

Het is ook niet eenvoudig om een positief woord te vinden voor dit fenomeen. De Oostenrijkse pastoraaltheoloog Paul M. Zulehner spreekt van ‘onbekommerde pragmatici van de alledag’. Uit het onderzoek van Wohlrab-Sahr bleek dat de meesten zich als agnostisch typeren: ‘we willen alle opties openhouden’.
Christoph Morgenthaler benadrukt de ambivalentie van godsdienst: religie kan zowel een bron van conflicten zijn als een krachtbron zijn. Godsdienst kan verontrusten en houvast bieden. Dat geldt ook voor degenen die niet meer aan een confessie gebonden zijn.

Ontmoeten
Wat kan het christelijk pastoraat voor hen betekenen? Deze vraagstelling laat zien dat het op zijn minst mogelijk is om te communiceren met degenen die geen band meer hebben met de kerk of een godsdienst. Bij het herstel van de communicatie kan men op kritiek op de kerk stuiten. Deze kerkkritiek dienen we echter niet te overschatten en hoeft ook geen belemmering te zijn om dat contact te herstellen.
Hoe kan men dat contact weer herstellen? Door op zoek te gaan naar deze mensen. Bijvoorbeeld op de plaatsen waar de mensen in nood zijn of zich terzijde geschoven voelen: in ziekenhuizen, revalidatiecentra, gevangenissen, ed. Zulke vormen van pastoraat zijn nogal eens naar de achtergrond verdwenen vanuit de gedachte dat de mensen het pastoraat maar moeten opzoeken.
Een andere mogelijkheid om het contact te herstellen is het huisbezoek, waarbij de pastor te gast is bij degenen die hij bezoekt.

Ziekenhuispredikant Werner Bikuspki vertelt hoe een oude patiënt vraagt om een bezoek van de pastor. Wanneer de predikant komt benadrukt de patiënt dat hij atheïst is. De man begint over zijn leven te vertellen en geeft aan dat hij ondanks zijn geloof dat er geen God is toch nog veel vragen heeft. Hij verwacht ook geen antwoorden. Na 3 kwartier geeft hij de predikant een hand en zegt: ‘Bedankt voor het gesprek. U hebt mij erg geholpen.’
Wat had deze man nodig? Een pastor die komt maar niet beleert. Deze man wist wat een pastor was. Hij wist wat hij vroeg toen hij om een pastor vroeg.

Andere vormen van pastoraat zijn vormen die via bepaalde middelen of media: pastoraat per brief, e-mail, chatroom. Degene die om advies of raad verlegen zit kan consumeren. Zo nodig kan iemand anoniem zich met religieuze uiteenzetten.
Niet te onderschatten zijn de open vormen van pastoraat die een kerk kan aanbieden: kerkcafé, een oase van tijd, ontmoetingsplaatsen bijvoorbeeld. Zelfs een (kort) orgelconcert kan tot deze categorie gerekend worden. De kerk toont zich als gastvrouwe: mensen kunnen komen en gaan zonder hun visitekaartje te hoeven af te geven. Ook kan men denken aan aanbod van psychologische hulpverlening in kerkelijke context. Daarbij gaat het allereerst om professionele hulp in crisissituaties maar kunnen religieuze vragen en aspecten ook aan de orde komen.

Gespreksvormen
Er zijn twee modellen van gespreksvoering die erg behulpzaam zijn in het gesprek met degenen die geen religieuze verbondenheid hebben:
* het model van het interreligieuze pastoraat: hierbij gaat het niet om een dogmatische waarheid, maar om de vraag hoe mensen bij een ervaring van contingentie steun vinden om het leven aan te kunnen.
* de pastoraalpsychologisch gefundeerde gespreksvoering: hierbij gaat het niet om de vraag hoe de pastor zijn of haar gesprekspartner een bepaalde kant op krijgt of bevrijdt van een godsdienstloosheid. Het gaat om een hermeneutisch gesprek, waarbij de pastor de ander uitdaagt om zichzelf te begrijpen en te helpen ontdekken wat iemand op de been houdt en draagt.

Doelloos
Pastoraat is verwant aan poëzie. Net als poëzie heeft pastoraat geen opgezet doel. In het pastoraat gaat het om acceptatie van de ander, zonder dat er vooraf voorwaarden worden gesteld. Zoals een gevangene zei na een gesprek met de gevangenispredikant: ‘In zo’n gesprek kun je gewoon MENS zijn.’ Gewoon mens te kunnen zijn in een gesprek is van grote betekenis voor mensen.
Moet het in het pastoraat niet om meer gaan? Is dat voor christelijk pastoraat niet te weinig? Volgens Ziemer zal die vraag steeds weer opduiken. Als antwoord geeft hij een chassidische wijsheid door: ‘De mens is de taal van God.’ Het aanwezig bij mensen is al spreken van God.

Voorbeelden
Wolfgang Geilhufe is predikant in het ziekenhuis van Dresden. Wanneer hij spreekt over zijn ervaringen, vraagt hij zich tegelijkertijd af waar hij het recht vandaan haalt om te zeggen dat bij mensen die geen binding hebben met welke religie dan ook iets ontbreekt. Hij vertelt hoe hij respect heeft geleerd in de begeleiding van mensen die gestempeld zijn door een atheïstische levensbeschouwing.
Hij vertelt over zijn gesprekken. Vaak beginnen die heel terloops. Een oude ingenieur die veel onderzoek heeft gedaan vraagt om een bezoek. Voordat deze man om een bezoek vraagt, heeft hij de predikant eerst geruime tijd van een afstandje geobserveerd. Dan legt de oude man uit waarom hij de predikant laat komen: ‘Ik heb geen behoefte aan een godsdienstig gesprek. Wel aan een zinvol gesprek. Begrijpt u dat?’ Als de man vertelt, komen er veel thema’s langs. Op een gegeven moment vertelt hij over zijn dromen. Dan grinnikt hij over zichzelf: ‘Ik heb de indruk dat ik zo langzamerhand een religieus gesprek voer.’
Dan vertelt Geilhufe hoe er een ontroerende openheid was die duurde totdat deze mens stierf. ‘Er is een schaamte,’aldus Geilhufe, ‘om het religieuze terrein te betreden. Zeker als men niet geoefend is.’

Walter Bikupski vertelt over een gesprek met een gepensioneerde schooldirectrice. Er komt van alles ter sprake: het schoolwezen, de filosofie en de politiek. Zij heeft lang tijd nodig voordat zij vertelt wat haar persoonlijk bezighoudt. Het is de vraag naar schuld. In haar positie als schooldirectrice heeft zij verscheidene mensen met een andere opvatting dan de regering op een zijspoor gebracht. Zij vertelt hoe deze daden haar veel slapeloze nachten hebben bezorgd: ‘Steeds vraag ik mij af of zij door mijn actie hinder hebben ondervonden in hun leven.’ Zij geeft aan dat zij vandaag de dag het anders zou aanpakken. Bikupski ziet hoe deze vrouw uit het raam staart, alsof haar een vraag bezighoudt. Hij zegt: ‘Wat u gedaan heeft, kunt u niet meer ongedaan maken. Voor mijzelf is het van belang te weten dat er vergeving mogelijk is.’ ‘Dat kan wel zo zijn,’ zegt de vrouw, ‘voor mij is het op dit moment voldoende dat ik eindelijk mij heb kunnen uitspreken.’

De pastor heeft een lange adem nodig voor deze vrouw vertelt wat haar bezighoudt. Vergeving heeft zij (nog) niet nodig. Op dit moment is het voldoende dat zij erover vertelt. In religieuze termen was het een biecht. De vrouw vertelt, zonder dat zij een beroep doet op die vergeving. De pastor neemt haar serieus. Hij relativeert niets, want hij weet dat hij haar dan geen recht doet. Voorzichtig brengt hij de mogelijkheid van vergeving ter sprake. De vrouw gaat er niet op in. Daar doet zij nu geen beroep op. Wellicht later. Voor nu is het voldoende dat de predikant haar aanvoelt. De vrouw heeft niet voor niets voor een predikant gekozen voor haar ‘biecht’. Misschien was hij voor haar zoiets als een ‘laatste instantie’. Het religieuze blijft onuitgesproken. Omdat de vrouw zelf mocht bepalen tot hoever zij het religieuze gebied betraden, werkt het gesprek pastoraal. Het is niet uitgesloten dat de vrouw ooit eens verder gaat. Daar heeft deze oude directrice dan zelf de hand in. Zij kent immers de weg.

Jürgen Ziemer, ‘Christliche Seelsorge im Kontext “forcierter Säkularität’, in: Isabelle Noth / Ralph Kunz (Hg.), Nachdenkliche Seelsorge – seelsorgliches Nachdenken. FS Christoph Morgenthaler (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 86-104