Preek nieuwjaarsdag 2020

Preek nieuwjaarsdag 2020
Schriftlezing: Lukas 3:1-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Opeens is hij daar: Johannes de Doper.
Tijden heeft hij in de woestijn geleefd,
waar het grote wereldgebeuren langs hem heen gegaan is.
Als je hem zou vragen wie er op dit moment de provincie Judea bestuurt,
zou hij je verbaasd aankijken en je zou in zijn ogen de vraag lezen: is dat belangrijk dan?
Als je hem zou vragen, welke keizer er in Rome over de wereld regeert,
zou hij zijn schouders ophalen en zeggen:
Er is er maar Eén, die regeert en dat is de hemelse Heer.
Dat is het enige dat telt.
Daar in de woestijn heeft hij de laatste nieuwtjes over keizer Tiberius niet meegekregen,
hoe deze keizer zo argwanend werd, dat hij niemand meer vertrouwde
en zijn tegenstanders stuk voor stuk liet oppakken en liet doden.
Daar in de woestijn was hij met andere dingen bezig.
Niet met de waan van de dag van de politiek,
ook niet met het nieuws dat je even bezig houdt, waar je je even druk om maakt,
maar waarvan je aan het einde van het jaar niet meer weet dat dit speelde.
Johannes was als kind niet opgegroeid tussen de mensen,
maar leefde in afzondering, ver weg van het gewoel van de mensen.
Om zich daar in alle eenzaamheid zich voor te bereiden op de taak die hij had.
Doordat hij op een afstand van de mensen opgroeide,
kon hij wellicht scherper zien wat er in een samenleving mis was.
En doordat hij in afzondering leefde, kon hij meer bezig zijn met de dingen van de Heere.

Denk niet dat het voor Johannes makkelijk was om in die afzondering te leven.
Je voelt Gods aanwezigheid echt niet sterker dan wanneer je wel onder de mensen bent.
En of je in de eenzaamheid de stem van God beter verstaat, is maar de vraag.
Want vaak hoor je die stem van God door wat mensen tegen je zeggen
En heb je anderen nodig om met de dingen van de Heere bezig te zijn.
Wat het leven in afzondering, in eenzaamheid, in de woestijn moeilijk maakt,
is dat je niet weet wat je weg zal zijn, waar de Heere je brengt.
In de woestijn ben je al het vertrouwde kwijt, alle oriëntatie, heb je geen richtingsgevoel.
afhankelijkheid van de elementen van de natuur:
of er water is, of je eten zult vinden, of je een plek hebt om te slapen,
De woestijn betekent: opnieuw beginnen.
Niet omdat je zelf daar voor kiest om opnieuw te beginnen, maar omdat God er voor kiest.
In het Oude Testament is de woestijn daarom het beeld van de crisis:
God die je opnieuw laat beginnen.
En wie wil dat nu: opnieuw beginnen,
al het vertrouwde dat je hebt, de zekerheden die je in je leven zijn missen:
de zekerheid van je gezondheid, van familie en vrienden om je heen,
De zekerheid dat God er voor je is en je leven leidt, je beschermt en bewaart.
Als je al die zekerheden kwijtraakt, dan raak in je in Bijbelse woorden in de woestijn.
Vaak is het dat God je dan in de woestijn brengt, als volk,
of als persoon, zoals dat met Johannes dat het geval kan zijn.
Om je opnieuw te laten beginnen.

 

Opnieuw beginnen, van vooraf aan.
Zoals Israël door de woestijn trok, op weg naar het beloofde land.
In de woestijn zijn, zoals Johannes dat was,
Betekent net als het volk Israël destijds niet in het beloofde land zijn
maar onderweg, een weg met veel ontberingen en moeilijkheden,
van honger en dorst, van zoeken naar de juiste weg, gevaren die er zijn.
Bij al die keren opnieuw moeten zoeken hoe de Heere in die momenten aanwezig is
en daardoor eerst niet zien dat Hij er is en met je meegaat
maar eerst vertwijfeld bent en je afvraagt wanneer de Heere van zich laat horen.
Een crisis, een diep dal, waardoor je heengaat
maar waarna je de Heere toch weer vindt, Hij er toch blijkt te zijn.

Johannes komt uit de woestijn om tegen de mensen van zijn eigen volk te zeggen
dat ze opnieuw moeten beginnen,
dat ze het vertrouwde moeten loslaten,
dat ze niet vast kunnen houden aan het leven zoals ze dat tot nu toe geleid hebben.
Stel dat Johannes hier vanmorgen zou zijn en dat tegen u zou zeggen,
of dat jou zou voor houden dat je opnieuw moet beginnen,
een nieuwe start moet maken, helemaal opnieuw beginnen.
Hoe zou jij, hoe zou u dan reageren?
Misschien denk je bij jezelf: zoals mijn leven nu is, ben ik eigenlijk wel gelukkig.
Als er iets zou moeten veranderen, liefst niet al te veel.
Of misschien zeg je: ik zou wel opnieuw willen beginnen.
Er zijn bepaalde patronen in mijn leven, waarmee ik zou willen breken.
Hoe we in ons huwelijk met elkaar omgaan, ik zou willen dat we er meer voor elkaar zijn,
elkaar begrijpen en aanvoelen, van elkaar kunnen genieten.
Of je denkt bij jezelf: ik zou mijn werk wel anders willen doen,
Want zoals het nu gaat op mijn werk is niet gezond. Dit houd ik niet vol.
Soms neem je het voor om een nieuwe start te maken,
bijvoorbeeld zo aan het begin van een nieuw jaar, of aan het einde van een vakantie
Om het helemaal anders te doen.
Vaak is dat een hele klus en zo eenvoudig nog niet
en als je dan weken of maanden verder bent, ben je weer in je oude patroon terug.

Nu is Johannes er op uit gestuurd om tegen de mensen zeggen
Dat ze opnieuw moeten beginnen
En dan niet zomaar met een nieuwe levensstijl, maar opnieuw beginnen met God.
Stel dat Johannes dat tegen ons zou zeggen:
Je moet niet zomaar opnieuw met je leven beginnen, een nieuwe start maken,
maar God echt toelaten in je leven en met Hem beginnen, een radicale verandering.
Dan zou je wellicht diezelfde ontwijkende reacties kunnen hebben,
die de volksgenoten van Johannes hadden, toen hij tegen sprak over dat nieuwe begin.
Je kunt zeggen: Hoezo opnieuw beginnen, want ik heb God toch in mijn leven?
Ik ben aan het begin van mijn leven gedoopt?
Ik ben toch door mijn ouders opgevoed met de verhalen van de Bijbel?
Ik heb van hen geleerd om naar de kerk te gaan, om te bidden.
Ze hebben mij liederen aangeleerd die ik in de kerk of ook thuis zing.
Johannes spreekt zijn volksgenoten erop aan:
Denk niet dat je er door je afkomst al bent.
Je zit niet automatisch goed, omdat je uit een gelovig gezin komt.
Als ze bij hem komen om een nieuwe start te maken door de doop van hem te ontvangen,
spreekt hij hen scherp aan:
Wat komen jullie hier doen? Denk je dat je door de doop het oordeel van God kunt ontlopen?
Hij zei tegen de menigte die uitliep om door hem gedoopt te worden: 

Adderengebroed, wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?

Enige tijd geleden las ik een aantal preken die voor de tijd van advent waren gehouden.
Deze preken werden gehouden in de Episcopale kerk (de Anglicaanse kerk in de VS).
Deze kerk heeft een leesrooster, waarbij de verhalen over Johannes de Doper
een plaats krijgen in de lezingen van advent.
Deze predikante gaf in een van de preken aan de gemeente voor
dat zij een adventskalender zou ontwerpen,
zo’n kalender met van die schattige venstertjes.
En dat achter een van die venstertjes een afbeelding van Johannes de Doper zit,
die je na het openen van zo’n venstertje je streng aankijkt en zegt: ‘Addergebroed’.
In een andere preek stelt ze voor die regel op een kerstkaart te laten afdrukken
En iedereen een kerstkaart te sturen met daarop: ‘Jij addergebroed!’
Het was bedoeld als een humoristische plaagstoot richting de gemeente
En tegelijkertijd met een ondertoon van ernst.
Ik vermoedde dat ze de gemeente zo een vraag wilde meegeven
En door het op een humoristische manier te brengen de gemeente wilde laten nadenken
over een vraag die ze anders uit de weg zouden gaan:
Wat heb ik nodig om te veranderen? Door wie laat ik me gezeggen?
En dan niet in het algemeen, maar specifiek op God gericht:
Wie kan mij aanspreken, wie heeft over mij zoveel gezag dat ik naar hem of haar luister
als ik er op aangesproken wordt om mijn leven te veranderen, radicaal, een nieuw begin?
Een nieuwe weg die we inslaan, waar we niet meer van afwijken,
een nieuwe weg die niet even een bevlieging is, die we enkele weken volhouden,
maar radicaal, een totale nieuwe start, die de rest van ons leven bepaalt.
Johannes verkondigt zo’n nieuwe start met God op een speciale manier,
een manier om te laten zien hoe er een verschil is tussen het nieuwe leven
en het oude leven dat er tot dan toe was.
Johannes greep daarbij terug op een oud gebruik onder de Joden:
namelijk om jezelf met water te wassen voor je naar de tempel of de synagoge ging.
Om jezelf te reinigen voordat je God kon ontmoeten.
Voor Johannes was dat niet genoeg.
Wellicht had hij als buitenstaander, omdat hij zo in afzondering was opgegroeid
een scherp oog gekregen voor de afwijkingen in het volk
en gezien dat ze zich in het leven van God er wel makkelijk af maakten.
Elke keer als ze naar de synagoge of de tempel gingen, wasten ze zich,
maar het had geen effect op hun leven.
Ze bleven dezelfde mensen, die op dezelfde manier bleven leven.
In hun gedrag, in hun levensstijl veranderde niets.
Die reiniging was alleen maar iets voor de buitenkant.
Johannes moest met iets komen, dat ook de binnenkant veranderde,
zorgde dat het hart van de mensen die kwamen werd veranderd.
Dat ze ook echt andere mensen werden,
anders omdat ze nu wel God in hun hart hadden.
Daarom stond hij bij de Jordaan, om de mensen onder water te laten gaan.
Met het oude leven dat ze hadden,
Waarvan ze dachten dat het wel goed zat, dat ze er wel waren
omdat ze al aan deze kant van de Jordaan leefden,
en behoorden tot het volk dat God had uitgekozen.
Ze hielden alleen zichzelf buiten schot.
Ze dienden God wel, maar waren er met hun hart niet bij.
Dat is nu voorbij, zei Johannes en liet hen onder water gaan.

De Heidelberger Catechismus vraagt in zondag 33:
Uit hoeveel delen bestaat de bekering?
Antwoord: Uit twee delen: de afsterving van de oude mens
En de opstanding van de nieuwe mens.
Wat die afsterving betekent, en ook die opstanding:
We zien het in de doop die Johannes de mensen laat ondergaan.

Wat is de afsterving van de oude mens?
Het is een oprecht berouw hebben dat we God door onze zonden vertoornd hebben
En het steeds meer haten en mijden van de zonden.

Wat is de opstanding van de nieuwe mens?
Het is een innige blijdschap in God door Christus
en een lust en liefde om naar de wil van God alle goede werken te volbrengen.

Dat de mensen in de doop van Johannes niet alleen maar een scherpe kritiek hoorden
maar ook merkten dat daarin een nieuwe start met God te vinden was
blijkt wel dat ze met een grote menigte op Johannes afkomen om gedoopt te worden.
Voor Johannes is alleen de vraag: gebruiken ze de doop alsnog als uitvlucht
of grijpen ze de doop aan als werkelijk nieuw begin met God?
Zelf is Johannes er niet gerust op.
Zelfs zo’n radicaal ritueel dat aangeeft dat je opnieuw moet beginnen met God
kun je gebruiken om die radicale verandering die er in je hart nodig is,
buiten jezelf te houden en buiten schot te houden.

Maar dan is er nog steeds geen ruimte voor God en kan de Heere niet komen
in het leven, in het hart van de mensen die aangesproken zijn.
Het is Johannes’ taak om wegbereider te zijn,
om in de harten van de mensen, die voor hem komen en door hem gedoopt worden
ruimte te maken voor Christus.
Om de belemmeringen weg te halen, om de blokkades die er zijn uit de weg te ruimen
zodat er vrij ruimte voor de Heere komt om te komen in de harten.

Johannes is een bode van God, gestuurd om het volk klaar te maken voor Jezus,
om Christus te onthalen, in het hart te hebben,
en dan niet alleen voor de vorm, voor de buitenkant,
maar met Hem opnieuw te mogen beginnen, te kunnen beginnen.
God geeft een nieuw begin, door Johannes te sturen als wegbereider,
door Jezus te sturen die voor ons het nieuw begin is.
amen

Advent is geen tijd voor zwakkelingen

Advent is geen tijd voor zwakkelingen

In de afgelopen adventsperiode kon ik met
Advent: The Once & Future Coming of Jesus Christ (Fleming Rutledge, twitter: @flemingrut) een boek lezen, dat paste bij de tijd van het jaar. Dit boek bevat een groot aantal adventspreken, die Rutledge in de afgelopen decennia hield. Veel van die preken zijn gehouden in New York in de Grace Church, waar ze lange tijd aan verbonden was. Het lezen van dit boek was een indrukwekkende ervaring en leerde mij veel over de tijd van advent.
advent rutledge‘Advent is geen tijd voor zwakkelingen (sissies = mietjes)’, schrijft ze herhaaldelijk in een preek. Want in de periode van advent draait het om de wereld die duister is geworden door de macht van de boze, die in deze wereld kwam. De periode van advent is de tijd om de grote vragen te stellen, te worstelen met Gods leiding en aanwezigheid in deze wereld. Want in de lezingen van advent komt naar voren dat God de verborgene is.

Een eigen tijd
Advent is voor Rutledge geen voorbereiding op het Kerstfeest, maar een eigen periode met een eigen thematiek: de wederkomst van Christus. Rutledge is opgegroeid in de Episcopale kerk (de Amerikaanse tak van de Anglicaanse kerk) en vermeldt steeds dat in haar jeugd er geen kerstversieringen waren in de kerk en ook nog geen kerstliederen gezongen wordt. In haar preken geeft ze naar gasten in de kerk aan, dat ze zich misschien verbazen over het gebrek aan kerstsfeer in de kerk. Maar, zo geeft ze aan, als je advent gaat snappen, ga je er van houden en zou je niet anders meer willen.

yY623rKO_400x400

7 weken
De periode van advent is de tijd waarin er geen grotere kloof is tussen de sfeer binnen de kerk en de sfeer buiten de kerk. Buiten de kerk komt alles in de feeststemming. Black Friday, de dag na Thanksgiving, is het startsein om kerstinkopen te doen. Rutledge geeft aan, dat zij ook meedoet: ook zij heeft een schattige adventskalender en heeft in huis kerstkransen hangen. In de Anglicaanse kerk is de adventsperiode al begonnen voor Thanksgiving. Die periode begint 7 weken voor kerst en omvat de feestdag van de engel Michaël en de laatste zondag van het kerkelijk jaar (de zondag van Christus Koning). Het einde van het kerkelijk jaar gaat in de adventsperiode dan ook heel vloeiend over in het nieuwe kerkelijke jaar.

Tijd van donkerheid
Deze tijd van het jaar is volgens Rutledge de makkelijkste om te preken. Voorbeelden om de duisternis en de donkerheid van de adventsperiode liggen voor het oprapen. In alle preken komen gebeurtenissen uit het nieuws naar voren: de genocide in Rwanda, schietpartijen op scholen, de aanslagen van 9-11, ontwikkelingen in de Amerikaanse politiek, de crisis in de Amerikaanse kerken (waarvan ze in een voetnoot aangeeft, dat ze in haar eigen preken constateert dat die crisis al in de jaren-’70 begon).

Als ze de voorbeelden niet uit het recente nieuws haalt, dan haalt ze die voorbeelden wel uit artikelen uit de New York Times of interviews die ze tegenkwam en die ze bewaart in een knipselmap om later bij een preek uit te putten. Of ze heeft een boek gelezen over Abraham Lincoln, over Roméo Dallaire, de Canadese generaal die in Rwanda verbleef ten tijde van de genocide. Geregeld komt een van zijn uitspraken terug in preken: ‘In de tijd van de genocide was de hel leeg, want alle duivels waren actief in Rwanda.’ Het kwaad is overigens niet alleen iets dat in de ander woont, ook christenen hebben volop te maken met het kwaad in zichzelf en de vatbaarheid voor het kwaad.

Apocalyptisch
Rutledge heeft een apocalyptische visie op het Nieuwe Testament. Ze legt dat in haar preken ook uit: je hebt naast God, die de wereld geschapen heeft en de mensen die door God geschapen zijn ook nog een derde macht: de duivel. De duivel is de kwade macht die in de wereld gekomen is en die door Christus’ eerste komst verslagen is en met Zijn tweede komst definitief van deze wereld verdreven zal zijn. We leven, zoals ze vaak de dichter W.H. Auden aanhaalt: ‘in de tussentijd’. Je kunt in haar boeken merken dat ze een leerling is van onder andere J. Louis Martyn en dat ze veel opgestoken heeft van Raymond E. Brown.

Wederkomst
Zelden heb ik trouwens een boek gelezen waarin de verwachting van Christus’ Wederkomst zo’n rol speelt. Rutledge geeft ook aan, dat die verwachting in haar jeugd ook niet zo speelde. Toen ging het er vooral om dat Christus in je hart kwam. Door alle gebeurtenissen in en na de Tweede Wereldoorlog is de theologie het apocalyptische spreken van het Nieuwe Testament serieus gaan nemen en dat is in de preken van Rutledge volop te merken.

Oordeel
Veel preken gaan over apocalyptische teksten of over teksten waarin het oordeel van God wordt aangekondigd (waarbij ze zegt dat het vooral de mensen die zelf het oordeel vrezen vragen om deze thematiek in preken uit de weg te gaan). Of over de strijd tegen het kwaad, de geestelijke wapenrusting en het kwaad in onszelf. Omdat in de Middeleeuwen op de laatste zondag van advent gepreekt werd over de hel is ook een preek van haar over de hel opgenomen, die ze hield op de laatste adventszondag.

Workshop_of_El_Greco_-_Saint_John_the_Baptist_and_Saint_Francis_of_Assisi_-_Google_Art_Project
Johannes de Doper
Een belangrijke persoon die geregeld in de preken naar voren komt is Johannes de Doper. Hij is bij uitstek de persoon van advent. Hij is onderdeel van de oude wereld, de wereld van de belofte en tegelijkertijd hoort hij bij de nieuwe wereld, de wereld van de vervulling. Zijn taak is het om de gemeente klaar te maken om de messias te ontvangen. Hij doet dat door het oordeel aan te kondigen. Rutledge heeft duidelijk een zwak voor deze persoon. Ze zegt in verschillende preken dat ze wel eens een schattige adventskalender zou willen ontwerpen, waarbij je als je een van de deurtjes opendoet een ernstige Johannes de Doper je aankijkt en tegen je zegt: “Gij addergebroed’.


Deze prekenbundel is de moeite waard om meer van advent te weten te komen. Daarnaast is het de moeite waard om te zien hoe Rutledge omgaat met de Bijbellezingen in de preek en hoe ze haar preken in deze tijd plaatst.

N.a.v. Fleming Rutledge, Advent: The Once & Future Coming of Jesus Christ (Michigan, Grand Rapids: Eerdmans, 2018).

Preek zondagmorgen 18 februari 2018

Preek zondagmorgen 18 februari 2018

Mattheüs 11:2-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Inleiding: een vraag hebben
Heeft u nooit eens vragen over Christus?
Ik kan me niet voorstellen dat u nooit uw vragen hebt.
Over wat Christus doet in uw leven:
Waarom moest ik mijn man kwijtraken, mijn baan, mijn gezondheid?
Dat kunnen vragen zijn, die je bezig houden
en waardoor je geloof toch minder sterk was dan je dacht.
Er komt zachtjes aan een twijfel boven: is het allemaal wel waar?
Die vraag kan sterker worden als je niemand hebt om over die vraag te spreken,
als je niemand hebt, die begrip heeft voor je vraag,
die er naar luistert en er op een wijze manier op kan reageren.

Je hoeft niet zelf iets meegemaakt te hebben om zulke vragen te hebben.
Ook door wat er in de wereld gebeurt, kunnen vragen boven komen
waardoor je het allemaal niet meer zo zeker weet
of God deze wereld wel leidt, zoals Hij gezegd heeft.
Je hoeft maar naar een gebied te kijken als Syrië of als Jemen,
gebieden waar de oorlog niet ophoudt en steeds weer grote aantallen slachtoffers maakt.
Waarom doet God er dan niets aan?
Hij kan dat toch? Of wil Hij toch niet? Of kan Hij het toch niet?

Zo kunnen er in het hart van een gelovige heel wat vragen leven over God.
Mag je die vragen eigenlijk wel hebben?
Is het wel gepast om vragen te stellen bij God?
Maar al wil je die vragen wegdrukken, door mooie liederen te zingen
of het nieuws niet meer te volgen, die vragen krijg je niet weg.
Ze blijven leven in je hart.
Dan kun je hier in de kerk zitten, aan de buitenkant lijkt het dat je vol overgave mee doet,
maar van binnen kunnen er zoveel twijfels leven dat je je afvraagt
wat je hier in de kerk nog doet
en of je er niet beter aan doet om te stoppen met de kerk, met geloven.

(1) De vraag van Johannes
Ook Johannes heeft zijn vragen over Jezus.
Johannes heeft Jezus aangekondigd: Hij is degene die we verwachten.
Naar Hem hebben we uitgekeken. Hij is eindelijk gekomen!
Johannes heeft zelf zijn bijdrage geleverd.
Hij zei tegen de mensen van zijn eigen volk dat ze hun leven moesten veranderen.
Want het leven van zijn volksgenoten paste niet bij een leven met God.
Ze hadden God buitengesloten door hun manier van leven.
Johannes was doordrongen van de grote ernst van de situatie, de kritieke toestand:
Straks als God verschijnt hier in ons midden zal God onze rechter zijn.
Hij zal over jullie levens oordelen
en zoals het er nu voorstaat, is niemand het waard om bij Hem te horen.
Jullie zijn een boom, waaraan vruchten zouden moeten groeien,
maar jullie brengen niets voor God op.
Het is 5 voor 12, het is al zo erg dat er al een bijl aan jullie levensboom klaarligt.
God hoeft die bijl alleen nog maar op te pakken en jullie om te hakken.
Jullie zijn alleen nog maar geschikt om in het vuur te branden.

Er is nog een mogelijkheid om te ontkomen aan dat oordeel:
door je te laten dopen.
Door in de Jordaan de doop te ondergaan geef je als gelovige aan:
Ik begin helemaal opnieuw.
Mijn leven hiervoor heb ik verkeerd geleid
en ook mijn besnijdenis was geen garantie dat ik op de goede weg was.
Alleen door opnieuw te beginnen, opnieuw geboren te worden,
ontkom ik aan Gods oordeel.

Johannes zag zich geroepen om het volk te waarschuwen,
om hen de ernst te laten zien: zo op deze manier gaat het mis.
Er moet iets veranderen in je leven: bekeer je en laat je dopen.
Johannes is radicaal en spaart niemand.
Hij spaart niet de eenvoudige, gewone mensen.
Hij zwijgt niet als de Farizeeën en de Schriftgeleerden komen, maar klaagt hen fel aan.
Hij houdt zijn mond niet als er soldaten zijn: nee, ook zij moeten de wapens neerleggen.
Ook Herodes wordt niet gespaard.
Hij spreekt hardop uit dat wat de koning doet niet in de haak is.
De relatie die Herodes heeft aangeknoopt,
Herodes die het aanlegde met de vrouw van zijn broer
en zo het huwelijk van zijn broer kapot gemaakt heeft
door een relatie aan te gaan met zijn schoonzus Herodias.
Johannes zwijgt daar niet over. Publiekelijk vertelt Johannes dat dit niet kan.
en dan wordt Johannes in de gevangenis gegooid.

Als Johannes in de gevangenis zit, is hij niet pessimistisch.
Nee, hij is juist hoopvol gestemd.
Want hij, Johannes, mag dan wel vast zitten in de gevangenis,
maar er is iemand gekomen, die zijn taak overneemt en voortzet: Jezus.
Heel de verkondiging en ook het dopen is op de komst van Jezus afgestemd.
Want was er bij Johannes nog een mogelijkheid om tot inkeer te komen,
als Jezus Zijn werk zal doen, zal die mogelijkheid voorbij zijn.
Jezus zal de troon beklimmen en het volk aanklagen,
als rechter het volk oordelen: Wat heb je gedaan met de geboden van God?
Vol hoop wacht daar in de gevangenis Johannes
totdat Jezus orde op zaken zal stellen als Zoon des mensen,
vanuit de hemel gekomen om het volk te zuiveren van de goddelozen.

Dan hoort Johannes de verhalen over Jezus.
Zijn leerlingen komen bij hem in de gevangenis
en vertellen wat Jezus doet, terwijl Johannes in de gevangenis zit.
Jezus die zelf door Johannes is gedoopt
en over wie Johannes zei: Hij is degene die we verwachten.
Hij komt meer doen dan ik: Hij komt om het volk te dopen met Geest en vuur.
Mocht de prediking van Johannes al scherp en radicaal zijn,
Jezus zal met Zijn verkondiging en optreden Johannes overtreffen.
Zijn leerlingen komen met de verhalen.
Ze hebben Jezus zelf bezig gezien, of ze hebben over hem gehoord.
Ze vertellen over hoe Jezus  geneest.
Jezus heeft oog voor de zieken en de mensen met een lichamelijke beperking.
Blinden, die helemaal afhankelijk zijn van de hulp van anderen, worden genezen
en kunnen weer zien.
Mensen die verlamd zijn en zichzelf niet kunnen verplaatsen, kunnen weer lopen.
Mensen die te maken hebben met melaatsheid, huidvraat, worden genezen
en hoeven niet meer in afzondering te verblijven,
maar mogen weer terug naar huis.
Zelfs doden worden door Jezus opgewekt.
En Jezus heeft een boodschap – soms radicale uitspraken, verhalen en gelijkenissen.
Jezus vertelt over een nieuwe wereld die komen gaat: het koninkrijk der hemelen.

Mooie berichten – en toch komt er aarzeling bij Johannes:
Is dit het nu? Is dit nu er nodig is in Israël op dit moment?
Is dit wat Gods plan was?
Het is voor ons vreemd, want voor ons is met Jezus juist Gods plan uitgekomen
en zijn die wonderen die Jezus die verteld.
Waarom komt dan de twijfel bij Johannes? Wat had hij verwacht?
Waar blijft dat optreden van Jezus, waar Johannes op zou te wachten:
Schoon schip maken bij het volk, zodat het volk weer heilig genoeg is om met God te leven.

Daarom stuurt Johannes enkele van zijn leerlingen naar Jezus met een vraag:

‘Bent U het die komen zou, of verwachten wij een ander?’
Hebben we met Jezus wel de goede te pakken?
Het is een officiële delegatie die door Johannes wordt gestuurd.
Het is meer dan twijfel,
het is zelfs openlijke kritiek van Johannes op Jezus:
‘Waarom doe je niets? Je bent toch niet voor niets uit de hemel gekomen?
Waar wacht je nog op?
Waar blijft dat optreden van je? Waarom laat je de goddelozen hun plek behouden?
Waarom doe je niets aan de zonden van het volk
en trek je alleen maar rond om te genezen en te preken
Dan ben je toch geen messias? Ben je dat dan niet? Ben je niet de messias?

(2) Het antwoord van Jezus
Met deze vraag komen de leerlingen bij Jezus.
Kan Jezus wel tegen deze kritische vraag van Johannes?
Johannes staat dicht bij Jezus: Jezus is gedoopt door Johannes
en Johannes heeft op Jezus gewezen: naar Hem hebben wij uitgekeken.
En dan deze vraag van Johannes aan Jezus.

Christus blijft kalm.
Geen felle verdediging en Jezus reageert ook niet beledigd, maar rustig:
‘Zeg tegen Johannes wat je hier ziet en hier hoort.’
En dan volgt precies wat Johannes al weet.
Zeg tegen Johannes dat blinden weer kunnen zien, dat verlamden kunnen lopen,
dat de mensen die melaats zijn of te maken hebben met huidvraat genezen zijn.
Doden worden opgewekt.
Aan armen wordt het evangelie verkondigd.
Voor Johannes is er niets vreemds – dit weet hij al.
Zoals Jezus het echter vertelt, krijgt het een bepaald gezag.
Dit hebben de profeten aangekondigd, dat dit zou gaan gebeuren
als God weer terug zou komen in het midden van Zijn volk.
Dit zijn de tekenen die dan zouden gebeuren als God er weer was.
En dat Zijn de wonderen die nu gebeuren, nu Jezus er is.
Dat zijn de daden die de messias verricht.
‘Johannes, je had het kunnen weten, want dit staat ook in je Bijbel.’
Tegen Johannes, die vindt dat Jezus orde op zaken moet gaan stellen,
zegt Jezus: Ik ben ook gekomen om orde op zaken te stellen.
Ik ben namelijk gekomen om iedereen die buiten de boot viel, terug te brengen,
de verloren schapen van Israël weer terug te brengen naar dit volk.
Omdat ze anders ook niet bij God horen.
Johannes, jij wilt weten wat ik hier kom doen.
Je hebt over die wonderen gehoord, die Ik verricht,
maar het allerbelangrijkste, de climax, is de verkondiging,
de armen die over Gods nieuwe wereld horen,
de blijde boodschap, het Koninkrijk van God.

we vinden het mooi om te horen dat blinden weer kunnen zien, dat doven kunnen horen,
dat lammen kunnen opspringen en dat de doden uit hun graven komen,
maar de climax, het allerbelangrijkste is de verkondiging:
degenen die niets hebben, horen de blijde boodschap dat ook voor hen het Koninkrijk is:
zalig de armen van Geest, want voor hen is het koninkrijk der hemelen.
Al de wonderen die Jezus verricht ondersteunen de boodschap van Jezus.

Overtuigt dit antwoord?
Zou Johannes tevreden zijn met dit antwoord dat Jezus geeft?
Zal hij zeggen: ik weet genoeg, U bent inderdaad de messias?
Jezus zegt er trouwens nog iets bij, niet duidelijk of dat voor Johannes bedoeld is,

 

 

voor de leerlingen van Johannes of voor de menigte:
zalig degenen die geen aanstoot neemt. Zalig degene die niet over Mij struikelt.
Als we het zo lezen, dan komt op ons het antwoord van Jezus niet zo geloofwaardig over.
Jezus herhaalt wat de discipelen van Johannes ook al gemeld hebben aan Jezus.
Heeft Jezus dan niet meer te zeggen?
Is het ook niet onze vraag: Waarom doet Jezus niets?
Waarom blijft de aarde sinds het kruis hetzelfde en hebben oneerlijke mensen, zondaren,
goddelozen hun macht in deze wereld nog even goed als voor dat kruis?
Het antwoord van Jezus: Kijk naar wat ik doe, naar wat ik zeg
en let daarop wat het met God te maken heeft, het het over God zegt:
Eerst barmhartigheid. Barmhartigheid staat voorop.

Jezus laat het oordeel overigens niet achterwege.
Spreken over het oordeel en over Jezus die zal oordelen
is niet alleen iets van de Vrije Oud Gereformeerde Gemeente of de HHK.
Want Jezus zal later nog vaker over het oordeel spreken
en wat er gebeurt als Jezus terugkomt,
hoe dat over iedereen het oordeel wordt uitgesproken.
vgl. Betsäida en Chorazin.

(3) De vraag van Jezus
We kunnen niet alles aan de orde stellen.
Maar nog even wel de aandacht voor de vraag die Jezus stelt.
Aan de menigte.
Ooit las ik een boek van een hoogleraar Nieuwe Testament,
waarin hij iets schreef over deze passage.
Ik had daarvan in mijn Bijbel een aantekening bij gemaakt.
Deze hoogleraar was het opgevallen dat als er mensen bij Jezus komen met een vraag
er een antwoord komt en een wedervraag.
Die wedervraag, de vraag van Jezus, was bedoeld om die ander tot geloof te bewegen,
te doen nadenken over zichzelf en God, een uitnodiging om te bekeren
om het leven radicaal te veranderen en Jezus te volgen.
Want al was de insteek van Johannes en Jezus anders: het doel was wel hetzelfde.
Bekering, zodat het volk weer leeft met God.
Daarom komt die vraag van Jezus nu aan de menigte die de vraag hoorde
en die hoorde wat Jezus zei tegen Johannes.
Nu is het opeens weer positief over Johannes:
Toen jullie naar Johannes gingen, wat gingen jullie toen zien?
Iemand die zo instabiel is, steeds weer wijzigt van standpunt en plannen
net zoals riet in de wind op en neer beweegt?
Iemand die tegen de een scherp is en tegen de ander heel voorzichtig,
omdat die ander veel meer geld heeft? Nee, als er iemand stabiel is
en steeds dezelfde boodschap had, was het Johannes de Doper
Hoe denken jullie, mensen die om Mij heen staan, van Johannes?
Wat zag je in hem? Waarom gingen jullie zover weg om Johannes in de woestijn te zien?
Het is een vraag naar hun geloof,
naar de manier waarop ze tot inkeer komen.
Heb je de confrontatie van Johannes nodig of de barmhartige wijze van Jezus?
Heb je een scherpe kritiek nodig, waardoor je ogen opengaan
en je leven veranderd wordt?

Wat heb jij nodig om zover te komen dat Christus een plek in jouw hart heeft?
Geldt voor jou, dat je niet ging dansen,
toen het evangelie op een vrolijke manier werd gespeeld?
Ik hoor dat wel eens mensen van buitenaf zeggen: Bij jullie heb je vrolijke liedjes.
Maar doen ze wat? Brengen ze je zover dat je meedoet, dat je meezingt,
Ik wil zingen van mijn Heiland
Of zing je, maar blijft je hart koud en kil, onbewogen?
Of heb je een ernstige boodschap nodig, zoals ik pas hoorde bij de Vrije Oud GerGem.
Ook dat kan je hart afsluiten: ouderwets, niet meer van deze tijd.
Ik bedacht dat de inhoud weinig afwijkt van onze manier van preken.
Goed een andere toepassing, een andere manier van preken en diensten,
maar wel een ernst – het gaat ergens om: om je eeuwige zaligheid
om in te gaan in het koninkrijk van God.
Of ben je net als degene die zag hoe de kinderen begrafenisje speelden,
maar je deed niet mee, je stond erbuiten.
Nu even geen zwaar gedoe.
Het gaat om je hart, het gaat erom dat je je gewonnen geeft.
Juist als je twijfelt wie Jezus is, juist als je twijfelt of dit Gods weg is,
dan kan het volgen moeilijk worden,
dan is het niet eenvoudig om je over te geven en te knielen en te zeggen:
U bent mijn God.

Ik geef mij gewonnen:

Ja ik geloof, ja ik geloof,
dat Jezus voor mij stierf
en dat Hij aan het smaad’lijk kruis,
mijn eeuwig heil verwierf.

Wat is er nodig? Radicale en ernstige verkondiging – een preek van Johannes?
Of de manier van werken van Jezus – Gods barmhartigheid, eerst toch weer een kans?
Beide manieren kun je afwijzen. Voor beide manieren van preken kun je je hart sluiten.
Hoort u bij die generatie, die niet luisterde toen het ernstig was
maar ook niet meedeed toen het een vrolijke boel was of omgekeerd.
‘Dit is niet iets voor mij!’ Waarom zou het niet voor u, voor jou zijn?
Of het nu op een liefdevolle manier gaat, vol barmhartigheid,
of ernstig, onder dreiging van het komende oordeel:
Het doel is hetzelfde: dat u komt en zich gewonnen geeft
aan deze messias, deze Christus
en dat u zegt, dat jij belijdt: Mijn Heere en mijn God.
We begonnen met onze vraag aan Jezus.
Het eindigt met de vraag van Jezus aan ons.
Dan zijn niet alle vragen weg, maar hebben we wel te antwoorden Zijn vraag.
Zijn vraag die ons wil winnen voor Zijn koninkrijk
en dat u zegt, dat jij belijdt: Mijn Heere en mijn God.
Amen

 

 

Preek zondagmorgen 15 januari 2017
Johannes 1:19-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Johannes heeft alles in zich om de aandacht naar zich toe te trekken:
dat hij doopt en dat veel mensen op zijn doop afkomen
trekt zoveel aandacht dat er een officiële delegatie vanuit Jeruzalem gestuurd wordt
naar de Jordaan waar Johannes doopt
om erachter te komen wie die man is die doopt
waarom hij dat doet en waar hij het gezag vandaan haalt om te dopen.

Tegen de mannen die vanuit Jeruzalem gestuurd zijn om te achterhalen wie hij is
had Johannes uitgebreid kunnen vertellen over zijn doop
en over de reden waarom hij mensen uit zijn eigen volk doopt,
terwijl zij al bij het verbond van God met Zijn volk horen
en als teken daarvan de besnijdenis hebben ontvangen.
Johannes had deze priesters, die in de tempel de dienst aan God verrichten
kunnen vertellen dat zijn doop een kritiek is  
op het werk van de priesters en levieten is in de tempel.
Die kritiek zouden ze dan kunnen bespreken en wellicht ter harte zouden kunnen nemen.
Johannes heeft de gelegenheid dat zijn stem wordt gehoord in Jeruzalem,
door de priesters en de Levieten en de Farizeeën, dat zijn boodschap besproken wordt.

Maar Johannes wil deze aandacht niet voor zichzelf.
Hij heeft maar één doel: alle aandacht naar Christus.
Als mensen met hem bezig zijn, gaat dat ten koste van de aandacht voor Christus
en dat is niet wat Johannes wil: geen aandacht voor zichzelf.
Johannes is als een gemeentelid die tegen een predikant zegt:
Niet teveel aandacht voor de personen  in de Bijbel,
maar vooral aandacht voor Christus,
want als je je met de personen van de Bijbel bezig bent,
kun je zo maar met hen als mensen bezig zijn
en kun je uit het oog verliezen dat het hen om Christus gaat.
Als je bij personen uit de Bijbel stil staat, zoals Johannes
is om hen tot voorbeeld te maken,
zodat wij aan Johannes kunnen zien hoe wij Christus centraal kunnen stellen.
Als een schijnwerper die in op een donkere avond een gebouw verlicht,
zodat het gebouw toch zichtbaar is – zo wil Johannes zijn,
die Christus in het volle licht wil zetten:
het gaat om Hem – en niet om mij.
Dat is wat Johannes zegt: ik ben Hem niet.
Hij is er al wel, dichterbij dan je denkt, hier in ons midden, onder ons,
Hij heeft zich nog niet bekend gemaakt en dat mag ik gaan doen.
Dit is het getuigenis van Johannes – daar gaat het om,
om de persoon om wie dat getuigenis draait: Jezus Christus.
Hoe spreek je zo over Jezus Christus
dat de mensen niet met jou als spreker bezig zijn, maar met je Heer,
Met Christus zelf en dat ze door je woorden heen Christus zelf mogen zien?
Dat er geloof in Hem gewekt wordt.
Getuigenis – dit is een woord dat in later tijd een bijzondere betekenis krijgt.
Martyria – daar groeit later het woord ‘martelaarschap’ uit,
omdat christenen een hoge prijs moesten betalen voor het getuigenis over Christus.
In de tijd dat Johannes zijn evangelie schreef al: je kon buiten de synagoge worden gezet,
het geloof in Christus kon ervoor zorgen dat je buiten je familie komt te staan
en niemand meer met je te maken wil hebben.
En als de boodschap over Christus over het Romeinse Rijk wordt verspreid
wordt de prijs nog hoger: dan worden gelovigen vanwege hun getuigenis gedood,
ze worden martelaar; omdat ze het getuigenis niet wilden opgeven, werden ze gedood.
Ze hielden vast aan hun Heer.

Onlangs ging ik in een gemeente voor, waarin ook een Pakistaans gezin was.
Ik sprak hen na afloop, omdat ik niet wist of ze christen of moslim waren,
want in het land is nog geen 5% christen
en ik wilde er zeker van zijn dat ik hen niet ten onrechte als christen had bestempeld.
Ze waren inderdaad christen, afkomstig uit een familie van predikanten en pastors.
Ze waren gevlucht, omdat de vrouw een Bijbel had gegeven aan een collega.
Deze collega leek heel oprecht geïnteresseerd in het christelijk geloof,
maar verraadde haar bij de politie en het gezin werd opgepakt en opgesloten en mishandeld.
Ze vluchtten naar Nederland en wachten hier op de mogelijkheid om asiel aan te vragen.

Getuigenis – dat is niet alleen maar met woorden, niet alleen het gesprek aangaan,
maar getuigenis is een manier van leven,
waarmee je voor jezelf en voor anderen wil aangeven:
in mijn leven is Christus het allerbelangrijkste.
Al het andere in mijn leven is daaraan ondergeschikt
en door te getuigen, of dat nu met je woorden is, of met je hoe je bent, hoe je doet,
hoop je dat anderen in je omgeving daar iets van oppikkken,
gaan nadenken over Christus, geprikkeld worden: hier moet ik meer van weten,
nieuwsgierig worden: zou het ook iets voor mij zijn?
Op zoek gaan: dat wil ik ook, dat leven, die Heer in mijn leven,
hebben ze het over Christus? Daar wil ik meer van weten. Kan dat ook voor mij?
Johannes is gelukkig als de mensen die op hem afkomen het over Jezus hebben
en Christus vinden.
Zijn discipelen zet hij ook op het spoor van Christus, zodat ze niet meer bij hem blijven
maar Jezus gaan volgen.
Hij is gelukkig als anderen door zijn woorden en door wat hij doet over Jezus horen
dat ze gaan zien hoe Hij in hun leven aanwezig is,
Hij is al dichterbij dan je denkt, in jullie midden, onder ons.
Waarom zijn jullie zo met mij bezig, ik ben Hem niet. Je hebt de verkeerde!
Je moet Christus hebben en ik ben Hem niet.


Soms kan het zijn dat mensen met je bezig zijn vanwege je geloof,
Dat ze vinden dat je een raar geloof hebt, merkwaardige opvattingen
en soms zelfs dat die opvattingen zo raar en vreemd zijn, dat ze bestreden moeten worden
en uit de wereld geholpen.
Dan kunnen mensen met je bezig zijn: hoe kun je nou geloven?
Jij bent toch niet dom, toch niet onredelijk?
In de vorige gemeente vertelden catechisanten dat ze dat geregeld meemaakten,
dat medestudenten dat vol verbazing tegen hen zeiden: ‘Jij? Ben jij gelovig?’
Dat irriteerde hen, omdat daaruit de suggestie sprak dat geloven iets vreemds is.
Voor Johannes gaat het niet om hem en om de merkwaardige dingen die hij zegt en doet.
Niet om zijn woorden en om zijn dopen, maar om degene die na hem komt
en die er al voor hem was: Christus.

Ook al heeft het dopen van Johannes genoeg in zich om rumoer te veroorzaken,
om voor opschudding te zorgen, dat mensen erover spreken
en zelfs een officiële delegatie erop af komt/.
De doop heeft de betekenis van: terug naar af, opnieuw beginnen,
zoals Christus zelf dat later tegen Nicodemus zegt: als je niet opnieuw geboren wordt,
helemaal opnieuw, vanaf het allereerste begin beginnen, terug naar af.
De doop van Johannes geeft aan: een nieuwe start is nodig, een nieuwe start met God.
Alsof iemand straks bij de uitgang van de kerk staat en tegen u als gemeente zegt:
jullie zijn als baby gedoopt, maar dat moet nog een keer gebeuren,
helemaal opnieuw beginnen.
Geen wonder dat er een delegatie wordt gestuurd, waaruit de nodige verontrusting blijkt.
Wie is die man daar bij de Jordaan?
Waarom doet hij dat en met welk doel?
En waar haalt hij zijn bevoegdheid vandaan?
Heeft hij niet zichzelf aangesteld?
Ik zag ooit een Amerikaanse film waarin iemand zichzelf doopte,
omdat hij tot de overtuiging gekomen was dat hij een missie had die hij alleen moest beginnen.
Dat is het gelijk van deze mannen uit Jeruzalem:
een roeping mag worden getoetst: aan de Schrift.

Het is een officiële delegatie: priesters, Levieten en farizeeën.
Dat zijn niet de minsten. Het is nogal officieel:
priesters die in de tempel dienst doen, dienst aan God.
de verbinding tussen de mensen en God tot stand brengen,
hen meenemen in de liturgie naar Gods troon,
voor hen de offers brengen, die hun dankbaarheid tot uitdrukking brengen,
de offers die ze brengen vanwege hun zonden, om gereinigd te worden
en God weer onder ogen te kunnen komen, tot hem bidden, met Hem leven.
Levieten, die de priesters daarbij helpen, als diakenen of kosters,
die het volk onderwijs geven over Gods Woord, als catecheten, kerkelijk werkers, ouderlingen.
Farizeeën, die vinden dat het dienen van God niet alleen in de woorden zit,
niet alleen in mooie, indrukwekkende erediensten, met een mooi koor, goede zangers,
maar dat het als je buiten de tempel bent, ook in praktijk gebracht moet worden.
Johannes bevindt zich op hun terrein, hij doet wat zij horen te doen.

Je zou verwachten dat zulke mensen hun inlichtingen al klaar hebben.
Dat ze weten dat hij Johannes heet.
Ze zullen het nodige over Johannes gehoord hebben.
Wat ze komen doen is vragen naar zijn identiteit.
In het evangelie van Johannes is dat een belangrijk thema: identiteit.
Allereerst de identiteit van Jezus – is Hij echt de zoon van God
en hier ook naar de identiteit van Johannes.
Johannes, wie ben jij werkelijk? Wat gaat er in jou om? Wie dien je? Wie heeft je aangesteld?
Ben jij soms de Christus?

Ook dat is een kenmerk van het Johannesevangelie: die vragen.
Ben jij soms de Christus?
Nee, zegt Johannes, ik ben Hem niet.
Zijn doop, zijn optreden, zijn woorden, ze roepen wat op.
En de delegatie zet hoog in: zou Johannes soms de beloofde messias zijn?
Nee, die ben ik niet.
In dit antwoord gaat het eigenlijk al om Christus,
het wijst vooruit naar Jezus die wel zal zeggen: IK BEN.
Ik ben … het licht van de wereld, ik ben … de goede herder. Zeven keer “Ik ben”.
Jullie moeten niet met mij bezig zijn,
maar met Hem, die wel kan zeggen: IK BEN het.
Met zijn nee richt Johannes de schijnwerper op Christus.
Bij Hem moet je zijn.
In het evangelie van Johannes krijgt Johannes de Doper, Johannes de Getuige
een bijzondere rol.
Niet de voorloper zoals bij de andere evangeliën,
die het volk gereed moet maken om de messias te kunnen ontvangen,
niet een voorbereider, maar een aankondiger,
iemand die onthult wat er al reeds is.
Jezus die gekomen is, die al op aarde rondloopt en zich elk moment kan laten zien,
zodat ook zij, de priesters en Levieten, de farizeeën Jezus kunnen zien.
Hier koos de Heer zich vaste voet.
Hij heeft zijn stappen al gezet, zonder dat jullie dat opmerkten.
Hij is al aan zijn missie begonnen, zonder dat jullie je daarvan bewust waren.
Jullie zijn dan wel met mij bezig, met mijn doop,
Maar weet je wel dat Hij er al is? Het woord is vlees geworden – en dat woont nu onder ons.

De volgende dag hoeft Johannes niet alleen met woorden over Jezus te spreken
en niet alleen door woorden op Jezus te wijzen,
maar mag Johannes Jezus ook aanwijzen, omdat Jezus naar hem toekomt.
Zie, het lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt.
Ook dat “Zie!” is bij Johannes een belangrijk woord:
dat houdt in: laat het op je inwerken en geloof het.
Je mag het zelf ook zien en ervaren.
Het Lam van God dat de zonde der wereld wegdraagt.
Waarom sta je bij mijn doop stil, als je in Hem iemand hebt gevonden,
die je niet alleen zegt dat je opnieuw moet beginnen, die niet alleen die boodschap heeft,
confronterend en radicaal,
maar die er ook voor zorgt dat je opnieuw kunt beginnen:
het Lam van God dat de zonde der wereld wegdraagt.
Ik doop met water, maar weet je waar Hij mee doopt?
Dat kan ik je niet geven: Hij zal je dopen met de Heilige Geest.

Dit is het getuigenis van Johannes,
dat hij mag aanwijzen wie Jezus is,
dat hij mag onthullen dat Jezus gekomen is, op aarde.
Het gaat niet om Johannes zelf, maar om dat Lam van God, om Christus,
het gaat om ons getuigenis, dat wij het Johannes kunnen nazeggen,
waarbij de woorden in ons resoneren, omdat ze woorden van geloof zijn, onze eigen woorden:
Ik heb gezien en getuigd dat Jezus de zoon van God is.
Hebt u dat ook gezien? Is dat ook uw getuigenis?
amen

Preek zondag 24 januari 2016

Preek zondag 24 januari 2016
Lukas 7:18-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je moet maar durven: je twijfel over Jezus openlijk te verwoorden.
Zou u dat doen?
Onlangs hebben we als kerkenraad besloten
om meer aandacht te vragen voor kwetsbaar opstellen.
Johannes stelt zich hier wel heel kwetsbaar op.
Zo kwetsbaar, waarbij je hardop je vragen bij Jezus hardop stelt,
zullen we ons binnen een kerkenraad niet zo snel opstellen.
Hoe zou de andere kerkenraadsleden reageren
als u de vraag die Johannes  aan Jezus stellen ook eens hardop stelde
tijdens een kerkenraadsvergadering:
‘Is Jezus wel de ware? Is Hij wel degene die door God gestuurd is?
Of moeten we op zoek gaan naar iemand anders?’
En hoe zou u als gemeente reageren
als u zou horen dat deze vraag serieus tijdens een kerkenraadsvergadering werd gesteld,
Waarbij duidelijk werd dat een van de kerkenraadsleden openlijk twijfelt?

De een zal zich zorgen maken.
Als een ambtsdrager twijfelt en die twijfel ook nog eens openlijk verwoordt,
hoe kan zo iemand dan nog geloofwaardig ambtsdrager zijn?
Dan hoor je toch voor de waarheid te staan?
Een ander zal zeggen:
‘Gelukkig. Eindelijk iemand in de kerk die ook eens durft te zeggen wat ik ook heb.
Ik ben niet de enige met mijn twijfels.’

Johannes de Doper is nog wel meer dan de gemiddelde ambtsdrager.
Er zullen weinig ambtsdragers zijn
die zichzelf met Johannes de Doper zullen vergelijken.
Deze Johannes is niet de minste:
de belangrijkste van iedereen die uit een vrouw geboren is.
Er is in heel onze geschiedenis niemand die belangrijker is dan hij, zegt de Heere Jezus.
Nou, ga dan jezelf maar eens met deze Johannes vergelijken.
Johannes met zijn indringende boodschap
dat Gods tijd gekomen is om van iedereen rekenschap te vragen
wat iedereen met zijn leven heeft gedaan
en Johannes was van mening dat er maar weinigen waren
die zomaar door dat oordeel heenkonden:
De bijl ligt al aan de wortel.
Het is al bijna de tijd dat de boom van uw, van jouw leven zal worden omgehakt.
Er is maar één manier om jezelf te redden:
dat je je omkeert naar God toe en je leven verandert.
Johannes zou een prediker zijn die in Oldebroek zou worden gewaardeerd:
een prediker die zei waar het op stond,
die er niet omheen draaide en je aan durfde te spreken
en daarbij ook heel concreet zei, wat je moest doen.
Profetische prediking: de boel op scherp stellen.

Als mensen dan bij hem kwamen voor een makkelijke bekering,
een bekering zonder al te veel consequenties voor het dagelijks leven
schudde hij zijn hoofd en riep verontwaardigd:
‘Wie heeft jullie wijsgemaakt dat je zomaar aan het oordeel van God kunt ontsnappen?’
Zeker als ze bij hem kwamen om zich te laten dopen
als die doop alleen maar betekende dat hun zonden afgewassen worden.
Nee, als hij de mensen liet dopen betekende dat een heel nieuw leven,
waarbij je brak met het oude leven.
Als je meer had dan je kon gebruiken, moest je dat delen:
als je twee mantels had, moest je de ene geven aan wie niets had.
Als je met geld werkte, moest je eerlijk zijn.
Hij besefte dat zijn werk slechts voorlopig was: Ik doop maar met water.
Maar er zal Iemand komen die jullie zal dopen met vuur.
Ik mag dan scherp zijn in mijn woorden, maar er is bij mij nog een omkeer mogelijk.
Degene die nu mij komt, zal jullie het vuur van Gods oordeel laten ondergaan.

Opeens is daar twijfel gekomen bij Johannes de Doper.
Geen twijfel over zijn eigen boodschap die hij bracht, maar twijfel over Jezus.
Wat is er terecht gekomen van die man die het vuur zou brengen?
Het vuur van Gods toorn en oordeel: louterend en zuiverend,

Gij zult hen, daar G’ in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
’t Goddloze volk wordt haast tot as,
’t Zal voor Uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloende kolen.

Wat komt daarvan terecht in het optreden van Jezus?

Het gaat er wel erg makkelijk aan toe, bij Jezus:
Genezingen en wonderen, dat wel, bijzondere verhalen om je over te verbazen,
maar geen oordeel dat voltrokken wordt, geen vuur
geen enkele goddeloze is verdwenen,
degenen die zich tegen God keren en de gelovigen onderdrukken gaan gewoon door
met hun praktijken, hun macht wordt niet gebroken.
Kan Jezus dan wel degene zijn die verwacht wordt?
Het zit Johannes hoog: hij stuurt een delegatie naar Jezus toe,
om hem rekenschap te vragen. Leg maar verantwoording af van wie je werkelijk bent.

In onze tijd kan twijfelen een mode zijn.
De twijfel waar ik over heb is dan een soort vrijblijvendheid
om niet alles te hoeven te doordenken
om jezelf niet helemaal te geven.
Dat is niet de twijfel die Johannes heeft.
Voor Johannes staat er echt wat op het spel.
God zelf staat op het spel en ook zijn eigen missie hier op aarde.
Promoot Jezus niet een bepaalde vrijblijvendheid,
een soort geloof waar je je goed bij voelt, dat niet teveel kost?
Waar blijft de strijd tegen de zonde en het ongeloof, tegen de vijandschap richting God?
Het gaat wel erg makkelijk bij Jezus.
Je kunt zomaar de hemel binnenlopen, zomaar het Koninkrijk van God in.
Bent U wel degene die we verwachten? Die komen zou?
Of wachten we op iemand anders, die wel komt doen wat U nalaat?

Mooi is het dat de twijfel, de kritiek van Johannes vermeld wordt
in het evangelie over Jezus Christus.
Deze kritiek doet ertoe, de vraag van Johannes is niet zomaar een vraag,
van een kritisch iemand die overal wel wat op aan te merken heeft.
Op de rand van het ongeloof,
en toch anders dan de openlijke twijfel van de Farizeeën en de Schriftgeleerden.
Wat is eigenlijk het verschil?
Is de kritiek van Johannes eigenlijk niet net zo scherp als die van hen?
Mooi is het dat Jezus deze openlijke kritiek, deze twijfel toelaat.
Hij wordt er ook niet zenuwachtig van. Jezus schiet niet in de verdediging.
Mooi is ook dat Johannes zijn twijfel en kritiek bij Jezus brengt,
de dialoog aangaat – net als in de klaagpsalmen wordt geworsteld met God:
niet klagen over Jezus, maar worstelen met Jezus,
een gebed waarin er een appèl gedaan wordt op Jezus, zoals in de psalmen:
Doe er wat aan, aan dat onrecht, aan die goddeloosheid,
aan degenen die Gods werk en Gods kinderen dwarszitten en tegenwerken.
Zo kan het toch niet langer, dat Gods volk verloren gaat,
door de verkeerde wegen die voorgehouden worden door de leiders.
Heer, uw volk gaat verloren!
Johannes brengt zijn twijfel bij Jezus
en geeft Jezus de mogelijkheid om te reageren,
om te laten zien dat Hij wel degelijk de verwachte is.
Dat Johannes niet tevergeefs zijn hoop op Jezus heeft gesteld.

Als de boden bij Jezus komen, is Jezus bezig met zijn werk, zijn missie:
Genezing van zieken, verlamden die kunnen lopen,
boze geesten die verdreven worden, blinden die zien
Hij voegt er nog aan toe:
doden worden opgewekt en armen krijgen het evangelie te horen.

Kijk en luister – laat het op je inwerken wat er gebeurt.
Dat is het antwoord aan Johannes.
Wat is dat nu voor een antwoord?
Waarom zegt Jezus niet gewoon: “Ik ben het!”?
Waarom een antwoord door middel van de daden?
Omdat Jezus uit zijn daden is te kennen.
Zijn daden zijn het teken dat Hij het is.

Die genezingen niet zomaar zijn, niet zomaar wonderen.
Uit het Oude Testament is bekend dat men een ziekte kon ervaren als een oordeel,
waarbij God afwezig is en men een grote afstand tot God ervaart.
Nu zullen we dat niet zo snel meer zeggen, gelukkig,
maar ook vandaag de dag kan iemand die ziek is een grote afstand ervaren,
overvallen worden door vragen: waarom moest dit zo
en God op een grote afstand ervaren worden.
Kan de twijfel je overvallen: is dit nu Gods weg die ik moet gaan. Waar is Hij?

Wat zei diezelfde profeet die Johannes als wegbereider aankondigde?
Onze ziekten heeft hij op zich genomen, ons leed heeft hij gedragen.
Het klassieke avondmaalsformulier geeft daar een betekenis aan,
die de diepte raakt van wat Jezus als antwoord aan Johannes meegeeft:
Hij heeft de oorzaak van onze eeuwige armoede en honger op zicht genomen.
Het is niet de tijd van Gods oordeel, maar de tijd van Zijn heil,
waarbij al het verbrokene wordt geheeld,
waarbij de zonde vergeven wordt
en het oordeel van God gedragen – door Jezus zelf.
ezus’ weg op aarde anders dan verwacht: degene die gekomen is:
God komt in
Christus niet om aan onze verwachtingen te voldoen,
maar om vergeving van zonden te brengen en Gods wil te doen.

Het gaat wel erg makkelijk bij Jezus.
Ja, omdat Hijzelf in dat oordeel gaat, dat oordeel draagt,
gedoopt wordt in het vuur van Gods oordeel.
Later zal Jezus het zeggen, als Hij op weg is naar Jeruzalem:
dat Hij gekomen is om het vuur op aarde te brengen.
Dat oordeel is niet weg,
maar Hij voegt er aan toe: ik moet met een doop gedoopt worden
en die doop beklemt mij, totdat die is volbracht.
Jezus valt Johannes ook niet af.
Ook al waarschuwt hij Johannes, dat hij niet over Jezus moet vallen.
Dat werk van Johannes is een belangrijk werk geweest.
Een nieuwe Mozes was Johannes, die het volk uit de slavernij van de zonde moest leiden:
Een engel, een bode die voor jullie uitgezonden is,
zoals in de woestijn de weg gewezen werd voor het volk om in Kanaän te komen.
Een Elia, die eerst komt.
Johannes erfde de staf van Mozes en de mantel van Elia.
Zo wees Johannes jullie de weg naar God.

Het gaat bij Jezus wel gemakkelijk, zou je kunnen denken.
Maar of nu het oordeel aangekondigd wordt of de genade ruimhartig uitgedeeld
beiden zijn geen garantie voor geloof.
Het is niet zo, een sterke oordeelsprediking de mensen sneller bij God brengt.
Want ook bij een oordeelsprediking kunnen mensen voor de vorm geraakt zijn,
zoals de mensen bij Johannes kwamen om zich te laten dopen
en toen wel dachten dat ze klaar waren.
En ook de boodschap van de liefde van Jezus, van Zijn genade,
Daar kunnen de mensen aan voorbij gaan.
In beide gevallen kun je op een afstand blijven staan,
niet aangeraakt, onveranderd blijven.


Net als bij de kinderen, die een spel spelen.
Daar hoor je bij mee te doen.
Zoals mijn zoon elke dag komt vragen: een potje stratego, een potje rummikub?
Zoals een van mijn dochters naar mij toekomt en met me wil dansen.
Kinderen willen dat je in hun spel meedoet
en als je niet meedoet, ben je spelbreker.
Het is niet leuk als ik als vader niet meedans,
de kans op een potje stratego afsla.
Waarom blijf je bij een spel op een afstand? Waarom doe je niet mee?
Het is niets voor mij. Geen tijd. Nu niet, later.
We hebben op de fluit gespeeld en je hebt niet gedanst.
We hebben een klaaglied gezongen, maar je wilde niet verdrietig zijn.

Dat is het menselijk hart: dat kan onbewogen blijven bij wat God doet.
Of dat nu een scherpe oordeelsaankondiging is,
een krasse oproep je leven te radicaal te veranderen
of een vreugdevolle uitnodiging om mee te doen – je kan onbewogen blijven.
Maar dan doe je niet mee: niet mee met Jezus en deel je niet in Zijn redding,
dan is je oordeel niet weggedragen.

Zalig die aan Jezus geen aanstoot neemt,
Zalig die niet op een afstand blijft staan, maar gaat
Het is gemakkelijk om te blijven staan, op een afstand,
als een volwassene die geen zin heeft in kinderspelletjes,
als een mens onbewogen onder Gods oordeel,
onaangedaan door zijn blijk van liefde in zijn zoon Jezus Christus.
Zalig wie gehoor geeft en meedoet,
in Jezus een nieuw leven begint. Werkelijk nieuw, weggeroepen uit de zonde
en vergeven en de weg van Jezus gaat
ook in je dagelijkse bezigheden –  net zo concreet als Johannes deed.
Amen

De doop van Jezus door Johannes in de Jordaan

De doop van Jezus door Johannes in de Jordaan
Homiletische aantekeningen bij Lukas 3:21-22

Exegetisch
Het evangelie van Lukas vertelt de doop van Jezus in de Jordaan niet zo uitgebreid als het evangelie van Mattheüs. Net als in het evangelie van Markus is de doop van Jezus beknopt gehouden. Lukas legt wel eigen accenten:
– Lukas vermeldt dat Jezus wordt gedoopt samen of net nadat heel het volk is gedoopt. In de doop is Jezus één met Zijn volk. De doop die Jezus ontvangt, is geen andere doop dan die het volk ontvangt.
– Lukas vermeldt in zijn evangelie vaak dat Jezus in gebed is. Ook bij de doop in de Jordaan is Jezus in gebed. Als handeling duurt het gebed langer dan de doop. De aoristus geeft aan dat de doop reeds achter de rug is.
– De hemel scheurt zich niet, maar opent zich.
– Lukas vermeldt dat de Heilige Geest in de lichamelijke gedaante van een duif neerdaalt op Jezus. De duif daalt niet neer als Jezus opsteeg uit het water, maar als Hij in gebed is.
– Na de doop vermeldt Lukas eerst de afkomst van Jezus voordat Hij de woestijn in gaat.

De doop die Jezus ontvangt, is geen andere doop dan die het volk ontvangt. De doop die het volk ontvangt is de doop der bekering tot vergeving van zonden, die door Johannes wordt verkondigd (zie vers 2: kèrússoon báptisma metanoías eis aphesin hamartioon). De doop in de Jordaan geeft aan dat het volk de grens met het beloofde land opnieuw moet passeren. Anders dan bij de uittocht, toen de HERE een weg baande voor het volk, moet het volk nu ondergaan in deze rivier. De doop drukt uit dat het door de dood en de ondergang heen gaat naar het nieuwe leven. Aan de andere kant drukt de doop ook uit, dat bekering een mogelijkheid is die God geeft. Het volk leeft buiten het verbond, maar krijgt van de HERE de kans om terug te keren.
Deze doop ondergaat Jezus ook. Hij hoeft niet terug te keren. Hij is juist gekomen om Zijn volk te redden van de zonde. Jezus ondergaat de doop vanuit solidariteit met Zijn volk, dat bereid is terug te keren tot zijn God. Maar dat niet alleen. Op deze grens, die de omkeer van het volk aangeeft, vindt er een openbaring plaats: de hemel openbaart dat Jezus de Zoon van God is. Op basis van het evangelie van Markus zou men nog kunnen zeggen, dat Jezus door Zijn doop werd geroepen tot Zoon van God. Op basis van het evangelie van Lukas kan men dat niet zeggen. Al bij de aankondiging van Zijn geboorte werd over Jezus gezegd, dat Hij de Zoon van God is (1:35). Ook Jezus’ achterblijven in de tempel laat zien, dat Jezus de Zoon van God is.
In de doop gaat het dus om de onthulling en de openbaring van Jezus als Zoon van God. De komst van de Heilige Geest in de lichamelijke gestalte van een duif is niet het startpunt van de Heilige Geest in het leven van Jezus. Al vanaf Zijn ontvangenis was de Geest in Hem aanwezig. (Zoals Hij bij Zijn dood aan het kruis de Geest (terug)geeft). De Geest daalt op Jezus neer als demonstratie: de Zoon van God heeft de Geest reeds ontvangen. Die Geest zal later op het Pinksterfeest aan al Zijn gelovigen worden geschonken.
Ook de stem klinkt niet voor Jezus zelf, maar voor het volk. In een combinatie van teksten uit het Oude Testament:
Gij zijt Mijn Zoon: een verwijzing naar Psalm 2. Ook in die psalm ligt het accent niet op de roeping tot Zoon van God, maar op de demonstratie en onthulling m.b.t. wie de zoon van God is. In het citaat in Lukas wordt de volgorde wel omgewisseld ten opzichte van de Septuaginttekst van Psalm 2.
de Geliefde: deze aanduiding is niet terug te vinden in Psalm 2 of in Jesaja 42. Volgens Joel B. Green is het mogelijk een verwijzing naar Genesis 22, waar Abraham zijn zoon, die hij liefheeft, moet offeren. In dat geval zou het een impliciete verwijzing zijn naar het kruis. De aanduiding de geliefde is al aanwezig in de variant van Markus. Lukas kan dit ‘gewoon’ hebben overgenomen, maar de eventuele impliciete verwijzing naar Genesis 22 past ook goed in de theologie van Lukas.
in U heb Ik welbehagen: een verwijzing naar Jesaja 42, waar gesproken wordt over de knecht des Heren. Deze knecht des Heren speelt in Deuterojesaja een belangrijke rol in het heilsplan van God en wordt in dit evangelie met een Messiaanse betekenis toegepast op Jezus. God heeft in Zijn Zoon een welbehagen, omdat Hij in mensen een welbehagen heeft (2:14).
De hemel die zich opent, is de woonplaats van God en de plaats waar Jezus na Zijn opstanding naar toe gaat (naar terugkeert?). Het is niet zonder betekenis dat de hemel zich opent. God zelf proclameert ten overstaan van het volk dat Jezus de Zoon van God is.
 
Homiletisch
Dit gedeelte heb ik uitgekozen vanwege de viering van het Heilig avondmaal. In het heilig avondmaal gaat het ook om de onthulling van Gods Zoon. Zoals het neerdalen van de Geest op Jezus en de stem die uit de hemel klinkt, laten zien dat Jezus de Zoon van God is, zo wijzen de woorden bij het avondmaal ook op Christus.
In dit gedeelte wordt vooruitgewezen naar het sterven van Jezus en de betekenis die dat heeft voor het heil dat God schenkt. In het avondmaal wordt dat sterven gevierd. De gemeente gedenkt de dood van Christus. Dat gedenken wil zeggen: de gemeente plaatst zich in de tegenwoordigheid van deze Christus, die stierf en opstond. Of misschien moeten we wel zeggen, dat de gemeente (door de Geest) wordt geplaatst in Zijn aanwezigheid. In ieder geval: gedenken is niet alleen terugkijken, maar wat gebeurde presentstellen. Niet als een herhaling van wat toen gebeurde. Nee, wij worden in dat gebeuren ingevoegd.
Het volk werd in de Jordaan gedoopt als teken van de bereidheid zich om te willen keren. Zo geeft het avondmaal ook onze bereidheid aan weer tot God terug te willen keren. Het avondmaal roept ons op – net zoals Johannes door de verkondiging van de doop het volk opriep – onszelf te vernieuwen en de oude mens af te leggen. Deze vernieuwing wordt mogelijk gemaakt, omdat Jezus ook ondergegaan is. Doordat Hij Zijn leven aflegde, kunnen wij het nieuwe leven ontvangen en het oude leven afleggen. Zijn ondergaan is onze omkeer. Ten tijde van het avondmaal opent de hemel zich ook om ons te tonen wie de Zoon van God is. Zoals Jezus’ ondergaan in de Jordaan de eenheid met Zijn volk aangeeft, geeft avondmaal ook de eenheid van Christus met de gelovigen aan. Een eenheid die ons redding brengt. Zijn ondergaan is onze omkeer. Zijn ondergaan gaat vooraf aan de eenheid met ons. Wij kunnen (pas) één zijn met Hem omdat Hij ook Zijn leven heeft afgelegd.
Nu ligt in dit gedeelte niet de nadruk op het ondergaan van Jezus, maar op de openbaring van Hem als Zoon van God. In het gedeelte ervoor wordt wel over de noodzaak van omkeer gesproken. Deze verkondiging van Johannes roept bij het volk het verlangen op om opnieuw door de Jordaan te gaan en vernieuwd te worden als volk van God.
In de verkondiging gaat het om de (1) openbaring van Jezus als Zoon van God. (2) Niet voor niets gebeurt deze openbaring op de plaats, waar het volk geroepen wordt tot omkeer. (3) Jezus toont zich solidair, (4) maar Zijn ondergaan heeft een extra dimensie die wij niet kunnen aanbrengen: Hij gaat niet voor Zichzelf onder, maar voor ons. (5) Zijn ondergaan brengt ons de mogelijkheid tot omkeer. (6) Aan het avondmaal gedenken wij en vieren wij onze vernieuwing doordat Jezus kwam als Zoon van God en voor ons onderging.

God toont Zijn welbehagen in Zijn Zoon om aan ons Zijn welbehagen te laten zien. De komst van Jezus op aarde en bij de Jordaan was voor ons (pro nobis). Daar ligt de basis van onze redding en vernieuwing.

ds. M.J. Schuurman