De GBS: keuze voor een bevindelijke Bijbel

De GBS: keuze voor een bevindelijke Bijbel

De GBS (Gereformeerde Bijbelstichting) heeft niet bij iedereen in de gereformeerde gezindte een goede naam. De houding naar de Herziene Statenvertaling heeft aan het imago, dat toch al niet zo positief was,  geen goed gedaan. Nu kun je omgekeerd je afwenden van dit deel van de gereformeerde gezindte, maar dat vind ik een te gemakkelijke houding. Wat je ook vindt van de uiteindelijke opstelling van de GBS, een poging om de intenties te peilen is van essentieel belang. Ik doe hier een kritische poging, maar wel vanuit de gedachte dat – hoe anders hun houding en standpunten ook zijn – zij wel onderdeel zijn van het lichaam van Christus. (Deze bijdrage is overigens niet geschreven als verdediging van de HSV.)

De opstelling van de Gereformeerde Bijbelstichting deel ik niet. Wel heb ik bewondering voor het respect waarmee met de Bijbel wordt omgegaan. Binnen deze kring wordt getracht om de Schrift daadwerkelijk een onderdeel van het leven te laten zijn.
Het moge bekend zijn dat de GBS met zware woorden de Herzien Statenvertaling aan de kant geschoven heeft. In een brochure, die ik vandaag ontving, werd nog eens uit de doeken gedaan, waarom de Herziene Statenvertaling af te raden is. De woorden zijn minder fel. Al vreest de GBS wel dat achter de herziening uiteindelijk ook een inhoudelijke verschuiving plaatsvindt of plaatsgevonden heeft.

Weggegroeid
Deze kritiek op de initiatiefnemers zegt veel over de manier waarop de GBS tegen de Statenvertaling aankijkt. De Statenvertaling is een vertaling door God Zelf aan Nederland gegeven. De vertalers waren ook godvrezende mannen.
 Dat de Statenvertaling niet meer begrepen wordt, komt onder andere door dat 50 jaar geleden de secularisatie is begonnen: het Nederlandse volk is weg gegroeid van de Statenvertaling. (Expliciet wordt het niet gezegd, maar je zou bijna gaan denken dat de Nieuwe Vertaling van 1951 een factor was die de secularisatie bevorderde.) Dat de Statenvertaling niet meer begrepen wordt, ligt niet aan de vertaling zelf. Bovendien, de HEERE heeft in de Bijbel geen gemakkelijk Boek gegeven. Het is een illusie om te denken dat een Bijbel zo maar begrijpelijk is. De voornaamste hindernis is niet de taal, maar het eigen zondaarshart dat God en Zijn Woord en Wet niet wil kennen.
Toch ontkomt de GBS er niet aan toe te geven dat de Statenvertaling ook daadwerkelijk moeilijk is. ‘Wie een beetje zijn mensen kent, weet dat er een taalbarrière is tussen de Statenvertaling en … – nu hebben we het nog maar niet over buitenkerkelijken, neen, nu denken we aan onze eigen gezinnen. Leg het oor maar eens te luisteren, als in onze jonge gezinnen vader na het eten een hoofdstuk voorleest…’
In de brochure wordt aangegeven dat de moeilijkheid niet alleen te maken heeft met verouderde woorden, maar vooral ook met ingewikkelde formuleringen van de zinnen. Het vervangen van ouderwetse woorden is in mijn ogen dan niet een afdoende remedie.

Bevindelijk
Waarom houdt de GBS dan vast aan deze vertaling? Omdat deze vertaling de meest letterlijke en de meest betrouwbare vertaling is? Op die stelling valt nogal wat af te dingen. Ondanks de geleerden die steeds geciteerd worden vanwege hun lof voor de Statenvertaling. Neem het voorbeeld panim, dat L.M.P. Scholten gebruikt. Dat wordt in de Statenvertaling bijna altijd letterlijk met gezicht vertaald. Dit woord heeft echter een scala aan betekenissen, die niet allemaal door ‘(aan)gezicht’ weergegeven kunnen worden. In veel gevallen wordt het woord zelfs als een voorzetsel gebruikt. Een letterlijke vertaling slaat de plank mis. Wie op deze manier vertaalt, zou ook in puriteinse geschriften constructies moeten opschrijven als leren bij hart in plaats van uit het hoofd leren. Leren bij hart heeft immers een diepere lading dan uit het hoofd leren? In het bevindelijke leven gaat het toch om het hart en niet om het hoofd?
Een letterlijke vertaling hoeft nog niet de beste vertaling te zijn. Omdat dat argument niet steekhoudend is, kan de betrouwbaarheid van de vertaling niet als argument dienen om vast te houden aan de GBS-Bijbel.
Twee kritiekpunten op de HSV laten de diepste drijfveren van de GBS zien. (1) De GBS verwijt de HSV een taalkloof met de  belijdenisgeschriften, de Oude Berijming en de bevindelijke geschriften door veroorzaakt. (2) De GBS verwijt de HSV dat de band met de Synode van Dordrecht (1618-1619) losgelaten wordt. Het besluit tot deze vertaling werd immers genomen op die synode? De Statenvertaling is niet alleen door godvrezende mannen vertaald, maar wortelt ook in de strijd tegen het remonstrantisme. Dat verzet tegen het remonstrantisme wordt weggelaten. Als argument gebruikt Scholten Exodus 32:33. De GBS-Bijbel heeft hier ‘Dien zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt.’ De HSV heeft hier: ‘Wie tegen Mij zondigt, zal Ik uit Mijn boek schrappen.’ Scholten voert niet een taalkundig argument aan, maar een theologisch argument: de HEERE kan degenen die Hij in het boek des levens geschreven heeft, niet schrappen. Daarom moet er sprake zijn van een irrealis. Dat is echter een merkwaardige exegese en een dubieuze Schriftvisie. Een irrealis haalt de spanning uit Ex. 32-34. Een theologisch argument dat de doorslag geeft in de vertaling boven een argument uit de narratieve exegese geeft aan dat de eigen theologie boven de Schrift staat.
Deze kritiekpunten laat zien dat het de GBS te doen is om een bevindelijke Bijbel (en niet om een goede weergave van de grondtekst). Om vast te houden aan deze bevindelijke Bijbel wordt naar de waarde van de Statenvertaling toe geredeneerd en de moeilijkheden met de taal worden overruled.

Kanttekeningen
Hierbij zijn enkele kanttekeningen te plaatsen:
(1) De vraag is of het vasthouden aan een bevindelijke Bijbel wel past binnen een traditie die zich reformatorisch noemt? Betekent het vasthouden aan een traditie die de vertaling van de Bijbel beïnvloedt niet dat de traditie boven de Schrift komt te staan?
(2) De GBS gaat wel erg gemakkelijk voorbij aan de moeiten die men heeft met het lezen van de Statenvertaling. Men wil vasthouden aan de Statenvertaling vanwege het bevindelijk taalgebruik. Maar is het bevindelijke taalgebruik niet allang ‘uitgewerkt’? Is het zondige onwil geweest dat men de bevindelijke taal niet meer kende? Of ligt het aan de uitdrukkingen die cliché geworden waren en daarmee nietszeggend?
Mocht de GBS een lijn willen trekken tussen de komst van de Nieuwe Vertaling (1951) en de secularisatie, dan is die niet vol te houden. De bredere secularisatie begint al in de jaren’-20 van de 20e eeuw en in de kringen van de elite al in de in de 19e eeuw.
(3) De GBS wentelt nu de moeilijkheid van het Bijbellezen af op de lezer. Dat de Statenvertaling niet gemakkelijk te lezen is, ligt aan de lezer (voor zover de moeilijkheid niet reeds door de HEERE gegeven is.) De predikanten in deze brochure gaan er wat gemakkelijk aan voorbij dat zij zelf wel in staat zijn om oude en moeilijke taal kunnen lezen, maar hun gemeenteleden lang niet altijd. Hun houding is elitair. Het is prima dat zij vasthouden aan de Statenvertaling, maar dat zij de moeilijkheid van het lezen van deze vertaling bagatelliseren, vind ik niet fair. Eigenlijk laat men daarmee zien dat men niet luistert naar de roep om een Bijbel waar men ook echt kan lezen en leven. Het effect is dat hun gemeenteleden de Bijbel niet meer zullen lezen of alleen selectief, namelijk die gedeelten die bekend en dus begrijpelijk zijn.
Mocht de GBS vast blijven houden aan de Statenvertaling, dan hoop ik dat zij ook hun eigen achterban helpen om de gehele Bijbel te lezen. Wanneer het een goede instructie bevat, komt er heus wel wat van de eenheid, die in hun ogen door de komst van de HSV verbroken is, terug. Die eenheid ligt namelijk niet in het bevindelijk taalgebruik, maar in het leven met Christus. Dat leven met Christus kan alleen maar een levende relatie zijn als het niet alleen traditionele termen zijn, die mogelijk het hart raken, maar woorden die opkomen uit de Schrift. Hoe verschillend de standpunten ook zijn, naar mijn idee ligt hier meer eenheid dan in het gebruik van een vertaling.
(4) Wat is er mis met een bevindelijke Bijbel? De Bijbel is niet in het oud-Nederlands geschreven, maar in de talen en culturen van het Oude Nabije Oosten. De Bijbel is ook niet geschreven met het oog op de Synode van Dordrecht. (Al heb ik weinig behoefte om afstand te nemen van de Dordtse Leerregels).
Tegenwoordig is er genoeg kennis van deze culturen om die couleur locale in de vertaling te laten doorwerken. Tegelijkertijd is een letterlijke vertaling niet per definitie een betrouwbare vertaling. Grammaticale constructies, spreekwoorden kunnen niet altijd letterlijk worden vertaald. In een vertaling dient ook de literaire structuur van de Bijbel naar voren komen. Zeker in dit opzicht is de Nieuwe Bijbelvertaling te prefereren boven de Statenvertaling. Vasthouden aan een letterlijke vertaling omdat daarmee Gods Woord geëerbiedigd wordt, kan wel eens een (theologische) denkfout zijn, die eraan voorbij gaat dat onze Heere niet alleen gebruik heeft gemaakt van woorden, maar ook van literaire vormen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Statenvertaling in de 21e eeuw. Uitgave Gereformeerde Bijbelstichting (2011)
. Met daarin:
– ‘De HSV op de keper beschouwd’ door L.M.P. Scholten
– ‘Interviews met de predikanten ds. J.M.D. de Heer, ds. M.A. Kempeneers, ds. A. Kort, ds. P. Korteweg’ door L.J. van Belzen en J. de Koning.