Les 10 Verleiding

Les 10 Verleiding

 

Rosanne had zich voorgenomen om deze avond te besteden aan zinnige dingen. Het was lang geleden dat ze voor zichzelf uit de Bijbel had gelezen. Dat kon ze vanavond wel eens gaan doen.  Als ze koffie voor zichzelf heeft ingeschonken en haar Bijbel heeft klaargelegd, hoort ze haar telefoon: een Whatsapp-berichtje: even kijken. Er schiet wat te binnen en ze kijkt even wat na op internet. De avond verstrijkt. Als ze op de klok kijkt, ziet ze dat het half 11 is. Tijd om naar bed te gaan. Ze ziet voor zich de Bijbel op tafel liggen. De Bijbel is niet open geweest.

 

Peter las in de Bijbel een gedeelte over vertrouwen op God. Een mooi gedeelte. Hij nam het zich voor om in vertrouwen op God te leven de komende tijd. Dat is toch het mooiste dat er is? In dezelfde periode blijkt dat hij meer rekeningen binnen komen dan waar hij op gerekend had. Er is ook een tegenvaller: de auto startte niet en moest naar de garage. Al met al een maand met veel uitgaven. Hij vertelt het nog niet aan zijn vrouw, maar begint wel te piekeren over hoe het financieel moet en of het nog wel lukt om deze maand wat geld over te maken naar de spaarrekening. Dat was hard nodig, want daar liepen ze ook mee achter. Hij slaapt slecht die nacht. Als hij zo die nacht niet kan slapen, schiet hem de tekst over dat vertrouwen op God te binnen, maar hij krijgt er geen rust door. De zorgen zijn op dat moment te groot.

 

Vraag 1 Welke verleidingen zijn er voor Rosanne? Wat zou zij er tegen kunnen doen?




Vraag 2 Welke verleidingen zijn er voor Peter? Wat zou hij er tegen kunnen doen?



Uitleg
Verleiding is gevaarlijk voor je geloof, omdat verleiding je op een weg zonder God brengt. Dat kan heel klein zijn of klein beginnen. Bijvoorbeeld met een afleiding die er is, waardoor je er niet aan toe komt om tijd te nemen voor God. Verleiding kan ook groter uitpakken. Zorgen kunnen heel groot worden, waardoor het voor je niet meer mogelijk is om op God te vertrouwen. Of je kunt het zo goed hebben, dat je God niet meer nodig hebt. Verleiding kan ervoor zorgen dat je gaat geloven dat de zorgen sterker zijn dan God. Of dat een leven zonder God veel mooier is, veel meer geluk brengt.
Dat je God vergeet of dat je te weinig vertrouwen hebt in Gods zorg en leiding gebeurt vaak heel onbewust. Het is net als met een bootje dat bij de wal ligt, waarvan de eigenaar het vergeten is vast te maken aan de wal. Heel kalm dobbert dat bootje weg van de wal. Het is daarom van belang om steeds verbonden te zijn met Christus.

 

Vraag 3 Weet jij van jezelf wanneer je losraakt van God?




Vraag 4 Wat heb jij nodig om verbonden te blijven met God?




Vraag 5 Weet jij voor welke verleidingen jij vatbaar bent? Hoe wapen jij je daartegen?


 


Verleiding kan niet alleen tot grote problemen in je relatie met God leiden, maar ook tot grote brokken in je relatie met anderen. Als je als man getrouwd bent en je vindt een andere vrouw aantrekkelijker. Als je als vrouw getrouwd bent en je hebt het idee dat je bij een andere man je meer op je gemak voelt. Als je jezelf verrijkt op een oneerlijke manier. Als je verhalen de wereld in helpt over een ander die niet kloppen. In de Bijbel wordt steeds gewaarschuwd tegen verleiding. Want als je ingaat op de verleiding kies je weer voor het oude leven. Dan raak je God kwijt en is het sterven aan het kruis van Christus voor niets geweest.
Het is dus van belang dat je jezelf wapent tegen verleiding. Dat je van jezelf weet wanneer je vatbaar bent. Als de batterij van je telefoon leeg begint te raken, krijg je een seintje dat je telefoon opgeladen moet worden. Net zo moet je weten wanneer je los raakt van Christus en niet meer bij Hem gehouden wordt en gevoed wordt in je geloof.
Gelukkig is er wel een weg terug. In het avondmaalsformulier staat bijvoorbeeld: Als je in zonde gevallen bent, als je de verkeerde weg bent ingegaan, moet je daar niet mee doorgaan. Je moet er mee breken en God om vergeving vragen en opnieuw strijden tegen het oude leven, tegen verleiding. Het kan je wel eens moedeloos maken als je merkt dat je toch steeds weer valt voor verleiding. Gelukkig sta je er niet alleen voor en mag je steeds vragen om de Heilige Geest. Hij wil je bijstaan in de strijd tegen het oude leven, tegen de zonde, tegen de duivel.

 

Vraag 6 Herken je dat je soms moedeloos kunt worden? Wat is er dan nodig om toch weer naar God toe te gaan?



Vraag 7 kun je een algemeen voorbeeld bedenken hoe verleiding negatief uitwerkt naar anderen toe?

Bijbel: Lees 1 Timotheüs 6:3-12

 

Vraag 8 Welke verleidingen worden hier genoemd?

Vraag 9 Kun je ook aangeven waarom ze schadelijk zijn voor je geloof?



Vraag 10 Welke rol zal de duivel hierin spelen?

Vraag 11 Welk alternatief wordt geboden?

 

Geloofsbelijdenis
Vraag 127 Wat is de zesde bede (van het Onze Vader)?
Antwoord: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Dat wil zeggen: omdat wij uit onszelf zo zwak zijn, dat wij geen ogenblik kunnen standhouden, en omdat bovendien onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten, wil ons daarom door de kracht van de Heilige Geest staande houden en sterken, opdat wij in deze geestelijke strijd niet de nederlaag lijden, maar altijd krachtig weerstand bieden, totdat wij eindelijk volledig de overwinning behalen?

Preek Eerste Paasdag

Preek Eerste Paasdag
Johannes 20:1-10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bent u blij? Bent u vol vreugde, omdat Christus is opgestaan?

Misschien zegt u daar wel volmondig ja op:
Ja, ik ben blij, verheugd, omdat Christus is opgestaan.
Naar het Paasfeest kijk ik al weken uit, om de opstanding van Christus te vieren.
Zeker als we met de gemeente samenkomen, het geloof in de opgestane Heer samen delen om samen als gemeente, met de kerk over heel de wereld en door alle tijden heen
de lof op Christus te bezingen, met de liederen die we zingen, met de koperblazers erbij:
Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, U zij de glorie!

Of misschien zegt u: Ja, ik ben blij, Pasen is voor mij het belangrijkste feest.
Veel mensen zijn in een feeststemming met Kerst,
maar voor mij is wat wij met Pasen vieren echt de kern van het christelijk geloof.
Dat onze Heer opstond uit de dood, de dood heeft overwonnen
is een bevestiging dat het kruis op Golgotha zo’n ontzaglijke betekenis heeft,
dat ook mijn zonden zijn vergeven en dat ik bij God mag horen.

Of u zegt: Sinds ik een geliefde mis, een van mijn ouders, mijn man, mijn vrouw,

of zelfs een kind of een kleinkind, heeft Pasen voor mij een diepe betekenis gekregen:
ik heb afscheid moeten nemen en ik voel die lege plaats elke dag nog,
er gaat geen dag voorbij of ik denk aan degene van wie ik afscheid moest nemen,
maar ik weet dat er een dag komt, waarop er een weerzien is.
Ook al heb ik verdriet, ik ben niet zonder hoop,
omdat Christus uit de dood is opgestaan en de levende Heer gezegd heeft,
dat er een dag komt, waarop alle graven zullen opengaan
en degenen die reeds overleden zijn, zullen opstaan uit de dood.
Sindsdien trek ik mij op aan Pasen, aan de wetenschap dat de dood niet het einde is.
De Heer is waarlijk opgestaan!

Het kan ook zijn, dat u die vreugde helemaal niet hebt. Het is in uw leven niet zo vreugdevol.
Soms zijn er van die momenten dat je er even bovenuit getild wordt, dat je troost ervaart
maar er zijn ook heel wat momenten dat die troost er niet is en dat God ver weg is,
het is wel Pasen en ik zit hier wel, maar ik heb er – als ik eerlijk ben – weinig verwachting van
dat God mij vanmorgen opzoekt en hier in de dienst aanspreekt.
Daarvoor is er teveel gebeurd in mijn leven. Ik draag een hele last mee.
Het lijkt wel of er op mijn hart ook zo’n steen ligt als bij het graf van Jezus.
Maar die steen werd nog door de engelen weggeduwd.
De steen op mijn hart ligt er nog, geen engel die deze steen wegduwt om mij uit te laten.

Of misschien heeft u wel mensen om u heen, in de vriendenkring of in het eigen gezin
die niet meer kunnen geloven en er daarom niet zijn.
De verhalen van Pasen beginnen niet met de vreugde en ook niet met geloof.
Sterker nog, het dringt maar moeizaam door tot de vrouwen die het graf bezoeken
en ook tot de leerlingen, dat Jezus is opgestaan.
De Paasverhalen in alle vier de evangeliën laten zien dat degenen die het graf bezoeken
vooral rekening houden met een dode Jezus, met hun Meester, die in het graf ligt.
Zo hebben ze Jezus achter gelaten, in doeken gewikkeld,
waarmee ze Zijn lichaam hadden ingewikkeld, nadat ze het van het kruis gehaald hadden.
Het is vroeg op de morgen van de eerste dag, schrijft Johannes,
als Maria Magdalena naar het graf gaat.
Daarin schemert al iets door van het nieuwe, het onvoorstelbare, een nieuw begin,
zo bijzonder dat je vanaf deze dag gaat tellen:
die dag van Jezus opstanding, dat was de eerste dag van een nieuwe tijd.
De eerste dag: het is de twinkeling van de hoop, die God op aarde bracht.
Het is nog niet te zien, want het is donker, maar toch een nieuw begin,
want het begin van een nieuwe dag, dat betekent dat het donker bijna voorbij is
en dat de dag bijna in Gods licht zal staan
en deze keer niet een dag als andere dagen,
maar de eerste dag van een nieuw tijdperk,
waarin de macht van de dood verbroken is, waarin de vorst van deze wereld,
de slang, verslagen is.
O morgen van verblijden, o dageraad, o licht.
Zie na de nacht van lijden toont God Zijn aangezicht.
Het is nog donker, maar  de nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver.

Voor Maria is die nieuwe morgen nog niet te zien.
Ze heeft niet door dat ze reeds loopt in een nieuw tijdperk.
Het is voor haar nog donker.
Het graf is al leeg, de Heer is opgestaan,
maar Maria heeft er geen erg in, vol gedachten aan wat de afgelopen dagen is gebeurd.
Hoe Jezus aan het kruis ging en zij daar onderaan het kruis stond
en met eigen ogen gezien heeft dat Jezus stierf.
Wellicht was ze erbij toen Jozef van Arimethea en Nicodemus het lichaam van Jezus
van het kruis haalden, dat in een doek wikkelden en in het graf legden.
Dat was de laatste keer dat ze Jezus, haar Jezus, haar Heer zag.
Ze wilde Hem nogmaals bezoeken.
De reden wordt niet genoemd, misschien als eerbetoon of als pelgrimage,
of gewoon, zomaar zonder verwachting, om gewoon alleen maar even te zijn
waar de dode Jezus is gelegd, om nogmaals afscheid te nemen.
Je vindt er niks, zeggen gemeenteleden soms als ze aangeven
waarom ze niet zovaak naar het graf gaan.
Of als ze wel gaan, zeggen ze soms: ook al is hij er niet meer, je kunt nog even bij hem zijn.
In je gedachten denk je aan hem, je vertelt wat je bezig houdt,
je legt de ander voor wat je bezig houdt.
Je hoort wel niets terug, maar het is toch goed om er geregeld heen te gaan.
Johannes meldt niet de reden, alleen dat het donker was.
Voor Johannes is dat niet alleen om aan te geven dat Maria zo vroeg is,
voor dag en dauw, dat de zon nog niet is opgegaan,
maar laat dat voor hem zien hoe Maria naar het graf gegaan is.
Het licht is  bij Maria nog niet doorgebroken, nog gehuld in de duisternis van het verdriet,
van wanhoop wellicht, in ieder geval van ongeloof.
Dezelfde duisternis, waarin de wereld volgens Johannes gehuld is,
omdat de wereld God niet kent en niet wil kennen.
En toch, hoe sterk deze duisternis ook is, zij blijft niet in de duisternis.
De weg van Maria is daarom een weg voor iedereen die iets van deze duisternis weet heeft,
Of dat nu de duisternis is, waarin je niet kunt geloven
dat de opstanding van Christus echt verschil maakt, omdat de wereld hetzelfde lijkt,
of dat de duisternis van je depressiviteit is, die je ter neerdrukt,
en waaruit je jezelf niet kunt bevrijden, die je zelf niet kunt verbreken,
omdat deze duisternis zo sterk is, dat je je erdoor gevangen voelt.
De eerste dag kondigt Maria Magdalena aan, zonder dat ze het kan geloven,
omdat ze dat nog niet kan zien dat die nieuwe dag is aangebroken.
Maar deze weg die in duisternis begint, zal eindigen in het licht van Christus,
ze mag zelf de levende Heer ontmoeten en getuige van Hem worden.

Zover is het nog niet.
Zoals bij heel veel gelovigen dat gaat, breekt het geloof niet in één keer door.
Soms zijn er heel wat gebeurtenissen nodig,
dat kunnen ook vervelende en ingrijpende gebeurtenissen zijn,
waardoor je aan het denken gezet wordt, iets gaat ervaren van God,
Waarin Hij je – achteraf gezien – wil laten weten, dat je Hem op het spoor moet komen.
Geloven is vaak een zoeken en tasten, zeker in het begin
en dat zoeken en tasten kan een lange fase zijn en sommigen houden dat hun hele leven.
Het begint het eerste wat zij van Pasen waarneemt
en dat is niet de duisternis die zij ziet, dat is zonder dat ze zich ervan bewust is om haar heen.
Dat is ook niet het begin van de nieuwe dag, dat begin van een heel nieuw tijdperk is.
Dat neemt ze allemaal niet waar.
Het eerste wat ze ziet, maakt haar ongerust, roept paniek in haar op
en zorgt ervoor dat ze gehaast naar anderen loopt, tegen wie ze het moet vertellen.
Het graf is open!
Dat kan maar één ding betekenen: het graf is opengebroken door rovers.
Rovers die ervan uit gaan dat er wat te halen valt,
omdat er boven het kruis die woorden stonden: de koning van de Joden.
Dan moeten zijn onderdanen, die in Hem geloofden, vast een aantal waardevolle zaken
in de dood hebben meegegeven, om Zijn grootsheid, zijn majesteit uit te drukken.
Als je Johannes zou kunnen zien,
die dit verhaal doorvertelt, zou je de twinkeling in zijn ogen kunnen zien.
Grafroof bij de Koning van de wereld, die de vorst der duisternis onttroond heeft,
die het rijk van de dood geopend heeft en al degenen die overleden zijn
teruggevorderd heeft uit het dodenrijk.
Grafroof – is dat het enige dat je van een geopend graf kunt maken?
Paniek – is dat je reactie op de Heer die de dood verbrak en triomfeerde?
Ik denk dat wat Johannes hier beschrijft in de weg van Maria Magdalena
voor veel gelovigen vandaag de dag ook geruststellend kan zijn.
Dat je het niet gelijk door hebt en dat je veel moet leren, dat is niet alleen iets van nu,
maar dat komt ook in de Bijbel al voor.

Maria weet haar haast over te brengen op de twee discipelen waar ze naartoe gesneld is.
Ongerustheid is makkelijk door te geven,
misschien wel gemakkelijker dan een vertrouwen op de levende Heer.
Paniek is makkelijker door te geven dan geloof.
Geloof in de opgestane Heer vraagt een langere weg om eigen te maken
dan de gedachte dat het slecht gesteld is met deze wereld.
De twee leerlingen haasten zich daarom naar het graf,
om met eigen ogen te kijken wat er is gebeurd.
De ene discipel – zijn naam wordt niet genoemd, alleen dat Jezus’ liefde naar hem uitgaat –
komt als eerste bij het graf aan en ook hij kijkt.
Hij gaat verder dan Maria Magdalena, want Maria had aan de aanblik van het geopende graf genoeg om in paniek terug te gaan.
Deze leerling gaat een stap verder: hij  kijkt in het lege graf. Hij betreedt het graf niet.
Hij ziet de doeken liggen, de doeken waarin het lichaam van Jezus gewikkeld was.
Hij is gerustgesteld: van grafroof kan geen sprake zijn: de doeken liggen er nog.
De paniek van Maria is niet nodig.
De gebeurtenissen worden hier verteld als een mysterie dat langzaam onthuld wordt,
stap voor stap uit de doeken gedaan, totdat ze de levende Heer ontmoeten.
Maar het gaat stap voor stap, totdat de echte waarheid onthuld wordt.
De tweede stap, na de eerste stap van Maria Magdalena, van deze discipel
is dat hij de doeken ziet, maar tegelijkertijd gaat de aandacht uit naar iets dat er niet is
en waarvoor Maria gehaast en vol paniek bij hen aanklopte.
Maar Johannes, heeft een andere interpretatie dan Maria.
Wat hij er van maakt, is nu nog niet duidelijk. Eerst komt de derde stap, van Petrus.
Als Petrus bij het graf aankomt, gaat hij het graf wel in.
Hij gaat al verder dan die andere discipel, die aan de ingang van de graf bleef staan
en alleen maar naar binnen keek.
Petrus ziet al iets meer dan de andere discipel.
Wat er gebeurd is, wordt steeds beetje bij beetje onthuld.
Wat Petrus ziet, is dat de doek die om het hoofd gebonden was, ergens anders ligt.
Deze doek om het hoofd heen wordt niets gemeld
als Jezus van het kruis gehaald wordt en in doeken gewikkeld wordt.
Er is een andere gebeurtenis, waarin er wel van deze doek gesproken wordt.
Dat is als Lazarus uit het graf komt.
Lazarus is in doeken gewikkeld, zijn handen en voeten in doeken, maar ook zijn gezicht.
Dat wordt bij Lazarus speciaal erbij gezegd.
Voor Petrus wordt er al iets duidelijker wat er in het graf is gebeurd.
Het heeft iets met opstanding te maken, maar het is niet een opstanding als bij Lazarus.
Er is een verschil.
Maria had gelijk, dat het lichaam er niet meer was,
maar Maria had ongelijk door aan grafroof te denken.
Er is iets bijzonders gebeurd, het lijkt op wat er met Lazarus gebeurde en toch is het anders.
Wat dan?
Er staat: ze geloofden.
Dat klinkt heel mooi, dat lijkt erop alsof ze de volle waarheid van wat er gebeurd is, beseffen.
En toch, geloven is het evangelie een woord met veel betekenissen.
Johannes wil aan ons doorgeven: ze hebben iets door, maar wat ze doorhebben,
is dat het echte geloof? Zijn ze waar ze wezen moeten?
Ze hebben de ingrediënten om te geloven, maar hebben ze de juiste interpretatie.
Hij voegt er aan toe: Want zij kenden de  Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.
Ze zijn op het goede spoor,
maar wat er echt gebeurd is, dat hebben ze toch nog niet helemaal door.
Dat heb je pas door als je de Schrift erbij haalt
als Gods eigen woord uitleg geeft bij de gebeurtenissen,
anders heb je alleen maar een menselijke interpretatieen kun je,
ondanks dat je de gegevens hebt en de feiten ziet, toch de verkeerde conclusie trekken.
Ik kwam tegen, dat wat deze twee discipelen geloofden,
was dat Jezus reeds naar de Vader is gegaan.
Jezus is opgenomen in de hemel, zoals in het Oude Testament gezegd wordt
van bijvoorbeeld Henoch: Hij wandelde met God en was niet meer.
Of van Elia, die met vurige wagens en paarden van de aarde werd opgenomen in de hemel.
Had Jezus dat niet gezegd, dat Hij vooruit zou gaan?
Zou Jezus naar de hemel zijn gegaan? Naar het Vaderhuis met de vele woningen?
Ze zien het en geloven, maar niet wat de Schrift heeft aangekondigd.
Ze gaan weer naar huis.
Voor deze twee is er geen reden tot paniek, zoals bij Maria Magdalena.
Ze kunnen weer gaan. Ze weten genoeg.
Ja, genoeg voor henzelf, maar niet genoeg volgens de Schrift.
Omdat ze naar huis gaan, missen wat er is gebeurd.
Alleen Maria, die blijft, zij zal de Heer ontmoeten – daar zal het morgen over gaan.
Wat Johannes ons wil doorgeven, is dat het geloof in de Opgestane maar moeilijk doordringt.
Het gaat niet om zomaar wat feiten: een open graf, doeken die afgewikkeld zijn,
een hoofddoek apart gelegd.
Het gaat wat om niet zichtbaar is en wat alleen uit de Schrift gehaald kan worden,
omdat dat woorden van God zelf zijn
en onthullen wat het doel van God door alle tijden heen is.
Bij Pasen schiet ons gewone menselijke kennen tekort,
onze zintuigen kunnen uit zichzelf niet alles zien.
Onze ogen zetten ons op het verkeerde been,
een klein geloof ziet alleen maar kleine dingen, heeft Jaap Zijlstra in een kerstlied gedicht.
Nou ja, geloof in Jezus die ten hemel is gevaren is geen klein geloof, zou je kunnen zeggen.
Het is een onvolledig geloof.
Het is een geloof dat alleen maar genoegen neemt met wat zichtbaar is.
Maar daarmee redden we het niet.
Als we alleen maar kijken naar wat we zien, dan komen we tekort.
Dan zien we een gesloten kist, met daarin onze geliefde
en zien we dat die kist in de aarde neergelegd wordt
en weten we dat er weer opnieuw grond overheen zal gaan en daarna een steen.
Maar ogen die hebben leren kijken door de opstanding van Christus
die zien dat een lichaam wordt gezaaid in de afwachting op de opstanding op de Jongste Dag.
Als we met aardse ogen kijken naar het nieuws op tv zien we ellende en rampspoed,
zien we regeringsleiders, die geen einde kunnen maken aan de strijd in Syrië
(of vul hiervoor maar een ander land in),
regeringsleiders die zo onvoorspelbaar zijn dat deskundigen niet weten wat er komen gaat.
Maar in geloof kunnen we zien dat God door alles heen deze wereld leidt naar Zijn doel,
de dag waarop de levende Heer uit de hemel terugkomt
om te oordelen de levenden en de doden en dat aan Zijn koninkrijk geen einde komt.
Dat koninkrijk dat begonnen is aan het kruis: “Het is volbracht!”
Al doorbrak op die eerste dag, nog niet te zien voor Maria Magdalena,
Al schitterde in een leeg graf, verborgen aanwezig in de afgeworpen doeken,
stralend in die hoofddoek op een andere plek.
De discipelen gaan naar huis, dat zou voor ons het einde kunnen zijn, een anticlimax,
dat was het – zoals je na een kerkdienst naar huis kan gaan, zonder dat het je iets deed.
Ook al zeggen we over de kerkdienst dat je daar God ontmoet,
maar je kunt thuiskomen, zonder dat er in de kerk iets met je gebeurde.
Voor Johannes is dit niet het einde, zijn verhaal gaat door, omdat God doorgaat,
omdat Christus zich steeds beetje bij beetje onthult
voor ogen die zo traag doorhebben wat er gebeurde.
Voor ogen die de nonverbale aanwijzingen van God niet oppikken,
omdat ze blijven hangen in wat zij gewend zijn, of wat zij vermoeden,
maar nog niet doorhebben, dat er zo iets nieuws is gebeurt,
en dat toch ook al in de Schrift is aangekondigd:
Zie – Ik maak alle dingen nieuw. Zoals Jesaja al aankondigde: Jesaja 25:
Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde, want de HEERE heeft gesproken.
Op die dag zal men zeggen: zie dit is onze God,
wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen,
Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht
en zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.

Bent u blij?
Natuurlijk er is veel, dat die vreugde kan wegnemen,
maar zie, het is gebeurd wat God reeds aankondigde in Zijn Woord.
Het graf is open, de doeken zijn afgeworpen, de hoofddoek ligt op een andere plek.
Jezus is opgestaan uit de dood, heeft het graf geopend en leeft.
En voor ons oog verrijst een heerlijk vergezicht.
Hem zij de glorie, want Hij die overwon, zal nooit verlaten wat Zijn hand begon. Amen

Preek zondagavond 5 juli 2015

Preek zondagavond 5 juli 2015

Efeze 5:21-33

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Groeien in het geloof – het thema van de Efezebrief –
heeft te maken met het allergrootste wat er is,
met God en Zijn plan om de mensen in Christus te redden van de verlorenheid.
Tegelijkertijd heeft groei te maken met onze eigen kleine wereld:
met de relatie van man en vrouw in het huwelijk,
met de relatie tussen ouders en kinderen
en tussen werkgever en werknemer, baas en knecht.
Groei in geloof naar een volwassen geloof eindigt niet in grootse plannen
die wij als mensen moeten opstellen om anderen te redden
of in grootse visioenen van wat de Geest nog allemaal gaat doen in ons land.
Groei in geloof krijgt gestalte in het gewone alledaagse leven
huis-tuin-en-keuken.
Groei in geloof krijgt gestalte in onze omgang met anderen:
met onze man of vrouw,
met onze ouders en – als de Heere die ons gegeven heeft – kinderen,
op ons werk.
En groei in geloof krijgt in die relaties een vorm
die wij in onze maatschappij niet graag hebben:
Wees elkaar onderdanig.
Daarin wordt het werk van de Geest zichtbaar
en onze groei naar een volwassen geloof zichtbaar
in het onderdanig worden aan elkaar.
Een vraag aan de echtparen: bent u aan elkaar onderdanig?
Is de omgang in jullie huwelijk, zoals Paulus dat voorschrijft?
Of is de manier waarop jullie als man en vrouw met elkaar omgaat in het huwelijk
niet bepaald door wat de Bijbel daarover zegt?
Waardoor dan wel?
Of heb je in de verkeringstijd of in de jaren van je huwelijk
hier nog nooit over gehad op welke manier jullie omgang met elkaar
te maken heeft met wat de Bijbel erover zegt?

Nu is dat niet zo eenvoudig om op dit punt bij de Bijbel in de leer te gaan.
Want we leven in een tijd die juist probeert af te rekenen met onderdanigheid.
Vrouwen moeten zelfstandig zijn
en zelf in hun eigen inkomen moeten voorzien.
Een vrouw moet niet afhankelijk zijn van haar man en onderdanig al helemaal niet.
In onze tijd kan deze Bijbeltekst dan als hopeloos ouderwets,
een patroon in een huwelijk of in een relatie die we niet meer willen.
De nadruk op de zelfstandigheid van de vrouw
en het idee dat deze tekst uit een heel andere tijd afkomstig is
en voor nu niet meer geldt,
maakt het niet makkelijk om te luisteren wat de Heere ons te zeggen heeft
over het huwelijk.

Willen we het onderwijs over het huwelijk begrijpen en in praktijk kunnen brengen,
moeten we bij het begin beginnen
en niet zomaar een tekst over de vrouw die onderdanig moet zijn eruit halen.
Want dan kunnen we een heel andere boodschap krijgen dan Paulus bedoelde.
We moeten beginnen bij vers 21, waar Paulus schrijft:
Wees elkaar onderdanig in de vreze Gods.
De Herziene Statenvertaling maakt een ongelukkige keuze
door ná vers 21 een nieuw gedeelte te laten beginnen,
waarbij je gemakkelijk vergeet vers 21 te betrekken op de omgang in het huwelijk.
Wees elkaar onderdanig in de vreze Gods.
Allereerst: wees elkaar onderdanig.
Dat is het uitgangspunt van alles: voor alle relaties die er in de gemeente zijn.
Wees aan elkaar onderdanig schrijft Paulus.
Het is niet de één onderwerpt zich aan het gezag van de ander.
Er is in de gemeente niet het patroon waarbij de één heel dominant is
en zijn of haar mening weet door te drijven ten koste van de anderen.
Nee, in de gemeente van Christus is er niet één de leider
aan wie iedereen moet gehoorzamen en onderdanig moet zijn.
Omdat Christus die leider is: Christus is het hoofd.
Daarom kan het niet zo zijn dat er één de toon aangeeft en overheersend is.
Wees daarom elkaar onderdanig.
Ook vers 21 is niet helemaal het begin.
We kunnen nog verder terug, naar vers 18, waar Paulus spreekt:
wordt vervuld met de Heilige Geest.
Het onderdanig worden aan elkaar is een gevolg van de de Heilige Geest
die intrek in ons neemt en ons vormt naar het beeld van Christus.
De oorsprong van de onderdanigheid is dus het werk van de Geest in ons.
We zijn niet aan elkaar onderdanig,
omdat we tegen iemand opzien of vol ontzag zijn voor een ander,
omdat we tegen iemand niet op durven of kunnen,
maar omdat de Geest ons vormt naar het beeld van Christus,
Christus die ook kwam om ons te dienen
en onderdanig te zijn aan ons.
Dat onderdanig worden is aan de ene kant een opdracht: wees onderdanig,
maar aan de andere kant een gebeuren vol belofte en evangelie:
als we onderdanig worden aan elkaar, mogen we zien dat de Geest werkt in de gemeente.

Paulus geeft een kleine opsomming van wat de Geest doet.
De Geest werkt in ons, doordat we elkaar aanspreken en bemoedigen
met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen,
waardoor we elkaar verder helpen en God loven.
Het onderdanig worden aan elkaar staat daarmee op één lijn.
Het is niet opeens heel anders,
maar geeft aan dat we er in de gemeente voor elkaar zijn
en niet voor onszelf.
Elkaar – voor Paulus een heel belangrijk woord
en geeft wederkerigheid aan.
Als gelovige ben je niet in je eentje, maar onderdeel van een gemeenschap.
Je leeft niet voor jezelf, maar voor Christus en daarmee ook voor de andere gelovigen.
Je bent ook niet op je eentje, maar je hebt anderen om je heen,
die je aanspreken en bemoedigen, verder helpen
of als het moet in liefde corrigeren en vermanen.

En de ander is er ook om jou te dienen en daarmee te helpen
in je dagelijks leven en in je weg met de Heere.
En zo ben je er ook om anderen te helpen en te dienen.

Wie allemaal?
Er is een verhaal van Charles Dickens:
Esther Summerson samen met een neef en een nicht op kamers bij ene Mrs. Jellyby.
Als ze bij het huis van die Mrs. Jellyby aankomen, is zij er niet.
De kinderen doen open en Esther en haar familieleden komen in een huis binnen,
waarin het heel rommelig en heel smerig is.
De kinderen zijn al enige tijd niet gewassen en hun kleren zijn smoezelig.
Na enige tijd komt er een vrouw binnen,
een aardige mevrouw, maar haar ogen zijn gericht in de verte
alsof ze niets kan zien dat dichterbij is dan Afrika.
Want dat is haar passie: begaan met het lot van een stam in West-Afrika.
Ze stelt zichzelf voor: ‘Je zult me vast heel druk vinden, maar ik hoop dat je het begrijpt.
Het Afrika-Project slokt mij helemaal op.
Ik heb daarvoor met heel veel en heel belangrijke mensen contact.
het vraagt al mijn aandacht en energie.
Maar het geeft me ook veel voldoening, omdat ik elke dag de resultaten zie.’
De maaltijd is een goede maaltijd:
mooi stukje vlees, groente en een pudding,
ware het niet dat alles rauw was en ongekookt.
De schrijver Charles Dickens gaf dit verhaal de titel: telescopische filantropie.
Met andere woorden: liefdadigheid die alleen maar oog heeft voor wat ver weg is.

Paulus beschrijft juist een mensenliefde voor degenen om ons heen.
Het is niet moeilijk om begaan te zijn met een hele stam in Afrika.
Je ziet hun slechte kanten niet en zij zijn jouw slechte kanten niet.
Juist degenen die heel dicht bij ons zijn, die ons ook zien
als we ons niet mooier kunnen voordoen dan we zijn,
die onze zwakten kennen, omdat ze elke dag hun leven met de onze delen,
juist voor hen geldt dat dienen, die mensenliefde:
Wees elkaar onderdanig.
Wees je eigen man onderdanig.
Niet elke willekeurige man, niet alle mannen in de gemeente,
maar je eigen man die je door de Heere werd gegeven als echtgenoot.

Die onderdanigheid is geen slaafse onderdanigheid
en het is ook niet de bedoeling dat ik de ander in alles naar de zin maak
of naar de pijpen van de ander dans en zijn of haar wil opvolg.
Het is een keuze om de ander op de eerste plaats te stellen,
uit respect, niet alleen voor de ander, maar ook uit respect voor Christus.
Omdat Christus ons kwam dienen
én omdat in de ander iets zichtbaar wordt van Christus,
door de Geest gevormd naar het beeld van Christus.
Hebt u zo wel eens gekeken naar de mensen om u heen,
in uw gezin, in de familie, om u heen in de kerk de mensen die voor u zitten
of die met je op dezelfde Bijbelkring zitten:
dat ze al iets hebben van het beeld van Christus,
omdat de Geest met hen bezig is hen te vormen?

We doen het ook voor de Heere:
Wees elkaar onderdanig in de vreze Gods.
In de vreze Gods, de vreze des Heeren,
zoals daar in het Oude Testament over gesproken wordt,
waarbij de vrees geen angst is,
maar diep ontzag voor God,
diep ontzag voor Zijn heiligheid
diep ontzag voor de manier waarop Hij met mensen omgaat
door hun wegen te leiden, hen te beschermen, hen wijsheid te geven,
ontzag die bij de gelovige ook gepaard gaat met een diepe liefde
en verlangen om deze God te dienen en met Hem te leven.
Vreze des Heren: heilig ontzag en diepe liefde voor de Heere.
Vanuit dat ontzag en vanuit die liefde dienen we elkaar.
In de gemeente,
in ons gezin
in ons huwelijk, als man en vrouw.
In je man, zegt Paulus, zie je iets van Christus.
Mooi als je dat binnen je huwelijk mag beleven.
Dat je daarom je man dient, omdat je in hem iets van je Heer ziet,
omdat je in je dienen niet alleen iets aan je man geeft,
maar ook aan Christus.
Onderdanig zijn is een bewuste keuze,
het is niet afgedwongen, niet omdat de vrouw minder is,
want in Christus is er geen verschil meer in waarde tussen man en vrouw,
omdat Christus van ons de nieuwe mens wil maken.
We mogen dit dienen van Christus niet losmaken van de vernieuwing door de Heilige Geest.

En dan de man:
zoals Paulus het formuleert, lijkt het erop alsof er toch verschil is tussen man en vrouw.
Van de vrouw wordt onderdanigheid gevraagd en van de man liefde.
Toch verschillen die woorden niet zoveel.
Want liefde is bij Paulus meer dan een gevoel: een houding.
Een houding waarbij je jezelf wegcijfert
en de eer en de waardigheid van de ander op het oog hebt.
Je doet een stapje terug voor de ander.
Heb uw vrouw lief – betekent niet alleen dat je gevoelens voor je vrouw moet hebben of houden (al zal dat wel gewaardeerd worden als je dat laat zien).
Het liefhebben van de man vergelijkt Paulus met de liefde van Christus,
het offer dat Hij op Golgotha bracht.
Wat de man in liefde hoort te doen,
is alle aandacht aan zijn vrouw geven, zodat ze ook in de weg van Christus kan gaan,
heilig en onberispelijk kan leven
en in het oordeel van Christus onbevreesd kan verschijnen voor de rechterstoel van Christus.
Dat is de taak van de man ten opzichte van zijn vrouw.
Zoals Christus de hemel verliet en op aarde kwam,
zo dient de man een stap te maken bij zijn ouders weg naar zijn vrouw,
zoals Christus op aarde kwam wonen, ons leven deelde,
zo is de man geroepen om bij zijn vrouw te doen,
zijn leven met haar te delen en haar leven te delen.
Zodat – zegt Paulus – in het samenleven als man en vrouw
iets zichtbaar wordt
er iets van uitgaat, naar de kinderen, naar de familie, de buren en de vrienden,
zoals Christus met de gemeente omgaat.
Dat bijzondere gebeuren waarmee Christus naar de aarde kwam
om ons leven te delen, bij ons te zijn en Zijn leven te geven aan het kruis,
wordt zichtbaar in het huwelijksleven van man en vrouw.
Een hoge roeping daarom als man en vrouw.

In de kerk ‘kiezen’ we daarom voor het huwelijk.
Dan niet een huwelijk, zoals dat in films zichtbaar wordt
of volgens romantische voorstellingen die we kunnen hebben
of volgens de normen van onze maatschappij van wat een relatie of een huwelijk is.
Maar zoals de Bijbel dat voorhoudt.

En samenwonen dan? Dat kan tegenwoordig ook? Wat is daarmee mis?
De beste verwoording hoorde ik in een consistorie van een ouderling
wiens zoon ook samenwoonde:
Met samenwonen is het alsof je toch makkelijk van elkaar af wilt.
Alsof je niet voor 100% voor de ander gaat.
Als dat zo is, dan is het inderdaad mis.
Niet omdat het niet past bij wat we gewend zijn, niet omdat het niet hoort,
maar omdat het een verkeerd getuigenis van Christus afgeeft.
In de relatie die Christus aanging, in het samenwonen met ons,
koos Hij voor 100% en hield niet een soort deurtje open
om makkelijk uit die relatie met ons weg te komen.
De basis is de bereidheid om een ander te dienen.

En mensen die alleengaan?
Van hen wordt geen andere manier van leven verwacht
dan van degenen die getrouwd zijn.
Zij maken volop deel uit van de gemeente
(hoewel de kerk soms wel heel vaak de nadruk legt en aandacht heeft voor gehuwden)
en zijn geroepen om te dienen,
maar mogen ook verwachten van de gemeente
dat ook zij gediend worden.
Gehuwden hebben het dan gemakkelijker, omdat er dan altijd iemand is
die je kunt dienen en door wie je gediend wordt.
Degenen die alleen gaan mogen van de gemeente verwachten,
dat de gemeente extra best doet om juist hen te dienen
die anders wellicht gemakkelijker over het hoofd worden gezien.
Dienen door hen niet te vergeten,
dienen door niet alles in de kerk af te stemmen op gehuwden of gezinnen.
Dienen door voor hen te bidden, met het gebed dat ook zij
een leven mogen hebben tot zegen van velen.
zodat ze weten: we behoren volop tot de gemeente van Christus.

In de gemeente van Christus is het niet het belangrijkste of we getrouwd zijn.
De belangrijkste vraag is: kunnen wij elkaar dienen,
degenen die er in deze gemeente zijn, die vlak bij ons zijn,
als we getrouwd zijn onze wederhelft in het bijzonder op de manier zoals Paulus beschreef,
maar niet alleen in ons eigen kringetje.
Het moet het patroon zijn voor de gehele gemeente:
Wees elkaar onderdanig in de vreze Gods
amen

Preek zondagmorgen 28 juni 2015

Preek zondagmorgen 28 juni 2015
Efeze 5:1-15
Tekst: Wees dan navolgers van God (vers 1a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Sinds enkele maanden behandelen we in de kerkdiensten de brief aan de Efeze.
Kort na Pasen zijn we hiermee begonnen.
Toen ik aan deze serie begonnen ben,
heb ik aangegeven dat de rode draad in deze brief van Paulus
de groei in geloof is – volwassen worden in het geloof.
Daarbij heb ik ook aangegeven dat Paulus dat op een speciale manier doet,
namelijk door met de gemeente daarover in gesprek te gaan,
door hen aan te spreken.

Dat thema van groeien in het geloof, groei naar een volwassen geloof
pakken we vanmorgen op,
omdat Paulus daar over schrijft:
Wees dan navolgers van God.
Neem God als voorbeeld voor hoe je je hebt te gedragen.
Paulus gebruikt hier een woord dat de betekenis heeft van  nabootsen, nadoen, kopiëren van gedrag.
Neem God als voorbeeld voor je gedrag en doe Hem na, geeft Paulus aan.
We kennen dat nadoen ook uit de ‘gewone opvoeding’.
Een gezin met meerdere kinderen zit aan tafel.
De jongste kinderen houden de oudste in de gaten.
Ze luisteren heel goed welke grappen hij maakt
en merken dat hij opmerkingen maakt die het goed doen.
Ze nemen dat in zich op en als die jongste kinderen in hun eigen vriendengroep zijn
gebruiken ze die opmerkingen ook
en laten daarmee zien dat ze doorhebben hoe het in het leven werkt:
hoe je je in een groep hebt te gedragen, hoe je de lachers op je hand krijgt.
Ze zien hoe hij met hun ouders omgaat, hoe hij over de leraren op school praat,
hoe hij met zijn vrienden omgaat en zijn huiswerk doet (of juist niet).
Ze nemen dat heel goed in zich op en passen dat weer toe als het hen uitkomt.

In een bepaalde leeftijdsfase kunnen dat ook de ouders zijn.
Als we wel eens bij familie vandaan kwamen, zei Rianne op de terugweg:
Heb je gezien hoe de neven op hun vader gericht zijn.
Voortdurend letten ze op hun vader, zijn ze op hem gericht
en je ziet gewoon dat ze het gedrag en de houding van hun vader overnemen.
Zo wil ik ook zijn en daarom let ik goed op wat hij doet.
Dan kan ik mijn vader nadoen.
Dát bedoelt Paulus: let goed op God, zodat je Hem kunt nadoen,
zodat je Gods houding en Gods daden kunt kopiëren.
Wees navolgers van God – doe wat Hij ook doet.
Neem het goed in je op wat God heeft gedaan en wat Hij nog steeds doet.
Hebt u dat wel eens gedaan?
Zo vol aandacht naar Gods daden gekeken
en daarbij gedacht: zo moet ik ook doen en zo moet ik ook zijn? Net als God!
Ik denk dat er maar heel weinig mensen zouden zijn,
die als ze gevraagd worden naar een voorbeeldfiguur in hun leven,
iemand die een voorbeeld voor hen is,
weinig mensen die zouden zeggen: ik zou willen zijn als God.
Dat is nogal hoog gegrepen, vind u niet?

Maar laten we niet te snel terugdeinzen
door te zeggen dat het voor ons te hoog gegrepen is.
Want Paulus zegt niet, dat er enkelen zouden moeten zijn,
voor wie het weggelegd zou zijn om God als voorbeeld te nemen,
die in hun gedrag de Heere kunnen nadoen, kunnen kopiëren.
Deze aansporing om God als voorbeeld te nemen is niet alleen voor de kerkenraad.
Als Paulus zegt: wees navolgers van God, kopieer het gedrag,
leef zoals God zou doen,
dan heeft Hij de gehele gemeente op het oog – niemand uitgezonderd!

Wat heeft Paulus dan op het oog? Waarin kunnen we God dan nadoen?
Dat schrijft Paulus in het laatste vers van hoofdstuk 4:
Wees ten opzichte van elkaar vriendelijk en barmhartig
en vergeef elkaar, zoals God in Christus u vergeven heeft.
Zoals God met ons omgaat.
In de manier waarop de Heere met ons omgaat, kunnen we Zijn vriendelijkheid ervaren.
Vriendelijkheid is wel wat tam woord,
omdat we ook iemand die sullig is vriendelijk kunnen noemen.
Als we van God een vriendelijke God maken die een beetje sullig is,
hebben we Paulus niet begrepen.
Met het woord dat Paulus gebruikt, wil Paulus aangeven dat God in Zijn hart laat kijken.
In de manier waarop God met ons omgaat, wordt Gods hart, Gods karakter zichtbaar.
Zo is Hij en niet anders.
In plaats van vriendelijk zouden we ook kunnen zeggen: vol goedheid, genereus,
Hij gunt Zijn schepselen het beste, zelfs diegenen die van Hem niets meer willen weten.
Ook het tweede woord, barmhartig, heeft te maken met Gods hart
en ook daarin, in de manier waarop God met ons omgaat, kijken we God in het hart.
Barmhartig betekent: wat er met ons hier op aarde gebeurt,
dat raakt God diep in het hart.
God is in de hemel niet onbewogen, maar wordt diep geraakt door wat ons overkomt.
Ook in de vergeving, waar Paulus over spreekt, wordt het hart van God zichtbaar
zichtbaar in wat Hij doet.
Vergeving is bij God een royaal gebaar, waarbij Hij mensen uitnodigt
die bij Hem zijn weggegaan,
uitnodigt om weer in Zijn gemeenschap te leven, een royaal gebaar van genade.
Die goedheid van de Heere, Zijn barmhartigheid, Zijn royale uitnodiging
wordt het meest zichtbaar in het kruis op Golgotha, dat is het gebaar van God.
Hebt u dat ook ervaren?
Die vriendelijkheid van God, dat wil zeggen: Zijn goedheid, Zijn gulheid?
Hebt u dat ook ervaren, dat wat u bezighoudt God diep van binnen raakt?
Hebt u ook ervaren dat God u royaal uitnodigt
om bij Hem weer thuis te komen, terwijl we dat niet hebben verdiend?
Onverdiende genade – en dat is nu het hart van God.
Dat moet toch wel?
Dan hebt u ook Gods karakter leren kennen: zo is God!

Wees navolgers van God.
Neem die houding van God als voorbeeld, de manier waarop Hij met ons omgaat.
Neem die vriendelijkheid van God goed in je op,
want zo heb je ook te leven: zo vol vriendelijkheid,
niet met die bijbetekenis dat je een sullig persoon bent,
maar dat de mensen om je heen iets van je karakter ervaren,
dat je het goede met hen voor hebt, dat je bereid bent iets van jezelf te geven.
Neem het goed in je op dat God barmhartig is.
Dat je naar Hem toe kunt gaan met wat je bezig houdt
en dat je dan ook weet en gelooft dat het God tot diep in Zijn hart raakt.
We hebben de uitdrukking dat we ergens mee in de maag zitten,
we lopen ermee rond, we moeten daar steeds aan denken.
Dat is het woord barmhartigheid dat Paulus gebruikt.
Het raakt God wezenlijk, tot diep van binnen.
Met dat verschil dat God niet machteloos is, maar er iets aan kan doen.

Als we ons hart uitstorten voor God, dan luistert God daar aandachtig naar
en met bewogenheid.
Ik maak dat geregeld mee dat gemeenteleden hun hart uitstorten.
Ik kan er wel een boek over schrijven, zeggen ze dan.
Of soms voelen ze zich beschaamd dat ze zo bezig zijn met wat er in hun hart leeft
en dan zeggen ze: ik heb het wel veel over mijzelf,
moeten we het niet ergens anders over hebben.
Nee, zeg ik dan, u stort uw hart uit.
U kent toch het verhaal van Hanna, die door Eli weggestuurd wordt?
Dan zegt zij tegen Eli: Ik heb mijn ziel voor het aangezicht van de Heere uitgestort.
De ziel is dan als een emmer die helemaal vol is van verdriet of zorg
en met die ziel die helemaal vol is, komen we bij God
en in onze radeloosheid en onmacht kiepen we onze ziel uit voor de Heere.
Heere, ik weet niet meer wat ik er mee aan moet, ik hoop dat U er wat mee kunt.
Tegen die gemeenteleden zeg ik dan: U hebt ook uw ziel uitgestort voor God.
Hebt u dat wel eens ervaren, dat u met uw zorg en verdriet bij de Heere terecht kon?
Wees dan navolgers van God.
Laat de zorg en het verdriet van de mensen om u heen u dan ook raken,
tot diep van binnen.
Kijk niet te snel de andere kant op, want dat God ook niet bij u, bij jou.
Onverschilligheid is geen christelijke deugd.
Heb niet te snel een oordeel over anderen klaar,
waarin doorklinkt dat u het toch wel beter gedaan zou hebben
en kijk ook niet op anderen neer, want God kijkt ook u op niet neer.
Wees navolgers van God.
Als u reageert, neem dan God als voorbeeld voor hoe het zou moeten.
Laat u dan niet leiden door uw emoties of driften,
door wat er bij u, bij jou boven komt.
Laat u niet door wrok of boosheid leiden.
Ook niet als je met elkaar overhoop ligt en elkaar niet kunt uitstaan.
Ook niet als de ander je diep gekwetst heeft.
Laat je ook niet leiden door je eigen driften.
Je kunt verliefd worden op een andere man of vrouw,
maar dat wil nog niet zeggen dat je eraan moet toegeven.
Je kunt nog zoveel seksuele spanning in je opbouwen,
maar dat wil nog niet zeggen dat je die moet ontladen.
Je kunt nog zoveel willen hebben,
maar dat moet je niet gaan beheersen, zodat je daar dag en nacht mee bezig bent.

Wees navolgers van God – in Zijn barmhartigheid en in Zijn heiligheid.

Paulus zegt daar ook iets bij: wees navolgers van God als geliefde kinderen.
Wat we in Gods houding naar ons toe ervaren is liefde.
Als we in Gods hart kijken, zien we liefde.
Liefde die ons zondaren weer tot Zijn kind maakt.
We hebben het vanmorgen veel over de betekenis van woorden,
ook dit woordt kind heeft een bijzondere betekenis.
Het is een heel intiem woord, van een relatie tussen een vader en een kind.
Een vader die vol bewogenheid en vol liefde spreekt over zijn kind.
Hier de hemelse Vader die Zijn liefde tot voor Zijn kinderen,
kinderen die het heel bont gemaakt hadden
en zelf de band met die Vader hadden verbroken
en waarvan de hemelse Vader zei: en toch blijf je Mijn kind.
Ik doe er alles aan om je weer Mijn kind te maken.
Niet als een dwangmatige vader, want die zijn er
die hun kinderen niet los kunnen laten en met wie de band heel beknellend is,
maar als Vader in de hemel die ziet dat ze zonder Hem
diep ongelukkig en zelfs nog meer: voor eeuwig verloren zijn.
Maar dat niet over Zijn hart kan laten verkrijgen.
Onze verlorenheid raakt Hem tot diep in Zijn hart.
En daarom dat gebaar op Golgotha, een royaal gebaar van God
waarmee Hij zegt: het is vergeven.
Nee, geen goedkope vergeving; dure vergeving: het kostte Hem Zijn eigen Zoon
en die Zoon ging – gedreven door diezelfde liefde als Zijn hemelse Vader.

Wees navolgers van God.
Niet in dat offer, dat kunnen wij niet nadoen.
Maar wel in die liefde, in die houding die God naar ons toe had,
dat is een voorbeeld voor hoe wij met elkaar moeten omgaan.
Gods liefde komt naar ons toe, maar blijft niet alleen bij ons.
De liefde en genade van God die naar ons toekomt, maar van ons geen egoïsten
die alleen maar kunnen denken aan wat zij zelf willen hebben
en als zij het zelf maar goed hebben.
Die ander zoekt het maar uit.
Nee, omdat God ons kind maakt, willen wij dat anderen ook kind van God worden.
Ook al kunnen we ze misschien niet uitstaan.
Maar we hopen het beste voor onze vijanden en bidden zelfs voor hen,
omdat we ook vijanden van God waren,
maar omdat God voor ons alles over had, hebben we dat ook voor anderen.
In ons spreken over anderen,
in onze houding naar anderen toe
laten we zien hoe onze hemelse Vader met ons omgaat.
Aan de ene kant zijn heiligheid.

Als kinderen die de liefde ervaren.
Liefde die meer is dan een gevoel,
maar ook de houding van God naar ons toe,
waarbij God bereid is het hoogste en het liefste dat Hij heeft op te offeren, af te staan
om ons te winnen en weer kind te maken.
Wandel in die liefde, zegt Paulus.
Dat wil zeggen: laat de liefde van God je ook veranderen
zodat Zijn liefde ook van je afstraalt naar anderen toe,
zodat ze aan Gods kinderen mogen zien, Wie God is,
in Zijn heiligheid en in Zijn barmhartigheid, in Zijn zorgvuldige en liefdevolle omgang.

Wie het kruis aanvaardt,
wie gelooft dat Jezus gestorven is voor onze zonden,
kan niet anders dan accepteren dat Christus, die voor ons stierf
ons ook verandert naar Zijn beeld.
Het is allebei: of we geloven én gaan de weg in het spoor van Jezus
ook de weg van liefde en dienen,
of we gaan die weg niet, maar dan missen we ook Jezus.
Of Jezus is in ons hart en dat werkt ook door in onze houding
Of ons hart is niet van Jezus, maar wordt aangedreven door een andere kracht.
In dat geval is het zorgelijk, want dan is het afgodendienst
en kunnen we het koninkrijk van God niet binnengaan.
Zo scherp ligt het, zegt Paulus.
Kijk daarom hoe God is, neem aandachtig waar hoe de Heere met ons omgaat
en neem dat als voorbeeld voor hoe wij hebben te doen.

Maar kunnen we dat wel? God als voorbeeld nemen? Is dat niet te hoog gegrepen?
Dat is een vraag die mij tijdens de voorbereiding steeds weer bezig hield.
Kunnen wij de weg van de liefde wel kiezen, in het spoor van Jezus?
Dat kunnen wij toch niet?
Nee, dat kunnen we niet,
maar dat mag ons er niet vanaf brengen om een andere weg te kiezen.
Want we kunnen het wel tegenhouden,
door niet uit die genade te leven,
en Gods houding alleen maar voor onszelf willen houden
en niet onze houding, ons karakter, ons gedrag laten aanpassen door Christus.
We hebben deze weg te gaan, waarbij anderen aan ons merken
dat in ons hart Christus leeft
en dat er niet een andere macht over ons heerst.
We kunnen niet zonder de Heilige Geest,
die in ons wil komen wonen en ons tot leden van Christus wil  (zal!) heiligen.
De Heilige Geest is de kracht die ons aandrijft,
die ervoor zorgt dat de Heere Jezus in ons hart is
en ervoor zorgt dat de Heere Jezus effect heeft op ons karakter, onze houding
en ons ook aan het werk zet met de opdracht: wandel die weg, in het spoor van Christus.
Hij volbracht het, daarom kunnen wij die weg gaan
maar dan moeten wij die weg ook gaan.
zodat we met de woorden van onze mond en de overleggingen van ons hart
God welgevallig zijn.

Als we die weg niet gaan,
dan is het goed dat we wakker gemaakt worden
Ontwaak gij die slaapt en staat op uit de dood
en laat Christus over u heersen, ook over uw karakter, over uw houding naar anderen toe,
over uw manier van praten over anderen.
Daarom spreekt Paulus ons aan, zodat we groeien in het geloof
en Christus hoe langer hoe meer gestalte in ons krijgt.
amen

De norm van Gods koninkrijk: groeitijd

De norm van Gods koninkrijk: groeitijd

24 En Hij zeide tot hen: Ziet toe, wat gij hoort. Met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden, en u zal boven die maat gegeven worden. 25 Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, ook wat hij heeft zal hem ontnomen worden.
26 En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, als een mens, die zaad werpt in de aarde, 27 en slaapt en opstaat, nacht en dag, en het zaad komt op en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe. (Markus 4:24-27)

Elkaar beoordelen en de maat nemen gebeurt dagelijks. Vaak ook onbewust. Ouders letteren er op dat hun kinderen groeien en goede resultaten behalen op school. Kinderen letten er op of zij een voorbeeld kunnen nemen aan hun ouders. Zijn hun ouders eerlijk? Docenten beoordelen hun leerlingen. Wat weten zij al? Wat moet hen nog bijgebracht worden? Voor bepaalde beroepen moet men gekeurd worden: is men wel geschikt? Leven zonder op elkaar te letten en elkaar te beoordelen kan niet.
De kwestie is alleen welke maatstaf wij hanteren. Het maakt nogal uit wat onze norm is, zegt de Here Jezus. Met de maat waarmee gij meet, zal u gemeten worden. Het is een waarschuwing van Jezus. Een beoordeling kan mensen ook in de hoek zetten. Je kunt je erdoor beter voelen dan anderen. Uiteindelijk is dat verlies, houdt Jezus ons voor.
Het is pijnlijk om na een bepaalde periode tot het inzicht te komen dat je hebt gefaald. Daardoor kun je aan jezelf gaan twijfelen: weet ik wat ik wil? Weet ik wie ik ben?
Maar degene die zelfgenoegzaam achterover leunt, omdat het succes toestroomt, is misschien wel het ergste eraan toe. Jezus vertelt een gelijkenis over een succesvolle boer. Aan het einde van die gelijkenis staat er: Dwaas! In deze nacht zal men uw ziel van u opeisen; en wat u gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn?” (Lukas 12:20) Welke maatstaf gebruik ik om mijn eigen leven en dat van anderen te beoordelen?

Jezus houdt de maatstaf van het Koninkrijk van God voor. Een man die het zaad de tijd gunt om te groeien. Groei heeft tijd nodig. Het voordeel voor de boer is dat hij ook kan rusten. Door het zaad de tijd te geven om te groeien, kan hij zichzelf de tijd gunnen om te slapen.
Met deze gelijkenis strooit Jezus de gelijkenis in ons eigen hart. In het koninkrijk van God is het belangrijk iets te laten groeien. De groei komt van God. Niet van de boer en ook niet van het zaad zelf. Het zaad kan alleen maar ontkiemen als het sterft en begraven wordt. (Johannes 12:24) Jezus spreekt daarmee allereerst over Zijn eigen sterven. Groei komt dus, doordat Jezus stierf voor ons. Daarmee geeft de Here Jezus een nieuwe maatstaf: je bent het door Christus waard om onderdeel te worden van het Koninkrijk van God. Je mag vrucht dragen tot Gods eer.
Wie durft dan nog te zeggen dat hij niets waard is? Dan meet je je wellicht nog aan de verkeerde norm. De norm is niet: succesvol zijn. De norm is: door het zaad van het koninkrijk het waard zijn om vrucht te dragen. De norm is niet: wat wij hebben. Want dat zal van ons afgenomen worden. De norm is: wat wij ontvangen in Christus’ naam.

Deze vergelijking met het zaad kan ons ook helpen om het Heilig avondmaal te begrijpen. Avondmaal geeft ons niets anders dan wat de woorden van Christus ons willen geven: Christus zelf.

Door deze vergelijking met het zaad wil de Here Jezus tegen ons ook zeggen: gun jezelf de tijd om te groeien in geloof. Gun anderen de tijd om te groeien. Er is zaad dat in de lente gezaaid wordt en snel opkomt. Er is zaad dat in de herfst gezaaid wordt. Je ziet er niets van. Het lijkt niets op te brengen. Maar na een lange winter komt er opeens iets boven de grond.
Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft (Johannes 15:16)

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor De Kerk thuis

Bewerking van Chr. Möller, “Die Zeitmaß des Reich Gottes”, in: Der heilsame Riss. Impulse reformatorischer Spiritualität (2003)185-189.

Groeien in geloof (7)

Psalm 1:1-3

1 Gelukkig de mens
die niet meegaat met wie kwaad doen,
die de weg van zondaars niet betreedt,
bij spotters niet aan tafel zit,
2 maar vreugde vindt in de wet van de HEER
en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.
3 Hij zal zijn als een boom,
geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht,
zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei.

Groei heeft dus te maken met verbondenheid in Christus. Als je met Hem, die voor ons stierf verbonden bent, ben je gelukkig!

 

Groeien in geloof (6)

1 Korinthe 2:5-7

5 Wat is Apollos eigenlijk? En wat is Paulus? Zij zijn niet meer dan dienaren die u tot geloof hebben gebracht, beiden op de wijze die de Heer hun heeft geschonken. 6 Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven, maar God heeft doen groeien. 7 Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want hij doet groeien.

Groei komt alleen van God. Wat je als mens kunt doen, is alleen maar planten en begieten. Natuurlijk ook belangrijk werk. Dat betekent dat je bij groei in het geloof ook wel je best mag doen. Maar raak niet gefrustreerd als je denkt dat je niet groeit. Misschien wil God op die manier je wel iets leren. Groeien in geloof betekent namelijk dat je in alles afhankelijk bent van de Here. Ook van je persoonlijke groei in geloof.