Preek Eerste Paasdag 2019

Preek Eerste Paasdag 2019
Schriftlezing: Lukas 24:1-12.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de verhalen die Lukas ons vertelt gaat het er niet alleen om dat Jezus is opgestaan,
maar gaat het er ook om dat ook wij de opgestane Heer kunnen vinden.
Lukas gebruikt hier enkele woorden, die hij vaak in zijn evangelie gebruikt
en voor hem dus blijkbaar belangrijke woorden zijn: zoeken en vinden.
Nu is bij ons de volgorde vaak dat je eerst gaat zoeken en dat je daarna vindt.
Je bent iets kwijt, wat je nodig hebt en je gaat op zoek, totdat je het vindt.
Lukas vertelt daarover de verhalen van een herder die een van schapen mist
En op zoek gaat om dat schaap te vinden.
Of die vrouw, die een penning kwijt is: ze zoekt net zo lang tot ze vindt.
Je bent iets kwijt en dan ga je op zoek.
Bij de opstanding gaat het echter net andersom: de vrouwen vinden iets
en daardoor moeten ze op zoek.
Ze zijn helemaal niets kwijt, want ze weten waar Jezus is.
Althans dat denken ze te weten:
ze waren erbij toen Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus van het kruis haalde
en volgden Jozef toen Hij met het lichaam van Jezus naar het graf ging
en zagen met eigen ogen hoe het lichaam van Jezus in dat graf werd gelegd.
Daar gaan ze nu naar toe, nu ze een dag hebben gewacht, omdat het sabbat was
En ze niet bij het graf terecht konden, omdat de sabbat een dag van rust was,
Een dag voor God.
Maar als ze bij het graf komen, vinden ze iets, waardoor ze alsnog moeten zoeken.
Het is de omgekeerde wereld, omdat God met de opstanding van Christus alles omkeert.
Ze vinden en daardoor moeten ze alsnog op zoek.
Als ze aankomen, vinden ze niet wat nog in hun gedachten was,
de plek zoals ze daar tijdens de hele sabbat aan hebben zitten denken.
Ze treffen de situatie zo aan dat de steen van het graf is weggerold.
Ze vonden de steen afgewenteld van het graf, zegt Lukas
en gebruikt daarmee het woord, waarmee hij wil laten weten
dat God naar ons op zoek is en ons vindt.
Maar als de vrouwen vinden, moeten zij op zoek.
Als ze de steen vinden, moeten ze op zoek naar het lichaam van Christus
En het wordt nog erger, want het lichaam is hier niet,
zoals de engelen tegen de vrouwen zeggen.
Het lichaam is kwijt – weg – en daarom moeten ze op zoek.
Het is de omgekeerde weg van God: God zoekt en vindt.
Als het om God gaat, is het voor ons mensen net omgekeerd:
We vinden iets, waardoor alles in een nieuw licht komt te staan
en blijken daarmee God te missen en moeten op zoek naar Christus
tot wij Hem vinden – en Hem net als de vrouwen kunnen ontmoeten als de levende Heer.
Ik denk dat Lukas in de verhalen over de opstanding die hij in zijn evangelie ons wil leren
over hoe Christus in ons leven komt.
Hoe wij nu vandaag de dag de levende Heer kunnen ontmoeten.
Dat begint dat met het vinden van een situatie, die voor onverwacht is,
Waar je niet op gerekend hebt en waardoor de schrik je om het hart slaat
omdat je beseft: Ik ben mijn Heer kwijt. Hij is hier niet!
Je had het kunnen weten, dat Hij hier niet is,
maar omdat je niet scherp genoeg bent geweest op de signalen van God
die vertellen waar Hij wel is, ben je Hem uit het oog verloren,
Terwijl je denkt dat Hij nog bij je is, is Hij er niet meer.
Het begint al als de vrouwen Jozef met de dode Jezus volgen
en ze denken dat Jezus naar Zijn laatste rustplaats op aarde wordt gebracht.
Nu Hij gestorven is en begraven, willen ze Zijn lichaam de laatste eer bewijzen.
Ze denken niet meer aan wat Jezus vertelde over dat Hij zou sterven
en daarbij ook aangaf dat Hij weer zou opstaan uit de dood.
Elke keer als ik dat lees, ook nu weer, vraag ik me af:
Hoe hebben ze dat kunnen vergeten,
dat Jezus zowel Zijn dood als opstanding had aangekondigd?
Wat de dood aan het kruis zo’n ingrijpende gebeurtenis,
Waardoor alle geloof dat ze in Jezus hadden in één klap onderuit ging?
Zou ons dat ook kunnen overkomen?
Je kent de verhalen dat Jezus is opgestaan en je gelooft dat.
Maar opeens is er iets, waardoor je dat geloof kwijt bent.
Je kunt alleen nog maar aan vroeger denken.
Psalm 42 heeft dat ook: vroeger ging ik mee met de menigte die vol vreugde was
en kon feestvieren, omdat ze God bij zich wisten,
maar nu, nu ben ik op een afstand en ik heb heimwee naar die tijd, dat ik bij God was:
Kon ik dat nog maar weer meemaken!
Ook de vrouwen bij het graf kunnen alleen nog maar aan vroeger denken:
De goede tijd dat ze veel van Jezus leerden.
Nu kunnen ze alleen nog maar een dode Jezus in ere houden
en dat willen ze doen: met specerijen en mirre
om het lichaam van Jezus zolang mogelijk in goede staat te houden.
Ze maken de specerijen en mirre klaar, maar kunnen niet naar het graf,
omdat het sabbat is.
Ook dat is weer een aanwijzing van God dat Hij er is,
want de sabbat is er om Gods daden te gedenken,
om erbij stil te staan hoe Hij de schepping gemaakt heeft:
op de 7de dag om te rusten van de schepping.
Om te vieren hoe ze uit Egypte zijn bevrijd: geen slaaf meer,
maar door Gods krachtige hand uitgeleid en nu vrije mensen.
Voor de vrouwen zal de dag van de sabbat vooral een dag zijn,
waarop ze niet naar het graf kunnen, omdat Gods  regels houden hen tegenhouden.
En er is haast bij, want als het lichaam niet gauw behandeld wordt,
Zal het lichaam vergaan.
Ze staan er niet bij stil dat ze goed voor een dode Jezus willen zorgen,
terwijl God al bezig is om Hem op te wekken.
Voor hen telt alleen de werkelijkheid dat Jezus dood is.
Dat God in staat is om alles nieuw te maken, opnieuw te handelen,
te komen met Zijn macht en majesteit – de sabbat was bedoeld om dat te overdenken
– de vrouwen staan daar niet bij stil en wachten tot de sabbat voorbij is
en op z’n allervroegst, wanneer de dag nog maar amper begonnen is, gaan ze.
Ze zitten nog bij de situatie, zoals ze die achtergelaten hadden.
Wat ze vergeten zijn, is dat in de tussentijd God ook kan werken.
Ik begrijp wel waarom ze dat vergeten zijn,
want wie houdt er nu rekening mee na een begrafenis
Dat degene die je weggebracht hebt weer zal opstaan uit de dood.
Daar is de dood te werkelijk voor. De dood is het einde van het aards bestaan.
Het is ook geen beter weten van Lukas als hij ons doorverteld
dat de vrouwen hadden kunnen weten dat Jezus zou opstaan.
Er klinkt wel een verwijt aan de vrouwen, uitgesproken door de engel.
Maar dat verwijt is voor ons bedoeld.
Hij wil tegen ons zeggen: betrek elke situatie op God
en houd rekening mee, dat God kan ingrijpen,
de hele situatie kan omkeren, zoals Hij Jezus uit de dood riep
en terugbracht in het leven.
Want Lukas tekent met de weg die de vrouwen gaan de weg voor ons,
Waardoor wij tot geloof kunnen komen:
De start van de weg naar het geloof kan beginnen op het moment dat je God niet kent.
Maar kan ook beginnen op het moment, dat je er geen rekening mee houdt
dat God iets kan doen. Dat je dat geloof hebt opgegeven.
De situatie is zoals je die achtergelaten hebt.
Wat je achtergelaten hebt, is een zieke man op een ziekenzaal in het ziekenhuis.
En voor jouw idee blijft het zoals je het de laatste keer achterliet.
Wat je achtergelaten hebt, is de crisis van je huwelijk
en je ziet niet meer dat het goed kan komen.
Of je denkt dat God niets met je te maken wilt hebben, dat jij niet bij Hem kunt horen.
De situatie is zoals hij is en er is niemand die het verandert.
Ben je dan niet net als de vrouwen die naar het graf gaan om een dode Jezus te vereren?
En als je dan iets aantreft dat je niet verwacht,
duidt je dat niet als een signaal dat God bezig is, dat God Zijn Zoon riep uit het graf,
maar is er schrik, paniek, je moet zoeken, omdat er iets niet klopt.
Voor de vrouwen is het paniek: waar is het lichaam van Jezus gebleven?
Hij zou hier toch moeten zijn? Ze hebben dat toch zelf gezien dat Hij hier neergelegd werd?
Maar hoe ze zoeken, ze vinden niet.
Ook hier is er de omgekeerde weg van God.
Als Hij naar ons op zoek gaat, vindt Hij ons, maar de vrouwen zoeken maar vinden niet.
Omdat ze Jezus zoeken tussen de doden.
Ze zoeken op een plek waar Jezus niet is en daarom vinden ze Hem niet.
Het zijn de engelen die het hen bekend maken dat ze op de verkeerde plek zoeken.
De vraag kan uitgesproken zijn met een verwijt in de stem:
Je had hier helemaal niet moeten zoeken. Je had beter kunnen weten.
De engelen kunnen de vraag ook met een glimlach hebben uitgesproken:
Hier zul je Hem niet vinden, want je zoekt op de verkeerde plaats.
Je gaat er nog vanuit dat Jezus dood is. Maar Hij is hier niet.
Juist dat ze Jezus niet vinden is evangelie.
Meestal is als je iets niet vindt, geen goed nieuws,
Want dan ben je iets kwijt en hoe langer je iets kwijt bent,
hoe kleiner de kans dat je dat wat je kwijt bent nog terugvindt.
Maar de vrouwen zijn alleen een dode Jezus kwijt,
maar dat is goed nieuws, want er is iets gebeurd:
God heeft ingegrepen. Hij heeft Zijn Zoon opgewekt.
Net zoals een ouder een kind roept, omdat het op moet staan,
tijd om uit bed te komen, zo heeft God Zijn Zoon geroepen uit het graf.
Tijd om uit het graf te komen. Opstaan!
Dat is de volgende stap in de weg van het geloof.
De vrouwen begonnen met een verkeerde Jezus en raakten die Jezus kwijt
en moeten zoeken.
Ze vinden Hem weer terug door de woorden van de engelen.
Nu zullen er hier niet in de kerk zoveel zijn die ook door een engel zijn gaan geloven.
Dat kan overigens wel, maar hoeft niet.
Het gaat om de woorden, die tegen je gezegd worden.
Dat kan inderdaad door een engel.
Het kan ook door wat je in een preek hoort, of een ouderling tijdens huisbezoek zegt.
Een meester of juffrouw op school over de Heere Jezus vertelt
of wat je onderling met elkaar deelt.
Dat je het vertelt en tegen elkaar zegt: Weet je dat niet meer dat Jezus is opgestaan?
Ben je dat vergeten?
Ben je vergeten dat de dood niet het laatste is?
Ben je vergeten dat Jezus de dood heeft overwonnen?
Ben je vergeten wat Gods plan was? Met deze wereld? Met jouw leven?
De volgende stap is geloof:
Ik denk dat in de meeste gevallen het geloof niet zo snel komt als bij deze vrouwen
en dat je vaak nog moet zoeken, zoals de vrouwen dat doet op een plek waar Jezus niet is.
En dat er iemand tegen je moet zeggen: Hij is hier niet! Hij is opgewekt!
God is aan het werk geweest.
Wat zoek je de Levende bij de doden?
Je moet op een andere plek zoeken, een plek waar je rekening houdt met God.
Waar zouden wij moeten zoeken als we Jezus willen vinden?
Voor Lukas is dat waar de woorden over Jezus klinken
of waar het sterven en opstaan van Christus wordt gevierd.
In de kerkdienst, bij het avondmaal, als je voor jezelf de Bijbel opendoet,
als je met elkaar over Christus praat, als er een Bijbelverhaal verteld wordt,
als je in jezelf nadenkt over Hem.
Dat zijn allemaal momenten dat je Christus kunt ontmoeten.
Maar het is niet makkelijk om op die woorden af te gaan.
Als de vrouwen de woorden van de engelen doorgeven,
wordt dat afgedaan als kletspraat – jullie hebben iets in je hoofd gehaald.
Het is in je bol geslagen.
Zo wordt er dus op het goede nieuws gereageerd.
Zelfs voor de volgelingen van Jezus is het moeilijk om de opstanding aan te nemen.
Zij moeten de weg van het geloof nog lopen.
Zij zitten nog in de fase waarin de vrouwen die dag begonnen.
Ongeloof wordt vaak maar moeilijk doorbroken.
Vaak is het veel makkelijker om te geloven dat het is zoals het is.
Ze halen hun schouders op.
Behalve één, die Jezus al was kwijtgeraakt:
Petrus, die Jezus kwijtraakte toen Hij Jezus verloochende.
Juist bij hem wordt er iets geraakt, waardoor hij gaat zoeken.
Hij vindt nog niet, maar denkt er wel over na.
Ook dat kan een eerste stap zijn in het vinden van Jezus:
Verwondering: er is iets gebeurd. Je begrijpt het nog niet,
maar je komt er toch niet los van.
Hij staat in het lege graf en ziet de doeken liggen.
Nee, Jezus is er inderdaad niet
– Hij vindt Jezus ook niet. Jezus zal hem vinden.
Zo gaat het vaak: Als je denkt te vinden, blijk je te moeten zoeken.
Maar als je niet kunt vinden, dan wordt je gevonden.
Dan vindt de Herder je. Dat is een troostvolle gedachte.
Amen

In de paaspreek ruimte bieden aan de aanvechting?

In de paaspreek ruimte bieden aan de aanvechting?

In het nadenken over het preken met Pasen wordt vaak gesteld, dat in de paaspreek de aanvechting een plaats hoort te krijgen. In de verhalen van Pasen kan toch ook niet iedereen geloven dat Jezus is opgestaan? Tot voor kort ging ik mee in deze gedachte en stond in mijn paaspreken erbij stil dat door het onvoorstelbare van Pasen de opstanding van Christus moeilijk te geloven is.

ANASTASI3

In de laatste jaren kom ik er op terug. Ik ga nu zelfs uit van het tegenovergestelde: in de paaspreek hoort de aanvechting niet thuis. Dat is net zomin gepast als je op de dag waarop je een huwelijksjubileum opbiecht dat er geregeld momenten zijn waarop je de ander niet ziet zitten. Daar zijn andere momenten voor. De aanvechting die er kan zijn, kan in de zes weken van de Veertigdagentijd, de zeven weken van de Lijdenstijd een plaats krijgen. Met Pasen is aanvechting in een preek ongepast.

In de verhalen rondom Pasen komt ook geen aanvechting voor. Wel ongeloof van de vrouwen, de leerlingen, van Thomas en de Emmaüsgangers, die geen rekening hielden met de opstanding. Deze vrouwen en de leerlingen worden dan ook niet getroost of bemoedigd, maar aangesproken, weggeroepen uit het ongeloof. Het is typerend voor onze tijd dat het ongeloof uit de verhalen om Pasen heen afgezwakt wordt tot aanvechting.


b3-64

Mijn vermoeden is dat mijn meeste collega’s hier anders over denken en zullen zeggen dat de aanvechting bedoeld is om de luisteraar op te halen waar hij of zij zit. Maar in mijn optiek gaan we, als we met Pasen de aanvechting een plek te geven in de preek, de aanvechting en de twijfel legitimeren, goed praten. Gaan we de ernst van het ongeloof bagatelliseren. Dat gebeurt naar mijn idee te vaak in deze tijd. Ik geef toe: eerst ging ik er ook in mee, maar ik beschouw het nu als een zorgelijk verschijnsel. Aanvechting een plek geven in de paaspreek zou wel eens net zo goed een vorm van therapeutisering van het geloof kunnen zijn, zoals dat vaker in deze tijd gebeurt.

Wanneer de aanvechting een plek krijgt, omdat de doxologie als preekstijl niet de makkelijkste is, dan kan ik dat nog begrijpen. Zelf vind ik dat niet de makkelijkste preekstijl: de preek vanuit de lofprijzing op God opbouwen, de gemeente daarin meenemen en met elkaar eindigen in die lof op God. Dat geeft aan dat er een kloof is in de gereformeerde spiritualiteit tussen theorie en praktijk. De theorie zegt dat de lof op God het hoogste is. De mens is geschapen om God te eren. De Nederlandse Geloofsbelijdenis begint bijvoorbeeld met een doxologie. Ook het antwoord van zondag 1 is als een doxologie te beschouwen.

Dan is het op zijn minst apart dat juist in de vorm waarin volgens de gereformeerde traditie God tot de gemeente komt, namelijk de preek, de aanvechting gekoesterd wordt. Dan is het op zijn minst apart dat er gepleit wordt om op de dag waarop we zo ongeveer de grootste gebeurtenis uit onze geschiedenis gedenken, pleiten om te benoemen dat dit toch wel erg moeilijk is om te geloven. Hoe komt God dan aan zijn eer?
Aanvechting mag bij Pasen in de preekvoorbereiding. Ik kan me dat goed voorstellen. Maar in de preek met Pasen hoort de aanvechting geen plek te krijgen. Hooguit als overwonnen aanvechting, als twijfel die de mond gesnoerd wordt. Aanvechting kan best op andere zondagen aan de orde komen in de verkondiging, net als de klacht of de waaromvraag. Maar met Pasen niet. Ook in de Paastijd niet, die uitloopt op de Hemelvaart, de troonsbestijging van Christus.
b3-75

Net zoals de Adventsweken en de Lijdenstijd / Veertigdagentijd een oefening zijn in nederigheid, schuld belijden, inkeer, zijn voor mij de weken na Pasen een oefening in de doxologie.  Ik zie het als een gebrek in onze gereformeerde traditie, dat we – naast het zingen – weinig andere vormen van doxologie hebben.

Te veel antwoorden in Reinier Sonnevelds boek over geloofstwijfel

Te veel antwoorden in Reinier Sonnevelds boek over geloofstwijfel

In 2013 kreeg ik de vraag van het RD om het boek “De stilte van God” van Reinier Sonneveld te bespreken. Op 30 maart 2013 verscheen deze recensie in het RD: ”De stilte van God. Zie ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2013/06/13/n-a-v-de-stilte-van-god-reinier-sonneveld/

“Waarom geloven moeilijk is”, is het nieuwste boek van Reinier Sonneveld, schrijver van onder meer populair-theologische werken.

De auteur heeft in zijn leven een tijd gehad waarin hij het geloof losgelaten heeft, maar kwam erachter dat hij geloviger was dan hij dacht. Vanuit die ervaring heeft hij dit boek geschreven over geloofstwijfel, waarin hij als een gids wil laten zien hoe twijfel opkomt. Daarbij gaat hij verschillende thema’s langs, zoals de vraag waarom God niet ingrijpt, groepsdruk, schuld.

”De stilte van God” is in heel populaire stijl geschreven, vol met anekdotes, voorbeelden en foto’s, waarschijnlijk bedoeld om twijfelende jongeren te overtuigen.

Het is niet gemakkelijk om er een recensie over te schrijven, omdat het een bizar boek is dat ik om verschillende reden met verbijstering heb gelezen.

Allereerst omdat Sonneveld niet doet wat hij toezegt. Hij geeft aan dat hij, anders dan andere apologeten, geen rationele oplossing wil bieden of een betere communicatie van het geloof, maar een boek dat het hart raakt. Maar op de laatste paar bladzijden na raakt hij nergens het existentiële niveau en blijft hij op het niveau van oppervlakkige redenaties. Zo beweert Sonneveld bijvoorbeeld dat wie zelf lijdt het geloof in God niet opgeeft. Dat is gewoonweg niet waar! Te vaak heb ik meegemaakt dat mensen juist door het lijden dat zij doormaakten hun geloof kwijt­raakten.

Steeds wanneer Sonneveld in de verschillende hoofdstukken de existentiële laag niet weet aan te boren, roept dat bij mij de vraag of hij wel twijfel gekend heeft. Hij is er zelf ambivalent over. Op het moment dat hij zich wilde laten uitschrijven, kwam hij erachter dat hij geloviger was dan hij zelf had willen toegeven. Ook al komen er teksten met existentiële diepgang in zijn betoog voor, zoals klaagpsalmen, gedichten en romanfragmenten – die worden slechts genoemd als illustratie.

De auteur weet niet aan te voelen waarom er zo veel mensen zijn die niet meer geloven of niet meer kunnen geloven. Een groot bezwaar tegen zijn boek vind ik dat hij te weinig de pijn, de verwarring en het gemis die twijfel meebrengt, peilt. Te gemakkelijk suggereert Sonneveld ook dat geloof en twijfel een keuze zijn, die gemaakt kan worden. God kwijtraken is vaak geen keuze, maar een onthutsende ervaring waarbij geen oppervlakkige antwoorden passen.

Sonne­velds betoog wemelt echter van de antwoorden. Hij maakt daarbij onderscheid tussen kort, eenzijdig, lang en complex. Ook al heeft deze laatste categorie met Jezus te maken, het zijn toch korte en eenzijdige antwoorden. Deze wekken ook de suggestie dat mensen God en Zijn handelen kunnen verklaren. Alsof God en Zijn wegen voor mensen begrijpelijk en navolgbaar zijn. Ik mis daarin het besef dat mensen de Heere niet kunnen narekenen en verklaren.

Sonneveld voelt niet alleen niet aan wat twijfel is, maar begrijpt ook niet waarom anderen niet meer geloven of niet meer kunnen geloven. Bovendien mist hij het respect voor mensen die anders denken. Op een pijnlijke wijze wordt dat duidelijk als hij spreekt over atheïsten. Sonneveld haalt de psycholoog Paul Vitz aan, die beweert dat alle bekende atheïsten een problematische relatie hebben met hun vader of een vaderfiguur in hun leven hebben gemist. Hier maakt de schrijver een denkfout: hij suggereert dat wat bij veel bekende atheïsten voorkomt, bij alle atheïsten het geval moet zijn. Bovendien wekt hij de suggestie dat een biografisch gegeven (het gemis van een vaderfiguur) bezwaren van atheïsten irrelevant maakt.

Dit boek helpt anderen niet in gesprekken met niet-gelovigen, omdat de suggestie gewekt wordt dat overal een antwoord op te vinden is. In deze tijd is een luisterende houding belangrijker, waarbij vragen over God en het geloof worden aangehoord zonder een antwoord te hebben.

In het boek mis ik het zwijgen in omstandig­heden waarin geen antwoorden zijn, omdat wat er gebeurd is te erg is en elk woord wat er gezegd wordt te veel is. Zelfs aan het einde van het boek, waar Sonneveld iets zegt over het zwijgen voor God, staat dat in het teken van de verklaarbaarheid van God.

Christenen zijn niet geroepen overal een antwoord op te hebben, maar om er te zijn voor de ander. Om te luisteren, en niet weg te vluchten uit situaties waarin alle antwoorden stukbreken. In zulke omstandig­heden hebben christenen de taak om het in de machteloosheid uit te houden en slechts te roepen naar God en te hopen op Zijn komst. Door met antwoorden klaar te staan, kunnen we God voor de voeten lopen.

Uiteindelijk haalt Sonneveld zijn titel onderuit: het boek eindigt met de oproep om de stilte van God niet te accepteren. De aansporing om God niet los te laten, is heel begrijpelijk, maar had er in het boek ook niet meer aandacht moeten zijn voor het respecteren en dragen van Gods zwijgen als een oefening in kruisdragen? Christenen moeten meer leren om de hand op de mond te leggen en te wachten op God.

De stilte van God. Waarom geloven moeilijk is, Reinier Sonneveld; uitg. Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2013; ISBN 978 90 5881 690 0; 383 blz.; € 17,90.

30-07-2013

Preek zondagmorgen 18 februari 2018

Preek zondagmorgen 18 februari 2018

Mattheüs 11:2-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Inleiding: een vraag hebben
Heeft u nooit eens vragen over Christus?
Ik kan me niet voorstellen dat u nooit uw vragen hebt.
Over wat Christus doet in uw leven:
Waarom moest ik mijn man kwijtraken, mijn baan, mijn gezondheid?
Dat kunnen vragen zijn, die je bezig houden
en waardoor je geloof toch minder sterk was dan je dacht.
Er komt zachtjes aan een twijfel boven: is het allemaal wel waar?
Die vraag kan sterker worden als je niemand hebt om over die vraag te spreken,
als je niemand hebt, die begrip heeft voor je vraag,
die er naar luistert en er op een wijze manier op kan reageren.

Je hoeft niet zelf iets meegemaakt te hebben om zulke vragen te hebben.
Ook door wat er in de wereld gebeurt, kunnen vragen boven komen
waardoor je het allemaal niet meer zo zeker weet
of God deze wereld wel leidt, zoals Hij gezegd heeft.
Je hoeft maar naar een gebied te kijken als Syrië of als Jemen,
gebieden waar de oorlog niet ophoudt en steeds weer grote aantallen slachtoffers maakt.
Waarom doet God er dan niets aan?
Hij kan dat toch? Of wil Hij toch niet? Of kan Hij het toch niet?

Zo kunnen er in het hart van een gelovige heel wat vragen leven over God.
Mag je die vragen eigenlijk wel hebben?
Is het wel gepast om vragen te stellen bij God?
Maar al wil je die vragen wegdrukken, door mooie liederen te zingen
of het nieuws niet meer te volgen, die vragen krijg je niet weg.
Ze blijven leven in je hart.
Dan kun je hier in de kerk zitten, aan de buitenkant lijkt het dat je vol overgave mee doet,
maar van binnen kunnen er zoveel twijfels leven dat je je afvraagt
wat je hier in de kerk nog doet
en of je er niet beter aan doet om te stoppen met de kerk, met geloven.

(1) De vraag van Johannes
Ook Johannes heeft zijn vragen over Jezus.
Johannes heeft Jezus aangekondigd: Hij is degene die we verwachten.
Naar Hem hebben we uitgekeken. Hij is eindelijk gekomen!
Johannes heeft zelf zijn bijdrage geleverd.
Hij zei tegen de mensen van zijn eigen volk dat ze hun leven moesten veranderen.
Want het leven van zijn volksgenoten paste niet bij een leven met God.
Ze hadden God buitengesloten door hun manier van leven.
Johannes was doordrongen van de grote ernst van de situatie, de kritieke toestand:
Straks als God verschijnt hier in ons midden zal God onze rechter zijn.
Hij zal over jullie levens oordelen
en zoals het er nu voorstaat, is niemand het waard om bij Hem te horen.
Jullie zijn een boom, waaraan vruchten zouden moeten groeien,
maar jullie brengen niets voor God op.
Het is 5 voor 12, het is al zo erg dat er al een bijl aan jullie levensboom klaarligt.
God hoeft die bijl alleen nog maar op te pakken en jullie om te hakken.
Jullie zijn alleen nog maar geschikt om in het vuur te branden.

Er is nog een mogelijkheid om te ontkomen aan dat oordeel:
door je te laten dopen.
Door in de Jordaan de doop te ondergaan geef je als gelovige aan:
Ik begin helemaal opnieuw.
Mijn leven hiervoor heb ik verkeerd geleid
en ook mijn besnijdenis was geen garantie dat ik op de goede weg was.
Alleen door opnieuw te beginnen, opnieuw geboren te worden,
ontkom ik aan Gods oordeel.

Johannes zag zich geroepen om het volk te waarschuwen,
om hen de ernst te laten zien: zo op deze manier gaat het mis.
Er moet iets veranderen in je leven: bekeer je en laat je dopen.
Johannes is radicaal en spaart niemand.
Hij spaart niet de eenvoudige, gewone mensen.
Hij zwijgt niet als de Farizeeën en de Schriftgeleerden komen, maar klaagt hen fel aan.
Hij houdt zijn mond niet als er soldaten zijn: nee, ook zij moeten de wapens neerleggen.
Ook Herodes wordt niet gespaard.
Hij spreekt hardop uit dat wat de koning doet niet in de haak is.
De relatie die Herodes heeft aangeknoopt,
Herodes die het aanlegde met de vrouw van zijn broer
en zo het huwelijk van zijn broer kapot gemaakt heeft
door een relatie aan te gaan met zijn schoonzus Herodias.
Johannes zwijgt daar niet over. Publiekelijk vertelt Johannes dat dit niet kan.
en dan wordt Johannes in de gevangenis gegooid.

Als Johannes in de gevangenis zit, is hij niet pessimistisch.
Nee, hij is juist hoopvol gestemd.
Want hij, Johannes, mag dan wel vast zitten in de gevangenis,
maar er is iemand gekomen, die zijn taak overneemt en voortzet: Jezus.
Heel de verkondiging en ook het dopen is op de komst van Jezus afgestemd.
Want was er bij Johannes nog een mogelijkheid om tot inkeer te komen,
als Jezus Zijn werk zal doen, zal die mogelijkheid voorbij zijn.
Jezus zal de troon beklimmen en het volk aanklagen,
als rechter het volk oordelen: Wat heb je gedaan met de geboden van God?
Vol hoop wacht daar in de gevangenis Johannes
totdat Jezus orde op zaken zal stellen als Zoon des mensen,
vanuit de hemel gekomen om het volk te zuiveren van de goddelozen.

Dan hoort Johannes de verhalen over Jezus.
Zijn leerlingen komen bij hem in de gevangenis
en vertellen wat Jezus doet, terwijl Johannes in de gevangenis zit.
Jezus die zelf door Johannes is gedoopt
en over wie Johannes zei: Hij is degene die we verwachten.
Hij komt meer doen dan ik: Hij komt om het volk te dopen met Geest en vuur.
Mocht de prediking van Johannes al scherp en radicaal zijn,
Jezus zal met Zijn verkondiging en optreden Johannes overtreffen.
Zijn leerlingen komen met de verhalen.
Ze hebben Jezus zelf bezig gezien, of ze hebben over hem gehoord.
Ze vertellen over hoe Jezus  geneest.
Jezus heeft oog voor de zieken en de mensen met een lichamelijke beperking.
Blinden, die helemaal afhankelijk zijn van de hulp van anderen, worden genezen
en kunnen weer zien.
Mensen die verlamd zijn en zichzelf niet kunnen verplaatsen, kunnen weer lopen.
Mensen die te maken hebben met melaatsheid, huidvraat, worden genezen
en hoeven niet meer in afzondering te verblijven,
maar mogen weer terug naar huis.
Zelfs doden worden door Jezus opgewekt.
En Jezus heeft een boodschap – soms radicale uitspraken, verhalen en gelijkenissen.
Jezus vertelt over een nieuwe wereld die komen gaat: het koninkrijk der hemelen.

Mooie berichten – en toch komt er aarzeling bij Johannes:
Is dit het nu? Is dit nu er nodig is in Israël op dit moment?
Is dit wat Gods plan was?
Het is voor ons vreemd, want voor ons is met Jezus juist Gods plan uitgekomen
en zijn die wonderen die Jezus die verteld.
Waarom komt dan de twijfel bij Johannes? Wat had hij verwacht?
Waar blijft dat optreden van Jezus, waar Johannes op zou te wachten:
Schoon schip maken bij het volk, zodat het volk weer heilig genoeg is om met God te leven.

Daarom stuurt Johannes enkele van zijn leerlingen naar Jezus met een vraag:

‘Bent U het die komen zou, of verwachten wij een ander?’
Hebben we met Jezus wel de goede te pakken?
Het is een officiële delegatie die door Johannes wordt gestuurd.
Het is meer dan twijfel,
het is zelfs openlijke kritiek van Johannes op Jezus:
‘Waarom doe je niets? Je bent toch niet voor niets uit de hemel gekomen?
Waar wacht je nog op?
Waar blijft dat optreden van je? Waarom laat je de goddelozen hun plek behouden?
Waarom doe je niets aan de zonden van het volk
en trek je alleen maar rond om te genezen en te preken
Dan ben je toch geen messias? Ben je dat dan niet? Ben je niet de messias?

(2) Het antwoord van Jezus
Met deze vraag komen de leerlingen bij Jezus.
Kan Jezus wel tegen deze kritische vraag van Johannes?
Johannes staat dicht bij Jezus: Jezus is gedoopt door Johannes
en Johannes heeft op Jezus gewezen: naar Hem hebben wij uitgekeken.
En dan deze vraag van Johannes aan Jezus.

Christus blijft kalm.
Geen felle verdediging en Jezus reageert ook niet beledigd, maar rustig:
‘Zeg tegen Johannes wat je hier ziet en hier hoort.’
En dan volgt precies wat Johannes al weet.
Zeg tegen Johannes dat blinden weer kunnen zien, dat verlamden kunnen lopen,
dat de mensen die melaats zijn of te maken hebben met huidvraat genezen zijn.
Doden worden opgewekt.
Aan armen wordt het evangelie verkondigd.
Voor Johannes is er niets vreemds – dit weet hij al.
Zoals Jezus het echter vertelt, krijgt het een bepaald gezag.
Dit hebben de profeten aangekondigd, dat dit zou gaan gebeuren
als God weer terug zou komen in het midden van Zijn volk.
Dit zijn de tekenen die dan zouden gebeuren als God er weer was.
En dat Zijn de wonderen die nu gebeuren, nu Jezus er is.
Dat zijn de daden die de messias verricht.
‘Johannes, je had het kunnen weten, want dit staat ook in je Bijbel.’
Tegen Johannes, die vindt dat Jezus orde op zaken moet gaan stellen,
zegt Jezus: Ik ben ook gekomen om orde op zaken te stellen.
Ik ben namelijk gekomen om iedereen die buiten de boot viel, terug te brengen,
de verloren schapen van Israël weer terug te brengen naar dit volk.
Omdat ze anders ook niet bij God horen.
Johannes, jij wilt weten wat ik hier kom doen.
Je hebt over die wonderen gehoord, die Ik verricht,
maar het allerbelangrijkste, de climax, is de verkondiging,
de armen die over Gods nieuwe wereld horen,
de blijde boodschap, het Koninkrijk van God.

we vinden het mooi om te horen dat blinden weer kunnen zien, dat doven kunnen horen,
dat lammen kunnen opspringen en dat de doden uit hun graven komen,
maar de climax, het allerbelangrijkste is de verkondiging:
degenen die niets hebben, horen de blijde boodschap dat ook voor hen het Koninkrijk is:
zalig de armen van Geest, want voor hen is het koninkrijk der hemelen.
Al de wonderen die Jezus verricht ondersteunen de boodschap van Jezus.

Overtuigt dit antwoord?
Zou Johannes tevreden zijn met dit antwoord dat Jezus geeft?
Zal hij zeggen: ik weet genoeg, U bent inderdaad de messias?
Jezus zegt er trouwens nog iets bij, niet duidelijk of dat voor Johannes bedoeld is,

 

 

voor de leerlingen van Johannes of voor de menigte:
zalig degenen die geen aanstoot neemt. Zalig degene die niet over Mij struikelt.
Als we het zo lezen, dan komt op ons het antwoord van Jezus niet zo geloofwaardig over.
Jezus herhaalt wat de discipelen van Johannes ook al gemeld hebben aan Jezus.
Heeft Jezus dan niet meer te zeggen?
Is het ook niet onze vraag: Waarom doet Jezus niets?
Waarom blijft de aarde sinds het kruis hetzelfde en hebben oneerlijke mensen, zondaren,
goddelozen hun macht in deze wereld nog even goed als voor dat kruis?
Het antwoord van Jezus: Kijk naar wat ik doe, naar wat ik zeg
en let daarop wat het met God te maken heeft, het het over God zegt:
Eerst barmhartigheid. Barmhartigheid staat voorop.

Jezus laat het oordeel overigens niet achterwege.
Spreken over het oordeel en over Jezus die zal oordelen
is niet alleen iets van de Vrije Oud Gereformeerde Gemeente of de HHK.
Want Jezus zal later nog vaker over het oordeel spreken
en wat er gebeurt als Jezus terugkomt,
hoe dat over iedereen het oordeel wordt uitgesproken.
vgl. Betsäida en Chorazin.

(3) De vraag van Jezus
We kunnen niet alles aan de orde stellen.
Maar nog even wel de aandacht voor de vraag die Jezus stelt.
Aan de menigte.
Ooit las ik een boek van een hoogleraar Nieuwe Testament,
waarin hij iets schreef over deze passage.
Ik had daarvan in mijn Bijbel een aantekening bij gemaakt.
Deze hoogleraar was het opgevallen dat als er mensen bij Jezus komen met een vraag
er een antwoord komt en een wedervraag.
Die wedervraag, de vraag van Jezus, was bedoeld om die ander tot geloof te bewegen,
te doen nadenken over zichzelf en God, een uitnodiging om te bekeren
om het leven radicaal te veranderen en Jezus te volgen.
Want al was de insteek van Johannes en Jezus anders: het doel was wel hetzelfde.
Bekering, zodat het volk weer leeft met God.
Daarom komt die vraag van Jezus nu aan de menigte die de vraag hoorde
en die hoorde wat Jezus zei tegen Johannes.
Nu is het opeens weer positief over Johannes:
Toen jullie naar Johannes gingen, wat gingen jullie toen zien?
Iemand die zo instabiel is, steeds weer wijzigt van standpunt en plannen
net zoals riet in de wind op en neer beweegt?
Iemand die tegen de een scherp is en tegen de ander heel voorzichtig,
omdat die ander veel meer geld heeft? Nee, als er iemand stabiel is
en steeds dezelfde boodschap had, was het Johannes de Doper
Hoe denken jullie, mensen die om Mij heen staan, van Johannes?
Wat zag je in hem? Waarom gingen jullie zover weg om Johannes in de woestijn te zien?
Het is een vraag naar hun geloof,
naar de manier waarop ze tot inkeer komen.
Heb je de confrontatie van Johannes nodig of de barmhartige wijze van Jezus?
Heb je een scherpe kritiek nodig, waardoor je ogen opengaan
en je leven veranderd wordt?

Wat heb jij nodig om zover te komen dat Christus een plek in jouw hart heeft?
Geldt voor jou, dat je niet ging dansen,
toen het evangelie op een vrolijke manier werd gespeeld?
Ik hoor dat wel eens mensen van buitenaf zeggen: Bij jullie heb je vrolijke liedjes.
Maar doen ze wat? Brengen ze je zover dat je meedoet, dat je meezingt,
Ik wil zingen van mijn Heiland
Of zing je, maar blijft je hart koud en kil, onbewogen?
Of heb je een ernstige boodschap nodig, zoals ik pas hoorde bij de Vrije Oud GerGem.
Ook dat kan je hart afsluiten: ouderwets, niet meer van deze tijd.
Ik bedacht dat de inhoud weinig afwijkt van onze manier van preken.
Goed een andere toepassing, een andere manier van preken en diensten,
maar wel een ernst – het gaat ergens om: om je eeuwige zaligheid
om in te gaan in het koninkrijk van God.
Of ben je net als degene die zag hoe de kinderen begrafenisje speelden,
maar je deed niet mee, je stond erbuiten.
Nu even geen zwaar gedoe.
Het gaat om je hart, het gaat erom dat je je gewonnen geeft.
Juist als je twijfelt wie Jezus is, juist als je twijfelt of dit Gods weg is,
dan kan het volgen moeilijk worden,
dan is het niet eenvoudig om je over te geven en te knielen en te zeggen:
U bent mijn God.

Ik geef mij gewonnen:

Ja ik geloof, ja ik geloof,
dat Jezus voor mij stierf
en dat Hij aan het smaad’lijk kruis,
mijn eeuwig heil verwierf.

Wat is er nodig? Radicale en ernstige verkondiging – een preek van Johannes?
Of de manier van werken van Jezus – Gods barmhartigheid, eerst toch weer een kans?
Beide manieren kun je afwijzen. Voor beide manieren van preken kun je je hart sluiten.
Hoort u bij die generatie, die niet luisterde toen het ernstig was
maar ook niet meedeed toen het een vrolijke boel was of omgekeerd.
‘Dit is niet iets voor mij!’ Waarom zou het niet voor u, voor jou zijn?
Of het nu op een liefdevolle manier gaat, vol barmhartigheid,
of ernstig, onder dreiging van het komende oordeel:
Het doel is hetzelfde: dat u komt en zich gewonnen geeft
aan deze messias, deze Christus
en dat u zegt, dat jij belijdt: Mijn Heere en mijn God.
We begonnen met onze vraag aan Jezus.
Het eindigt met de vraag van Jezus aan ons.
Dan zijn niet alle vragen weg, maar hebben we wel te antwoorden Zijn vraag.
Zijn vraag die ons wil winnen voor Zijn koninkrijk
en dat u zegt, dat jij belijdt: Mijn Heere en mijn God.
Amen

 

 

Omgaan met twijfel bij jongeren

Omgaan met twijfel bij jongeren
Workshop HSJJ 12 oktober 2017.
(Zie voor programma: hier)

Groeien naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid
Omdat jongeren groeien naar volwassenheid, bevinden ze zich in een levensfase waarin veel voor hen verandert. Ze groeien naar een zelfstandige persoonlijkheid. Ze worden geacht zelfstandig na te denken, beslissingen te nemen, zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven en voor de keuzes die ze maken. Dat is zowel een uitdaging als een grote klus. Deze uitdaging en deze klus vraagt veel van hen. De groei naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid gaat niet vanzelf en kost veel innerlijke, psychische kracht. Jongeren kunnen in deze fase ook innerlijke schade oplopen. Omdat deze groei naar volwassenheid veel met hen doet en omdat het niet altijd goed lukt, worden ze gedwongen om over zichzelf na te denken. Niet altijd hebben ze daar de goede handvatten voor meegekregen.

Groeien naar een eigen,  volwassen, zelfstandig geloof
In deze fase van groeien naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid groeien jongeren ook naar een volwassen, zelfstandige gelovige. Ze ontwikkelen hun eigen gedachten over God, over de kerk, over medegelovigen, andersgelovigen. Dat gebeurt op basis van de ervaringen die ze meemaken, wat ze tegenkomen en hun eigen denkprocessen.
Die ervaringen die ze hebben kunnen anders zijn, dan wat ze tot dan toe over God, over de kerk, over geloof hebben meegekregen. Hebben ze bijvoorbeeld gehoord dat God er altijd is, dan kan de ervaring van een jongere zijn dat ze helemaal niets van Hem ervaren. Ook al zoeken ze nog zo intens. Ze moeten gaan nadenken, hoe ze dat bij elkaar krijgen: de officiële leer van de kerk, van ouders, van school en hun eigen ervaring en gedachten. De een kiest ervoor om de eigen gedachten en ervaringen wat opzij te zetten en kiest voor de officiële versie. Een ander kan juist kritisch worden op de officiële versie en de eigen gedachten als uitgangspunt nemen. Voor elke jongere geldt dat ze in deze fase groeien naar een eigen, volwassen, zelfstandig geloof. Ze groeien – als het goed is naar een eigen band met Christus.

Hoe ontstaat twijfel?
Twijfel kan op verschillende manieren ontstaan:

 

  • Als de eigen ervaring met God (of juist geen ervaring met God) afwijkt van wat ze altijd hebben gehoord.
  • Als ze veel ingrijpende dingen meemaken in de familie of vriendenkring, of in het wereldgebeuren, die ze niet kunnen rijmen met Gods leiding in deze wereld.
  • Als wat ze horen van het christelijk geloof in de preek, op catechisatie, op school, thuis ver van hun belevingswereld afstaat.
  • Als ze mensen tegenkomen die niet of op een andere manier geloven.
  • Als ze in aanraking komen met theorieën die voor hun gevoel botsen met het christelijk geloof, zoals evolutie, atheïsme.

 

 

Is twijfel verkeerd?
Twijfel is niet verkeerd. Zolang het maar geen houding is of eindpunt. Niet zelden is twijfel een vorm van wel willen geloven, maar op de een of andere manier niet kunnen geloven.
In de Bijbel komen we dat ook geregeld tegen. Bijvoorbeeld in de psalmen, waarin nogal eens geworsteld wordt met wat God doet of juist niet doet. Denk aan Psalm 13, Psalm 22, Psalm 80. Het bijzondere van deze teksten is dat het geen ongeloof is, maar heel diep geloof: als iemand iets kan doen, is God het wel. Maar het lijkt wel of Hij niets doet. Of Hij doet ook niets.
Ook in de verhalen over de Heere Jezus is twijfel iets dat steeds weer opkomt. Petrus die door het water zakt, omdat hij te weinig geloof heeft (Mattheüs 14:30). De leerlingen die een zieke niet kunnen genezen omdat ze te weinig geloof hebben en een man die wel wel geloven, maar vraagt of Jezus zijn ongeloof te hulp komt (Markus 9:14-27). Zelfs als Jezus is opgestaan is de twijfel niet bij iedereen overwonnen (Mattheüs 28:17).
Twijfel hoort bij de tijd dat wij als gelovigen nog op aarde leven. Misschien is het beter om te spreken over aanvechting: een geloof dat steeds aangevochten wordt. Twijfel hoort ook bij de fase van groei naar een volwassen, zelfstandig geloof.

Hoe om te gaan met twijfel bij jongeren?
Het is goed om vast te houden dat twijfel niet vreemd is:

  • er gebeurt zoveel in ons leven en in deze wereld dat we niet kunnen rijmen met Gods leiding in deze wereld.
  • voor jongeren zijn veel dingen onzeker. Dat werkt ook door in hun geloof.
  • Twijfel is authentiek en serieus te nemen als het een onderdeel is van een zoektocht om God beter te leren kennen.

Het is zinvol om uit te leggen:

  • dat twijfel onderdeel van een zoektocht is
  • dat in de Bijbel en onze geloofsleer twijfel en aanvechting ook een plek hebben.
  • dat twijfel een weg kan zijn om te groeien naar een eigen geloof.
  • om te laten zien dat er geen keuze gemaakt te hoeven worden tussen de eigen ervaring en inzichten en de officiële geloofsleer. Jongeren zijn geholpen als ze merken hoe de dialoog op gang gebracht wordt en wat hun twijfel kan leren van de officiële geloofsleer en omgekeerd.

In het contact met jongeren gaat het nooit alleen om de inhoud, maar ook altijd om de houding en de relatie:

  • Bied een open oor en schrik niet te snel als ze hun twijfels uiten.
  • Wees authentiek en open. Vertel als je zelf twijfels gekend hebt, waar ze vandaan kwamen en hoe jezelf daarmee omgegaan bent. Als je zelf heel overtuigt gelooft, vertel dan hoe je in je geloof gegroeid bent. Jongeren kunnen de kerk als een waardevolle plek waarderen als ze daar hun twijfels en vragen kunnen uiten, omdat ze serieus genomen worden.
  • Vraag door waar hun twijfels vandaan komen. Heb oog voor hoe vragen en twijfels opkomen uit wat ze meegemaakt hebben en zien in de wereld om hen heen.
  • Leer ze handvatten om over zichzelf en over God na te denken.

Preek Eerste Paasdag

Preek Eerste Paasdag
Johannes 20:1-10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bent u blij? Bent u vol vreugde, omdat Christus is opgestaan?

Misschien zegt u daar wel volmondig ja op:
Ja, ik ben blij, verheugd, omdat Christus is opgestaan.
Naar het Paasfeest kijk ik al weken uit, om de opstanding van Christus te vieren.
Zeker als we met de gemeente samenkomen, het geloof in de opgestane Heer samen delen om samen als gemeente, met de kerk over heel de wereld en door alle tijden heen
de lof op Christus te bezingen, met de liederen die we zingen, met de koperblazers erbij:
Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, U zij de glorie!

Of misschien zegt u: Ja, ik ben blij, Pasen is voor mij het belangrijkste feest.
Veel mensen zijn in een feeststemming met Kerst,
maar voor mij is wat wij met Pasen vieren echt de kern van het christelijk geloof.
Dat onze Heer opstond uit de dood, de dood heeft overwonnen
is een bevestiging dat het kruis op Golgotha zo’n ontzaglijke betekenis heeft,
dat ook mijn zonden zijn vergeven en dat ik bij God mag horen.

Of u zegt: Sinds ik een geliefde mis, een van mijn ouders, mijn man, mijn vrouw,

of zelfs een kind of een kleinkind, heeft Pasen voor mij een diepe betekenis gekregen:
ik heb afscheid moeten nemen en ik voel die lege plaats elke dag nog,
er gaat geen dag voorbij of ik denk aan degene van wie ik afscheid moest nemen,
maar ik weet dat er een dag komt, waarop er een weerzien is.
Ook al heb ik verdriet, ik ben niet zonder hoop,
omdat Christus uit de dood is opgestaan en de levende Heer gezegd heeft,
dat er een dag komt, waarop alle graven zullen opengaan
en degenen die reeds overleden zijn, zullen opstaan uit de dood.
Sindsdien trek ik mij op aan Pasen, aan de wetenschap dat de dood niet het einde is.
De Heer is waarlijk opgestaan!

Het kan ook zijn, dat u die vreugde helemaal niet hebt. Het is in uw leven niet zo vreugdevol.
Soms zijn er van die momenten dat je er even bovenuit getild wordt, dat je troost ervaart
maar er zijn ook heel wat momenten dat die troost er niet is en dat God ver weg is,
het is wel Pasen en ik zit hier wel, maar ik heb er – als ik eerlijk ben – weinig verwachting van
dat God mij vanmorgen opzoekt en hier in de dienst aanspreekt.
Daarvoor is er teveel gebeurd in mijn leven. Ik draag een hele last mee.
Het lijkt wel of er op mijn hart ook zo’n steen ligt als bij het graf van Jezus.
Maar die steen werd nog door de engelen weggeduwd.
De steen op mijn hart ligt er nog, geen engel die deze steen wegduwt om mij uit te laten.

Of misschien heeft u wel mensen om u heen, in de vriendenkring of in het eigen gezin
die niet meer kunnen geloven en er daarom niet zijn.
De verhalen van Pasen beginnen niet met de vreugde en ook niet met geloof.
Sterker nog, het dringt maar moeizaam door tot de vrouwen die het graf bezoeken
en ook tot de leerlingen, dat Jezus is opgestaan.
De Paasverhalen in alle vier de evangeliën laten zien dat degenen die het graf bezoeken
vooral rekening houden met een dode Jezus, met hun Meester, die in het graf ligt.
Zo hebben ze Jezus achter gelaten, in doeken gewikkeld,
waarmee ze Zijn lichaam hadden ingewikkeld, nadat ze het van het kruis gehaald hadden.
Het is vroeg op de morgen van de eerste dag, schrijft Johannes,
als Maria Magdalena naar het graf gaat.
Daarin schemert al iets door van het nieuwe, het onvoorstelbare, een nieuw begin,
zo bijzonder dat je vanaf deze dag gaat tellen:
die dag van Jezus opstanding, dat was de eerste dag van een nieuwe tijd.
De eerste dag: het is de twinkeling van de hoop, die God op aarde bracht.
Het is nog niet te zien, want het is donker, maar toch een nieuw begin,
want het begin van een nieuwe dag, dat betekent dat het donker bijna voorbij is
en dat de dag bijna in Gods licht zal staan
en deze keer niet een dag als andere dagen,
maar de eerste dag van een nieuw tijdperk,
waarin de macht van de dood verbroken is, waarin de vorst van deze wereld,
de slang, verslagen is.
O morgen van verblijden, o dageraad, o licht.
Zie na de nacht van lijden toont God Zijn aangezicht.
Het is nog donker, maar  de nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver.

Voor Maria is die nieuwe morgen nog niet te zien.
Ze heeft niet door dat ze reeds loopt in een nieuw tijdperk.
Het is voor haar nog donker.
Het graf is al leeg, de Heer is opgestaan,
maar Maria heeft er geen erg in, vol gedachten aan wat de afgelopen dagen is gebeurd.
Hoe Jezus aan het kruis ging en zij daar onderaan het kruis stond
en met eigen ogen gezien heeft dat Jezus stierf.
Wellicht was ze erbij toen Jozef van Arimethea en Nicodemus het lichaam van Jezus
van het kruis haalden, dat in een doek wikkelden en in het graf legden.
Dat was de laatste keer dat ze Jezus, haar Jezus, haar Heer zag.
Ze wilde Hem nogmaals bezoeken.
De reden wordt niet genoemd, misschien als eerbetoon of als pelgrimage,
of gewoon, zomaar zonder verwachting, om gewoon alleen maar even te zijn
waar de dode Jezus is gelegd, om nogmaals afscheid te nemen.
Je vindt er niks, zeggen gemeenteleden soms als ze aangeven
waarom ze niet zovaak naar het graf gaan.
Of als ze wel gaan, zeggen ze soms: ook al is hij er niet meer, je kunt nog even bij hem zijn.
In je gedachten denk je aan hem, je vertelt wat je bezig houdt,
je legt de ander voor wat je bezig houdt.
Je hoort wel niets terug, maar het is toch goed om er geregeld heen te gaan.
Johannes meldt niet de reden, alleen dat het donker was.
Voor Johannes is dat niet alleen om aan te geven dat Maria zo vroeg is,
voor dag en dauw, dat de zon nog niet is opgegaan,
maar laat dat voor hem zien hoe Maria naar het graf gegaan is.
Het licht is  bij Maria nog niet doorgebroken, nog gehuld in de duisternis van het verdriet,
van wanhoop wellicht, in ieder geval van ongeloof.
Dezelfde duisternis, waarin de wereld volgens Johannes gehuld is,
omdat de wereld God niet kent en niet wil kennen.
En toch, hoe sterk deze duisternis ook is, zij blijft niet in de duisternis.
De weg van Maria is daarom een weg voor iedereen die iets van deze duisternis weet heeft,
Of dat nu de duisternis is, waarin je niet kunt geloven
dat de opstanding van Christus echt verschil maakt, omdat de wereld hetzelfde lijkt,
of dat de duisternis van je depressiviteit is, die je ter neerdrukt,
en waaruit je jezelf niet kunt bevrijden, die je zelf niet kunt verbreken,
omdat deze duisternis zo sterk is, dat je je erdoor gevangen voelt.
De eerste dag kondigt Maria Magdalena aan, zonder dat ze het kan geloven,
omdat ze dat nog niet kan zien dat die nieuwe dag is aangebroken.
Maar deze weg die in duisternis begint, zal eindigen in het licht van Christus,
ze mag zelf de levende Heer ontmoeten en getuige van Hem worden.

Zover is het nog niet.
Zoals bij heel veel gelovigen dat gaat, breekt het geloof niet in één keer door.
Soms zijn er heel wat gebeurtenissen nodig,
dat kunnen ook vervelende en ingrijpende gebeurtenissen zijn,
waardoor je aan het denken gezet wordt, iets gaat ervaren van God,
Waarin Hij je – achteraf gezien – wil laten weten, dat je Hem op het spoor moet komen.
Geloven is vaak een zoeken en tasten, zeker in het begin
en dat zoeken en tasten kan een lange fase zijn en sommigen houden dat hun hele leven.
Het begint het eerste wat zij van Pasen waarneemt
en dat is niet de duisternis die zij ziet, dat is zonder dat ze zich ervan bewust is om haar heen.
Dat is ook niet het begin van de nieuwe dag, dat begin van een heel nieuw tijdperk is.
Dat neemt ze allemaal niet waar.
Het eerste wat ze ziet, maakt haar ongerust, roept paniek in haar op
en zorgt ervoor dat ze gehaast naar anderen loopt, tegen wie ze het moet vertellen.
Het graf is open!
Dat kan maar één ding betekenen: het graf is opengebroken door rovers.
Rovers die ervan uit gaan dat er wat te halen valt,
omdat er boven het kruis die woorden stonden: de koning van de Joden.
Dan moeten zijn onderdanen, die in Hem geloofden, vast een aantal waardevolle zaken
in de dood hebben meegegeven, om Zijn grootsheid, zijn majesteit uit te drukken.
Als je Johannes zou kunnen zien,
die dit verhaal doorvertelt, zou je de twinkeling in zijn ogen kunnen zien.
Grafroof bij de Koning van de wereld, die de vorst der duisternis onttroond heeft,
die het rijk van de dood geopend heeft en al degenen die overleden zijn
teruggevorderd heeft uit het dodenrijk.
Grafroof – is dat het enige dat je van een geopend graf kunt maken?
Paniek – is dat je reactie op de Heer die de dood verbrak en triomfeerde?
Ik denk dat wat Johannes hier beschrijft in de weg van Maria Magdalena
voor veel gelovigen vandaag de dag ook geruststellend kan zijn.
Dat je het niet gelijk door hebt en dat je veel moet leren, dat is niet alleen iets van nu,
maar dat komt ook in de Bijbel al voor.

Maria weet haar haast over te brengen op de twee discipelen waar ze naartoe gesneld is.
Ongerustheid is makkelijk door te geven,
misschien wel gemakkelijker dan een vertrouwen op de levende Heer.
Paniek is makkelijker door te geven dan geloof.
Geloof in de opgestane Heer vraagt een langere weg om eigen te maken
dan de gedachte dat het slecht gesteld is met deze wereld.
De twee leerlingen haasten zich daarom naar het graf,
om met eigen ogen te kijken wat er is gebeurd.
De ene discipel – zijn naam wordt niet genoemd, alleen dat Jezus’ liefde naar hem uitgaat –
komt als eerste bij het graf aan en ook hij kijkt.
Hij gaat verder dan Maria Magdalena, want Maria had aan de aanblik van het geopende graf genoeg om in paniek terug te gaan.
Deze leerling gaat een stap verder: hij  kijkt in het lege graf. Hij betreedt het graf niet.
Hij ziet de doeken liggen, de doeken waarin het lichaam van Jezus gewikkeld was.
Hij is gerustgesteld: van grafroof kan geen sprake zijn: de doeken liggen er nog.
De paniek van Maria is niet nodig.
De gebeurtenissen worden hier verteld als een mysterie dat langzaam onthuld wordt,
stap voor stap uit de doeken gedaan, totdat ze de levende Heer ontmoeten.
Maar het gaat stap voor stap, totdat de echte waarheid onthuld wordt.
De tweede stap, na de eerste stap van Maria Magdalena, van deze discipel
is dat hij de doeken ziet, maar tegelijkertijd gaat de aandacht uit naar iets dat er niet is
en waarvoor Maria gehaast en vol paniek bij hen aanklopte.
Maar Johannes, heeft een andere interpretatie dan Maria.
Wat hij er van maakt, is nu nog niet duidelijk. Eerst komt de derde stap, van Petrus.
Als Petrus bij het graf aankomt, gaat hij het graf wel in.
Hij gaat al verder dan die andere discipel, die aan de ingang van de graf bleef staan
en alleen maar naar binnen keek.
Petrus ziet al iets meer dan de andere discipel.
Wat er gebeurd is, wordt steeds beetje bij beetje onthuld.
Wat Petrus ziet, is dat de doek die om het hoofd gebonden was, ergens anders ligt.
Deze doek om het hoofd heen wordt niets gemeld
als Jezus van het kruis gehaald wordt en in doeken gewikkeld wordt.
Er is een andere gebeurtenis, waarin er wel van deze doek gesproken wordt.
Dat is als Lazarus uit het graf komt.
Lazarus is in doeken gewikkeld, zijn handen en voeten in doeken, maar ook zijn gezicht.
Dat wordt bij Lazarus speciaal erbij gezegd.
Voor Petrus wordt er al iets duidelijker wat er in het graf is gebeurd.
Het heeft iets met opstanding te maken, maar het is niet een opstanding als bij Lazarus.
Er is een verschil.
Maria had gelijk, dat het lichaam er niet meer was,
maar Maria had ongelijk door aan grafroof te denken.
Er is iets bijzonders gebeurd, het lijkt op wat er met Lazarus gebeurde en toch is het anders.
Wat dan?
Er staat: ze geloofden.
Dat klinkt heel mooi, dat lijkt erop alsof ze de volle waarheid van wat er gebeurd is, beseffen.
En toch, geloven is het evangelie een woord met veel betekenissen.
Johannes wil aan ons doorgeven: ze hebben iets door, maar wat ze doorhebben,
is dat het echte geloof? Zijn ze waar ze wezen moeten?
Ze hebben de ingrediënten om te geloven, maar hebben ze de juiste interpretatie.
Hij voegt er aan toe: Want zij kenden de  Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.
Ze zijn op het goede spoor,
maar wat er echt gebeurd is, dat hebben ze toch nog niet helemaal door.
Dat heb je pas door als je de Schrift erbij haalt
als Gods eigen woord uitleg geeft bij de gebeurtenissen,
anders heb je alleen maar een menselijke interpretatieen kun je,
ondanks dat je de gegevens hebt en de feiten ziet, toch de verkeerde conclusie trekken.
Ik kwam tegen, dat wat deze twee discipelen geloofden,
was dat Jezus reeds naar de Vader is gegaan.
Jezus is opgenomen in de hemel, zoals in het Oude Testament gezegd wordt
van bijvoorbeeld Henoch: Hij wandelde met God en was niet meer.
Of van Elia, die met vurige wagens en paarden van de aarde werd opgenomen in de hemel.
Had Jezus dat niet gezegd, dat Hij vooruit zou gaan?
Zou Jezus naar de hemel zijn gegaan? Naar het Vaderhuis met de vele woningen?
Ze zien het en geloven, maar niet wat de Schrift heeft aangekondigd.
Ze gaan weer naar huis.
Voor deze twee is er geen reden tot paniek, zoals bij Maria Magdalena.
Ze kunnen weer gaan. Ze weten genoeg.
Ja, genoeg voor henzelf, maar niet genoeg volgens de Schrift.
Omdat ze naar huis gaan, missen wat er is gebeurd.
Alleen Maria, die blijft, zij zal de Heer ontmoeten – daar zal het morgen over gaan.
Wat Johannes ons wil doorgeven, is dat het geloof in de Opgestane maar moeilijk doordringt.
Het gaat niet om zomaar wat feiten: een open graf, doeken die afgewikkeld zijn,
een hoofddoek apart gelegd.
Het gaat wat om niet zichtbaar is en wat alleen uit de Schrift gehaald kan worden,
omdat dat woorden van God zelf zijn
en onthullen wat het doel van God door alle tijden heen is.
Bij Pasen schiet ons gewone menselijke kennen tekort,
onze zintuigen kunnen uit zichzelf niet alles zien.
Onze ogen zetten ons op het verkeerde been,
een klein geloof ziet alleen maar kleine dingen, heeft Jaap Zijlstra in een kerstlied gedicht.
Nou ja, geloof in Jezus die ten hemel is gevaren is geen klein geloof, zou je kunnen zeggen.
Het is een onvolledig geloof.
Het is een geloof dat alleen maar genoegen neemt met wat zichtbaar is.
Maar daarmee redden we het niet.
Als we alleen maar kijken naar wat we zien, dan komen we tekort.
Dan zien we een gesloten kist, met daarin onze geliefde
en zien we dat die kist in de aarde neergelegd wordt
en weten we dat er weer opnieuw grond overheen zal gaan en daarna een steen.
Maar ogen die hebben leren kijken door de opstanding van Christus
die zien dat een lichaam wordt gezaaid in de afwachting op de opstanding op de Jongste Dag.
Als we met aardse ogen kijken naar het nieuws op tv zien we ellende en rampspoed,
zien we regeringsleiders, die geen einde kunnen maken aan de strijd in Syrië
(of vul hiervoor maar een ander land in),
regeringsleiders die zo onvoorspelbaar zijn dat deskundigen niet weten wat er komen gaat.
Maar in geloof kunnen we zien dat God door alles heen deze wereld leidt naar Zijn doel,
de dag waarop de levende Heer uit de hemel terugkomt
om te oordelen de levenden en de doden en dat aan Zijn koninkrijk geen einde komt.
Dat koninkrijk dat begonnen is aan het kruis: “Het is volbracht!”
Al doorbrak op die eerste dag, nog niet te zien voor Maria Magdalena,
Al schitterde in een leeg graf, verborgen aanwezig in de afgeworpen doeken,
stralend in die hoofddoek op een andere plek.
De discipelen gaan naar huis, dat zou voor ons het einde kunnen zijn, een anticlimax,
dat was het – zoals je na een kerkdienst naar huis kan gaan, zonder dat het je iets deed.
Ook al zeggen we over de kerkdienst dat je daar God ontmoet,
maar je kunt thuiskomen, zonder dat er in de kerk iets met je gebeurde.
Voor Johannes is dit niet het einde, zijn verhaal gaat door, omdat God doorgaat,
omdat Christus zich steeds beetje bij beetje onthult
voor ogen die zo traag doorhebben wat er gebeurde.
Voor ogen die de nonverbale aanwijzingen van God niet oppikken,
omdat ze blijven hangen in wat zij gewend zijn, of wat zij vermoeden,
maar nog niet doorhebben, dat er zo iets nieuws is gebeurt,
en dat toch ook al in de Schrift is aangekondigd:
Zie – Ik maak alle dingen nieuw. Zoals Jesaja al aankondigde: Jesaja 25:
Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde, want de HEERE heeft gesproken.
Op die dag zal men zeggen: zie dit is onze God,
wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen,
Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht
en zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.

Bent u blij?
Natuurlijk er is veel, dat die vreugde kan wegnemen,
maar zie, het is gebeurd wat God reeds aankondigde in Zijn Woord.
Het graf is open, de doeken zijn afgeworpen, de hoofddoek ligt op een andere plek.
Jezus is opgestaan uit de dood, heeft het graf geopend en leeft.
En voor ons oog verrijst een heerlijk vergezicht.
Hem zij de glorie, want Hij die overwon, zal nooit verlaten wat Zijn hand begon. Amen

Verbergt God Zich?

Verbergt God Zich?

Het hangt in de lucht om te zeggen of te geloven dat God Zich verbergt. Onlangs was er een conferentie van de Gereformeerde Bond (waar ik bewust niet geweest ben) over het thema: ‘Wachten op een God die Zich verbergt’.
Dat ik niet geweest ben, zegt iets over mijzelf. Tot voor kort was het een thema geweest, die mij uit het hart gegrepen was. Twijfel en aanvechting hebben mij en mijn geloof lang parten parten gespeeld. Inmiddels ben ik van mening dat het tijd is voor een tegengeluid.
We kunnen niet aangeven of God Zich verbergt. Paradoxaal genoeg is de duiding van Gods verborgenheid afhankelijk van een openbaring. De tekst die spreekt over de verborgenheid van God wordt aan een profeet gegeven als een (nieuwe en onverwachte) openbaring.
Het is maar de vraag of teruggang van het christelijk geloof en de neergang van de kerk geduid kan worden als verborgenheid van God. Wanneer we de Bijbelse openbaring serieus nemen, moeten we spreken over Gods verberging op het moment dat wij denken dat Gods zaak goed loopt. En dan vooral goed loopt omdat wij er als mensen er de hand in hebben gehad. Met andere woorden: vanuit de bijbelse theologie dienen we niet in een tijd van secularisatie, maar in een tijd van verzuiling en bloei van christelijke organisaties spreken over de verborgenheid van God.
Wanneer we denken dat God Zich verbergt omdat de hoofdkantoren van de banken boven de kerktorens uitgroeien is het maar de vraag of we kunnen spreken van verberging. Openbaart God Zich d.m.v. kerktorens en kerkgebouwen? Misschien wel, misschien niet.

Mijns inziens moeten we niet spreken over verberging. En zeker niet over afwezigheid van God. Tenminste als we het klassieke avondmaalsformulier serieus nemen, dat erover spreekt dat Christus door God verlaten werd – opdat wij nimmermeer door God verlaten zouden worden. Kunnen we wel speken over verborgenheid en afwezigheid waar de gemeente van Christus samen komt om Gods Woord te horen en deel te nemen aan de sacramenten? Bovendien kunnen we alleen maar spreken over Gods verborgenheid als we Hem kennen en Hij Zich aan ons openbaart. Mijns inziens gepaster om te spreken van aanvechting dan van afwezigheid of verborgenheid van God.

ds. M.J. Schuurman