Preek Dankdag 2019 avonddienst

Preek Dankdag 2019 avonddienst
Schriftlezing: Psalm 147

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je kunt wel merken dat Psalm 147 bedoeld is voor de eredienst,
om door een koor gezongen te worden of als samenzang.
Want je start een gesprek niet snel met halleluja.
Zelfs een kerkdienst wordt niet begonnen met halleluja,
maar met “Goedenavond gemeente, hartelijk welkom in deze dienst…”
Zou je een gesprek of de afkondigingen beginnen met een halleluja,
dan frons je je wenkbrauwen en zet je je innerlijk schrap.
Deze persoon start wel gelijk op een hoogte waar je niet zomaar bij kan.
Wat in een gesprek of in een afkondiging niet kan, kan in een lied wel.
en je kunt er ook nog in meegenomen worden,
want dat is de bedoeling van halleluja,
dat je als luisteraar van dat lied ook mee doet in de lof op God.
Halleluja is een uitnodiging om mee te doen,
een oproep om ook in te stemmen in de lof op God.
Omdat je als mens je bestemming vindt in het loven van God.
Dat zou je kunnen aangeven als het doel waarvoor wij geschapen zijn:
We zijn geschapen om God te loven.
En als je mee doet in de lof op God, doe je dat samen met de engelen in de hemel,
samen met de dieren, de planten, de bergen, de zeeën
en al het andere dat God geschapen heeft.
In heel de schepping is dit halleluja te horen,
de vogels in onze tuin, de bomen die nu van kleur veranderen en hun blad verliezen,
de wolken die door de lucht drijven, de regen die naar beneden valt
– steeds is daar een lof op onze Heere, schepper van hemel en aarde te horen.
De ene keer uitbundig, dan weer intiem: De lofzang is in stilte tot U, o God.
Dan weer in een bulderende storm.
De schepselen die moeite hebben om zo’n halleluja direct aan te heffen zijn de mensen.
Gelukkig hebben we een kerkdienst en zijn er liederen waarin dat wel gebeurt,
die ons meenemen, die ervoor zorgen dat ook wij de Heere loven: Halleluja!

Het is immers goed, zo begint Psalm 147, om God te prijzen.
Goed voor onszelf. We worden er gelukkiger van,
meer mensen van God, mensen zoals God ze bedoeld heeft.
Lieflijk is het, zo gaat de psalm verder.
Als we de Heere loven, krijgt ons bestaan een bepaalde glans, een bepaalde waarde
die we zouden missen als we de Heere niet zouden loven.
Deze psalm begint en eindigt met halleluja,
om ons te laten weten dat alleen zo ons leven kan zijn,
Dat we alleen gelukkig zijn, echt mens zijn, het echte leven hebben als we God loven.

We zijn niet altijd in de stemming om de Heere te loven.
Dat weet de psalm ook.
In de psalm kunnen we iets lezen van de pijn van de verwoesting van Jeruzalem,
inwoners van die stad die weggenomen werden, gedwongen in een vreemd land te wonen.
Dat was zo’n diepe pijn, om de stad verwoest te zien, zelfs de tempel van God in puin
en dat zij zelf als ballingen in een vreemd land moesten wonen,
ook nog eens een land waar de goden en de mensen hen en de Heere uitlachten.
Zo’n diepe pijn en verdriet dat het hart brak – gebroken van hart, zegt de Psalm.
Uit andere psalmen weten we dat ze daar ver weg van de tempel
niet in staat waren om de Heere te loven.

Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

Wij hadden onze harpen gehangen aan de wilgen die daarbinnen zijn. 

Toen zij die ons gevangen hielden,
daar woorden van een lied van ons verlangden,

wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap: Zing voor ons een van de liederen van Sion!

zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen in een vreemd land?

Nu toch weer de oproep om de Heere te loven,
omdat Hij zich weer heeft laten zien aan het volk en Zijn eigen volk weer terug bracht
in de stad die Hij had uitgekozen om daar te wonen: Jeruzalem
Bijeengebracht, zoals een herder zijn schapen bij elkaar roept.
Daarin hebben ze mogen ervaren dat de Heere naar hen omzag,
vanuit de hemel liet weten dat Hij hun God was, door hen weer thuis te brengen.
Dat had hen de ogen geopend voor wie de Heere was:
Groot en machtig, die de sterren bij hun naam roept,
Al die sterren stuk voor stuk, ook de sterren die door ons mensen nog niet zijn ontdekt,
Onze God heeft ze geschapen en een plaats gewezen in het heelal.
In dat heelal dat zo onmetelijk groot is, kent Hij Zijn volk Israël, ook al is het in Babel.
En weet Hij wat iedereen in dat volk nodig heeft.
Als een persoonlijke arts, die de kwaal kent, weet hoe de wonden hersteld moeten worden
en die moeite en zorg doet om die wonden te laten genezen:
Hij geneest de gebrokenen van hart,

Hij verbindt hen in hun leed.
Persoonlijke betrokkenheid van deze grote God, die door niemand is na te rekenen,
met niemand te vergelijken.
Niemand kan de concurrentiestrijd aangaan met onze God,
Zelfs niet de goden van het machtige wereldrijk van Babel – ze kunnen niet tegen Hem op.

Nu is het bijzonder als je God kunt loven om Zijn grootheid
en dat gebeurt ook wel in deze psalm.
De psalm looft de Heere ook dat Hij ondanks Zijn grootheid onze God wil zijn,
zich aan mensen verbindt en al Zijn schepselen kent:
ieder mens, elk dier, elke plant, elke boom, elke golfslag en regendruppel.
Betrokken op al Zijn schepselen.
Al Zijn schepselen zijn uit Zijn hand voortgekomen
en als ze leven mogen ze steeds weten dat Hij hen niet uit het oog verliest,
maar hen steeds begeleidt en voor hen zorgt, hen eten geeft.
Als er regen nodig is, laat de Heere wolken door de lucht gaan,
zodat er neerslag kan komen en de regen neerdaalt op het land
en door het water dat neervalt gras kan groeien.
Je kunt dat als een natuurlijk proces analyseren.
Ik heb dat moeten leren bij aardrijkskunde en natuurkunde.
Ik weet nog dat ik in de brugklas aardrijkskunde van mijn vader kreeg,
– hij was aardrijkskundeleraar –
en dat we tijdens een repetitie de waterkringloop moesten uitleggen:
water van de zee dat verdampt, waardoor wolken ontstaan,
wolken die naar het land gingen en boven land hun regen lieten vallen
en dat water stroomt dan weer voor een deel terug naar zee.
We moesten het verschil weten tussen loefzijde en lijzijde van een berg.
Loefzijde was de kant waar de regen viel. Deze kant was begroeid.
De lijzijde was aan de andere kant, waar geen regen viel.
Aan deze kant groeide juist weinig, omdat er nauwelijks neerslag viel.
Het is een natuurlijk verschijnsel en toch kun je daarin ook de hand van God zien.
De betrokkenheid van de Heere op de aarde, die op die manier voor regen zorgt
en door de regen zorgt voor Zijn schepping en zorgt dat graan en groente verbouwd worden.
In deze psalm zet de regen aan tot een halleluja bij de mens:
Laten we de Heere loven om de regen die valt,
Want daarin zien we Zijn liefde, Zijn betrokkenheid op ons.
Elk dier dat er op de aarde is, Gods aarde, wordt door de Heere onderhouden.
Zo zorgt Hij voor de schepping van Zijn hand.
Zelfs dat kleine ravenjong in het nest, dat schreeuwt om gevoed te worden.
Raven stonden niet best bekend.
De meeste mensen hadden een hekel aan raven.
Het waren onreine dieren, dieren die je niet aan de Heere mocht offeren.
Ze aten van alles, zelfs kadavers van dode dieren.
Het waren een soort rovers, waar je je eigen eten voor moest opbergen.
Zelfs dat dier waarvan mensen al gauw zouden zeggen:
Laat maar roepen, ik hoop dat zo’n jong nooit groot wordt,
Want zo’n raaf zorgt alleen voor overlast en ellende.
Zelfs zo’n dier wordt door de Heere gehoord en van eten voorzien.
Als de Heere zo’n dier van eten voorziet, dat niet gewenst is,
zal Hij dan niet voor een ieder van ons zorgen,
Zelfs als iemand van ons zich ook niet gewenst voelt?

Het roepen van dat ravenjong – in het Hebreeuws is roepen en bidden vaak hetzelfde woord.
Dat kleine raafje roept
zonder dat dat kleine raafje misschien niet eens weet tot wie het roept.
Roept het om een van zijn ouders om hem eten te komen geven?
Of is het zonder dat het jonge raafje dat weet een roepen tot God.
OF een roepen in het wilde weg, help mij, geef mij eten,
een roepen zonder adres, dat toch door de Heere wordt opgepikt.
Zing voor de HEERE een beurtzang met dankzegging,
zing psalmen voor onze God met de harp,
Die aan het vee zijn voedsel geeft en aan de jonge raven wanneer zij roepen.
Dat raafje dat zo afhankelijk is van anderen, en zeker van God.
Het kan alleen maar roepen, zelf nog niet eens voor eten zorgen.
Dat is de voorwaarde om door de Heere geholpen te worden:
gevouwen handen, een roepen naar omhoog naar de Heere,
zoals dat jonge raafje maar roept en roept.
Je hoeft je leven niet op orde te hebben.
Je hoeft geen bijzondere kracht te hebben of iets bijzonders te presteren.
Hij vindt geen vreugde in de kracht van het paard,
Hij schept geen behagen in de spierkracht van de man.
Je kunt dat horen als een gewone mededeling over welke voorkeuren de Heere heeft.
In deze psalm is het echter meer.
Je moet er halleluja voor zetten, dan begrijp je het meer:
Halleluja, de Heere vindt geen vreugde in de kracht van het paard,
Halleluja, Hij schept geen behagen in de spierkracht van de man.
Hier wordt niet de kracht van een trekpaard bedoeld,
zoals hier paarden werden gebruikt voor er trekkers en machines waren.
Het zijn de paarden die in het leger worden gebruikt
en de spierkracht van de man is hier niet de boer die zijn land ploegt
of de bosarbeider die bomen omhangt,
Of het moet de boer zijn die niet kan buigen
of de bosarbeider die zich te sterk voelt om zijn handen te vouwen en de ogen te sluiten.
Als je op je eigen macht vertrouwt, als je het zelf wel redt,
Als je je te goed voelt om de Heere te danken, omdat je niet wilt zien dat Hij je dit alles geeft.
Dan heeft de Heere geen vreugde in je, zegt de psalm.
Alleen als je beseft: Ik krijg dit alles van de Heere, Ik ben niets zonder Hem.
Zonder Hem stel ik niets voor.
Dan ziet de Heere naar je om – goedgezind voor wie Hem vrezen.
Vrezen is: rekening houden met de Heere, zien dat Hij voor je zorgt,
zien dat in de regen die valt Gods vaderlijke hand te zien is,
in het gras dat groeit onze God, die hemel en aarde geschapen heeft,
dat gras laat groeien om voor jou en Zijn andere schepselen te zorgen.
Je kunt Zijn zorg heel concreet zien: dat we in vrede leven,
dat we leven in veiligheid,
Dat je ziet dat jezelf het goed hebt en je kinderen worden gezegend.
Dat er eten is.
Dat de Heere Zijn macht inzet om je te beschermen tegen gevaar.
Alles wat in de natuur gebeurt, is dienstbaar aan de Heere,
kan door Hem worden gebruikt om Zijn plan uit te voeren,
moet naar Hem luistert: zelfs de machtige winter
die met zijn kracht alles kan laten bevriezen, in bedwang kan houden.
Als de winter lang aanhoudt, kunnen zelfs grote rivieren die normaal krachtig zijn,
in bedwang gebracht worden door het ijs dat op de rivier komt te liggen.
Welke macht we ook in de natuur zien, het is geen vreemde duistere macht,
maar een macht die gehoorzaam is aan de Heere
en zich in dienst moet stellen om Gods plan uit te voeren
en dat grote plan is de zorg voor de schepping: voor de mens, voor elk dier.
‘Als God zo eventjes de winter kan veranderen en wegdoen en de zomer terugbrengen,
zodat wij de winter helemaal vergeten
en als Hij dat net zo makkelijk kan doen dat het Hem maar een woord kost,
hoeveel te meer moet je geloven dat Hij jou uit jouw winter en uit alle mogelijke nood
heel gemakkelijk met één woord helpen kan.’ (Luther, geciteerd bij G.Th. Rothuizen).

Die God is de God van Israël – Israël leerde deze God bij name kennen,
mocht een verbond sluiten met deze God.
Mocht de macht en de trouw van deze God ervaren, heel persoonlijk.
En ook wij mogen instemmen met de lof op deze God,
zoals deze psalm begint met Halleluja, mogen wij er ook mee eindigen.
Om daar mee aan te geven, dat heel ons leven omsloten is door dit Halleluja,
dat we tot onze bestemming komen als we instemmen met deze lof op onze God.

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon,
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons lied naar U, o God van vrede.

Lof zij uw Naam die oplicht in de nacht,
uw luister staat geschreven in de sterren,
zo hoog van eer, een uitstraling zo zacht,
taal van genegenheid, tijding van verre,
Wij zien verwonderd naar de stille pracht,
zou ooit een mens die heerlijkheid verwerven?

In sierlijk schrift, hoog aan de hemeltrans
hebt Gij de nacht uw signatuur gegeven.
Wij zijn geschreven met dezelfde hand,
dezelfde gratie wekt ook ons tot leven.
De morgenster, zozeer aan U verwant,
Hij heeft het uur der duisternis verdreven.

God van ons hart, Gij die ons zingen doet,
uw mensen zijn wij, maaksel van uw handen,
uw adem geeft ons innigheid en gloed,
o leid ons uit het huis van schade en schande.
Gij schenkt de sterveling een vergezicht.
Uw stad van licht daalt neer over de landen.
Amen

 

Preek woensdag 6 november 2019 – Dankdag

Preek woensdag 6 november 2019 – Dankdag
Schriftlezing: 2 Koningen 7 (Bijbel in Gewone Taal)
Thema: Goed bericht!

In het Bijbelverhaal dat we gelezen hebben gaat het over honger
en dan geen honger, omdat je een keer weinig gegeten hebt
omdat je het eten niet lustte en dan ‘s avonds net voor het slapen gaan trek krijgt.
En ook geen honger omdat je hard gewerkt hebt of flink gesport
waardoor je best wel wat lust.
Er is honger in de stad, omdat er geen eten meer in de stad kan komen.
De poorten kunnen niet meer opengaan,
omdat er net buiten de poort het leger van de vijand is,
die alle wegen naar de stad hebben bezet en ervoor zorgen
dat niemand meer de stad binnen kan gaan om eten te brengen.
In de eerste weken is er nog eten en drinken, omdat er een voorraad is.
Maar na enige tijd raakt deze voorraad op
en moeten de mensen in de stad steeds minder eten.
Als de kinderen hun bord bijhouden, krijgen ze niet meer vol opgeschept,
maar de helft van wat ze normaal zouden eten.
Als de kinderen ‘s avonds zeggen dat ze nog best wat lusten,
omdat ze anders niet kunnen slapen, krijgen ze te horen dat ze niets krijgen.
Het eten wat er is, raakt steeds meer op.
Dan komen de dagen waarop de kinderen aangeven dat ze niets meer hebben
en dat de moeder en de vader verdrietig aangeven dat er echt niets meer is.
De eerste mensen worden ziek, omdat ze te weinig krijgen.
Op straat zie je steeds minder mensen, omdat ze hun krachten sparen
of omdat ze te zwak zijn om over straat te lopen.
Het is bijna niet meer te doen.
De mensen gaan bepaalde dingen eten, die ze anders nooit zouden eten.
Veel geld wordt er betaald voor een kop van een dode ezel
en als iemand duivenmest gaat verkopen,
blijkt dat er mensen zijn die ook daarvoor willen betalen.
Als de poorten van de stad dicht blijven, zal iedereen nog sterven
omdat ze geen eten meer hebben.
De koning vindt dat het de schuld van de Heere God is
en van Elisa, de profeet die de Heere dient.
Boos roept de koning uit dat hij Elisa zal doden.
En hij gaat ook naar Elisa toe, misschien wel om zijn plan uit te voeren.

Als de koning bij Elisa komt, heeft Elisa voor de koning een bijzondere boodschap.
Morgen om deze tijd zal er eten zijn.
De prijs voor een zak meel, of twee zakken gerst voor niet al te veel geld.
Zou je dat geloven, als je al heel lang niet meer te eten hebt gehad
En je heel veel geld moet neertellen voor iets dat je nauwelijks kunt eten
en je steeds met een lege maag naar bed moet en niet kunt slapen van de honger
en je overdag rustig aan moet doen omdat je geen kracht meer hebt
– zou jij dan geloven dat het morgen weer voorbij kan zijn
omdat de Heere ervoor zal zorgen dat er weer eten is?

Een van de mannen die met de koning mee is,
vindt dat maar moeilijk om te geloven.
Hij lacht de profeet keihard uit en spot ook met God:
Dan moet de Heere wel vensters in de hemel hebben,
luiken waardoor de engelen allemaal koren en gerst naar beneden gooien.
Alleen dan is er voor ons een beetje hoop.
Deze man denkt er misschien al wel over na wat er met hem zou gebeuren
als de poort van de stad open gaan en de inwoners zich moeten overgeven
en de vijand in de stad komt.
Zal hij dan nog blijven leven? Of zullen ze hem dan alsnog doden?
Hij gelooft er niets van, dat de Heere dat zal doen,
want hij, de officier die de koning zo vaak helpt en van advies voorziet,
ziet geen enkele mogelijkheid waarop de Heere zou kunnen helpen.
Dat is nou ongeloof: dat wij als mensen gaan bedenken
Dat de Heere God iets niet kan.
Elisa waarschuwt de man: Omdat u niet gelooft in de macht van God
En omdat u er zo mee spot, zult u het wel zien, maar u zult er niets van krijgen.

Gelukkig kennen de meesten van ons geen honger meer.
In het laatste jaar van de oorlog, nu 75 jaar geleden, was er wel honger,
een hele winter lang: de hongerwinter.
In deze maanden wordt teruggeblikt op 75 jaar bevrijding
en dan zal er vast ook aandacht zijn voor de hongerwinter.
Mijn schoonvader was in die tijd een jongen van een jaar of 8.
Hij woonde in een stad waar je moeilijk aan eten kon komen.
Zijn eigen vader vroeg hem een keer wat hij wilde eten:
Aardappelschillen of een bloembol.
Hij koos voor de aardappelschillen en zijn vader at de bloembol op.
Pas hoorde ik een jongen van 18 uit Zwolle vertellen,
dat hij een tijd op straat leefde, omdat hij geen huis had
En in die tijd echt honger heeft gekend.
Het kan ook in deze tijd in Nederland, waarin veel mensen het goed hebben
dat ze geen geld hebben om eten te kopen.
Daarom zamelen we eten in dat via de voedselbank uitgedeeld kan worden.

Maar als je geen eten hebt, en echt honger moet lijden, kun je dan geloven
dat de Heere je zal helpen en dat je honger weer voorbij kan zijn?
Of als je met iets anders zit en niemand kan meer helpen,
geloof je dan dat de Heere dan alsnog in staat is om te helpen?
Bijvoorbeeld met iemand die ziek is, of als er ergens oorlog gekomen is?
Dat vraagt om geloof, ook als je niet gelijk ziet dat de Heere iets gaat doen.

In het Bijbelverhaal helpt de Heere op een bijzondere manier.
Er zijn buiten de stad 4 mannen.
Zij mogen niet meer in de stad wonen, omdat ze een ziekte hebben
waarvan iedereen denkt dat het heel besmettelijk is
en dat je door hen ook heel ziek kunt worden
en misschien ook wel zou kunnen overlijden aan die ziekte.
Deze mannen hebben ook geen eten meer.
Vanuit de stad zullen ze geen eten meer krijgen
en als ze hier blijven dan zullen ze van de honger gaan sterven.
Er is maar één manier om te kijken of ze nog eten kunnen krijgen.
Daarvoor moeten ze wel naar de vijand
en moeten ze zich overgeven, zich melden bij de vijand.
Het zou best kunnen zijn, dat ze een verrader moeten worden
en dat de vijand tegen hen zal zeggen: vertel ons maar hoe we in de stad kunnen komen.
Maar als je al lang niet gegeten hebt en je voelt dat je niet lang meer kunt,
is dit nog de enige kans om te blijven leven.
Ze gaan als het donker wordt.
En donker is het ook voor hen, want zullen ze goed ontvangen worden
en donker is het voor de stad. Het is niet meer te houden.
Nog even en de stad moet zich overgeven en is de stad verloren
En zullen de soldaten van de vijand de stad in brand steken,
de mooie spullen roven en iedereen als slaaf meenemen.

Voorzichtig gaan ze naar het kamp van de vijand.
Als ze daar aankomen, kijken ze verbaasd: Er staat niemand op wacht.
Als ze nog verder komen, zien ze wel tenten, en paarden
en allerlei spullen op de grond, maar er is helemaal niemand.
Voorzichtig gaan ze verder, bedacht dat er toch iets vreemds kan gebeuren
en zij gesnapt worden en gearresteerd zullen worden.
Maar nee, de eerste tent is wel vol met spullen, en ook met eten.
Ze pakken gauw wat om wat te eten.
Zoiets hebben ze al lange tijd niet meer gegeten.
Er liggen ook waardevolle spullen.
Ze beginnen dat allemaal te pakken en nemen dat mee naar hun schuilplaats.
Zo slepen ze wat af en aan. Voorlopig kunnen ze er tegen.
Op een gegeven moment kijken ze elkaar aan:
He, maar wat we doen is niet goed. Wij hebben hier ontzettend veel eten
en in de stad waar we vandaan komen, sterven er mensen nog steeds van de honger.
We moeten gaan melden dat er eten is.
Ze gaan naar de poort van de stad en roepen de wachter.
Als de wachter hun verhaal hoort, kan hij zijn oren niet geloven.
Dit moet de koning weten en hij gaat naar het paleis met deze boodschap.
Midden in de nacht wordt de koning gewekt en denk je dat hij het gelooft?
Nee hoor, de koning die zo boos was op God vanwege de honger
en in zijn hart net zo spotte als zijn officier. Hij gelooft er niets van.
Dit is een list, een valstrik. Mensen, we moeten opletten.
We worden erin geluisd.
Ook al lijkt er eten te zijn en kan de stad worden gered,
de koning wil het niet geloven, zo bijzonder is het wat er is gebeurd.
Dan komt een van zijn adviseurs: Koning, we hebben nog enkele paarden.
Deze paarden hebben we ondanks de hongersnood steeds goed verzorgd.
Nog even, dan zullen ook deze paarden sterven omdat er geen eten is.
We moeten wat doen.
Laten we met die paarden in ieder geval gaan kijken.
Wellicht zijn het paarden waar de koning veel om geeft
Misschien heeft hij nog wel meer medelijden met zijn mooie paarden
dan met al die mensen in de stad die honger moeten lijden
en zorgt hij voor die paarden wel goed,
terwijl het hem weinig scheelt hoe het met de mensen van de stad gaat.

Als er enkele soldaten samen met de paarden de stad uit gaan,
komen ze bij het legerkamp.
Het is er leeg. Ze horen wel geluid: van wapperende tentdoeken,
Van paarden die staan te hinniken, ezels die balken.
Maar waar ze ook kijken: nergens zien ze een mens.
Ze moeten wel opletten, want straks zitten de soldaten ergens verstopt
en komen ze tevoorschijn als de poort zal opengaan.
Waar ze ook zoeken: ze vinden geen soldaten.
Wel spullen die weggegooid zijn.
Je kunt maar een ding bedenken: de soldaten van de vijand zijn bang geworden.
Ze zijn ergens van geschrokken.
De Bijbel vertelt waar ze van geschrokken zijn:
Ze hebben een geluid gehoord. Ze hebben gehoord dat er een groot leger aankomt.
Dat moeten de Egyptenaren zijn. Of de Hethieten.
Ze hebben vast geld van de Israëlieten gekregen om hen te komen helpen.
Dit gaan ze nooit redden. Ze zullen gaan verliezen.
Als ze niet snel maken dat ze wegkomen, zullen ze allemaal worden gedood.
En daar gaan ze, op hun allerhardst.
De wapens die in de weg zitten, gooien ze van zich weg en ze kunnen alleen maar rennen.
Tot aan de Jordaan, tot buiten de grens van het land is er geen soldaat meer.
De stad is inderdaad bevrijd, door het geluid dat de Heere laat horen.
Er kan weer eten in de stad zijn.
De vorige dag nog had Elisa gezegd dat er eten te koop zou zijn
voor niet al te veel geld.
Nu het donker bijna voorbij is en de zon haast al opkomt, weten ze:
Het is waar. God brengt redding.
Het was moeilijk om te geloven, er moest is nog een lange nacht komen
en toch bij het aanbreken van de morgen kon het hele kamp al leeggehaald worden.
De vijand was weg en er was een genoeg.

De mensen zullen gezongen hebben, zoals het staat in Psalm 118:

In de tenten van de rechtvaardigen klinkt luide vreugdezang, een lied van verlossing:

De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden,
de rechterhand van de HEERE is hoogverheven,
de rechterhand van de HEERE doet krachtige daden.
Ik zal niet sterven maar leven,

en ik zal de werken van de HEERE vertellen.
Wat zullen ze blij geweest zijn en de Heere hebben gedankt
en van vreugde hebben gedanst.
Wat een mooi bericht. Wat een goed nieuws kwamen die mannen brengen.
Ongelofelijk, de Heere heeft het toch gedaan.

En de man die niet kon geloven en die hardop lachte en spotte met de Heere?
De koning zet hem bij de poort. Hij moet zorgen dat alles goed verloopt.
Misschien moet hij wel de mensen tegenhouden, omdat de koning het beste wil.
De mensen zijn niet meer te houden en duwen hem aan de kant.
De man valt en alle mensen lopen over hem heen.
Als iedereen de stad uit gegaan is, blijft de officier van de koning liggen.
De man hoorde van het goede bericht, maar heeft er zelfs niets van kunnen nemen.
Stil ligt hij daar en als iemand gaat kijken of hij kan helpen,
blijkt de man overleden te zijn.

Een goed bericht voor de stad: God brengt toch redding,
ook al konden de meesten niet geloven wat Elisa zei.
Dat is nu onze God.

Vanmorgen zijn we bij elkaar om te danken voor de zegeningen die God geeft.
Soms reken je misschien helemaal niet meer op Gods hulp,
en dan toch kan God onverwacht helpen.
Zo groot en zo machtig is God,
dat je soms niet kunt geloven dat de Heere jouw problemen kan zien en wil helpen.
Zoveel dingen die gebeuren

zoveel mensen die treuren

ik kan niet begrijpen waarom
Je zou willen dat God er iets aan doet: dat Hij vrede brengt, of iemand beter maakt.
Is er honger en oorlog

dan vraag ik: waarvoor nog

ik kan niet begrijpen waarom
en toch is God er en kan Hij helpen. Hij doet dat op Zijn manier.
Daarom: Help mij om stil te zijn, zodat ik kan bidden
voor iedereen die het moeilijk heeft
en dat ik kan danken, wanneer God helpt.
Amen

 

Preek Dankdag 2018

Preek Dankdag 2018
Schriftlezing: Jesaja 49:8-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bent u dankbaar? Ben jij God dankbaar?
Je zong dat net: Gedachtig aan de milde overvloed van uwe gunst.
Daarmee gaf je aan, dat je Gods goede zorg, die Hij voor je heeft, steeds weer ziet,
dat je opmerkt, ziet dat God royaal geeft
en dat je daarin Gods gunst ervaart – Hij heeft het beste met mij voor.
Je zegt: Ja en daarom ben ik juist in de kerk, om onze hemelse Vader te danken
voor Zijn goede zorg in dit afgelopen jaar.
Ik ben dankbaar voor Zijn zegeningen.

Dankbaarheid – dat is wel een van de eerste dingen die erbij inschiet
Als je druk bent en door allerlei bezigheden opgeslokt wordt.
Alleen daarom al is het goed om vanavond bij elkaar te zijn om de Heere danken,
om er bij stil te staan, om terug te kijken in dankbaarheid: God heeft voor mij gezorgd.
Dankbaarheid kan er ook bij inschieten als je verdrietig bent, of als je zorgen hebt.
Soms zijn er van die momenten, waarop je even niet dankbaar kunt zijn.
Je kunt vanavond bijvoorbeeld in de kerk zitten – omdat het Dankdag is –
terwijl je niet een dankbaar gevoel hebt.
Helemaal wegblijven kon je ook niet en je zou ook wel dankbaar willen zijn,
maar het verdriet, de zorg is op dit moment te groot.

Het gaat mij vandaag ook niet om een dankbare stemming.
Ik kan me voorstellen dat er bepaalde momenten zijn,
Waarop een dankbare stemming teveel gevraagd is.
Bij dankbaarheid gaat het mij vanavond om iets anders:
Zien dat God aan het werk is in je leven, ook als je verdrietig bent of vol zorgen,
Niet alleen op momenten waarop je vrolijk en opgetogen bent,
Zo zullen vanavond ook wel gemeenteleden hier in de kerk zitten:
dankbaar en gelukkig met de zorg die God heeft gegeven.
Je kijkt in dankbaarheid terug: God heeft mij gezegend in de afgelopen tijd.

Kun je ook dankbaar zijn, terwijl je verdrietig bent, of vol met zorgen?
Ik hoor het wel eens terug, dat een tijd waarin je afscheid moet nemen
van iemand van wie je veel houdt een verdrietige tijd is,
maar ook een mooie tijd, waarin je de steun van God kunt ervaren.
Hij is er – met Zijn kracht en troost, je wordt gedragen.

Daar is het Jesaja ook om te doen: dat je ziet hoe God er toch ook is,
met je meegaat, je helpt en ondersteunt, je gebeden verhoort
op het moment dat het helemaal niet zo goed met je gaat.
En het zijn niet de eigen woorden van Jesaja,
het is een boodschap die namens God komt – Zo zegt de HEERE.
De woorden die we gelezen hebben, zijn Gods eigen woorden:
In de tijd van het welbehagen heb ik U gehoord.
Welbehagen betekent hier: Ik heb gezien dat je het moeilijk hebt
en Ik kom naar je toe om je te helpen, bij te staan.
Welbehagen betekent hier: Ik kom weer naar je toe,
De tijd dat je zonder je God moest doen is voorbij,
Mijn hart staat open voor je noden, Ik laat me (weer) raken door wat er met je gebeurt.|
NBV: Tijd van genade – Genade: een sterkere die een zwakkere bijstaat.
De almachtige God die het verzwakte, door nood geplaagde Israël bijstaat.
Het uur van welbehagen / genade: er is een andere tijd aangebroken,
een tijd waarin God er is, waarin Hij gebeden verhoort, weer verhoort.

Het verhoren, dat betekent hier in vers 8 dat je ook concreet een reactie krijgt van God.
Hij hoort het niet alleen, maar je merkt er zelf ook iets van dat Hij je gebed gehoord heeft.
Het is bijzonder dat God onze gebeden hoort – en wil horen.
Soms kunnen we de ervaring hebben, dat onze gebeden niet verder komen
dan het plafond en blijven hangen in de kamer, waar we zitten.
Nee, zegt de Heere, Ik heb je gehoord en Ik zal laten merken dat Ik je hoorde.
Je krijgt van mij een reactie, die zul je vernemen, opmerken.
Er komt hulp en redding – je wordt geholpen en die hulp dat is Mijn hand.
Wat er gaat gebeuren is gebedsverhoring.
Dat bidden kan op verschillende manieren gebeurd zijn.
Als een roepen naar omhoog,
maar lang niet altijd lukt het om in wanneer je in een crisis zit om te bidden
en dan is het meer een zuchten, een roepen naar omhoog,
het uitspreken van een klacht: God, waar bent U, waarom merk ik niets van U?
Ook dat heeft God gehoord, ook daar is Zijn handelen een reactie op.

Jesaja moet tegen het volk zeggen,
dat op dat moment nog niets verneemt van de genadetijd, de tijd van welbehagen,
maar nog diep in treurnis is: er komt een nieuwe tijd, omdat God terugkomt.
En het blijft niet bij mooie woorden alleen.
Het land Israël dat er troosteloos bij ligt, omdat er geen boer meer is die het bewerkt,
waarop de gevolgen van de oorlog die er was, toen Israël werd afgevoerd naar Babel,
nog zichtbaar zijn,
het land zal weer hersteld worden, weer bebouwd en bewerkt kunnen worden,
zo zal het heel concreet zichtbaar worden dat God Zijn verbond weer in ere herstelt.
Al degenen die gevangen zitten daar in het verre Babel, ze mogen vrij, naar huis!
Het is nog niet zover, maar de profeet moet het wel aankondigen
en we kunnen voorstellen dat Zijn boodschap niet gelijk op geloof stuit.
Net zoals wij te maken hebben met zorg en verdriet
en je hebt heel wat gebeden naar God opgezonden, gesmeekt, geworsteld
en je gebed is toch niet uitgekomen.
Wat de profeet hier moet zeggen, is dat het volk al voorbereid moet zijn
voor het moment van God,
net zoals het volk in Egypte klaar moest zijn om uit Egypte te kunnen gaan.
Maar is het vaak niet zo: eerst zien, dan geloven
eerst maar zien dat de Heere echt wat doet en dan gaan we mee.
Om je al in te stellen op wat God gaat doen, dan moet je zeker weten
dat God ook iets gaat doen, dat Hij je gaat bijstaan en helpen, dat er redding is.
Nu zegt God tegen Israël: Ik vraag het andersom. Maak je klaar, wees voorbereid
en dan zul je merken dat ik kom.
Tegen degenen die in duisternis zitten: kom tevoorschijn, het licht breekt aan!

Tijdens het vak pastoraat vertelde onze docente,
dat ze werkte in een psychiatrische inrichting met mensen,
die totaal geen hoop meer hadden, die in hun leven niets merkten van God.
We vroegen als studenten wat ze dan tegen zulke bewoners zei.
Ze antwoordde: ‘Je bent gedoopt.’
Met andere woorden: als jezelf geen houvast, geen hoop hebt, houdt God je vast
Als jezelf geen licht ziet, gaat God over je op als een licht.

Wat Jesaja dan aankondigt over God kunnen we in twee woorden samenvatten:
Herderlijke zorg en moederliefde.
Er wordt hier één bepaald iemand aangesproken.
Iemand die wordt aangesteld, die het geloof bij het volk moet terugbrengen,
die de gemeenschap moet aanspreken,
die moet werken om het vertrouwen op God weer terug te krijgen.
De knecht des Heren – als christenen kunnen we daarin ook het werk van Christus zien.
Hij is onze Herder, Hij gaat ons voor,
over de bergen die er in dit leven zijn,
waar je zuchtend tegen opklimt, het kost je veel moeite
en je vraagt je af of er geen andere weg is die je kunt gaan.
Waar je al huiverend overheen gaat, omdat je je afvraagt: is de weg begaanbaar?
Je ziet naast je de afgrond, eens
Als je die weg al ploeterend naar boven klimt, vraag je je af:
Kan ik nog wel op krachten komen?
Ja, want deze Herder zorgt ervoor, dat hoe kaal een berg ook is
er altijd te eten zal zijn,
al is de weg niet makkelijk, je krijgt eten: Hij leidt je naar grazige weiden en stille wateren,
zodat je op krachten kunt komen en gesterkt weer verder kunt gaan.
Je zult door de diepe dalen gaan,
waar je niet gerust op bent, omdat er schaduwen overheen vallen,
die je het zicht op de zon benemen, je bent je oriëntatie kwijt, stuurloos,
het gaat je niet in de kouwe kleren zitten, Psalm 23: het dal van de schaduw van de dood.
Er is een herder, die je met Zijn stok en staf voorgaat.
Je hoeft niet bang te zijn, want Hij gaat mee, Hij gaat voorop.

Als u terugkijkt naar de afgelopen tijd – hebt u ervaren, dat Hij op deze manier voorgaat?
Heb je gemerkt, dat Hij je meenam, door dat diepe dal in je leven,
Waar je dacht dat je zelf niet meer uitkwam?
Dankdag is dat je ziet, of als je het niet ziet, leert in te zien,
Dat de Heere je herder is en je dan meeneemt, voorop gaat, verder leidt.
Dat – ook al is de weg door het leven niet zo makkelijk –
dat je niets tekort komt, geen honger en geen dorst,
de hitte zal je niet kwellen. Wat hitte is, hebben we de afgelopen zomer kunnen merken
en ik denk dat de meesten hopen, dat die hitte niet meer terugkomt,
omdat je dan niets kunt en omdat de natuur er zo onder geleden heeft.
Als deze herder met je meegaat, als Hij voor je zorgt, dan kun je verder gaan.
Van over heel de wereld komen ze,
er zal geen obstakel zijn: bergen worden geplet en dalen worden opgevuld,
geen enorme pieken waar je je overheen worstelt meer,
geen diepe dalen waar je al zoekend en schuifelend door heen hoeft te gaan,
omdat Christus voor je een weg baant.
Bergen kunnen een belemmering zijn – er als een berg tegenop zien,
je moet omlopen, een hele weg om.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen – kan ook betekenen: Ik kan niet verder.
In een rouwdienst in mijn vorige gemeente, waarvan een vrouw die maar een dochter had,
heb ik ooit gezegd dat mensen ook een berg kunnen zijn:
een belemmering op weg naar God.
Hier veranderen de bergen van een obstakel in stimulansen:
Ze juichen mee, ze zijn blij, ze zijn dankbaar dat er voor jou een weg is,
Dat God naar je omziet, dat Christus in jouw leven voorop gaat en de weg baant
en ze roepen je toe: Volg je Heer, ga achter Hem aan, je herder.
Want de HEER heeft Zijn volk getroost.
Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
NBV: De HEER heeft zijn volk getroost, hij heeft zich over de armen ontfermd.
Dankdag: De Heere is mijn herder!
Dankdag: dat je dat ziet, opmerkt.

En dan moederliefde.
Als God aangeeft, dat Hij als een herder zal zijn,
of dat er iemand komt die namens Hem een herder zal zijn,
de knecht die laat zien dat God Zijn volk niet in de steek laat,
Raakt dat aan een pijnpunt, een pijnlijke snaar.
Zo snel laat Israël zich niet overtuigen.
Het klinkt als: makkelijk praten. Ik ben toch verlaten? Ik ben toch vergeten?
En dan komt de moederliefde. Een diepe tekst:
Kan een vrouw haar zuigeling vergeten?
Het kind dat je 9 maanden bij je gedragen hebt.
Ik heb heel wat verhalen gehoord, dat moeders hun kind inderdaad nooit vergeten hebben,
zelfs als het jaren terug kort na de geboorte als baby is overleden,
In mijn vorige gemeente een vrouw, die jarenlang op zoek was geweest
naar het graf van haar kind, overleden net na de geboorte
om te weten welke naam haar man dit kind gegeven had.
Al werd er niet over gesproken, het werd niet vergeten.
of zelfs als het overleden is tijdens de zwangerschap, het is er wel geweest,
vaak wordt dat kind ook meegerekend, geteld, al is het er niet, het hoort er wel bij,
bij je leven, je zou het nog eens willen zien.
Hoe kun je dat vergeten?
Een van de pijnlijkste dingen die gezegd kan worden is: je hebt toch nog andere kinderen?
Al is het contact verbroken, dan nog vergeet je je kind niet.
Ik heb wat dat betreft ook schrijnende verhalen gehoord en gezien.
Een zoon die niet meer thuis mocht komen na een ruzie met zijn vader
En de vader die op zijn sterfbed aan zijn vrouw vroeg de zoon nooit toe te laten.
De vrouw heeft haar verdere leven geleden.
Hoe kun je harteloos zijn tegen je kind?
Hoe kun je geen liefde voelen voor een kind dat je zelf gedragen hebt, onder je hart?
Hoe moeilijk zo’n kind ook kan zijn, het blijft je kind.
Moederliefde is onverklaarbaar, moederliefde gaat ook nooit meer over.
Zelfs al zou een moeder vergeten, zelfs al zou een moeder geen liefde meer hebben,
We kunnen het ons niet voorstellen.
Dan nog: God – Ík zal u nooit vergeten.
Heeft God Israël niet gedragen?
Hoe kan God ons vergeten, als Hij bij onze geboorte betrokken is?
Als Hij ons op de wereld gezet heeft, omringd met Zijn liefde uw leven.
Ik vergeet jou nooit! Schrijf dat in uw hart,
wat je van de Bijbel ook vergeet, dit alsjeblieft niet, want dit is nu God.
Zie, Ik heb u gegraveerd, in Mijn beide handpalmen.
We kunnen denken aan een tatoeage, die niet meer ongedaan gemaakt kan worden,
zoals iemand zijn liefde tot uitdrukking wil brengen, door de naam te tatoeëren.
(Alleen: tatoeage wordt in de Bijbel afgewezen als een heidens gebruik).
We kunnen ook denken aan sporen: de hand van God, die op de muren gerust hebben
en nog steeds rusten, zelfs nu ze een ruïne zijn – ingekerfd,
Zoals je als je ergens lang op zit, dat ook op je huid afgetekend ziet worden,
of als langer nog: het worden littekens:
Zo is Gods hand op de muren van Jeruzalem, al die eeuwen door,
beschermend en zegenend, bewakend, wachtend tot het volk weer terugkomt
om het dan met open armen te ontvangen.
God denkt steeds aan Jeruzalem – al zou Hij kunnen vergeten,
Hij krijgt Israël niet uit Zijn gedachten. De muren: nieuwe toekomst of ruïnes? (beide!)

En dan de oproep: Zie! steeds in het gedeelte door, een appèl op ons.
Sluit je ogen er niet voor, neem het waar, doe je ogen open, geloof het,
laat je erdoor versterken in je geloof, God is je zichtbaar niet vergeten.
Dankdag betekent een oefening in kijken, in zien
en een oefening in het versterken van ons geloof door te zien. Sla uw ogen op en zie!
Amen

Preek Dankdag 2017

Preek Dankdag 2017
Deuteronomium 26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je lang ergens woont, kan het heel gewoon worden dat je er woont.
Het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je weet dat het hier mooi wonen is en je geniet er bij tijd en wijle ook wel van,
maar toch, het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je kijkt er niet meer van op, dat de bomen van kleur veranderen,
want je woont in een boomrijke omgeving en dan is het vanzelfsprekend
dat als het herfst wordt de bladeren verkleuren en nu of iets later gaan afvallen.
De polder met de weilanden vallen je niet meer op, omdat je ze zo vaak hebt gezien
– elke dag haast, het hoort er gewoon bij, bij deze omgeving, bij jouw leven.
De vogels die hier in de lucht vliegen, die je niet overal in Nederland vindt,
maar die hier heel gewoon zijn: de roofvogels, de uil, de specht.
Je kijkt er niet meer van op.
Je kijkt er pas weer van op, als je weet dat de omgeving ook anders kan zijn.

Dankdag is er voor bedoeld, dat je je weer verwondert over wat je hebt
en over wat er om je heen is.
Dat wat vaak heel gewoon is, dat je daar bij stilstaat, dat het niet gewoon is.
Dat het bijzonder is dat je werk hebt – een zegen.
Dat het bijzonder is dat je eten en drinken hebt, een huis hebt om in te wonen
– allemaal zegeningen van de Heere onze God.
Als het allemaal gewoon wordt, vanzelfsprekend,
dan merk je niet meer zo snel de hand van God erin op.
Dan is de wisseling van de seizoenen, die je in de bomen ziet,
iets dat bij deze tijd van het jaar hoort en niet meer Gods trouw aan de schepping,
waarmee Hij zorg draagt voor de seizoenen, elk jaar weer opnieuw.
Dat er herfst komt en winter en straks weer lente en zomer,
dat is Gods trouw aan deze aarde, zoals Hij aan Noach had beloofd na de zondvloed.
De weilanden, de vogels, andere dieren hier in deze omgeving,
ze laten iets van de Schepper zien, van Zijn grootheid, van Zijn zorg,
maar je hebt er geen oog voor als je het als vanzelfsprekend beschouwt.

Deze dankdag is er om de verwondering weer te hebben:
dit is allemaal wat God geeft, het is helemaal niet vanzelfsprekend.
Het is een zegen, het is een geschenk.
De Heere heeft er recht op dat we Hem daarvoor danken
en dat we dat niet alleen vandaag doen,
maar dat we die dankbaarheid en die verwondering altijd hebben.
Dat dankbaarheid, verwondering onze levenshouding is.
Christenen zijn dankbare mensen – horen dankbare mensen te zijn,
horen elke dag weer opnieuw met verwondering en dankbaarheid aan de dag te beginnen,
vanuit die verwondering en dankbaarheid te werken en te leven.

Het volk Israël krijgt van Mozes een hulpmiddel mee
om die verwondering en dankbaarheid vast te houden,
om niet te vergeten dat wat ze hebben gekregen ten diepste een geschenk van God is.

Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld
en aan de Heere worden getoond.
Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren.
Deze priester representeert God.
Als je nadenkt over die eerste oogst:
Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten
is de eerste opbrengst niet voor jezelf.
terwijl je er hard voor hebt gewerkt en er naar hebt uitgekeken.
Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven.
Wat er nog is, is niet meer vers.
Of misschien was je voorraad wel op en had je moeten bijkopen bij een andere boer.
Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken.
Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar.
Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken.
Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven.
De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden,
zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd.
Wij geven het U, uit uwe hand.
In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is
en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben.
Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven,
wordt nooit eigendom.
We kunnen nooit zeggen: Dit is mijn land.
Hoe lang het ook in onze familie is, het blijft Gods aarde, Zijn land.
We blijven hier gasten op deze aarde, ook op dit stukje grond waar ik al zo lang woon,
waar ik vergroeid mee ben, waar mijn familie een thuis gevonden heeft.

Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst
moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom.
Dit land is eigendom van de Heere.
Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven.
Deze voorouders hadden geen eigen land.
Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land.
Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk.
Wij – de geschiedenis van onze voorvader is onze geschiedenis.
Ik maak daar onderdeel van uit.
De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons.
Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk,
maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons.
De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land,
dat Hij had beloofd aan onze voorouders.
Dit land van de belofte is een goed land.
Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken
en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.
Al is ons leven anders.
Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan.
Het verschil met onze voorouders is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken,
te voelen, te zien.
U bracht ons hierheen.
Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen.
We mogen nog veel verwachten.
Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U.
Niet wat we overhouden of de restanten,
maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen,
in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U.’

Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.
Het eerste geven van wat je krijgt
omdat je beseft, ik heb het van God gekregen, hoeveel ik er ook zelf aan heb gedaan,
welke arbeid ik er aan besteed heb.
Als je dat naar nu zou toehalen:
Het eerste van de vergoeding van een groot project dat je aan het afronden bent.
Het eerste deel van mijn salaris.
Ik denk dat er ook heel wat gelovigen zo in het leven staan,
dat je niet alleen kijkt naar wat je eigen gezin nodig hebt,
maar dat je ook kijkt wat je voor God kunt bestemmen,
omdat je teruggeeft van wat je zelfs hebt ontvangen.

Het eerste is voor God.
Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt
voor een feestmaal van de hele gemeenschap.
De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde.
Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.
De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest,
waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd.
Om de drie jaar is een tiende voor God.
En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben,
aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken:
de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen.
Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard
dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld.
Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant.
Geen afdankertjes of afschuivertjes.
Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is,
omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In de commentaren wordt gesteld dat deze rituelen
de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere.
Gods volk is een dankbaar volk.
In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt.
In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring
steeds een levendig besef te blijven.
Dat ligt niet achter ze.
Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte
die eens vervuld zouden worden,
hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte,
dat het land en de oogst door God gegeven wordt.
Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst,
een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen.
Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere.
Het volk leeft voor Gods aangezicht.
Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt,
maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad.
Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen,
die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend:
de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen.
Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

Zodat anderen ook kunnen zingen:

Zij zullen, uit de volheid van ’t gemoed,

Gedachtig aan den milden overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheen.

De Heer’ is goed en vriendlijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

Amen

 

Preek dankdag 2017 – morgendienst

Preek dankdag 2017 – morgendienst
Dienst met de kinderen van C.N.S. De Regenboog

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je ergens komt, waar je niet eerder bent geweest of waar je de weg niet kent,
dan heb je een plattegrond nodig, of iemand die de weg wijst,
Dat zal de man uit Ethiopië ook nodig gehad hebben op zijn reis.
Het was een lange reis die hij moest ondernemen, misschien wel maanden
om vanuit Ethiopië in Jeruzalem te komen.
Lange stukken door de woestijn, onder de warme zon met weinig water bij de hand.
Het was niet zomaar een reis, die deze man maakte.
Hij had gehoord van een God, die ver weg in Jeruzalem een tempel had,
waar je naar toe kon gaan om te aanbidden, de God van Israël.D
Deze man ging op reis.
Het belangrijke werk dat hij deed liet hij achter.
Misschien had hij wel eerst toestemming moeten vragen aan zijn koningin
Of hij wel mocht gaan op de gevaarlijke reis en of hij zo lang weg mocht blijven.
Onderweg had hij heel wat meegemaakt.
Hoe verder hij kwam, hoe meer er naar hem gekeken werd.
Hij merkte dat de mensen hem dan wat uit de weg ging, bang keken,
omdat hij er zo anders uitzag, een heel andere huidskleur: een heel donkere huid.
Hij was ook langer dan de meeste mensen die hij onderweg tegenkwam
en hij merkte dat de mensen tegen hem opkeken, onzeker en soms bang,
ook wel met bewondering (zie: Jesaja 18)
en hij voelde dat ze bij zichzelf dachten: Wat een sterke man is dat.
En hoe verder hij kwam, hoe verbaasder de mensen keken:
Waar komt deze zo heel donkere, grote, sterke man vandaan?
Het is niet zomaar een man, aan zijn kleding en aan zijn manier van reizen
merkte je dat deze man in zijn eigen land een rijke man was, een belangrijke baan heeft.

Deze man moet wel verwachten iets bijzonders in Jeruzalem aan te treffen,
want anders onderneem je niet die lange gevaarlijke tocht,
waarop je onderweg rovers kon tegenkomen,
waarop je dagenlang in de hitte moest reizen, honger en dorst kon lijden.
Reizen deed je vaak niet voor je plezier.
Daar in Jeruzalem zou hij de God van Israël ontmoeten, voor God mogen komen.
Onderweg zou hij steeds gevraagd moeten hebben:
Hoe kom ik in Jeruzalem uit? Of steeds de route hebben uitgestippeld:
Eerst naar naar de Nijl en dan naar Egypte en vanuit Egypte naar Jeruzalem,
steeds begeleid door mensen die voor dat stukje de weg kenden
en voor hem een gids konden zijn
of konden uitleggen welke weg hij moest nemen, waar hij moest stoppen,
Welk stuk van de weg gevaarlijk was, welk weer hij kon verwachten, hoe lang hij moest.
En dan komt hij aan in Jeruzalem, na een lange reis.
Toen hij vlakbij de stad kwam, kon hij de stad zien liggen, op een berg
en de muren van de tempel zien schitteren in de zon.
Wat een prachtig gezicht, indrukwekkend!
Hij wist het nu al, deze reis had hij niet voor niets gemaakt.
We weten niet of hij in de tempel mocht komen.
Als hij geen Jood was, niet besneden, dan mocht hij alleen aan de buitenste rand staan:
Het voorhof waar de heidenen mochten staan.
Zo konden ze er toch wat van meemaken en was zijn reis niet voor niets.
Bijzonder om er te zijn, om hier bij de God van Israël te zijn,
de dienst in de tempel een keer te mogen meemaken.
Een ervaring die hij nooit zou vergeten, die hij zijn leven lang met zich meedraagt.

Voor hij teruggaat naar huis, weer de lange weg terug,
koopt hij een boekrol waarop een stuk van de Bijbel staat.
Als herinnering aan zijn tijd in Jeruzalem
en om onderweg en thuis ook bezig te zijn met de God van Israël.
Zo gaat hij de weg weer terug.
Had hij de weg wel goed nagevraagd?
Op de terugweg gaat hij op een weg die helemaal leeg is,
een verlaten weg. Niemand die de weg ook kiest.
Dan ben je kwetsbaar als er rovers komen. Wie weet wat hij onderweg tegenkomt.
Hij is verdiept in zijn boek.
Zoals het de gewoonte was in die tijd, las hij hardop voor uit de boekrol.
Dan blijkt er nog een man op die verlaten weg te zijn,
want terwijl hij leest en probeert te begrijpen wat hij leest,
is er een man die bij de wagen loopt en tegen hem begint te praten.
‘Begrijp je wel wat je leest?’
Zou het plagerig bedoeld zijn? Of echte interesse?
Jij, man uit een heel andere land, andere cultuur,
jij die vast een lange reis hebt ondernomen,
je leest uit een bijzonder boek, uit het boek van God.
De man uit Ethiopië kijkt op wie hem aanspreekt.
Verbaasd: ‘Nee, hoe kan ik begrijpen wat er staat.
Ik heb toch niemand die mij uitlegt wat deze woorden betekenen.
Kunt u niet bij mij komen zitten en mij uitleggen waar die woorden over gaan?
Want moet u horen wat ik lees:

“Hij zweeg, hij deed zijn mond niet open.
Hij was zo stil als een lam dat geschoren wordt.
Hij werd meegenomen als een schaap dat geslacht gaat worden.
De mensen hebben hem slecht behandeld, maar God heeft hem gered.
Nu is zijn leven op aarde voorbij. Wie zal er nog over hem vertellen?”

en terwijl ik die woorden lees, vraag ik me af over wie de profeet het heeft.
Gaan die woorden over hemzelf? Of gaan ze over een ander?
Wie is die man die zwijgt? Wie is die man die op een lam lijkt, op een schaap.
door de mensen slecht behandeld, maar door God gered?
Ik moet meer over deze man weten? Kunt u mij daar meer over vertellen?’

En de man die in de wagen erbij komt zitten, kan dat inderdaad.
‘Ik ben Filippus, ik ben hier niet zomaar, maar er was een engel van God,
die tegen mij zei: Filippus je moet deze weg nemen.
Eerst begreep ik niet, waarom ik deze weg moest nemen,
maar nu ik u tegenkom, weet ik waarom de engel mij de opdracht gaf
om op deze weg te gaan lopen.
Weet u wie de man is over wie Jesaja het heeft?
Hij heeft het niet over zichzelf,
maar over iemand die nog niet zo lang geleden hier in dit land heeft geleefd.
Een bijzondere man, die heel veel mensen kon genezen
en bijzondere verhalen kon vertellen over God.
Hij kon dat, omdat Hij zelf door God was gestuurd en bij God vandaan kwam
uit de hemel, omdat Hij zelf God was, de Zoon van God, die een mens was geworden.
Hij is gestorven hier in Jeruzalem, nog niet zo lang geleden.
Maar na 3 dagen gebeurde er iets bijzonders: Hij werd weer levend!
Hij stond op uit de dood! God wekte hem weer tot leven
en Hij kon zich weer laten zien aan degenen die bij Hem hoorden.
Hij is inderdaad niet meer op aarde, maar nu in de hemel,
naast de troon van God, aan de rechterhand van God.
Hij is het, die samen met de Vader, over alles regeert,
ook over uw leven, over uw land.
Hij heeft ervoor gezorgd, dat u de reis naar Jeruzalem wilde gaan
en Hij heeft er ook voor gezorgd dat we elkaar ontmoeten,
zodat ik u over Hem kan vertellen.
Want wat deze Jezus, over wie deze woorden van de profeet gaat,
heeft er voor gezorgd dat mensen die heel ver van Jeruzalem wonen
en nu nog niet bij het volk van God horen wel mogen horen bij het volk van God.
Ook de mensen die aan de rand van de wereld horen
en voor hun gevoel ver bij God vandaan zijn,
deze Jezus heeft ervoor gezorgd dat ook zij bij God mogen horen.
Ook als je er niet mee opgevoed bent, of als je er nu voor het eerst over hoort.’
Als de man uit Ethiopië deze woorden hoort,
Dan beginnen zijn ogen te glinsteren.
De reis wordt nog mooier dan hij al was.
Hier op de terugweg krijgt hij iets extra’s wat hij in Jeruzalem nog niet had.
Dat hij bij het volk van God mag horen.
Dat wil hij ook, want de God van Israël is een bijzondere God.
Hij wil geen andere God meer dienen. Alleen maar deze God.
‘Wat een bijzonder verhaal over deze Jezus.
En mag ik doordat Jezus gestorven is ook bij God horen?’
‘Ja’,  zegt Filippus, als je het gelooft, dan mag je er ook bij horen.
‘Dat wil ik ook. Kan ik gedoopt worden?’
Wat bijzonder voor deze man, wat bijzonder voor Filippus.
En dan gebeurt het: de man wordt ook gedoopt.
De man gaat het water in, helemaal onder water, en komt weer boven:
Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Als ik hier in de kerk kinderen doop – dat is afgelopen zondag nog gebeurd –
geef ik hen altijd een Bijbeltekst mee, die speciaal voor hen is bedoeld.
Deze man zou de woorden van Petrus mee kunnen krijgen op de Eerste Pinksterdag:
Want u komt belofte toe, en uw kinderen, en allen die veraf zijn.
zovelen als er door de Heere onze God naar Hem worden toegeroepen.

Ik mag erbij horen. De man hoort het en weet het doordat hij wordt gedoopt.
Blij verrast: Ook ik ben van God.
Ze mogen dan nog wel naar mij kijken alsof ik een vreemde ben,
iemand met een andere huidskleur, waar je tegenop kijkt, of waar je bang voor bent,
iemand die heel anders lijkt en toch: ook ik mag bij de Heere horen.
Blij verrast gaat hij naar huis.

Vandaag is het dankdag.
Jullie en wij allemaal zijn in de kerk gekomen
om vandaag op deze dag speciaal de Heere te danken
te danken voor wat Hij geeft: eten en drinken, kleding, werk voor je vader en moeder.
Als de Heere dat allemaal geeft, heeft Hij daar een bedoeling mee:
Dat we van Hem gaan houden, dat we zien dat Hij ook onze God wil zijn
en voor ons wil zorgen, voor alles wat we nodig hebben om hier op aarde te kunnen leven,
maar ook voor later, als ons leven voorbij is
om dan bij Hem in de hemel te mogen komen.
Zalig Hij die in dit leven – Jakobs God ter hulpe hebt.
Dan mogen ook wij blij verrast zijn vanwege alles wat God ons geeft.
Amen


 

Handelingen 8:26-39

Handelingen 8:26-39

Er rijd een man op de weg tussen Jeruzalem en Gaza. Deze man die uit Ethiopië komt, is in Jeruzalem geweest om de God van Israël te aanbidden. Op de terugweg leest hij hardop uit het Bijbelboek Jesaja. Tijdens deze rit komt hij Filippus tegen, die door een engel van God op pad is gestuurd naar deze weg.
Lukas, de schrijver van Handelingen, vertelt in enkele woorden wie deze man is: een eunuch, een belangrijke ambtenaar van Candacé, de koningin van Ethiopië. Deze man is belangrijk omdat hij over de financiën gaat. Het lastigste is hoe we deze typeringen moeten duiden en welke rol ze mogen hebben bij de uitleg van dit gedeelte.
Candacé is geen naam, maar een titel, vergelijkbaar met koningin. In dit gedeelte lijkt het erop alsof Lukas het als een eigennaam beschouwt. Deze koningin heerst over Ethiopië. Dat is niet het huidige Ethiopië, maar naar alle waarschijnlijkheid Nubië (het huidige Sudan), met als hoofdstad Meroë.
Vooral onduidelijk is hoe we de typering eunuch moeten zien en welke toegang hij tot de tempel in Jeruzalem heeft gehad. Moeten we van deze eunuch uitgaan dat hij gecastreerd is en dat hij als gecastreerde en als heiden geen toegang had tot de tempel? Het woord eunuch kan ook echter gebruikt worden voor een hoge ambtenaar en het is niet noodzakelijk te veronderstellen dat hij gecastreerd was.
Mocht deze man de tempel betreden? Als hij geen Joodse afkomst had, mocht hij alleen in het voorhof van de heidenen komen. Uitleggers, zoals Joseph Fitzmyer, werpen de mogelijkheid op dat deze man Joods was of een proseliet (een tot het Jodendom bekeerde heiden). Dat ontlenen ze aan de structuur van het boek Handelingen: pas in hoofdstuk 10 krijgt Petrus door middel van een visioen te weten dat ook heidenen gedoopt mochten worden. Alleen de manier waarop Lukas de afkomst van deze man verwoordt, is dat hij toch een heiden lijkt te zijn.
Waarom vertelt Lukas dit verhaal eigenlijk door? Er zijn vast meerdere verhalen die hij kende, die hij niet heeft opgenomen in zijn boek over de verspreiding van het evangelie.
Er spelen allerlei verwijzingen uit het Oude Testament mee:

  • De Nubiërs zullen zich met hun geschenken haasten naar God (Psalm 68:32)
  • Het rijzige volk met de glanzende huid, het alom gevreesde volk van de Nubiërs zullen tot Sion komen, waar de naam van HEER van de hemelse machten woont (Jesaja 18).
  • Vanuit de verstrooiing zullen ze komen, van de einden der aarde (Zefanja 3:10, Jesaja 11:11).
  • Nubië is de grens van de bekende wereld. Oa de grens van het rijk van koning Nebukadnezar (Daniël 3:1LXX) en Ahasveros (Esther 3:12LXX). Zie ook Genesis 2:13.
  • Wanneer Lukas met de eunuch bedoelde dat deze man gecastreerd was, speelt ook Jesaja 56 een rol.

Al deze teksten worden niet genoemd. Hooguit kan men ze als allusie (toespeling) opmerken. Een tekst die wel genoemd wordt, is de tekst die de Ethiopiër leest: Jesaja 53. Dit gedeelte is voor Filippus aanleiding om over Jezus te vertellen. De man vraagt daarna of er ook een belemmering is om gedoopt te worden. Die belemmering is er niet. De voorwaarde om te belijden, is een (heel oude) toevoeging. Zowel Filippus als de man verlaten de plek. Filippus is elders het goede nieuws aan het vertellen; de man reist met vreugde terug naar zijn vaderland.

Hoe past dit gedeelte in het geheel van Lukas-Handelingen? Allereerst de vreugde, die de man heeft en waarmee hij zijn weg vervolgt. Vreugde is er in de hemel en op aarde is iemand gelooft in Jezus.
Het verhaal past ook goed in de visie die Lukas heeft op zending. Lukas vertelt niet alles over de uitbreiding van de kerk. Over hoe het in Syrië, Egypte en gebieden ten noordoosten van Palestina aan toegaat, lezen we niet. Wel hoe het evangelie in Samaria, Klein-Azië, Griekenland en uiteindelijk in Rome komt. De leerlingen van Jezus moeten het goede nieuws tot aan het einde van de aarde brengen (Handelingen 1:8). De belofte van redding is er voor degenen die veraf zijn en die de Heer tot zich zal roepen (Handelingen 2:39). Nubiërs worden nog niet genoemd bij de volkeren die op het Pinksterfeest aanwezig zijn en dan de boodschap horen. Nu komt er een op eigen beweging naar Jeruzalem om voor de God van Israël neer te knielen en te aanbidden.
Het past ook in de visie van Lukas op Christus: Jezus als de vervuller van de beloften in het Oude Testament (Lukas 22:20, 24:27) en de redder van de zonden (Lukas 2:11,). Minstens net zo belangrijk als de visie op zending is het geloof dat gewekt wordt als de man over Jezus hoort vertellen vanuit de Schrift (Lukas 24:32). Voor Lukas was Jesaja 53 een belangrijke tekst, die hij op Jezus toepaste.
Voor de lezer uit die tijd is deze man in ieder geval een curieus figuur. Iemand die aan de rand van de beschaving woont. ‘Als er één persoon is in het Bijbelboek Handelingen die vanuit bepaalde culturele stereotypen “de (vreemde) ander” representeert, iemand “die aan de rand van de beschaving” woont, is dat wel deze man.’ (C.K. Barrett)

Homiletische gedachten
Dit gedeelte is door de HGJB gekozen als thema voor de dienst op dankdag, waarbij de kinderen aanwezig zijn. Dit verhaal kan helpen om dankbaar te zijn voor wat God doet in ons leven, dankbaar voor het geloof. Het thema is: Blij verrast. Dankdag is er om je dankbaarheid naar God te uiten en om een houding van dankbaarheid aan te leren.

Hoe kan een preek worden opgebouwd? Het verhaal is redelijk bekend. Om de aandacht te houden is er een inleven nodig die verrassend is. Het verhaal is ook niet al te uitgebreid: Filippus die de opdracht krijgt van de engel, de man op de terugweg die een boek leest, een gesprek over Jezus naar aanleiding van een Bijbelgedeelte, de doop en de terugweg. Er zijn wel heel wat ‘gaten’ in de tekst:

  • Waarom de man naar Jeruzalem gaat: uit behoefte, als opdracht van de koningin?
  • Wat hij in Jeruzalem deed: mocht hij de tempel in of niet?
  • Hoe hij terug reisde: was hij teleurgesteld of was hij juist dankbaar en geraakt dat hij daar in of bij de tempel mocht zijn?
  • Hoe kwam hij aan de boekrol van Jesaja? Waarom had hij die gekocht? Wat was er gebeurd als hij Filippus niet was tegengekomen?
  • Wat is de uitwerking? Hoe komt hij thuis? Spreekt hij er met de mensen om hem heen over Jezus? (Er is geen enkele aanwijzing dat er in de eerste eeuw in deze regio een kerk is ontstaan)

Hoe komt het Bijbelgedeelte terug in de preek? Ook dat kan op verschillende manieren:

  • Vanuit de ik-persoon  of vanuit de derde persoon? En welke persoon is dan de hoofdpersoon: Filippus, de kamerling of iemand uit de stoet van de kamerling of een andere persoon van buiten het verhaal?
  • Welke toegang tot het verhaal: moet de man een identificatiefiguur worden of een vreemde waarbij hij voor de kinderen iets curieus blijft houden?
  • Start in Nubië met de wens om naar Jeruzalem te gaan, de voorbereidingen, de reis, de aankomst en de terugweg.
  • Start in Jeruzalem. Eventueel een terugblik naar de reis ernaar toe. Vertellen hoe het in Jeruzalem is gegaan met het bezoek aan de tempel en het kopen van de boekrol. En dan de terugreis.
  • Vertellen vanaf de terugreis. Eventueel met flashbacks.
  • Vertellen met het vervolg en dan de aankomst. Eventueel met flashbacks.

Preek dankdag 2016

Preek dankdag 2016
Filippenzen 4:4-20
Tekst: Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, die mij kracht geeft.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vorige week was ik op een studiedag over preken aanwezig.
We zongen tijdens deze studiedag enkele verzen uit Psalm 107 in de Nieuwe Berijming.
Die psalm begint zo:

Gods goedheid houdt ons staande,
zolang de wereld staat.

Terwijl we dat zongen, het was een kerk met een mooie akoestiek
en het klonk ook mooi,
moest ik denken aan wat iemand mij pas vertelde
dat het opstaan veel kracht kostte.
‘Ik was liever in bed blijven liggen, maar dat is niet goed voor mij.
Dan gaat het alleen maar slechter.’
Van zulke opmerkingen leer ik veel:
namelijk dat het uit bed komen, het opstaan, het beginnen aan de dag
voor sommigen heel wat moeite kost.
Ik moest daar weer aan denken
toen we zongen over de goedheid van God die ons staande houdt.
Van Hem krijgen we de kracht om aan de dag te beginnen.
De kracht die God geeft, is soms heel alledaags, bijna gewoon
en je weet pas dat het niet gewoon is
als je het meegemaakt hebt dat je niet aan de dag wilt beginnen
en liever in je bed zou willen liggen
omdat je van tevoren al weet dat de dag je veel energie gaat kosten,
omdat alles wat je moet doen zoveel energie kost.
Tijdens het zingen wist ik ook waar ik het met dankdag over wilde hebben:
over de goedheid van God die ons staande houdt.
Dat leek mij belangrijk om te benoemen:
de kracht die we hebben voor alles wat we doen,
hebben we niet uit onszelf, maar wordt ons gegeven door God.
En dat ook vanuit dankbaarheid:
U bent het, Heere, die ons de kracht geeft,
die ons staande houdt bij alles wat op ons afkomt en ons kracht en soms ook moeite kost.

Alleen dan nog een Bijbeltekst.
Het is geen Psalm 107 geworden, maar uiteindelijk kwam ik uit bij deze tekst:
Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, die mij kracht geeft.
Wat ik kan, dat is niet mijn eigen kracht,
maar heb ik te danken aan mijn Heer en Heiland: Jezus Christus
Die mij hiervoor de kracht geeft.
Alleen ik had mij niet gerealiseerd
dat deze tekst een iets andere betekenis heeft.
Het gaat niet om kracht voor elke dag die je krijgt,
hoewel Paulus dat niet zal bestrijden, dat de kracht die wij hebben,
dat die ons gegeven wordt door Christus.

Waar gaat het Paulus om als hij schrijft dat voor hem alles mogelijk is,
omdat hij daar de kracht van Christus van ontvangt.
Het heeft te maken met een gift,
die Paulus heeft gekregen van de gemeente in Filippi.
Paulus zit namelijk in de gevangenis
en kan niet in zijn eigen levensonderhoud voorzien.
Hij schrijft een brief om te bedanken voor de gift die hij van de gemeente heeft ontvangen.
Hij waardeert die gift
en ziet in die gift een betrokkenheid van de gemeente van Filippi op zichzelf
en ook als een stimulans voor het werk dat hij verricht heeft,
ook al kan hij, nu hij in de gevangenis zit, niet meer zo vrijuit bewegen als eerder.
En toch, zegt Paulus, die gift die jullie geven, is helemaal niet zo belangrijk.
O, zeker, Paulus waardeert het gebaar
en vooral de betrokkenheid die de gemeente laat zien.
Maar, zegt Paulus, ik kan kan ook zonder die gift.
Ik heb namelijk geleerd om te leven in elke omstandigheid.
Tevreden in alle omstandigheden, zo noemt Paulus het.
Prima als ik het goed heb, prima ook als ik financieel gesteund word,
maar ik kan ook zonder.
Ik kan leven met de onzekerheid of ik deze maand wel genoeg salaris ontvang.
Ook als ik geen eten kan kopen en gebrek moet lijden,
als er geen geld is om kleren te kopen – ook dan ben ik tevreden.
Rijkdom en welvaart, armoede of gebrek – dat bepaalt mijn leven niet, zegt Paulus.
Mijn kijk op mijzelf, mijn identiteit wordt niet door mijn salaris bepaald.
Bij de keuzes die ik maak, laat ik mij niet leiden door de vraag of ik daardoor meer verdien.
Dan komt hij bij die uitspraak:
Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, die mij kracht geeft.
Alle dingen zijn mij mogelijk: Ik kan leven onder erbarmelijke omstandigheden,
ik kan ook leven met materiële overvloed.
En dat komt omdat ik een Heer heb: Christus.
Hij geeft mij kracht om staande te blijven als ik niets heb.
Hij geeft mij kracht om in de weelde, de verleiding van de overvloed ook staande te blijven.

Moet u zich eens voorstellen:
Paulus krijgt een gift van de gemeente en ik denk dat het om een behoorlijk bedrag gaat
en dan zegt Paulus: geld doet me niet zoveel.
Ik vind het fijn dat jullie die gift geven, want daardoor weet ik dat jullie aan mij denken.
Maar dat geld – nee, ik heb geleerd om tevreden te zijn in alle omstandigheden.
Hij heeft dat geleerd.
Paulus gebruikt een fascinerend woord, dat komt uit de wereld van de mysteriegodsdiensten
die er in die tijd volop waren.
Die hadden iets geheimzinnigs – je komt aan kennis die anderen niet hebben,
speciale kennis, wat je vroeger had: New Age.
Iets wat een gemiddeld mens niet heeft,
maar omdat je bent ingewijd in dat geheimzinnige weet je meer
over de wereld en over jezelf.
Dat is de wereld waarin zijn gemeenteleden leven,
maar hij drijft daarmee ook de spot: geheimzinnige, esoterische kennis,
ja ja, die kennis heb ik ook.
Paulus zou vandaag de dag misschien wel taal uit de wereld van de coaching gebruiken
waarin je aan jezelf moet werken
of jezelf beter leren kennen zodat je beter functioneert.
Niet om het coachen af te kraken.
Ik denk dat een coach een heel belangrijke taak kan hebben in de begeleiding.
Alleen: wat zo’n coach kan, kun je ook in het geloof leren.
Het gaat hier om een levensgeheim,
een bepaalde kennis, waarbij je ontdekt hoe het leven werkt.
Hoe jezelf in elkaar zit en waarop je op een bepaalde manier reageert op de omstandigheden.
Waarom je bijvoorbeeld tegen iemand opkijkt, die meer heeft dan jij
of tegen iemand opkijkt, die voor jou gevoel meer kan.

Paulus zegt: Ik heb dat van Christus geleerd.
Dat wil niet zeggen dat je armoede of rijkdom hebt meegemaakt.
Paulus wist van beide kanten te spreken: van de overvloed, genoeg geld,
maar ook van de armoede en weten dat je niets te eten zult hebben.
Die ervaring dat je dat hebt meegemaakt is niet het belangrijkste:
het belangrijkste is wat hij van Christus, zijn Leermeester, heeft geleerd:
hoe je alle omstandigheden zo kunt leven,
dat die omstandigheden je leven niet bepalen.
Niet je bankrekening bepaalt wie je bent, niet het geld dat je te besteden hebt,
ook niet je schulden of je tekort aan geld.
Dat heeft allemaal geen invloed op je karakter, op wie je bent, ook niet op je ziel.
Wat je vormt, is Christus.
Hij maakt wie je bent.
Omdat je van Hem bent.
Hij zorgt ervoor dat je als je het goed hebt, staande blijft
en niet in de verleiding komt om bij Hem weg te gaan
omdat je Hem niet nodig hebt.
Hij zorgt ervoor dat als je weinig te besteden hebt, als je niet rondkomt,
dat je daar niet aan onderdoor gaat,
dat je – ondanks alles wat je niet kunt aanschaffen – wel een leven hebt
Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, die mij kracht geeft.

Door Christus is eigenlijk niet goed weergegeven.
Het gaat niet alleen om de kracht die je ontvangt van Christus.
Het gaat om de band die er is met Christus.
Beter is het om te spreken over: in Christus.
Zozeer verbonden dat je niet naast of achter Christus staat,
maar in Christus bent, op dezelfde plek waar Hij ook is.
En wat is die plek dan?
Dat is een plek op aarde én een plek in de hemel.
Op aarde – aan het kruis, in het graf en uit het graf weer opgestaan.
In Christus – dat betekent voor Paulus,
dat je ook deelt in het kruis van de Heere Jezus.
Dat je soms ook tekort komt en armoede moet dragen,
omdat aan het kruis de Heere Jezus alles wat Hij had opgaf.
Arm en naakt hing hij daar, zonder waarde, zonder enige vorm van status of eer.
Dat kan je als christen ook overkomen.
Als je dat overkomt, zegt Paulus, wees dan niet bang.
Dan krijg je van Christus de kracht om dat te dragen.
Wees dan niet wanhopig, maar bedenk dat je deelt in het lijden van Christus.
Paulus geeft een diepe betekenis aan zijn eigen armoede en gebrek.

Ik kom zoiets ook wel in de gemeente tegen, bijvoorbeeld als het om ziekte of pijn gaat.
Dat iemand zegt: Als ik al zoveel pijn heb, hoeveel moest de Heere Jezus niet dragen
die aan het kruis nog veel meer lijden te dragen had dan ik.
Het eigen lijden doet denken aan het lijden van de Heere Jezus.
(Kun je nog dankbaar zijn voor ‘nooddruft’.
Voor armoede – goede en kwade dagen, rijkdom en armoede, ziekte en gezondheid
– komen uit Gods vaderhand.)

Als Paulus denkt aan de band met Christus denkt hij niet alleen terug.
Hij weet dat Christus ook in de hemel is,
zoals we belijden: aan de rechterhand van God, de almachtige Vader
vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
Je deelt niet alleen in Zijn lijden,
maar je deelt als gelovige ook nu al in Zijn opstanding, in Zijn terugkomst op aarde.
Nog niet helemaal,
We zijn nog niet in de hemel
maar op aarde waar we nog kunnen lijden en gebrek kunnen hebben,
maar er komt een dag dat die tijd van gebrek en lijden voorbij is.
We kijken ook al vooruit.
De verbondenheid met Christus, het zijn met Christus,
is daarom belangrijker geld of rijkdom of bezit – of juist het gebrek daaraan.
Dat kan wel een belangrijk deel van je leven bepalen,
wat je kunt besteden, wat je kunt doen,
maar het kan je nooit helemaal vormen, nooit je identiteit zijn,
want dat is Christus,
die gestorven is aan het kruis en terugkomt op de wolken van de hemel.

Daarom, vanwege de verbondenheid met Christus
die gestorven is, maar ook is opgestaan en terugkomt,
vanwege de verbondenheid met Christus, omdat de gelovige in Christus is,
kan Paulus ook oproepen tot vreugde.
Die oproep komt steeds weer terug in deze brief.
Voor Paulus is die vreugde wezenlijk.
Een christen kan niet zonder die vreugde.
Verblijd u altijd in de Heere. Ik zeg het opnieuw: verblijd u!
Het is een belangrijk punt voor Paulus.
Een christen kan niet zonder de vreugde.
Je kunt veel van je niet-gelovige omgeving overnemen,
je kunt zelfs van hun houding, hun gedrag of hun karakter leren,
maar de vreugde, de blijdschap kun je niet van hen leren.
Die krijg je alleen van de Heilige Geest.

Het merkwaardige, of beter gezegd: het mooie, van deze vreugde
is dat de vreugde toeneemt, de blijdschap sterker ervaren wordt
naarmate de omstandigheden moeilijker worden.
Vreugde heeft iets paradoxaals:
Je zou verwachten dat de vreugde, de blijdschap verdwijnt als je het moeilijk krijgt.
Nee, die vreugde wordt sterker
als je aangeklaagd wordt vanwege je geloof,
neemt toe als de duivel je aanvalt om je van Christus af te brengen.
Vreugde is dan ook geen menselijke emotie,
maar een vrucht van de Geest, die de Geest in je doet groeien
tegen de verdrukking in.
In omstandigheden waarin je niets hebt
en je je wanhopig afvraagt of er nog voor jezelf en je kinderen genoeg is.
In omstandigheden waarin je het zo goed hebt,
dat je er veel van kunt delen.

Vreugde is niet alleen op het hier en nu gericht.
Ja, je leeft wel hier en je leeft volop hier.
Je hoeft je werk niet op te zeggen.
Je mag je werk juist in alle dankbaarheid doen.
Onlangs legde ik aan enkele catechisanten uit
dat je ook in je werk als directiesecretaresse een goed christen kunt zijn.
Niet persé door over je geloof te praten, (dat kan ook)
maar door je best te doen als secretaresse en je talenten te gebruiken
om een goed verslag te maken of een goede brief op te stellen.
Je leeft volop hier en dat is ook onze taak.
Tegelijkertijd met een oog op later, die dag waarop Christus terugkomt.
Wetend dat het leven hier niet alles is
en dat als we bij Christus zijn, in de hemel, we pas helemaal gelukkig zijn
omdat we dan verenigd zijn met onze Heer.
Met dat verlangen, die blijdschap dat Christus spoedig komt,
leven we hier op aarde, doen we ons best voor alles wat we moeten doen,
nemen we onze taken serieus,
danken we voor de kracht die we ontvangen,
maar weten ook: het belangrijkste in het leven is dat we van Christus zijn.
Dat is de norm, de maat.
Als je Christus hebt, kun je dankbaar zijn voor alles wat je hebt, wat je krijgt.
Genoeg om te kunnen leven met overvloed,
genoeg om te kunnen leven met tekort.
Dat is heel wat om te kunnen zeggen.
Maar we zeggen dat niet los van Christus
aan wie we in rijkdom en armoede, in voor- en tegenspoed,
tot de dood komt en zelfs door de dood heen verenigd zijn.
Wat we hebben, herinnert ons aan onze Heer.
Onze rijkdom en welvaart herinnert aan het goede dat God ons geeft
maar laat ook weten dat we het ooit nog beter zullen krijgen
en onze rijkdom en welvaart roept het verlangen op om bij Hem te zijn in Zijn heerlijkheid.
Ons tekort, het gebrek dat ons veel zorgen kan brengen,
brengt ons niet van Christus af
– hoewel: zorg kan een grote vijand van het geloof zijn (Walter Mostert)
maar brengt ons juist naar Hem toe,
die voor ons arm werd en ons een toekomst bereid waarin dat tekort en gebrek er niet meer zal zijn.
Daarom: alles is mij mogelijk, omdat Christus mij de kracht geeft
om hier staande te blijven en om uit te zien naar het leven met Hem
in Zijn heerlijkheid, dat komt.
Amen