Tijdens huisbezoek de geloofsopvoeding aan de orde stellen

Tijdens huisbezoek de geloofsopvoeding aan de orde stellen

Wim Hogenbrink is net bevestigd als ouderling als de kerkenraad het besluit neemt om dit seizoen aandacht te besteden aan geloofsopvoeding binnen de gezinnen. Bij het besluit hoort ook dat de ouderlingen op huisbezoek dit thema aan de orde stellen. Tijdens het gesprek op de kerkenraad ging het door Wim heen: ‘Maar hoe dan?’ Omdat hij nog maar net bevestigd is, durfde hij dat niet goed aan de orde te stellen. Eerst er maar eens voor zichzelf over nadenken. Onderweg naar huis piekert hij verder: Hoe gaat de geloofsopvoeding in zijn eigen gezin eigenlijk? Hoe vertelt hij aan zijn eigen kinderen over Christus? En wat pikken ze van hem op? Hij begint zich ineens zorgen te maken over hoe hij het zelf als vader de geloofsopvoeding van zijn kinderen doet. En dan moet hij aan andere ouders gaan vertellen hoe het moet?

Geloofsopvoeding is een breed begrip. Het helpt Wim als geloofsopvoeding concreet gemaakt wordt om op huisbezoek erover te beginnen. Bij geloofsopvoeding kunnen we denken aan:

  • Lezen in de Bijbel of de kinderbijbel, bijvoorbeeld bij de afsluiting van de maaltijd.
  • Ouders die bidden voor hun kinderen, met hun kinderen of hun kinderen leren bidden.
  • Met elkaar doorpraten over wat er zojuist in de Bijbel gelezen is of op zondag over de kerkdienst en de preek.
  • Ouders die iets vertellen over hun eigen leven met Christus om zo hun kinderen te laten zien hoe zij zelf Christus kunnen leren kennen en om te laten zien hoe hun geloof kan groeien.
  • Vaste gebruiken: het bidden voor en na het eten, voor het slapen gaan, bij het opstaan, Bijbel lezen, gebed voor het slapen gaan, het lezen in een dagboekje.
  • Het in het gezin vieren van bijzondere dagen, zoals Kerst, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, verjaardagen en de doopdagen van de gezinsleden.


Wanneer Wim op huisbezoek gaat, is het van belang dat hij beseft dat alle gezinnen waar hij komt in ieder geval een of meerdere vaste gebruiken heeft. Ook als hij komt bij gezinnen die minder actief bij de kerk betrokken zijn. Uit een Zwitsers onderzoek bleek dat 75% van de ouders, ook van niet-kerkelijk betrokken ouders, een avondritueel hadden waarbij een gebedje een vast onderdeel was.


Het kan zijn dat Wim hen wel moet helpen ontdekken dat ook dat een vorm van geloofsopvoeding is die ze aan hun kinderen meegeven. Ik kwam een keer bij een gezin. De vader zei bij toen ik was gaan zitten: ‘Wij zijn niet zo gelovig.’ Ik ging er niet gelijk op in, maar onthield die uitspraak wel om er later op terug te komen. Nadat ik wat verder in het gesprek was gekomen, zei ik: ‘U zegt dat u niet zo gelovig bent. Maar hoe onderhoud u dan uw geloof?’ ‘O, maar wij lezen wel uit de Bijbel en bidden ook.’ ‘Maar u zei: “Wij zijn niet zo gelovig.” Hoe zit het dan?’ ‘Wij gaan niet naar de kerk.’ ‘En op zondag?’ ‘Dan luisteren we naar een kerkdienst op de radio.’ ‘Dan komt het helemaal niet, dat u zegt: “Wij zijn niet zo gelovig.” U doet alles wat een gelovige doet. U gaat alleen niet naar de kerk. Niet dat kerkgang onbelangrijk is, maar als u de rest wel doet dan bent u best veel bezig met het geloof.’


De vragen die ik in dit gesprek stelde, waren nieuwsgierig, vanuit betrokkenheid bedoeld. Wanneer Wim op bezoek gaat, is het belangrijk dat hij ook een betrokken nieuwsgierigheid laat zien. Hij moet het gezin dat hij bezoekt niet gaan beoordelen of ze het wel goed doen en of ze wel genoeg tijd besteden. Het is zinvoller om hen te stimuleren in wat ze reeds doen en (voorzichtig) uit te dagen om ook iets anders op te pakken.


Om geloofsopvoeding in het huisbezoek aan de orde te stellen is de sfeer van het gesprek belangrijk. Dat is des te belangrijker omdat Wim namens de kerk komt en zijn insteek in het gesprek ook bepalend kan zijn voor het oordeel van het gezin over de kerk. Als Wim respectvol en betrokken is, op een positieve manier doorvraagt, kan er de benodigde openheid voor het geloofsgesprek komen. Het kan best zijn dat de ervaring van de vorige huisbezoeken in het gezin een rol spelen. Was het vorige huisbezoek goed, dan kan Wim daarvan profiteren in zijn bezoek. Was het een voor het gezin beroerd bezoek, dan moet Wim alle zeilen bijzetten om openheid te krijgen. Dan helpt oprechte belangstelling en respect om het vertrouwen te winnen.

Als Wim welkom is, mag hij erop vertrouwen dat het gezin waar hij op bezoek is er rekening mee houdt dat hij naar hun omgang met God vraagt. Zelfs bij leden die minder betrokken zijn. Als dat op een open, respectvolle manier gebeurt, vinden kerkleden het nogal eens fijn dat de ouderling erover begint. Vaak vinden ze het moeilijk om er zelf over te beginnen en wachten af tot de ouderling er tijdens huisbezoek over begint. Daar kan Wim gebruik van maken. Hij kan bijvoorbeeld het gesprek over de geloofsopvoeding inleiden met:

  • ‘U weet wellicht waar ik voor gekomen ben. Ik zou het ook willen hebben over uw band met God, maar ik vond het belangrijk om eerst met elkaar kennis te maken. Lukt het wel eens om tijd te nemen voor God?’
  • ‘We hebben als kerkenraad afgesproken om dit jaar op huisbezoek geloofsopvoeding aan de orde te stellen. Dan moet u denken aan Bijbel lezen, bidden, samen praten over de Heere Jezus. Ik ben eigenlijk wel benieuwd: hoe gaat dat hier?’

Belangrijk is dat er een open vraag komt, die uitnodigt om te vertellen, zonder dat de leden van dit gezin zich hoeven af te vragen welk antwoord gewenst is. Het kan voor Wim heel behulpzaam zijn om van tevoren na te denken over de manier waarop hij dit thema in het gesprek introduceert.

Er ontstaat een mooi gesprek als Wim daarop weet voort te borduren. Hij kan bijvoorbeeld vragen naar een mooi voorbeeld dat een van de gezinsleden altijd is bijgebleven. Hij kan vragen waar ze tegenaan lopen en dan met hen nadenken wat zij zelf al doen aan deze belemmeringen. Wanneer hij hoort dat ze best wat pogingen ondernemen om verder te komen, kan hij hen daar erkenning voor geven en eventueel laten zien hoe hij die belemmeringen zelf herkent en hoe hij er zelf in zijn gezin mee omgaat.

Wim geeft een extra waarde aan het huisbezoek als hij verdieping aanbrengt door te vragen naar de band die er met Christus is. Merken de ouders dat hun eigen band met Christus meer gaat leven of wordt versterkt door er zo mee bezig te zijn? Zien de ouders dat de manier waarop zij in hun gezin bezig zijn met Christus ook bij hun kinderen iets doet? Groeit er een eigen band van de kinderen met Christus? Groeit er verlangen om Hem te dienen en Hem beter te leren kennen?

Na een mooi gesprek kan er gedankt worden voor wat de ouders doen voor hun kinderen. In dat gebed bidt Wim om een zegen over het gezin en om de hulp van de Heilige Geest voor alle gezinsleden.

Geschreven voor HGJB Generator

Wees benaderbaar in het pastoraat, zoek niet alleen naar diepgang

Wees benaderbaar in het pastoraat, zoek niet alleen naar diepgang
Bespreking van Wolfgang Drechsel, Gemeindeseelsorge (2015)

‘Mijn werk als predikant is op dit ogenblik een sleur. Elke dag werk ik mijn takenlijstje af. Ik doe echt wel veel, maar met welk doel eigenlijk? Alles gaat nog routinematig en kost veel kracht. Voor het eigenlijke, de reden waarom ik predikant geworden ben, heb ik geen tijd over. Voor pastoraat bijvoorbeeld heb ik helemaal geen tijd.’  Met deze verzuchting van een predikant begint Wolfgang Drechsel, hoogleraar Pastoraat en tevens supervisor, zijn boek over pastoraat in de kerkelijke gemeente.

Dit voorbeeld is kenmerkend, omdat veel predikanten zich voor hun werkzaamheden een bepaalde norm stellen maar voor hun gevoel die norm niet halen. Voor het pastoraat is dan de norm dat een pastoraal gesprek bestaat uit een diepgaand gesprek waarin er ruimte is om een ernstig probleem, waarmee de pastorant worstelt, te vertellen. Het mooiste is als door het pastorale gesprek ook een oplossing wordt gevonden. In de praktijk komen zulke gesprekken veel minder vaak voor dan een predikant zou willen. Het pastoraat bestaat soms voor een deel uit verjaardagsbezoekjes of bezoeken aan echtparen die een huwelijksjubileum vieren. Tijdens de festiviteiten is er geen ruimte voor een gesprek met diepgang. Geen wonder dat predikanten, die de norm hebben dat een pastoraal gesprek diepgang moet hebben, zulke bezoeken met oppervlakkige gesprekken met tegenzin afleggen.

Toevallige ontmoetingen
Volgens Drechsel, die jarenlang ziekenhuispredikant was,  is het echter verkeerd om het diepgaande gesprek als norm voor het pastorale gesprek te nemen. Deze norm wordt in de praktijk van alle dag immers niet gehaald. Bovendien heeft een predikant dan niet door hoeveel pastorale ontmoetingen er gedurende een werk week zijn. Ontmoetingen van korte duur, ‘toevallige’ ontmoetingen, waarbij gemeenteleden even wat willen zeggen of vragen. Die korte gesprekken betekenen veel voor de gemeenteleden. Zulke gesprekken zijn er voor de ingang van de supermarkt, bij de uitgang van de kerk, na afloop van een Bijbelkring of een vergadering, tijdens een receptie of bij de nabegrafenis. Zulke ontmoetingen zijn er vaak onverwacht, waarbij een predikant niet altijd in functie is, maar wel door gemeenteleden vanwege het predikant-zijn aangesproken wordt: ‘Nu ik u toch tref …’ ‘Wat fijn dat ik u tegenkom! Heeft u een paar minuutjes?’

04059_Drechsel_-Gemeindeseelsorge

Schakelen
In het pastoraat wordt een enorme en ook veel krachten vergende competentie verlangd. Het maakt niet uit of dit pastoraat door een predikant, een wijkouderling of een bezoekzuster wordt gedaan. Ook pastorale vrijwilligers worden vaak aangeklampt met een verhaal of een vraag als zij er niet op bedacht zijn. De pastorale competentie die nodig is, is niet de vaardigheid om zowel een alledaags, voor het gevoel oppervlakkig gesprek als een serieus, diepgaand gesprek te voeren. Maar ook de vaardigheid om tijdens een gesprek over te kunnen schakelen van een oppervlakkig gesprek naar een diepgaand gesprek, of tijdens een alledaags gesprek aan te voelen welke diepe lagen er eigenlijk in een gesprek worden aangeroerd zonder dat die diepe lagen echt aan de orde komen, de vaardigheid om genoegen te nemen met een alledaags gesprek als de ander liever geen gesprek wil dat al te diep gaat. Deze competentie is niet alleen nodig wanneer iemand in functie is, maar ook wanneer iemand voor zijn of haar gevoel niet in functie is: tijdens een buurtfeest, tijdens een verjaardagsfeest, in het zwembad, langs de lijn, bij het schoolhek. Zulke momenten worden vaak aangegrepen om even iets te delen of te vragen. Omdat iemand op dat moment even benaderbaar is.
Juist die benaderbaarheid is een kenmerk voor het pastoraat in de kerkelijke gemeente. Door benaderbaar te zijn ontstaat er veel ruimte voor gesprekken. Deze benaderheid kan een predikant opzoeken, door bijvoorbeeld op huisbezoek te gaan, naar een buurtfeest of toch naar die verjaardag van dat gemeentelid dat 84 is geworden. Voor pastoraat in de gemeente is het van belang dat een predikant of iemand anders die pastoraat doet zich op dat moment beschikbaar stelt. In het pastoraat is er veel meer dan in de hulpverlening een spanning tussen persoonlijke betrokkenheid en professionele distantie. Kenmerk voor pastorale professionaliteit is volgens Drechsel bewust om te gaan die spanning.

Opzoeken
Verschil met de hulpverlening is ook dat pastoraat voor een groot deel bestaat uit het opzoeken van mensen. Daar is een Bijbelse basis voor, in de opdracht van Jezus om mensen op te zoeken. Van belang is dan het besef dat een predikant of een wijkouderling te gast is bij degene die wordt bezocht. Van belang is dan ook dat degene die bezocht wordt de kans krijgt om gastheer te zijn. Om bijvoorbeeld iets aan te bieden, zoals koffie. Vaak wordt er niet alleen koffie en koek aangeboden, maar ook een levensverhaal. De pastor is dan te gast in het levensverhaal van de ander.
In het pastoraat spelen 3 levensverhalen een rol: het levensverhaal van degene die bezocht wordt, het levensverhaal van de pastor en het verhaal van God. Niet dat de pastor God meebrengt. Want Hij is al aanwezig voordat iemand wordt ontmoet. Van de pastor wordt de competentie gevraagd om open en alert te zijn op deze 3 levensverhalen. Ook in een alledaags, oppervlakkig gesprek zijn deze 3 levensverhalen aanwezig. Een predikant moet in staat zijn om zich in het gesprek, ook al is dat aan de ingang van de supermarkt of bij de barbecue tijdens het straatfeest, beschikbaar te stellen voor de ander en dat ook waar te nemen en te waarderen als pastoraat. De ander kan de behoefte hebben om gewoon even iets te zeggen of eigenlijk iets diepgaanders te willen delen. Van de predikant wordt de competentie gevraagd om in te kunnen schatten wat er nodig is: een luisterend oor bieden en het daarbij te laten of verder af te steken naar de diepte.

N.a.v. Wolfgang Drechsel, Gemeindeseelsorge (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2015).

Verschenen op 14 september in het Friesch Dagblad

Pastorale instructies voor wijkouderlingen, bezoekbroeders en bezoekzusters

Pastorale instructies
voor wijkouderlingen, bezoekbroeders en bezoekzusters

Pastoraat is een belangrijk onderdeel van ons gemeentezijn. Binnen onze gemeente wordt er veel tijd besteed aan pastoraat. Door betaalde krachten als de predikant en de kerkelijk werker. Door vrijwilligers, die als ambtsdrager bezoekbroeder of bezoekzuster, een deel van hun vrije tijd besteden aan het bezoeken van gemeenteleden.

Door een groot deel van de gemeente wordt het pastoraat heel erg gewaard. Degene die bezoek heeft gekregen, geeft aan dat het bezoek op prijs werd gesteld. Bij de deur wordt ook nog gevraagd: ‘Kom je snel weer? De deur staat altijd open!’
Als er geen bezoek afgelegd wordt, terwijl dat bezoek wel werd verwacht, kan iemand teleurgesteld raken: ‘Ik heb niemand van de kerk gezien!’

Wat is pastoraat?
Pastoraat is afgeleid van het Latijnse woord pastor. Pastor betekent: herder. Pastoraat is dus herderlijke zorg. Zoals een herder voor zijn kudde zorgt, zo zorgt de pastor voor de gemeenteleden.
De keuze voor dit woord heeft er alles mee te maken, dat de Heere Jezus zichzelf als herder voorstelt: Ik ben de Goede Herder. De zorg van ambtsdragers en gemeenteleden die bezoeken afleggen is niet zomaar zorg, maar zorg namens de Goede Herder. Een ambtsdrager is niet zelf de Goede Herder, maar vertegenwoordigt de Heere Jezus. Een bezoekbroeder komt namens de Heere Jezus op bezoek.

guter-hirt

Zelf heb ik vaak de indruk dat als gemeenteleden tijdens een bezoek veel over hun leven vertellen, dat ze dat niet alleen aan mij vertellen, maar dat ze voor hun gevoel eigenlijk met God in gesprek zijn. Mijn bezoek is dan een aanleiding en een mogelijkheid om het hart bij de Heere uit te storen.

Een woord dat vroeger vaak gebruikt werd, was zielszorg: zorg voor de ziel. De ziel stond dan voor de band met God.
Pastoraat heeft daar alles mee te maken. Het huisbezoek is ontstaan uit de week van voorbereiding voor het Heilig Avondmaal. De predikant ging de huizen langs met de vraag of er een belemmering was om deel te nemen aan de viering. In de loop van de tijd is die praktijk uitgegroeid tot wat we nu kennen als het huisbezoek door wijkouderlingen en predikanten. De ‘zorg voor de ziel’ is tijdens zo’n bezoek nog steeds een belangrijk thema. Het huisbezoek wordt door de ouderlingen gedaan om het geloof van de gemeenteleden te versterken.

De naam zielszorg is naar de achtergrond verdwenen, omdat tijdens een huisbezoek meer aan de orde komt dan alleen het geestelijk wel en wee. Alles wat mensen bezighoudt kan tijdens een huisbezoek worden gedeeld. Vaak is er een link met hoe het geloof wordt beleefd. Vanwege die verbondenheid is het woord zielszorg vervangen door pastoraat.

Waarom pastoraat en huisbezoek?
Pastoraat bestaat voor een belangrijk deel uit bezoeken. (Er zijn meer vormen van pastorale contacten. Die komen verderop aan bod.) Zo’n bezoek wordt gepland. Door bijvoorbeeld de wijkouderling. Een bezoek kan ook worden afgesproken, omdat een gemeentelid de predikant of de wijkouderling opbelt: ‘Ik zit ergens mee. Zou u eens willen komen praten?’

Het afspreken van bezoeken houdt in dat er veel moeite wordt  gedaan om mensen op te zoeken. Soms zit iemand niet op een bezoek te wachten. Als het bezoek dan ook nog eens moeizaam verloopt, kan het bezoek als een zware opgave worden ervaren. Gelukkig zijn er ook mooie ervaringen van bezoeken die goed verliepen of gesprekken die op een verrassende wijze diepgang hebben.

Waarom gaan we eigenlijk op bezoek? Waarom doen we zoveel moeite om mensen op te zoeken en wachten we niet tot ze bij ons aankloppen? Omdat de Heere Jezus ook mensen opzocht. Hij kwam vanuit de hemel om onder ons te wonen. Hij zocht mensen op, zoals Zacheüs en de Emmaüsgangers. Tegen Zacheüs zei de Heere Jezus: Ik moet heden in uw huis zijn. Bij de Emmaüsgangers liep de Heere Jezus mee vanuit Jeruzalem naar Emmaüs en liet zich overhalen om bij de maaltijd aanwezig te zijn. Om uit te leggen dat Hij gekomen is om het verlorene te zoeken, vertelde Christus de gelijkenissen van het verloren schaap en de verloren penning. De kerk heeft met het pastoraat de werkwijze van de Heere Jezus overgenomen door mensen op te zoeken in hun huis.

road-to-emmaus

Pastoraat betekent dus dat we iemand opzoeken in de naam van de Heere Jezus. Als we op bezoek gaan, vertegenwoordigen wij de Heere Jezus.

Wie is er verantwoordelijk voor het pastoraat?
Elke gelovige straalt iets uit van Christus. Elke gelovige kan door de Heere worden gebruikt om Hem te vertegenwoordigen. Pastoraat is niet voorbehouden aan een speciale groep binnen de gemeente. Toch berust de verantwoordelijkheid voor het pastoraat wel bij de kerkenraad. De kerkenraad is verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn binnen de gemeente. Daarbij staat de kerkenraad niet boven de gemeente. Kerkenraadsleden zijn leden van dezelfde gemeente, die door de gemeente – daarmee door God – worden geroepen.

Door de verantwoordelijkheid bij de kerkenraad te leggen krijgt het pastoraat een stevige basis.  De gemeente mag ervan uit gaan dat de kerkenraad het pastoraat goed regelt. De kerkenraad kan door de eigen gemeente, maar ook door naburige gemeenten (via de classis) aangesproken worden als het pastoraat en de zielszorg niet goed gebeurt.

Gevaar hierbij is wel dat de gemeente het bezoekwerk als geheel overdraagt aan de kerkenraad. De kerkenraad is dan niet alleen verantwoordelijk voor het pastoraat, maar dient zelf al de bezoeken af te leggen.
In de Bijbel zien we iets anders. De gehele gemeente wordt opgeroepen om om te zien naar elkaar. De Heere Jezus zendt de discipelen 2 aan 2 uit. Paulus heeft verscheidene medewerkers die, ook al zijn ze geen apostel, hem in zijn werk ondersteunen. In al zijn brieven noemt Paulus wel 40 namen van medewerkers.

Het is daarom een goede zaak als een kerkenraad andere gemeenteleden betrekt bij het bezoekwerk. De last en de werkzaamheden worden gedeeld. Daarnaast kunnen ook bezoekbroeders en – zusters de ervaring hebben dat hun geloof wordt verrijkt door de gesprekken met andere gemeenteleden. Niet alleen de last wordt gedeeld, maar ook de vreugde.

Wat is allemaal pastoraat?
Bij pastoraat denken we allereerst aan het afleggen van bezoeken. Tijdens zo’n huisbezoek vindt er een gesprek plaats, waarbij de zorgen en de vreugden worden gedeeld en waarbij ook het leven met de Heere aan de orde komt.
Pastoraat is echter veel breder. Er is veel verborgen pastoraat. Als kerk, als ambtsdragers en als bezoekbroeders- en zusters kunnen we dat verborgen pastoraat gemakkelijk over het hoofd zien.

4df9823a0540a11d71655b7368fdbd8b

Wat zijn nog meer vormen van pastoraat?
– Een ouderling geeft in de kerk even een knikje aan iemand uit de eigen wijk en laat daarmee zien: ‘Ik heb je opgemerkt! Fijn dat je er bent!’
– Een gemeentelid luistert aandachtig naar de preek. Hij wordt helemaal in beslag genomen en vergeet alles om zich heen. Hij heeft dat zelf niet door, maar jongere in de kerk ziet aan hem dat hij geroerd wordt door de preek. En dat raakt die jongere weer, waardoor hij gaat nadenken over wat er gezegd wordt, over deze man, over God.
– Een gemeentelid is kapster. Ze komt bij iemand thuis om te knippen. Terwijl ze de spullen klaarzet, vraagt ze: ‘Hoe was je vakantie.’ En dan begint de ander te vertellen hoe de vakantie tegengevallen was en wat er allemaal niet was gebeurd.
– Een deurwaarder komt bij iemand die schulden heeft. Hij ziet dat iemand heel diep zit. Tijdens het gesprek vraagt hij: ‘Ben je lid van een kerk?’ ‘Nee’, is het antwoord, ‘ik ben teleurgesteld geraakt in de kerk. Ik heb nooit iemand gezien.’ De deurwaarder besluit om dit adres anoniem door te geven aan de kerk waartoe deze persoon behoort met de vraag of ze deze persoon eens willen opzoeken.
– Bij de Emté ziet een gemeentelid iemand lopen, die enkele weken geleden was afgekondigd. Ze tikt die persoon op de schouder en vraagt: ‘Joh, hoe is het nu met jou?’
– Na de vergadering blijven ze nog even hangen en raken ze met elkaar in gesprek. Ze praten elkaar bij hoe het gaat.
– Na de Bijbelkring blijft een gemeentelid nog even hangen om even iets tegen de predikant te zeggen: ‘Volgende keer kan ik er niet bij zijn.’ ‘Wat jammer!’ ‘Ja, ik had graag erbij willen zijn, maar mijn dochter moet naar het ziekenhuis…’
– Een collega klopt op het werk bij je kantoor aan: ‘Heb je even tijd? Wat denk jíj hiervan?’

Pastoraat bestaat voor een groot deel ook uit ‘toevallige’ ontmoetingen, onverwachte gesprekken, contact dat ongemerkt tussen de bedrijven door gebeurt. Margriet van der Kooi, ziekenhuispredikant, noemt zulke onverwachte ontmoetingen ‘gesprekken die je toevallen’. Het zijn korte contacten, maar toch gebeurt er iets, waardoor beide personen zich gezegend voelen.
Het is de moeite waard om na te gaan hoeveel u van die korte, onverwachte contacten heeft. Het zou de moeite waard kunnen zijn om ruimte te scheppen voor zulke onverwachte contacten en niet alleen te focussen op gesprekken die langer duren.

Afspraken maken
Toch moeten er ook bezoeken worden afgesproken. Wat is de beste manier om tot een afspraak te komen?

Ouderling F. pakt soms de fiets om ergens aan te waaien bij iemand. Spontane bezoeken hebben iets van een positieve verrassing. Ook voor ouderling F. zelf. Want zijn oorspronkelijke plan was om bij de familie J. langs te gaan, maar daar was niemand thuis. Hij zag beweging in het huis aan de overkant en bedacht dat mw. K. ook wel bezoek kon gebruiken. Bij een huisbezoek is mw. K. altijd heel gespannen. Nu heeft ze daar geen last van. Ze was wel even overvallen door het onverwachte bezoek, maar is juist ook blij met het onverwachte bezoek.
Een ouderling met een volle agenda doet er goed aan om enkele keren in het seizoen ‘een rondje door de wijk’ in te plannen voor onverwachte bezoeken. Nadeel is wel dat veel mensen, ook de ouderen, een volle agenda hebben en dat degenen voor wie het bezoek bedoeld wordt niet thuis zijn. Het kan voorkomen dat u tijdens zo’n ‘rondje fietsen’ niemand thuis aantreft en dus ook geen bezoek hebt afgelegd. Zie dat rondje fietsen niet als een verloren tijd, want juist door de wijk door te gaan kun je weer op namen komen bij wie u langs zou kunnen gaan.

Ouderling Z. plant bij zijn aantreden als ouderling een aantal avonden om bij de leden van zijn wijk langs te gaan. Zo kan de wijk met hem kennismaken en weet hij welke gezichten bij de namen horen. Het zijn vaak ongedwongen bezoeken. Ze duren wel langer dan gepland, omdat de kennismakingsbezoekjes gewaardeerd worden. Ouderling Z. spreekt af wanneer zij een afspraak voor een bezoek tegemoet kunnen zien. Tegelijkertijd spreekt hij af dat als er wat is dat ze met hem contact opnemen.

Ouderling B. beging bovenaan de lijst. De familie A. is als eerste aan de beurt. Hij belt hen op. Het kostte wel moeite om het telefoonnummer te achterhalen, want de familie A. staat niet in het telefoonboek en ook niet in het LRP.
Hij moet uitleggen wie hij is, want de familie A. heeft al geruime tijd de kerk niet bezocht. Door de telefoon hoort hij dat ze de familie eigenlijk niet zit te wachten op een bezoek. Als het moment van bezoek is aangebroken, staat hij gespannen voor de deur. Als de deur opengaat, wordt hij binnengelaten. Na de kennismaking is het ijs gebroken. De spanning vooraf is aan beide kanten niet nodig geweest, want het werd een mooi gesprek.

Ouderling W. heeft het geluk dat zijn voorganger zijn bezoeken goed heeft bij gehouden. Dat bezoekwerk kent ook een bepaald systeem. Voor ouderling W. blijkt het ook een bruikbaar systeem. Zo kan hij heel goed zien wanneer welke gemeenteleden een bezoek moeten krijgen. Hij hoeft geen achterstallig werk in te halen. Bovendien kan hij thuis duidelijk aangeven welke avonden hij weg is en welke avonden overblijven voor het gezin.

Doel van het huisbezoek
Huisbezoek gebeurt niet zomaar. Met het opzoeken van de gemeenteleden wordt een bepaald doel beoogd. Bijvoorbeeld: versterken of stimuleren van de band met God, bieden van geestelijke steun in moeilijke tijden, uitleg geven over de weg die de Heere gaat. Veel bezoeken hebben iets wederkerigs: de ouderling leert erg veel van degenen die hij in de wijk bezoekt.
Ook hier zijn verschillende werkwijzen mogelijk:

Wijk 3 van de hervormde gemeente te Q. werkt met een jaarthema. De wijkouderlingen kregen aan het begin van het themajaar aanwijzingen hoe zij dat thema konden gebruiken tijdens de huisbezoeken.

Ouderling G. houdt van spontaniteit. Hij houdt ervan als de gesprekken anders lopen dan gepland. Onbevangen gaat hij het gesprek in, benieuwd naar wat er komen gaat.

Ouderling N. wil juist van tevoren weten wat er komen gaat. Dan kan hij zich daar alvast op voorbereiden. Dan weet hij wat hij moet zeggen of hoe hij moet reageren. In zijn hoofd heeft hij enkele vragen die hem helpen als het gesprek anders verloopt dan hij zou willen. Juist de stap naar het geestelijke gesprek vindt hij niet zo eenvoudig. Hij is blij dat de ouderling bij wie hij enige tijd mocht meelopen hem wat eenvoudige aanwijzingen gaf. Die ouderling gaf aan: ‘De mensen weten waarvoor je komt. Je hoeft er niet om heen te draaien. Het is goed om aandacht te hebben voor wat er in het gezin leeft. Daarna kun je de overstap maken naar het geloof. Dan zeg je bijvoorbeeld: “U weet dat ik ook gekomen ben voor …” Of: “U heeft verteld hoe het met u gaat. Merkt u bij dat alles ook de aanwezigheid, de steun of de leiding van de Heere?”’

Het is helemaal niet verkeerd om een bepaalde methode te hanteren. Zo’n methode kan helpen om ontspannen te worden tijdens een gesprek. Een methode is een hulpmiddel. Wanneer de methode niet werkt, laat u de methode los. Later in het gesprek zou u die werkwijze die u gewend bent kunnen oppakken. Het komt een gesprek ten goede als u in staat bent om te variëren in uw gespreksmethoden. Dan kunt u beter inspelen op wat er in een gesprek gebeurt en begrijpt u beter wat er in een gesprek gebeurt.

Sfeer tijdens een gesprek
De sfeer tijdens het gesprek is heel bepalend. Wanneer er een open sfeer is en een sfeer van vertrouwen laten mensen zich makkelijker in hun hart kijken. Als de sfeer ongemakkelijk is, zal het gesprek stroever verlopen.
Een vertrouwde sfeer ontstaat wanneer iemand die het bezoek ontvangt merkt dat u als ouderling niet oordeelt. Of wanneer u persoonlijk bent als de sfeer dat toelaat. Of dat u juist even niets over uzelf vertelt, omdat u anders alle aandacht op uzelf zou vestigen.


Het kan helpen als u bepaalde achtergronden weet. Van de dorpsgeschiedenis, van gebeurtenissen in een familie in het verleden. Het kan helpen als u kunt invoelen wat een gebeurtenis voor die ander betekent. Dat kan ruimte bieden om verder te vertellen. Als iemand bijvoorbeeld een scheiding in de naaste familie heeft meegemaakt, begrijpt hij heel goed als een vader en moeder tijdens het huisbezoek de pijn, de verwarring en de zorgen delen over de scheiding van hun zoon.


Tegelijkertijd kan het ook heel erg helpen als u niet op de hoogte bent van bepaalde gebeurtenissen. De ander is dan in staat om het verhaal opnieuw te vertellen en bent u in staat om onbevangen te luisteren. Het kan een voordeel zijn om niet geboren en getogen te zijn in het dorp waar u nu ouderling, bezoekbroeder of bezoekzuster bent. Daardoor staat u onbevangen in de gemeenschap en wordt uw beeld niet gekleurd door de verhalen die in de gemeenschap worden verteld. Gemeenteleden kunnen soms ook opener zijn, omdat ze weten dat wat ze vertellen niet bij familieleden terecht zal komen.

Entree
Het gesprek begint met het aanbellen bij de deur of bij het binnenstappen via de achterdeur. Een ongedwongen entree vergemakkelijkt het gesprek. Het ijs is dan al snel gebroken. De fase van entree is een fase waarin veel gebeurt: kennismaking, de eerste indruk van de personen en de huiskamer. In deze fase kan al de toon worden gezet en het verloop van het gesprek worden bepaald.

Zelf spreek ik zoveel mogelijk af rond een tijdstip waarop koffie of thee wordt gedronken. Dat geeft degenen bij wie ik op bezoek ben gelegenheid om hun gastvrijheid te tonen. Door koffie of thee te bestellen geef ik aan dat ik tijd voor hen heb. Dat wil niet zeggen, dat ik alle tijd heb. Maar op dat moment ben ik er voor hen. Ik ben beschikbaar en ik stel me in op hun verhaal. Tijdens het koffiezetten is er ook even tijd voor mij om te acclimatiseren.
In deze fase is er ook alle ruimte voor vragen of opmerkingen die betrokkenheid tonen: ‘Hoe gaat het nu?’ ‘Hoe is het in de afgelopen tijd gegaan?’ ‘Er is echt veel gebeurd bij u.’ ‘U vertelde de vorige keer over … Hoe is het daar nu mee?’


– wordt vervolgd – 

Gespreksvragen
1.) Wat was uw reactie toen u gevraagd werd om ouderling, bezoekbroeder of bezoekzuster te worden? Wat waren uw aarzelingen? Wat waren uw redenen om “ja” te zeggen?

2.) Wat waren uw verwachtingen voordat u hieraan begon? Waar keek u toen naar uit? Waar zag u tegen op? Hoe kijkt u nu terug op die verwachtingen? Viel het mee of viel het tegen?

3.) Wie uit uw omgeving zou u aanraden om bezoekwerk op te pakken? Als ouderling of als bezoekbroeder/-zuster?

4.) Merkt u dat de bezoeken en gesprekken uw geloof verrijken? Wat is het mooiste dat u hebt meegemaakt ? (zonder te vertellen over wie het gaat!)

5.) Welke aanpak van het bezoekwerk past het meest bij u: rondje fietsen, kennismakingsronde, lukraak bezoeken, bezoeken volgens een vast systeem? Wat zijn de sterke kanten van uw werkwijze?

6.) Hoe bereidt u een bezoek voor?

7.) Hebt u van tevoren een doel dat u tijdens dat gesprek wilt bereiken? Welk doel is dat? Wat doet u als u het doel hebt bereikt? Wat doet u als u dat doel niet hebt bereikt?

8.) Bent u een geboren en getogen Oldebroeker? Welke voordelen en nadelen ondervindt u daarvan?
En als u vrij recent in Oldebroek bent komen wonen: Lukt het u om de mensen te leren kennen en begrijpen? Welke voordelen en nadelen ervaart u als ‘buitenstaander’?

9.) Gaat u voor uzelf eens na hoeveel onverwachte gesprekken u had, die achteraf gezien een pastorale kant hadden. Sla de gesprekjes die maar enkele minuten niet over!

10.) Wat valt u op aan de sfeer tijdens de bezoeken die u aflegt?

11.) Kunt u iets vertellen hoe u de overstap maakt van naar de thematiek van het geloof. Heeft u daar een bewuste methode voor? Of juist niet?

Verkeerde reacties in een pastoraal gesprek

Verkeerde reacties in een pastoraal gesprek

Iemand die namens de kerk een pastoraal gesprek voert, dient dat op een fijngevoelige manier te doen. Fijngevoeligheid vertaalt zich onder andere in een belangstellende en respectvolle houding ten opzichte van de ander. Fijngevoeligheid uit zich ook in het op de juiste manier reageren op wat in het gesprek aan de orde wordt gesteld.

Mijn eigen ervaring is dat een fijngevoelige manier van reageren niet komt aanwaaien. Daarvoor is bijvoorbeeld kennis van gesprekstechnieken nodig. Daarom geef ik uit het handboek van Michael Herbst enkele verkeerde reacties weer. Niet bedoeld om aan een ouderling nou eens fijntjes te laten weten wat hij fout heeft gedaan. Maar bedoeld voor de ouderling die zich wil voorbereiden op een gesprek. Of voor een ouderling die nog eens wil nadenken over een gesprek dat hij heeft gevoerd.

Laten we beginnen bij de casus die Herbst geeft:
Ds. B. brengt een bezoek aan Markus H. die in het ziekenhuis ligt. Deze Markus is actief betrokken in de gemeente van ds. B. als jeugdleider. Hij ligt in het ziekenhuis vanwege een chronische ontsteking in zijn maag (door de helicobacter pylori, de enige bacterie die bestand is tegen maagzuur). Ds. B. neemt de lichamelijke pijn serieus en wil dit niet afdoen als iets psychisch. Zij vermoedt al langere tijd dat er bij Markus iets zwaar op de maag ligt. Zij weet dat Markus studeert, maar dat hij nog steeds thuis woont bij zijn ouders, omdat zijn ouders geen financiële mogelijkheid hebben om een kamer voor hem te huren. In het gesprek hoort zij dat Markus zijn kamer ook nog eens moet delen met zijn broer Philip van 15. Zij kent de ouders van Markus en weet dat Markus’ vader veel voor zijn werk onderweg is en dat zijn moeder tobt met haar gezondheid. Markus is blij met het bezoek van ds. B. Nadat het gesprek enige tijd is gegaan over wat hem mankeert en over het eten in het ziekenhuis, neemt het gesprek plotseling een wending. Markus zegt opeens: ‘Het is bij ons thuis vaak verschrikkelijk. Ik kan mijn broer soms wel wat doen.. Nergens heb ik een plek waar ik mij kan terugtrekken. Maar wat moet ik doen? Mijn ouders kunnen geen kamer voor mij betalen. Ik weet dat zij niet veel over houden. Nu is mijn moeder ook nog ziek. Als mijn broer …’

Bij de analyse van een gesprek is het gemakkelijker te zien wat er fout gegaan is dan te zien wat er goed gegaan is. Zeker als er een gesprek van iemand anders geanalyseerd wordt.
In de regel gaan gesprekken is, volgens Herbst, als de pastor of de ouderling zijn plaats in nabijheid van degene die om raad verlegen is verlaat en zich een koele distantie of een betwetende hoogte aanmeet:

Bagatelliseren:
‘Maar Markus, dat is toch niet zo’n probleem? De maanden die je nog moet studeren, zing je wel uit!’
Het is in te denken dat wanneer ds. B. zo zou reageren, dat Markus zich niet serieus genomen voelt. Deze reactie gaat in feite het conflict uit de weg. Het probleem is al uit de wereld geholpen, voor het echt besproken is.

Diagnosticeren:
‘Weet je, dat is een typisch probleem tussen broers. Je broer bevindt zich in een moeilijke levensfase.’
De predikant zou dan weten hoe het zit. Voor de ego van een predikant kan dat goed aanvoelen, maar Markus is hier niet mee gediend.

Dirigeren:
‘Markus, dat is toch direct duidelijk! Weet je wat je moet doen? Als je uit het ziekenhuis komt, moet je een baan zoeken en zelf op zoek gaan naar aan kamer. Dan zul je zien dat alles tot een goed einde komt.’
Ook dit is een te snelle oplossing, die voorbij gaat aan het innerlijke conflict van Markus. Wanneer de predikant op deze manier de mondigheid van Markus zou willen stimuleren, zou zij hem alleen maar ontmoedigen.

Het kan zijn dat de problematiek van Markus herinnert aan de problematiek die ds. B. zelf heeft. Zij voert een strijd met haar eigen zoon, die nog steeds in Hotel Mama woont. Nu kan zij iets voor elkaar krijgen wat in haar eigen woonsituatie niet is gelukt. Dit voorbeeld laat zien, dat het goed is om helder te hebben wat een gesprek met iemand anders bij een predikant of een ouderling allemaal kan oproepen. Het is goed om de eigen situatie te scheiden van dit pastorale gesprek.

Examineren:
‘Vertel mij eens precies hoe dat er allemaal aan toegaat? Hoe gaat dat als jullie beiden op je kamer bent? Hoe gaat dat als je vriendin je bezoekt?’
Dit verhoor dringt diep in het leven van Markus in. Hij heeft nauwelijks de mogelijkheid meer om te besluiten dat hij daarover niet eens wil vertellen.

Zich identificeren:
‘Ach Markus, ik weet hoe dat gaat. Ik zal je vertellen hoe dat voor mij was toen ik mijn kamer met mijn kleinere zusje moest delen.’
Het kan zijn dat ds. B. hetzelfde heeft meegemaakt. Maar wanneer zij zo reageert, denkt zij aan zichzelf en is zij Markus en zijn problematiek vergeten.

Moraliseren:
‘Weet je Markus, ik zal heel duidelijk zijn: je bent wel erg op jezelf gericht. Je ouders doen alles voor je, zodat jij deze studie kan volgen. En nu het niet zo goed met je moeder gaat … Je zou eens wat dankbaarder moeten zijn.’
De confrontatie die ds. B. hier aangaat is uiteindelijk een distantiëring van Markus. Ds. B. identificeert zich met de ouders van Markus en bezorgt Markus nog eens een schuldgevoel. Zijn eigen conflict, zijn poging om iets voor zichzelf te hebben als volwassen zoon verdwijnt van het toneel.

Mogelijk is het zo, dat de spanning tussen Markus en zijn broer Philip een uiting is van een gezinssysteem dat door de afwezigheid van de vader, de ziekte van de moeder, de armoede e.d. te zwaar is belast. Onder het conflict met zijn broer schuilt dan een moeite met de gezinssituatie. Alleen raakt dat de loyaliteit van Markus ten opzichte van zijn ouders, die het al niet gemakkelijk hebben, en zijn gezin van herkomst. In het conflict met zijn broer kunnen de spanningen die zijn opgebouwd (onbewust) een uitweg vinden.

Vergeestelijken:
‘Weet je, Markus, voor je geestelijke groei is dit een goede ervaring. Op deze manier kun je leren wat het is om nederig te zijn. Het navolgen van Jezus houdt ook zelfverloochening in. Nu kun je ook leren wat het betekent om je broer te aanvaarden, zoals Jezus jou aanvaard heeft. Denk je dat het voor onze Heer eenvoudig is om het met ons uit te houden?’
Wat zou Markus daarop kunnen zeggen. Het vergeestelijken is gevaarlijk, omdat het Markus weerloos maakt. Als hij zich tegen zijn situatie verzet, verzet hij zich tegen het plan van God met zijn leven. En Markus wil het geloof juist heel serieus nemen!
Het is niet verkeerd om te wijzen op een geestelijk aspect. In dit geval zou ds. B. echter helemaal voorbij gaan aan het innerlijk conflict van Markus en heeft zij zijn werkelijke moeite niet gehoord.

Wanneer ds. B. op een geestelijk aspect zou willen wijzen, kan zij (volgens Herbst) beter wijzen op het ritme dat de Schepper aan een mensenleven heeft meegegeven: het is goed dat een man zijn vader en moeder verlaat (Gen. 2:24). Markus kan op deze manier van een volwassene leren dat de wens om zelfstandig zijn eigen leven in te richten heel legitiem is.
Hij zou kunnen leren dat hij als christen helemaal niet onverantwoord handelt door een eigen leven op te bouwen. Hij laat zijn ouders op die manier niet in de steek en verraadt zijn loyaliteit aan zijn familie niet.
Ds. B. zou kunnen zeggen: ‘Ik denk nu aan Jozua, die met het volk Israël voor de Jordaan stond en vol vrees opzag tegen de toekomst. Hij vroeg zich bezorgd af of hij niet door zijn nieuwe taak overvraagd zou worden. Toen kwam God naar hem toe en zei: “Ik gebied je dus: wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de HEER, je God, staat je bij”.’

Mede n.a.v. Michael Herbst, beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2012) 262-267.

Zie voor een interview met Michael Herbst:https://mjschuurman.wordpress.com/2012/11/16/interview-met-michael-herbst-over-zijn-nieuwe-boek-over-pastoraat/

Hoe een pastoraal gesprek verloopt

Hoe een pastoraal gesprek verloopt
Een kleine handreiking voor ouderlingen

Hoe verloopt een pastoraal gesprek? Elk pastoraal gesprek verloopt weer anders. Toch valt er globaal iets te zeggen over de fasen die in een pastoraal gesprek doorlopen worden:

(1) Voorbereiding
Het is zinvol (en misschien wel noodzakelijk) om een gesprek voor te bereiden. Bijvoorbeeld door u innerlijk in te stellen op het komende gesprek. Het is niet verstandig om vanuit werkzaamheden, die u beziggehouden hebben, direct door te gaan naar een pastoraal gesprek. Want dan bent u nog tijdens het pastorale met uw hoofd en hart bij die werkzaamheden.
Zijn er reeds eerdere gesprekken geweest dan is het raadzaam om de aantekeningen, die naar aanleiding van de eerdere gesprekken gemaakt zijn te raadplegen. Het is goed om van tevoren al helder te hebben hoeveel tijd u tot uw beschikking heeft. Soms hebben ouderlingen meerdere bezoeken na elkaar gepland. Dan is het verstandig om bij het maken van de afspraak en ook aan het begin van het pastorale bezoek (kort) aan te geven hoeveel tijd u voor deze persoon heeft. (Wanneer u vaak meer tijd nodig heeft bij een pastoraal bezoek, kan het de overweging waard zijn om u op een aantal bezoekavonden te beperken tot één bezoek.)
Bij de voorbereiding is een gebed om de alertheid en wijsheid onmisbaar.

(2) De ontmoeting openen
Als twee mensen elkaar ontmoeten, hebben zij direct een eerste indruk van elkaar. Hoe reageert bijvoorbeeld degene die bezoek krijgt op de binnenkomst van de bezoekende ouderling(en)? Is een ouderling bij binnenkomst gejaagd of straalt hij rust uit? Als iemand bij u op bezoek komt, biedt u hem of haar een zitplaats aan en vraagt u of hij of zij koffie wil.
Als iemand naar u toe komt, heeft deze persoon vaak iets wat hem of haar dwarszit. Deze persoon heeft dat lang niet altijd zelf helder. U kunt de ander helpen om te verwoorden wat hem of haar bezighoudt. Bijvoorbeeld door te vragen naar wat de ander graag zou willen bespreken.

Wie kan u verwachten als bezoeker?
De therapeut Steve de Shazer heeft eens een onderscheid gemaakt tussen de verschillende bezoekers met een hulpvraag:
* Een bezoeker is vaak niet vrijwillig gekomen. Iemand anders heeft opgedragen dat hij of zij hulp moest zoeken. Een bezoeker zal niet snel meewerken met een therapie.
* Klagers dragen een zorg met zich mee dat voor hen het leven moeizaam maakt. Zij verwachten door een gesprek tot een oplossing te komen. Een klager wil graag aan de therapie meewerken.
* Een boodschapper is nog verder: hij of zij wil niet alleen iets kwijt, maar wil ook aan het probleem werken.

Als u op bezoek bent, probeert u eerst een sfeer van vertrouwen te scheppen, zodat de ander zich op zijn of haar gemak voelt. Voor mijzelf is deze eerste fase vaak de spannendste. Deze fase van het gesprek is vaak het onduidelijkst. Zelf weet ik meestal niet wie de ander is en of hij of zij wel op een gesprek met mij zit te wachten. En welke gespreksonderwerpen zullen er langskomen? Ook voor de ander is het onduidelijk: wat komt de predikant of de ouderling doen? Welke onderwerpen zou hij willen bespreken? Kan ik de ander vertrouwen? Gaat hij zorgvuldig om met de gastvrijheid en openheid die ik biedt?
In deze fase wordt vaak bepaald wie bijvoorbeeld de regie heeft over het gesprek. Meestal ben ik degene die een bezoek heb afgesproken en ligt het voor de hand dat het gesprek door mij geopend wordt. Tegelijkertijd ben ik bij de ander te gast en is de ander gastheer. De ander biedt koffie aan, kan een opmerking maken over het weer, over iets wat kort is voorgevallen of over wat u samen hebt beleefd. Zulke opmerkingen zijn handreikingen van uw gastvrouw of gastheer om u op uw gemak te stellen. Voor beide gesprekspartners is dit immers ook de fase waar beiden zich op hun gemak moeten gaan voelen.

(3) Elkaar in het gesprek vinden
Wil een pastoraal gesprek werkelijk een gesprek zijn, dan moeten beide gesprekspartners in het gesprek ‘aanwezig’ zijn. Wanneer u als ouderling op bezoek komt, moet u zich voor de ander open stellen en op een aandachtige manier in het gesprek aanwezig zijn. Wanneer de ander u opgezocht heeft om met u over een bepaald onderwerp te spreken, laat u de ander eerst zijn of haar verhaal doen.
Het kan geen kwaad om kort het doel van uw bezoek en ‘de gang van zaken’ uit te leggen. U kunt bijvoorbeeld aangeven:
– ‘Ik heb deze afspraak gemaakt, omdat ik als wijkouderling een huisbezoek bij u breng. Wij kennen elkaar niet. Zullen we eerst nader kennismaken?’
– ‘Ik ben voor huisbezoek gekomen, maar ik vind het ook van belang om te horen hoe het met u gaat.’
Dit hoeft u niet altijd hardop uit te spreken. Het kan voldoende zijn dat u dit in uw achterhoofd houdt en het gesprek eerst een kennismaking laat zijn.

Voor uzelf kan het helder zijn wat het doel van een huisbezoek is, maar dat hoeft het voor de ander niet te zijn. U kunt daar in het gesprek ook kort iets over aangeven, wat u komt doen. Of u kunt vragen of de ander weet wat een huisbezoek inhoudt. Soms kunnen ook negatieve ervaringen met betrekking tot een huisbezoek een rol spelen. In dat geval zal de ander heel afwachtend zijn. Wanneer u vertrouwen weet te winnen, kunnen zulke gesprekken (onverwacht) mooie gesprekken worden. Wanneer er iets voor de ander misgegaan is, ga niet altijd de kerk, de vorige wijkouderling of de predikant verdedigen. Geef dan aan dat u betreurt hoe het vorige gesprek voor de ander verlopen is: ‘Ik zie dat u nog steeds ontdaan ben door het vorige gesprek. Ik hoop dat ik door dit gesprek iets daarvan kan wegnemen.’

(4) Doel van het pastorale gesprek
Een pastoraal gesprek kan verschillende doelen hebben: meeleven laten zien vanuit de kerk, meedenken met vragen over God of het leven die er zijn, de ander stimuleren in het leven met de Heere. Het reguliere huisbezoek, dat meestal 1 x in het jaar of 1x in de 2 jaar gebracht wordt, heeft vaak het laatste doel: het stimuleren van geloof(sgroei), kerkgang e.d.
Het afleggen van huisbezoeken is daarom geen eenvoudige taak. Ik heb respect voor de ouderlingen die trouw deze bezoeken afleggen naast alle andere taken en werkzaamheden die zij hebben.
Als het de taak is om geloofsgroei, betrokkenheid bij de kerk of leven met de Heere te stimuleren, is het de vraag: wat kan of moet er allemaal in het gesprek aan de orde komen?
Soms kunnen ouderlingen de gedachte hebben dat het eigenlijke van het gesprek het gesprek over de geestelijke zaken is. De fase hieraan vooraf is dan een opstapje, bedoeld om bij het geestelijk gesprek uit te komen. Soms kan de overgang van het wat de ander bezighoudt naar het geestelijke gesprek abrupt gebeuren. Dat hoeft lang niet altijd verkeerd te zijn. Wel is het zaak om te letten op signalen die in die eerdere fase afgegeven worden. Daarin kunnen hele goede aanknopingspunten gegeven worden, die een overgang naar het geestelijk gesprek heel vloeiend kunnen maken. Wanneer u die signalen opvangt en daarop door gaat, geeft u de ander het gevoel dat u werkelijk naar hem of haar luistert. Dan is de ander ook bereid om over het eigen geloof of over het leven met de Heere te spreken.
Wellicht ziet u als ouderling op tegen dit onderdeel van het gesprek. Zit de ander wel te wachten over een gesprek over geestelijke zaken? Mijn ervaring is dat veel mensen daar inderdaad op zitten te wachten. Ook degenen die niet of nauwelijks in de kerk komen. Voorwaarde is dan wel dat u aansluit bij wat de ander bezighoudt. Ook is het raadzaam om hier de ander helpen zijn of haar geloof te verwoorden. Let erop dat als u vragen stelt, deze vragen niet overkomen als controlevragen, maar dat daarin de hartelijkheid van Christus’ liefde te merken is. Houd daarbij rekening dat de ander lang niet altijd in staat is om over het geloof te spreken. Denk dan met de ander mee, hoe u dit voor hem of haar zou kunnen verwoorden.

(5) Met God in gesprek
Als u op pastoraal gesprek komt, mag u ervanuit gaan dat de Heere ook aanwezig is in het gesprek. Ik merk dat degene met wie ik dat gesprek voer de ervaring van Gods aanwezigheid ook ervaren. Ik heb vaak de indruk dat wat mensen tegen mij vertellen dat eigenlijk tegen God vertellen. Hoe dat bij een bezoek van een ouderling gaat, weet ik niet. Ook daar zou het kunnen dat de ander niet alleen met u in gesprek is, maar (onbewust) ook de ervaring heeft om met God in gesprek te zijn.
Heb soms de moed om de sprong te maken naar het geloof. Als dit uit meelevendheid gebeurt, kan de ander u dankbaar zijn voor de diepgang die u aanbrengt in het gesprek. Wanneer iemand vertelt over een moeilijk leven en u daar meelevend naar het geluisterd en meelevend hebt doorgevraagd, kunt u op een gegeven moment ook de vraag stellen: ‘Wat heeft u veel moeite meegemaakt. Heeft u daarin ook iets ervaren van Gods nabijheid? Of heeft u Zijn aanwezigheid gemist?’ Of: ‘Heeft u een adres waar u met uw zorgen naar toe kunt?’
Wat is er mooier dan tijdens een gesprek uit de Bijbel te lezen en te bidden. In al de bezoeken die ik heb afgelegd, heb ik slechts 1x meegemaakt dat het lezen en bidden niet op prijs gesteld werd. Lees een eenvoudig gedeelte dat betrekking heeft op het gevoerde gesprek. Hebt u het gedeelte van tevoren uitgezocht, vertel dan met welke reden u dit gedeelte hebt uitgezocht. Breng in een gebed bij de Heere wat u in het gesprek hebt gehoord. Onderschat niet hoe groot de waarde voor de ander is van het gebed. Wellicht heeft de ander al lange tijd niet meer zelf gebeden (omdat hij of zij dat niet meer kon). Wellicht is het ook een lange tijd geleden dat er iemand voor hem of haar gebeden heeft.

(6) Afronding
Houd er rekening mee dat het lezen uit de Bijbel of het gebed ook een doorstart van het gesprek kan zijn. Het lezen en bidden is vaak geen afronding, maar een verdieping van het gesprek.
Wees alert bij het afronden. Ook in de beloften die u maakt. Als u iets belooft, schrijf dat direct ook thuis op. Zeg ook niet: ‘Ik kom nog eens een keer terug’. Maak in dat geval een nieuwe afspraak. Als de ander vraagt of u nog eens langskomt en u kunt dat niet beloven, wees daar eerlijk in. Anders gaan mensen er op rekenen dat u nog eens langskomt. Schroom niet om weg te gaan. Als u gebeden hebt, heeft u de ander aan de Heere toevertrouwd.
Maak thuis aantekeningen bij het gesprek. De PKN heeft een ledenregistratiesysteem waarin dat mogelijk is. Houd voor uzelf bij wat besproken is en wat u hebt gelezen. Zet er ook eventueel bij wanneer u weer langs zou moeten gaan. Stem dit wel af met de andere bezoeken die u moet afleggen. Het bezoek van een wijkouderling is vaak niet zo urgent als het huisbezoek van de dokter. Bij twijfel kunt u een afspraak maken, zodat van beide kanten helder is wanneer u weer langskomt.

Nogmaals: u heeft de ander aan de Heere toevertrouwd. De Heere zorgt voor Zijn volk!

Mede n.a.v. Michael Herbst, beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2012) 251-254

Voorbeeld van een doopgesprek

Voorbeeld van een doopgesprek
ds. M.J. Schuurman

Er zijn verschillende beelden en betekenissen van de doop. Bijvoorbeeld:
Sterven en opstaan – Verbonden zijn met Christus – Bij God horen – Vergeving van zonden – God wil de Vader van mijn kind zijn –  Mijn kind is een geschenk van God – God heeft een verbond met mij en mijn kind gesloten –  Verbondenheid met het voorgeslacht – God is de eerste in het leven van mijn kind – ‘Laat de kinderen tot Mij komen.’ –  Een nieuwe toekomst –  In zonde ontvangen en geboren – Gods genade ontvangen
– Inlijving –  Burger van een hemels koninkrijk – Ingaan door de enge poort – Gods belofte

(1) Welke spreekt je aan? Leg eens uit.
(2) Welke niet? Op welke manier zou je hier betekenis aan kunnen geven?

Handelingen 2

36 Laat het hele volk van Israël er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en messias is aangesteld.’
37 Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’ 38 Petrus antwoordde: ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, 39 want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’ 40 Ook op nog andere wijze legde hij getuigenis af, waarbij hij een dringend beroep op zijn toehoorders deed met de woorden: ‘Laat u redden uit dit verdorven mensengeslacht!’

(1) Wat betekent de belofte waar Petrus over spreekt voor je kind?
(2) ‘Voor allen die ver weg zijn van de Heer’: herken je dat? Wat betekent de doop in dit opzicht?
(3) Wat is je eigen band met God?
(4) Welke rol speelt je doop daarin?
(5) Is deze band of de betekenis van de doop veranderd door de geboorte van je kind?

Geloofsopvoeding
(1) Welke onderdelen van het christelijk geloof zou je graag willen meegeven aan je kind?
(2) Op welke manier wil je dat doen?
(3) Welk beeld hoop je dat je kind later van God of van de Here Jezus heeft?
(4) Heb je al nagedacht over de manier waarop je je kind wil grootbrengen in en met het geloof? Welke ondersteuning heb je daarbij eventueel nodig?
(5) Op welke manier geef je de doop van je kind een rol in de geloofsopvoeding?

Dienst
(1) Welke bijbeltekst zou je aan je kind willen meegeven? Waarom?
(2) Wat is voor jezelf een belangrijke tekst als het gaat om je relatie met God, je doop of de geboorte van je kind?
(3) Welke liederen wil je graag laten zingen?