Preek zondag 24 mei 2020

Preek zondag 24 mei 2020
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:12-24

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een van mijn broers had vroeger als klein kind de gewoonte om te zeggen:
‘Nee is ja en ja is nee.’
Als hij vroeg of hij een snoepje mocht en het antwoord was nee,
zei hij: ‘Nee is ja en ja is nee.’ En wilde dan toch iets pakken.
Dat was zijn manier om toch iets gedaan te krijgen wat niet mocht.
Of als hij naar bed moest en hij wilde niet zei hij dan: ‘Nee.’
En als mijn moeder of vader dan “Jawel!” zei, zei hij: ‘Ja is nee en nee is ja.’
Een poging van hem om langer op te mogen blijven.
Hij heeft dat best een tijd volgehouden. Daarom heb ik het ook onthouden.
Gelukkig is hij er na een tijd mee op gehouden, want irritant is dat soms wel.
Nu kunnen we dat van een kind begrijpen, dat hij zegt: nee is ja en ja is nee.
Maar als een volwassene dat zou zeggen, dan zouden we er ons op den duur aan storen.
Als je aan iemand vraagt om een klus te helpen, bijvoorbeeld bij de verbouwing van je huis,
of bij de belastingopgave en die ander komt maar niet
en als je vraagt of hij je nog komt helpen bij de verbouwing of bij de aangifte
en die ander je dan glazig aankijkt, dan komt dat het vertrouwen niet ten goede.
Die persoon belooft wel iets gemakkelijk, maar komt de belofte niet na.
Als je dat bij deze persoon vaker hebt, dan ga je die persoon met een korreltje zout nemen.
Dan denk je bij jezelf: hij zegt wel iets toe, bij belooft wel iets, maar komt dat niet na.
Ik moet niet teveel waarde hechten aan zijn beloften. Zijn ja is een nee.
We vinden het belangrijk dat mensen hun beloftes nakomen, dat ze doen wat ze toezeggen.
Als mensen hun beloften niet nakomen, dan ga je hen op een afstand houden
om te voorkomen dat je toch hun beloftes gaat geloven en je weer teleurgesteld raakt.

We zien dat ook aan Paulus.
Hij heeft aan de gemeente van Korinthe een aantal keer beloofd
dat hij naar hen toe zal komen om hun gemeente te bezoeken en een tijdje bij hen te blijven.
Elke keer als Paulus dat aangeeft, kijken ze uit naar zijn komst.
Paulus komt niet en hij geeft aan de gemeente van Korinthe de belofte dat hij alsnog komt.
Maar weer blijft Paulus’ komst uit.
Ondertussen vangen ze op dat Paulus wel naar andere plaatsen gaat.
En weer komt de belofte van Paulus dat hij gaat komen en ook nu komt hij weer niet.
Dan zijn er in de gemeente van Korinthe mensen die vraagtekens bij Paulus gaan zetten.
Elke keer als Paulus “ja!” zegt, dan bedoelt hij “nee!”
Want hij zegt te komen, maar komt uiteindelijk toch niet.
Die Paulus is niet betrouwbaar.
Ze gaan niet alleen vraagtekens zetten bij de persoon van Paulus,
maar ze gaan zich hardop afvragen of Paulus wel een apostel kan zijn.
Een apostel moet betrouwbaar zijn. Je moet op een apostel kunnen bouwen.
Wat heb je aan een apostel die zegt te komen, maar steeds wegblijft?
Wat moet je dan van zijn andere woorden denken?
Wat moet je als gemeente dan denken van die keer dat Paulus een “nee!” uitsprak.
We lezen dat in de vorige brief: een gemeentelid die op een verkeerde manier leefde.
Als Paulus’ ja een nee is, was dat nee van Paulus dan een ja?
Bedoelde hij destijds te zeggen dat het helemaal niet zo erg was?
Paulus heeft dat destijds wel gezegd, maar hij bedoelde iets anders.
Je weet bij Paulus niet wat hij precies bedoeld. Je moet tussen de regels door luisteren.
Ze trekken het ook door naar de boodschap van Paulus.
Als je niet zeker weet wat je aan Paulus hebt, wat moet je dan van zijn boodschap denken?
Is het allemaal wel waar wat hij gezegd heeft?
Over Christus die stierf aan het kruis en daarmee de zonden wegdroeg?
Paulus heeft van dat kruis verteld, dat het Gods ja was
tegen mensen die bij Hem vandaan gegaan zijn, in opstand tegen Hem waren gekomen,
God hadden ingeruild voor een eigen weg.
Was dat ja van God waar Paulus over sprak dan soms ook ten diepste toch een nee?
Het begint bij een twijfel over Paulus’ apostelschap
en het loopt uit op twijfel over de betrouwbaarheid van God.
Is Gods ja dan ook ten diepste een nee? Kunnen wij wel op God bouwen?

Dan zie je hoe belangrijk het is dat je als gelovige betrouwbaar bent,
dat je doet wat je zegt en dat je daden niet haaks staan op je geloof.
Als je onbetrouwbaar bent, zullen mensen die niet geloven zeggen:
Dat zijn nou christenen.
Op zondag zitten ze in de kerk, maar doordeweeks merk je er niets van.
Dan moet je ze goed in de gaten houden want ze halen dingen uit, die niet deugen
en als je niet oplet ben jij er de dupe van.
Dat is geen reclame voor het christelijk geloof en ook geen reclame voor onze God.
Ook als ambtsdrager hebben jullie vast gemerkt dat verband gemerkt.
Gemeenteleden die beschadigd zijn geraakt door wat een predikant deed of zei.
Gemeenteleden die niet meer naar de kerk komen,
omdat een ander die in hun ogen geloviger was dan zijzelf een gemene streek uithaalde.
Dan zitten ze ‘s zondags voor in de kerk, maar je moest mijn ervaring eens weten.
Zulke ervaringen herstel je als ambtsdrager niet snel.
Je kunt alleen maar hopen, dat je zelf wel een betrouwbaar voorbeeld laat zien.
Dat doordat dat gemeentelid waar je op bezoek komt, merkt serieus genomen te worden
en dat door je luisterende houding ook de boodschap meekomt: God luistert ook naar je.
Hij neemt je serieus. Het is bij Hem niet “Ja” is “nee” en “nee” is “ja”.
Maar dat door je houding, door je bereidwilligheid het aan te horen,
dat je doordat je laat merken dat je wel betrouwbaar bent, laat merken:
Gods ja is ja en het nee van de Heere is een nee. Hij is betrouwbaar in wat Hij doet en zegt.
We hebben vorige week bij het formulier voor bevestigen van ambtsdragers kunnen horen:
Wees getrouw in uw ambt.
Als je ambtsdrager bent, is het niet alleen van belang dat je de Bijbel kent
en met Christus leeft, Hem steeds zoekt in je gebed en je vertrouwen op Hem stelt,
maar dat je aan je handel ook te merken is dat je van Hem bent.
Dat de andere gemeenteleden weten, dat je dat niet voor jezelf doet.
Jullie hebben dat 4 jaar geleden beloofd, 8 jaar geleden, 12 jaar geleden.
Dat zul je met een oprecht hart gedaan hebben,
met schroom wellicht omdat je opzag tegen wat er bij het ambt komt kijken,
of met dankbaarheid, dat je een bijdrage mag leveren aan de gemeente van Christus.
Nu is de termijn voorbij, zijn 2 of 3 termijnen voorbij.
Je hebt destijds je ja-woord gegeven.
Dat ja dat uitgesproken werd naar de gemeente toe en ten opzichte van God
moet ook in praktijk gebracht worden.
Als je op huisbezoek gaat, als je vergaderingen bijwoont, als je besluiten neemt,
als je geld inzamelt, als je bezig bent met allerlei zaken die de gemeente betreft.
Als ik jullie zo ken, heeft dat steeds meegespeeld in hoe je was als ambtsdrager.
Je hebt steeds de gemeente willen dienen, omdat je Christus wilde dienen.
Aan het begin van elke vergadering is niet voor niets gevraagd om de leiding van de Geest.
Dat is niet maar voor de vorm, maar omdat je wilt dat de gemeente opgebouwd wordt.
Omdat het je verlangen was dat Christus aan Zijn eer kwam
en dat wat je deed, eraan bijdroeg dat anderen op zoek zouden gaan naar Christus,
omdat ze die genade ook wilde. Dat ze ook Gods ja voor hen wilden horen.
Zoals Paulus schrijft in vers 20: dat God door ons verheerlijkt wordt.
Je wilde een voorbeeld zijn voor anderen, hoe je Christus zou kunnen dienen.
Niet omdat het om jezelf gaat. Je wilde dat het om Christus zou gaan.
Voor ons gekruisigd en gestorven, opgestaan en naar de hemel gegaan.

Ik weet niet of jullie dat zo stellig als Paulus zouden zeggen.
Als Paulus onder kritiek komt te liggen, wijst hij op de betrouwbaarheid van God.
Jullie kunnen me onbetrouwbaar vinden, zegt hij tegen de gemeente van Korinthe,
maar ik zal jullie zeggen dat ik laat zien dat God betrouwbaar is.
Als Paulus laat merken, dat hij de kritiek heeft gehoord,
gaat hij zich hier niet uitgebreid verdedigen, draagt hij geen excuses aan,
maar zegt hij: in de weg die ik ging, laat ik zien dat je op God kunt bouwen.
Als je lang in de kerkenraad hebt gezeten, heb je veel meegemaakt
en heb je wellicht ook geleerd dat je op moet letten als een predikant of een ambtsdrager
de eigen geloofwaardigheid zo heel dicht tegen die van God aanliggen.
Je moet mij serieus nemen, want ik heb wel het gezag van God.
Je mag mij niet bekritiseren, want je moet wel weten dat ik een ambtsdrager ben.
Bekritiseer je mij, dan bekritiseer je eigenlijk ook God, die ik wil dienen in mijn ambt.
Dat is niet wat Paulus wil aangeven.
Dat hij aan Gods kant staat, is niet zijn eigen keuze geweest.
De weg die hij ging, was niet zijn eigen keuze, maar was Gods keuze voor hem.
Hij was het niet zelf, die zijn eigen plannen weer eens veranderde,
omdat hij het niet zag zitten om naar Korinthe te komen, maar God leidde zijn weg.
Zo begint hij ook in dit gedeelte.
Hij spreekt over zijn geweten.
Hij bedoelt daarmee: je moet niet alleen naar de buitenkant kijken.
Niet alleen naar het pak dat op zondag gedragen wordt.
Niet alleen naar de besluiten die op een kerkenraadsvergadering genomen worden,
of naar een standpunt in een discussie.
Het gaat erom hoe dat gedaan wordt. Of je dat aan God kunt verantwoorden.
Dat als je later voor Gods troon staat, kunt zeggen:
Heer, ik heb naar eer en geweten gehandeld. Ik heb Uw wil gezocht in alles wat ik deed.
In eenvoud – dat woord betekent hier niet dat je dat nederig hebt gedaan,
maar meer dat je een en dezelfde persoon bent: op zondag en op maandag.
Dat als anderen doordeweeks met je te maken hebben, je dezelfde bent als op zondag.
Je hart is één: zoals je Christus dient, ben je ook bezig met de mensen die op je pad komen.
Het tegenovergestelde zou zijn: iemand met twee gezichten.
Iemand van wie je niet weet wat je nu echt aan iemand hebt.
Iemand die ja zegt en ondertussen nee bedoeld
En als de vergadering is afgelopen het zo voor elkaar weet te krijgen dat het nee wordt.
Nee, Paulus is naar God toe dezelfde als naar de gemeente van Korinthe
en naar de gemeente van Korinthe dezelfde als naar God toe.
Je kunt de Heere niet voor de gek houden. Je kunt je naar Hem niet mooier voordoen.
Eens zullen we allemaal voor Zijn troon moeten verschijnen
en zullen we verantwoording moeten afleggen.
Niet alleen over onze keuzes, maar ook hoe wij onze keuzes hebben gemaakt.
Als je niet met oprechte motieven gehandeld hebt, zal dat dan openbaar worden,
zoals dat nu al bekend is bij God.
Paulus zegt hier van zichzelf: ik heb een schoon, een rein geweten.
Ik kan me verantwoorden voor God. Zoals ik mijzelf voor God ken, heb ik zuiver gehandeld.
Paulus weet ook: dat is niet zijn eigen karakter.
Hij is vanuit zichzelf net zo als al die andere mensen, ook degenen die niet geloven.
Die eenvoud, dat hij dezelfde naar God toe is als naar de gemeente,
is niet zijn eigen kracht en niet zijn eigen eerlijkheid en oprechtheid.
Dat is een geschonken eerlijkheid, een geschonken oprechtheid.
Dat is de Heilige Geest die in hem werkt en hem vormt naar het beeld van Christus.
Het is de Geest die in hem werkt.
Hij is het voorbeeld van de nieuwe schepping waarover hij spreekt in 2 Korinthe 5:15
Daarom als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping.
Het oude is voorbij gegaan. Zie alles is nieuw geworden.
Paulus betrekt dat hier op zichzelf: wat Paulus beloofde en de andere keuzes die hij maakte,
de keuze om weer zijn reisplannen om te gooien en opnieuw beloven aan te zullen komen
en toch weer niet komen – daar zat niets van het oude leven meer bij.
Dat was geen vleselijke wijsheid, zoals de HSV vertaald, geen wijsheid van deze wereld.
Geen keuze met egoïstische motieven, niet op zichzelf gericht, niet berekenend of sluw.
Dat is wijsheid van de wereld, die nog gevangen zit in de macht van de zonde,
de zonde die je keuzes aanstuurt vanuit egoïsme, op jezelf gericht zijn.
Nee, Paulus is niet meer van zichzelf. Hij is vrijgekocht van de zonde.
Dat zit weer in vers 21-22: God heeft hem echt vrijgekocht van de zonde.
God heeft op Paulus het stempel gezet: je bent nu van Mij.
Mijn Geest gaat in je werken. Mijn Geest komt over je, zoals die ook over Christus was.
Mijn Geest gaat in je werken, om dat zondige, dat egoïstische, dat berekenende
uit je weg te krijgen, je te reinigen om in je hart plaats te maken voor Christus.
Dat is nu zijn situatie. Hij is van Christus. Hij heeft de Geest in zich en die werkt in hem.
De Geest is een onderpand – bewijs dat hij is vrijgekocht en echt van Christus is.
God heeft ja tegen hem gezegd en dat ja is ook een ja en geen nee.
Als God ja zegt, is dat een ja.
Als God je paspoort tekent, dan is het een ja en blijft het een ja.
Dan is het ook een ja ook als je voor Gods troon komt.
Steeds klonk het ja van God. In het Oude Testament klonk dat ja steeds tegen Israël.
Er is één moment, waarop dat ja van God het allerduidelijkst heeft geklonken,
waardoor we niet meer kunnen twijfelen, niet meer mogen twijfelen aan Gods ja.
Golgotha, het kruis dat daar stond, met daaraan Gods Zoon.
Een duidelijker ja heeft er niet kunnen klinken van Godswege.
De Heer heeft genâ de toegang is vrij door Golgotha. Jezus ging voor. Hij wacht aan de grens.
En heeft dat ja van God ook geklonken in Korinthe.
De gemeente heeft daar amen op gezegd – op Gods ja.
De gemeente had het ja van God gehoord, heeft dat ja geloofd en aanvaard
en dat omarmd. Dat ja is ook voor ons.
Hoe oprecht ook, dat amen van ons houden we uit onszelf niet vol.
Dat amen van jullie, gemeente in Korinthe, ligt vast in Gods ja.
Hij geeft dat amen van jullie stevigheid, stabiliteit. Hi zorgt dat je dat amen blijft zeggen.
Je moet dat amen niet te snel opgeven, wil Paulus hier zeggen, als Gods weg anders gaat.
Als het niet loopt, zoals het van tevoren was aangekondigd.
God kan een andere weg gaan. Met mij, met de gemeente, met de wereld.
Maar het blijft wel Zijn ja.
Ook als Zijn weg anders gaat, moet je niet aan dat ja gaan twijfelen.
Dat ja dat klonk op Golgotha en gehoord werd in Korinthe dat blijft een ja.
Paulus mocht dat ja brengen in Korinthe en hoopt dat hij nog eens mag komen
om nog een keer heel duidelijk aan te geven dat Gods ja ook Gods ja is.
Maar ook als hij daar niet komt, blijft Gods ja een ja en wordt het niet opeens een nee.

Als ambtsdragers hebben jullie ook dat ja van God mogen uitdragen.
Als wijkouderling in de huisbezoeken die je mocht doen, de gesprekken die er waren,
de keren dat je uit de Bijbel las, dat je met de mensen in gebed ging.
Ik hoop dat je geregeld ook hebt mogen horen dat er door de mensen amen gezegd werd
en dat het ja van God door hen gehoord en omarmd, beleden werd.
Als kerkrentmeester de gebouwen onderhouden waar het ja klonk,
ervoor zorgde dat het mogelijk was dat predikanten kwamen om dat ja van God uit te dragen
Dat er avondmaal gevierd kon worden: Gods ja en ons amen.
En in de laatste weken dat de diensten toch doorgang konden vinden.
dat het kerkgebouw hier midden in het dorp en daar bij ‘t Loo een getuigenis zijn,
een ja tegen iedereen in het dorp, een ja van God tegen iedere voorbijganger.
Ook voor jou, ook voor u is Mijn Zoon aan het kruis gegaan.
Ook voor jou, voor u is het mogelijk om dat ja te horen en te aanvaarden.
Als diaken om dat ja van God heel praktisch merkbaar te laten worden
in de zorg voor de mensen die het niet makkelijk hebben, in de steun aan goede doelen,
een instrument om het ja van God heel concreet zichtbaar te maken
in het uitdelen van de gaven.
Medewerkers zo noemt Paulus dat.
In al zijn brieven noemt Paulus voortdurend zijn medewerkers.
Hij doet dat werk niet alleen, maar met anderen. Met mannen en vrouwen.
Medewerkers zijn ze van God, door Zijn genade. Ze mogen dat ja uitdragen.
Zo mochten jullie dat ja van God uitdragen
en mag je dat doen ook als je ambtsdrager-af bent.
Zo mochten jullie meewerken aan de blijdschap in de gemeente,
blijdschap om Christus, om het kruis, om het ja dat daar klonk.
Een instrument in Gods hand om de gemeente te bouwen.
Een middel om de trouw en betrouwbaarheid van God te mogen laten zien en horen.
Een vast gebouw.
De Dorpskerk waar we nu zijn, is ook een gebouw met een lange geschiedenis.
We hopen dat die kerk nog lang blijft staan om te getuigen van Gods ja.
Dat gebouw van Gods beloften staat er al veel langer en staat er nog
als deze kerk er niet meer is. Eeuwig is God. Voor altijd Zijn trouw.
Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,

Zo min zal Uwe trouw ooit wanklen of bezwijken.
Amen



 

Als christen toegerust voor een taak in de wereld

Als christen toegerust voor een taak in de wereld
Proefschrift van Marinus de Jong over de visie van Klaas Schilder op kerk & wereld

Hebben christenen nog iets te zoeken in deze samenleving? Of is bijdragen aan de samenleving juist hun opdracht? Voor Klaas Schilder – bekend dan wel berucht van de vrijmaking in 1944, maar ook in vergetelheid geraakt – was dat geen vraag. Zijn visie op kerk, cultuur en maatschappij was onderwerp van promotieonderzoek.

Nederlandse christenen zijn onderdeel van een multireligieuze samenleving: er zijn nog meer religies. Daarnaast is de invloed van het christelijk geloof op de samenleving veel minder groot dan vroeger. Daarom kunnen we ook spreken van een postchristelijke samenleving. 

Dat roept vragen op naar de plek en de rol van de kerk in deze multireligieuze, postchristelijke samenleving: Moet de kerk zich volop inzetten in deze samenleving om zo het christelijk geluid te laten horen of moet de kerk zich juist afzonderen omdat de ontwikkelingen in de samenleving haaks staan op het evangelie? Moeten christenen maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid nemen of brengen ze zich dan in situaties, waarin ze maatregelen moeten nemen die afbreuk doen aan het christelijk geluid in de samenleving?

Marinus de Jong, sinds kort predikant van de gereformeerd-vrijgemaakte Oosterparkkerk in Amsterdam-West, promoveerde op 6 juni aan de Theologische Universiteit Kampen op deze vraagstelling. Hij deed in de afgelopen jaren onderzoek naar de theologie van Klaas Schilder (1890-1952), waarbij hij de visie van Schilder vruchtbaar wilde maken voor het heden.
D8Y-schXoAEfK1-

Dat hij Klaas Schilder als inspiratiebron nam, is verrassend. Zelfs voor iemand die onderzoek deed in Kampen. Want Schilder is een theoloog, die in de vergetelheid is geraakt. Zelfs in Kampen. 

Polemisch
De erfenis van Schilder in de Vrijmaking riep in de afgelopen decennia – zeker na de opening van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt – vooral verlegenheid op, omdat de theologie van Schilder vaak erg polemisch was.

Dat Schilder niet meer gelezen wordt, kan ook te maken hebben met een bepaald beeld van Schilder, dat werd doorgegeven. Dat was een beeld waarin alle spanning was weggehaald, en een beeld dat bepaalde Vrijgemaakten goed uitkwam.

Toen zijn leerlingen en volgelingen artikelen gingen heruitgeven, lieten ze ook wel artikelen weg die niet goed pasten bij het beeld van Schilder dat ze wilden doorgeven.

De Jong gaat achter dat beeld terug en wil laten zien dat Schilder soms moest zoeken naar zijn weg. Dat zijn theologie veel meer spanningen kende dan leerlingen wilden toegeven. Door die spanningen wordt de theologie van Schilder weer boeiender.

Schilder is zijn hele leven bezig geweest met de vraag, hoe de kerk zich moest opstellen in de wereld. Zelf afkomstig uit een arm arbeidersmilieu, ontwikkelde hij zich en klom zelf op tot professor. Voortdurend was hij bezig om in zijn eigen achterban te benadrukken, dat de kerk zich niet afzijdig moest houden van de wereld, maar daar haar plaats moest innemen.
Kaft-K-Schilder
Schilder stelde dat de mens een medewerker van God is en door God wordt gebruikt om Zijn weg in deze wereld te gaan. Voor Schilder was het ‘ambt van alle gelovigen’ van groot belang. Gelovigen waren vrijgekocht uit de zonde en waren nieuwe mensen geworden, die Gods gebod in praktijk konden brengen. Niet alleen de mensen aan de top zoals ambtsdragers en hoogleraren moesten hun bijdrage leveren, maar ook het gewone gemeentelid.

Vanuit de zondagse eredienst – voor Schilder het startpunt van het ambt van alle gelovigen – werden ook de gewone gemeenteleden in staat gesteld om hun bijdrage te leveren in de wereld: op hun werk, in het vrijwilligerswerk, in kunst en cultuur.

Zo’n bijdrage leveren, was volgens Schilder een goddelijk gebod. Wie zich daaraan onttrok, was ongehoorzaam aan Gods gebod. De Jong noemt deze lijn ‘kerk in de breedte’.
the-church-is-the-means-the-world-is-the-end-215x300
Cultuur
In de ogen van Schilder was de aarde niet een voorspel van de hemel (of van de hel), maar had de tijd hier op aarde een eigen waarde voor God. In deze tijd werkt God. Volgens De Jong is het handelen van God in de tijd hier op aarde de belangrijkste kern van Schilders theologie.

Dat handelen van God gaat al terug op de schepping. Bij de schepping van de mens kreeg de mens de opdracht om in de cultuur te werken. In het paradijs was er een eenheid van geloof en cultuur. Bij de zondeval raakte die eenheid versplinterd en koos de gelovige voor geloof en de ongelovige voor cultuur.

Zonder geloof is de cultuur echter onvolledig, hoe indrukwekkend de cultuuruiting ook kunnen zijn. Met de komst van Christus werd de eenheid van cultuur en geloof weer hersteld.

De nieuwe mensen, die door Christus zijn vrijgekocht, geven de cultuur een waarde, die een ongelovige niet kan geven.

Deze visie had wel nadelen. Hervormde theologen als Noordmans en Miskotte zagen deze opvatting leiden tot arrogante christenen, die wel weten hoe het zit. Daarnaast vonden ze dat deze visie te weinig kritisch was op de cultuur en daarmee een wereldgelijkvormigheid in huis haalde.

Noordmans en Miskotte hadden echter geen oog voor de sociale achtergrond van Schilder en zagen niet dat Schilder zijn eigen achterban wilde laten emanciperen.

Ware kerk
Een ander nadeel van deze visie is dat de nieuwe mensheid samenvalt met de concrete kerk. Het is dan een kleine stap om te zeggen dat je eigen kerk de ware kerk is. Schilder heeft dat nooit willen beweren en na de Vrijmaking in 1944 streed hij tevergeefs tegen die duidelijke koppeling die bepaalde Vrijgemaakten wel maakten.

Helemaal ongelijk hadden ze niet, omdat Schilder met zijn koppeling tussen de nieuwe mensheid en de concrete kerk wel die suggestie wekte.

Schilder streed echter niet voor de ware kerk. Hij was realistisch genoeg om te beseffen dat een kerkgenootschap nooit een ware kerk kon zijn, omdat het leven hier op deze aarde per definitie onaf is. Het gaat alleen om de wettige kerk. Daar zette hij zich voor in.

Om die reden polemiseerde hij met de Nederlands Hervormde Kerk, die door het kwijtraken van de binding aan de belijdenis volgens hem geen wettige kerk meer was. Omdat Schilder zich inzette voor een wettige kerk, hield hij zich veel bezig met de belijdenis en met de formele kant van kerkzijn, zoals de kerkorde en de vraag hoeveel pluriformiteit een kerk aankon.

Juist omdat het nadenken over de wettige kerk hem zo bezig hield, raakte het conflict in 1944 – dat uitliep op de Vrijmaking – hem diep. Vanwege meningsverschillen over de leer, die voor de oorlog hoop opliepen, wilde men in de oorlog duidelijke keuzes maken. Om vaart te maken, verlengde de synode de eigen zittingstermijn.

In Schilders ogen verloor de synode daarmee het gezag. Zeker toen de synode keuzes maakten, die tegen zijn visie inging, verzette hij zich tegen deze in zijn ogen niet-rechtsgeldige synode. 

Toen deze synode hem schorste, raakte dat hem persoonlijk diep. Naar zijn idee was hij aangepakt op de kern van zijn theologie. De schorsing door de synode was een traumatische ervaring voor hem.

De gevolgen waren echter paradoxaal. De groep die meegingen in de Vrijmaking begonnen vol bewijsdrang een nieuwe zuil op te bouwen. Soms tegen de zin van Schilder in.

De ‘synodalen’ (in de termen van Schilder: ‘synodocratischen’) bleven verdoofd achter. De Vrijmaking is een van de grote raadsels van de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Eigenheid
Voor De Jong is het nadenken over de wettige kerk en het staan op Schrift en belijdenis de kerk in de diepte. In zijn proefschrift wil hij beide lijnen van Schilder combineren: een robuuste kerk die betrokken is op een wereld die op veel punten van haar afwijkt. Daarbij waakt de kerk steeds voor haar eigenheid en laat ze zich niet teveel beïnvloeden door wat de wereld wil.

Tegelijkertijd betekent de eigenheid van de kerk niet een terugtrekken van de wereld. Juist die eigenheid krijgt gestalte in de samenleving. Het publieke karakter van de kerk, haar staan in de wereld, is wezenlijk voor haar geloofwaardigheid.

Een goed proefschrift roept altijd vragen op, die uitdagen om verder op onderzoek te gaan. Een van de vragen die zijn proefschrift oproept, gaat over Schilder zelf. Er gebeurt iets in de jaren ‘30, waardoor de wind die Schilder eerst in de zeilen blies, zich tegen hem keerde en zelfs leidde tot zijn schorsing. Toen A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek aan de Theologische Universiteit Kampen moest worden opgevolgd, was Schilder de gedoodverfde opvolger. Als vanzelfsprekend werd hij het. Tien jaar later werd hij geschorst. Waren de verwachtingen die men had niet uitgekomen? Had hij zijn hand overspeeld?

Een andere vraag gaat over de praktische uitwerking van de kerkvisie die De Jong hier op basis van Schilders theologie neerlegt. De Jong pleit voor een kerk in de breedte en de diepte, een kerk die haar eigenheid bewaakt en tegelijkertijd volop haar rol heeft in de samenleving.

Mij werd alleen niet goed duidelijk hoe De Jong dat voor zich ziet. Bij Schilder – en ik vermoed dat De Jong hem hier volgt – gaat het via de gemeenteleden die op zondag in de kerk geweest zijn en daar aangevuurd zijn om hun taak op te nemen. Dan word ik nieuwsgierig: Wat voor soort kerkdienst is dat? Wat vraagt dat van de liturgie en de preek?

Naast deze vragen wil ik stellen dat De Jong Schilder terecht weer onder het stof vandaan haalt. Ontdaan van alle polemiek is Schilders theologie een waardevolle bijdrage om het gewone, dagelijkse leven als christen serieus te nemen. Dat dagelijks leven is niet alleen gezin of ethiek, maar ook werk, vrijwilligerswerk, kunst en cultuur.

Schilder daagt de gelovige uit om die terreinen niet te mijden. Persoonlijk zou ik iets voorzichtiger zijn met de identificatie van de gelovigen met de nieuwe mensheid, omdat de gevolgen van de zonde niet hier in het aardse bestaan al hersteld worden. Maar ook met die correctie biedt Schilder genoeg uitdaging om de roeping van God in onze samenleving als christen serieus gestalte te geven.

N.a.v. Marinus de Jong, The Church is the Means, the World is the End. The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World (Uitgave: Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen).

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad

Preek 30 juni 2019 avonddienst

Preek 30 juni 2019 avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal. Schriftlezing: 1 Johannes 1:1 – 2:2
Tekst: Opdat u ook gemeenschap hebt met ons; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus (vers 3b).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is bijzonder om zo met elkaar het avondmaal te vieren.
Om met elkaar daar vooraan te zitten, de schaal en de beker aan elkaar door te geven,
waarbij we elkaar de tekenen van brood en wijn doorgeven.
Dat geeft aan, dat we niet alleen maar voor onszelf daar zitten aan die tafel,
maar ook voor elkaar.
Als je daar zit, pak je de schaal aan van degene die naast je zit
En die de schaal aan je doorgeeft.
Je neemt het brood ervan en geeft de schaal door.
Je pakt de beker aan van degene die de beker jou aanreikt en je geeft de beker weer door.
Dat aannemen en doorgeven is niet voor niets. Dat heeft een betekenis.
Er is iemand uit de gemeente – en je hebt wellicht niet zelf voor diegene gekozen –
reikt jou de tekenen aan, die heenwijzen naar het offer dat Christus bracht.
In het aangeven van de schaal zegt degene naast je (zonder woorden):
Hier is het brood, gedenkt en gelooft dat Christus ook voor jou gestorven is.
En als de beker wordt aangereikt zegt je buurman of buurvrouw in dat gebaar:
Christus reinigt ook jou van je zonden.
Ik mag je dat doorgeven, net zoals ik dat zelf ook weer van iemand gekregen heb.
Zo worden we gesterkt, zowel in ons geloof, in onze band met Christus
en ook gesterkt in de onderlinge band, doordat we samen daar zitten
en elkaar de tekenen mogen aanreiken, die Christus ons weer aanreikt.
Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar
in ware broederlijke liefde verbonden worden.
Dat gaat in samen op: gesterkt worden in je eigen geloof en ook in de onderlinge band.
In zijn brief wijst Johannes daar op op:
Opdat u ook gemeenschap hebt met ons;
en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Je kunt blijkbaar niet alleen, niet in je eentje geloven.
Ja, soms kan het niet anders. Als je leeft in een omgeving, waar niemand christen is
en je tot geloof komt en je bij niemand terecht kunt, dan moet je alles in je eentje doen.
Maar dan is geloven niet gemakkelijk: om in je eentje avondmaal te vieren,
om jezelf aan te spreken en bij de les te houden,
jezelf moed in te spreken als je het niet ziet zitten, jezelf op te beuren en te troosten
– dat is allemaal niet gemakkelijk.
We hebben elkaar nodig, al is het maar om de schaal met brood aan te geven
en de beker aan te reiken,
het gebaar waarmee we tegen elkaar zeggen: het is ook voor jou!
Het is voor ons leven met de Heere, voor ons geloof, niet goed, als we dat alleen doen.
Ik hoorde ooit een voorbeeld, en dat ben ik nooit vergeten
en heeft er zelfs toe geleid om maar aandacht te schenken aan de onderlinge band:
Iemand vertelde dat ze kort na de belijdenisdienst in een zwart gat viel.
In een jaar tijd had ze intensief met anderen opgetrokken,
op een vast tijdstip bij elkaar gekomen, week in week uit.
Door dat samenkomen, door die gesprekken leefde ze dicht bij de Heere
met als climax, als hoogtepunt een mooie belijdenisdienst.
Maar na die belijdenisdienst was het voorbij, was er niets meer, stil.
Geen ontmoetingen meer, geen gesprekken meer,
geen vaste avonden meer aan God gewijd.
Het was opeens stil en leeg: een zwart gat.
Onverwacht kreeg haar geloof een duw naar beneden.
Pas later besefte ze hoe belangrijk die bijeenkomsten en die gesprekken waren.
Ik ben haar er altijd dankbaar voor geweest, dat ze deze teleurstelling meldde,
omdat ze mij daarmee leerde, hoe belangrijk is voor het geloofsleven
om samen op te trekken, geregeld bij elkaar te komen.
Niet dat die gedachte helemaal nieuw was, maar toch:
Als je van iemand hoort, dat het wegvallen van de onderlinge contact
ervoor zorgt dat je terugvalt in geloof, geeft dat wel aan dat we niet zonder kunnen.
Als gelovige niet zonder de onderlinge band.

Die band wordt in het avondmaal versterkt.
Althans, dat is de gedachte van het formulier.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde samen één lichaam vormen.
Aan de tafel zijn we één, net een gezin, het gezin van Christus,
Waarin iedereen die er is een broeder en een zuster is.
Een broer of een zus zijn: dat betekent, dat je daar niet voor gekozen hebt,
zoals je vrienden wel kunt kiezen.
Je hoort bij elkaar en je kunt je niet van elkaar los maken, ook al verbreek je het contact.
Als we verbonden raken met Christus, krijgen we er anderen bij,
die ook verbonden zijn met Hem.
Aan de avondmaalstafel groeit zowel de verbondenheid met Christus als met elkaar.
Gemeenschap met elkaar en met God.
Gemeenschap – een mooi woord, dat geeft aan dat je samen iets gemeen hebt:
Samen heb je gemeen dat je van Christus bent geworden.
Je hebt allemaal het kenmerk dat de Heere in je leven werkt
en dat je kon overgeven aan Hem, dat je Hem ging liefhebben en vertrouwen.
Dat heeft bij de een vast meer tijd gekost dan bij de ander,
maar dat is gezamenlijk: dat er in ons hart de liefde is voor Hem,
die hebben we daar niet zelf in gelegd, maar heeft de Heere zelf gegeven.
Dat hebben we gemeenschappelijk.
Gemeenschap betekent ook, dat je samen ergens onderdeel van bent.
Samen onderdeel van het gezin van God,als broeders en zusters.
Daarom samen aan de tafel, zoals een gezin gezamenlijk de maaltijd gebruikt
Gemeenschap betekent daarom ook, dat je niet allemaal losse individuen bent,
maar dat er onderling ook iets groeit.

Dat groeit niet zomaar, vanzelf. Daar moet de Heilige Geest voor aan de slag.
Want als mensen een gemeenschap vormen, als is dat aan de avondmaalstafel,
is dat niet iets dat vanzelfsprekend gaat.
Samen een gemeenschap vormen heeft iets positiefs:
Je stimuleert elkaar, daagt elkaar uit, je versterkt elkaar.
Je gaat met iemand in gesprek die de stap niet kan maken naar het avondmaal
in de hoop dat hij of zij de volgende keer wel kan gaan.
Je luistert naar de aarzelingen en neemt die serieus
en je weet ook iets aan te reiken dat verder helpt in dit opzicht.
Je deelt ervaringen met elkaar,
waardoor je hoort hoe een ander de gang naar het avondmaal beleeft.
Je denkt daarover na en het verrijkt je eigen omgang met het avondmaal
omdat je nieuwe inzichten hebt opgedaan, die je bijblijven.
Of je spreekt van tevoren af, dat je bij elkaar gaat zitten,
Zodat de stap voor iemand, die niet zo makkelijk aan het avondmaal gaat, niet zo groot is
omdat je met elkaar gaat
en je besluit om er na afloop om er met elkaar over door te praten hoe het was.

Samen een gemeenschap vormen kan ook iets ongemakkelijks hebben.
Je zit aan tafel met anderen uit de kerk, die heel andere opvattingen hebben,
met wie je maar geen gesprek moet hebben, omdat het op discussie uitloopt.
Of met iemand met wie je ooit een akkefietje hebt gehad, dat nooit echt is uitgepraat.
Je moet niet teveel de kant van die ander opkijken, want je wordt er nog aan herinnerd.
Je zit naast iemand, die ooit eens iets gezegd heeft, dat niet zo heel tactisch was,
je vermoedt dat degene die naast je zit allang vergeten is, wat hij of zei ooit tegen je zei,
maar je weet het nog steeds en toch is hij of zij degene die je de schaal en de beker aanreikt
en jou de tekenen van genade en vergeving overhandigt, in naam van Christus.
Samen zit je aan de tafel van Christus en allebei heb je de genade nodig.
Mag die opmerking nog een belemmering zijn om de schaal en de beker aan te nemen?
Betekent dat de tekenen van brood en wijn, die heenwijzen naar de genade is er is,
betekent dat je deze tekenen ontvangt, dat je die opmerking voortaan moet vergeten
en er niet meer zo mee bezig moet zijn, omdat je zelf ook genade nodig hebt
en je naast iemand zit, bij wie je zelf ook weer iets aangericht hebt?
Of betekent het nog iets anders, dat je het ook bij Christus mag brengen
en in Zijn handen mag leggen en dat Hij weet wat er tussen jullie zich afspeelde?
Heel makkelijk kunnen we voor elkaar een belemmering zijn om bij Christus te komen.
En toch zegt het avondmaal, dat de Heere ons met elkaar verbindt, één van hart maakt.
Niet losse individuen, die toevallig een plek aan de tafel hebben,
die allemaal iets met Christus hebben en die als ze de kerk verlaten
weer ieder de eigen kant op gaat, zonder nog iets met elkaar te maken te hebben.
Nee, in het avondmaal gevormd tot één lichaam.
En ik denk dat we dat niet moeten beperken tot onze kerk alleen,
maar alle kerken die er zijn in Oldebroek en over heel de wereld: samen dat ene Lichaam.
Gevormd tot één lichaam, omdat we elkaar nodig hebben om verbonden te zijn met God.
Johannes verbindt dat hier ook aan elkaar:
verbonden met elkaar en verbonden met de Vader en met Christus.
Die verbondenheid is zowel een opdracht, die we hebben,
een verantwoordelijkheid die we voor elkaar gekregen hebben,
waar we ons niet van kunnen afmaken.
Maar ook een geschenk van God, een gemeenschap, waarin Hij ons opneemt,
waarin Hij ons een plek geeft en anderen om ons heen.
Het is een verantwoordelijkheid om niet te veel uit elkaar te groeien,
zodat je elkaar niet meer begrijpt.
De tijd nemen om naar elkaar te luisteren, te begrijpen hoe iemand anders denkt, gelooft.
Om zelf wellicht ook te vertellen hoe de Heere werkt in jouw leven.
De tijd nemen om elkaar op te zoeken.
De tijd nemen om voor elkaar te bidden.
Op de opleiding leerde ik bij het vak pastoraat:
Het gaat erom dat we gossip veranderen in gospel.
Gossip: roddel. Gospel: het evangelie van onze Heere/
In plaats van ongezonde nieuwsgierigheid, doorvertellen omdat het smeuïg is,
betrokkenheid tonen en oprecht mee te leven.
Als je het doorvertelt, om dan te laten merken dat je om die ander geeft
en iemand anders ook verantwoordelijk maakt om mee te leven en naar je om te zien.
Gospel: evangelie – oog krijgen voor hoe de Heere werkt in iemands leven
en dat doorvertellen en de Heere danken voor die persoon

en voor de genade die de Heere laat merken.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde samen één lichaam vormen, omwille van Christus, onze geliefde Zaligmaker, die ons tevoren zo bijzonder heeft liefgehad. Dit zullen wij niet alleen met woorden, maar ook met daden aan elkaar bewijzen. Daartoe helpe ons de almachtige en barmhartige God en Vader van onze Heere Jezus Christus, door Zijn Heilige Geest.

Die verbondenheid met elkaar is nodig om verbonden te blijven met de Heere.
We hebben avondmaal gevierd.
We hebben vanmorgen weer mogen ervaren, mogen proeven
hoe het is dat de Heere ons weer opneemt in Zijn gemeenschap, met ons verder wil
en dat Hij zo in ons wil werken, dat we groeien in geloof, andere mensen worden,
vol van Hem, vol van Zijn Geest.
Het avondmaal vieren, aan de tafel aangaan, is de belofte geven aan de Heere
dat je in de komende tijd uit die gemeenschap wilt leven.
en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Avondmaal is geen momentopname, niet alleen maar iets voor 30 juni 2019,
maar geldt ook voor de komende maanden,
als je morgen op je werk komt.
Als je het komend weekend een weekendje weg bent.
laat ieder zijn geweten onderzoeken of hij ook gezind is voortaan met zijn hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of hij, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met zijn naaste te leven.

Want de Heere is dat waard. In Zijn zorg voor ons geeft Hij mensen om ons heen.
Die over Hem vertellen. Die voorleven hoe je met God kunt leven.
Die meeleven en ons aanspreken, die ons stimuleren en ons een voorbeeld zijn.
Voor wie wij zelf een voorbeeld mogen zijn, die zich aan ons optrekken.
Samen met elkaar de weg van Christus gaan.
Als je zo met elkaar optrekt, kom je bij de Heere uit. Samen bij de Heere uit.
Een  gemeenschap waarin God werkt, een gemeenschap die God eert
met woord en daad. Amen

Preek zondag 10 juni 2018 morgendienst

Preek zondag 10 juni 2018 morgendienst
Wieringerwaard – Viering Heilig Avondmaal
Handelingen 2:37-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het avondmaal is bedoeld om onze band met God én de band met elkaar te versterken.
Door naar het avondmaal toe te leven, door aan de tafel aan te gaan,
door daar te zitten en brood en wijn te ontvangen wordt de band met Christus versterkt.
Daar is het avondmaal voor bedoeld: om zo weer intens met Christus bezig te zijn,
beseffen dat je Hem nodig hebt, om je zonden vergeven te krijgen,
om een nieuw leven te krijgen,
om gevoed en gesterkt met Christus, vergeven en vernieuwd, je plek weer in te nemen
in de kerk, in deze wereld.
Om daar ook de liefde, de barmhartigheid van God die je ontvangen hebt uit te stralen.
Over vergeving lezen we in Handelingen 2.
Op de Pinksterdag in Jeruzalem zegt Petrus tegen de aanwezigen op het tempelplein:
Jullie hebben Jezus gedood en wat jullie nu zien
is Geest van diezelfde Jezus die jullie gedood hebben, want Hij is opgestaan uit de dood.
Wat moeten we doen?, vragen die aanwezigen.
Petrus zegt: Bekeer je, want God heeft een geweldige belofte voor jullie:
Je kunt vergeving ontvangen én je kunt de Heilige Geest ontvangen.
Dat is onderdeel van diezelfde belofte: God geeft vergeving én geeft Zijn Geest aan ons.
We zien dat ook in het avondmaal.
We horen over vergeving die God door Christus wil geven.
In de afgelopen week bent u daar misschien wel heel erg mee bezig geweest.
U hebt nagedacht over uw eigen geloof, uw band met Christus
En je merkte dat er heel wat aan schortte,
Dat je geloof niet zo geweldig is als je van iemand mag verwachten
die de liefde en genade van God in Christus heeft ervaren.
Dat je leven niet zo geweldig is als je van een volgeling van Jezus zou verwachten.
Je kunt vatbaar zijn voor begeerten, die je op het verkeerde pad brengen, bij Jezus vandaan
Daar hebben we vergeving voor nodig: God die onze fouten vergeeft.
We hebben nodig dat ons hart van binnen gereinigd wordt.
In het avondmaal bevestigt Christus opnieuw: de vergeving is er.
Kom maar bij Mij aan tafel en ontvang brood en wijn,
Die wijzen naar Golgotha, waar Ik Mijn leven voor je gaf.
Als je het brood eet, dan proef je de vergeving, dan proef je de liefde.
Als je de wijn drinkt en in je voelt komen, dan weet je dat Christus je van binnen reinigt.
Je krijgt niet alleen vergeving.
Je krijgt nog meer, want er is iets nodig – Iemand nodig, om je hart te bewaren bij Christus,
om de leegte die er gekomen is, nadat je hart gereinigd, schoongemaakt is,
Te vullen, zodat de duivel niet de kans grijpt om in die leegte terug te komen.
God geeft ook Zijn Heilige Geest.
In het avondmaal gaat het ook om die belofte.
Als je hart gereinigd is door Christus, komt de Heilige Geest in je hart.
Hij zorgt ervoor dat je bij Christus blijft.
Deze belofte, zegt Petrus, is voor jullie, voor jullie kinderen en voor degenen die ver weg zijn
Een ruime belofte van Christus, de liefde stroomt naar je toe, maar stroomt ook verder.
Nodigend, op zoek naar een hart, waarin de liefde van Christus mag komen.
Aan het avondmaal wordt de band met Christus verdiept.
Ook de band met elkaar wordt verdiept aan de tafel van Christus.
We lezen dat ook in Handelingen 2: De gemeente die bij elkaar komt.
Er is trouw in de gemeente, de stap naar Christus is geen bevlieging
die enkele weken later weer over is.
Steeds weer komen ze bij elkaar om te luisteren wat de apostelen vertellen over Christus,
komen ze bij elkaar om elkaars verhalen aan te horen en hun ervaringen te delen.
Steeds weer merk ik hoe dat ook de onderlinge band verdiept,
Als je met elkaar optrekt, in een Bijbelkring, een gesprekskring,
of ‘s zondags voor of na de kerkdienst met elkaar spreekt over wat je bezighoudt.
Dat verbindt met elkaar, je wordt betrokken op elkaar en het verdiept je band met Christus,
Ze zoeken elkaar steeds weer op, de onderlinge gemeenschap groeit.
Ze geven niet op, als het even niet zo stimulerend is.
Ze blijven niet weg, maar ze geven niet op, ze gaan er steeds mee door.
Mensen die weinig met elkaar hadden,
misschien alleen maar het toeval dat ze in Jeruzalem waren juist op dat moment,
mensen die elkaar voorheen niet kenden, ze worden broeders en zusters.
Ook dat is een steeds voortdurend proces. Ze komen bij elkaar om het brood te breken.
Dat is avondmaal vieren, maar dat is ook een gemeenschap buiten het avondmaal om.
Het zijn de gewone maaltijden.
Je kunt niet over hen zeggen: op zondag, of bij het avondmaal is er een gemeenschap,
maar doordeweeks heb je niets met ze. Ze zoeken elkaar steeds weer op
om elkaar te stimuleren de weg van Christus te gaan.
De gemeenschap met Christus opent de ogen voor de mensen om je heen.
Als ze bij elkaar zijn, vergeten ze de band met God niet.
Ze bidden voor elkaar en met elkaar.
Als ze elkaar opzoeken staat de deur naar God open.
Christus leeft en door het gebed kunnen ze Hem zoeken, kunnen ze Hem vinden.
Ook dat vraagt om trouw en volhouden, niet zomaar opgeven.
Omgekeerd brengt de gemeenschap van Jezus’ leerlingen je weer bij Christus.
Met elkaar zoek je Zijn aangezicht in gebed.
De gemeente groeit in eenheid, samen gaan ze op weg.
Het is voor Lukas hét bewijs dat de Heilige Geest Zijn werk doet
dat het waar is wat Petrus zei: de belofte is ook voor hen.
Vanuit de gemeenschap gaat er ook iets naar buiten uit:
Buiten de kerk raken ze onder de indruk van de onderlinge liefde, de trouw in praktijk.
Dat brengt mensen bij de kerk, bij God. Is het een ideale gemeente daar in Jeruzalem?
Nee, daar gaat het niet op. Het gaat om de openheid voor de Geest
die Christus brengt en daarmee vergeving, een nieuwe start,
die je versterkt in de band met Christus, met elkaar
en zo gesterkt je plek in te nemen, in de kerk, in de wereld om je heen
om daar de liefde van Christus, die je vandaag mag ontvangen, door te geven. Amen

Preek zondagmorgen 29 april 2018

Preek zondagmorgen 29 april 2018
Bevestiging ambtsdrager
Openbaring 20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen week bij de voorbereiding van dit hoofdstuk
kwam ik tegen dat van alle gedeelten uit het Nieuwe Testament
de uitleg van dit hoofdstuk, Openbaring 20, het meest omstreden is.
Er is geen gedeelte uit het Nieuwe Testament, waarbij de uitleg zo veel van elkaar verschilt.
Toen ik dat las, begon ik te aarzelen:
had ik er goed aan gedaan dit gedeelte voor zondag uit te kiezen?
En dat nog wel met een bevestiging van een ambtsdrager, van een jeugddiaken, erbij.

Ik was al wel even bezig geweest en als ik een ander gedeelte zou kiezen,
zou het voorbereidende werk dat ik al gedaan had voor niets zijn geweest.

Al die verschillen in uitleg hebben te maken met twee vragen:  (1) Wanneer? (2) Hoe?
Wanneer zal het gebeuren dat de engel uit de hemel neerdaalt
om de de tegenstander van God op te sluiten? Of is dat al gebeurd?
Wanneer is dat moment aangebroken dat Christus zal regeren,
samen met de gelovigen –  en dat voor duizend jaar?
Of is dat moment reeds aangebroken en leven wij nu in dat tijdperk?
En dat moment dat de satan weer wordt vrijgelaten – wanneer zal dat zijn?
Of leven we in dat tijdperk, dat de satan weer is vrijgelaten?

En dan die tweede vraag: Hoe zal dat koningschap zijn?
Is het echt duizend jaar? Of staat die duizend voor iets anders?
En zal het een koningschap in de hemel zijn? Of ook op aarde?
Vragen genoeg bij Openbaring 20.

Laten we ons startpunt nemen bij het begin van het hoofdstuk:
Johannes die te zien krijgt in een visioen dat er een engel uit de hemel daalt.
Deze engel heeft in zijn hand de sleutel van de afgrond.
Deze afgrond is beter bekend met de naam hel, de plek waar de satan hoort.
Deze engel heeft nog meer bij zich: ketenen om de satan te binden, voor 1000 jaar.
Heel het Nieuwe Testament is er maar één moment, waarop de satan wordt gebonden:
dat is Golgotha, het moment dat Jezus stierf aan het kruis.
Daar, op dat moment werd de satan verslagen en geboeid.
Dat pleit voor het kruis als startpunt van het rijk van Christus.
Elke uitleg die zegt dat het rijk van Christus nog moet komen,
gaat eraan voorbij dat het allerbelangrijkste aan het kruis is gebeurd.
De overwinning is behaald, satan een nederlaag toegebracht.
De macht die hij nog heeft, om te vernietigen, om te verleiden,
is slechts macht die hij nog heeft bij de gratie van God.
Juist dat is de reden voor degenen die zeggen
dat het duizendjarig rijk van Christus nog moet komen:
omdat in deze tijd de duivel nog zijn gang kan gaan, om te bedreigen en te verleiden,
hij gaat rond als een brullende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden.

Maar gaat het wel om het wanneer, hier in dit gedeelte?
Dat klinkt gek, juist ook bij zoveel discussie over het wanneer,
maar ik denk, al lezend in Openbaring en ook in dit hoofdstuk,
Dat het moment waarop het gebeurt niet zo belangrijk is.
Openbaring is namelijk geen programmaboekje voor de toekomst,
Zoals er voor Koningsdag een programma opgesteld is, van uur tot uur
en daarbij aangegeven welke activiteiten er verwacht kunnen worden.
Steeds als er over de toekomst gesproken wordt, kijkt Johannes ons tussendoor steeds aan:
En hoe zit het met jou? Hoe zit het met jouw trouw aan Christus?
Is aan jou te merken dat jij in deze wereld anders bent?
Denk aan de brief aan de gemeente van Laodicea:
Wijn die werd afgekoeld, of juist werd opgewarmd
– dat hoort een christen te zijn: afwijkend van de wereld waarin je leeft.
Maar wijn die lauw geworden is, daar zit geen smaak aan
En het verschil met de omgeving is weg.
Hoe zit het met jouw geloof? Wat kan aan jou gemerkt worden dat je van Christus bent?
Steeds als Johannes iets over de toekomst te zien krijgt en dat doorgeeft
gaat het erom, hoe wij in het hier en nu ervan afbrengen.

In dit hoofdstuk lijkt die aansporing te ontbreken, maar vertelt Johannes wel
dat hij ziet dat de boeken geopend worden,
waarin de gelovigen geoordeeld worden naar hoe ze hebben geleefd
en hoe ze het geloof in praktijk hebben gebracht,
Wat er terecht gekomen is van die trouw in de praktijk van het alledaagse leven.
Dat is geen directe aansporing, maar wel indirect:
het doet ertoe wat je met je leven hebt gedaan.
Het is belangrijk dat in je christenzijn ook in praktijk brengt.
Dat is niet iets dat je even kunt nalaten, maar dat hoort er werkelijk bij.
Dat is nu juist de trouw die gevraagd wordt, dat je je houdt aan Gods geboden.
Jeugddiaken: geloof helpen in praktijk brengen,
om jongeren daarbij te helpen, te begeleiden, aan te spreken
Dat is niet alleen een verantwoordelijkheid voor een jeugddiaken,
maar voor de gehele gemeente.

Als Openbaring dan niet zo zeer een programmaboekje voor de toekomst is,
Waarom geeft Johannes de beelden over de toekomst die hij in visioenen krijgt door?
Om aan te geven dat het ook zin heeft om trouw te blijven,
want al merk je dat de duivel bezig kan zijn, zijn macht is beperkt.
Door God beperkt.
Want in de hemel is er namelijk een sleutel van de afgrond, van de hel,
Waarin de duivel opgesloten kan worden,
zoals een krijgsgevangene, die overwonnen is, opgeborgen wordt.
Of iemand in voorarrest wordt geplaatst,
in afwachting op het vonnis dat uitgesproken gaat worden.
Op de deur waarachter de duivel wordt opgeborgen,
waar hij de gelovigen niet meer kan bereiken, waaruit hij ook niet kan ontsnappen,
wordt ook nog eens een zegel aangebracht
om aan te geven dat alleen vanuit de hemel de toestemming gegeven kan worden
om die deur te openen en de gevangene vrij te laten.
Al die duizend jaar dat hij wordt opgesloten, verandert hij niets
en wanneer hij vrij gelaten zal gaan worden, zal hij opnieuw de strijd oppakken,
de strijd tegen God. En ook de kerk bedreigen.
Wanneer dat niet radicaal uit de wereld gebannen zal worden,
zullen er steeds slachtoffers vallen, gelovigen die gevaar lopen
hun trouw aan Jezus met de dood te moeten bekopen.

Johannes krijgt te zien dat de gelovigen die trouw waren tot in de dood
dat niet tevergeefs waren.
Want dacht de boze, dacht het wereldrijk Rome de gelovigen klein te krijgen
Door ze ter dood te brengen, te vervolgen, onder druk te zetten
en leek het erop dat de boze macht daarin succes had
doordat hij onder de gelovigen slachtoffers kon maken,
Nu de satan is opgeborgen, komen degenen die gestorven zijn voor hun Heer
weer tot leven.
Zij die het met hun leven moesten bekopen, krijgen het leven van Christus terug.
En in plaats van dat ze uitgeschakeld zijn, monddood gemaakt, weggewerkt,
worden ze in ere hersteld
En juist de macht die hen zo kwelde wordt uitgeschakeld, voorgoed,
Duizend jaar!
Een van de vragen bij dit gedeelte is of we die duizend jaar letterlijk moeten nemen.
Dat is nog maar de vraag, want een jaarrekening als wij hadden ze nog niet.
Ze rekenden veel meer in perioden, bijvoorbeeld waarin een bepaalde keizer regeert.
Dan zouden wij leven in de tijd dat Willem-Alexander leefde.
Of men herinnerde een ingrijpende een gebeurtenis: zoveel jaar na de oorlog,
Of de tijd waarin de aardbevingen in Groningen waren begonnen.
Duizend jaar is meer dan een getal, meer dan een tijdsaanduiding.
In de Bijbel is ook de uitdrukking “tot in het duizendste geslacht”.
Gaat het erom, dat dit exact duizend generaties verder is?
Het gaat bij die uitdrukking om het definitieve: Elke generatie die volgt, voor altijd.
Nooit houdt het op.
Met taal heb je vast wel de “overtreffende trap” geleerd: het hoogste, het beste,
meer, hoger, beter is er niet.
Duizend – dat is de allesovertreffende trap.
Op de regering van Christus volgt niets anders,
zoals in een van de geloofsbelijdenissen: Aan Zijn rijk zal geen einde komen.
Na die duizend jaar is de heerschappij van Christus niet voorbij,
nooit zal de macht van Christus voorbij zijn. Voor altijd koning.

Wanneer? Nu of in de toekomst?
Maakt dat eigenlijk uit, of dat nu of in de toekomst gaat gebeuren?
In de Tweede Wereldoorlog zal er over nagedacht zijn,
hoe het met Nederland moest na de oorlog.
Zolang de oorlog niet voorbij was en er delen van Nederland bezet
Heb je er niet zoveel aan, als je zoveel tijd besteedt aan het opbouwen van Nederland
als er weer vrede gekomen is, als je daarbij vergeet te strijden in, gedurende oorlogstijd.
Zo is het ook met het nadenken over wanneer dat zal gebeuren:
Wanneer je daarbij vergeet, dat gevraagd wordt om te strijden voor Christus,
om trouw te zijn aan Gods geboden, om het in praktijk te brengen,
schiet het zijn doel voorbij.
Maar in die strijd kan het wel inspiratie geven, moed geven
als je weet dat je het ergens voor doet, als je een visioen hebt, een droom hebt,
de droom van een vrij Nederland.
En het helpt ook als je weet dat buiten het bezette gebied, in Engeland, een regering is.
Dat er, ondanks dat er een bezetting is, toch wordt doorgeregeerd.
Zo moeten we, naar mijn idee, ook het visioen van Johannes zien:
Er wordt geregeerd. De regering is buiten bezet gebied, in de hemel.
Dat moment van de duizend jaar die geregeerd worden, kunnen ook nu al zijn, las ik ergens,
met Christus in de hemel en de kerk bij Hem in Zijn heerlijkheid die meeregeert,
De kerk die in vrijheid is aangekomen.

Waar het om gaat, is dat dit visioen laat zien, dat de bezetter eens moet inbinden
en zijn macht al kwijt is.
Dat hij ons niet kan verleiden als God dat niet wil.
We bidden in het Onze Vader: Leid ons niet in verzoeking.
God is bij machte het gevaar van de boze, zijn invloed op ons leven tegen te gaan.
Ons te beschermen, omdat de boze al krijgsgevangen gemaakt is, overwonnen.
De overwinning is reeds binnen, reeds behaald.

Dit visioen dat Johannes te zien krijgt, is het zesde visioen.
DAt zesde visioen staat voor de climax, de ultieme confrontatie:
Erop of eronder – ja niet voor God, Hij heeft alle macht
en zal die macht ook nooit meer kwijtraken.
Nee, erop of eronder voor de boze.
Wil hij nog slagen, dan moet hij nu zijn, een laatste stuiptrekking, een laatste oprisping.
Maar steeds als de zesde fase is aangebroken,
of dat nu de zesde schaal is, de zesde bazuin of hier het zesde visioen,
wordt getoond hoe de boze onderuit gaat, hoe machtig zijn leger ook is,
hoe sterk hij zich ook wapent.
Bij het nadenken over het duizendjarig rijk moet het daarom niet gaan
over het wanneer en hoe, al zijn dat voor ons begrijpelijk wel belangrijke vragen,
maar gaat het veel meer om: bevinden we ons op dat zesde moment? Is dat onze tijd?
Dan merken we op aarde dat de macht van de boze toeneemt,
de boze een laatste kans waagt, nog één keer wil opstaan, een laatste krachtinspanning.
Maar tegenover de korte tijd dat de boze daarin slaagt,
staat de duizend jaar, de eeuwigheid van Gods overwinning.
Tegenover de doden die vallen voor het geloof, staat de opstanding van hen
en zij die vielen, zij die geknecht en vertrapt werden, worden in ere hersteld.
De boze heeft hen er niet onder gekregen.
Hooguit tijdelijk, door ze in de dood te sturen.
Maar voor wie gelooft is de dood niet het einde,
maar betekent dat het binnengaan in Gods heerlijkheid
en zij die niet opgewassen waren tegen de macht van de satan
mogen nu zien hoe hun Heer de boze voorgoed vastzet, en zelfs vernietigt
en zij mogen regeren, mee-regeren met Christus.
Christus keert de verhoudingen om: wie onderligt komt boven,
En wie heerst wordt neergeslagen,
Wie onderdrukte, zal overwonnen worden, voorgoed, definitief, het is gedaan.
In die tijd leven wij.
Wees niet bang voor wie het lichaam kunnen doden, zij kunnen de ziel niet doden
en als ze je doden, dan wekt Christus je op en mag je overwinnen.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars.
Dan krijgen ze je er nooit meer onder, hoe de boze zich ook zou roeren.
Wie opgestaan is, hoeft niet meer nog eens op te staan, niet nog eens de dood in te gaan.
Er is maar één opstanding.
Zalig en heilig is hij die deelheeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen  priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang.
Ambtsdrager-zijn heeft daar iets van weg,
van het priester zijn, maar dan hier op aarde, nog in de onvolmaaktheid,
volop in de strijd, misschien zelfs ooit hier met bedreiging en tegenstand,
maar koningen zullen we zijn, ook de gemeenteleden die geloven en blijven geloven,
niet om hier op aarde te heersen,
maar omdat we mogen delen in Christus’ overwinning.
Daarom krijgt de boze er ons nooit onder
en daarom mogen we ons er ook nooit onder laten krijgen.
Hier op aarde zijn we allereerst priester – dienstbaar aan God,
dienstbaar aan de gemeente, aan elkaar, als jeugddiaken aan Christus, aan de jongeren
zodat je – voor wat in je macht ligt, een kleine bijdrage mag leveren
dat de jongeren van de gemeente ingeschreven staan in het boek van het leven.
Natuurlijk, dat kun je niet, dat is wat Christus doet.
Maar je mag hen daar op wijzen, je mag het hen voorleven, hen uitdagen.
Samen met de rest van de gemeente,
priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang
Amen

Opmerking: Na afloop van de preek hoorde ik dat de uitleg over 1000 jaar de suggestie met zich meebracht dat er geen wederkomst meer zal zijn. Die zal er zeker zijn. Zie oa Openbaring 22.

Preek zondag 8 april 2018

Preek zondag 8 april 2018
Kinderdienst. Thema: Groeien & bloeien
Schriftlezing: Johannes 15:1-8. Bijbel in Gewone Taal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De lente is weer begonnen.
De narcissen bloeien volop en de tulpen gaan beginnen
en de bomen beginnen al groene knoppen te krijgen.
Gisteren was het mooi weer:
Je merkte dat bij het voetballen, bij het spelen in de speeltuin, bij buitenspelen.
Als het mooi weer is, kunnen de bloemen gaan bloeien, de bomen weer groen worden.
Dan worden de lammeren geboren en kunnen de koeien naar buiten.
Dat alles groeit en bloeit, dat de lente gekomen is, dat jonge dieren geboren worden,
dat gebeurt niet zomaar, maar dat komt, omdat de Heere God dat laat groeien.
Een paar weken geleden was het nog heel koud.
Er bloeiden hooguit wat krokussen en misschien een eerste narcis.
De bomen waren nog kaal.
Dan kun je je afvragen: komt de lente nog wel?
Ja, natuurlijk komt de lente, want die komt elk jaar
Het lijkt zo gewoon, dat het weer lente wordt,
dat alles weer groen wordt, dat de bloemen gaan bloeien, dat er jonge dieren komen,
maar het is de zorg van God voor de aarde.
Hij heeft de wereld geschapen en Hij zorgt ervoor dat er weer een nieuw seizoen komt.

Vorige week hebben we Pasen gevierd.
Pasen lijkt op de lente: er is weer nieuw leven, omdat Christus opstond uit de dood.
Alleen het verschil is, dat we de lente heel gewoon vinden.
Dat hoort elk jaar zo te zijn
en het verschil is ook dat na de lente de zomer en de herfst komen en alles weer dood gaat.
Maar het nieuwe leven, de lente die Christus bracht
door op te staan uit de dood
gaat nooit voorbij.

Het bijzondere is dat wij dat nieuwe leven ook kunnen krijgen,
dat er voor ons ook dat nieuwe leven kan komen,
waarvoor Christus stierf aan het kruis en opstond uit de dood.
Jezus zegt: Ik ben een stam en jullie zijn takken.
Takken die afgezaagd zijn, die kunnen niet lang meer leven.
Vorig jaar was een grote tak van een kastanjeboom afgezaagd
En daarna bleven de bladeren toch nog even doorgroeien,
maar uiteindelijk gingen de bladeren dood, omdat ze geen voedsel kregen.
Die voeding die ze nodig hebben, krijgt een tak alleen als hij aan de boom vastzit.
Zo kunnen wij alleen dat nieuwe leven krijgen als we aan de Heere Jezus verbonden zijn.

Daar gaat het dus om: ben jij verbonden met de Heere Jezus?
Net zoals een tak aan een boom vastzit.
Als dat zo is, dan kun je leven, dan kun je groeien, dan kunnen er vruchten aan je komen.
Maar als dat niet zo is, als je niet aan de Heere Jezus verbonden bent?
Wat gebeurt er dan?
Dan gebeurt hetzelfde met een tak die van een boom wordt afgehaald.
Die tak gaat dood en aan die tak kunnen er geen vruchten meer komen.
Dat die tak dood gaat, dat die tak geen vrucht kan dragen, ligt niet aan de boom.
Als jij niet aan de Heere Jezus verbonden bent, als een tak aan een boom,
ligt dat niet aan de Heere Jezus:
Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Dat is misschien een gekke vergelijking. Wie vergelijkt zich nu met een stam, een plant?
Nou, in het Oude Testament wordt het volk Israël vaak vergeleken met een druivenplant,
of met een wijngaard, een hele tuin vol druivenplanten.
Die tuin of die druivenplant is door God geplant,
Eerst uitgegraven in Egypte en opnieuw geplant in het land Kanaän.
Waarom deed God dat dan?
Omdat Hij voor Israël wilde zorgen, omdat de Heere wilde
Dat er vruchten aan Israël, de druivenplant, zouden komen: druiven om wijn van te maken.
Wijn om je dorst te lessen, wijn die je kunt drinken als je feest gaat vieren.
Alleen: Israël wilde geen vruchten laten zien. Israël; was niet zo geïnteresseerd in God.
Ondanks dat God zorgde, kozen ze ervoor andere goden te dienen.
Ondanks de zorg van God geen vruchten, geen druiven aan de plant.

En wat doe je met een plant die niets opbrengt?
Als de plant dood is, zaag je de plant om, of hak je de plant om
en gebruik je het hout van de plant om een vuur aan te steken.
Nu zegt de Heere Jezus over zichzelf: Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Ik ben de ware wijnstok: Ik zorg dat al die takken wel vruchtdragen,
dat die takken, als ze dood waren, weer nieuw leven krijgen
en toch doen waarvoor God ze geplant heeft: dat er vrucht, fruit aan komt.
Als je aan de Heere Jezus verbonden bent, dan ga je leven en dan komen er vruchten.
De Heere Jezus zei het tegen de discipelen, maar ook tegen ons:
Jullie zijn de takken en zorg dat je aan Mij vast zit en dat je niet meer losgaat.
Want als je los bent, als je nog niet vast zit, of als je losraakt, dan gaat het mis, goed mis!
Daar gaat het om – dat je verbonden bent met de Heere Jezus.

Hoe kun jij vastkomen aan de Heere Jezus?
Als je gaat geloven. Als je de woorden van de Heere Jezus hoort,
als je Hem hoort – en dat kan als je een Bijbelverhaal hoort, of een preek,
Als je je vader of je moeder, iemand van de clubleiding,
een juf op school hoort vertellen over Hem
en je weet, je merkt: dat is waar! Ik wil bij Hem horen, ik wil in Hem geloven.
Dan maakt de tuinman jou als tak vast aan de boom
en Jezus zegt: Mijn Vader, God zelf, is de tuinman.
Hij zorgt ervoor dat je aan de Heere Jezus vast komt te zitten, dat je aan Hem gaat groeien.
Als je gelooft, dan hoef je daar dus niet meer druk over te maken.
God doet het, je bent verbonden.
Het gaat er om of wij willen, of wij aan de Heere Jezus vast willen groeien.
God als tuinman en de Heere Jezus als de stam willen dat. En jij en u?
Als je dat wilt, dan kun je verder groeien.
Je hebt misschien wel ergens in huis een plek waar je een streepje zet
om aan te geven hoe hard je groeit.
Zo kun je ook in geloof groeien: door meer te weten, meer te geloven, meer vrucht.

Wat is nu die vrucht die aan ons kan groeien?
Wat zijn nu vruchten die aan je groeien als gelovige?
Dat je trouw blijft geloven, ook als het niet makkelijk is bijvoorbeeld.
Of dat je merkt dat je geen verkeerde dingen meer wilt doen,
omdat je weet dat je daardoor bij God weggaat, omdat daardoor je tak weer los gaat
en dan gaat het alsnog mis.
Een andere vrucht is liefde – ook voor iemand waar je eigenlijk niet van wilt houden,
maar je weet dat God alle mensen geschapen heeft
en wilt dat alle mensen aan de Heere Jezus verbonden zijn,
dan doe je je best ook van hen te houden.
Misschien heb je pas nog het verhaal gehoord van de Heere Jezus
die de voeten van de leerlingen waste. Hij zei: jullie moeten net zo doen.
Als je bij de Heere Jezus hoort, ga je groeien en bloeien.
Dan kunnen andere mensen dat zien.
Niet alleen maar door wat je zegt, maar door hoe je bent.
Ze zien dan dat in jou de Heere Jezus leeft. Dat noemt de Heere Jezus vrucht dragen.

Dat kan dus alleen als je bij Hem hoort. Als je gelooft.
Alleen dan stroomt het leven dat de Heere Jezus heeft
en dat Hij aan ons wil geven omdat Hij gestorven is en opgestaan
naar jou toe door.

Een boom geeft aan de takken sappen door, voeding.
Als je bij de Heere Jezus hoort, dan merk je ook dat er iets van Hem in jou komt.
Zijn woorden, die ga je doen
Maar ook het slechte waar je aan denkt en dat je doet, wilt doen,
dat wordt uit je gehaald.
Je wordt schoongemaakt van binnen. Gereinigd van de zonden. Door de Heere Jezus.

Er gebeurt nog iets. Dat gebeurt door de tuinman, door God dus die de tuinman is.
Er worden takken weggesnoeid.
Wij hebben om de tuin een coniferenhaag staan.
In die haag van coniferen zitten bepaalde gaten.
Daar hebben vorig jaar takken van andere struiken gezeten.
Zij hebben het zonlicht tegengehouden.
Er kan ook bij ons, bij jou iets zijn, dat het zonlicht van God tegenhoudt
en dat zonlicht is dan: Zijn liefde en genade, Zijn zorg.
Je kan dan niet groeien, en ook geen vrucht dragen.
Dan kun je denken aan een zonde, die groeit.
Of dan kun je denken aan onverschilligheid: je wilt niet geloven, geen zin in.
Of je denkt: geloven, dat komt later wel, als ik volwassen ben.
En dan komt de tuinman, God de Vader, die haalt dat weg.
Die haalt die zonde uit je weg. Die haalt die onverschilligheid uit te weg.
Die haalt de gedachte uit je weg, dat het later wel komt
en je beseft: ik moet nu gaan geloven.
Snoeien kan pijnlijk zijn, maar het is wel beter voor je:
Want dan ga je weer groeien en komen er nog meer vruchten aan je.
Het is pijnlijk, maar het is juist de zorg van God om je beter te maken.
Net als er een splinter in je voet of je hand.
Die kun je laten zitten, omdat het niet fijn is die er uit te halen en toch is dat beter.

Als je groeit en bloeit komt dat door de Heere Jezus,
Die zoals een boom aan de takken voeding doorgeeft aan jou Zijn liefde doorgeeft.
Als je niet groeit, als er geen vruchten zijn, dan ben je maar een kale tak,
een dode tak. Dan doe je niet waarom God je gemaakt heeft.
Hij kan je afknippen en weggooien en verbranden.
Eens zal God alle zonde wegdoen, alles wat niet bij Hem hoort wegdoen, voor altijd.
Maar het is Pasen geweest. Wat dood is, kan levend worden.
Wat dood is, kan door de Heere Jezus tot leven gewekt worden.
Als jij nog dood bent, is er hoop voor je.
Als je bij de Here Jezus gaat horen, ga je leven.
maar altijd bij Hem te blijven: altijd naar Zijn woorden luisteren.
Het is een waarschuwing om niet bij Hem weg te gaan.
Doe je dat, dan kun je veel mooie dingen laten zien: vruchten groeien er aan je!
En alle mensen zullen zeggen: Wat is God goed!
Ze zullen zeggen: We zien dat God werkt, dat God een tuinman is, die zorgt.
Dat willen wij ook. Wij willen ook bij de Heere Jezus horen.
Zo maken jullie de hemelse macht van Mijn Vader zichtbaar
Dan groei je en bloei je – tot eer van God.
Amen

Vragen bij 1 Petrus 4:1-11

Vragen bij 1 Petrus 4:1-11

1.) Er is voor een gelovige een verschil tussen vroeger en nu. Vroeger werden we beheerst door verkeerde verlangens. Nu door ons geloof in Christus beheersen die verlangens ons niet meer. Je doet anders. Je gedrag is anders. Wat merk je van verandering in wat je doet of in je gedrag door je geloof in Christus? Gaat dat vanzelf of kost dat strijd?

2.) Het lijden waar je mee te maken hebt is een herinnering aan het lijden van Christus. En het is een bevestiging dat je van Christus bent. Herken je dat bij jezelf?

3.) Er kan een druk zijn van niet-christenen om met hen mee te doen. Merk je dat in je eigen familie, vriendenkring of op je werk? Hoe ga je daar mee om?

4.) Er wordt van ons als gelovige ander gedrag verwacht:
– verstandig zijn en nadenken
– van elkaar houden en door de liefde elkaar vergeven
– gastvrij zijn zonder te mopperen
– elkaar helpen.
Kun je hiervan een voorbeeld uit je eigen leven geven?

5.) God heeft daarvoor een bijzondere kracht (ook wel een gave) gegeven voor wat bij vraag 4 is aangegeven. Weet jij welke kracht of gave God jou gegeven heeft. Hoe werkt dat in jouw leven?

6.) Wat Petrus hier schrijft over de strijd en het lijden, over tegengaan van de druk, over verstandig zijn en dat andere gedrag heeft allemaal te maken met de Wederkomst en het oordeel dat Christus daarbij zal uitspreken. Op welke manier heeft de Wederkomst en het laatste oordeel effect op wat je doet (of juist nalaat)?

 

Preek zondagavond 4 september 2016

Preek zondagavond 4 september 2016
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Deuteronomium 4:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een bijzonder moment wil je heel lang vasthouden.
Toch? Hebt u dat niet,
dat als je iets bijzonders meemaakt, dat de ervaring je daar nog heel lang van bij blijft.
Vaak lukt dat niet,
omdat er iets gebeurt waardoor je die bijzondere ervaring kwijt bent.
Zelf had ik dat de dag na mijn belijdenis.
De zondag had ik als een heel bijzondere dag ervaren,
de dag waarop ik mijn ja-woord aan de Heere gaf.
De volgende dag was ik aan het werk in de supermarkt waar ik een bijbaan had,
waar niemand wist dat ik de dag ervoor belijdenis had gedaan.
Ik had – denk ik – niet durven vertellen,
terwijl er toch enkelen waren die dat heel bijzonder hadden gevonden
en die naar mij toe gekomen zouden zijn.
Nog meer dan de zondag van mijn belijdenis herinner ik mij het contrast met de dag erop,
waardoor die mooie ervaring gelijk weg was
en ik te maken had met het alledaagse bestaan
waar lang niet altijd de tijd en de ruimte is om bezig te zijn met de dingen van de Heere.
Misschien hebt u dat ook wel
als u morgen op uw werk komt.
Deze zondag een bijzondere zondag, omdat het avondmaal was
en morgen weer het werk, dat een heel andere sfeer heeft
een sfeer die misschien wel haaks staat op vandaag.
Je komt op je school, waar iedereen vertelt wat ze in het weekend hebben gedaan
en je houdt maar je mond omdat je niet weet hoe het valt
als je vertelt dat je in de kerk bent geweest.
Je zou bepaalde ervaringen willen koesteren
omdat je toen ervaren hebt hoe dicht de Heere bij je komt
en hoe fijn het is om in Zijn nabijheid te zijn
en je zou meer van die ervaringen willen hebben,
omdat het leven van alledag zo anders is
En de ervaring van Gods nabijheid naar de achtergrond kan worden geduwd
door alles wat er gebeurt.
De viering van het Heilig Avondmaal kan dan een moment zijn
Waarop al die dingen om je heen voor even kunt wegvallen
even alleen Gods nabijheid,
even niets anders dan dat kruis dat op Golgotha was opgericht
even niets anders dan het werk van de Heilige Geest in je hart.

Dat kan je goed doen als je het zo ervaren hebt
en het kan je ook wat meegeven voor de komende tijd.
Om een ouderwetse uitdrukking te gebruiken – die best mooi is:
teerkost voor onderweg.
Als je in de komende dagen wat verder weg bent van het avondmaal
en de ervaring wat is afgezwakt en vervluchtigt
dan heb je nog wat om op te teren
en je leven met God niet net zo afzwakt en vervluchtigt als de ervaringen.

De reden waarom Mozes het volk aanspreekt,
is dat hij bang is dat het leven met God vervluchtigt en afzwakt
als het volk eenmaal in het land Kanaän aangekomen is.
In het begin zal dat besef er nog wel zijn:
We zijn ontsnapt aan dat zware leven in Egypte,
tijdens de woestijnreis waren we steeds ooggetuige van Gods bijzondere bemoeienis
en het land dat we hebben is niet zomaar een land,
maar een beloofd land: God heeft gezworen aan onze voorouders
dat Hij dit land zal geven aan het nageslacht.
Je zou kunnen zeggen dat hij de bui al ziet hangen
dat het volk druk is met wat er in dat land moet gebeuren.
Het moet eerst veroverd worden op volken die sterker en groter zijn.
Ook al hoeft het volk dat land niet van onderaf op te bouwen
omdat er reeds steden zijn  en akkers en weiden,
het zal toch druk zijn om de akkers te bewerken, een veestapel te onderhouden,
de steden te onderhouden en verder te versterken.
Het is nog een heel verschil
of het volk in de woestijn is, op een eenzame plek
of dat het volk de verantwoordelijkheid heeft over een land, over een gebied.
Verantwoordelijkheid dragen is over een gebied, over een groep mensen, over een bedrijf,
heel wat weerbarstiger dan een leven in afzondering,
waarbij je het ideaal van een heilig leven kunt vasthouden.
Op zondag kun je bepaalde richtlijnen horen, die de Heere vraagt:
oprechtheid, eerlijkheid, een leven zonder anderen te bedriegen,
maar vanaf de maandag kun je een bestaan hebben,
waar er van die richtlijnen niets meer overblijft, omdat die wereld heel anders is.
Mozes waarschuwt het volk daarvoor:
Het volk moet de richtlijnen die het van de Heere heeft gekregen ook echt in praktijk brengen, want die richtlijnen zijn niet voor niets gegeven.
Ze komen van de Heere
en het zijn richtlijnen die – omdat ze van de Heere komen – goed zijn, eerlijk en rechtvaardig.
Zo begint Mozes zijn toespraak:
Houd je aan de verordeningen en bepalingen, die de Heere aan jullie gegeven heeft.
Het Bijbelboek Deuteronomium bevat een aantal woorden,
die sterk op elkaar lijken: wetten, richtlijnen, verordeningen, bepalingen, geboden.
Al deze woorden hebben de overeenkomst
dat God dit van het volk Israël vraagt, omdat het volk Israël een heilig volk is,
een uniek volk, dat de taak heeft om op de plek waar ze zijn
te laten zien in wie God is

en dat moeten ze door hun gedrag, hun houding laten zien.
Verordening – dat is een opdracht van hogerhand, van Godswege.
Met dit woord worden richtlijnen voor de eredienst bedoeld:
Wat is er nodig om voor God te kunnen verschijnen?
Hoe maak je van sabbat, zondag een bijzondere dag die anders is dan de andere dagen?
Wat is er nodig bij het bidden? Welke houding, welke instelling, welke gedachten?
Dat zijn niet zomaar dingen die wij zelf kunnen bedenken.
Daar kan God ook zijn verordeningen voor geven.
Zoals we vanmorgen het Avondmaal hebben gevierd,
niet omdat het ons eigen idee is, of omdat wij daar behoefte aan hebben,
maar omdat de Heere Jezus het avondmaal heeft ingesteld
en ons heeft opgedragen om dat avondmaal te blijven vieren
om door de viering van het heilig avondmaal steeds bezig te zijn
met het offer dat Hij op Golgotha bracht voor onze zonden.
We zouden kunnen zeggen op basis van Deuteronomium:
Avondmaal is een verordening, we komen daar niet onderuit.
Die verordeningen zijn niet bedoeld als een zware last,
maar juist als een hulpmiddel
om in Gods nabijheid te kunnen verkeren, om omgang te hebben met de heilige God.
We spreken over het heilig avondmaal
en ik denk dat iedereen die aangegaan is
en ook degenen die erover hebben nagedacht hebben
maar de vrijmoedigheid niet hadden om aan te gaan,
daar ook steeds iets van merken, van de heiligheid van God
die er ook rondom het avondmaal is.
Een heilig God en toch zo dichtbij dat de andere volken er jaloers op zijn.
Hoe kunnen wij zo dicht bij die heilige God leven?
Daar geeft God zijn verordeningen voor,
niet zomaar, maar om ons in Zijn nabijheid te hebben.

Een heilig God vraagt een heilig volk.
Daar hebben die bepalingen (dat 2e woord) mee te maken.
Dat zijn richtlijnen voor het dagelijks leven,
Voor hoe wij met elkaar omgaan in gezin, familie, dorp en maatschappij.
Die richtlijnen hebben alles te maken met die verordeningen.
Onze eredienst op zondag heeft alles te maken
met wat we op maandag doen op ons werk of school
en maandagavond op de voetbaltraining, of de dinsdag het repeteren van Concordia,
met hoe onze collega’s behandelen,
niet alleen onze leidinggevenden, maar ook degenen die onder ons staan en de schoonmakers – het zijn allemaal schepselen van God
en in ons gedrag horen we ook te laten zien
dat we voor Gods aangezicht op hetzelfde niveau staan.
Ik ben niet minder dan mijn leidinggevende, ik ben niet meer dan de schoonmakers.
Behandel hen allemaal op dezelfde manier,
als een mens met een ziel: vanuit oprechte belangstelling wie ze zijn
en wat ze meemaken,
omdat God ook naar ons toe zo belangstellend is.
In de bepalingen die Mozes geeft zijn richtlijnen voor het omgaan met
krijgsgevangenen, met mensen met schulden, slaven.
In alles gaat het er niet om
dat ze behandeld worden volgens onze normen van onze economie,
van onze nationalistische opvattingen,
maar volgens de bepalingen die God geeft
en die bepaalt dat we in ons gedrag heilig zijn
en iets van Hem uitstralen en doorgeven,
zodat de mensen om ons heen jaloers worden op onze God
die zulke mooie en rechtvaardige regels geeft.
Een heilig volk, omdat we een heilig God hebben,
met rechtvaardige regels, omdat onze God betrouwbaar en rechtvaardig is.

En dat is niet alleen iets van het Oude Testament (alsof het dan overbodig zou zijn),
maar juist de eis om een heilig volk te zijn
wordt in het Nieuwe Testament overgenomen.
Dat we als kerk ervan bewust zijn dat we een heilig volk zijn.
Heilig heeft de betekenis dat er in ons iets zichtbaar wordt van God, van hoe God is.
In alles.
In ons nadenken, in hoe we met onze emoties omgaan,
welke beslissingen en keuzes we maken, hoe we ons opstellen naar anderen toe.
In het formulier voor het avondmaal wordt onze opstelling naar anderen toe uitgewerkt:
Er wordt van ons een broederlijke liefde gevraagd.
We hebben een verantwoordelijkheid voor de mensen,
die met ons aan de tafel aanzaten.
Ze zijn onze broeders en zusters.
Voor broers en zussen kies je niet, die heb je.
Daar kun je je ook niet van ontdoen.
Ook zij behoren tot de familie van Christus.

Het is makkelijker om een voorbeeld te geven van wat mis gaat.
Onlangs las ik de uitspraak van een Japanse boeddhist
die in het westen gekomen was en met christenen in aanraking gekomen was
en die aangaf, hoezeer hij geschrokken was
omdat hij bij de christenen zoveel haat tegen elkaar tegenkwam
en hij merkte een tegenstrijdigheid op met de boodschap van Jezus
van liefde en gebed voor de vijand.

Of van een werknemer die teruggevraagd werd door zijn oude baas,
omdat ze hem misten in het werk.
Nadat hij was weggegaan, hadden ze pas door hoe belangrijk hij voor hen was.
Hij kon zelf de voorwaarden geven waarop hij zou terugkomen.
Hij koos voor meer atv-dagen.
Toen zijn collega’s hem vroegen wat hij nu voor een extra’s had gehad
vertelde hij over zijn atv-dagen.
Die collega’s vroegen hem of die atv-dagen
niet werden gecompenseerd in loonsvermindering.
Uiteindelijk bleek dat zo te zijn en ging hij er per saldo niet eens zo op vooruit.
Hij ging naar zijn baas,
maar die wuifde dat weg, want: ‘Je hebt niets zwart op wit op papier staan.’
Van deze baas was het bekend dat hij naar de kerk ging
en het bedrijf stond bekend als een christelijk bedrijf.
Maar in de praktijk was het als het om mondelinge afspraken ging niet betrouwbaar.
Wat straal je dan uit van God?
Dat God belooft, bijvoorbeeld een land aan de voorouders,
Maar als het puntje bij het paaltje komt, is het een loze belofte.
Houd u aan de verordeningen en bepalingen,

want in het leven gaat het niet alleen om de winst van je bedrijf,
maar juist ook wat je in het bedrijf van God laat zien.
Ik weet uit eigen ervaring, in de bedrijven waar ik heb gewerkt,
dat dit niet eenvoudig is,
omdat de mensen die je als medeschepsel van God heel erg op de proef kunnen stellen
en van alles bij je boven kunnen roepen aan onchristelijke gedachten en daden.
Houd die verordeningen en bepalingen
omdat je niet zomaar iemand bent
en ook niet zomaar leeft,
maar door Gods genade, door het offer van Christus
vrijgekocht en apart gezet om iets van God te laten zien – juist in het leven van alledag.
Paulus spreekt erover, dat het aan ons af te lezen moet zijn
wie Christus is en welk offer Hij gebracht heeft
en ik denk dat deze opdracht, deze houding in deze tijd steeds belangrijker wordt.

De verordeningen en bepalingen van de Heere zijn heilzaam,
niet alleen voor gelovigen, maar ook voor degenen die God niet dienen.
Een van de richtlijnen is dat je niet mag doden.
Bij de allereerste christenen was het daarom niet toegestaan om abortus te plegen.
Dat gebeurde in het Romeinse Rijk volop,
vooral omdat het de man niet uitkwam die een vrouw met wie hij niet getrouwd waren
zwanger had gemaakt en dwong daarom een risicovolle operatie af,
waarbij de vrouw nogal eens het leven liet.
In de Vroege Kerk was niet alleen tegen abortus. Dat is te beperkt.
Men besefte dat dit gebod om niet te doden om meer vroeg,
namelijk een respectvolle houding ten opzichte van vrouwen.
Vrouwen waren er niet alleen voor het plezier van de mannen.
Juist dat respect en de hoge achting voor vrouwen maakte die vrouwen nieuwsgierig
die in hun eigen cultuur vaak niet in tel waren.
Wat is dat voor een gemeenschap, een God waar de vrouwen op respect kunnen rekenen?
Dit is maar één voorbeeld
dat onze houding die God van ons vraagt
voor anderen van betekenis kan zijn, tot zegen kan zijn.
Wat we op zondag doen, de liederen die we zingen, de preken die we horen,
De ervaringen die we van God hebben,
die hebben te maken met wat we op maandag tot en met zaterdag doen.
De liturgie ligt op straat – het dienen van de Heere beperkt zich niet
tot de zondag en de kerkdienst,
maar krijgt handen en voeten door de weeks in alle relaties die we hebben.
De avondmaalstafel heeft alles te maken
met onze keukentafel, de vergadertafel, de onderhandelingstafel,
de kassa in de winkel, het toetsenbord van de computer.
Daar zijn we geen ander en mogen we geen ander zijn,
omdat God een heilig God is
en vraagt om heilig te leven.

Dat is de opdracht die God geeft,
Maar het is niet alleen een opdracht.
Als God een opdracht geeft, is dat altijd ook evangelie,
een blijde boodschap.
In het houden van die verordeningen en bepalingen
zijn we tot zegen voor de mensen om ons heen
en worden we het gebruikt in Zijn dienst om Zijn koninkrijk uit te breiden.
We vieren avondmaal voor ons zelf, voor Gods aangezicht
maar tegelijkertijd met het oog op onze dienst in deze wereld
om daar in woord en daad van onze God te getuigen.
Amen

Calvijns visie op doop en avondmaal

Calvijns visie op doop en avondmaal

Voor Calvijn hebben de sacramenten dezelfde betekenis als de verkondiging: om tot Christus te leiden. In doop en avondmaal spreekt God andere zintuigen aan dan het gehoor. God heeft de sacramenten ingesteld vanwege de beperkte menselijke capaciteit. In de sacramenten past God zich aan de mens aan. In het sacrament zien we de eer van God, maar ook de zwakheid en de ellende van de mens.

De sacramenten zijn belangrijk voor Calvijn, want onder andere de sacramenten bepalen wat de ware kerk is.

Vanuit Christus gedacht
Calvijn doordenkt de sacramenten vanuit Christus. Ook de manier waarop doop en avondmaal worden voltrokken worden vanuit Christus gedacht. Doop en avondmaal zijn menselijke handelingen. Het menselijke handelen is belangrijk, maar dan als antwoord en belijdenis. Kenmerkend voor Calvijn is dat de sacramenten allereerst handeling van God zijn. God opent door de Heilige Geest het hart van de mens.[1] Het ontmoeten en ontvangen van Christus is een geschenk van Godswege.
Christus is werkelijk aanwezig in de sacramenten: als Degene (1) doop en avondmaal bedient en (2) in doop en avondmaal Zichzelf geeft. Vanuit rooms-katholieke of lutherse hoek leeft het vooroordeel dat de sacramenten in de gereformeerde traditie slechts symbolisch bedoeld zijn. Christus is echter niet aanwezig in de elementen van water, brood en wijn, maar als handelend Persoon en als Degene die door de gelovige wordt ontvangen.
Calvijn hecht wel waarde aan de symboliek van doop en avondmaal. Door die symboliek past God zich aan de mens aan. Hij daalt af op menselijk niveau.
Calvijn verzet zich tegen degenen die zonder de sacramenten kunnen. Wie de sacramenten verwaarloost, miskent de menselijke beperktheid en ellende. Hij verzet zich ook steeds tegen overschatting van de sacramenten, alsof door het menselijke ritueel men het heil ontvangt.
 
Belofte & belijdenis
Het heil in Christus hangt niet af van deelname aan doop of avondmaal. Doop en avondmaal zijn slechts –door het werk van de Geest in ons hart – middel om tot Christus te naderen. Niet het ritueel als zodanig leidt de mens tot God. De sacramenten werken niet automatisch. De basis, waarop mensen doop en avondmaal kunnen voltrekken en ontvangen, is Gods belofte. In het sacrament schenkt de Here zijn belofte van vereniging met Christus, waardoor de gelovige aangenomen wordt als kind van God en vergeving ontvangt. Deze belofte werkt als een zegel, als een handtekening onder een akte.
 In het sacrament antwoordt de mens op die belofte. Hij gelooft God op zijn belofte. Deelname aan het sacrament is vanuit de mens gezien een belijdenis.[2] De begrippen belofte en belijdenis zijn twee kernwoorden die Calvijns visie op de sacramenten typeren.
 
De belofte van de doop
Ook de doop is een combinatie van Gods handelen en het menselijke beamen (belijden) van die belofte. Niet de handeling van de doop zelf zorgt ervoor dat de dopeling met Christus verbonden wordt. Niet de doop zorgt ervoor dat een dopeling als kind van God wordt aangenomen en vergeving ontvangt. Een kind wordt ook niet gedoopt omdat het van zonde gereinigd wordt. Voor Calvijn worden oorzaak en gevolg dan omgedraaid. In de doop ontvangt de dopeling de verzekering en de belofte van God. Ook de doop leidt tot Christus. Calvijn hecht naast rechtvaardiging en vergeving ook aan de heiliging (d.w.z.: het nieuwe leven in Christus).
Waarom benadrukt Calvijn het goddelijk handelen in de doop? Omdat aan het ritueel niet zichtbaar is, dat de belofte van God wordt ontvangen. In het menselijk antwoord wordt dat juist beleden.
Als de doop een menselijke belijdenis is op Gods handelen en dient tot versterking van het geloof, waar is dan geloof in dit ritueel? Calvijn gaat in een lang hoofdstuk in op het verwijt van de Wederdopers uit zijn tijd dat er in de reformatorische visie een spanning of zelfs tegenspraak is tussen het belang van het belijden van Gods handelen en de kinderdoop. In het onderzoek naar Calvijns theologie is dit een punt van discussie: hebben de Wederdopers terecht op deze spanning gewezen?[3] Met een beroep op 1 Kor. 7:14 verdedigt Calvijn zich. Hij ziet in de besnijdenis een parallel voor de kinderdoop.

Belofte van het avondmaal
Ook het avondmaal kent de tweeslag van goddelijk handelen en menselijk antwoord. Bij het avondmaal is Christus zelf aanwezig als Gastheer en als degene die wordt ontvangen in het hart. Het lichaam wordt gesterkt met brood en wijn, de ziel met Christus. Ook hier is de Geest van belang, want alleen de Geest kan in het hart werken.
In de reformatorische traditie is op meerdere plaatsen avondmaalsmijding ontstaan. Deze mijding ontstond vanuit een angst om op een onwaardige manier deel te nemen aan het avondmaal (vgl. 1 Kor 11:29). Deze mijding kan zich echter niet op Calvijn beroepen. Calvijn voert weliswaar een pleidooi voor zelfonderzoek, maar dat onderzoek is bedoeld om uit de komen bij Christus en Zijn belofte te vertrouwen. Voor Calvijn heeft men die waardigheid niet vóór deelname aan het avondmaal, maar ontvangt men die tijdens het avondmaal van Christus. Volgens Calvijn getuigt het van domheid wanneer men veronderstelt, dat men zichzelf waardig kan maken voor het avondmaal. Het avondmaal laat niet de menselijke volmaaktheid zien, maar juist het gebrekkige en onvolmaakte. Dat gebrekkige moet ons juist naar Christus leiden. Het avondmaal is een medicijn voor de zwakke gelovige, want hij ontvangt Christus en daarmee wordt Zijn waardigheid tot zijn eigen waardigheid.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v.: Georg Plasger, ‘Göttliche ganzheitliche Pädagogik – Sakramente als Hilfsmittel’, in: Idem, Johannes Calvins Theologie – Eine Einführung (2008) 117-125


[1] De laatste tijd is er in de gereformeerde traditie daarom een herwaardering van de epiklese (het gebed om de Geest, dat aan het sacrament vooraf gaat) te zien. Zie bijvoorbeeld H. de Leede, ‘“… aan het maal des levens geeft Hij zich…” Heeft het avondmaal een meerwaarde boven prediking en doop?’, Kontextueel4/24 (maart 2010) 10-15.

[2] Terecht wordt daarom het avondmaal gezien als de manier in de gereformeerde traditie om de eigen doop te vernieuwen.

[3] Met enige aarzeling vindt Plasger dat de Wederdopers deze spanning bij Calvijn terecht hebben gesignaleerd.

Geen ander beeld van God

Geen eigen beeld van God. Een uitleg van het thema “Rechtvaardiging van de goddeloze”

 Geplaatst in: Kontekstueel jaargang 22, nummer 1 (oktober 2007).

 Inleiding

De rechtvaardiging van de goddeloze maakt van het christelijk geloof een moeilijk geloof.

Waarom is dat nodig? Waarom kunnen wij zelf niet onze gedachten laten gaan over God, maar onze gedachten corrigeren door de Bijbel? Waarom kunnen we niet zonder de rol van Christus? Dat zou het toch makkelijker maken om anderen te overtuigen van geloof? Het is immers makkelijker te geloven in (een) God, dan in Christus?

 God als God serieus nemen

De rechtvaardigingsleer begint niet bij de mens. Ook niet bij de zonde, maar begint bij God.

Luther ontdekte de rechtvaardigingsleer door het eerste gebod: gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Hij ontdekte het evangelie, de belofte van dit gebod: God wil ook mijn God worden. Luther legde het eerste gebod christocentrisch uit: Christus liet hem zien, dat God ook zijn God wilde zijn. Dat had een bevrijdende werking. Hij worstelde sterk met de vraag of God hem wel genadig wilde zijn. In die worsteling kon zijn geweten hem niet helpen. Zijn biechtvader beval hem om niet op zijn eigen gedachten te vertrouwen, maar op de belofte van het eerste gebod. Dit gebod om te geloven heeft Luther geholpen. Sindsdien ervoer hij het eerste gebod als een middel tegen aanvechtingen.

Luther ontdekte door dit gebod hoe God werkelijk is. De wezenstrek van God is, dat Hij uitdeelt van wat Hij heeft. Dat begint al met de schepping: Hij laat ons delen in Zijn bestaan. Alles wat wij zijn is een geschenk van God. Ook na de zondeval laat God de mensen delen in Wie Hij is. Hij schenkt Zichzelf door Christus. Dit uitdelen behoort tot het wezen van God.

Als mens geloven wij dat echter niet. Wij hebben hele andere voorstellingen van God. Wij maken van God een projectie van ons onvermogen. Het levert ons een beeld op van God die op een onbarmhartige manier van ons eist. Wij hebben het idee dat wij voor God moeten presteren.

Wij maken van God een rechter, die recht zal spreken op een manier zoals wij dat zouden doen: zonder barmhartigheid. Wij beoordelen onszelf en anderen onbarmhartig: wij overvragen anderen en onszelf.

 Zonde: wantrouwen van God

Hierachter gaat een bepaalde visie op zonde schuil. Zonde is wat men verkeerd doet, een verkeerde daad,  een morele overtreding. Men heeft de wet van God overtreden. En overtreding roept om compensatie (straf, genoegdoening).

Dit is een hardnekkig misverstand over zonde. Niet alleen de katholieke moraal heeft hier last van, maar ook de gereformeerde traditie. ‘Waaruit kent gij de ellende?’ ‘Uit Gods wet’. Dan denkt men aan het 3e tot het 10e gebod. Dan vervalt men in moralisme. Wie tegen het 7e gebod zondigt, moet dan voor in de kerk boetedoen. En in een moderne kerk wordt verantwoord burgerschap het ultieme christelijke ideaal.

Maar men slaat de belangrijkste geboden over: het gebod om geen andere houvast te hebben dan God de Here en geen eigen beeld van God te scheppen.

Luther ontdekte, dat alle zonde begint met het wantrouwen van Gods belofte. De zondaar kan God niet serieus nemen, omdat God anders is. Omdat wij God niet vertrouwen, zoeken wij naar andere gronden om op te kunnen bouwen. Dat verwoordt hij in zijn Grote Catechismus: ‘Een God noemt men dat, waarvan men alle goeds verwacht en waarheen men vluchten kan in alle noden. Daarom betekent ‘een God hebben’ niets anders, dan dat men van harte op Hem vertrouwt en in Hem gelooft, zoals ik al zo dikwijls gezegd heb, dat alleen het vertrouwen en het geloof van het hart beide God en afgod maakt.’[1] Geloven heeft dus alles met vertrouwen te maken. Wie niet op de levende God vertrouwt, maakt een afgod. En dat kan heel wat zijn: geld, goed, geleerdheid, wijsheid. Alles wat men maar vertrouwt om niet op God te hoeven vertrouwen.

 Onderscheid Wet – Evangelie

Door dat wantrouwen willen wij het liefst zelf God zijn. Dan hebben we alles in de hand. Maar als zondaar denken we dan alleen aan God als de strenge rechter. We  worden dan onze eigen rechter. Maar het is uiteindelijk een inhumane wens, want we vergeten dat God als rechter ook barmhartig oordeelt. In de rol van God overvragen wij daarom onszelf. Wij kunnen niet als God zijn, ook al zouden wij dat willen.

Een belangrijk onderdeel van de rechtvaardigingsleer is dat zonde leidt tot een verkeerde visie op de wet. De wet is van oorsprong goed, omdat het Gods wil is. Als wij iemand wantrouwen, wantrouwen we alles van die ander – ook zijn goede bedoelingen. Zo wantrouwen wij ook al Gods goede bedoelingen. De wet wordt als een strenge eis opgevat, een eis die niet te volbrengen is. Tegelijkertijd gaat de zondaar wel een poging doen om de wet te vervullen – om zichzelf voor God te rechtvaardigen.

Daarom is de zonde niet in de eerste plaat een morele overtreding, maar begint de zonde met het negeren van de  eerste twee geboden. Dat uit zich in het niet willen vertrouwen van Gods beloften: niet willen geloven, dat God ook mijn God wil zijn.

Door ons wantrouwen kunnen wij niet aanvaarden dat God het goede met ons voorheeft. Uit de wet van God leren wij onze zonde kennen. Het is echter niet de eisende wet, die ons de zonde leert kennen, maar de wet als evangelie: de belofte van het eerste gebod.

Wantrouwen kan alleen maar verdwijnen door aanvaarding van liefde. Het offer van Christus,Gods liefdedaad doorbreekt onze zonde. Het evangelie, de liefde van God voor mensen, laat onze tekortkomingen zien.

Zonder het evangelie kunnen wij niet over zonde spreken. Buiten het kader van het geloof kunnen wij iets niet als zonde duiden. Zonde bestaat niet op een seculiere manier! Want zonde bestaat alleen in de relatie tussen God en de mens.

 De rol van Christus

Deze interpretatie van zonde kan alleen maar binnen het kader van het christelijk geloof. Deze visie op zonde en redding is ontleend aan de komst van Christus naar de aarde en aan Zijn offer aan het kruis. Schrap de rechtvaardiging, schrap het offer van Christus en je hebt geen christelijk geloof meer over. Het christelijk geloof heeft een ongelofelijke claim als het gaat om God: er is geen andere God dan de God die in Christus op aarde aan het kruis stierf en zo de zonde van Zijn eigen schepselen op zich nam. Het christelijk geloof is de kern dus onverzoenlijk met andere godsdiensten. Het christelijk geloof is dus ook niet te verzoenen met jodendom of islam.

Deze claim heeft ook gezorgd voor de breuk tussen jodendom en christendom. Deze breuk is echter ontstaan binnen het jodendom zelf. De eerste christenen waren joden, die net als Jezus Zelf het eerste gebod serieus namen. Deze joden, die in Jezus Gods aanwezigheid herkenden, moesten in het reine komen met het hoor Israël (Deut. 6:4). Wie zegt, dat Jezus geen God kan zijn omdat dat niet past binnen het jodendom van die tijd, doet aan geschiedvervalsing. De joodse auteur van het Johannesevangelie poogt net zoals de andere joodse auteurs van het Nieuwe Testament te komen tot een verbinding van het Sjema en het geloof in Christus Jezus als Mensenzoon, als Zoon van God.[2] Ook al komt de drie-eenheid als begrip niet in de Bijbel voor, de zaak waar het om gaat wel. [3] Daarom is Luthers christocentrische interpretatie van het eerste gebod een bijbels-theologisch verantwoorde interpretatie.

 Bevrijding uit de macht van duivel, zonde en do.

Wie God wantrouwt, wil niet bij God zijn en duldt ook niet Gods aanwezigheid. Alles liever dan God. Door onszelf God te wanen, dachten wij de gevolgen van de zonde in de hand te hebben. Dachten wij eigen heer en meester te zijn. Dat is echter de illusie van de zonde. Als mens zijn wij echter altijd onderdaan. Behoren wij niet aan God toe, dan behoren wij toe aan de werkelijkheid die God ontkent: aan de duivel, aan de zonde, aan de dood (vgl. H.C. zondag 1). Door tegen God te kiezen, kwamen we terecht in het gebied waarin de duivel en de dood heersen.

Alverzoening is in dit verband discutabel. Waarom zou het wantrouwen van God na de dood wel voorbij zijn?

Daarom moet de zonde ernstig serieus genomen worden, omdat goddeloosheid uiteindelijk ertoe leidt dat de mens gevangen komt in kwaadwillende, mensvijandige macht. De mens kan zich niet zelf bevrijden. Het is onze aan de zonde ontsproten zelfoverschatting dat wij bij kunnen dragen aan onze redding.

Echter, de dood van Christus betekent ook bevrijding uit die macht (Rom. 8:2). Daarom zijn de belangrijke woorden uit het evangelie: verlossing, bevrijding en redding. Deze redding plaatst ons over vanuit dit doodsgebied in het vreugdevolle werkelijkheid van God. De doop markeert deze overgang (Rom. 6:4).

Rechtvaardigverklaring

God blijft wel rechter. Zonde kan Hij immers niet gedogen. Hij veroordeelt het menselijke wantrouwen, maar het oordeel heeft Christus aan het kruis voor ons weggedragen. God velt wel een oordeel, maar dat houdt voor de gelovige vrijspraak in. Voor ons als zondaars, die God denken als een eisende persoon ondenkbaar. Maar het past bij Zijn barmhartige en royale karakter, dat Hij ons deze vrijspraak geeft. Door die vrijspraak dankzij Christus’offer worden zondaars, goddelozen met God verzoend.

Niet God moet verzoend worden, maar de goddeloze moet met God worden verzoend. Het offer van Christus is geen eerwraak. Het gaat niet om een God die bloed wil zien. God veroordeelt de zonde, maar spreekt de goddeloze vrij. Hij wreekt Zich niet op een ander, maar neemt Zelf de straf op Zich. Dat kan Hij, omdat Hij door Christus en door de Geest één met ons is geworden. Deze eenheid met Christus is onze redding, onze vrijspraak. Er is wel één voorwaarde: wij moeten deze gunst wel willen aanvaarden. Wij moeten deze gift van God wel willen ontvangen. En dat is nu geloven: het accepteren van die vrijspraak.

 Heiligmaking

Wantrouwen van God moet uit ons leven uitgedreven worden. Dat is een taak van de Heilige Geest. De Geest komt in ons wonen. Dat leidt het proces van de heiliging of heiligmaking in:  (1) wij leren Gods liefde aanvaarden, (2) wij worden één met Christus. En overeenkomstig Gods karakter mogen wij delen in al het goede van Christus. In de heiliging is het dus opnieuw God die als eerste handelt.

De valkuil van de heiliging is dat deze weer moralistisch wordt ingevuld. In de heiliging gaat het in de eerste plaats om dankbaarheid (overwonnen wantrouwen) naar God toe. Dus niet om een bepaalde (christelijk-burgerlijke) moraal. Deze verleiding geldt voor elke modaliteit binnen de kerk. Zowel ter linker- als ter rechterzijde wordt de moraal eerder vanuit een ideologie ingevuld dan vanuit het evangelie.

Het kenmerk van de christelijke levensstijl is zelfverloochening: God erkennen als Heer. Dus niet als burgermansfatsoen, conservatisme of progressiviteit.

Heiliging is: leren te leven zoals God ons heeft bedoeld, vanuit Gods liefde voor ons. Een levenslange worsteling, waarin de Geest hard nodig hebben, waarin de aanvechting van het wantrouwen altijd op de loer ligt. Ook al is de goddeloze rechtvaardig verklaart, in dit leven blijft er altijd een spanning tussen de oude en de nieuwe mens. De gelovige is zondaar en rechtvaardige tegelijk.

 Actualiteit

Gerechtigheid kan alleen God schenken. Elk menselijk oordeel heeft onrechtvaardige kanten. Wij kunnen ook onze eigen rechter niet zijn. Alleen God kan een goed oordeel over ons vellen. De mens veroordeelt al snel onbarmhartig, door naar de eigen tekortkomingen te kijken. Menselijke maatstaven krijgen al snel inhumane trekken (minderwaardigheidsgevoel, BodymassIndex).

De mens heeft een waardigheid, omdat het God heeft behaagt om de gevallen mens te redden. Onze waardigheid is dus niet af te meten aan prestaties. Zeg dat maar eens in een maatschappij, waar betaalde arbeid de norm lijkt te zijn.

De rechtvaardigingsleer heeft dus betekenis voor de ethiek en de psychologie. Maar de rechtvaardigingsleer heeft vooral theologische actualiteit. Het gaat om het juiste beeld van God, die Zich in Christus ten offer gaf om zondaars te redden. Een andere God is er niet.

 ds. M.J. Schuurman


[1] Belijdenisgeschriften voor de Protestantse Kerk in Nederland. Ingeleid door dr. Klaas Zwanepol (Zoetermeer / Heerenveen, 2004) pag. 66.

[2] Alleen van de auteur van Lukas-Handelingen en van 2 Petrus wordt de mogelijkheid opengehouden, dat de auteur niet-joods was.

[3] Deze bijbels-theologische fundering van de triniteit laat de exegeet en voormalige evangelisch-lutherse bisschop Ulrich Wilckens op een overtuigende manier zien: Der Sohn Gottes und seine Gemeinde. Studien zur Theologie der Johanneischen Schriften. FRLANT 200 (Göttingen, 2002). Het is ook een rode draad in zijn Theologie des Neuen Testaments (Neukirchen-Vluyn, 2002vv).