Geen andere goden

Geen andere goden

De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (6)

In de reformatorische traditie speelt het eerste gebod een belangrijke rol. Als Luther zijn eerste catechismus aanvult, geeft hij vooral een uitgebreide uitleg van het eerste gebod. Daarin schrijft hij: ‘Een God noemt men dat, waarvan men alle goeds verwacht en waarheen men kan vluchten in alle noden. Daarom betekent ‘een God liefhebben’ niets anders, dan dat men van harte op Hem vertrouwt en in Hem gelooft, zoals ik al zo dikwijls gezegd heb, dat alleen het vertrouwen en het geloof van het hart beide God en afgod maakt. (…) Ik zeg u, dat waar uw hart aan hangt en op vertrouwt, dat is eigenlijk uw God.’
Voor kinderen en jongeren is het eerste gebod een abstract gebod. Het is niet gemakkelijk om hier een voorstelling bij te hebben of het in praktijk te brengen. Andere goden komen zij alleen tegen als zij andersgelovigen ontmoeten.
Er zijn pogingen ondernomen om dit gebod wat meer te laten spreken. De uitleg van Luther is er een voorbeeld van. Ik vrees dat het niet veel verder helpt. Is het niet meer iets voor volwassenen om je hart ergens aan te hangen? Bijvoorbeeld aan geld of macht? Mijn catechisanten van 14 en 15 zijn vaak net begonnen met een zaterdagbaantje of krijgen hooguit wat zakgeld. De verleiding om alles in het leven af te stemmen op het verdienen van zoveel mogelijk geld kennen ze nog niet echt.
Wat dichterbij komt het als jongeren zich vol overtuiging in laten met een politieke overtuiging. Een van de jongeren die ik vroeger als kind kende heeft op de lijst van de PVV gestaan. Toch ben ik ook hierin voorzichtig. In het verleden hebben christenen veel vaker gedacht dat bepaalde politieke voorkeuren te verenigen waren, waarvan wij nu ons afvragen of die combinatie met het christelijk geloof te maken is.
In een klein boekje over de Tien Geboden citeert de godsdienstpedagoog Fulbert Steffensky een preek uit de Tweede Wereldoorlog: ‘Voor ons is het vaderland heilig. Daarom offeren wij onze jeugd, onze gezondheid en onze levenskracht vol vreugde en van harte – zelfs in de voorste linie. Voor ons is het vaderland heilig. Wij eren Gods heilige wil in ons Duitser-zijn.’ Hij schrijft daar vervolgens achter aan, dat in dit citaat de natuurlijke liefde voor het vaderland tot een afgod wordt gemaakt. Ik stem van harte met zijn opmerking in, maar vraag mij wel af of wij dit door het ontzaglijke leed van de Tweede Wereldoorlog dit inzicht tot onze schande hebben moeten leren. Het is waar dat wij met de keuze voor een afgod ons leven verspelen. Maar voor ons is het vaak niet gemakkelijk aan te wijzen wat een afgod is.
Ook voor jongeren niet. Zij hebben vaak het idee, dat zij niet door de reclamefolders worden beïnvloed. Wanneer er een tv-spot komt, zappen ze naar eigen zeggen naar een andere zender.
In het eerste gebod gaat het om de eer van God. Eerder schreef ik dat de eer van God voor de reformatorische traditie een kernbegrip is. Voor Calvijn gaat de eer van God gepaard met het welbehagen dat God heeft in mensen. De eer van God maakt mensen zoals ze door God bedoeld zijn. Geen supermensen. Het eerste gebod is een relativering van alle menselijke grootheidswaanzin: wij zijn slechts schepsel en voor Gods aangezicht komen wij het beste tot ons recht. Het eerste gebod is ook een bescherming tegen vernedering: Voor Gods aangezicht staan wij allen op hetzelfde niveau. Niemand mag ons gehoorzaamheid afdwingen: een christen heeft alleen te buigen voor zijn hemelse Heer. Wanneer wij God alle eer geven, worden wij vol op mens.