Vragen bij de dood van Simson (Richteren 16:22-31)

Vragen bij de dood van Simson (Richteren 16:22-31)

  1. Magdel le Roux, Richteren (2018), p. 321: ‘Het hele leven van Simson was eigenlijk een grote rebellie tegen zijn roeping. Hij had geweten van zijn roeping als nazireeër, maar wilde eerder, net zoals een gewone man, feesten houden, trouwen en hier en daar wat bakkeleien om zijn kracht ten toon te spreiden. Hij was tegen zijn wil door YHWH geroepen en kon daar niet uit ontsnappen, al probeerde hij van alles.’
    Snapt u dat Simson zich wil ontworstelen aan deze speciale roeping en vooral een gewone man wil zijn? 
  2. God kan Zich laten zien in het tegenovergestelde van wat wij gewend zijn van God. Er wordt ook wel gezegd: ‘God kan met een kromme stok een rechte slag slaan.’
    Waarom zou God dat in de tijd van Simson doen? Waarom zou hij zo’n onmogelijke richter als Simson gebruiken? Wat betekent dat voor het herkennen van Gods weg in onze tijd? 
  3. Magdel le Roux, Richteren (2018): ‘Meer dan enige andere richter verpersoonlijkte Simson het decadente Israël van zijn dagen.’ Simson laat dus zien hoe het met Israël gesteld is.
    Kunt u een voorbeeld geven, waarin voor u duidelijk wordt hoe het met onze maatschappij of met de kerk is gesteld? 
  4. In het verhaal van Simson gaat het om de strijd wie de ware God is: de HEERE of Dagon. Dagon lijkt te overwinning te behalen, maar juist dan laat de HEERE hem een nederlaag lijden.
    Hoe maak je in onze tijd uit wie de ware God is of waar God werkt? Kijk je dan naar succes? Of naar iets anders? 
  5. In de uitleg wordt het gebed van Simson op twee manieren uitgelegd: (1) als een een persoonlijk wraakgebed, (2) als een gebed om Israël te wreken. Welke keuze zou u maken en waarom? Zou God vandaag onze gebeden kunnen gebruiken als ze egoïstisch zijn gekleurd? Waarom wel / niet? 
  6. De dood van Simson verbroedert. Werd hij eerst door zijn volksgenoten verraden, nu wordt hij door zijn familie opgenomen en geëerd door bij zijn vader begraven te worden.
    Wat betekent dat voor ons oordeel over mensen? Bijv bij een in memoriam? 
  7. Simson wordt ook wel gezien als iemand die iets laat zien van Christus. Op welke manier zou u de lijn van Simson naar Christus trekken?


Jaap Zijlstra – Simson, een lied


Zegevierend komt hij schijnen
als een zon bij dageraad,
nacht en nevel moet verdwijnen,
al het Filistijnse kwaad;
Simson met z’n zeven lokken
als een vloed,
Simson met z’n hartsgeheimen
en hun gloed.

Kiest het bijenvolk een woning
in de koning der natuur,
die een prooi was, proeft de honing
van het overwinningsuur.
Wat is sterker dan een roofdier,
jong en fel?
Dat wat zoeter is dan honing,
wonderwel.

Vossen, kleine rode honden,
vlekken op de huid van ’t land,
doen allerijl de ronde,
paarsgewijze, moord en brand.
’t Staande koren ging verloren
toen hij kwam;
toorn van een gekrenkte liefde,
vuur en vlam.

Door geen duisternis te keren
– zonne der gerechtigheid –
door geen dodenwacht te weren
– heft uw hoofden, poorten wijd –
stelt hij deuren aan de hemel,
zonneklaar,
stelt de stad in alle diepte
openbaar.

Die de vossen heeft gebonden
en de leeuw heeft aangevat,
Doet ten einde zelf de ronde,
draaiend in het grote rad;
Simson, vorst onder de mensen,
zonnekind,
die gekust werd en verraden,
stekeblind.

Wat van Simson staat geschreven
in de heilige Schriftuur,
van de zon, het licht der wereld,
die de mensen doopt met vuur:
zegevierend gaat hij onder
in de nacht
die z’n leven als een offer
heeft volbracht.

Op naar de lente

Op naar de lente

Het winterseizoen zit er op. Hoewel we nu al ver in maart zitten, lijkt het er niet op dat de winter zich gewonnen geeft. Het is een lange winter geweest. De sneeuw gaf aan de ouderen beperkingen: ze konden het huis niet uit. Niet naar de winkels, niet naar de kerk of naar activiteiten van de kerk. Ook heb ik geregeld gehoord dat gemeenteleden de griep te pakken hadden. Een hardnekkige griep waar je niet zomaar vanaf was. Iedereen verlangt naar de lente, naar de zon, naar warmer weer.

De dichter Jaap Zijlstra heeft eens een “Lied van verlangen” geschreven:

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon,
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja, zelfs het zaad, diep in de akkergrond,
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U…

photo_81

Het verlangen waar Zijlstra over schrijft, gaat wel dieper dan een verlangen naar de voorjaarszon en lentewarmte. De zon in het voorjaar en de aangename temperatuur kunnen ons een gevoel geven dat er een nieuwe tijd aanbreekt. Een werkelijk nieuw bestaan, een werkelijk nieuw leven is er door het sterven en de opstanding van de Heere Jezus. Een graankorrel staat op om te leven. Dat is een natuurverschijnsel dat elk jaar terugkeert. Tegelijkertijd is het een beeld in de Bijbel voor de opstanding van het lichaam (Joh. 12:24).
Het lied gaat niet over het voorjaar, maar over Pasen: het verlangen gaat uit naar de Heer Zijn leven voor ons gaf en voor ons de dood inging en de dood overwon.

Hij schrijft daarover in een belijdenislied (dat gezongen kan worden op de melodie van Wat de toekomst brengen moge):

Ik geloof in Jezus Christus
die voor ons ter wereld kwam
Zoon van God en Zoon des Mensen,
goede herder, offerlam.
Door te lijden en te sterven
– groot is het geheimenis –
schenkt Hij mij het eeuwig leven
dat uit God en tot God is.

Meditatie Tweede Kerstdag

Knieval
Meditatie Tweede Kerstdag

De schilder Rembrandt heeft een schilderij gemaakt van de aankomst van de wijzen. Wat daarbij opvalt, is dat Rembrandt niet het accent legt op het goud, de wierook en de mirre. Hij schilderde een oude, statige man. Aan zijn kleding te zien een rijke man. Deze rijke, statige man valt op zijn knieën neer voor het Kind. Zijn muts, teken van zijn waardigheid, is van zijn hoofd gevallen.

De knieval zorgt voor consternatie bij zijn gevolg. Zijn dienaren kijken met verbazing en verbijstering naar wat hun heer doet. Maar hun heer maalt er niet om. Hij heeft hem gevonden! Wat er tot dan toe nog in zijn leven was, telt niet meer. Op het schilderij is te zien dat deze man zichzelf geeft. Hij wijdt zich aan het Kind.


Ik denk dat Rembrandt het Bijbelverhaal goed heeft begrepen. Het gaat niet om de geschenken goud, wierook en mirre. Zelfs niet om de afstand die deze wijzen hebben afgelegd om dit doel te bereiken. Het gaat om de toewijding aan dit Kind, de knieval. Bij Rembrandt straalt de man uit: ik heb mijn levensdoel gevonden in het Kind, waar we naar op reis zijn geweest. Hij is mijn alles. De knieval van deze man, deze wijze is een bekering: het vinden van de levende God.

Bekering
Er zijn daarom ook mensen die in de reis van de wijzen hun bekering zien. Een beroemd voorbeeld is T.S. Eliot (1888-1965), een van de belangrijkste Engelse dichters en in 1948 winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur. Hij schreef een gedicht over de reis, die de wijzen vanuit het oosten maakten.* Hij schreef dat gedicht in het jaar van zijn bekering tot het christelijk geloof. Daarom gaat het in dit gedicht niet alleen over de reis van de wijzen, maar over de reis van Eliot naar Christus.

 
Eliot vertelt in dat gedicht over een moeizame tocht, waarop alles tegenzit. Het personeel, dat mee is op reis, weigert dienst. Een barre tocht, waarop ze vaak dachten: ‘Waar zijn we aan begonnen?’ Maar het was wel de moeite waard.
En toch … de prijs was groot. Want deze wijzen konden niet meer op de oude manier verder leven. Zij hadden de ware, levende God ontdekt. In dat Kind hadden wij het werkelijke leven en God gevonden.
Blijkens het gedicht herkende Eliot in de reis van de wijzen zijn eigen weg tot geloof. Hij herkende het moeizame van de tocht, van zijn bekering, maar hij herkende ook de meerwaarde van het vinden. Alle ontbering, elk offer om het Kind te aanbidden was de moeite waard. Deze aanbidding kent ook een hoge prijs: in leveren van het oude leven. Afstand doen van jezelf.

Inleveren
Op de laatste avond van de catechisatie kregen catechisanten het schilderij van Rembrandt ook te zien. Zij moesten erover nadenken, welk offer zij moesten brengen. Wat moesten zij inleveren als zij dit Kind zouden aanbidden. Een van de groepen gaf aan: je verliest je coolheid.
De tocht die de wijzen maakten, stelt ons voor de vraag: Wat hebben wij over om dit Kind te aanbidden? Of willen we toch onszelf behouden?

Ster
Waarmee begon die reis? De reis begon met de verschijning van een ster. Een teken door God zelf gegeven.
Door dit verhaal kunnen wij voor onszelf ook wachten op een speciaal teken, dat door God wordt gegeven, waardoor wij op reis zouden gaan. We willen dan wel, maar kunnen geen teken vinden om op reis te gaan. God roept ieder van ons op Zijn eigen manier. De wijzen uit het oosten waren gewend om naar de hemel te kijken. Wat er aan de hemel stond had invloed op wat er op aarde gebeurde. De ster die verscheen, kwam op het werkterrein van de wijzen. Het gaat in dit verhaal niet om het uitzonderlijke, maar om de roeping door die ster. God kan ons tekenen op ons eigen gebied geven, waardoor wij in beweging gezet worden om Christus te aanbidden en ons leven aan hem te verliezen.
In het verhaal van de wijzen zijn er genoeg die wel over dit Kind horen, maar niet in beweging komen. Zij blijven zitten waar ze zitten. Ook wij kunnen toeschouwer blijven en niet in beweging komen. Dan zou het wel eens kunnen zijn, dat anderen van wie we het niet hadden verwacht ons voorgaan in het aanbidden van Christus.

Verhaal van Jan
Ieder van ons wordt op zijn eigen wijze geroepen. De wijzen waren geleerden. We kunnen ook in alle eenvoud geroepen worden. Een mooi voorbeeld van een eenvoudige roeping vond ik in het verhaal van Jan:

Op Tweede Kerstdag zouden de evangelisatieclubs hun Kerstfeest houden. Er werd een kerstspel opgevoerd en iedereen was uitgenodigd om het feest bij te wonen. Jan wilde graag meespelen, maar een rol uit het hoofd leren was te moeilijk voor hem. De taak van de herbergier leek geknipt voor Jan. Hij hoefde maar één zinnetje te kennen: “Nee, er is geen plaats in de herberg.” Hij moest dat driemaal zeggen en er de derde keer aan toevoegen: “Maar jullie mogen wel in de stal.”
Jozef en Maria speelden hun rol zo hartverwarmend, dat het zinnetje “Nee, er is geen plaats in de herberg”  steeds minder overtuigend klonk uit de mond van Jan de herbergier. En na de derde keer riep hij: “Jullie mogen wel in mijn kamertje, dan ga ik wel in de stal!”
Daarmee was het kerstspel bedorven. Of toch niet? Jan had het in alle eenvoud begrepen waar het op aankomt. Dat er plaats is voor Jezus in de herberg van ons hart
.**
Amen

ds. M.J. Schuurman

* Titel van het gedicht: Journey of the Magi; in het Nederlands vertaald door Martinus Nijhoff, ‘De reis van de drie koningen’ http://www.dbnl.org/tekst/nijh004verz05_01/nijh004verz05_01_0192.php
** Het verhaal van Jan komt uit de meditatie die Jaap Zijlstra schreef voor Tweede Kerstdag in zijn dagboek Toekomst.