Een pleidooi om de Bijbel te lezen en te bestuderen in een (post)seculiere samenleving .

Een pleidooi om de Bijbel te lezen en te bestuderen in een (post)seculiere samenleving .

In 2003 werd in Duitsland het Jaar van de Bijbel gehouden. Ter gelegenheid daarvan schreef de nieuwtestamenticus Gerd Theißen een
bijbeldidactiek. Ik herlees dit boek, omdat ik begonnen ben aan een project met alternatieve invalshoeken voor het proces van het voorbereiden van de preek.

Gerd Theißen (ook wel geschreven als Gerd Theissen) was voordat hij hoogleraar Nieuwe Testament werd docent aan een middelbare school. Hij gaf Duits en godsdienst. Zowel als docent aan een middelbare school als hoogleraar Nieuwe Testament stimuleert hij anderen de Bijbel te lezen en te bestuderen. Dat is ook wat bijbeldidactiek moet doen: werven voor het lezen en bestuderen van de Bijbel.

home_2015
(bron: http://www.bijbelingewonetaal.nl)

Tegen de stroom in
Theißen beseft dat hij tegen de stroom in moet roeien. Het lezen in de Bijbel is niet meer populair. In ieder geval niet in de vrijzinnig-progressieve stroming van de kerk, waarin hij thuis hoort. Daarnaast heeft hij ook de tijd niet mee. Kan in een seculier tijdperk nog wel een pleidooi voor het lezen en bestuderen van de Bijbel gehouden worden.

gerd theissen
Gerd Theißen (bron: SCM Press)

De Bijbel heeft het imago ook niet mee. Voor jongeren is de Bijbel een boek voor volwassenen of voor ouderen. Als de jongeren het lezen van de Bijbel niet mee krijgen, zullen ze dat ook op school niet meekrijgen. Godsdienstdocenten staan vaak nog kritischer ten opzichte van de Bijbel dan de jongeren zelf. De Bijbel is bovendien een boek uit een heel andere tijd. Waarom dan in deze tijd de Bijbel lezen en bestuderen?

636240795271128496-1921481598_25376-reading_bible-1200

Vitaliteit
Een bijbeldidactiek moet op deze kritiek een weerwoord hebben, vindt Theißen. Die is in zijn ogen ook te geven: Het lezen en bestuderen van de Bijbel is altijd een kenmerk van vitaliteit van het protestantisme geweest. Dat de Bijbel niet meer geopend wordt, is in zijn ogen een teken dat het niet best met het protestantisme gesteld is.

Postseculier
Daarnaast is het tekort door de bocht om onze tijd seculier te noemen. We leven eerder in een postseculier tijdperk, waarin gelovigen, die tot verschillende godsdiensten te rekenen zijn, en ongelovigen in één samenleving leven. Deze samenleving is ook nog eens mede gevormd door de Bijbel. Alleen al vanuit cultuurhistorisch oogpunt kan de Bijbel niet gesloten blijven. Anders begrijpt men de eigen cultuur niet meer. Daarnaast spreekt de Bijbel ook vandaag de dag nog mensen aan, zowel gelovig als niet-gelovig, zowel christelijk als niet-christelijk.

Religieuze vragen
En al is de Bijbel een oud boek, de Bijbel heeft wel iets extra’s: de Bijbel zet mensen aan tot nadenken en reflectie, daagt mensen uit om contact te zoeken met God. Ook in deze postseculiere tijd worden religieuze vragen gesteld. Daarom is het nog maar de vraag of jongeren echt zo negatief over de Bijbel zijn, of dat het negatieve oordeel een gevolg van onkunde is.

De Bijbel is er ook voor andersgelovigen en niet-gelovigen
De Bijbel behoort niet alleen toe aan christenen. Ook Joden en moslims hebben (een deel van) de Bijbel. Ook hindoes en boeddhisten lezen in de Bijbel. Ook ongelovigen lezen in de Bijbel. Dat past ook wel bij de Bijbel. De canon van de Bijbel is – zeker wat het Oude Testament betreft –  gevormd met het oog op buitenstaanders (Ezra 7; de brief aan Aristeas). Het Nieuwe Testament is dan wel ontstaan voor intern gebruik, maar het Vroege Christendom was missionair ingesteld. Het lezen van de Bijbel door andersgelovigen of ongelovigen past bij de Bijbel.

Open bijbeldidactiek
Theißen wil daarom met een
open bijbeldidactiek komen: een bijbeldidactiek die zich niet alleen richt op christenen, maar ook andersgelovigen en niet-gelovigen uitdaagt om de Bijbel te lezen en te bestuderen. De Bijbel is niet alleen onderdeel van de religieuze vorming en ontwikkeling, maar zelfs onderdeel van de algemene vorming en ontwikkeling.

Er zijn naar zijn idee 3 manieren van gebruik van de Bijbel, waarin de drieslag van de praktische theologie zoals Dietrich Rössler die voorstaat zichtbaar wordt: kerkelijk, persoonlijk en publiek.

  • De Bijbel als belijdenisboek – de Bijbel is een boek van de kerk, een zichtbaar symbool dat het mogelijk is om in contact te komen met God.
  • De Bijbel als boek om te mediteren – de Bijbel voor persoonlijk gebruik.
  • De Bijbel als boek van algemene vorming en ontwikkeling – de Bijbel als publiek boek. 

N.a.v. Gerd Theißen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2003) 12-26.

Ik heb al eerder over Gerd Theißen geblogd hier en hier. Zie voor bijvoorbeeld voor een vertaling van dit eerste hoofdstuk: hier.

Het huis op de rots gebouwd

het huis op de rots gebouwd.
Preekvoorbereiding bij Mattheüs 7:24-27

Komende zondag is het in de Hervormde Gemeente Oldebroek evangelisatiezondag. Dat houdt in dat de morgendienst is ‘laagdrempeliger’ is en de dienst is afgestemd op degenen die niet of niet zo vaak in een kerkdienst komen. De middagdienst is afgestemd op de gemeenteleden om hen toe te rusten om het evangelie uit te dragen.

De evangelisatiecommissie heeft voor deze zondag het thema bedacht: Waar bouwt u / jij op? Gekozen is voor de Schriftlezing uit Mattheüs 7:24-27:

Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.

Hierbij enkele gedachten bij de preekvoorbereiding:

Thema
Het thema is Waar bouwt u / jij op? Voor iemand die geregeld naar de kerk gaat, is dit geen vreemde vraag. In de preek zal deze vraag vaak worden gesteld. Al is het niet eenvoudig om een antwoord onder woorden te brengen, hij of zij heeft wel een richting: God of Christus.
Zal iemand die niet zo vaak in de kerk komt, wel nadenken over deze vraag? Ik ben daar nog niet zeker van. De meesten van hen leiden misschien een ‘gewoon’ leventje, zonder zich allerlei diepgaande existentiële vragen te stellen.

Dat betekent dat in de verkondiging op een eenvoudige manier uitgelegd moet wat deze vraag betekent en waarom deze vraag van betekenis is.

Bouwen
De exegese levert ook enkele vragen op. Want in Mattheüs 7:24-27 krijgt ‘ergens op bouwen’ een ander antwoord dan in eerste instantie verwacht zou worden. Een logisch antwoord zou zijn: je hoort op God, op Christus te bouwen.
(a) In Mattheüs 7:24-27 is het Jezus er om te doen, dat degenen die Zijn woorden horen deze woorden ook in praktijk brengen. Wie de woorden niet in praktijk brengt, heeft Zijn woorden niet echt gehoord.

De vraag is hoe in de verkondiging uitgelegd kan worden dat Jezus het beeld ‘ergens op bouwen’ gebruikt om aan te sporen om ook te handelen naar Jezus woorden.

Oordeel
(b) Tijdens de exegese ontdekte ik, dat de woorden die Jezus spreekt staan in het kader van het laatste oordeel. De stormen en de waterstromen die op het huis afkomen zijn beeldspraak van het laatste oordeel. Op de achtergrond staan een gedeelte uit Ezechiël 13:11-14:

Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een alles wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten. Zie, als de muur omvalt, zal dan tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt? Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een alles wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een vernietigend einde. Zo zal Ik de muur omverhalen die u met kalk bepleisterd hebt en Ik zal hem op de aarde neer doen storten, zodat zijn fundament blootgelegd wordt. Zo zal de stad vallen, en u zult in het midden ervan omkomen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Daarmee wordt de vraag Waar bouwt u / jij op? meer dan een existentiële vraag. Het is een vraag, die de kerkganger eraan herinnert: eens komen we in het oordeel van God. Hoe zal Hij over ons leven oordelen?

Cathedrale_d'Amiens_-_tympan_central_-_Christ_du_Jugement_Dernier

Het specifieke van het evangelie van Mattheüs is dat Jezus als de komende Mensenzoon het oordeel op zich neemt: Mattheüs 25:31-46. In dat oordeel zal het gaan ook over onze daden gaan. Het gaat om meer dan geloof. Het gaat zelfs om meer dan macht over de demonen (7:21-23). Het gaat om de vraag: Hebben wij Jezus’ woorden in praktijk gebracht?
Daarmee krijgt dit gedeelte een ernst. Niet alleen voor degene die zo af en toe in de kerk komt. Ook voor degene die trouw de kerkdiensten bezoekt. Al gauw wordt, als het gaat over het laatste oordeel, gesproken over de genade en over Christus die ons oordeel op zich neemt. Hier is sprake van een eschatologische ernst: Het doet er toe hoe wij leven.

Laagdrempelig?
Kan in een laagdrempelige dienst wel over het oordeel gesproken worden? Schrikt dat de mensen niet af?
Ja, het moet zelfs, zegt Corinna Dahlgrün, omdat de Bijbel spreekt over oordeel, eeuwig leven, over hemel en hel. Predikanten zijn het daarom de mensen verschuldigd om daarover te spreken. In de oordeelsaankondigingen in de Bijbel gaat het allereerst om de kans die God geeft om tot inkeer toe komen. Dat is een door God gewilde mogelijkheid. De Bijbel laat echter ook zien, dat er een te laat is en dat de veroordeling (verdoemenis) in het oordeel een reële mogelijkheid is.
Daarnaast laat het laatste oordeel zien dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun doen en laten. Niet aan mensen, maar aan God. God is als schepper en rechter de Ander, de Tegenover aan wie mensen verantwoording hebben af te leggen.

Lukt het mij om in de verkondiging het oordeel aan de orde te stellen als een (wezenlijk) onderdeel van het evangelie? Lukt het mij om over het laatste oordeel te preken als een boodschap die vreugde geeft?

Woord van God
Kan dat wel? Is deze boodschap niet te vreemd geworden en roept deze boodschap van het laatste oordeel niet teveel weerstand op?
Volgens Dahlgrün komt het aan op het geloof van de prediker. De prediker moet zijn eigen ongeloof en twijfel door de Bijbelse beelden ter discussie laten stellen. De prediker dient zich beschikbaar te stellen voor het Woord van God.
Dat de boodschap over het oordeel veel weerstand of onbegrip oproept, komt volgens Dahlgrün door meer een ‘tekortschietende praxis piëtatis’ dan als een probleem van authenticiteit. De beelden van het laatste oordeel worden vaak slechts cognitief doordacht en krijgen niet de kans in het hart of de existentie te raken. Als ik als prediker met deze teksten ga lezen, worden het mijn teksten en kan ik er ook vanuit deze geloofswerkelijkheid preken.

Schaar ik mijzelf ook onder het laatste oordeel of sluit ik mij op voorhand van het oordeel buiten? Hoe wordt het oordeel een geloofswerkelijkheid voor mij van waaruit ik leef (en verkondig)?

De Bijbel waar niet over gepreekt wordt
Tijdens de voorbereiding moet ik denken aan de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Om twee redenen: (1) In zijn Predigtlehre heeft hij ook een hoofdstuk over de prediking over Christus als de komende rechter . Helpt zijn uiteenzetting mij met deze preek? (2) Bohren spreekt voortdurend over stukken uit de Bijbel die in de verkondiging niet aanbod komen: de Bijbel waarover niet gepreekt wordt. Deze gedeelten komen nooit aan de orde, omdat zij bij de prediker op verlegenheid stuiten. Ze passen niet in het wereldbeeld of het geloofssysteem van de prediker.

De toekomst van de Komende
Het probleem is volgens Bohren dat er te weinig rekening gehouden wordt met het gegeven dat Christus ook nog (weder)komt: degene die gekomen is, komt nog! De prediking rondom Goede Vrijdag en Pasen zijn zonder toekomst, omdat men alleen nog meer spreekt over Christus als de gekomene, maar de ‘toekomst van de Gekomene’(Walter Kreck) niet meer benoemt. Daarmee wordt over het hoofd gezien, aldus Bohren, dat het oordeel voor de christenen ook verscherpt wordt. Daarbij verwijst Bohren naar de Bergrede en naar de Hebreeënbrief.

Vreze des Heeren
Het besef van het komende oordeel geeft vrees (vreze des Heeren!). Deze vreze voor de Heere zorgt ervoor dat voor de mensen niet gevreesd hoeft te worden. Deze vreze geeft ook moed tot eenzijdigheid. Deze eenzijdigheid kan zelfs een kenmerk worden van een Godvrezende preek. Deze vreze des Heeren heeft ook een gevolg: een missionair élan (2 Kor. 5:11). Ontzag voor de komende Rechter kan alleen bestaan als Godvrezendheid. Niet het komende lot of oordeel is te vrezen, maar de komende Heere. ‘Zonder pure Godvrezendheid zijn wij overgeleverd aan onze eigen waanbeelden.’ De vreze des Heeren, de Godvrezendheid is een vrucht van het luisteren (naar God en Zijn Woord).

Revisor
In 1985-1986 geeft Bohren college over het gebed. Die collegereeks opent Bohren met een citaat van Nikolai V. Gogol (dat hij tegenkwam in een programmaboekje van een toneelopvoering in Heidelberg):

‘Bedenk toch dat de gehele wereld een ijdele leugen is en dat alles heel anders aan ons verschijnt dan het in werkelijkheid is (…) Ons leven is zwaar en dan vergeten we nog elk ogenblik dat al onze handelingen eens voor een Revisor komen die niemand voor zich kan inwinnen (of omkopen).’

Daaruit stelt Bohren dat ons bidden ‘revisionsbedürftig’ is.
Met het oog op de prediking kunnen wij zeggen, dat alles in ons leven verlegen is om een revisie. Als alles wat wij doen verlegen is om een revisie, dan geeft dat de ernst van het oordeel aan: Hoe kunnen wij daaraan ontkomen?

Huis op de rots
Dan is het goed om vast te houden aan de belofte van Jezus: het huis dat op de rots gebouwd is, blijft overeind staan. Wie de woorden van Jezus hoort en doet en hier op aarde al rekening houdt met de revisie zal overeind staan als een huis dat op een goed fundament is gebouwd.
Het gaat Jezus dus om ons voor te bereiden op het komende oordeel en ervoor te zorgen dat we hier in het leven al daar rekening mee houden. Wie dwaas is, leeft alsof er nooit een oordeel komt. Voor wie de wijsheidsliteratuur uit het Oude Testament kent (Spreuken, Prediker) weet, dat de dwazen ook de goddelozen zijn, die zich geen rekenschap geven van God en Zijn oordeel. Zij leven hier alsof zij zonder God zijn.
Ook al vertonen hun daden de schijn van geloof, ze hebben geen geloof maar zijn slechts gericht op het leven in het hier en nu. Het komt dus aan op eerlijkheid en authenticiteit. Niet eens zozeer naar de mensen, maar allereerst naar God toe. Er kan een huis op het zand worden gebouwd: in het aardse leven lijkt het stevig en prima bewoonbaar. In het oordeel blijkt dat het slechts een schijnzekerheid geweest is.
Voor de gemeente komt het aan op de gave van de onderscheiding: want niet iedereen die de naam van de Heer in de mond neemt en in Zijn naam geweldige daden laat zien (als het uitwerpen van duivels) heeft het geloof en de levenspraktijk waar het op aankomt.

Confronterend
De verkondiging over het oordeel is confronterend. De meesten schuiven het liever voor zich uit en kiezen dan eerder de dwaze levensstijl door een huis op het zand te bouwen.
Op welke manier kan de preek dit confronterende element vasthouden waarbij de confrontatie de gemeenteleden bij Christus brengt en Zijn woorden laat doen?
Ik bedenk mij dat de nieuwtestamenticus Gerd Theiβen in 2003 (het Duitse Jaar van de Bijbel) een boek schreef om het lezen van de Bijbel te stimuleren. In dat boek houdt hij rekening met een maatschappij die steeds meer seculariseert en multireligieus wordt. In zijn boek wil Gerd Theiβen laten zien, dat de Bijbel goed in staat is om de dialoog aan te gaan met deze seculariserende en multireligieuzer wordende maatschappij.
Ik herinner mij dat hij verschillende motieven uit de Bijbel naar voren haalt en deze motieven in dialoog brengt met hedendaagse mensen, die gestempeld zijn door de secularisatie. Een van die motieven is het motief van het oordeel. Op welke wijze zou Gerd Theiβen dat aanpakken?
Bij het doorbladeren zie ik ook weer zijn eigen model en zie ik dat hij ook de kerygmatische aanpak niet onder stoelen of banken steekt: de Bijbel is een kans om in dialoog te komen met God. Het motief van het oordeel laat volgens Gerd Theiβen zien dat wij verantwoordelijk voor onze daden zijn en ook vaak de behoefte hebben om ons te verdedigen en te rechtvaardigen. Het motief van de
Net zo belangrijk aan het doorbladeren van het boek is dat hij mij (weer) op het spoor van Thomas Ruster brengt. Ruster schreef een kritisch boek over De inwisselbare God. Volgens hem is de levende God in de loop van de kerkgeschiedenis steeds ingewisseld voor allerlei menselijke constructies (afgoden). De Bijbel en de verkondiging gaan met ons de confrontatie aan om weer de levende God te zoeken en te kiezen.

Hoe wordt in de verkondiging de confrontatie op een goede manier aangegaan, zodat degenen die een huis vol schijnzekerheden op het zand hebben gebouwd ontdekken dat het anders moet.
Hoe wordt de confrontatie aangegaan, zodat de luisteraars beseffen dat zij bij Christus moeten zijn en Hem ook gehoorzamen?

Tegenover
Wordt die confrontatie uit de weg gegaan doordat men niet geloofd in God als een Persoon die aan ons rekenschap vraagt? Omdat men God als de Levende heeft ingewisseld voor een soort pantheïstische kracht? Die suggestie kwam ik tegen bij Gerd Hartmann. Hartmann liet zijn studenten rollenspellen doen, waarbij zij ook in de volmacht van Jezus de vergeving moesten aanzeggen. Hij vertelt dat zijn studenten dat niet kunnen. Zij blokkeren of wijken uit als zij dit in een rollenspel moeten uitvoeren. Een de redenen voor dit uitwijken is volgens hem dat zijn studenten onzeker zijn over de aanwezigheid van God als een Tegenover.

Betekent dit voor de verkondiging ook dat meer het besef overgedragen moet worden dat God een levende werkelijkheid is en dat Hij geen macht is, maar een tegenover die als Schepper en Rechter ons rekenschap zal vragen van wat wij gedaan hebben?

De preekopbouw
Nu er heel veel voorwerk gedaan is, is de vraag: hoe komt de preek eruit te zien? Welke opbouw: Moet ik beginnen met de confrontatie of moet ik langzaam toe werken naar de confrontatie? In het laatste geval is het beter om te beginnen bij wat herkenbaar is of gemakkelijk is uit te leggen. Wanneer de confrontatie aangegaan wordt, moet ook direct duidelijk zijn wat er dan mis is.
En ook van groot belang: hoe zorg ik dat de preek begrijpelijk wordt en kerkgangers (zowel degenen die geregeld komen en degenen die af en toe komen) zich geroepen en genoodzaakt voelen om de weg van Christus te gaan?
Tot slot, de vraag die al eerder gesteld is: hoe wordt overgebracht dat het om evangelie (d.w.z. blijde boodschap over God) gaat?

Verwijzingen
– Corinna Dahlgrün, ‘Von Auferstehung und Gericht predigen’, in: Heinrich Bedford-Strohm (Hg.), “… und das Leben der zukünftigen Welt”. Von Aufersteung und Jüngstem Gericht (Neukirchen-Vluyn, 2007) 77-89.
– Rudolf Bohren, ‘Predigt des kommenden Richters’, in: Idem, Predigtlehre (1971) 251-265.
– Rudolf Bohren, Das Gebet I. EDITION BOHREN Bd 1 (Waltrop, 2003).
-Gerd Theiβen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh, 2003).
– Gerd Hartmann, Lebensdeutung. Theologie für die Seelsorge (Göttingen, 1993) 113-116

Het lezen van de Bijbel: verrijkend voor gelovigen en niet-gelovigen

Het lezen van de Bijbel: verrijkend voor gelovigen en niet-gelovigen

Het lezen van de Bijbel is verrijkend voor gelovigen en niet-gelovigen. Dat is de mening van Gerd Theiβen. Volgens Theiβen doet iedere intellectueel er goed aan doet om zich met de bijbel bezig te houden. Theiβen poneert dit niet alleen omdat hij nieuwtestamenticus is en het zijn professie is om de bijbel te bestuderen. Hij is werkelijk van mening dat het lezen van de bijbel voor gelovigen en niet-gelovigen verrijkend is. Hiervoor is een Bijbeldidactiek nodig, die met een open mind in de huidige cultuur staat.

 Gerd Theiβen
Niet iedereen zal bij voorbaat aannemen, dat het lezen van de Bijbel verrijkend is. Voor velen is het duidelijk dat de religie een achterhaalde zaak is. Theiβen bestrijdt die gedachte: het einde van de religie wordt al 200 jaar geregeld voorspeld, maar de wens is de vader van de gedachte. Volgens hem dienen we er van uit te gaan dat religie aanwezig zal blijven en kunnen we beter de meerwaarde van religie inzien.
Een belangrijke reden om de Bijbel te bestuderen is het gegeven dat dit boek een van de bronnen is van onze huidige cultuur. Alleen al vanwege de invloed van de Bijbel op onze cultuur doet een intellectueel er goed aan zich bezig te houden met de Bijbel. Anders kan hij zijn eigen cultuur niet begrijpen. De invloed van de Bijbel op onze cultuur is niet voorbij. Veel toonaangevende schrijvers en musici geven aan, dat zij beïnvloed zijn door de Bijbel. De dichter Wolfgang Biermann geeft bijvoorbeeld aan, dat hij de Bijbel leest, omdat in de Bijbel in zijn ogen een belangrijk boek is vanwege de verwoording van menselijke ervaringen. Een intellectueel die de Bijbel leest is in goed gezelschap.
Men mag verwachten dat er bepaalde terreinen zijn in onze cultuur waar de Bijbel wordt bestudeerd, zoals de kerk. Volgens Theiβen dient ook binnen grote delen van de kerk liefde voor de Bijbel te worden gewekt, omdat dit boek in grote delen van de kerk er bekaaid vanaf komt. Zorgelijk en alarmerend, vindt Theiβen, want de geringe rol van de Bijbel is een teken dat de kerk in vitaliteit heeft ingeboet.

Nu zijn er binnen de kerk stromingen, die zeggen dat zij de Bijbel wel regelmatig bestuderen. Deze stromingen tooien zich vaak met de term ‘bijbelgetrouw’. Die kant wil Theiβen niet op, omdat hij teveel hecht aan de moderniteit. Hij heeft ooit een pleidooi geschreven voor geloven met een kritische instelling, waarin hij een evolutie  en christelijk geloof combineert. Ook in dit boek laat hij voortdurend zien, dat acceptatie van evolutie gecombineerd kan worden met christelijk geloof. Al accepteert hij niet bij voorbaat een evolutionair wereldbeeld. In dit boek laat hij voortdurend zien, dat de Bijbel een evolutionair wereldbeeld doorkruist.

Is de Bijbel eigenlijk wel een boek, die buiten de kerk en buiten het christelijk geloof gelezen kan worden? Doet men daarbij de intentie van de Bijbel wel recht? Volgens Theiβen wel. Bij het ontstaan van de Bijbel (proces van canonisatie) had men de buitenstaander op het oog: het Oude Testament werd gebundeld voor de Perzische koning, die de wet van de Hemelkoning wilde respecteren (Ezra 7). Ook de vertaling van de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks (de Septuagint) had men de buitenstaander op het oog. Volgens de Brief van Aristeas is de Septuagint een uiteenzetting van het Joodse geloof voor niet-Joden. De vertaling gebeurde met het oog op de opname van de Bijbel in de beroemde bibliotheek van Alexandrië. Deze universalistische lijn werkt ook door in het Nieuwe Testament.
Een Bijbeldidactiek met een open mind voor de eigen cultuur is niet in tegenspraak met de Bijbel, maar volgt juist de intentie van de Bijbel. In zijn Bijbeldidactiek met een open mind laat Theiβen zien, hoe de Bijbel in gesprek gebracht kan worden met de (post)moderne, multireligieuze cultuur. De Bijbel kan het gesprek aan met gelovigen en niet-gelovigen, met christenen en andersgelovigen. Hoe Theiβen dat doet, zal in andere blogs aan de orde komen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Gerd Theiβen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2003) 1-26.

Gerd Theißen schreef een bijbeldidactiek

Gerd Theißen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldiaktik (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlaghaus, 2003), 368 p.        ISBN: 3-579-05393-0

De nieuwtestamenticus Theißen, bekend van de theorie dat het Christendom is verspreid door rondtrekkende charismatische profeten, is altijd grensoverschrijdend bezig. Als een van de eersten paste hij de sociologie toe binnen de exegese[i], maakte een psychologische analyse van een aantal Paulusteksten[ii], deed mee in de discussie tussen evolutietheorie en theologie[iii], schreef een roman over het onderzoek naar de historische Jezus [iv], schreef een homitetiek[v] en een godsdiensthistorische interpretatie van het Vroege Christendom[vi]. Met Zur Bibel motivieren geeft hij een didactisch handboek voor het gebruik van de Bijbel binnen het godsdienstonderwijs. Naar aanleiding van het Jaar van de Bijbel (2003) in Duitsland schreef hij dit boek, waarin hij zijn ervaringen als godsdienstonderwijzer verwerkte.
Theißen wil met dit boek een open bijbeldidaktiek[vii]  geven. Hij wil stimuleren, dat de Bijbel weer gebruikt gaat worden in de kerk en in het godsdienstonderwijs. Met ‘open’ bedoeld hij, dat hij niet alleen christelijk opgevoede mensen op het oog heeft. In een postseculiere (!) samenleving (typering van de filosoof Jürgen Habermas) is het stimuleren van het lezen van de Bijbel een missionaire bezigheid. Dat de Bijbel niet meer gebruikt wordt ziet hij als een teloorgang van het protestantisme, dat immers altijd bezig was met de Bijbel.
Hij wil het gesprek op basis van de Bijbel aangaan met de andere stromingen binnen het christendom, met de seculiere samenleving en met andere godsdiensten, want ‘de Bijbel is niet alleen van de christenen’ . Hij onderscheidt een aantal manieren om de Bijbel te gebruiken: (1) als belijdenisboek van de kerk, (1) als persoonlijk meditatieboek en (3) voor de algemene en religieuze vorming van de maatschappij. Tot de algemene vorming behoort het (leren) begrijpen van religieuze taal voor religieuze ervaringen. Het eigen maken van deze taal leidt tot godservaringen en is dus een vorm van religieuze vorming. De Bijbel leert een taal om de religieuze ervaringen onder woorden te brengen.[viii]
De inhoud van zijn bijbeldidactiek bereikt hij door de discussie aan te gaan met de dominante stromingen binnen de godsdienstpedagogiek. Aan de hermeneutische aanpak ontleent hij, dat het begrijpen van de Bijbel kan bijdragen tot levensoriëntatie. De Bijbel wordt gelezen vanuit existentiële vragen. Verder speelt de Bijbel een culturele rol: de Bijbel bevat zaken, die in de huidige cultuur vergeten worden. Aan de probleem-georiënteerde stroming ontleent hij het gegeven, dat de Bijbel antwoorden kan geven op onze (existentiële) vragen. De symbooldidactische stroming leert ons om oog te hebben voor de dieptedimensie van onze aardse werkelijkheid. De kerugmatische stroming leert, dat het met de Bijbel mogelijk is om in contact te komen met God.
Er zijn twee mogelijkheden om de Bijbel te gebruiken: (1) met elementarisering kan een aantal grondmotieven van de Bijbel weergegeven worden. Op die manier komt men te weten wat de ‘geest van de Bijbel’ is. De grondmotieven ontleent hij aan de twee axioma’s van het Oude Testament (monotheïsme: er is maar één God) en het Nieuwe Testament (Geloof in een verlosser: Jezus Christus). Theißen komt zo op de volgende motieven: het motief van de schepping, van de wijsheid, van het wonder, van de vervreemding (van God), van de hoop, van bekering, van de exodus, van de plaatsvervanging, van de inwoning, van de liefde, van de omkering van de posities, van het gericht, van de rechtvaardiging. Deze axioma’s en grondmotieven gebruikt hij om de discussie aan te gaan en om de Bijbel te lezen.
Naast elementarisering is er ook aandacht voor de (2) dialogisering, de Bijbel in gesrpek. De Bijbel brengt hij in gesprek met de seculiere maatschappij: de Bijbel heeft oog voor de evaring van transcendentie (de werkelijkheid is niet te reduceren tot dat ‘wat voor ogen is’), de ervaring van contingentie (het wonder van het zijn) en van resonantie (gevoel van dankbaarheid voor het zijn, levensgeluk). Hij gaat ook na wat de rol van de Bijbel is in contact met de wetenschappen. Ook hier gebruikt hij de grondmotieven en axioma’s voor.
Datzelfde geldt voor de andere godsdiensten. In het gesprek met de andere godsdiensten laat Theißen zien, wat de overeenkomsten zijn. Bepaalde bijbelverhalen spelen ook een belangrijke rol in de Islam, Hindoes zijn geïnspireerd geweest door de Bijbel. Hij verzwijgt echter de verschillen ook niet.
Tot slot gaat Theißen in op de omstandigheden van de les. Tot slot geeft hij een aantal aanwijzingen om orde te houden en het rumoer in de klas tot zwijgen te brengen. Hij wijst erop, dat vriendelijke docenten niet bang moeten zijn om orde te handhaven. Het handhaven van de orde heeft ook een belangrijke maatschappelijke functie. Op deze manier komen leerlingen erachter dat vriendelijke mensen geen hulpeloze mensen zijn.
Het boek van Theißen is een waardevol boek; niet het minst omdat het komt vanuit een hoek, waaruit men geen pleidooi voor de Bijbel zou verwachten. Hij plaatst zich nadrukkelijk in een liberale hoek. Dat laat zijn pleidooi voor een open didactiek zien. Ook geeft hij het hele boek door een belangrijke rol aan de evolutietheorie. Hij laat wel zien, dat het christendom op een aantal punten dwars tegen principes van deze theorie ingaan.
Maar het boek is vooral waardevol, omdat het de pedagogische en godsdienstpedagogische argumenten goed op een rij zet. Het pleidooi om het lezen van de Bijbel te stimuleren kunnen wij volgens mij alleen maar overnemen. Het is een goede suggestie van Theißen om ook de kerk hierbij te betrekken. Hij pleit voor een soort kerkelijk getuigschrift m.b.t. tot bijbelkennis. Op die manier kan het bijbellezen ook maatschappelijk beloond worden. Het zou ook een stimulans zijn voor alle medewerkers in het kerkenwerk om de Bijbel ter hand te nemen.

Matthijs Schuurman

P.s. Wie het paper van godsdienstpedagogiek nog moet schrijven, moet eens de boeken van Biehl of Baldermann raadplegen. De meeste boeken staan echter niet in de BCU. Ook het Lexikon für Religionspädagogik en de serie Jahrbuch fürRelgionspädagogik –beide wel in de BCU – geven een goede introductie in bepaalde thema’s.

(Geschreven in 2003) 


[i] Studien zur Soziologie des Urchristenyums WUNT 19 (1977), De Jezusbeweging(1997)

[ii] Psychologische Apsekte paulinischer Theologie FRLANT 131(1983).

[iii] Biblischer Glaube in evolutionärer Sicht (1986).

[iv] Die Schatten des Galiläers. Historische Jesusforsching in erzählender Form (1986), Nederlandse vertaling bIj Uitegeverij Ten Have: Ik moest van Pilatus achter Jezus aan. Verschil van een speurtocht (1988).

[v] Zeichensprache des Glaubens (1995)

[vi] Die Religion der ersten Christen. Eine Theorie des Urchristentums (2000). Nederlandse vertaling: De godsdienst van de eerste christenen. Een theorie van het Vroege Christendom (2001).

[vii] Zie voor de term ‘bijbeldidaktiek’: Ingo Baldermann, Einführung in der Bibeldidaktik (1996), ‘Hermeneutische Religionspädagogik, Hermeneutischer Religionsunterricht’ Lexikon für Religionspädaogik (2001) 829-834., Horst Klaus Berg, Grundriss der Bibeldidaktik. Konzepte, Modelle, Methoden (1993).

[viii] Hier is Theißen sterk beïnvloed door het werk van I. Baldermann, Wer hört mein Weinen. Kinder entdecken sichselbst in der Psalmen, Wege de Lernens 4 (61999) en Ich werde nicht sterben sondeern leben. Psalme als Gebrauchstexte, Wege des Lernens  (31999). Ook het werk van Peter Biehl speelt een belangrijke rol: Symbole geben zu lernen I: Einführung anhand der Symbole Hand, Haus und Weg, Wege des Lernens 6 (²1991), II: Zum Beispiel: Brot, Wasser un Kreuz. Beiträge zur Symbol- und Sakramentsdidaktik, Wege des Lernens 9 (1993), Festsymbole. Zum Beispiel: Ostern. Kreative Wahrnehmung als Ort der Symboldidaktik (1999).