Preek zondagavond 14 oktober 2018

Preek zondagavond 14 oktober 2018
Richteren 1:1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen in de Bijbel om onze band met de Heere te versterken,
om meer over de Heere te leren en Hem beter te leren kennen,
om van de Heere aanwijzingen te ontvangen hoe wij moeten leven
door middel van een toepassing van wat we gelezen hebben.

En dan is Richteren 1 een keer aan de beurt.
Omdat het aangegeven staat in het dagboekje dat gebruikt wordt,
of omdat het aan de beurt is als je de Bijbel hoofdstuk na hoofdstuk leest.
Je leest dat met elkaar aan tafel na het eten, of voor het slapen gaan om de dag af te sluiten
of aan het begin van de dag om de dag met God te beginnen.
Je hebt het gelezen, maar dan … wat moet je ermee?
Wie in de afgelopen weken een Bijbelkring gevolgd heeft over dit eerste hoofdstuk
heeft vast ontdekt dat dit Bijbelgedeelte de boodschap niet zomaar prijsgeeft.
Geregeld bevat de Bijbel gedeelten waar je niet zomaar klaar mee bent,
waar je niet bij de eerste keer als je het leest, weet wat het te zeggen heeft.
Ook als je er met elkaar op Bijbelkring over gesproken hebt,
kunnen er nog vragen overblijven bij dit gedeelte.

In Richteren worden steeds verhalen verteld,
waarbij de boodschap meegegeven wordt in de manier waarop het verteld wordt.
Dat kan ik uitleggen aan de hand van een alledaagse gebeurtenis.
Een vrouw komt thuis, bijvoorbeeld uit haar werk of is met vriendinnen op pad geweest.
Ze vertelt aan haar man wat ze heeft meegemaakt
De man luistert naar het verhaal van zijn vrouw, hij volgt het verhaal wel,
maar begrijpt niet waarom ze het vertelt en reageert daarom niet op wat zijn vrouw vertelt.
Zijn reactie blijft uit.
Op dezelfde manier kan bij het lezen van dit gedeelte de reactie uitblijven.
Je leest het wel, je hoort wel wat er verteld wordt,
maar je weet eigenlijk niet waarom dit verhaal verteld wordt
en daarom ontgaat je de betekenis.
Om te weten wat de Heere ons hier te zeggen heeft, moeten we nauwkeurig gaan lezen
en gaan letten op de manier waarop deze gebeurtenissen aan ons verteld worden.

Het allereerste vers: Het gebeurde na de dood van Jozua
Hier wordt gelijk al de toon gezet voor de rest van het Bijbelboek Richteren.
Jozua – wie was dat ook al weer en waarom wordt hij hier genoemd?
Als je niet zo thuis bent in de Bijbel, dan sta je hier op achterstand
en is het nog lastiger om de boodschap die God door wil geven te horen.
Jozua wordt voor de eerste keer in de Bijbel genoemd
als het volk Israël door de Amalekieten wordt aangevallen.
De Amalekieten vallen Israël in de rug aan, waar de ouderen lopen, de kwetsbaren, lafhartig.
Jozua is dan de aanvoerder van de soldaten van Israël die de strijd aangaan met Amalek.
Jozua won deze strijd op een bijzondere manier: steeds als Mozes zijn handen ophief
en zich tot God uitstrekte, streed de Heere zelf voor het volk.
Op die manier doet Jozua zijn intrede in de geschiedenis van Israël:
Op het moment dat er tot de Heere gebeden wordt en de Heere voor Zijn volk strijdt.
Zo leert Jozua de Heere kennen: God strijd voor Zijn volk Israël en brengt het in Kanaän.

Onderweg maakt Jozua nog heel wat mee.
Als het volk Israël bij de Sinaï komt, de berg waar God is, mag Jozua mee omhoog
en de 40 dagen dat Mozes bij de Heere is om de geboden te ontvangen,
wacht Jozua bovenaan de berg tot Mozes mee naar beneden gaat.
Jozua heeft gezien hoe het mogelijk is om naar de Heere toe te gaan,
om Hem te ontmoeten, om tot Hem te bidden,
om geboden van God te ontvangen, die aanwijzingen geven hoe je moet leven.

Jozua werd met Kaleb en 10 anderen uitgekozen om het land te onderzoeken,
het land dat de Heere hen in Egypte al beloofd had,
en waar ze naar op weg waren, het land van Abraham, Izak en Jakob.
Ze raakten onder de indruk van wat het land allemaal te bieden had:
een vruchtbaar land met indrukwekkende opbrengsten,
een land waarover de Heere Zijn zegen gegeven heeft.
Maar nog meer waren de meeste van deze verspieders onder de indruk
van de steden die er waren en de mensen die er woonden:
Grote steden, met imposante muren, goed verdedigd,
Kanaänieten die er woonden die lieten zien dat ze onverslaanbaar waren.
Zelfs met God aan onze zijde wordt het niets.
Hoe snel kan de moed in de schoenen zinken, ook als je weet dat de Heere bij je is.
Het vertrouwen dat Hij zal leiden, dat Hij Zijn belofte waar maakt, is dan weg.
Jozua heeft dat steeds weer gezien, toen hij met het volk Israël meetrok door de woestijn,
toen hij getuige was van het gemopper van de Israëlieten,
maar ook getuige was van Gods trouw en leiding, Gods geduld, steeds weer.
Jozua wilde in geloof gaan, we kunnen gaan, Kanaän in, want God is aan onze zijde.
En toch, ze gingen niet, want er was geen vertrouwen in God.
We kunnen Kanaän niet binnentrekken, dat wordt onze ondergang!
Toen kwam het oordeel van God: het volk moet langer in de woestijn blijven
en van de huidige generatie mogen alleen Jozua en Kaleb het land binnen gaan.
Onder Jozua’s leiding trok het volk de Jordaan over en veroverden ze Jericho.
Nu is Jozua gestorven: Jozua de uittocht uit Egypte nog had meegemaakt,
De reis door de woestijn, die onderweg zoveel van God had gezien
en wist hoe de Heere Zijn volk steeds weer hielp.
Hoe gaat het verder als die kennis over God verdwijnt,
als niemand die geschiedenis zelf nog heeft meegemaakt
en het alleen van horen zeggen heeft.
Na de dood van Jozua – hoe gaat het met Gods volk als de weg van God
slechts nog een verhaal is dat niemand meer zelf heeft meegemaakt.
Kan het volk dat aan? Blijft het op Gods weg gaan?
Het is ook een vraag aan ons – wat gebeurt er met ons geloof en onze kerkgang
als er steunpilaren in het geloof wegvallen?
Wat gebeurt er als er iemand is, die voor jouw geloof van grote betekenis is geweest,
Verhuist of overlijdt – kun je dan op eigen benen staan, of ga je onderuit?

Het lijkt eerst goed te gaan: de Israëlieten vragen de Heere om raad.
Hier worden ze gepresenteerd als eensgezind: niet als onderlinge rivalen,
die elkaar niet willen helpen en met elkaar in gevecht raken, zoals verderop in Richteren.
Israëlieten – de naam die verwijst naar de bijzondere roeping,
om in het land Kanaän als volk van God te leven, naar Gods geboden,
Israël, niet alleen een bijzondere status als volk door God uitgekozen,
maar ook een volk met een roeping, om tot zegen te zijn,
om in een donkere wereld te laten zien hoe God deze wereld heeft bedoeld.
Ze vragen God om raad, om advies.
Heeft u dat ook wel eens gedaan bij een ingrijpende keuze?
Als u nadenkt over een ander huis of een andere baan?
Heb jij dat ook gedaan toen je een keuze moest maken wat je na je school ging doen?
Of toen je verliefd was en verkering kreeg, heb je God erbij betrokken, om advies gevraagd?
En hoe krijg je daar antwoord op? Je krijgt dat zelden rechtstreeks,
misschien eerder als je rust krijgt op een beslissing en je ervaart dat het goed was.
Maar als je wel antwoord krijgt van God zelf op wat je moet doen?
De Israëlieten krijgen antwoord: Juda moet als eerste gaan en dan ga Ik mee.
Het land dat voor Juda bestemd is, zal Ik geven.
Het land ligt klaar – Juda hoeft alleen maar te gaan
om het geschenk van God aan te nemen, voor Juda bestemd.
Geen woord over strijd die geleverd moet worden, geen opdracht om geweld te gebruiken.
Alleen maar: Ga! Ga in vertrouwen en het komt goed, daar zal Ik voor zorgen.
Is dat genoeg?
Juda gaat, maar doet eerst iets anders. Simeon wordt meegevraagd.
Hoe moeten we dat zien? Is dat de zorg van Juda voor zijn broer.
Samen optrekken. Zoals we nog wel eens zingen:
Schouder aan schouder in Uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Of is het anders? Het zou ook wel eens een gebrek aan vertrouwen kunnen zijn
God zegt wel dat Hij ons dat land geeft, dat het klaar ligt,
maar wonen er geen Kanaänieten? Zal er geen strijd geleverd moeten worden?
Moeten we niet wat hulp zoeken om sterker te staan.
Het lijkt heel mooi, maar het is een eerste stap bij de Heere vandaan.
Het inslaan van een weg bij de Heere vandaan gaat vaak heel subtiel.
Niet openlijk met een grote stap, maar met ontbreken van vertrouwen,
je gaat wel met God op pad, maar voor de zekerheid regel je toch iets anders.
zorg je ervoor dat je iets hebt, voor het geval God je niet zo blijkt te helpen als beloofd.
Hier bouwt Juda niet alleen een extra zekerheidje in voor het geval God niet thuis geeft,
maar grijpt Juda ook nog eens naar het middel van de macht.
Ik moet sterker staan, dan kan ik die Kanaänieten de baas.
Desnoods met geweld, samen staan we sterker.
Juda heeft succes en dan kunnen we zeggen dat God met hem is.
Zo verkeerd is het blijkbaar niet om Simeon mee te vragen.
Een klinkende overwinning: 10.000 man verslagen!
Een complete overwinning.
De vijand die zo sterk werd geacht, waardoor er extra steun nodig zou zijn:
wordt vernietigend verslagen.

Hoe kan dat nu, dat geweld in de Bijbel?
En dan ook nog eens geweld in naam van God?
Er zijn heel wat Nederlanders die als het gaat om geweld in de Koran zeggen:
maar in de bijbel kunnen ze er ook heel wat van.
We zien dat hier: alle Kanaänieten moeten worden gedood. Zodat Israël het land krijgt.
Maar is dat wel zo? Geeft de Bijbel hier een vrijbrief voor geweld?
Ook hier is het nodig om goed te lezen:
De koning die verslagen wordt, was zelf een geweldenaar, die nergens voor terugdeinsde:
70 koningen aangevallen en verslagen en hen hardhandig aangepakt.
De levens van die koningen die overwonnen waren, waren niet in tel.
Om te voorkomen dat ze in opstand zouden komen, worden de duimen en tenen afgehakt.
Doordat ze geen duimen meer hadden, konden ze geen speer of zwaard vasthouden
en zonder de grote tenen konden die koningen niet meer goed lopen.
Koning Adonibezek, die 70 koningen overwonnen heeft, maakt ze bespottelijk.
Ze zijn voor hem niet meer waard dan honden die de kruimels opeten die van de tafel vallen.
Het zijn geen mensen meer voor hem, maar uitschot.
Misschien kent u wel de verhalen van hoe Syriërs
worden gemarteld in de gevangenissen van Assad.
Niet meer in tel als mens.
Dan zegt Adonibezek, de koning die verliest van Juda: Nu dit met mij ook gebeurt,
is dat een straf van God. Boontje komt om zijn loontje.
Had ik maar niet zo wreed moeten zijn, ik moet niet raar opkijken dat God mij dit aandoet.
Maar vertelt Richteren dit aan ons door om te laten zien hoe God het onrecht straft?
Nee, er is een andere reden:
Juda gaat nog verder de fout in. Het begon al klein, bij gebrek aan vertrouwen,
Nu in de behandeling van de overwonnen koning zien we
dat het grote gevolgen kan hebben als je God uit het oog verliest.
Want het afhakken van duimen en tenen is de stijl van Kanaän.
Israël was bedoeld om te laten zien dat het anders kan: Gij geheel anders.
In een wereld van geweld, van wreedheid, het recht van de sterkste,
was Israël geroepen om te laten zien dat God een andere weg gaat.
Het kwetsbare Israël. Eén stam alleen die moet optrekken zonder hulp van anderen.
God kiest niet de weg van macht, van grote aantallen
En hoewel er vaak in de Bijbel gesproken wordt van geweld,
gebeurt dat niet omdat God geweld verheerlijkt en een gewelddadige God is.
Eén van de twaalf stammen wordt op pad gestuurd, kleiner dan het volk in zijn geheel.
Het is wat Paulus later noemt: Gods kracht wordt in zwakheid volbracht.

De Kanaänieten staan voor een andere levensstijl: geweld, minachting van je vijand,
ontmenselijken van je tegenstander, als een dier, een hond behandelen.
De Kanaänieten zijn daarom vijand van God, zoals Egypte dat ook is, de farao,
Die een hard bewind voerde en niemand ontzag,
zoals Assyrië, een andere grootmacht, met enorm veel geweld landen veroverde
En Babylon door veel wreedheid te gebruiken de wereld kon veroveren.
Kanaänieten, zijn net als de Egyptenaars en Babyloniërs machten van de dood,
die alleen de taal van geweld en onderdrukking kennen.
Om te laten zien dat God geen geweld hoeft te gebruiken, moet Juda alleen gaan,
zoals David, de kleine jongen, alleen ging tegen de reus Goliath.
Als David naar Goliath toegaat, zegt hij tegen de reus: Ik win van je,
omdat God wil laten zien dat je geen wapens nodig hebt om te winnen.
Vertrouwen op de levende God, de Heere van de legermachten,
die aan het hoofd van duizenden engelenlegers staan, dat vertrouwen is genoeg.
Maar wat doet Juda, als het de koning gevangen genomen heeft?
Juda hanteert de stijl van Kanaän.
Juda, geroepen om als volk van God een licht in een donkere wrede wereld te zijn,
heeft nog niet eens heel het land gekregen dat God zou geven
of hij gedraagt zich als Kanaäniet. Juda, zoon van Israël toont zich een heiden.
Ik ken verhalen uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente Oldebroek
Waarop het net zo ging: als het ging om welke richting het op moest gaan.
Dan konden er verschillende middelen ingezet worden om het doel te bereiken.
Hier houdt Juda een spiegel voor: Ook binnen de kerk kunnen we zomaar
Kanaäniet worden. Dan zeggen we: het doel is zo heilig – de eer van God!
De zuiverheid van de kerk! Of juist de andere kant op: meer ruimte voor ervaring, liederen.
We gaan dan niet meer als broeders en zusters met elkaar om,
maar verlaten de aanwijzingen van Christus
en vertrouwen er niet op dat Christus de gemeente bouwt,
maar dat wij dat maar moeten doen, ook al gaat dat niet al te christelijk aan toe.
Dan kunnen we zeggen: er is geen andere manier.
Wie de leiding heeft, moet vuile handen maken, moet wel eens beslissingen nemen,
en een aanpak hebben die niet altijd even sjiek is, niet zo christelijk.

Nee, zegt Richteren: het is de stijl van Kanaän.
Geweld is een gevaarlijk middel en als je denkt dat je in Gods naam moet handelen
maak je snel brokken.
Geweld kan je verteren, je kapot maken, al lijkt je strijd nog zo heilig.
Maar uiteindelijk is het ongeloof: je denkt dat God het niet doet,
dat de God van IsraËl niet strijdt, dat Christus Zijn gemeente niet bouwt
en dat we het daarom maar zelf moeten doen.

Maar is de weg van Israël dan wel te gaan?
Een weg in vertrouwen en het niet zelf uitvechten en voor elkaar maken
maar wachten totdat God het doet?
Kun je in de wereld vol Kanaänieten wel een Israëliet zijn?
Dat is toch de enige optie? Je kunt je niet ontrekken toch aan hoe het er aan toe gaat?

Daarom wordt ook het verhaal van Achsa verteld.
Achsa wordt de vrouw van Otniël, de eerste richter. Zoon van Kenaz.
Kenaz geeft aan dat Otniël bij de Kenieten hoort, een stam die Israël tegen kwam op reis,
Deze mensen hoorden niet bij Israël,
maar waren onder de indruk gekomen van de God van Israël.
Zij geloofden en traden toe tot het volk Israël en gingen erbij horen.
Hen tellen als in Israël ingelijfd en doen de naam van Sions kinderen dragen.
Zij geeft ook een voorbeeld voor hoe het moet.
Als ze een stuk land krijgt, dat niet zo vruchtbaar is, omdat er geen bronnen zijn,
kaart ze dat bij haar schoonvader aan.
Ze doet dat op een bijzondere manier: Ze zegt niet: “Ik heb er recht op!”
“Dat valt me van u tegen!” “U scheept me af!”
Nee, ze vraagt om een zegen – de zegen dat is Gods zorg en aandacht voor het land.
Gods betrokkenheid – Aan Gods zegen is alles gelegen.
Achsa houdt de spiegel voor: je kunt echt in vertrouwen op God gaan
en dan zal Hij ook Zijn zegen geven.
Je hoeft dat niet te bevechten als een Kanaäniet,
je hoeft dat niet op te eisen als een mopperende Israëliet.
Bidt en u zal gegeven worden, zoek en u zult vinden, zegt Jezus.
Achsa maakt het heel concreet. Zo houdt ze ook ons een spiegel voor.
Achsa biedt hoop: Als Israël een verkeerde weg inslaat
en niet laat zien hoe Gods volk hoort te zijn in deze wereld brengt God iemand,
Soms een enkele persoon om te laten zien dat het kan, in vertrouwen gaan.
Om met de woorden van de Bergrede te spreken: zout der aarde, licht op een berg.

In Richteren is er een profeet aan het woord,
De joden rekenen Richteren tot de (Vroege) Profeten die aan ons vraagt:
Leef je wel met God? Heb je echt dat vertrouwen?
Laat je je hart wel veranderen door God? Bepalen Zijn wetten je doen en laten
of kijk je naar wat je in de wereld om je heen tegenkomt.
Is aan je manier van omgaan met anderen te zien, dat je anders bent, anders hoort te zijn
of ben je Kanaäniet, net als alle anderen in deze wereld: Met jezelf bezig,
om je er boven op te werken, desnoods met je ellebogen, als jouw doel maar gehaald wordt,
een doel dat heel belangrijk kan zijn, heel heilig.
Het gaat om ons hart – bekering is niet alleen maar dat ons gevoel verandert
en dat we nadenken over God en Hem overal betrekken,
maar dat – zoals de doop dat zegt – we van binnen worden gereinigd.
De Kanaäniet in ons wordt uitgebannen en volk van God zijn in deze wereld
om te laten zien dat het anders kan.
Niet de weg van macht, niet de weg van mijn eigen gelijk, van wreedheid,
over lijken gaan, maar het in Gods handen leggen. Want Hij regeert.
Geef vrede, Heer, geef vrede, bekeer ons felle hart.
Deel ons uw liefde mede, die onze boosheid tart,
die onze mond leert spreken en onze handen leidt.
Maak ons een levend teken: uw vrede wint de strijd! Amen

Uitleg van Richteren / Rechters 1:1-15

Uitleg van Richteren / Rechters 1:1-15

Het Bijbelboek Richteren (NBV: Rechters) bevat veel verhalen. Wat de betekenis van die verhalen is, is niet zo maar duidelijk. Daarom wil ik van het eerste gedeelte van dit Bijbelboek een mogelijke uitleg delen.

Vertellen
Het begint met vertellen. Vertellen kan om verschillende redenen. Iemand kan graag vertellen om herinneringen uit het verleden te delen. Of om een bepaalde sfeer te scheppen. Er kan een verhaal verteld worden om subtiel een boodschap aan je door te geven. In de trant van: wie de schoen past, trekke hem aan. De verhalen die in Richteren worden verteld, geven een boodschap op een vertellende wijze door. Vaak gebeurt dat zo subtiel, dat het voor de hedendaagse lezer niet eenvoudig is om die boodschap op te pikken.

Nieuw tijdperk
De openingszin van een boek zet vaak de toon. Zo ook in Richteren: Het gebeurde na de dood van Jozua dat de Israëlieten de HEERE vroegen: Wie van ons zal het eerst optrekken tegen de Kanaänieten om tegen hen te strijden? Hier is sprake van een nieuw tijdperk: Jozua is gestorven.

Jozua
Wat was het tijdperk van Jozua? Jozua had de uittocht uit Egypte meegemaakt, de reis door de woestijn, de intocht in Kanaän en de vestiging in dit land. Jozua is degene die herinnert aan Gods handelen in die tijd: door Zijn sterke arm en krachtige hand werd Israël uitgeleid. Jozua was mee de berg op, toen Mozes de wet uit Gods hand ontving. Jozua was getuige van alle keren dat het volk mopperde op de leiding van God en zag ook hoe de Heere steeds weer opnieuw Zijn volk hielp. Soms na straf en oordeel. Jozua was mee naar het Beloofde Land als verspieder en was samen met Kaleb (die verderop aan de beurt komt) de enige die geloofde dat God hen dit land kon geven.

Verleden tijd
Met de dood van Jozua zijn al die gebeurtenissen verleden tijd. Niemand die zich de daden van God en de omwegen van het volk herinnert uit eigen ervaring. Degenen die nu de leiding hebben kennen dit alleen maar van horen zeggen. Hoe zal dat de leiders vergaan? En het volk? Zullen ze in het spoor van Gods wetten gaan? Of zullen ze ervan afwijken? In dit eerste hoofdstuk worden al de eerste signalen gegeven: Zonder de leiding van Jozua gaat het niet goed. Steeds zal het volk moeite hebben om op Gods weg te blijven wandelen.

Broederschap
In de eerste zin van Richteren wordt het volk nog als één geheel gepresenteerd: de kinderen van Israël. Die eenheid staat steeds onder druk of wordt verscheurd door conflicten en tegenstellingen. Geregeld zijn er burgeroorlogen. Broederschap is een van de thema’s van het Richterenboek. In het volgende verzen staat dat Juda Simeon meeneemt en later Simeon belooft te helpen het gebied dat hij toegewezen heeft gekregen te veroveren.

Volk van God
Met de aanduiding kinderen van Israël speelt er nog iets mee: Israël is geen gewoon volk. Israël is anders dan de Kanaänieten en de Ferezieten (Perizzieten). Israël is het volk van God en heeft de roeping om op een andere manier te leven in het Beloofde Land. Als Abram de opdracht krijgt om weg te trekken uit zijn land en familiekring, krijgt hij de belofte én opdracht mee om voor de andere volken tot zegen te zijn. In het Bijbelboek Richteren blijkt dat het volk niet in staat is om naar Gods wetten te leven en steeds weer de levensstijl van de volkeren in Kanaän overneemt.

 

Raadplegen

Het begin is goed: Israël gaat niet op eigen initiatief, maar raadpleegt de Heere. Er wordt niet verteld hoe het antwoord komt. Juda zegt later tegen Simeon dat dit de uitkomst is van het lot, dat geworpen is. In eerste instantie lijkt het erop dat Israël in vertrouwen op de Heere wil leven. Alleen werpt het Bijbelboek Richteren gelijk de vraag op: zit het wel goed met het vertrouwen. Want Juda neemt Simeon mee. Is dat een daad uit broederschap, omdat Juda de kleinere stam Simeon, die ook nog eens het grondgebied kreeg dat midden in Juda’s gebied ligt, bij wil staan? Of is het een signaal dat Juda niet alleen wil gaan, ook al mag het verwachten dat de Heere aan deze stam het land geeft dat aan hen is toegewezen? Juda zal optrekken. Zie, Ik heb het land in zijn hand gegeven (vers 2).

Geweld
Een van de thema’s die het voor christenen lastig maakt om de boodschap van Richteren op te pikken is het geweld. In dit hoofdstuk is het ook nog eens geweld in opdracht van de Heere. Hoe moet je daar als christenen tegenaan kijken? Hadden de Puriteinen gelijk, die met Richteren in de hand de indianen uitmoorden, omdat ze zich het nieuwe Israël waanden en de kolonie in Amerika als het door God aan hen Beloofde Land? Nee, Richteren wil juist het tegenovergestelde zeggen: voorzichtig met geweld. Wie geweld gebruikt, gaat snel grenzen over. Dat gebeurt ook in de strijd van Juda tegen Adonibezek. Moet er wel geweld gebruikt worden om het land te veroveren? Was het niet genoeg om te weten dat God het land  zal geven? Zal geven op Zijn manier? Als David op Goliath afloopt, zegt hij: En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost. (1 Samuël 17:47a) God is bij machte om zonder geweld te winnen. Ook in het verhaal van Gideon wint verdrijft het volk de vijand zonder al te veel geweld te gebruiken.

Kanaänieten
Het is goed om te beseffen wie de Kanaänieten zijn. Als het volk de opdracht krijgt om de Kanaänieten te verdrijven uit het land gaat het niet om een idee dat de inwoners in dat land minderwaardig zijn. Het is vergelijkbaar met het Babylon waaruit Abram wegtrekt. Of met de farao uit Egypte die de Hebreeën op een gewelddadige manier knecht. De Kanaänieten staan voor een gewelddadig systeem, een harde, wrede, egoïstische levensstijl zonder respect voor de tegenstander. God haat de Kanaänieten niet omdat ze andere mensen zijn dan de Israëlieten. Want de Kenieten (vers 11-16) worden opgenomen in het volk Israël. Bovendien is God ook de Schepper van die mensen. Nee, Adonibezek laat zien welke stijl er in Kanaän gebruikelijk is.

Ban
Er is nog een andere reden, waarom Israël alle inwoners moet doden. Het land is aan de Heere gewijd. Alles wat er voor de intocht in Kanaän aanwezig is, is voor de Heere. Door mensen te sparen, kan Israël de Kanaänieten gebruiken voor eigen gewin. Bovendien loopt het volk Israël het risico om de levensstijl van Kanaän over te nemen.  (Ik besef dat het niet alle vragen over het geweld beantwoordt, omdat wij tegenwoordig geneigd zijn om naar de individuele mensen te kijken, omdat veel geweld in de afgelopen gewelddadige eeuw werd veroorzaakt door het kijken naar bevolkingsgroepen in plaats van de individuele mens te zien.)

Adonibezek
Adonibezek, heer van Bezek, laat zien wat er in Kanaän gebruikelijk was: overwonnen koningen werden verminkt. Duimen en tenen werden afgehakt. Door deze verminking waren de overwonnen koningen niet meer in staat om naar de wapens te grijpen of te marcheren als soldaten. Zonder duim konden ze geen zwaard of speer hanteren. Zonder de grote teen konden ze geen rechte lijn meer lopen. De koningen krijgen niet meer te eten dan de kruimels die van de tafel vallen: ze worden als honden behandeld. Als uitschot. Deze koning wordt bij Bezek verslagen, de plaats waar later Saul zijn soldaten voor het eerst verzameld om op te trekken. Vanaf Bezek gaan ze de Ammonieten verslaan.

Straf van God?
Als Adonibezek zelf gevangen genomen wordt en verminkt wordt op de manier waarop hij anderen verminkte, ervaart hij dat als straf van God. (Of van de goden, zo kun je het ook vertalen.) Zijn gedachte lijkt te passen bij het oog om oog, tand om tand: wat je de ander aandoet, mag jou worden aangedaan worden. Het lijkt te passen bij hoe het Oude Testament denkt over de gevolgen van een slechte daad: wanneer je een slechte daad verricht, komen de gevolgen als een boemerang naar je toe. Je draagt zelf de consequenties van een slechte daad.
Al het gegeven dat Adonibezek dat pas beseft nadat het hem zelf is overkomen, doet de vraag rijzen of hij gelijk heeft met zijn conclusie. (Zijn geweten sprak blijkbaar niet eerder, niet eerder leek hij te beseffen dat ook hij aan God verantwoording schuldig is voor zijn daden, alsof hij als koning boven Gods wetten stond.) Adonibezek, die als enige gespaard blijft, terwijl er 10.000 soldaten (dit aantal kan ook voor het totaal zijn: alle soldaten) zijn gesneuveld, lijkt op Agag die door Saul wordt gespaard. Daarmee overtreden de Judeeërs de gedachte van de ban: iedereen moet worden gedood.

Trofee
Bovendien wordt Adonibezek op deze manier een trofee. De overwonnen koning wordt geshowd. Bij het showen van een overwonnen koning kan al snel de gedachte opkomen: dat hebben wij zelf toch maar mooi voor elkaar gekregen. De overwonnen koning tonen kan snel leiden tot een op de borst kloppen. Een op de borst kloppen is niet ver verwijderd van een vergeten dat God de overwinning heeft geschonken.

Kanaänitische stijl
Nog problematischer is dat de Judeeërs een grote fout begaan met de behandeling van Adonibezek. Ze doen wat Adonibezek altijd zelf deed. Boontje komt om zijn loontje, zouden we kunnen zeggen. Richteren oordeelt anders: de Judeeërs nemen de levensstijl van de Kanaänieten over: de krijgsgevangen op een wrede, onmenselijke manier behandelen, hen verminken, hen minder dan een mens maken. Nog maar net in het land of ze handelen niet meer als volk van God, maar kopiëren het gedrag van de volken die ze aantreffen in het land. Niet de torah van de Heere, maar wat ze aantreffen in het land geeft het voorbeeld. Richteren laat zien: steeds weer begaat het volk Israël de fout om als de Kanaänieten te worden. God is een God van recht en leven. In de omgang met Adonibezek vervallen de Judeeërs in een ver-baä-isering en ver-kanaän-isering van hun levensstijl. Niet de Kanaänieten zijn het probleem, maar de gevoeligheid van Israël voor deze wrede, inhumane stijl van met elkaar omgaan. Richteren houdt ook christenen een spiegel voor: niet elk middel heiligt een doel. In hoeverre kunnen wij niet een Kanaänitische omgangsvorm hebben met degenen die anders denken binnen of buiten de kerk?

 

Achsa
Tot slot: Achsa. Wat is de reden dat dit verhaal is opgenomen in Richteren? Met andere woorden: wat is de boodschap? Othniël is de zoon van Kenaz. Kenaz is mogelijk de stamvader van de Kenieten, een stam die het volk onderweg tegenkomt en zich aansluit bij Israël omdat zij geloven in de God van Israël en Zijn weg willen gaan. Integratie in Gods volk voor mensen van buitenaf is blijkbaar mogelijk. Het bijzondere van Achsa is dat zij vraagt om een zegen. Een zegen is een geschenk van God. Ze vraagt niet om water of bronnen. Ze geeft aan dat ze afhankelijk wil zijn van Gods zegen. Aan Gods zegen is alles gelegen. Daarmee is zij een voorbeeld van een niet-Israëlitische die de weg van God wel gaat. Ze houdt Israël een spiegel voor: de weg van God is wel degelijk te bewandelen. In een donkere tijd mag zij het licht van God verspreiden.

 

Preek zondag 28 januari 2018

Preek zondag 28 januari 2018
Afsluiting themaweek School en kerk. Gods plan met jou.
Themalied: Jezus die langs het water liep. Themapsalm: Psalm 139:1

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Weet je al wat je later wilt worden?
Wie van jullie wil er later iets met dieren doen?
– boer, dierenarts, dierenverzorger, bioloog
Wie van jullie:
– meester of juffrouw
– voor andere mensen zorgen: voor oudere mensen, mensen met een beperking
– dokter, dominee
– vrachtwagenchaffeur, met de trekker rijden.

Wat zou de jonge Jeremia later worden?
Waarschijnlijk hetzelfde als zijn vader.
Net als sommigen op school: ik ga hetzelfde doen als mijn vader.
Weten jullie wat de vader van Jeremia (Hilkia) deed, wat hij was?

Jeremia zou waarschijnlijk hetzelfde worden: priester.
Wat doet een priester?
Offeren in de tempel:
– voor de zonde van de mensen
– dankbaarheid
– advies vragen / zegen vragen
– dienst in de tempel: tot God bidden / God eren

Misschien zag Jeremia dat al helemaal voor zich
Had zijn vader er over verteld, of was hij mee geweest, naar Jeruzalem.
Nu komt Jeremia uit Anathoth:

  • kon hij later wel in de tempel werk doen? Of telde hij niet mee?
    (Abjathar: verbannen naar Anathoth)


Welke plannen Jeremia ook had voor zichzelf, om later te worden:
De Heere heeft voor hem een ander plan
en de Heere zegt dat ook tegen Jeremia:
– Jeremia, Ik ken je al voordat je geboren werd, voordat je groeide in de buik van je moeder.
Toen had ik al een bijzonder plan voor je – wat jij later voor Mij moet gaan doen.
Jeremia kan niet voor zichzelf een plan bedenken, wat hij later gaat doen.
God gaat voor Hem beslissen: Ik heb jou aangesteld tot profeet onder de volken.

Kun jij je voorstellen dat jij op jouw leeftijd een belangrijke taak krijgt?
In de kerk zijn de belangrijke taken bijna altijd voor volwassenen.
Heb je wel eens een kind in de kerkenraadsbank zien zitten? Of de preek horen doen?
Kindernevendienst of zondagsschool zien geven?
En ook op school zijn de belangrijke taken voor volwassenen.
Jullie helpen mee: afwassen, klaaroveren.

Jeremia schrikt dan ook als hij van de Heere te horen krijgt: jij wordt profeet.
Hij schrikt ervan: Nee!
Ach, Heere HEERE, ik kan dat niet doen, ik ben te jong.
Jeremia is geschrokken: U bent wel de baas, maar hebt u dat wel goed?
Weet u niet hoe oud ik ben? Denkt u echt dat de volwassenen naar mij luisteren?
Volwassenen nemen kinderen toch niet zo snel serieus?
Zeker als ze over God vertellen. Dat vinden ze grappig, daar lachen ze om,
maar ze denken daar echt niet over na.
Er klinkt een grote zucht: Ach. Jeremia heeft medelijden met zichzelf:
Dat gaat nog moeilijk worden.
Mijn woorden hebben echt geen gezag. Ik kan vertellen, roepen, maar ze luisteren toch niet!
Jeremia protesteert.

Het is een mooi thema: God heeft een plan met jou.
Maar als iemand van God hoort van dat plan is de eerste reactie vaak:
Nee, dat wil ik niet! Dat kan ik niet!
Jullie kennen vast het spel dammen (of schaken).
Zo gaat het vaak met het plan van God: God doet een zet
en wij doen een zet terug – net zolang tot we verliezen van God.
Zo doet Jeremia ook een zet – hij verdedigt zich. Hij geeft zich niet gewonnen.

Jeremia is zo geschrokken, dat hij niet denkt aan eerdere verhalen uit de bijbel.

  • Aan Samuël. Wat was er met hem?
  • Aan dat meisje dat meegenomen was en bij Naäman terechtkwam.
    Wat deed zei?

Zij waren ook jong. Kan God geen jonge mensen, geen kinderen gebruiken?
‘Daarom,’ zegt de Heere tegen Jeremia, ‘Stuur ik jou.
Zeg niet: Ik ben te jong! Ik ben het, die jou stuurt!
En daarom moet je ook niet bang zijn voor de mensen, ook niet onder de indruk zijn.
Als je naar de mensen kijkt, kun je de gedachte krijgen: Ik moet dit maar niet zeggen.
Nee, zeg het in Mijn Naam!’
Je moet niet door mensen gevormd worden, maar door Mij, jouw God.

Weet je wat voor taak Jeremia van de Heere God krijgt?
Een dubbele taak: afbreken en opbouwen.
Stel: je hebt in de woonkamer al je soldaatjes opgesteld en forten gebouwd.
Je hebt nog nooit zo’n mooie opstelling gehad.
En je zusje komt eraan, ze let niet op en ze gooit alles overhoop.
Dan ben je waarschijnlijk eerst boos.
Maar daarna kun je later nadenken over een nog mooiere opstelling.
Je denkt daar niet over na als het moet blijven staan. Dan moet het bewaard blijven.
Of je hebt je poppen of barbies op de bank gezet en in de vensterbank.
Dan komt je moeder en die ruimt alles op.
Niet leuk, maar dan kun je de volgende keer weer opnieuw iets bedenken.
Dat moet Jeremia doen: eerst iets afbreken, iets opruimen.
Met de sloopkogel, met de shovel – alles omver.
Wat dan? Wat zou Jeremia moeten afbreken?
Moet hij de tempel afbreken?
Niet de tempel – de tempel zal wel worden afgebroken, zal hij later zeggen
en de mensen waren daar niet blij mee, nee ze waren woedend.

Jeremia moet iets anders afbreken en opruimen.
De mensen in Jeruzalem dachten dat het wel goed zat, tussen God en hen.
Wij dienen God op de goede manier: tempel, offeren, liederen, vertrouwen.
Nee, moet Jeremia zeggen: er is van alles mis:
Jullie dienen God helemaal niet, maar andere goden.
Ja aan de buitenkant lijkt het mooi. Jeremia moet de mooie buitenkant afbreken.
Jeremia moet de trots opruimen, de gedachte: wij doen het goed.
Stel je dat vandaag eens voor: dat iemand zegt – jullie doen het helemaal fout.
Dat een van de jongeren dat zegt: 13, 14 jaar.
Dat hij zegt: Jullie starten vandaag met de actie kerkbalans, maar jullie dienen God niet.
Er wordt misschien wel een heel mooi bedrag opgehaald, nog meer dan de vorige keer.
Maar dat is maar buitenkant – wat leeft er in je hart.
Leeft daar echt de Heere Jezus? Of geef je maar geld om te camoufleren,
dat Jezus helemaal niet in je hart woont, maar dat er een leegte is.
Als een van de jongeren dat zou zeggen, zou de reactie waarschijnlijk zijn:
Ach joh, je komt net kijken. Wat weet jij ervan? Het is veel ingewikkelder
en wees niet gelijk zo kritisch als je maar net komt kijken.

Zo is het met Jeremia ook gegaan.
Jeremia was echt geen succesprofeet.
Ze hebben hem uitgelachen en bespot: wat een snotjoch.
Ze zijn boos geworden: hoe durft hij.
Ze vonden hem steeds maar zo somber, een mopperaar, een chagrijn,
iemand die nooit eens iets positiefs kon vertellen.
Belangrijke mensen zeggen: Hebben jullie die Jeremia nooit eens aangepakt en gestraft?
Als hij de koning een brief met waarschuwingen schreef, verscheurde de koning die
en verbrandde de snippers zodat er niets van overbleef.
Hij werd in de put gegooid en overleefde dat net, omdat een buitenlander hem redde.
God heeft een plan met Jeremia – maar Jeremia werd er ongelukkig van.

Waarom wilden de mensen niet luisteren?

Omdat Jeremia hen waarschuwde. Het gaat niet goed.
En de meeste mensen waren tevreden: We verdienen eindelijk weer geld.
We hebben eindelijk weer vrede, het gevaar van oorlog is voorbij.
Wij hebben de tempel toch? God beschermt ons! Ons kan niets gebeuren.

En Jeremia zei precies het tegenovergestelde: er komt oorlog.
God spaart Jeruzalem helemaal niet.
Maar de mensen wilden het niet zien, ze wilden niet luisteren.
Weet je wat ook de overeenkomst is tussen Samuël, dat meisje bij Naäman en Jeremia:
een nieuwe wereld, bekende wereld weg, door oorlog => moeilijke tijd.

Maar de mensen wilden het niet zien, ze wilden niet luisteren.
Het is net als bij een echtscheiding: een vader en een moeder die veel ruzie maken
en dat een van de kinderen zegt: jullie maken altijd ruzie
en dat de vader en de moeder daar niet naar luisteren en dat de ruzie steeds groter wordt
en een van beiden zegt: Ik ga weg.
Jeremia kondigt ook een scheiding aan: God gaat weg.
Maar de mensen wilden dat nooit geloven: God gaat nooit weg.
Hij heeft toch iets beloofd? Altijd bij ons te zijn? God kan ons gewoon niet verlaten.
Zo riep Jeremia maar en hij werd niet geloofd.
Totdat het echt zover kwam, dat Jeruzalem werd verwoest en ook de tempel
en de mensen zeiden: Jeremia had al die jaren toch gelijk.

Daarmee eindigt het Oude Testament.
Weet je hoe het Oude Testament eindigt?
De Heere zegt: Ik zal de vaders veranderen, zodat zij gaan luisteren naar hun kinderen
Ik zal het hart terugbrengen. De vaders hebben niet meer hun hart dicht gedaan.
En omgekeerd ook de harten van de kinderen geopend voor de vaders.
Er wordt weer geluisterd.

God heeft een plan met Jeremia.
Geen makkelijk plan. Alles lijkt erop dat het plan van God mislukt: niemand luistert
En Jeremia wordt zelf ook moedeloos.
En toch is dat Gods plan: de spiegel voorhouden – jullie luisteren niet.
Jullie denken dat je mij dient, maar je doet dat niet.

Welk plan heeft God met jou?
Misschien wel een heel ander plan met Jeremia.
Dat plan kan te maken hebben met wat je goed kunt.
Maar ook als je iets niet goed kunt, kan God een plan met je hebben.
Misschien heb je de cito=toets van deze week wel heel slecht gemaakt
En denk je: God heeft alleen een plan met iemand die goed kan leren.
Nee: God kan jou ook gebruiken in Zijn plan.
Misschien niet vanwege je goede score, maar vanwege je doorzettingsvermogen.
Of misschien ben je juist heel handig in iets maken of bedenken.
Misschien denk je: God zal mij niet gebruiken, want ik ben niet populair.
Nou, ik denk dat Jeremia ook niet populair was, maar vaak eenzaam.

Heeft God met iedereen een plan? Ja. Is dat altijd een bijzonder plan?
Nee, sommigen worden dominee of gaan helpen in andere landen (Mercy Ships: collectedoel).
Gods plan kan ook zijn dat je hier blijft wonen en dat je maar heel gewoon werk hebt.
Dat je hier in Oldebroek iets van de Heere Jezus laat zien, bijvoorbeeld door te helpen,
door gastvrij te zijn en behulpzaam.
Door voor anderen hier te bidden, mee te leven, ouderling of diaken te worden.
God heeft een plan met jou.
Dat plan weet je soms van tevoren net als Jeremia of Samuël
Soms weet je dat pas later, net als dat meisje: waarom moest zij weg bij haar ouders?
Of je weet dat pas veel later.
Het kan zelfs zijn dat je dat niet hier op aarde te weten komt,
maar dat je het later in de hemel ziet.
God heeft een plan – betekent 2 dingen:
– Nadenken: Wat wil God van mij?
– Vertrouwen: wat er met mij gebeurt, God gaat mee. Alles kan een doel hebben.
Zelfs de moeilijke dingen: overlijden, ziekte, teleurstelling kan God gebruiken,
* Vertrouwen & geloof
* Worsteling – ik ben niet de enige die het er moeilijk mee heeft.
God heeft een plan: voor jezelf, voor anderen.

 

Samen bidden, samen zoeken

naar het plan van onze Heer,

Samen zingen en getuigen,

samen leven tot zijn eer.

amen

Les 3 Gods leiding en zorg

Les 3 Gods leiding en zorg

Introductie
Voor Jeanet Kloosterman is het geen vraag dat God voor haar zorgt en haar leven leidt. ‘Ik kan het niet goed uitleggen hoe ik dat weet. Dat is iets wat ik voel, ervaar. Dat ervaar ik elke dag weer opnieuw.’ Dat wil niet zeggen dat ze het nooit moeilijk heeft. Toen ze haar baan kwijtraakte, had ze daar niet gelijk vrede mee. Het kostte tijd om daarin te berusten. Want ze vond het werk erg leuk en had fijne collega’s. Ze mist dat allemaal. ‘Toch is er rust gekomen. Ik weet niet hoe dat gekomen is. Maar opeens was dat vertrouwen er weer, het vertrouwen dat God voor mij zorgt. Ik weet niet of God er een bedoeling mee heeft. Als dat zo is, dan zal dat mij later wel duidelijk worden.’

Marco van ’t Oever is meer op zoek naar Gods leiding in zijn leven. Hij zou het wel willen dat God zo dichtbij is als Jeanet aangeeft. Maar hij ervaart veel minder Gods nabijheid. Toen hij onlangs een advertentie met een mooie vacature zag, heeft hij in het gebed aan God gevraagd of hij mocht solliciteren. Voor zijn gevoel kreeg hij geen reactie. Hij heeft toch maar gesolliciteerd. Hij werd aangenomen. Tot zijn verrassing eigenlijk. Het werk bevalt hem erg goed, maar toch twijfelt hij eraan of dit wel Gods wil was dat hij hier ging werken.

Vraag 1  Lijk jij meer op Jeanet of meer op Marco?



Vraag 2 Op welke momenten ervaar jij dat je leven door God wordt geleid?



Vraag 3 Op welke momenten vraag je aan God dat Hij jouw leven leidt?

Luister naar één van de volgende liederen:
– Op Toonhoogte 44  De Here is mijn herder
– Op Toonhoogte 148 God wijst mij een weg
 Op Toonhoogte 336 Wat de toekomst brengen moge

Vraag 4 Op welke manier kunnen deze liederen je helpen om Gods leiding in jouw leven en Zijn zorg voor jou te zien?


Vraag 5 Wanneer zou je voor jezelf zo’n lied luisteren?

Uitleg
God leidt ons leven. Elke dag zorgt Hij voor ons. In de Bijbel kunnen we dat zien bij het volk Israël. Op weg naar het beloofde land Kanaän wees God de weg door een wolkkolom overdag en een vuurkolom ’s nachts. De Heere Jezus bevestigt Gods zorg: Ook de haren van uw hoofd zijn geteld (Mattheüs 10:30). Dat is bijzonder: de grote God, die heel de wereld overziet, kent ook mijn leven.
Kan dat eigenlijk wel? God die zich met ons kleine, gewone leventje bemoeit? Is Hij daar niet te groot voor en wij niet te klein? Nee, niemand is te klein of te onbeduidend voor God. Zoals een kerstlied zingt: En onder millioenen hebt G’ ook mij in ’t  oog (Gezang 1 vers 3).
In de doop geeft God die belofte al mee:

‘In de doop zegt God de Vader: ‘(… ), Ik ben je Vader. Ik neem jou aan als Mijn kind. Ik zal voor je zorgen. Ik geef aan jou goede gaven. Ik zal je beschermen voor al het kwade. En als dat kwade toch komt, zal ik dat voor jou doen meewerken ten goede.’ (Doopformulier,
vereenvoudigd)

Praktijk
Hoe werkt dat in de praktijk? Het begint met vertrouwen dat God ook zal doen wat Hij zegt. Soms kun je dat heel duidelijk ervaren. Bijvoorbeeld omdat je merkt dat je geholpen wordt, of kracht krijgt die niet van jezelf is. Je krijgt de wijsheid die je nodig hebt om een beslissing te nemen. Of er gebeurt iets in je leven waar je niet op gerekend had, waardoor je gaat nadenken over je leven.
Soms kun je heel direct ervaren waarom er iets in je leven gebeurt of waarom je een bepaalde keuze moet maken. Soms kan er jaren overheen gaan voor je weet waarom er iets gebeurd is. Niet van elke gebeurtenis krijgen we in dit leven antwoord waarop iets moest gebeuren. Van belang is wel dat je vast blijft houden in het vertrouwen op God.

Keuzes maken
Moet je een keuze maken, leg het dan eerst voor in gebed. Vraag aan de Heere om wijsheid en of Hij de juiste keuze duidelijk wil maken. Het is ook van belang om raad te vragen bij anderen. De Heere kan ook de mening van een ander gebruiken om jou iets duidelijk te maken. Neem de tijd om een beslissing te laten ‘rijpen’. Een beslissing die heel snel genomen is, is lang niet altijd een goede beslissing. Weeg de voors en tegens goed af. Neem na je beslissing ook de tijd om erachter te komen of je een goede keuze gemaakt hebt. Niet om onzeker te worden over de beslissing, maar om te weten of je een goede beslissing genomen hebt.
Een beslissing die je genomen hebt kan achteraf gezien verkeerd zijn. Het pakt toch anders uit dan je had verwacht. Dat is niet altijd fijn, maar je leert er wel van. Ook in je relatie met de Heere. De Heere heeft ook de macht om een verkeerde keuze goed uit te laten pakken.

Vraag 6 Wat doe jij als je een beslissing moet nemen? Welke stappen onderneem je dan? Wanneer betrek je God erbij? Hoe doe je dat?

Aanvechting
Het vraagt om geloof om te zien dat God je leven leidt. Dat geloof is er lang niet altijd. Dat kan omdat je zelf te weinig let op Gods aanwezigheid in je leven. Of door ingrijpende gebeurtenissen wordt bij je van binnen de vraag opgeroepen: ‘Is God er wel?’ Je hebt dan te maken met aanvechting: je gelooft wordt op de proef gesteld. Het wordt dan moeilijker om het vertrouwen vast te blijven houden. Geloof kan nooit helemaal zonder aanvechting. Toch is het onze taak om met aanvechtingen toch het vertrouwen weer terug te krijgen. Daar mogen we ook de hulp van de Heilige Geest bij vragen.

Bijbelgedeelte –  Lees: Psalm 121

Psalm 121 is een psalm die je op verschillende momenten kunt lezen:

  • Als iemand een reis gaat ondernemen. Dan is deze psalm een gebed om zegen en geeft deze psalm de moed dat God meegaat.
  • Als iemand voor een ziekenhuisopname staat. Deze psalm geeft dan aan dat ons leven in Gods hand is.
  • Deze psalm kun je leven bij een geboorte. De psalm geeft dan aan dat God heel het leven van dit pasgeboren kind meegaat.
  • Deze psalm kun je lezen bij een overlijden. Je kijkt dan in dankbaarheid terug hoe God er was. Je weet dat God ons zelfs in eeuwigheid kan bewaren: door de dood heen en voorbij de dood.

In deze psalm wordt God bij Zijn naam genoemd: HEERE. Deze naam betekent: Ik ben die Ik ben (Exodus 3:14). Deze naam geeft aan dat God betrouwbaar is. Het is ook de naam waarmee God het verbond heeft gesloten. De naam HEERE geeft aan dat God steeds bezig is met de mensen op aarde.

 

Vraag 7 Op welke manier heb jij Gods hulp ervaren? Heb je er toen om gebeden?



Vraag 8 Op welke manier kun je nu Gods hulp gebruiken? Bid je daar ook om?

Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechismus zondag 9
Vraag 26: Wat gelooft u als u zegt: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde?
Antwoord: Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft en deze ook door zijn eeuwige raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om zijn Zoon Christus mijn God en Vader is. Ik vertrouw daarom zo op Hem, dat ik niet twijfel of Hij zal zorgen voor al wat mijn lichaam en ziel nodig hebben, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit moeitevolle leven laat overkomen, voor mij ten beste keren. Immers, Hij kan dit doen als een almachtig God en wil dat ook doen als een getrouw Vader.
————————————————————————————————————————

Dr. W. Verboom – De Catechismus voor kinderen, zondag 9 en 10

Vraag: Wie heeft de hemel en de aarde geschapen?
Antwoord: God, die om Jezus’ wil mijn Vader is.

Vraag: Wat betekent het dat God de Schepper is?
Antwoord: Dat Hij alle dingen uit niets gemaakt heeft.

 

Vraag: Zorgt God voor zijn schepping?
Antwoord: Ja, Hij onderhoudt en regeert die. Hij zorgt voor alle schepselen en ook voor mij.

Vraag: Gebeurt er iets toevalligs?
Antwoord: Nee, de Heere bestuurt alles, en ook mijn leven.

Vraag: Zorgt God ook voor jou?
Antwoord: Ja, daarom vertrouw ik op Hem.

Vraag: Helpt God je bij verdrietige dingen?
Antwoord: Ja, Hij troost mij en is dan dicht bij mij.

Vraag: Vertrouw je ook voor de toekomst op Hem?
Antwoord: Ja, ik vertrouw me aan Hem toe.

Gespreksvragen bij Psalm 33

Gespreksvragen bij Psalm 33

Psalm 33 gaat over de schepping. Er wordt op twee manieren over de schepping gesproken:
a) God spreekt – en het is er.
b) De strijd tegen de machten die op aarde chaos veroorzaken en het goede leven kapot maken.

Die machten die chaos veroorzaken kunnen steeds weer opduiken. Bijvoorbeeld in tijden van oorlog, als er vijandelijke legers binnenkomen en veel kapot maken. Dat kan in het klein ook conflicten tussen mensen zijn. Of ontslag, ziekte, enz.
Het christelijk geloof gaat er vanuit, dat God de wereld geschapen heeft, maar nog steeds (na de zondeval) de schepping bewaart en strijdt tegen het kwade. Dat geeft hoop en vertrouwen dat God steeds uitkomst biedt. God leidt en bestuurt de wereld. Daarom worden we opgeroepen Gods lof uit te roepen en te bezingen.

Vragen
1) Ziet u ook dat God deze wereld leidt en bestuurt? Kunt u voorbeelden geven?
2) Wat doet u als u dat vertrouwen dat God deze wereld leidt en bestuurt kwijt bent? Raakt u dan de moed kwijt? Hoe komt het dat we dat vertrouwen kwijt kunnen raken?
3) Hoe krijgt u dat vertrouwen weer terug?
4) Omdat God de wereld regeert, kunnen we ook in moeilijke omstandigheden zingen. Welke liederen zingt u, als u het moeilijk hebt?
5) We worden opgeroepen om een nieuw lied voor God te zingen. Dat nieuwe lied heeft te maken dat God Zijn verbond vernieuwd heeft én dat God steeds opnieuw weer ingrijpt. Welk nieuw lied zou u voor God bedenken en zingen?
6) God ziet u vanuit de hemel. Welke troost geeft dat?
7) Spreken over God leidt tot spreken met God. Herkent u dat? Spreekt u ook wel eens uw vertrouwen uit in God?

Preek jeugddienst Ede 6 december 2015

Preek jeugddienst Ede 6 december 2015
Schriftlezing: Psalm 25
Thema: Step by step – you lead me

Dat had ik als jongere ook wel gewild:
iemand die mij bij elke stap begeleidde.
Iemand die als ik verliefd was, mij hielp om contact te krijgen
en op verkering aan te sturen.
Of iemand die mij hielp om nieuwe vrienden te maken.
Want contact maken was toen niet mijn sterkste kant.
Ik wilde wel iemand die mij hielp met mijn studiekeuze.
Wat moest ik na het vwo gaan doen?
In de 3e klas dacht ik aan theologie, want ik was dol op kerkgeschiedenis.
Maar aan het einde van mijn periode op het vwo
ging ik twijfelen.
Twijfelen aan God – of Hij er wel was. Of Hij wel bestond.
Of Hij mij wel hoorde en zag.
Want van God hoorde ik eigenlijk maar weinig.
Terwijl mij in de kerk geleerd werd om de Heere bij alles te betrekken
en de gemeenteleden die ik tegenkwam ook de indruk wekten
dat ze heel makkelijk contact hadden met God.
Dat Hij hen wel van stap tot stap begeleidde, er altijd was.
Zelf had ik dat niet en vond het daarom steeds moeilijker om in God te gaan geloven.
En nog zou ik willen, dat ik meer van de Heere zou merken,
dat Hij mij heel duidelijk aanwijzingen gaf.

 

Coach
Gisteren moest mijn dochter voetballen.
Het laatste deel van de wedstrijd keek ik mee.
Ik zag dat ze er niet door heen kwamen.
Elke bal die gespeeld werd, werd door de tegenstander veroverd.
Het team werd er moedeloos van.
Ik vroeg mij af, wat er mis ging.
Wat mij opviel, was dat er helemaal geen aansturing was. Ze deden maar wat.
Wat ze nodig hadden, was iemand die hen zou coachen.
Een coach die hen van tevoren de strategie vertelde
en tijdens de wedstrijd ook steeds hen liet weten wat ze moesten doen,
waar ze moesten staan en hoe ze moesten spelen.
Heel veel mensen hebben dat: de behoefte dat iemand hen aanwijzingen geeft,
als een goede coach: hen vertelt welke keuzes ze moeten maken,
wat ze moeten doen, hen aanmoedigt of soms afremt.
En ik denk dat heel veel mensen het helemaal niet erg zouden vinden
als de Heere God die coach zou zijn.
Hij vertelt ze wat ze moeten doen – staat er in de Bijbel in Gewone Taal.
Misschien vind jij dat zelf ook wel prettig:
Laat God gewoon maar vertellen wat ik moet doen.
Dan hoef ik niet te onzeker te zijn of ik wel de goede keuze maak.

Dan weet je ook dat je geen verkeerde keuze maakt.

Zou je dat ook willen?
God geeft dan wel duidelijkheid aan jou
en je weet ook nog eens dat Hij bestaat
en met jou bezig is.

Maar werkt God ook op die manier?
En hebben wij er ook invloed op, dat God op die manier in ons werkt?
En hoe doet Hij dat dan?
David legt in deze psalm niet uit hoe Hij nu de aanwijzingen van de Heere hoort.
Alleen maar dat aan hem duidelijkheid gegeven wordt.
Toch geeft hij een geheim prijs, op verschillende momenten in de psalm:
Degenen die in ontzag voor Hem leven

aan hen geeft de Heere die duidelijkheid.
Hij laat je zien welke keuze je moet maken.
Als je in ontzag voor Hem leeft.
Dat past ook bij het begin van de psalm als David uitspreekt dat Hij verlangt naar de Heere.
Daar begint het dus, dat stap voor stap geleid worden:
Dat je dicht bij de Heere leeft, dat je naar Hem verlangt.
Doe jij dat ook: verlangen naar de Heere?
Ben je bereid om je leven te delen met de Heere Jezus?
(Jaarthema in Ede: delen van/in Jezus)

Ontzag
Daar hoort ook ontzag bij, zoals David dat later in deze psalm zegt.
Heb jij ontzag voor Hem?
Is verlangen naar Hem niet genoeg? Waarom ook nog ontzag?
Ontzag heb je nodig om verschil te maken tussen wat God wil en wat jijzelf wilt.
Dat is niet hetzelfde:
soms kan Gods wil iets heel anders zijn dan jijzelf zou willen.
Soms moet je God gehoorzamen, terwijl jijzelf iets anders wil.
Ik kan daar een voorbeeld van geven uit Davids eigen leven:
Koning Saul zit met een groot leger achter David aan,
omdat Saul in David een concurrent ziet:
als David de kans krijgt, zal hij de macht grijpen en Saul aan de kant schuiven.
Hij moet David voor zijn, hem daarom gevangen nemen, wellicht doden.
Tijdens die achtervolging komt Saul heel dicht bij David,
als David in de grot zit. Saul heeft even een sanitaire stop,
maar is er niet van bewust dat David een paar meter van hem vandaan zit.
De mannen om David heen zeggen: David, dit is je kans.
Deze mogelijkheid wordt door de Heere aan jou gegeven.
Hij geeft op deze manier je vijand aan jou over
en zorgt ervoor dat jezelf koning kan worden.
David zou kunnen zeggen, nadat hij Saul had gedood: Step by step, you lead me.
Maar David doet het niet. Waarom niet?
Omdat David daar helemaal de wil van God niet in ziet.
Saul is door God gezalfd, zegt David, daarom moet ik van hem afblijven.
Misschien zou ik zelf wel willen dat Saul gedood zou worden,
maar God wil dat niet.
Mijn wil is niet Gods wil
en niet alles wat ik wil of wat mij goed uitkomt, is Gods wil.

Als wij willen dat God ons leidt, stap voor stap leidt,
is daar nog iets voor nodig: gebed.
Maak mij vertrouwd met uw wegen.
Uw wegen, de wegen van God dus.
Niet de weg die ik graag wil.
Soms kun je iets heel graag willen,
maar gaat dat niet door omdat het niet Gods weg met jou is.
Je wilt heel graag juf worden en hebt de pabo afgerond, maar nergens werk te vinden.
Je wilt graag tuinier worden, want dat vind je leuker werk dan je nu doet.
Maar er is geen werk en daarom doe je maar werk dat je eigenlijk niet zo leuk vindt.
Maak mij vertrouwd met uw wegen.
Zou God willen dat ik een andere weg ga? Zou hij mij iets willen leren?
Soms wil je een kant niet op gaan.
Ik wilde geen dominee worden. Dat leek mij niets.
Terwijl ik theologie studeerde, dacht ik: als ik er nu eens iets naast doe.
Ik speelde graag orgel en heb ook toelatingsexamen gedaan voor het conservatorium,
maar ik kwam er niet door.
Ik dacht om er een taal naast te doen, maar het lukte me niet.

Ik solliciteerde bij een nieuwsrubriek op televisie
– ik kwam wel op gesprek, maar ik werd het niet.
Na mijn opleiding wilde ik zag ik een advertentie om AiO te worden.
Ik kwam op gesprek, maar ik werd het niet.
Alles wat ik probeerde om geen dominee te worden ging niet door.
Totdat ik ontdekte: daar ligt mijn taak.
Maar ik zag dat niet zomaar zitten:
In die tijd was ik een enorme twijfelaar.
Ik ging mij steeds meer afvragen of God wel bestond, ook al had ik belijdenis gedaan.
Ik kon niet goed bidden.
Wanneer ik mijn ogen deed, was het leeg in mijn hoofd, leeg in mijn hart.
Als een groep samen het Onze Vader bad, voelde ik een bepaalde eenzaamheid
en soms zelfs wel bitterheid: God is er niet.
Waarom moest ik dan toch dominee worden?
Ik wist dat toen niet zo goed en soms weet ik dat eigenlijk nu niet zo goed
en toch ben ik dankbaar dat ik dat ben
omdat ik nu steeds meer leer om te zien hoe God werkt.
Als ik terugkijk, is dat wat ik ontdekt heb:
Niet dat ik geleerd heb om enthousiaster te zijn over God,
om meer in vuur en vlam te staan,
maar ik heb steeds meer oog gekregen voor hoe God werkt.
Maak mij met uw wegen vertrouwd.
Ik kan je zeggen: God maakt je met zijn wegen vertrouwd,
ook als je daar niet op zit te wachten.
En als je erom bidt, is hij allang met jou bezig.
Ik heb zelf wel ontdekt dat dit gebed wel heel belangrijk is:
Maak mij met uw wegen vertrouwd.
Maar ik heb ook ondervonden, dat dit gebed niet genoeg is.
Dat ik zelf ook iets moet doen: tijd nemen voor God.

Kennen jullie het begrip SOLVAT?
Solvat betekent niets.
Het is een ezelsbruggetje van de HGJB om je te helpen Bijbel lezen.
Elke letter staat voor een stap die je moet zetten.
De eerste stap is Stil worden.
Ik heb SOLVAT de afgelopen weken mijn catechisatiegroepen bijgebracht
en vooral de eerste stap: Stil worden.

Probeer dat maar nu eens: stil worden.
Om je hoofd leeg te krijgen, zodat je nergens meer aan denkt.
Toen je hier kwam, zat je hoofd vol met van alles en nog wat.
De voetbalwedstrijd die je vanmiddag hebt gevolgd.
Een ruzie thuis met je ouders, omdat ze vinden dat je naar de kerk moest,
want het was nog wel jeugddienst en jij had geen zin.
Een nare opmerking van je broertje.
Of je ziet op tegen morgen, als je weer naar school moet.
Binnen in ons zijn er zoveel stemmen die iets tegen ons zeggen.
Hoe kunnen wij de stem van God dan horen
als we zelf helemaal vol zitten met allerlei andere stemmen:
‘Het is niks aan.’
‘Je kunt het niet.’
‘Wat denkt hij wel.’
‘Ik zal hem eens.’
Heb je dat niet, dat je in jezelf vaak in gesprek bent?
Bijvoorbeeld een iets wat is voorgevallen te verwerken,
om jezelf te verdedigen, om je alvast voor te bereiden op wat komt,
om jezelf moet in te spreken?
Stil worden kan niet, zei een van mijn catechisanten: je denkt altijd wel ergens aan.
Ik heb dat stil worden ook moeten leren
en nog gaat het me moeilijk af.
Ik zet liever de computer aan dan even na te denken over God.
Ik probeer mijzelf te trainen: eerst bijbellezen dan computer aan.
Eerst tijd voor God – maar ja, die rust he?
Daarom tegenwoordig: eerst rustig worden, dan tijd voor God en concentratie
en dan lezen en pas daarna aan het werk.

In het vorige huis waar ik woonde, kon ik vanuit mijn studeerkamer op de tuin kijken.
Naar de vogels. Vooral mussen.
Ik ben van mussen gaan houden.
Omdat de Heere Jezus over de mussen zegt:
Zonder de wil van mijn hemelse Vader, zal geen mus ter aarde vallen.
Ik kan geen verschil in mussen zien, maar God wel.
Op een keer schoot mij die tekst te binnen.
Sindsdien kijk ik elke dag even naar de mussen
om mijzelf te herinneren aan God, dat Hij er echt wel is en echt wel zorgt.
Sindsdien zie ik al die tekenen:
Elke nieuwe dag die er is – een geschenk van de Heere.
Elke keer als de zon opkomt – een teken van Gods trouw
waarmee God tegen je zegt: ik zorg voor mijn wereld, ik geef deze wereld niet prijs
en jou ook niet.
Toen ontdekte ik, dat Gods leiding niet in bijzondere gebeurtenissen zit.
Niet in een innerlijke stem die opeens tegen je praat.
Niet in een bijzondere gebeurtenis die om je heen gebeurt.
Al kan dat natuurlijk wel (voorbeeld valse bommelding)
Maar Gods leiding is ook in het gewone.
Dat is ook wat deze psalm zegt:
Maak mij met uw wegen vertrouwd en leer mij uw paden te gaan
Weet je wat David bedoelt met die wegen?
Daar bedoelt hij de wetten van de Heere God mee.
De Tien geboden, de Bergrede en allerlei andere geboden die de Heere Jezus geeft,
de opdracht die Paulus in zijn brieven geeft aan de gemeente.
Hij zegt mij wat ik moet doen – dat is niet een bijzondere ervaring, geen innerlijke tomtom,
maar de concrete aanwijzingen die de Bijbel geeft:
– Houd de zondag in ere
– Oordeel niet over anderen.
– Laat het kwade je niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede.
– Wees bereid om de minste te zijn, om jezelf te verloochenen, om het kruis op te nemen achter de Heere Jezus aan.
Maak mij met uw wegen vertrouwd en leer mij uw paden te gaan.

David was geen supergelovige: denk niet aan de zonden uit mijn jeugd.
Er zijn heel wat momenten geweest,
dat David niet aan die richtlijnen van de Heere God heeft gedacht.
Zo kun je ook wel in de kerk zitten: je weet dat je de Heere God tekort hebt gedaan.
Soms met een hele duidelijke foute keus – Heere vergeef die fout,
want ik wist toen niet wat ik deed.
Nu zie ik in dat ik niet aan U dacht.
Heel vaak zit dat tekort doen van de Heere in kleine dingen:
Dat je niet aan Hem denkt, dat je vergeet om tijd te nemen, rust te nemen,
dat je te gejaagd bent, dat je zijn aanwijzingen niet opmerkt of niet wil horen.
Toch wil Hij je dan de weg wijzen, juist dan – want dan heb je Hem juist extra nodig.
Hij wijst zondaars de weg
wie nederig zijn leidt hij in het rechte spoor
Hij leert hun zijn wegen te gaan.
Amen

Preek dankdag 2015 – morgendienst

Preek dankdag morgendienst 2015
Vooruit, blik terug!
Genesis 35: 1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
beste kinderen van C.N.S. “De Regenboog”,

De Regenboog is voor jullie een vertrouwde plek.
Elke morgen en middag ga je er naar toe, lopend, met de fiets of met de auto.
Je weet wie de meesters en juffrouws op de school zijn.
Als je volgend jaar een andere meester of juffrouw krijgt,
Weet je nu eigenlijk al hoe die meester of juffrouw is.
Voor groep 8 is dat na dit jaar voorbij.
Dan begint er een periode op een nieuwe school.
Misschien ben je nu al bezig om je te oriënteren, open dagen of open huizen te bezoeken.
Na de de middelbare school ga je weer verder met leren,
mbo, hbo of de universiteit.
Of misschien ben jij iemand die school niet zo leuk vindt en liefst gaat werken.
Stel dat je over een aantal jaar aan het werk bent
en je moet als timmerman of elektricien aan de slag in De Regenboog.
Het nieuwe gebouw wel te verstaan.
Je loopt er wat onwennig rond.
Was dit de school waar ik op gezeten heb?
Ik ken er niets meer van terug.
Er zijn ook nieuwe meesters en juffrouws
en sommigen van de meesters en juffrouws werken er niet meer, zoals meester Hospers.
Je vertelt het ‘s avonds tegen het meisje met wie je uitgaat,
dat je op De Regenboog bent geweest voor je werk,
maar wat is er veel veranderd!
Dat meisje zegt: “Nou, dan zou ik er niet willen komen!’
“Waarom niet?”
“Ik wil eraan terugdenken zoals het was in mijn tijd.
Ik vind het niet leuk om terug te komen als er zoveel veranderd is.
Dan ken ik mijn school van vroeger niet meer terug!”
Of misschien wel: ‘Ik durf niet, er is zoveel op die school gebeurd.
Ik wil nooit meer terug naar die nare plek.’

Zou Jakob daarom niet teruggaan naar Bethel,
omdat hij bang is dat hij die bijzondere herinnering zou kwijtraken.
Want als hij nu aan Bethel denkt,
Dan denkt hij aan die bijzondere ervaring, aan wat hij heeft gezien:
De ladder die naar de hemel ging, met alle engelen die op en neer gingen en God bovenaan.
Zou hij die herinnering kwijtraken als hij in Bethel kwam,
omdat Bethel er na die 20 jaar dat hij weggegaan is, er zo heel anders uitziet.
De steen die hij overeind had gezet, was er misschien niet eens meer
en dan zou hij gaan twijfelen of het allemaal wel echt was gebeurd.
Of hij durfde niet terug,
omdat hij daar in Bethel weer al die nare herinneringen had,
de angst die hij toen had, omdat Ezau hem wilde doden
en dat hij daarom hard wegvluchtte om zijn leven te redden.
Het zou best wel eens kunnen zijn dat Jakob nooit iets over Bethel en die bijzondere ervaring heeft verteld. Dat was iets voor hemzelf.
Als Jakob na die ruim 20 jaar dat hij weg is, weer in Kanaän terugkomt,
koopt hij in de buurt van Sichem een stuk grond
En dat is een heel stuk van Bethel vandaan.
Dat stukje grond daar heeft zijn grootvader Abraham ook gewoond.
Dat moet maar zijn thuis in Kanaän worden.
Hier bij Sichem moet hij maar zijn bestaan opbouwen.
Daar waar hij is opgegroeid, helemaal in het zuiden,
dat zal wel zo veranderd zijn in al die 20 jaar dat hij weg is.
En Bethel, dat stopt hij maar weg. Daar wil hij niet aan denken.
Ook niet aan de belofte, die hij aan de Heere heeft gedaan:
Ooit, als ik nog eens terugkom, dan ga ik naar Bethel terug om U, Heere, te danken.
Maar nu hij terug is, wil hij niet of durft hij niet.
Waar hij gaat wonen, in Sichem, kan hij ook een altaar bouwen
om God te danken voor zijn terugkomst in zijn eigen land.
Eindelijk thuis, na al die jaren dat hij voor Ezau op de vlucht was en bij Laban moest werken.
Nu is hij weer thuis en Ezau is niet meer boos op hem.
Hij kan hier in Sichem vredig wonen.
Dankuwel, Heere voor Uw zorg.
Maar het blijft niet lang vredig.
Jakob heeft maar één dochter en met haar gebeurt er iets gruwelijks.
Ze is daar niet veilig waar ze wonen
en haar broers Simeon en Levi wreken haar door alle mannen te doden
en Dina te bevrijden
en de andere broers halen als rovers alles uit de stad weg wat kostbaar is.
Zo fijn is het niet om thuis te komen.
Jakob zal er zich heel wat anders van hebben voorgesteld.
Een mooi plekje om te wonen, in het land waar hij is opgegroeid.
Het land waar hij als kind heeft gespeeld, het uitzicht dat hij als kind had
vanaf de plek waar hun tenten stonden.

Je kunt soms heel erg heimwee hebben.
Als je volgend jaar naar het Oostenlicht gaat of naar het LFC heb je in de eerste tijd
misschien ook wel heimwee.
Op De Regenboog was het nog gezellig en kende je alle kinderen
En de leerkrachten en docenten kennen jou amper
want er zijn zoveel leerlingen op die grote school.
Of je bent verhuisd en je denkt nog steeds aan het vorige huis,
Waar je zo fijn kon spelen, met vriendjes en vriendinnetjes in de buurt
die je kwamen ophalen om mee te spelen.
Later als ik zelf groot ben, ga ik er nog naar terug.

En dan komt de Heere God.
Als er zoveel verschrikkelijke dingen gebeuren
En Jakob bang wordt, dat er andere mensen zullen komen
die hem en zijn familie zullen doden.
Dan is daar de Heere God.
Dat zou best wel eens vreemd kunnen zijn, dat de Heere God iets tegen Jakob zegt.
Want heb jij wel eens de stem van de Heere God gehoord
die iets tegen jou zei?
In de Bijbel wordt erover verteld dat de Heere God tot iemand spreekt,
maar dan vergeten we dat het heel bijzonder is
en dat niet zomaar gebeurt.
Ook Jakob zal vast heel verrast zijn.
En wat zegt de Heere God: ‘Jakob, ga terug naar Bethel en blijf daar wonen.’
Bethel – die plek waar hij nooit naar terugdurfde,
omdat hij bang was dat het niet meer hetzelfde is.
Bethel – de plek waar hij weer aan alle narigheid moest denken.
Soms heb je aan een naam genoeg om weer allerlei nare herinneringen te hebben.
Jakob, je bouwt hier in Sichem wel een altaar,
maar je moet dat niet alleen hier doen, maar daar in Bethel.
Vooruit, blik terug!
Denk terug aan dat moment waarop Ik, de Heere, naar je toekwam.
Daar moet je weer naar terug,

Ik vind het jammer dat er in Oldebroek geen monument is van de oorlog.
In Oosterwolde is aangegeven waar een vliegtuig is neergestort in de oorlog.
Er is een wandelpad langs en dan kun je naar de plek lopen
waar dat vliegtuig is neergestort.
Op de begraafplaats heb je wel de graven van de Engelse piloten
die in de oorlog zijn neergestort.
Elke keer als ik op die begraafplaats ben, bij die graven
word ik weer aan de oorlog herinnerd
En ook hoe bijzonder het is dat wij vrij zijn.
Dat jullie naar school kunnen, dat je kunt leren en daarna doorleren
op de middelbare school.
Met een monument kun je terugdenken aan wat er vroeger is gebeurd.
Daarom moet Jakob weer terug naar Bethel
om eraan te denken wat er vroeger is gebeurd.
niet alleen dat hij moest vluchten voor Ezau,
maar dat hij moest terug denken aan de zorg en bescherming van de Heere God.
Bethel is een bijzondere plek.
Als hij die naam weer hoort, moet hij denken aan die ladder
en beseft hij dat de Heere al die tijd voor hem heeft gezorgd.
Jakob roept zijn kinderen bij elkaar, alle knechten die hij heeft.
Jongens, we moeten hier weg.
Naar Bethel
Naar Bethel? Wat is er dan in Bethel? U hebt nooit over Bethel gesproken?
Ik zal het je vertellen.
Moet je goed luisteren. Heb ik je wel eens verteld hoe ik in Paddan-Aram kwam
bij oom Laban?
Omdat u moest vluchten voor Ezau.
Dat klopt. En weet je wat er in Bethel was?
Ik ging daar slapen.
Het was koud, want ik had eigenlijk geen denken. Alleen maar mijn mantel
en kon nergens een kussen vinden.
Ik ben toen maar met mijn hoofd op een steen gaan liggen
en ik viel in slaap.
Terwijl ik sliep, gebeurde er iets bijzonders. Ik zag God.
Ik zag hoe Hij boven aan een ladder stond en ik zag engelen die op en neer gingen op die trap.
Toen wist ik het: God is bij mij.
En nu zegt God: Ga terug naar Bethel.
Bethel is voor mij een bijzondere plaats.
Ik heb er nooit over verteld, omdat ik bij Bethel steeds moest denken hoe moeilijk ik het had.
Ik dacht: Ik red het nooit. Ik zal niet verder kunnen leven.
Maar de Heere God liet mij weten: Jakob, Ik ben met je, je hoeft niet bang te zijn.
Weet je wat de Heere God tegen mij zei?
Vooruit, blik terug.

Jullie moeten iets weten over Bethel.
Ik had het daar moeilijk.
En de Heere God heeft dat gezien en is naar mij toegekomen.

Voor jullie kinderen, voor jullie allemaal is het misschien vreemd,
want ik heb nooit over Bethel gesproken,
maar Bethel is voor mij wel heel belangrijk,
omdat de Heere God naar mij toekwam.
Daardoor wist ik, dat Hij heel de weg met mij mee zou gaan.

Jullie moeten iets voor mij doen.
Ik heb gezien dat jullie nog beeldjes van goden bij je hebt.
Die gaan we wegstoppen in de grond, begraven.
Jullie moeten je wassen en schone kleren aandoen.
Want de opdracht die de Heere aan mij geeft om naar Bethel te gaan
is een bijzondere opdracht. Weet je wat dat betekent?
Dat ik een nieuwe kans krijg van de Heere.
Alle fouten die ik heb gemaakt en die jullie hebben gemaakt, ze worden vergeven.
Vooruit, blik terug – ook naar wat je verkeerd hebt gedaan, want de Heere geeft je een nieuwe kans. Een nieuwe start. Opnieuw beginnen.

Als Jakob in Bethel komt, komt de Heere opnieuw naar hem toe
en zegent hem en zegt: ‘JAkob je wordt een groot volk en Ik ben jouw God.’
Daarop zet Jakob een steen overeind.
Elke keer als hij langs die steen loopt, weet hij het weer: God heeft iets aan mij beloofd.
Ik weet het weer, ik geloof het weer.
Die steen laat mijn dankbaarheid zien,
maar die steen is voor mijzelf ook een herinnering.

Het is ook voor jullie goed als je iets hebt, Dat je herinnert aan de zorg van God,
zodat je er elke keer weer aan denkt: o ja, God zorgt voor mij.
Maar natuurlijk, ik was het even vergeten, maar de Heere ziet mij echt wel
en helpt mij.
Elke keer als je terugdenkt aan een keer dat de Heere je hielp,
bijvoorbeeld toen je het met een toets moeilijk had, of verdrietig was, of je alleen voelde,
of je had iets verkeerds gedaan en durfde dat niet goed te maken
en je merkte dat de Heere God naar je toe kwam,
elke keer als je daaraan terugdenkt, weet je het weer: O ja, maar natuurlijk. Hij is er!

Iets om te herinneren: Monument.
Zelf heb ik een knielbank + kruisVooruit, blik terug.

Gewone dingen: vanmorgen bij het aankleden/ zonsopgang. Mussen.
Herinneren: vooruit, blik terug. Kun je ook weer verder.
Wat de toekomst brengen moge,
mij geleidt des Heeren hand
Moedig sla ik dus de ogen naar het onbekende land.
Vooruit, blik terug en dan kun je ook weer vooruit – met de Heere. Amen