Preek Dankdag 2017

Preek Dankdag 2017
Deuteronomium 26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je lang ergens woont, kan het heel gewoon worden dat je er woont.
Het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je weet dat het hier mooi wonen is en je geniet er bij tijd en wijle ook wel van,
maar toch, het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je kijkt er niet meer van op, dat de bomen van kleur veranderen,
want je woont in een boomrijke omgeving en dan is het vanzelfsprekend
dat als het herfst wordt de bladeren verkleuren en nu of iets later gaan afvallen.
De polder met de weilanden vallen je niet meer op, omdat je ze zo vaak hebt gezien
– elke dag haast, het hoort er gewoon bij, bij deze omgeving, bij jouw leven.
De vogels die hier in de lucht vliegen, die je niet overal in Nederland vindt,
maar die hier heel gewoon zijn: de roofvogels, de uil, de specht.
Je kijkt er niet meer van op.
Je kijkt er pas weer van op, als je weet dat de omgeving ook anders kan zijn.

Dankdag is er voor bedoeld, dat je je weer verwondert over wat je hebt
en over wat er om je heen is.
Dat wat vaak heel gewoon is, dat je daar bij stilstaat, dat het niet gewoon is.
Dat het bijzonder is dat je werk hebt – een zegen.
Dat het bijzonder is dat je eten en drinken hebt, een huis hebt om in te wonen
– allemaal zegeningen van de Heere onze God.
Als het allemaal gewoon wordt, vanzelfsprekend,
dan merk je niet meer zo snel de hand van God erin op.
Dan is de wisseling van de seizoenen, die je in de bomen ziet,
iets dat bij deze tijd van het jaar hoort en niet meer Gods trouw aan de schepping,
waarmee Hij zorg draagt voor de seizoenen, elk jaar weer opnieuw.
Dat er herfst komt en winter en straks weer lente en zomer,
dat is Gods trouw aan deze aarde, zoals Hij aan Noach had beloofd na de zondvloed.
De weilanden, de vogels, andere dieren hier in deze omgeving,
ze laten iets van de Schepper zien, van Zijn grootheid, van Zijn zorg,
maar je hebt er geen oog voor als je het als vanzelfsprekend beschouwt.

Deze dankdag is er om de verwondering weer te hebben:
dit is allemaal wat God geeft, het is helemaal niet vanzelfsprekend.
Het is een zegen, het is een geschenk.
De Heere heeft er recht op dat we Hem daarvoor danken
en dat we dat niet alleen vandaag doen,
maar dat we die dankbaarheid en die verwondering altijd hebben.
Dat dankbaarheid, verwondering onze levenshouding is.
Christenen zijn dankbare mensen – horen dankbare mensen te zijn,
horen elke dag weer opnieuw met verwondering en dankbaarheid aan de dag te beginnen,
vanuit die verwondering en dankbaarheid te werken en te leven.

Het volk Israël krijgt van Mozes een hulpmiddel mee
om die verwondering en dankbaarheid vast te houden,
om niet te vergeten dat wat ze hebben gekregen ten diepste een geschenk van God is.

Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld
en aan de Heere worden getoond.
Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren.
Deze priester representeert God.
Als je nadenkt over die eerste oogst:
Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten
is de eerste opbrengst niet voor jezelf.
terwijl je er hard voor hebt gewerkt en er naar hebt uitgekeken.
Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven.
Wat er nog is, is niet meer vers.
Of misschien was je voorraad wel op en had je moeten bijkopen bij een andere boer.
Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken.
Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar.
Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken.
Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven.
De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden,
zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd.
Wij geven het U, uit uwe hand.
In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is
en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben.
Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven,
wordt nooit eigendom.
We kunnen nooit zeggen: Dit is mijn land.
Hoe lang het ook in onze familie is, het blijft Gods aarde, Zijn land.
We blijven hier gasten op deze aarde, ook op dit stukje grond waar ik al zo lang woon,
waar ik vergroeid mee ben, waar mijn familie een thuis gevonden heeft.

Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst
moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom.
Dit land is eigendom van de Heere.
Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven.
Deze voorouders hadden geen eigen land.
Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land.
Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk.
Wij – de geschiedenis van onze voorvader is onze geschiedenis.
Ik maak daar onderdeel van uit.
De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons.
Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk,
maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons.
De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land,
dat Hij had beloofd aan onze voorouders.
Dit land van de belofte is een goed land.
Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken
en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.
Al is ons leven anders.
Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan.
Het verschil met onze voorouders is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken,
te voelen, te zien.
U bracht ons hierheen.
Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen.
We mogen nog veel verwachten.
Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U.
Niet wat we overhouden of de restanten,
maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen,
in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U.’

Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.
Het eerste geven van wat je krijgt
omdat je beseft, ik heb het van God gekregen, hoeveel ik er ook zelf aan heb gedaan,
welke arbeid ik er aan besteed heb.
Als je dat naar nu zou toehalen:
Het eerste van de vergoeding van een groot project dat je aan het afronden bent.
Het eerste deel van mijn salaris.
Ik denk dat er ook heel wat gelovigen zo in het leven staan,
dat je niet alleen kijkt naar wat je eigen gezin nodig hebt,
maar dat je ook kijkt wat je voor God kunt bestemmen,
omdat je teruggeeft van wat je zelfs hebt ontvangen.

Het eerste is voor God.
Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt
voor een feestmaal van de hele gemeenschap.
De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde.
Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.
De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest,
waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd.
Om de drie jaar is een tiende voor God.
En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben,
aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken:
de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen.
Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard
dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld.
Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant.
Geen afdankertjes of afschuivertjes.
Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is,
omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In de commentaren wordt gesteld dat deze rituelen
de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere.
Gods volk is een dankbaar volk.
In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt.
In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring
steeds een levendig besef te blijven.
Dat ligt niet achter ze.
Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte
die eens vervuld zouden worden,
hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte,
dat het land en de oogst door God gegeven wordt.
Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst,
een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen.
Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere.
Het volk leeft voor Gods aangezicht.
Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt,
maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad.
Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen,
die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend:
de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen.
Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

Zodat anderen ook kunnen zingen:

Zij zullen, uit de volheid van ’t gemoed,

Gedachtig aan den milden overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheen.

De Heer’ is goed en vriendlijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

Amen

 

Deuteronomium 26

Deuteronomium 26

Mijn God, hoe snel vergeet met zijn bevrijding.
Blijdschap valt licht ten offer aan ontwijding.
Gij HEER, die heilig zijt en heilig voorging,
vergeten zijn uw heil en uw verhoring. (Psalm 78:14, Nieuwe Berijming)

In Deuteronomium 26 geeft Mozes aan het volk een ritueel mee om de ervaring van bevrijding levend te houden: Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld en aan de Heere worden getoond. Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren. Deze priester representeert God. Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom. Dit land is eigendom van de Heere. Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven. Deze voorouders hadden geen eigen land. Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land. Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk. Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk, maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons. De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land, dat Hij had beloofd aan onze voorouders. Dit land van de belofte is een goed land. Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.’

Van deze eerste opbrengst wordt een feestmaal gemaakt. De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

Als je nadenkt over die eerste oogst: Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten is de eerste opbrengst niet voor jezelf. Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven. Wat er nog is, is niet meer vers. Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken. Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar. Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken. Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven. De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden, zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd. In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben. Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven, wordt nooit eigendom. Het besef eens vreemdeling te zijn geweest, ook in dit land, mag niet vergeten worden. Er is geen ‘garstige breite Graben’ tussen toen en nu. Van de ervaring van de voorouders mag Israël niet zeggen: wij zijn verder in tijd, wij zijn anders, wij wortelen in deze grond.

Vreemden zijn wij, ooit geroepen,
uitgetogen en geen plek
waar wij al thuis zijn. (Gezang 813 Nieuwe Liedboek)

De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons. Al is ons leven anders. Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan. Het verschil is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken, te voelen, te zien. En het moet ook gehoord worden in de woorden die uitgesproken bij het aanbieden van die eerste vruchten: U bracht ons hierheen. Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen. We mogen nog veel verwachten. Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U. Niet wat we overhouden of de restanten, maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen, in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U. Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.

Het eerste is voor God. Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt voor een feestmaal van de hele gemeenschap. De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde. Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.

In de commentaren wordt gesteld dat dit ritueel de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere. Gods volk is een dankbaar volk. Het verse wordt gewijd aan God en gedeeld met anderen. Dit is er wat er elk jaar moet gebeuren.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest, waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd. Om de drie jaar is een tiende voor God. En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben, aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken: de Levieten, de vreemdelinge, de weduwen en de wezen. Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld. Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant. Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is, omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt. In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring steeds een levendig besef te blijven. Dat ligt niet achter ze. Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte die eens vervuld zouden worden, hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte, dat het land en de oogst door God gegeven wordt. In Deuteronomium wordt vaak gesproken over ‘heden’, ‘nu’. Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst, een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen. Dit heden is het heden waarin God werkt, die altijd heeft gewerkt en zal werken. Een heden dat ook een oordeel over de tijd is, als God wordt vergeten. Hoor Israël – Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere. Het volk leeft voor Gods aangezicht. Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt, maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad. Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen, die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend: de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen. Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

In de Gereformeerde traditie is het vreemdeling-zijn bewaard gebleven. Zo ligt aan de Heidelberger Catechismus het vreemdeling-zijn ten grondslag: gevluchte gelovigen die hen heil in Heidelberg kwamen zoeken en daar vluchtelingengemeenten hadden. Ze hadden niets meer, misschien alleen wat handbagage. Hun thuis waren ze kwijt. En of ze ooit konden terugkeren? Wat hadden ze nog? Wat is hun houvast? Dat ze eigendom waren van Jezus Christus, hun getrouwe Zaligmaker. De ervaring van buiten het paradijs gekomen zijn, kon goed uitgelegd worden met hun eigen ervaring van balling-zijn. Waaruit kent u uw ellende (ellende = uitlandig = ballingschap)? De ‘aartsvader’ van de gereformeerde traditie was een vluchteling en verwerkte dat in zijn geschriften, zoals zijn commentaar op de psalmen (vgl. Herman Selderhuis, God in het midden. Calvijns theologie van de psalmen; Idem, Calvijn als vluchteling.)

Gebruikte literatuur
De commentaren op Deuteronomium van:

  • Daniel I. Block (NIVAC)
  • Walter Brueggemann (AOTC)
  • Jack R. Lundbom (Eerdmans)
  • Gerhard von Rad (ATD)

Verder:

  • Jürgen Ebach, ‘“Ein umherziehender Aramäer war mein Vater”. Fremdheitserfahrungen als Identitätsmoment des Volkes Israel. (Vortrag in der Karlskirche Kassel 2010)’, in Idem, Mehrdeutlichkeit. Theologische Reden 9 (Uelzen: Erev Rav, 2011) 128-141.
  • Christian Möller, ‘Gerhard von Rad. Oder: Homiletik als Stimmbildung’, in: Idem, Die homiletische Hintertreppe. Zwölf biograpgisch-theologische Begegnungen (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2007) 11-30.

 

Preek zondag 30 oktober 2016

Preek zondag 30 oktober 2016
Deuteronomium 15:1-18
Boodschap: God geeft overvloed

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik stel het me zo voor hoe het volk Israël daar bij de Jordaan staat,
na 40 jaar door de woestijn bijna klaar om het Beloofde Land binnen te gaan.
Ze staan al voor de Jordaan.
Ze kunnen er al overheen, alleen nog die toespraak die Mozes houdt
om hen allerlei aanwijzingen te geven over hoe het moet in dat land.
Ik stel het me ook voor dat er tussen al die mensen die naar  Mozes luisteren
er ook zijn, die bij zichzelf denken:
‘Ja, ja, kom nou maar op, laten we de Jordaan overgaan.
We zijn al zo lang onderweg.
Eerst nog die woorden die Mozes nog allemaal te zeggen heeft.
Over hoe we de feesten moeten vieren, hoe we met elkaar om moeten gaan,
over de taken van de koningen, de profeten, de priesters en de levieten.
Allemaal zoveel. Dat kunnen we niet onthouden.’
Mensen bij wie de gedachten afdwalen, omdat ze vol ongeduld al vooruit denken
aan hoe het zal zijn in dat Beloofde Land,
die niet kunnen wachten om de Jordaan over te steken.

Uiteindelijk zullen ze ook gaan.
Hoeveel van de woorden die Mozes gesproken heeft, zullen nog zijn blijven hangen?
Hoeveel van die woorden zullen ze in hun hart, in hun gedachten meedragen?
Hoe zal het over 7 jaar zijn: zouden ze dan nog aan de woorden van Mozes denken
die hij voor de Jordaan gesproken heeft over het kwijtschelden van de schulden?
Iemand die in die jaren tegenslag heeft gehad met zijn vee:
ziekte onder zijn koeien en schapen uitgebroken,
waardoor hij bij zijn buurman moest aankloppen om hulp.
Zou die buurman hem dan hem helpen
of zou hij zeggen: ik heb zelf al mijn vee nodig. Je krijgt van mij niets?
Zou hij toch geven, maar bij elk nieuw jaar als de koeien gekalverd hebben
en de ooien gelammerd naar zijn buurman gaan
om hem te herinneren dat hij dit succes toch aan hem te danken heeft
er steeds op hinten dat hij toch wel verwacht dat de buurman hem terugbetaald
liefst nog extra, bovenop wat hij gegeven heeft, als een soort rente?
‘Je staat bij mij in de schuld, buurman!’

Iemand die een stuk grond heeft verworven
en veel tijd heeft gestoken in het bewerken van het grond,
maar erachter komt dat de grond die hij gekregen heeft schrale grond is,
nauwelijks vruchtbaar, waardoor er voor hem en zijn gezin te weinig te eten is
en bij zijn buurman moet aankloppen om hulp
en dan zegt: ik wil je best helpen, maar dan moet jij voor mij iets doen.
Voortaan moet jij mijn akkers omploegen en inzaaien.
Als je dat voor mij doet, dan wil ik je graan geven om in te zaaien voor een nieuwe oogst.

Hoe zal dat na die 7 jaar zijn?
Ik kan me zo voorstellen dat die man met die veeziekte, waardoor hij tegenslag had,
de woorden van Mozes nog herinnert en de jaren aftelt: nog 4 jaar, nog 3, nog 2, volgend jaar!
En dat in het 7e jaar de buurman er alsnog op staat dat de schuld wordt afbetaald.
‘Maar buurman, ben je de woorden van Mozes vergeten,
die ons opdroeg om na 7 jaar de schuld kwijt te schelden?
Als ik op mijn beurt aan jou geleend had, had ik je niets meer terug laten betalen.
Je schuld aan mij was dan voorbij.’
En dat de buurman dan antwoordt: ‘Mozes? Dat is toch al heel lang geleden?
Een andere tijd, nog aan de andere kant van de Jordaan.
Hij heeft toen zoveel wetten en regels meegegeven,
die heb ik allemaal niet onthouden.
Je moet me terug betalen, want je bent het me gewoon schuldig.
Lekker makkelijk: eerst aan mij om steun vragen en vervolgens suggereren
dat je niet verplicht bent om het aan mij te voldoen.
Dat zou een mooie boel worden, als iedereen zo gaat denken.
Nee, dat werkt niet.’

Of die boer met de grond die te weinig opleverde.
Na enkele jaren hard werken erop hoopt, dat hij vanaf dit 7e jaar weer vrij af zou zijn
en al zijn tijd kon besteden aan zijn eigen boerderij, zijn eigen bedrijf.
‘Het zevende jaar? Dat kun je niet menen.
Een regel van Mozes, in naam van God?
Mozes, een andere tijd, vroeger. Die regels gelden niet meer.
Mozes had toen aan die andere kant van de Jordaan niet voorzien
in wat voor een tijd we zouden komen.
Hij had trouwens makkelijk praten.
Als oude man had hij geen gezin om te onderhouden.
Ik heb ook een gezin te onderhouden.
Als jij niet betaalt, wil je overbuurman mij ook niet meer betalen.
Straks betaalt niemand mij meer terug, omdat jij je beroept op die oude regels.
Dat zou een mooie boel worden.
Ik heb ook een gezin te onderhouden.’

Of zou het anders zijn?
Een boer die zijn buurman ziet tobben en worstelen met zijn vee
en hem bijspringt en in het 7e jaar zegt: het is nu genoeg.
Nu hoef je mij niet meer te betalen?
Een grote boer die ziet dat die andere boer niet vooruit boert
vanwege die slechte grond en royaal de ander ondersteunt
en hem af en toe een extraatje geeft, omdat hij zelf het zo goed getroffen heeft
en graag zijn hart wil laten spreken, omdat hij zichzelf zo gezegend voelt.
Zou het zo gegaan zijn?
Ik denk dat Mozes niet voor niets nog even zo heel nadrukkelijk hierbij stil staat.
Alsof hij er niet gerust op is, hoe dat in het Beloofde Land zal gaan.
Alsof ze daar, aan de andere kant van de Jordaan
helemaal zullen vergeten, dat dit land een geschenk is,
Dat ze daar niet zelf hard voor hebben gewerkt hebben, maar een gave van God,
omdat de Heere zo royaal is, zo gul
en het bovendien beloofd had aan Abraham, Izaäk en Jakob
en verheugd is om Zijn belofte aan de vaderen gedaan in vervullen kan laten gaan.

Mozes geeft het nog maar eens aan, vanuit de verwondering over Gods gulheid
en ontzag voor alle gaven die God zal geven:
God geeft zoveel, er hoeft niemand gebrek te lijden.
Zoveel, als je met elkaar deelt, hoeft er niemand arm te zijn of tekort te komen.

Zou het bij het volk Israël anders zijn geweest dan in onze tijd?
Onze tijd waarin er een grote kloof is tussen rijk en arm,
het Westen waar wij zijn, waar we het goed hebben, zeer goed zelfs
en mensen in andere gebieden, waar volwassenen nauwelijks rond kunnen komen,
kinderen over vuilnisbelten moeten gaan om toch nog iets te vinden
Dat door de rijkeren is weggegooid,
kinderen en volwassenen die onder erbarmelijke omstandigheden moeten werken,
lange dagen voor een klein loontje.
Als enkeling kun je soms maar heel weinig doen,
omdat we allemaal in een systeem zitten, dat veel oneerlijkheid veroorzaakt,
maar wel dat groter en sterker is dan ons,
Dat kan soms een machteloos gevoel geven:
Je weet: daar in Bangladesh hebben ze hard moeten werken
Voor de kleding die ik misschien maar één seizoen draag.
Maar ik help ze ook niet door uit protest helemaal niets te kopen.

Mozes kijkt niet naar de ellende ver weg,
maar bij wat zich dichtbij afspeelt: bij je eigen buurman, je buurvrouw, iemand uit de straat,
uit hetzelfde dorp, dezelfde regio.
Een naaste: iemand waar je naast woont.
Je loopt langs iemands huis en ziet hoe het in huis is en in de tuin,
hoe het op zijn akker is en in zijn stal,
hoe de kinderen erbij lopen.
Mijn moeder vertelt wel eens dat ze als kind zich ervoor schaamde
hoe de andere kinderen uit het gezin erbij liepen.
Dan zorgde ze ervoor dat de jongere broertjes of zusjes niet zichtbaar waren
als ze met de klas langs liepen, omdat ze er dan zo onverzorgd bij liepen
en het was haar trots dat ze ons als kinderen er verzorgd bij kon laten lopen
ook al hadden mijn ouders in die tijd ook niet altijd zoveel te besteden.
De ander is een naaste, dat wil zeggen: die ander gaat je aan.
Ook al heb je een heel andere opvatting over hoe hij zijn bedrijf moet runnen,
of heb je bedenkingen bij hij voor zijn gezin zorgt
en heb je voor jezelf een mening, omdat je zoveel van die ander ziet.
Wat je moet zien bij die ander, zegt Mozes, is dat hij, zij je naaste is.
Je naaste, dat is je gelijke.
Net als jij iemand die een leven heeft, maar misschien wel veel meer moeite heeft
om van zijn leven iets te maken.
Meer nog: iemand die gelijk is, omdat zij een ziel heeft, een ziel te verliezen heeft.
In mijn Bijbel waarin ik mijn aantekeningen opschrijf bij een Bijbelgedeelte,
heb ik hier opgeschreven: het is het verschil tussen medelijden en bewogenheid.
Dat klinkt misschien raar, een verschil tussen medelijden en bewogenheid.
Het heeft allebei te maken met hoe je kijkt naar die ander en naar jezelf.
Maar medelijden kan iets hebben, dat je het voor jezelf vindt
dat je het beter doet, je doet het zo gek nog niet.
Jij staat iets hoger op de ladder, omdat jij kan helpen
en dat geeft je dan ook een bepaalde macht: ik bepaal of zij geholpen worden.
Ze moeten niet het lef hebben om moeilijk te doen, om mijn hulp te weigeren.
Bewogenheid is kijken met je hart,
jezelf indenken hoe het is om in diezelfde omstandigheden te zijn.
Dat je de ander ziet als gelijke, een mens,
die ook een verhaal te vertellen heeft,
misschien wel ingewikkelder dan jouw eigen levensverhaal
en dat het de moeite waard is om naar het verhaal van die ander te luisteren,
omdat die ander ook een schepsel van God is
en net als jij ook iets van Gods beeld in zich heeft.
En dat je je daarom omgekeerd iets van God hebt te laten zien naar die ander toe.
Die ander is niet minder dan jij, alleen omdat hij minder heeft,
minder te besteden heeft, minder zakelijk instinct heeft, minder gogme.
Je naaste, je broeder – je moet iets met die ander, je mede-mens.
Die ander is je door God gegeven: een naaste, een broeder, een band.
Je kunt je van die ander niet afmaken, niet ontdoen.

Moet je dan altijd helpen?
Nee, zegt Mozes, maar wel eens in de 7 jaar schoon schip.
Het heeft iets van de sabbat, de 7e dag van de week.
De sabbat is dat je met elkaar, als hele gemeenschap bij elkaar komt,
voor Gods aangezicht.
Dat 7e jaar heeft iets van een sabbat: opnieuw kunnen beginnen.
Een verbondenheid met elkaar, omdat je samen bij God hoort.
Voor God valt het het verschil tussen mensen weg,
ook het verschil tussen rijk en arm, tussen mensen die meer zijn en minder.
Ik kan de uitspraak tegen, dat in dit hoofdstuk juist de kloof wordt overbrugd,
die het meest diep is en het meeste pijn doet:
namelijk dat je niet kunt meedoen met de gezamenlijke vreugde
omdat je niemand bent, omdat je minder hebt.
Dat is een kloof die soms heel onbewust er is.

Dat werd ik me ooit bewust door een parabel die ik eens las over twee kerken in Hamburg.
Ik vertel het in verkorte vorm (Fulbert Steffensky):

In Hamburg stonden twee kerken dicht bij elkaar.
De ene, de Katharinenkirche, staat er nog steeds.
Een mooie en rijke kerk.
Deze kerk was omgeven door patriciërhuizen.
Vandaag de dag de kerk er nog steeds uit als een schip dat niet ten onder kan gaan.


De andere kerk, de St. Anna, stond op een steenworp afstand,
aan de andere kant van het Tolkanaal, is juist wel ondergegaan, bestaat niet meer.
Het was een onopvallende en kleine kerk.
Het was een Assepoester-kerk, omgeven door daglonerhuisjes. Zo’n 18.000 mensen woonden er op het kleine stukje om deze kerk heen.
Dagloners, die zich elke dag weer opnieuw verhuurden.
Een kleine stad, volgestouwd met mensen, honden, katten en ratten.

Twee kerken, gescheiden door een kwaadaardige kloof die niet de naam Tolkanaal draagt, maar armoede en rijkdom.
Wat hebben deze twee kerken met elkaar te maken?
Laten wij beide kerken met elkaar in gesprek brengen.

Katharina kent de zin van de apostel Paulus uit de brief aan Efeze:
Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken (Efeze 2:14).
Ze zegt het tegen Anna: “Het zijn toch kleine dingen die ons scheiden?
Het zijn slechts materiële zaken.
God kijkt slechts naar het hart en niet uiterlijkheden, zoals tanden, geld en rijkdom.


Anna zucht. Zij zou zo graag eens met Katharina zijn.
Maar zij is poetsvrouw bij Katharina en krijgt zo weinig betaald.
Haar man is vuilnisman, die het afval van Katharina ophaalt en verdient niet veel.
Katharina is goed opgeleid en heeft haar woordje klaar.
Anna had geen tijd en geld voor een opleiding.
Anna leest de Bijbel iets langzamer.
Zij begint niet met de verzoening en de vrede.
Allereerst leest zij tot haar troost, dat God de armen liefheeft.
Dat God een God van de rechtelozen is, van de mensen zonder land of bezit, van de gebondenen.
Kan het zijn dat, zo vraagt zij zich af, dat het evangelie ons niet samenbindt? Dat het evangelie geen laffe vrede wil?
Anna zucht. Zij zou graag willen instemmen met Paulus’ hoge lied over de liefde, waarin hij tot vrede oproept en haar zegt dat de liefde zich niet laat verbitteren.
Maar hoe kan zij niet verbitterd raken en niet zelfzuchtig zijn zoals de apostel vermaant, als zij geen brood voor haar kinderen heeft?
Hoe kan zij niet zelfzuchtig zijn als zij haar huur niet meer kan betalen?

Deze twee, Katharina en Anna, lezen de Bijbel allebei anders, zegt de parabel.
Dat vind ik zelf wel heel scherp tegenover elkaar gezet,
want dat Christus twee tegenovergestelden bij elkaar brengt,
Jood en heiden, arm en rijk, God en mens, de heilige God en de verloren zondaar,
Dat is de kern van het evangelie.
Maar die verzoening moet ook praktische gestalte krijgen.
Niet alleen tussen God en ons, maar ook tussen ons en anderen.
Mozes zegt dat ook tegen het volk: vergeet nooit, dat je een verleden hebt,
waarin je zelf slaaf was en hard heb moeten ploeteren
en er zo aan onderdoor ging dat je het uitriep tot God.

Daarom ben jijzelf niet de maatschap, zegt Mozes,
maar God, je bevrijder die je een nieuw bestaan gaf in een nieuw land.
Zoals de ellende van jou het hart van God raakte,
zo moet de ellende van een ander ook jouw hart raken.
Gods bewogenheid is de norm voor ons gedrag.
Het gaat erom dat je in je gedrag ook iets weerspiegelt van hoe God is.
Hier spreekt Mozes over de gulheid van God: de Heere geeft royaal.
Als je je hart laat spreken, is dat niet om de aandacht op jezelf te vestigen,
om over een tijdje een standbeeld of een lintje te krijgen,
maar om iets van je God te laten zien.
Dat 7e jaar heeft iets van een sabbat: opnieuw kunnen beginnen.
Een verbondenheid met elkaar, omdat je samen bij God hoort.

In het Nieuwe Testament komt er een dimensie bij,
als Gods gulheid nog groter wordt en gestalte krijgt in de komst van Zijn Zoon.
Het heeft God heel wat gekost om ons vrij te krijgen.
Hij werd arm voor ons, omdat hij ons ieder stuk voor stuk zag in onze geestelijke armoede.
Christus zelf legde Zijn rijkdom en heerlijkheid af en werd mens.
Niet uit medelijden, maar uit bewogenheid.
Dan mag het jou ook wat kosten
en is het niet zo dat het bezit van Christus, het hebben van Christus,
het ontvangen van genade meer is dan alle aardse rijkdom?
Dan mag je ook wel wat van het royale hebben van onze goede God.
Dat kan met geld,
dat kan door kwijtschelden van de schulden die anderen hebben in het 7e jaar.
Maar niet om je ervan af te maken van die ander,
maar omdat het je juist om die ander is te doen, die net als jij Gods beelddrager is
en net als jij God nodig hebt.
Als het om die gave en die rijkdom gaat is ieder mens gelijk.
Amen

Preek zondagmorgen 16 oktober 2016

Preek zondagmorgen 16 oktober 2016
Deuteronomium 18:9-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Bijbel komt uit een andere cultuur, een tijd van heel lang terug.
Dat de Bijbel uit een andere, heel oude cultuur komt,
kun je als Bijbellezer geregeld merken.
Ook bij lezen van Deuteronomium kun je geregeld die ervaring hebben:
dit is wel een heel andere cultuur
En zeker bij dit hoofdstuk:
* je zoon of dochter door het vuur laten gaan,
* waarzeggerij, het duiden van de wolken, bezweringen
Komt u dat nog tegen vandaag de dag?

Het is meer iets uit de oude doos, praktijken van vroeger.
Als je over deze praktijken leest, dan kun je al heel snel denken:
maar wat heb ik er vandaag de dag aan?
Hoe moet dit gedeelte mijn geloof voeden, mij opscherpen?
Want dat is toch waarom je in de Bijbel leest
– dat je daarin iets van de Heere God meekrijgt waar je wat aan hebt voor je geloof?
En dat is toch ook waarom je naar de kerk gaat:
Dat je iets uit de Bijbel meekrijgt dat te maken heeft met wat je nu bezighoudt?

Al die verschillende praktijken zijn iets van vroeger
uit de tijd dat Israël het land Kanaän binnenkwam
en allerlei praktijken en gewoonten aantrof bij de inwoners van dat land,
godsdienstige praktijken die iets laten zien van hoe ze omgingen met hun goden.
Die praktijken – of technieken, dat kunnen we ook zeggen, zijn iets van vroeger, die tijd.
Maar waarin die praktijken in overeenstemmen,
raken ze aan iets dat misschien wel voor alle mensen door alle tijden heen geldt:
invloed hebben op je eigen toekomst,
wat op je afkomt – daarin kunnen sturen.
Want helemaal zeker over onze eigen toekomst zijn we niet.
We kunnen wel heel veel maatregelen nemen, heel veel plannen maken,
maar die kunnen door een onverwachte gebeurtenis zomaar ondersteboven worden gegooid.

Je kunt gaan nadenken over een pensioen:
Als ik niet meer hoef te werken, kan ik een aantal leuke dingen doen
waar ik nu nog niet aan toe kom.
De gedachte dat je pensioen eraan komt, kan je op de been houden,
maar je weet niet helemaal zeker of je dat pensioen ook daadwerkelijk haalt.

Je kunt een eigen bedrijf willen starten
en van tevoren alles goed doordacht hebben,
met verschillende mensen en instanties doorgesproken.
Onverwacht zit de economie tegen of gaat een belangrijke afnemer failliet
en je bedrijf komt in zwaar weer door die gebeurtenis die je niet kon zien aankomen.

Al die praktijken en technieken die in Deuteronomium 18 verboden worden,
hebben met die toekomst te maken, die toch altijd iets onvoorspelbaars blijft houden.
Ze maken de toekomst een beetje zekerder
Door met God wat te onderhandelen:
Als U nou dit doet, dan zet ik dat er tegenover.
Als U mij nu een goede omzet geeft, zal ik er U iets van geven.
Als U mij weer gezond maakt, zal ik U dan iets voor U terug doen.
Als U ervoor zorgt dat mijn huwelijk weer goed functioneert,
dan zal ik meer in de Bijbel gaan lezen en meer tijd besteden aan gebed.
Het heeft er iets van dat God in mij investeert en dat ik Hem daarvoor terug betaal.
Hij doet iets voor mij wat ik graag zou willen
en Hij krijgt er iets voor terug.
Dat is die eerste methode, die eerste techniek: de kinderen door het vuur laten gaan.
Waarschijnlijk gaat het niet om een verbranden van kinderen,
maar om een ritueel waarbij een kind wordt afgestaan aan God
Door dat kind tussen twee vuren door te laten lopen
of een soort brandmerk te geven: dit kind is nu van God.
Het heeft iets van God onder druk zetten:
U krijgt mijn kind pas als U als eerste iets geeft.
Als U dat niet geeft, mijn wens niet in vervulling laat gaan, dan krijgt U niets.
Het heeft iets van je toekomst zekerder willen maken door God te manipuleren, te bespelen.
Mijn toekomst heb ik eigenlijk niet in de hand,
maar als ik God onder druk zet, bespeel, dan heb ik er toch invloed op
dat ik een bepaalde, diep gekoesterde wens in vervulling zie gaan.

Waarom wordt deze praktijk zo scherp veroordeeld?
Want dat je iets alvast iets belooft, omdat God je wil helpen,
dat hoeft toch niet verkeerd te zijn?
Als je weer gezond wil worden, als je wilt dat je huwelijk weer een stuk beter wordt,
als je een bedrijf op wil starten,
dan kun je toch ook bidden om Gods hulp
en soms ook hartstochtelijk bidden om Gods hulp
en bij jezelf denken: als God mij helpt, dan wil ik mijn dankbaarheid tonen.
Maar in de praktijk die wordt veroordeeld,
gaat het niet om bidden,
want het  Uw wil geschiede ontbreekt.
De correctie die de Heere kan aanbrengen op onze plannen,
omdat de Heere dat voor ons beter acht, ontbreekt.
Iemand die zo sjachert met God, God probeert te manipuleren
is zo sterk overtuigt van zijn eigen plan;
dat zit zo goed in elkaar, dat moet wel doorgaan.
God zelf had dat niet beter kunnen bedenken.|
Hier is iemand bezig, die zich op hetzelfde niveau van God plaatst,
of misschien wel boven Hem
vanuit de gedachte: ‘Ik weet beter dan God wat goed voor mij is!’
Menselijke hoogmoed, waarbij iemand zichzelf zo belangrijk maakt als God zelf
en denkt God voor te kunnen schrijven hoe Hij moet handen.

En misschien is dat nog wel niet het ergste.
Want als je God onder druk zet, als je God wil manipuleren (‘eerst U, dan ik!’)
laat dat zien dat hoe je over God denkt.
Dat je Hem niet als een royale God, die van harte geeft en deelt van Zijn overvloed,
maar een God bij wie je moet leuren, die je moet omkopen
om iets gedaan te krijgen.
Het verraadt dat je denkt: Ik kan niet op God aan; ik vertrouw Hem niet.
Dan zie je niet wat God je steeds weer geeft:
de kleine en de grote zegeningen.
De grote zegening, zegt Mozes hier, is dat het volk het land krijgt,
een geschenk van de eigen God, die zich verbonden heeft met Zijn volk.D
Dan zie je niet hoe God steeds bezig is voor je te zorgen,
je gelukkig te maken, je een weg door het leven te wijzen onder Zijn zegen.
In die eerste techniek die genoemd wordt – over de kinderen die door het vuur gaan –
klinkt niet alleen de onzekerheid over de toekomst door
en daar grip op willen hebben,
maar ook onzekerheid over God, niet weten wat je aan God hebt
en daarom grip op Hem willen hebben door Hem onder druk te zetten.
Bij deze techniek is er nog wel het geloof dat God iets voor je kan doen,
maar dat je Hem dan wel een zetje moet geven.

Bij die andere technieken die genoemd worden
is meer de suggestie dat God niet zoveel zal doen.
Hij heeft niet zoveel invloed op wat er hier in het leven op aarde gebeurt.
Hij zit in de hemel.
Hij is te groot om Zich bezig te houden met dat aards gewemel, dat gepriegel.
Wie van deze technieken gebruik maakt
– het raadplegen van een waarzegger, het bekijken van wolken –
denkt ten diepste bij zichzelf: mijn kleine leventje is te onbelangrijk voor God.
God is er alleen voor het grote geheel:
de koers van de wereld of misschien is dat zelfs nog wel te klein voor Hem
die groter is dan alle zonnestelsels bij elkaar.
“God is zo groot, ik kan me niet voorstellen dat Hij zich bemoeit met mijn kleine leventje.”
De hele wereld zit vol wetmatigheden.
Als je die kent, dan weet je ook welke toekomst er op je afkomt
en dan kun je je erop instellen.
Als je naar de wolken kijkt en naar de gang die ze door de lucht gaan,
dan kun je daar iets zien van wat er in je leven gaat gebeuren.
Als je naar de sterren kijkt, de stand van de sterren, de horoscoop,
dan kun je een klein beetje weten wat er deze week in jouw leven gebeurt.

En waarom is dat dan zo erg dat Mozes zijn hartgrondige afkeer uitspreekt
en spreekt over gruweldaden, verfoeilijke praktijken?
Omdat ze ons aanleren de wereld te zien zonder God,
zonder dat God actief in deze wereld ingrijpt.
Je kijkt naar deze wereld, alsof er geen God is.
Alles ligt toch al vast en God verandert dat niet.
Je hoeft niet te bidden, want dat heeft toch geen enkele zin.
Jouw gebedje, die paar menselijke woordjes, kunnen die grote God toch niet bereiken.
Hij verandert de koers van de wereld niet om jou een beetje te helpen.
Bidden is meer dat je zelf met Gods weg met jou in het reine komt.

De Bijbel laat juist het tegenovergestelde zien:
God die zich actief bemoeit met deze wereld.
Het volk Israël heeft dat zelf kunnen ervaren:
hun noodkreten in Egypte bereikten de hemel
en God deed de poorten van Egypte open.
Vanmiddag zullen we dat in de kinderdienst ook horen:
het onrecht dat door Ninevé wordt gedaan, het oneerlijke en wrede van deze stad
is voor de Heere reden om zich actief te gaan bemoeien.
En Hij stuurt er een enkeling op af, een klein mens om die honderdduizenden te veranderen.
En wat dacht u van Abraham, die het waagde met God te onderhandelen
door de Heere wat betreft Sodom en Gomorra op andere gedachten te brengen
en de Heere die de smeekbeden van Abraham serieus neemt:
Als er nog 10 rechtvaardigen zijn, zal Hij de stad sparen
en Zijn plan om de stad te verwoesten niet ten uitvoer te brengen.
Het gebed van een enkel mens kan God al op andere gedachten brengen
en een hele koerswijziging in de geschiedenis tot stand brengen.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,
er is een God, er is een God,
stort bij Hem uit, o mens toch Uw hart,
er is een God Die hoort.
Ga steeds naar Hem om hulp en om raad,
wacht niet te lang, ’t is spoedig te laat,
dat niet door twijfel ’t hart wordt verstoord,
er is een God Die hoort.

Ik vind het altijd weer indrukwekkend en troostvol om die ene zin te zingen
uit het Adventslied: en onder millioenen hebt Gij ook mij in ’t oog.
Israël, weet je waarom je je daar niet mee moet inlaten?
Ze suggereren dat je God niets om te geeft.
Dat je te onbetekenend bent, te nietszeggend,
dat jouw lot Gods hart niet in beweging kan brengen, God niet kan raken.
Gemeente, ik hoop dat u uw Bijbel beter kent
en dat u God beter kent om te weten
dat God zich steeds weer opnieuw laat raken, zich laat zien,
zich met uw leven bemoeit, actief bemoeit
en in staat is en bereid is om een hele koerswijziging in uw leven aan te brengen
en Zijn plan met u, met jou te wijzigen, omdat je tot Hem bidt voor jezelf.
Verbidden: door gebed God op andere gedachten brengen.

In plaats van al die praktijken, vraagt God iets anders en geeft Hij ook iets anders.
Hij vraagt oprechtheid en Hij geeft een profeet.
Oprechtheid (vers 13) – daarbij gaat het om een hart dat onverdeeld is.
Vaak kan ons hart juist verscheurd zijn:
Aan de ene kant wil je God dienen, aan de andere kant trekt de wereld nog zo.
Aan de ene kant wil je tijd voor God hebben, aan de andere kant is er nog zoveel dat moet.
Aan de ene kant wil je je helemaal overgeven en leven in vol vertrouwen op God,
maar je wilt toch weten waar je aan toe bent, grip hebben.
Aan de ene kant wil je helemaal voor God gaan, maar aan de andere kant,
Stel je dat God je laat zitten en niet geeft wat je nodig hebt,
laat ik er dan maar iets bij nemen, waar ik ook mijn vertrouwen op stel.
Iets om achter de hand te hebben, voor het geval God niet thuis geeft.
Doe dat niet! Maar zorg ervoor dat je hart helemaal op God gericht is.
Eén richting, één totale focus op God.
Loyaliteit zonder reserve, overgave zonder iets van jezelf terug te houden.

Om die gerichtheid, die loyaliteit, die overgave te versterken
geeft God een profeet,
geen uitzonderlijk iemand, niet iemand die allerlei geheimzinnige kennis heeft
en ingewikkelde rituelen om invloed op God uit te oefenen heeft,
maar iemand die is zoals jullie.
Die daarom ook je worstelingen kent, je strijd om je hart op God te richten.
Vanmiddag gaat het over een profeet, die niet naar God wil luisteren
en voor God op de loop gaat.
Een mensje uit het stof verrezen, maar wel iemand die Mijn woorden tegen je zegt.
Iemand, net als jullie, maar die wel het besef levend houdt,
dat God er voor je is, dat Hij om je geeft
en dat Hij niet aan jou voorbijgaat, maar je door en door kent
en voor jou persoonlijk een weg heeft uitgestippeld
en die hoopt dat je tot Hem komt.
Geen supermens of supergelovige, maar wel iemand die gekenmerkt wordt
door oprecht geloof en de strijd met het eigen hart aangaat
om de aandacht volledig op God te hebben, gaat voor de focus
in een wereld die steeds afleidingen biedt
en allerlei alternatieven voor God aanreikt.
Door die mens, door die woorden is God zelf in het midden,
de levende God die Zijn stem laat horen, die Zich bekend maakt,
Die geen geheimzinnige macht is, die je nauwelijks kunt kennen,
maar tot wie je kunt gaan met je gebeden, met je dank,
Met wie je kunt leven, met wie je kunt strijden – net als Jakob – om de zegen te ontvangen.

In de Herziene Statenvertaling staat Profeet met een hoofdletter
waarmee het geloof wordt aangegeven dat die Profeet uiteindelijk Christus is.
Dat is Hij ook, deze profeet, God die aan ons gelijk werd,
maar tegelijkertijd is het ook de belofte dat in elke tijd mensen zullen zijn,
die profeet zijn,
die tegen je zeggen wat God van jou vraagt,
die tegen je zeggen wat God in deze tijd vraagt,
die in deze tijd aanwijst waar God werkzaam is,
die het steeds weer zegt en voorleeft, dat God er is, en werkt
dat Christus, de Profeet die opstond, de Heer is die leeft tot in alle eeuwigheid.
Amen



Preek zondag 2 oktober 2016 -middagdienst

Preek zondag 2 oktober 2016 -middagdienst
Israëlzondag
Deuteronomium 4:23-40
Tekst: Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur (vers 24a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op deze Israëlzondag had ik stil willen staan bij het bijzondere van de God van Israël,
namelijk dat de God van Israël – de enige God die er is (er is geen andere God),
dat die God uit de hemel neerdaalde om op aarde te zijn.
Er zijn verschillende teksten in het Oude Testament die er van spreken
dat God op aarde komt, om te wonen tussen Zijn volk Israël.
Dat God naar de aarde komt,
dat is niet iets wat in het Nieuwe Testament voor het eerst gemeld wordt,
maar dat wordt in het Oude Testament reeds aangegeven,
bijvoorbeeld in de verhalen over de bouw van de tabernakel en de tempel,
de tabernakel een tent, de tempel een huis voor God om te wonen.
Dat zou een mooie, bemoedigende preek worden,
met misschien ook wel nieuwe inzichten,
namelijk dat de komst van de Heere Jezus op aarde
niet echt nieuw is ten opzichte van het Oude Testament,
omdat daar al gesproken wordt over Gods afdalen op aarde.
Het nieuwe zou dan zijn, dat met Christus God als mens op aarde komt
om net als ons te worden.
(Het heeft me trouwens verrast dat de thematiek van God die op aarde afdaalt
naar de tabernakel of de tempel niet in Deuteronomium voorkomt. Wel Ex/Lev).

Maar niets van deze thematiek verder in deze preek,
want ik bleef haken bij een andere karaktertrek van God, die in dit gedeelte wordt gemeld:
Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een na-ijverig God.                
Dat is nogal een uitspraak: God als een verterend vuur.
Ik kreeg deze uitdrukking, dit beeld niet meer uit mijn gedachten.
Want dat is niet een tekst om op een stichtelijke kaart af te drukken
om die aan een medegelovige te sturen.
Want wat zal de gedachte zijn, als iemand een kaart krijgt met zo’n Bijbeltekst:
Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een na-ijverig God.  
Dit is ook tekst waarvan je hoopt dat iemand die niet zo vaak in de kerk komt
of de Bijbel niet kent, hoort.
Want wat zullen de gedachten zijn van iemand,
die niet weet dat er ook zoveel andere teksten over God in de Bijbel staan,
en dan over God te horen krijgt dat Hij een verterend vuur is.
Dat is niet echt een beeld dat uitnodigt om in de gemeenschap van God toe te treden.

Nu kan heel gemakkelijk de gedachte ontstaan dat God als een verterend vuur
meer iets voor het Oude Testament is
en dat dit beeld van God in het Nieuwe Testament wordt gecorrigeerd
door een beeld dat veel liefdevoller is, uitnodigender, geduldiger.
Maar het is vandaag Israëlzondag.
De kerk heeft God niet beter begrepen dan het volk Israël.
Dat mogen we op deze Israëlzondag niet doen
– op geen enkele zondag mogen we doen dat het beeld
dat het Nieuwe Testament van God een heel ander beeld geeft van God.
Dat waar de Heere in het Oude Testament strakkere, hardere trekken heeft
die in het Nieuwe Testament worden gecorrigeerd.
Want het Nieuwe Testament heeft geen andere God dan het Oude Testament
en spreekt ook niet anders over de Heere dan in het Oude Testament.
Ook in het Oude Testament wordt gezegd dat God liefde is.
Kijk alleen maar in dit hoofdstuk, vers 31 – tenminste in de NBV:
Want de HEER, uw God , is een God van liefde.
En omgekeerd wordt in het Nieuwe Testament gesproken over een God die toornt.
Juist deze tekst over God als een verterend vuur wordt in het Nieuwe Testament aangehaald.
In het laatste vers van hoofdstuk 12 wordt deze tekst aangehaald
Om de gemeente aan te sporen trouw aan God te blijven
en naar Hem te blijven luisteren en dienen – Want onze God is een verterend vuur!
We kunnen dit beeld niet zomaar aan de kant schuiven.

Waarom dit beeld bij mij bleef haken, is omdat ik dit niet altijd bewust ben
in mijn eigen omgang met God.
Wanneer ik de kerk binnenkom om een kerkdienst bij te wonen
en naar een preek te luisteren.
Ik kom dan naar de kerk om bemoedigd te worden,
Weer iets van God te horen, om mijn geloof te versterken.
Dat de God die tot mij spreekt ook een verterend vuur kan zijn,
ben ik mij niet altijd bewust.
Misschien wil ik dat ook niet, dat deze kant van God in de aandacht kom
omdat ik dan niet weet wat er dan van mijn geloof, maar vooral van mijzelf overblijft.
Want wie kan God onder ogen komen?
Wie kan de stem van de Heere horen, in zich opnemen
en dat er levend van afbrengen?
Mozes houdt dat het volk Israël voor:
Weet je wel hoe bijzonder het is dat je nu nog leeft?
Want je hebt de Gods stem vanuit het vuur gehoord!
Zo kom ik niet uit de kerk: in verwondering dat ik de ontmoeting met God heb overleefd.
Zo bezig met die tekst denk ik, dat ik zelf wel meer van dat ontzag voor God mag hebben.
Ik bedenk me dat er gemeenteleden nu zijn,
die zeggen: Ja, maar dat ontzag voor God heb ik wel degelijk.
Als ik naar de kerk ga, als ik tot Hem nader in het gebed of uit de Bijbel lees,
Dan besef ik dat ik voor de heilige God sta die niet met zich laat spotten.
En misschien denkt u er dan bij:
Het zou niet verkeerd zijn om meer besef van de heiligheid van God te hebben.
Om er bij stil te staan dat God niet zomaar met zich laat spotten.

Wat is dat voor een beeld van God: God als een verterend vuur?
Wat bedoelt Mozes ermee?
Dat is altijd goed als u in de Bijbel op iets stuit waarvan u denkt:
‘Hier kan ik niets mee.’
Dat u dan op onderzoek uit gaat,
om te achterhalen wat er met die Bijbeltekst bedoeld wordt
en wat u er toch van zou kunnen leren.
Wat bedoelt Mozes ermee en waarom gebruikt hij juist nu dit beeld van God?
Dat heeft met het voorafgaande te maken:
maak geen beeld van God.
Maak geen beeld van hout of steen, van goud of koper of welk materiaal ook,
want de Heere, uw God, is een verterend vuur.
Deze tekst mogen we dus niet zomaar los citeren.
Dat de Heere een verterend vuur is moeten we in het kader zien van die beelden
die mensen kunnen maken van God.
Stel dat we bedenken dat we hier in de kerk een beeld van God zouden willen hebben,
een beeld van goud of koper (het moet er wel mooi uitzien!)
of van steen of hout
– dat kan gewoon niet.
God kan niet in zo’n beeld van steen of hout, van koper of goud huizen.
Want dat was de gedachte van zo’n beeld dat je liet maken:
dat de god die je diende dan in zo’n beeld kwam wonen
en dan had je die god zo makkelijk dichtbij.
Je kon hem dan in de kamer neerzetten
en dan kon je bij jezelf denken: ik ben mijn god in huis.
Je kon ervoor gaan zitten, met je gedachten op dat beeld gericht.
Dat hielp dan bij de concentratie
en omgekeerd als dat beeld dan naar je keek, dan wist je: mijn god kijkt naar mij.
Ik kom in de kijklijn van mijn god
en als ik hem aanraak, vloeit er zegen over naar mij vanuit dat beeld,
want Gods kracht stroomt in mij over.
Een beeld van God suggereert dat je Hem heel dicht bij je hebt,
onder handbereik, je kunt Hem zien en aanraken.
Hij is niet ver, Hij is niet verborgen.
Je hoeft je nooit af te vragen waarom Hij zich niet laat zien of waar Hij is.
Hij is bij je.

Dat kun je niet maken – want God is een verterend vuur.
Onze God past niet in zo’n beeld.
Zijn grootheid, Zijn heiligheid zou dat beeld verteren.
Dat is het eerste aspect: wanneer onze God met zo’n beeld in aanraking komt,
dan blijft er van dat beeld niets over.
Zoals bij een elektrisch apparaat, een lamp waarbij teveel stroom op staat,
dat er kortsluiting komt: het bolletje knapt of het apparaat door de klap van de stroom stuk gaat
zo blijft er van dat beeld niets over.
God is te groot, te heilig – God is niet te vangen.
Ook niet in een beeld.
In die tijd dacht men dat zo’n beeld juist een soort transformator was
om de heilige God die zo geladen vol heiligheid toch wat dichterbij kon brengen,
een afzwakken van zijn heiligheid, zijn gloed – Gods kracht wordt wat afgezwakt
om hem dichterbij te brengen, zodat jezelf niet verteert, maar blijft bestaan
en dat Zijn zegen, zijn kracht en hulp in je overvloeit.
Een beeld als een soort transformator,
die God voor je wat kleiner maakt, wat behapbaarder en benaderbaarder.
Maar dat kun je met God niet doen,
Dat je Hem kleiner kunt maken, zodat jij Hem aankan, zodat jij Hem begrijpt.
Want voor ons als mens blijft Hij te groot, te veel anders,
wij kunnen Hem nooit helemaal doorgronden, nooit helemaal doordenken.
En toch is zo’n transformator die Gods heiligheid en grootsheid omzet in iets kleins
niet nodig, want ondanks Zijn heiligheid en grootsheid
komt God naar ons toe door te spreken: Hij maakt zichzelf klein.
Zijn stem komt tot ons – hier verwijst Mozes naar het vuur op de berg dat er was,
maar soms is Zijn stem ook fluisterend en vriendelijk,
maar dan ook weer aandringend en waarschuwend,
maar God bepaalt hoe Hij tot ons komt en wat Hij tegen ons zegt.
Hij bepaalt de manier, Hij bepaalt de boodschap.
Dat kunnen wij en mogen wij niet.

En vergeet ook niet dat Gods daden niet in zo’n beeld te vangen zijn.
Moet je zien wat de Heere gedaan heeft: van de schepping tot de uittocht,
de strijd die Hij voor Israël voerde,
hoe Hij zelf voorop ging in de strijd en Israël alleen maar hoefde te volgen.
Die beeldjes die je als mens maakt, zijn te klein, te stijf.
Je kunt ze oren geven, maar ze zullen nooit horen
niet de dank en ook niet als je in je nood tot deze god roept.
en je kunt ze ogen geven en doen alsof je voor hen komt,
maar ze zullen je nooit opmerken en zien in welke omstandigheden je bent.
Alleen de levende God, die in de hemel is, die te groots, te ontzagwekkend is,
maar ook bereid is om zich kleiner te maken, uit zichzelf,
zodat wij Zijn stem kunnen horen en kunnen gehoorzamen.
Deze God is jullie God, zegt Mozes.
Die God die een verterend vuur is – is wel jullie God: de Heere uw God.
Dat geeft toch ook aan dat er een relatie is:
tussen het volk Israël en de Heere
en door Christus mogen wij ook delen in die relatie, in die gemeenschap met God.

Een verterend vuur, die er op gericht is om de relatie zuiver te houden.
Een verterend vuur:
Een vuur waarna er niets meer overeind blijft, alles afgebrand en zwartgeblakerd.
Ik heb verhalen gehoord over de brand op ‘t Harde in 1970.
Over de molen in Oosterwolde die is afgebrand.
Dat zijn verhalen waarin verteld kan worden van een verwoesting.
Als Mozes hier spreekt over God als een verterend vuur
wil hij op iets anders de aandacht vestigen:
niet een grillige brand, die nauwelijks te bestrijden is
En waarna als de brand geblust is de schade opgemaakt wordt.
Als God een verterend vuur is,
is dat eerder een vuur dat ruimte maakt en zuiverend werkt.
In de Bijbel wordt gesproken over goud dat in het vuur wordt zuiver gemaakt,
ontdaan van alles vuil en viezigheden.
Of misschien kunnen we denken aan een akker
waarbij na de oogst de brand wordt aangestoken om de stoppels te verbranden
om zo ruimte te maken voor een nieuwe oogst.
God is een verterend vuur – ja Hij verwoest,
maar niet alleen om een grillig, nietsontziende verwoesting te beginnen.
Nee, altijd ten dienste van die relatie die er is met mensen.
Om wel die beelden te verwoesten,
maar dan omdat ze God niet kunnen bevatten.
Ze maken God te klein.
Omdat ze Gods daden niet kunnen afbeelden,
God niet kunnen opsluiten.
Dat vuur dat brandt, dat is om ruimte te maken voor Hemzelf, de levende God,
de enige God die er is, die alleen de aarde geschapen heeft,}
die alleen Israël heeft uitgeleid, die alleen voor Israël streed.

Vuur – dat kan ook een beeld zijn van Gods toorn.
Ook Mozes waarschuwt ervoor, dat God het volk kan loslaten,
in ballingschap kan sturen, kan verstrooiien,
maar helemaal vernietigen – nee, dat zal niet gebeuren.
Sterker dan zijn toorn is Zijn barmhartigheid.
Dat is het laatste woord.
God als een verterend vuur, dat is niet bedoeld om Israël te verteren, te vernietigen.
Dat kan wel – verwondering dat het niet gebeurt,
maar God wil dat niet.
Hij koos voor Israël als Zijn volk.

Maar Hij vraagt wel iets.
Een verbond heeft twee kanten.
Gods heiligheid, Gods anderszijn vraagt een volk dat anders is, heilig.
Dat zich ervan bewust is dat het leven voor Gods aangezicht afspeelt.
Coram Deo.
Niet voor een beeld, maar voor de levende God,
die ziet en hoort, die niet met de armen over elkaar zit,
maar ingrijpt, strijdt, desnoods uit de hemel komt
en mens wordt in Jezus Christus.
Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet loslaten, en u niet te gronde richten; Hij zal het verbond met uw vaderen, dat Hij onder ede met hen gesloten heeft, niet vergeten.
Amen


Israëlzondag 2016

Israëlzondag 2016

Komende zondag is het Israëlzondag. Dan staan we als kerk stil bij de onopgeefbare verbondenheid die er met Israël heeft. De kerk heeft veel aan Israël te danken: het hele Oude Testament en eigenlijk ook het hele Nieuwe Testament. Alleen van Lukas en van de Hebreeënbrief wordt soms getwijfeld of de auteur een Joodse achtergrond heeft. Daarnaast geloven we als kerk dat het verbond met Israël nooit is opgezegd door God. Israël is daarom een teken van Gods trouw door alle eeuwen heen. De reformator Calvijn is nooit een aanhanger geweest van de zogenaamde vervangingstheologie (de gedachte dat Gods verbond met Israël verbroken is). De relatie tussen Luther en de Joden was gecompliceerder: hij kon heel negatief én heel positief zijn over de Joden. In het Europa dat door het christelijk geloof gestempeld is geweest, is er wel ruimte geweest voor antisemitisme. Soms was dat op de kerk te herleiden, maar soms ook niet. Door de eeuwen heen zijn Joden vaak een minderheid geweest en hebben ze te maken met discriminatie en uitsluiting en vaak ook met geweld en vervolging. Met als dieptepunten de periode van 1933-1945. Geen wonder dat er vanuit de kant van de Joden geregeld grote argwaan bestaat ten opzichte van de kerk. Binnen de kerk is er door het besef van de grote vernietiging in de periode 1933-1945 en door de stichting van de staat Israël een nieuwe aandacht gekomen voor de relatie tussen kerk en Israël. Gelukkig zijn er ook intense gesprekken geweest waardoor over en weer respect is gegroeid. Zeker in Duitsland, maar ook in Nederland, hebben die gesprekken voor mooie resultaten gezorgd.

Wie over Israël spreekt, kan er niet omheen dat een groot deel van de Joden Jezus niet als messias erkent. Dat is een belangrijke vraag voor de kerk: wat zegt het als Gods volk de door God gezonden messias niet erkent? Wat zegt dat over de weg die God gaat in deze wereld? En wat zegt dat over hoe de kerk zich opstelt?
Wie over Israël spreekt, kan niet om de staat Israël heen. Dat maakt de thematiek misschien nog wel ingewikkelder. Is de staat Israël een ontwikkeling in Gods heilsplan? Maar waarom is het dan een seculiere staat? En dan de politiek van de huidige regering – hoe verhoudt die zich tot het plan van God in deze wereld? Denk aan de houding ten opzichte van de Palestijnen: al 50 jaar wordt er onderhandeld over vrede en de vrede lijkt steeds verder weg dan ooit. De politiek waarin het land van de Palestijnen wordt afgenomen en de minachtende houding van veel Israëlieten doet de zaak geen goed. Daar staat weer tegenover dat het volk Israël in het verleden vaak sterk bedreigd is en ook vaak toen het een eigen staat had. Bovendien geldt dat de leiders van de Palestijnen niet altijd om de gewone Palestijn lijkt te geven en corruptie een groot probleem is. Je zou de mensen die daar wonen vrede gunnen, maar de vraag is of die vrede er ooit kan komen.
Waar moet komende zondag de aandacht op gevestigd worden? Ik ben voorzichtig. Zeker over de huidige staat Israël en de politiek van Israël. Ik denk dat het bestaan van Israël als volk als zodanig al genoeg vragen aan de kerk stelt. Zeker in deze periode, waarin Deuteronomium aan de orde is, besef ik dat de woorden van God allereerst aan Israël zijn gericht. (Goldingay spreekt zelf over het Eerste Testament, omdat Oude Testament de suggestie heeft van ‘verouderd’). We ontvangen ze als het ware via-via. Daar ben ik dankbaar voor, dat we die woorden toch mogen ontvangen en ons eigen mogen maken. Welke weg de Heere met Zijn volk gaat, mogen we aan Hem overlaten. Ik bedoel dat niet vanuit onverschilligheid, maar vanuit de trouw die God steeds aan Israël toont.
Vorig jaar las ik het uitdagende boekje van de Engelse hoogleraar Oude Testament John Goldingay: Hebben we het Nieuwe Testament eigenlijk wel nodig? Zijn stelling was: het Nieuwe Testament bevatte niets nieuws ten opzichte van het Oude Testament. Alles wat het Nieuwe Testament bevat, staat reeds in het Oude Testament. Daarom vind ik het van belang, dat ook het Oude Testament aan de orde komt in de prediking en dan niet alleen de bekende gedeelten, maar ook de onbekendere. Zeker het Bijbelboek Deuteronomium dient aan de orde te komen. Dit Bijbelboek heeft het Nieuwe Testament misschien wel het meest gevormd. Alleen daarom al kunnen we niet om dit boek heen.
In eerste instantie had ik voor deze zondag Deuteronomium 6 gepland, waar de kernbelijdenis van Israël verwoord is. Door een kleine onoplettendheid van mijn kant is dit hoofdstuk al bij de doopdienst aan de orde gekomen. Op dit moment heb ik nog niet helder welk hoofdstuk uit Deuteronomium aan de orde komt.

Preek zondagmorgen 25 september 2016

Preek zondagmorgen 25 september 2016
Deuteronomium 12:1-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Deuteronomium is maar een taai Bijbelboek’,
zei een ouderling in de consistorie toen ik daar als gastvoorganger een dienst leidde.
‘In het begin is het nog wel te doen
met die terugblik op de woestijnreis,
maar op een gegeven moment krijg je al die wetten en regels.’

Vandaag zijn we bij een aantal van die wetten en die regels aangekomen
en misschien verwoordde die ouderling in de consistorie
ook wel uw mening over het Bijbelboek Deuteronomium: ‘taai’.
Als je Deuteronomium al leest, dan kun je gemakkelijk afhaken,
omdat het niet duidelijk is, wat je er mee moet.
Wat hebben die regels en die wetten uit dit Bijbelboek nu te maken
met mijn alledaagse leven?
Dat is  – denk ik – ook wat die ouderling bedoelde:
Ik kan weinig met die wetten en die regels,
omdat ze ver af staan van het leven dat ik heb.

Daarbij kunt u als lezer van deze 21e eeuw bij het 12e hoofdstuk
helemaal de wenkbrauwen fronsen:
is het vernietigen van de heiligdommen en de afgodsbeelden
niet iets van de Taliban en IS?
De taliban vernietigden ooit twee enorme, eeuwenoude beelden van Boeddha
omdat deze beelden ongepast waren volgens de islam.
En van IS is bekend dat ze oude kerken en oude Romeinse tempels verwoesten
in de gebieden die zij veroverd hebben.
Dat kan een tweede reden zijn – naast het taaie van Deuteronomium,
waardoor je dit Bijbelboek zou willen overslaan
en snel doorbladeren naar een volgend Bijbelboek
terwijl je ondertussen denkt: Er staan toch maar rare stukken in de Bijbel.

Ik hoop vanmorgen in de preek iets van dat taaie weg te kunnen nemen
én dat u ook begrijpt dat dit hoofdstuk minder met de IS en de taliban te maken hebben,
maar daarvoor maak ik even een omweg van wat ik dit weekend las.
Ik hoop u mee te kunnen nemen.

Taai – dat is het woord gebruikt werd door de ouderling – ver weg van het leven dat ik heb.
Maar wat is dat leven, dat u hebt? Hoe ziet jou leven eruit?
In het Nederlands Dagblad stonden dit weekend twee artikelen van collega’s van mij:
ds. Paul Visser (Amsterdam) en ds. Kees van Ekris (Zeist)
– beiden betrokken bij de IZB en daar zijn hun verhalen ook na te lezen.
Deze twee predikanten gaven aan, dat er in de kerk veel vermoeidheid én verveling is
en door die verveling en vermoeidheid verkruimelt het geloof van de kerkgangers.
De kerkgangers – ze doen nog wel mee met alles: met de kerkdienst,
met bijbelkring, leiden clubs,
maar onderhuids is er twijfel of het allemaal wel waar is,
of een bepaalde verveling: het raakt niet meer,
de preek niet, de liederen niet, de gesprekken niet
en je kunt het dan wel zoeken in een soort geloofskick, een oppepper,
maar die overschreeuwt alleen maar de verveling en vermoeidheid.
En als de kick is uitgewerkt, slaat de verveling en vermoeidheid des te harder toe.
Is dat wat u herkend?
Ik overval u er misschien mee, omdat u deze berichten niet gelezen hebt.
Is er in jouw vriendenkring deze verveling, of bij jezelf.
Merk je dat de woorden van God jou niet meer raken,
of bij je vrienden niet meer binnenkomen?
Of zeg je: ‘Hoe komen deze twee predikanten erbij.
Ze leven in een heel andere wereld dan ik.
Ik kom juist bevlogenheid en verlangen tegen.’?

Ik zou zelf zeggen dat er iets anders aan de hand is
en het zou wel eens over hetzelfde kunnen gaan als wat Visser van Van Ekris signaleren.
Dat het geloof los staat het dagelijks leven,
een eigen wereldje dat weinig verbinding heeft met de andere delen van ons bestaan.
Het geloof is er wel en op zondag en door de week probeer je het te voeden,
maar het is een eilandje in je leven,
af en toe heb je er aandacht voor – als je tijd hebt,
maar meestal gaat de tijd op aan iets anders,
omdat je ook veel te doen hebt.
Afgelopen week was ik op een Bijbelkring waar dit aan de orde kwam.
Het begon met het huishouden: het huis schoonmaken, de was wegwerken,
je werk, de kinderen die je aandacht wilt geven.
Is er dan nog wel tijd voor jezelf om op de bank je gaan zitten,
gewoon te zitten en wat na te denken over jezelf, of te lezen in een boek?
En als er zoveel is dat je aandacht opeist, zoveel dat gedaan moet worden,
waar haal je dan de tijd en de rust vandaan
om contact met de Heere te zoeken: tijd voor bidden, voor lezen in de Bijbel.
Als die tijd er is, dan ben je van binnen vol onrust
– onrustig in het hoofd, in je hart.
En daardoor kom je er niet toe om het contact met de Heere te zoeken, te verdiepen.
Ik denk dat het wel eens een van de grootste problemen binnen de kerk kan zijn:
dat gebed en het lezen uit de Bijbel niet meer gedaan wordt,
of wel gedaan wordt, maar dan zonder dat het echt iets oplevert voor je geloof.
Je zou misschien wel willen, maar het lukt je niet.

Juist dan kan dit taaie hoofdstuk 12 uit Deuteronomium zinvol zijn.
Dat Bijbelboek dat zoveel regels en wetten heeft,
die niets met ons leven te maken zouden hebben, wil ons laten weten:
alle aspecten van het leven behoren aan God toe.
Als je merkt dat het geloof een eilandje is,
dat helemaal los staat van de rest van je leven, hoort er bij jezelf een alarm af te gaan:
er gaat iets niet goed met mij,
want elk onderdeel van mijn leven hoort aan de Heere toegewijd te zijn.
In de wetten en regels die in Deuteronomium wordt daar een uitwerking aan gegeven:
hoe het leven in zijn geheel aan de Heere worden gewijd
en hoe je kunt voorkomen dat je geloof iets wat los staat van de rest van het leven.
Het gaat hier om geloof dat in praktijk gebracht wordt, geloof dat geleefd wordt.

In hoofdstuk 12 start een uitwerking van die geboden.
Eerder heeft Mozes al wat gezegd over wetten en regels, richtlijnen en geboden,
die het volk moet naleven.
Nu gaat hij dat concretiseren:
Dit zijn de verordeningen en de bepalingen
en wat ik jullie, volk, nu ga uitleggen, moet je heel nauwgezet in praktijk brengen.
Dus niet halfslachtig, of een beetje, niet als je een kwartiertje over hebt
maar met volledige aandacht en totale inzicht.

Mozes begint zijn uitwerking van de geboden door te zijn op het land
waar ze in terecht zullen komen: dat land wordt aan jullie gegeven.
Dat geeft de Heere aan jullie, omdat je Hij dat aan je voorouders heeft beloofd.
Wat je straks hebt: het huis, het stuk grond om je huis, waar je de groenten verbouwt,
de akkers waar je koren voor het brood en mais op groeit,
de weiden waar je vee op zal grazen
– dat is allemaal een geschenk van de Heere.
In dat land dat de Heere geeft, komen een aantal dingen samen,
die laten zien hoe de Heere God is van Israël:
allereerst een thuis, een plek om te wonen, waar je je kunt wortelen,
je hoeft niet meer te zwerven door de woestijn, vol bedreiging en steeds weer opbreken,
maar een thuis.
Het zal ook een thuis in vrijheid zijn:
niemand zal je opjagen, zoals dat gebeurde toen je nog slaaf in Egypte was.
En je zult het goed hebben in dat nieuwe land, dat Ik je geef:
Een leven in overvloed.
Dat land laat zien, dat Ik jullie zal zegenen: Ik heb het goede met jullie voor.
In dat land mogen jullie leven onder Mijn bescherming
en je mag er thuis zijn – en niet zomaar thuis,
maar bij Mij thuis, omdat Ik er ook woon – voor Mijn Naam zal er een huis zijn.
Je ontvangt dat allemaal als een geschenk van Mij,
omdat Ik jullie God wil zijn en Ik jullie als Mijn volk wil.
Dat land laat zien, dat Ik jullie liefheb, dat Ik jullie heb uitgekozen en voor jullie zorg.
Dat land is echte grond: tastbaar, concreet – je kunt er overheen lopen,
je kunt het voelen, zien, je vee kan er op grazen, je koren groeit erop.
Bij elk stukje van je land dat je ziet, elke keer als je met je hand de grond voelt,
je grond omploegt, of als je erover gaat om te zaaien en te maaien,
moet je bedenken: dit geeft God mij
en de Heere geeft mij dat niet zomaar, maar omdat Hij het goede met mij voor heeft.
Alles wat ik heb, wat ik bezit, spreekt van Gods goedheid, Gods trouw.
Ik heb dat niet zelf voor elkaar gebokst, maar gekregen omdat God voor mij zorgt.

Dat geschenk wordt niet meer van je afgenomen.
En de Heere wil dat je ervan geniet, van die overvloed die Hij je geeft.
Alleen wil Hij wel, dat je er met Hem van geniet – vers 12:
Blij worden met wat God geeft en die blijdschap met Hem delen:
je gaat naar God toe, je neemt de moeite om naar Hem toe te gaan,
je komt voor Hem te staan en zegt Hem – recht in het gezicht:
Heere, dank U voor alle overvloed die ik heb gekregen.
Vers 15: je hoeft niet karig te leven. Als God je zegent, mag je daarvan genieten.
Als je maar ziet, dat het van God komt
en dat goede dat je hebt, de overvloed, de rust, de vrede – uit Gods hand komt.

Die dankbaarheid kan zo weg zijn.
Dat je het goed hebt, dat kun je heel gewoon vinden,
zodat je vergeet stil te staan bij de Gever van al dat goeds: de Heere.
Daar gaat hoofdstuk 12 over: Hoe voorkom je dat je de Heere vergeet
als Gever van het goede, hoe voorkom je dat je vergeet te danken?
Hoe blijf je je ervan bewust dat wat je hebt van God komt ?
Allereerst door opruiming te houden, zegt Mozes tegen het volk. Weg met die heiligdommen
die er staan op dat land dat je van God hebt gekregen.
Dat is geen oproep tot Talibanachtige of IS-achtige praktijken,
maar een oproep om alle concurrenten van God bij je weg te doen.
Die bergen – daarbij moet u denken aan Psalm 121:
Ik kijk omhoog naar de bergen, waar komt mijn hulp vandaan?
Wie is het die mij ‘s morgens vroeg doet opstaan?
Waardoor ik de moed en de fut heb om aan de dag te beginnen?
Wie geeft mij de energie voor de dag en volhoudingsvermogen?
Wie zorgt ervoor dat ik werk heb, dat er klanten zijn voor mijn winkel of bedrijf?
Mijn hulp komt van de Heere.
Al het andere, dat suggereert jou te helpen, moet je wegdoen.
Die afgoden – ze zijn slechts een suggestie: ze beloven je iets moois,
maar kunnen je niet horen, niet zien, niet helpen – een illusie.
Misschien zeg je: ik kan de dag goed beginnen, omdat ik op tijd naar bed ga
en daarom heb ik energie genoeg, ik heb discipline in mijn leven.
Ik houd vol, omdat ik sport, twee, drie keer in de week: energie opdoen, hoofd leegmaken.
Maar dan graaf je niet diep genoeg, als je niet ziet dat het van God komt
en als je dat niet ziet, is het maar een lege bedoening
– of om met woorden van het Oude Testament te spreken: een afgod.
Een afgod kan iets goeds zijn, maar het wordt iets verkeerds
als je daardoor niet meer aan de Heere denkt.
Als je bijvoorbeeld denkt dat je je gezondheid te danken hebt aan een bepaalde kuur
of vitaminepreparaten en je vergeet dat God het je geeft.
En die heuvels, die bladerrijke bomen – dat zijn de gaven die God geeft, de overvloed.
Als je denkt dat dat je gelukkig maakt, zonder dat je er bij stil staat dat je ze ontvangt
uit Gods goede hand, waarmee Hij wil laten zien dat Hij voor je zorgen wil.
Dan knip je het geschenk los van de Gever.
Opruimen wat het zicht op God beneemt, waardoor je God niet meer ziet.
Je kunt het goed hebben, geen belemmering om iets te kopen,
je kunt gezond zijn, je kunt veel energie hebben om veel activiteiten te doen,
maar als er geen tijd en aandacht voor God is – wat koop je er dan voor?

Als je niet ziet hoe dichtbij God is – Zijn naam woont op aarde,
Hij is bereikbaar, je kunt naar Hem toekomen.
Dat is de kern van deze geboden en richtlijnen – vers 5!
Vers 5 geeft aan: je kunt voor God komen, je mag voor Hem verschijnen,
De grote en heilige God.
Het accent ligt op het komen voor God – God onder ogen komen.
Kun jij God onder ogen komen?
Als het einde van een mensenleven nadert, kunnen mensen daar heel diep over na denken:
Kan ik, mag ik voor God verschijnen?
En ook als ze midden in het leven staan kan er een schroom zijn:
Ik – wie ben ik dat ik zomaar voor God kan komen – met mijn vragen en gebeden?
Ja, dat kan, zegt de Heere. Kom maar.
Dat naar God gaan, dat voor God komen
– dat moet de kern van je leven zijn, daar moet alles om draaien.
Dat bij al de verschillende werelden waarin je in een week, of soms op een dag, komt,
Dat je één kern hebt: God, die dichtbij is, bekend bij Zijn Naam,
die een plek op aarde heeft.
Dat je daar naar toe gaat met wat je van Hem ontvangt.
Er worden offers genoemd: vlees van koeien en schapen om te offeren:
om te verbranden of te slachten en het dan weg te geven aan Levieten.
Offers zijn in het Oude Testament bedoeld om God te laten delen
in de overvloed die je van Hem krijgt.
Dit krijg ik van U, U geeft het aan mij en ik geef U er een deel van terug.
Ik houd niet alles voor mijzelf, maar ik sta een deel af
om mij weer te herinneren dat het van U komt.
Zoals wij dankdag hebben (een gift voor de kerk, boodschappen voor Dorcas).

Mozes zegt: dat moet je op één plek brengen en daar vier je feest – voor Gods aangezicht!
Ik heb me afgevraagd hoe we die ene plek nu moeten zien.
Waarschijnlijk gaat het om de tabernakel en later de tempel
en dan Jeruzalem als dé plek waar de Heere op aarde Zijn troon heeft.
Waar Mijn naam gevestigd is, waar Mijn woning is (vers 5).
Die ene plek naar mijn idee aan: er is een centrum in het land, een kern in het volk,
dat voor eenheid zorgt: en dat is God zelf en het dienen van God.
Diversiteit mag, je mag allemaal anders zijn,
geen stam, geen familie is dezelfde – je hoeft voor God geen eenheidsworst te zijn,
maar wel dat gemeenschappelijke in God
en dat je – hoe verschillend je allemaal ook bent – een plek samen hebt,
waar je met z’n allen naar toe gaat.
In de christelijke kerk heeft de kerkdienst die betekenis een beetje gekregen.
Het is niet helemaal het zelfde, maar wel bedoeld als de kern:
de kerkdienst als kern van jouw eigen leven,
omdat je de week op zondag begint met God
en dat je dat de hele week verder meeneemt.
Dat je samen komt, met elkaar.
Allemaal verschillende mensen, die in ieder geval één iets gezamenlijks hebben:
een God in de hemel, die ons de goede gaven geeft, vanuit de hemel
die een Naam op aarde heeft, vanuit het Nieuwe Testament gezegd:
Die op aarde kwam als mens: Jezus Christus.
Allemaal verschillend en toch samen één:
Niemand is meer dan de ander: mannen worden niet uitgesloten, maar vrouwen ook niet.
De kinderen horen er volop bij, evenals het dienstpersoneel dat ook mens is als wij.

Ook de Leviet – de Leviet is degene die geen bezit heeft,
die eraan herinnerd: jullie waren vroeger woestijnvolk zonder vaste plek,}
zwervend over dat stukje aarde, nu niet meer, maar die oorsprong mag je nooit vergeten.
De Leviet – die het je laat weten:
Dat stukje aarde dat je hebt om op te wonen, dat je van de Heere krijgt,
je hebt daar geen eeuwige stad. Je blijft er niet voor altijd.
Je echte thuis is bij God.
Hoe goed je het hier ook hebt, het goede leven, het echte thuis – dat komt nog.
Mozes zegt dat in vers 9: nu ben je er nog niet,
dat land dat ga je wel betreden.
Hij heeft dat tegen Israël in de woestijn, dat bijna de Jordaan oversteekt:
Een plek op aarde.
Zonder te doen dat die belofte van Israël afgelopen is en niet meer geldt
(volgende week is het Israëlzondag!)
zeggen we: hoe goed we het hier hebben,
hoeveel we ontvangen en hoezeer we met wat we krijgen naar God terug kunnen,
De echte rust, het echte thuis komt nog,
als we de Jordaan mogen oversteken en onze Heere Jezus Christus daar staat:
Welkom in het Vaderhuis met de vele woningen, dat zal je Thuis zijn voor eeuwig.

Zo gaan we door het leven: op reis naar die Stad.
Maar we hoeven ons niet van dit leven af te sluiten.
We mogen leven in overvloed en daarvan genieten, (Gezang 479!)
zolang we dat maar doen in het besef, dat het van God komt
en het besef dat dit leven hier op aarde niet het enige is, maar dat de echte rust nog moet komen.
Al die regels en wetten zijn bedoeld om dat besef levend te houden,}
om ons te bepalen bij God die geeft: niet karig maar overvloedig,
hier op aarde ons al doet delen in Zijn gemeenschap,
maar eens de poorten openzet van het Vaderhuis voor de eeuwige zegen. Amen