Preek zondagmorgen 1 juli 2018

Preek zondagmorgen 1 juli 2018
Schriftlezing: Handelingen 9:1-19.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen vrijdag ging ik naar een receptie van een bruiloft in de Fruittuin.
Ik was van plan om maar even te gaan,
om bijvoorbeeld het bruidspaar nog te spreken of de wederzijdse ouders.
Ik dacht: ik ga maar even, ik geen sleutels mee, ik ben zo terug.
Tijdens de avond raakte ik met verschillende aanwezigen aan de praat
waardoor ik de tijd vergat. Het was zelfs al donker.
En terwijl ik van de Fruittuin naar huis fietste, vroeg ik me af hoe ik in huis zou komen.
Want stel dat Rianne al op bed ligt al.
Als de deuren dicht zitten, kom ik zonder sleutel ons huis niet binnen.
We hebben dat wel een keer gehad. Toen hadden we de sleutels wel bij ons.
Het gebeurde in ons vorige huis. We kwamen op een zondag terug uit de kerk.
Nadat ik de sleutel in het slot gestoken had, draaide de sleutel door.
Ik kon blijven draaien en het slot ging niet open.
We stonden aan de buitenkant voor de voordeur. We konden er niet in.
Wat moest ik doen om binnen te komen? De deur openbreken? Het slot los schroeven?
Op een gegeven moment kwam de buurman, die zag dat ik wat aan het hannesen was.
Hij stelde voor om het wc-raampje los te schroeven,
zodat ik via dat raampje naar binnen zou kunnen gaan
en de deur van binnenuit zou kunnen openen.
De buurman kreeg het voor elkaar om dat raampje los te schroeven
en ik paste ook nog door het raampje en kwam via dat raampje binnen
en kon zo de voordeur van binnenuit openen.

De komende zondag zou ik over de bekering van Saulus preken.
In die week heb ik er vaak aan moeten denken hoe ik voor een gesloten deur stond
En de deur van ons huis niet kon openen
en ik bedacht me hoe Christus voor de deur van Saulus stond.
Wat was er nodig om bij Saulus binnen in zijn huis te komen?
Hij was erbij toen Stefanus werd gestenigd.
Hij was getuige van wat Stefanus zei en van de manier waarop Stefanus werd gedood.
Op dat moment stond Christus al aan de deur van zijn hart en belde aan.
Saulus weigerde echter open te doen.
Wat was er nodig om bij Saulus in het hart te komen?
Moest Christus de voordeur met geweld openbreken, met een koevoet?
Moest hij een onopvallende manier vinden,
zoals via dat wc-raampje, zonder al te veel schade voor het huis.
Wat is er nodig dat Christus in ons hart komt?
Wat was er voor u nodig?
Wat was er voor jou nodig? Deed jij de deur open toen Christus klopte?
Of liet je Hem lang staan en was er heel wat voor Hem nodig om bij je binnen te komen?
Caravaggio Bekering van Paulus


Bij Saulus was er heel wat nodig: een breekijzer om de voordeur open te breken.
Het gebeurt op weg naar Damaskus.
Saulus dan al een gevreesd persoon vanwege het geweld tegen de christenen.
Hij liet hen niet met rust, ging actief naar hen op zoek en haalde hen uit hun huizen
om hen in de gevangenis te brengen.
Het getuigenis en het gebed van Stefanus dat zijn schuld vergeven werd:
het was een vergeefse klop op de deur van zijn hart: Laat je Mij erin?
En dan de christenen die uit de huizen werden gehaald om gestraft te worden.
Steeds heeft Saulus gedacht dat hij daar de Heere een plezier mee deed
Hij was te verblind om te kunnen zien, dat hij zich tegen de Heere verzette.
Doordat ik zelf toen voor de deur stond en niet naar binnen ging,
Realiseerde ik mij dat ik zelf ook mijn hart voor Christus kan afsluiten
en dat ik daarin niet verschil van Saulus.
Dat is waar ik zelf op Saulus lijk:
Ook als predikant kan ik denken God te dienen met mijn daden, met mijn werk
terwijl ik ondertussen mijn hart afsluit voor Christus.
Daarom is het van belang te lezen in de Bijbel, naar de kerk te gaan, avondmaal te vieren,
te luisteren naar de Tien Geboden en over mijzelf en God na te denken
Niet om daar mijn eigen gedachten bevestigd te zien,
maar steeds weer gecorrigeerd te worden, teruggeroepen te worden,
om als mijn hart leeg blijkt te zijn, als Christus daar niet is en aanklopt
om weer binnen te komen, dat ik Hem niet buiten laat staan, maar Hem binnenlaat.
Merkt u het als Christus aan uw hart aanklopt om binnen te komen?
Merk jij het als Christus niet in je hart is?
Of als Hij niet meer in je hart is en Hij weer binnen in je leven wil komen?
showImage


Voor Saulus was er heel wat nodig om zijn hart open te krijgen voor Christus.
Het wordt eigenlijk maar heel kort verteld.
Veel woorden zijn er niet nodig voor zijn ingrijpende gebeurtenis.
Hij is op weg naar Damaskus om ook daar de christenen uit hun huizen te halen
en hen mee te nemen naar Jeruzalem om daar berecht te worden.
Saulus is bekend geworden: een man waar je voor moet vrezen.
Als hij vlak bij zijn doel komt, wordt hij tegengehouden.
Hoe kort ook beschreven, de gebeurtenis heeft wel indruk gemaakt.
De gebeurtenis van Saulus die ter aarde valt en hulpeloos en blind is,
is vaak geschilderd.
Het gaat steeds om een Saulus die van zijn paard geslingerd is,
je ziet nog dat als hij op het paard zat een imposante gestalte is,
iemand voor wie je onder de indruk moet zijn,
maar je ziet hem met liggen op de grond, met de armen omhoog, hulpeloos,
de ogen blind, waardoor hij moet tasten naar wat er om hem heen is.
Hij moet geholpen worden, eerst overeind geholpen en later op zijn paard.
Een licht uit de hemel.
Dat is niet zomaar een licht, dat is de goddelijke glans uit de hemel zelf,
de glans die aangeeft dat Saulus hier God zelf tegenkomt,
licht uit de hemel, de woonplaats van God.
Saulus wordt hier door God zelf, hoogstpersoonlijk uit zijn zadel geworpen.
Een stem die hem aanspreekt en hem, Saulus, ter verantwoording roept:
Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?
In die week, nadat bij ons de voordeur gesloten bleef, bedacht ik
dat bij Saulus de deur van zijn hart opengebroken wordt met een breekijzer, een koevoet.
Zijn deur moet open.
129361342843614134_f9f7d015-6def-461a-8374-ec744be257a0_256168_570


Dat is ook een manier waarop de Heere in je leven kan komen.
Het kan op een rustige manier zijn, achterom, via de achterdeur,
haast ongemerkt komt Hij in je leven. Hij schuift aan je keukentafel aan.
Hij is er in je leven. Hij neemt intrek in je huis.
Maar het kan ook zijn dat er een andere manier nodig is: confronterend,
een huis dat gesloten is, voor iedereen onbereikbaar met het evangelie.
En dan komt de Heere en weet het hart te openen.
Hoe confronterend het ook is, het is ook bemoedigend
als u zelf te maken hebt met mensen in uw omgeving, in uw eigen gezin
van wie u merkt dat ze het hart voor Christus op slot gedaan hebben.
Ze willen er niets over horen. Heb het er niet meer over, want anders komen we niet meer.
De Heere heeft allerlei manieren tot Zijn beschikking.
Het kan op een zachtaardige manier gebeuren, uitnodigend,
Het kan op een harde manier, de voordeur opengebroken.
Door een crisis heen om te merken dat je God mist en dat je Hem niet meer kunt weigeren.
Maar waarom dan?
Waarom moet Christus in het hart van Saulus komen
en waarom moet dat desnoods op een confronterende manier?
In die week dat ik toen met Saulus bezig was nadat ik voor de deur stond,
realiseerde ik dat Christus de rechtmatige eigenaar was
en daarom wel binnen moest komen.
Zoals ik toen het recht had om mijn voordeur open te breken, als ik niet binnen kwam.
Het was alleen zonde van die mooie voordeur, het geeft schade.
Maar schade is altijd beter dan nooit meer in het huis binnenkomen.
Daarom is de schade die Saulus hier oploopt, de nederlaag die hij leidt,
uiteindelijk niet zo groot, omdat zijn hart open gaat voor Christus,
de rechtmatige eigenaar, die Heer die recht heeft op het leven van Saulus,
komt weer in het hart van Saulus.
Saulus heeft dit altijd als een bevrijding gezien.
Op dat moment niet. Hij lag verslagen en gaf zich nog niet zomaar gewonnen.
Maar hij kon niet anders.
Saulus die mensen wilde meebrengen uit Damaskus naar Jeruzalem,
wordt zelf naar Jeruzalem gebracht, hulpeloos en blind.
Aan den lijve ervaart hij nu zijn eigen blindheid voor Christus.
Hij wordt naar Damaskus gebracht en daar zit hij 3 dagen lang in het donker,
net zo lang als de Heere Jezus in het graf verbleef,
alsof Saulus moest zelf ervaren wat het was om Christus te vervolgen.
Drie dagen waarin Saulus niets eet en drinkt:
Drie dagen waarin hij alleen maar nadenkt over wat verkeerd ging,
waarin hij boete doet, dat wil zeggen: hij erkent zijn schuld
en legt zijn leven in handen van de Christus die hij vervolgde.
Christus moet maar beslissen wat er met hem moet gebeuren.
Hij is niet meer baas over zijn eigen leven.
En dat zijn we ook niet meer als de Heere Jezus in ons leven komt.
DAn heeft Hij de regie over ons leven, dan bepaalt Hij hoe het gaat.
DAt ik van Hem ben, weer ben, mijn Heer, mijn God!

Een hele omkeer in zijn leven. We noemen dat een bekering:
Christus opent je hart om er in te gaan wonen
en daardoor ga je niet meer bij God vandaan, maar ga je naar Hem toe, ga je Zijn weg.
In het vervolg zien we wat zo’n bekering inhoudt
als Ananias in Damaskus de opdracht krijgt om naar Saulus toe te gaan.
Voor Christus is Saulus nu niet meer de tegenstander, de vervolger,
maar Saulus is een gelovige, iemand die zijn leven in handen van Christus legt.
Een herdefinitie: niet meer de oude Saulus,
niet meer zijn verleden, niet meer de angst die hij oproept, een instrument in Gods hand.
De Heere kiest lang niet altijd de meest voor de hand liggende personen
om Hem te dienen en over Hem te vertellen, om van Hem te getuigen.
De nieuwe Saulus is ook niet gelijk geaccepteerd.
Er moet heel wat vertrouwen weer groeien voordat Saulus zijn plek in de kerk heeft.
Zo kan het gebeuren dat er bij ons ook allerlei bedenkingen zijn
als iemand de gang naar de kerk weer oppakt, dat daar iets achter gezocht wordt.
Dat is om een kind te laten dopen, dat is omdat ze stil gezet zijn.
Waarom zou je er niet dankbaar voor zijn,
ervan genieten dat de Heere weer werkt en weer een hart geopend heeft
en misschien zien we wel over het hoofd wat het effect is van dit gebeuren
op het netwerk, het gezin, de vrienden van die gemeente
of welke betekenis diegene die de draad van het geloof oppakt voor de gemeente heeft.
‘Ga,’ zegt Christus tegen Ananias, die zijn bedenkingen heeft.
Ananias spartelt niet minder hard tegen dan Saulus.
Ook Ananias moet zich gewonnen geven, ondanks zijn naam:
God is genadig – en dat heeft hij voor zichzelf ervaren
maar hij moet er nog aan wennen dat er voor Saulus ook genade is
Genade, zo oneindig groot. Dat ik, die ’t niet verdien het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Dan gaat Ananias ook: Saulus, broeder, je hoort erbij.
Je bent onderdeel van de gemeente van Christus,
ik heb geen enkele reden meer om te twijfelen of je toegevoegd bent,
want de Heere heeft jezelf toegelaten en als Hij je toelaat tot de gemeente,
Wie ben ik dan om je te weigeren.
Dit slaat mijn trots, al mijn verdienste neder,
’t verlaagt mij diep, maar o, ’t verhoogt mij weder!
’t Meldt mij mijn heil, die van Gods tegenstander
in vriend verander.
Hebt u Hem ook al toegelaten in uw leven? en jij?
Aan het begin van de dienst hebben we kunnen horen,
dat ons leven  zomaar voorbij kan zijn en dat er geen tijd is
om je voor te bereiden om het einde van je leven.
wacht daarom niet en laat Hem niet steeds aan de deur staan.
Doe de deur open en nodig Hem binnen
en u zult zien, dat ook u een instrument kunt zijn in Gods hand.
Misschien niet zo invloedrijk als Saulus,
maar ook in kleine kring kan het van grote waarde zijn
en de Heere telt niet alleen het grote, maar weegt ook het kleine mee
en gebruikt ook dat om Zijn koninkrijk uit te breiden. Amen

Preek zondagmorgen 24 juni 2018

Preek zondagmorgen 24 juni 2018
Handelingen 6:8-15, 7:54-60

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je op zondagmorgen de drempel van de kerk overgaat,
besef je lang niet altijd wat er op het spel staat.
Of beseft u dat wel dat van u als christen gevraagd kan worden
om alles te geven, dat het zelfs uw leven kan kosten?
Hier in ons land zal dat niet zo’n vaart lopen en kunnen we ons geloof vrijuit beleven,
maar er zijn heel wat landen op deze wereld waarin het heel wat kost om christen te zijn.
Waar je in een strafkamp terecht kunt komen,
of lang in de gevangenis kunt verblijven zonder dat er uitzicht is op vrijlating.
Er zijn landen waar je als christen met de dood bedreigd kunt worden.
Hier hoeven we geen gevaar te vrezen.
En zolang we maar niet beginnen over wat de juiste kerk is,
hoeven we ook niet bang te zijn voor zo’n heftige discussie als waarin Stefanus is beland.
In een veilig Oldebroek, waar kerkgang en het dienen van Jezus ons niets hoeft te kosten
horen we over Stefanus die zijn trouw aan Jezus moet bekopen met de dood.

Stefanus heeft deze dood niet gezocht.
Hij is niet iemand die bewust het gevaar heeft opgezocht,
maar was alleen maar iemand die vol was Christus, gedreven door de Geest
en de aandacht trok door wat hij in de naam van Christus mocht doen:
Door Gods genade en kracht kon hij bijzondere dingen doen: wonderen en tekenen.
Wonderen, dat wil zeggen: het geloof in Jezus Christus heeft iets bevrijdends,
het bevrijd je uit de macht van de duivel, bevrijding uit banden die knellen.
Het geloof in Jezus Christus heeft iets helends:
het is mogelijk om door Christus genezing, heling te ontvangen.
Het optreden van Stefanus heeft dat bevrijdende, dat helende.
Hij had daarmee de aandacht op zichzelf kunnen vestigen
en laten zien hoe bijzonder hij is en welke bijzondere kracht hem gegeven is.
Als een dienaar van zijn Heer wijst hij echter van zichzelf af.
De wonderen die hij doet zijn ook tekenen: ze wijzen naar Jezus, naar zijn Heer,
naar het Koninkrijk van God dat met Christus gekomen is.
Niet iedereen ziet het mooie ervan, niet iedereen is God dankbaar voor de bijzondere kracht,
voor de genezing van zieken, voor de bevrijding van degenen die door de duivel bezeten zijn
van daden waardoor iedereen onder de indruk komt van Gods goedheid en liefde.
Stefanus heeft tegenstanders en door die tegenstanders wordt hij uiteindelijk gedood.
Kan dat ons ook overkomen?
Kan het ook ons gebeuren dat we onze passie voor Christus met de dood moeten bekopen?
Ja, dat kan ons ook overkomen.
Een van de redenen waarom het verhaal van Stefanus in de Bijbel is opgenomen
is om aan alle christenen te laten weten, dat de mogelijkheid bestaat
dat je gevraagd wordt om alles te geven voor je Heer.
Vraagt u zich dan niet af hoe u het er vanaf zou brengen als u in zo’n situatie zou komen?
Ik vraag het me geregeld af, zeker als ik weer verhalen over de vervolgde kerk hoor:
Hoe zou ik het er vanaf brengen? Zou ik de moed van Stefanus kunnen opbrengen?
Nou, daar gaat het net niet om, in dit gedeelte.
Het gaat niet om de moed van Stefanus, niet om hoe geweldig dapper hij is.
Stefanus is wel een voorbeeld voor ons, maar dan een voorbeeld van hoe de Geest werkt.
Als de Heilige Geest in je werkt, ben je tot verrassende dingen in staat.
Dan doe je iets, dat je niet van jezelf verwacht, dan kun je boven jezelf uitstijgen.
De Geest is in staat om een standvastigheid te geven, waardoor je trouw blijft, volhoudt.
Want met U ren ik door een legerbende, met mijn God spring ik over een muur,

zingt David in Psalm 18
en ook hier gaat het niet om het bijzondere wat David doet,
dat hij in zijn eentje de vijand kan verslaan en een geweldige sprong doet,
maar net als bij Stefanus zingt David ons voor, wat er kan gebeuren
als God aan je zijde staat, de uitredding die God biedt.
Hier bij Stefanus is de uitredding niet dat de dood bespaard blijft
En op een wonderlijke manier aan de dood kan ontkomen,
maar dat als hij gedood wordt, Christus reeds in de hemel op hem staat te wachten
met de armen wijd, om hem door de dood heen te dragen naar Zijn heerlijkheid.
Vrees niet voor degenen die het lichaam kunnen doden.
Dat is heel wat en ik denk dat Christus dat goed aanvoelde dat we bijna allemaal
wel zouden vrezen voor degenen die zoveel geweld kunnen gebruiken
dat we het er niet levend vanaf zouden brengen.
De garantie van Christus is dat er dan ook een uitweg is, een weg door de dood heen.
Hier bij Stefanus kunnen we dat zien:
in zijn laatste minuten ziet hij de hemel open, ziet hij in de hemel boven zich
zijn Heer, zijn Heiland staan.
Hij staat: klaar om Stefanus welkom te heten in de hemelse heerlijkheid.
Kom in, gij gezegende, over weinig ben je getrouw geweest, over veel zal Ik je zetten.

Over de vraag of wij ons leven kunnen geven, of we bereid zijn om te sterven voor Christus
hoeven we dan gelukkig niet na te denken, wel is de vraag aan ons:
Kunnen we die trouw opbrengen? Hebben we alles voor Hem over?
In deze dienst had de Heilige Doop bediend kunnen worden,
dat was ingepland voor deze dienst.
Bij de doop is er ook het besef dat het leven met Christus niet maar iets simpels is.
Opdat zij hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus met vreugde mogen dragen. Opdat zij Hem toegewijd zijn met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.
Opdat zij dit leven, dat toch niet anders is dan een voortdurend sterven,
door Uw genade getroost mogen verlaten en onbevreesd voor de rechterstoel van Uw Zoon, Jezus Christus, mogen verschijnen.
Er is door de gemeente gebeden, toen u, toen jij gedoopt werd,
dat alles wat je voor Christus doet, dat je dat met vreugde mag doen,
dat als je een kruis te dragen hebt, dat je dat met vreugde doet,
dat als je te maken hebt met tegenstand, omdat je gelooft,
Dat je dan niet moedeloos wordt of teleurgesteld, maar blij en dankbaar
omdat je dan beseft dat je gedragen wordt, dat God zich dan juist laat zien,
dat je dan in de voetsporen van Christus gaat, die ook het kruis gedragen heeft.
als we dopen, brengen we niet alleen kinderen bij Christus
en plaatsen we ze ook op de weg van Christus,
met alle risico’s die deze weg met zich meebrengt,
een weg waarop ze heel wat kunnen tegenkomen aan tegenstand, wellicht vervolging zelfs
en toch zetten we hen op deze weg en laten we hen
net als wijzelf die weg gaan, de weg van Christus gaan, achter hem aan,
een weg van kruisdragen en we vragen God aan het begin van deze weg
terwijl we weten dat het hen veel zal gaan kosten, dat ze met vreugde over deze weg gaan.
Vreugde als ze net als Stefanus bestreden worden,
een vreugde die niet eindigt als ze net als Stefanus weten, dat hun leven zal eindigen.
Het houvast dat we hebben en dat we onze kinderen kunnen meegeven,
dat we zo ook kunnen voorleven is dat we in leven en sterven eigendom zijn van Christus,
dat het sterven niet het laatste is en dat je zelfs dan nog een houvast en troost hebt.
Leeft u dat uw kinderen ook voor?
Kunnen ze aan u merken als vader of als moeder dat deze kracht u draagt,
dat deze troost het fundament onder uw leven is?
Dat je leeft met een open hemel, waar Christus is,
staande bij de troon van God, klaar om je op te wachten als je einde gekomen is
en ook klaar om in te grijpen, om als het Zijn wil is je te bewaren voor de dood.
Die Heer die in de hemel staat, bij de troon van God, in de heerlijkheid van God,

is zelf in de dood geweest en weer opgestaan.
Daar ging de discussie met de tegenstanders juist over,
Stefanus haalde een uitspraak van Jezus aan, die over Zichzelf gezegd had:
breek deze tempel af en Ik zal die tempel weer opbouwen.
Jezus had niet bedoeld dat Hij wilde dat de tempel afgebroken zou worden.
Hij had aangegeven dat het hen niet hielp als ze Hem zouden doden,
want net zoals de tempel die verwoest was weer opgebouwd was,
zou Jezus weer opkomen uit het graf, verrijzen.
Die Jezus die door hen is gedood, staat daar in de hemel, in een bijzondere gestalte:
Als de Zoon des mensen, Christus als rechter, die oordeelt over ons leven,
die bepaalt of wij in Zijn heerlijkheid kunnen komen, of dat we verloren gaan.
Het zijn niet mensen op aarde die over ons gaan,
maar Christus in de hemel die bepaalt wat er met ons gaat gebeuren.
Dat is ons houvast, dat is onze toekomst – ons lot is in Zijn handen.
Hij bepaalt wat ons te wachten staat.
aan Stefanus zien we dat we daar niet in onzekerheid over hoeven te verkeren.
Stefanus krijgt de zekerheid: Christus staat daar, klaar om recht te spreken.
Hij kan zich overgeven, Zijn leven in de handen van Christus leggen:
In uw handen beveel ik mijn geest.

Hiermee geeft Stefanus niet aan, dat zijn leven ten einde is, dat het nu voorbij is,
maar dat hij in Christus’ nabijheid verder leeft
en dat als Christus wil dat hij, Stefanus zal leven, dan zal hij leven.
Dat al wordt zijn leven nu afgebroken door de stenen die tegen hem aan gegooid worden,
hij zal weer opgebouwd worden, zoals Christus als afgebroken tempel herbouwd werd
in de opstanding – Pasen niet alleen voor Jezus, maar ook voor Zijn volgeling.
In uw handen beveel ik mijn geest
– het was het lied waarmee Joodse kinderen gingen slapen.
Ze vertrouwen zich toe in de handen van de Eeuwige, de Schepper.

Maak Uwe weldaan wonderbaar,
Gij, die Uw kindren wilt behoeden.
Voor ’s vijands macht en vreeslijk woeden,
En hen beschermt in ’t grootst gevaar.
Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;
Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;
Bewaar m’ als d’ appel van het oog;
Wil mij met Uwe vleuglen dekken.

In uw handen beveel ik mijn geest – al word ik afgebroken en vernietigd,
Gods werk wordt niet vernietigd, maar gaat door.
Al lijkt de kerk een slag te krijgen met de dood van deze Stefanus
die in woorden en daden zoveel voor de kerk mag betekenen:
Zijn opvolger staat al klaar.
Het is de meest onwaarschijnlijke opvolger die er is.
Het is degene in wie de haat tegen Christus oplaait, die instemt met de dood van Stefanus
En die het vonnis over Stefanus doortrekt naar andere volgelingen van Jezus.
Zij moeten ook gedood worden.
Saulus, die er bij staat, begint een vervolging van christenen zoals er nog niet was.
Zoals Stefanus gedood wordt, zo moet Christus’ gemeente vernietigd worden.
Juist hij is degene die gegrepen wordt, juist via hem werkt de Geest verder.
Hij is degene die door de Geest als opvolger van Stefanus bedoeld is.
Niet alleen voor mijzelf geldt dat ik in leven en sterven geborgen ben bij Christus,
dat geldt ook voor de kerk.
Totdat Christus terugkomt, zal er een kerk zijn, omdat Christus waakt over de kerk.
De kerk, dat is niet de gemeenschap van allemaal geweldenaars,
Voor al degenen die uit zichzelf wel even op een vijandelijk leger afstormen,
of zelf zo handig zijn, of krachtig om over een hoge muur te kunnen komen,
de kerk dat is de gemeenschap van degenen die hun kracht in Christus zoeken,
die het van Hem verwachten,
die een open hemel boven zich weten, juist als er op aarde geen uitweg meer is

Toen Jezus geboren was, kwam er een engel die het goede nieuws kwam brengen.
Hij bracht ook het licht mee: de heerlijkheid van God kwam over de herders.
Zij stonden in het licht van Gods heerlijkheid.
God kwam op aarde in al Zijn heerlijkheid en de herders mochten daar in delen,
zij werden daarin opgenomen.
Nu ziet Stefanus diezelfde heerlijkheid, niet op aarde maar in de hemel,
maar hij ziet ook dat die heerlijkheid toegankelijk is voor wie gelooft, benaderbaar,
een poort wijd open.
Stefanus wordt zelf een engel die het goede nieuws brengt aan de mensen
die hem zullen gaan doden.
Hij waarschuwt hen, maar geeft ook in zijn heengaan een getuigenis:
Reken hen deze zonde niet toe.
Hij weet, dat ook zij eens voor Christus moeten verschijnen. En dan?
Er staat wat op het spel: voor hem, Stefanus,
maar ook voor degenen die hem gaan doden.
Ook zij kunnen delen in Gods heerlijkheid, daarin opgenomen worden.
Ze kunnen het ook afwijzen, ook zijn boodschap die voor hen bedoeld is afwijzen,
zoals ze eerder steeds alle profeten hebben gedood.
Stefanus beseft dat ze die last niet kunnen dragen: Reken hen die zonde niet aan.
Zij kunnen daarmee niet voor U verschijnen. Dat kunnen ze niet.
Zou ik dat kunnen, dat gebed bidden dat Stefanus bidt,
de woorden van Jezus nasprekend die ook om vergeving bad
voor degenen die Hem aan het kruis brachten?
Kan ik die trouw opbrengen van Stefanus?
Gij wilt uw kinderen behoeden.
En tegelijkertijd, zolang we nog op aarde zijn, hoort het gebed er bij:
Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;

Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;

Bewaar m’ als d’ appel van het oog;

Wil mij met Uwe vleuglen dekken.
Amen

Preek zondagavond 28 augustus 2016

Preek zondagavond 28 augustus 2016
Mattheüs 10:16-22 en Lukas 14:25-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Succes wordt soms aan aantallen gemeten.
Het valt mij op dat als er wordt nagepraat
over een bijzondere kerkdienst of een avond voor de kerk
altijd wel een vraag naar hoeveel mensen er waren.
Dat is dat toch wel mede bepalend of zo’n bijeenkomst een succes was.
Wanneer er minder mensen komen dan verwacht,
is zo’n dienst of avond minder goed verlopen.
Elk jaar zijn er ook altijd weer gemeenteleden die vragen
hoeveel belijdeniscatechisanten er zijn.
Ik begrijp het ook wel, want je wilt als gemeentelid
dat het goed draait in de gemeente
en goed draaien in de gemeente houdt in dat er veel zijn
die met de Heere bezig zijn, die Hem zoeken.
Achter de vraag naar de aantallen zit vaak het verlangen
dat er nog meer mensen in onze eigen gemeente naar Hem op zoek gaan.
Toch is het goed om de aantallen niet bepalend te laten zijn voor het succes.
Want een groot aantal zegt nog niet alles.

Als het om aantallen gaat, is Jezus heel succesvol.
Er komen steeds meer mensen op Hem af.
Daar zou je als kerk dankbaar voor zijn,
als je merkt dat er steeds meer mensen op Jezus en op Zijn boodschap afkomen.
Maar een grote mensenmenigte die op Jezus afkomt, is nog niet direct positief nieuws.
Al zou je denken van wel.
De evangelist Lukas heeft er oog voor, dat die grote mensenmenigte een belemmering is.
Als Jezus Jericho binnenkomt, wordt Hij opgewacht door een grote menigte.
Je zou denken: mooi, zo’n enthousiast onthaal voor Jezus.
Je zou willen wij in onze eigen tijd zoveel enthousiasme voor Christus zouden merken.
Maar het is diezelfde menigte die ervoor zorgt
dat Zacheüs niets van Jezus kan zien en in de boom moet klimmen.
De kinderen hebben dat verhaal onlangs nog gehoord tijdens de VakantieBijbelWeek.

Als er dan een grote menigte met Jezus meeloopt, is Hij op Zijn hoede.
In eerste instantie komt dat merkwaardig over,
want Lukas vertelt ons net daarvoor, dat Jezus zegt
dat het huis van God helemaal vol moet zijn.
Als er dan zoveel mensen op Jezus afkomen,
dan is dat toch direct een mooie vervulling van de wens van Jezus en van Zijn Vader.
Maar hoe lopen ze daar mee in de grote stoet om Jezus heen?
Wat is hun verwachting over de weg van Jezus?
Dit zijn mensen die iets moois verwachten – een parade.
Het is net als in de sport.
Als een sporter goed presteert, dan is een heel land opeens fan
en wordt hij enthousiast onthaalt bij thuiskomst.
Dat is zo voorbij als de prestatie tegenvalt.
Dan rest er de loservlucht. Je hoort niet bij de winnaars.
De mensen met Jezus meelopen maken al een winnaar van Hem.
Ze hebben niet door dat Zijn weg naar Jeruzalem geen triomftocht is,
maar een weg van lijden, van bespot worden.
Jeruzalem, waar de hele menigte Jezus bij Pilatus brengt
en wanneer Pilatus terugdeinst roept om het kruis voor Jezus.
Heden hosanna, morgen kruisig Hem.
De mensen die met Jezus meelopen zijn meelopers
en dat is geen eretitel: meeloper.
Ze doen mee, zolang ze het zelf zien zitten
en dat is wanneer ze onderdeel kunnen zijn van het succes
zonder dat het teveel kost
– feestvieren bij een inhuldiging waarbij een ander gepresteerd heeft.

Jezus spreekt deze meelopers aan.
Hij richt zich tot hen.
De belangrijkste missie die er ooit op aarde is geweest wordt onderbroken
om deze meelopers in de ogen te kijken,
te waarschuwen
– niet zo zeer de les te lezen, maar vanuit bewogenheid om hun ziel:
Je kunt wel naar me toe komen, maar dat is niet genoeg.
Want als je alleen maar naar me toe komt, dan kun je ook weer terug
en pak je je leven weer op, zoals het was.
Dan verandert er niets in je leven, het blijft bij het oude.
Je gaat alleen naar Jezus als je Hem nodig hebt,
als Hij voor jou een probleem op moet lossen,
een probleem dat jij niet meer kunt oplossen
en waarvoor je dan maar uiteindelijk naar Jezus gaat.
Je loopt met Jezus mee, omdat het zo goed voelt.
Nee, zegt Jezus, dat is maar het halve werk, er is meer nodig.
Wie bij mij wil horen, geef je alles.
Er is geen ontsnappingsroute waarbij je terug naar de wereld kunt gaan.
Je kunt niet achter Jezus aangaan,
waarbij je nog één been in de wereld hebt staan,
om als het tegenvalt toch nog terug te gaan.

Het is een scherpe zin, die Jezus hen voorhoudt:
Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
Het is een uitspraak die gemakkelijk verkeerd uitgelegd kan worden
door een leider van een bepaalde christelijke gemeente,
Die zegt: als je bij mijn gemeente hoort, mag je geen contact meer met je familie.
Bedoelt de Heere Jezus dat ermee: dat je geen contact meer mag hebben
en ook moet breken met je familie?
Hoe zit het dan met het gebod om vader en moeder te eren?
De Nederlandse vertaling zet ons op het verkeerde been,
want haat is in onze taal een intense emotie, waarbij je iemand echt niet mag.
Dat is niet wat Jezus bedoelt:
Hij zegt niet dat we een hekel moeten krijgen aan degenen die het dichtst bij ons staan.
Als je de tekst zo op je in laat werken, lijkt het alsof je een keuze moet maken: of-of.
Maar het gaat hier niet om een competitie,
waarbij je er maar één kan kiezen, die uiteindelijk het belangrijkst is.

Het woord dat de Heere Jezus gebruikt komt ook in het Oude Testament voor.
Jakob heb ik liefgehad, maar Ezau heb ik gehaat
moet de profeet Maleachi tegen het volk Israël zeggen.
Dat houdt niet in dat God een aversie tegen Ezau had
of tegen de nakomeling van Ezau, de Edomieten.
Deze tekst betekent dat Israël in het plan van God een bijzondere rol had.
Israël is het uitverkoren volk van God.
God koos Jakob uit, de tweede zoon, de mindere
en niet de eerste, de sterkste.
Als het moet kan God zich tegen Ezau keren,
dat wordt er bedoeld wat er in het Nederlands met haat vertaald wordt.
Als het er op aan komt, staat God aan de kant van Israël
en niet aan de kant van Ezau.

Als het moet, staan we aan de kant van Christus
en niet aan de kant van onze ouders, van je man of vrouw, van je kinderen.
De band met de ouders, met man of vrouw, kinderen is een sterke band.
Een kennis van ons is gestopt met motorrijden, omdat zijn vrouw dat niet meer wilde.
Iemand gaat minder werken om meer tijd te kunnen hebben voor de kinderen.
Iemand neemt het familiebedrijf over, omdat vader dat wil.
Een gezin verandert van kerk, omdat de kinderen het daar fijner hebben.
Keuzes die je maakt vanwege die sterke band.

Die band kan ook zo sterk zijn, dat het de keuze voor Christus beïnvloed.
Dat zie ik ook hier in Oldebroek.
Op de Bijbelkringen gaat het vaak over het avondmaal.
Dan vertelt de een:
– Toen ik belijdenis deed, zei mijn moeder tegen mij: ‘Je denkt toch niet dat je nu aan het avondmaal gaat? Daar horen wij niet.’
Toen ik aan de eerste keer aan het avondmaal ging,
zei mijn vader: ‘Ik schaam me voor je.’
Ik moet dan vaak aan deze uitspraak denken:
Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
Als het er op aan komt, is er een keuze nodig,
Waarbij je niet voor de lijn van je ouders kiest, maar voor wat Christus van je vraagt.
Niet de loyaliteit aan de ouders, kinderen – ook al is die band door God gegeven.

Ook niet wat anderen doen,
niet hoeveel er mee lopen,
maar wat jij doet, waar u voor kiest.
Als je die keuze niet kunt maken, dan kun je mijn discipel niet zijn.
Een scherpe uitspraak van de Heere Jezus.
Is die uitspraak bedoelt om mensen af te schrikken?
Bedoelt Hij te zeggen: ga maar naar huis, dit is toch niets voor jou?
Dit kun jij niet?
Nee, Hij bedoelt dat je niet alleen maar naar Hem toe moet komen
en met Hem mee moet lopen,
maar achter Hem aan moet gaan.
Hij bepaalt de route. Hij bepaalt de koers.
En dat kan een weg zijn, waarop er veel van je wordt gevraagd.
Het kan zijn dat je heel je leven moet geven, alles wat je hebt.
Als je dat niet kunt, kun je geen discipel zijn.
Geen halfheid, waarbij je afhaakt als er teveel van je wordt gevraagd
en nog terug naar huis kunt.

De weg van achter Jezus aan, is geen triomftocht,

waarbij je een groots onthaal krijgt en applaus van je medestanders,
Bemoedigende schouderklopjes krijgt en bewondering voor wat je doet.
Integendeel, het is een weg waarop een kruis op je schouders wordt gelegd,
dat kruis dat je moet dragen.
Zoals Christus het vertelt hier gaat om een kruis dat elke dag weer opnieuw
op je schouders wordt gelegd.
Op deze weg is daar geen ontkomen aan.
Dit dragen van het kruis achter Jezus aan, heeft een dubbele betekenis:
Het staat voor de spot die je ondervindt,
zoals Jezus werd bespot toen Hij aan het kruis hing.
Het dragen van het kruis kan ook inhouden,
dat je ook net als Jezus moet sterven – sterven voor je geloof,
sterven omdat je bij Christus hoort.
Heeft u dat wel eens gerealiseerd, dat dit ook eens van u gevraagd kan worden?
Christenvervolging is voor ons vaak iets uit een ander land: verder weg.
Maar als u voor de keuze staat: wat doet u dan?
Bent u dan in staat om tot het einde toe trouw te zijn?
Het gaat mij er niet om om paniek te zaaien, alsof hier binnen enkele jaren
een vervolging kan losbreken, omdat een islamitische stroming de macht heeft,
of dat we in een klimaat komen, waarbij het geloof steeds minder ruimte krijgt,
omdat we een overheid hebben, die fel tegen godsdienst is.
Het gaat er mij om, wat als het overkomt.
Bent u dan zo’n meeloper, die dan zegt: het was een mooie tijd,
maar het is voor mij nu tijd om af te haken? Dit doe ik niet? Dit kost mij te veel!
Als je zo rekent, maak je een verkeerde berekening.
De Heere Jezus vertelt twee voorbeelden van iemand die een inschatting maakt.
Als je iets wil bouwen, bereken je of je er geld genoeg voor hebt.

Stel je voor, dat je dat niet zou doen en zo maar begint.
Je graaft de grond weg en legt een fundament voor een huis,
maar dan blijkt het geld op te zijn en jarenlang ligt er alleen een fundament
terwijl het huis nooit gebouwd wordt,
je wordt door iedereen uitgelachen.
Het lijkt dan heel bijzonder: nou, hij gaat een huis bouwen.
Nou, hoeveel grappen zullen er niet gemaakt worden, als het huis er niet komt.
Vergeten een berekening te maken.
Je begint aan iets groots, maar uiteindelijk keert het zich tegen je.

Een koning die een oorlog voert
tegen een tegenstander die sterker is en beter getraind.
Die koning gaat alleen de strijd aan als hij weet dat hij kan winnen.
Je denkt vooruit, om na  te gaan wat de consequenties zijn.

Wat zijn de consequenties als je naar Jezus toekomt?
Het gaat er niet om dat je heel berekenend wordt, maar dat je alle feiten meeweegt.
Je kunt de berekening maken, dat het teveel kost
en dat je er daarom maar niet aan begint.
Je loopt even mee, maar als er meer gevraagd wordt, dan hoeft het niet meer.
Dan heb je vergeten de berekening te maken.
Op de begroting ontbreekt een belangrijke post,
namelijk de post van wat Christus heeft verdiend toen Hij in Jeruzalem was
aan het einde van Zijn lijdensweg, de weg waarop Hij het kruis droeg
en naar het kruis ging.
Je moet niet alleen tellen wat je te lijden hebt,
Je moet niet alleen tellen wat je opoffert, in moet leveren.
Ook als het gaat om je familie: je ouders, je man, je vrouw, je kinderen, jezelf
moet je wel de juiste berekening maken en alles meetellen.
Je moet Gods zorg voor hen meetellen,
Dat als het voor hen moeilijk wordt, omdat je achter Christus bent aangegaan
dat God zelf voor hen zorgt en niet van jouw zorg afhankelijk is.
God zal voorzien – is een van de namen van onze God en daar mogen we mee rekenen.
Je moet meetellen dat dit leven niet het enige is,
maar een leven komt.
Moest de Christus niet lijden en zo de heerlijkheid ingaan?
Wie achter Jezus aangaat, mag weten dat deze beloning er is,
die Christus daar op die heuvel buiten Jeruzalem.
Wie achter Hem aangaat, hoeft niet te rekenen of berekenend in het leven te staan,
Maar ontvangt door alles te wagen nog veel meer dan verwacht: Gods beloning.
Amen

Preek zondagmiddag 31 januari 2016

Preek zondagmiddag 31 januari 2016

Lukas 12:1-12

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat zijn heftige woorden, die we net met elkaar gezongen hebben:

Delf vrouw en kind’ren ’t graf,
neem goed en bloed ons af.

Er zijn mensen die deze woorden niet kunnen zingen,
misschien u wel.
Hebben ze geen gelijk, die bij deze woorden hun mond dicht houden?
Want hoe kunnen wij dit nu zingen:
dat ons alles afgenomen kan worden,
ook degenen met wie we hartstochtelijk verbonden zijn.
Als deze woorden overkomen als grootspraak
– Neem ons alles af; buigen zullen we toch niet! –
kan ik me voorstellen dat er mensen zwijgen.
Dit heeft iets van het uitdagen van de boze.

Het 3e couplet, minder bekend, maakt het niet gemakkelijker:

En grimd’ ook d’ open hel ons aan
met al haar duizendtallen,
toch zal geen vrees ons nederslaan,
toch doen wij ’t krijgslied schallen.

Als kind kon ik deze stoere tekst uit volle borst meezingen,
maar nu ben ik altijd dankbaar dat het van mij, van ons niet wordt gevraagd.
Ik weet niet wat er van mijn getuigenis over zou blijven
als aan mij de keuze voorgehouden worden:
kies voor Jezus of kies voor je vrouw en kinderen.
Een keuze die christenen elders, bijvoorbeeld in het Midden-Oosten, wel moeten maken.
Hoe zou u dat dan doen?
We kunnen ons het niet indenken,
maar stel dat u voor deze keuze gesteld zou worden,
zou u dan nog naar de kerk gaan?
Zou u Jezus dan nog als Heer belijden?
Of gelooft u omdat er nu niet zoveel van u wordt gevraagd
en het dienen van de Heere voor u, voor jou niet zoveel consequenties heeft?

Daar waarschuwt de Heere Jezus juist voor:
voor een geloof dat niet bereid is om de gevolgen van de weg van Jezus te dragen,
voor een geloof dat niet bereid is om – achter Jezus aan – het kruis op zich te nemen.
Voor een geloof dat, als er volledige inzet gevraagd wordt, het erbij laat zitten
en zegt: voor mij hoeft het niet meer.
Vorige week was de kritiek op de Heere Jezus, onder andere van Johannes de Doper
dat het wel erg makkelijk gaat.
Dat geloven bij Hem geen consequenties heeft.
Hier kunnen we duidelijk zien, dat Johannes nog niet alles wist over Jezus,
want hier roept Jezus op, om alles te geven: totale inzet.
Ook als het je leven kost.
Dan moet je niet terugdeinzen.

Dat is wat Hij juist de farizeeën verwijt.
Voor het oog lijkt het erop dat zij bereid zijn om een groot offer te brengen voor hun geloof.
Hun dagelijks leven was door geloof gestempeld.
Ze stonden zichzelf minder toe dan de andere Joden.
Op de sabbat bleven ze dicht bij huis,
de afstand tot de synagoge- dat kon nog wel, maar verder niet.
Ze hadden een heel systeem van geboden en regels
en als ze die in praktijk brachten, konden ze zo heilig mogelijk leven.
De Heere Jezus is niet tegen die regels als zodanig.
Het is bij Hem geen vrijheid-blijheid.
Zeker als die regels u helpen om God te dienen,
om heilig te dienen moet u die regels ook handhaven.
Waar de Heere Jezus voor waarschuwt is een geheel aan regels,
die het bij de mensen goed doen,
Waardoor je aan de mensen kunt laten zien,
wat je er allemaal voor over hebt voor je geloof,
wat het je allemaal wel niet mag kosten.
Terwijl het je eigenlijk weinig kost.
Je hebt nog de regie over je eigen leven.
Je kunt zelf bepalen wat je inzet is.

Huichelarij noemt de Heere Jezus dat.
Huichelarij is een woord uit de wereld van de toneel.
Dat had Hij ook kunnen zeggen over de farizeeën:
Jullie zijn toneelspelers.
Wat je laat zien, dat ben je niet zelf.
Wat de mensen van je zien, dat is niet echt.
Dat is een masker.
Een hypocriet is iemand die aan masker draagt vanwege zijn rol.
Zo zijn de farizeeën in de tijd van Jezus.
Het is gevaarlijk om dat huichelen alleen maar bij de farizeeën te laten,
alsof alleen zij dat gevaar liepen om te huichelen.
Om jezelf niet echt te laten zien, je hart verborgen te houden.
Nee, de Heere Jezus waarschuwt Zijn leerlingen er heel nadrukkelijk voor.
Ook Zijn eigen leerlingen kunnen het gevaar lopen om toneelspeler te worden.
Het is zelfs een zuurdeeg:
Deze huichelarij kan overal in gaan zitten, je helemaal doortrekken:
je gedachten, je doen en laten, je gebeden, je kerkgang.
Je gaat naar anderen kijken:
Zien ze welk offer ik breng voor de goede zaak, wat ik allemaal doe?
Als ik mij houd aan de regels, mag ik op anderen neerkijken.
Als ik op zondag naar de kerk ga, ook naar de tweede dienst,
ook als het mooi weer is, doe ik al genoeg
en hoef ik niets te doen aan al die armoede die er in de wereld is.
Als ik genoeg aan de zending en evangelisatie geef,
hoef ik niet zelf met mijn eigen kinderen en kleinkinderen, met mijn buren en vrienden
iets te delen van wat er in mijn hart leeft,
van dat verlangen dat in mijn hart leeft, dat iedereen Christus zal vinden.
Een zuurdeeg van huichelarij.
Dat gaat overal in zitten
en het kan onze beste daden die we voor Gods koninkrijk willen doen besmetten.

Wat is daar nu erg aan?
Waarom die scherpe waarschuwing aan de discipelen –  en daarmee ook aan ons?
(1) Je maakt de verkeerde berekening en (2) je verloochent God
en dat heeft met elkaar te maken.

Allereerst: je maakt de verkeerde berekening:
Je kijkt alleen maar naar het leven hier op aarde.
En dat is een berekening op korte termijn.
Voor het oog lijkt het een slimme zet, die je veel oplevert.
Als je jezelf strikte regels oplegt, kan dat bewondering van anderen opleveren.
Je wordt gezien.
Je wordt ingeschat als een principieel persoon.
En als ze er toch geringschattend over doen, kun je het jezelf voorhouden
dat je het niet zomaar hebt gedaan, maar voor God.
Waar de Heere Jezus hier op doelt,
is dat die strikte levenswandel een manier is om aan het kruis dragen te ontkomen.
Je leeft strikt.
Je hebt duidelijke opvattingen over wat zondag wel mag en niet mag.
Duidelijke opvattingen over welke woorden je wel mag zeggen en welke niet.
Nogmaals: niets mis met een strikte levenswandel.
Ik denk dat de Heere Jezus ook met pijn in zijn hart de farizeeën
als verkeerd voorbeeld moet aanhalen,
want in hun intens verlangen om God te dienen met heel hun bestaan,
met hart en ziel, met hun lichaam en gedachten, staan ze heel dicht bij Jezus.

Maar ze zijn niet bereid om het offer te brengen –  het grote gebaar.
Ze zijn niet bereid om getuige te zijn,
niet bereid om hun leven te geven als het er op aankomt.
Als blijkt dat het gevolgen heeft voor je gezin, voor de sfeer thuis,
als het gevolgen heeft voor vriendschappen, als het gevolgen heeft voor je werk,
dan doe ik het maar niet.
Dan bouw ik een schijnleven op, waardoor de mensen niet zien
wat er werkelijk in mij leeft, waar mijn hart voor brandt.
Ik probeer te peilen welke kritiek de Heere Jezus op de farizeeën heeft
en dan niet zozeer om te kijken wat die groep verkeerd deed,
maar op welke manier die waarschuwing voor ons geldt.
Ik denk dat de Heere Jezus het de farizeeën ook kwalijk neemt,
dat zij kunnen leven in een zondige samenleving.
Eigenlijk is dat een heel tegenstrijdige kritiek,
want de farizeeën proberen heilig te leven
en konden daarom overhoop liggen met de Romeinse overheid.
Maar ze waren er meester in om te schikken.
Als ze maar een bepaalde ruimte kregen voor hun eigen geloof,
als ze niet teveel in de weg werd gelegd konden ze het aardig uithouden.
De Heere Jezus houdt voor dat dit een verkeerde berekening is.
Een berekening op korte termijn: je behoudt je leven,
maar je ziel lijdt schade – zoals Hij dat ergens anders kan aangeven.

De basis van huichelen, zo begrijp ik de Heere Jezus, is angst:
angst voor de mensen. – vrees voor mensen,
die je heel wat aan kunnen doen.
Je van alles kunnen afnemen als ze macht hebben:
Je baan, je gezondheid, je man of vrouw, je kinderen.
Angst voor mensen, vrees dat ze veel van je zullen vragen, omdat je gelooft.
Je vrouw en je kinderen, je huis, je baan, je goede naam, je leven.
Omdat te beschermen, verberg je je, zodat ze je niet doorhebben.
Er wordt moed gevraagd.
Moed om te belijden dat Jezus jouw Heer is en ook Koning over deze wereld,
om te belijden dat niet degenen die het hier voor het zeggen hebben
de macht hebben, maar de Koning in de hemel.

Moed om tegen de stroom in te gaan.
Je gaat niet in alles mee, omdat er een grens is bereikt
voor wat je met jouw geweten nog aankan.
Jaren terug haalde een Amerikaanse afdeling van het Leger des heils het nieuws
omdat ze een groot bedrag weigerden,
omdat dit geld door middel van de loterij verkregen werd.
De reden: als we strijden tegen verslaving, kunnen we geen geld aannemen
waarbij mensen verleid worden om verslaafd te raken aan gokken.
Geen huichelarij.
Wat er in je hart leeft, komt ook naar buiten in je daden.
Je bent in je daden geen ander dan je van binnen bent.

Schipperen heeft dus een gevaar in zich,
dat je het getuigenis met je mond en met je daden erbij laat zitten.
En dat is de tweede reden, waarom Jezus waarschuwt voor deze vorm van huichelarij.
Je verloochent God.
Je hebt niet door dat je vrees voor mensen sterker is dan de vreze des Heeren.
Je hebt ontzag voor mensen, terwijl je alleen maar ontzag voor God moet hebben.
Want niemand kan tegen God op.
Die angst voor mensen is begrijpelijk: dat zie je, dat maak je mee,
daar heb je mee te maken.
En God is onzichtbaar, meer op een afstand.
Je hebt niet door, wat het leven met God meebrengt.
Op aarde kan het een weg van het kruis zijn,
waarbij je veel moet inleveren, een weg van pijn en vernedering.
Er zijn inderdaad christenen op deze wereld,
die hun vrouw, die hun kinderen zijn kwijtgeraakt,
die zelf jarenlang opgesloten zaten, die zelfs het leven er bij moesten laten.

Een interview met Maryam (27), moeder van een kind van 2:

Waarom denk je dat God toestond dat dit met je man gebeurde?
“God koos mijn man uit om een boodschap te geven aan iedereen die God verlaten heeft om bij Hem terug te komen. We zijn blij en dankbaar dat Jezus naar de aarde kwam om gekruisigd te worden voor onze zonden. Op dezelfde manier zijn we verblijd dat deze mannen hun leven hebben prijsgegeven voor Jezus.”

Wat hebben deze gebeurtenissen betekend voor je persoonlijke geloof?
“Het heeft mijn geloof sterker gemaakt. Het heeft mij bemoedigd om voor niets en niemand bang te zijn. En het heeft me sterker gemaakt in de wetenschap dat God altijd bij ons is.”

Ik denk dat het voor veel mensen moeilijk zal zijn om dit te begrijpen. Ze verwachten tranen en verdriet. Waarom overheerst dat niet?
“Dat komt omdat God een God van troost, ontferming en liefde is. We moeten niet om hen huilen, maar om onszelf. Zij zijn bij Christus, waar het veel beter is.”

Wat wil je zeggen tegen christenen in het westen?
“We zijn niet boos op de strijders van IS. We bidden dat God hun harten en ogen zal openen om Zijn glorie te zien.”
(Bron: SDOK)

Wees daar niet bang voor. Een ongelooflijke opdracht! Hoe zouden wij die kracht kunnen opbrengen?

Je moet er in gesterkt worden.
Daarom de Heilige Geest: Hij zal je sterken.
De Heilige Geest
Jezus spreekt zijn leerlingen aan als vrienden
en dat doet Hij niet voor niets.
Vriend – dat betekent dat je onder de bescherming van de ander staat.
Mijn vrienden, zegt Jezus, jullie staan onder Mijn persoonlijke bescherming.
God vergeet je niet: zoals Hij geen musje vergeet, zo zal Hij jou niet uit het oog verliezen.
Ze kunnen wel je lichaam doden.
Maar niet je ziel, niet wie je diep van binnen bent: mijn kind.
God is een toevlucht voor de Zijnen
Dat kunnen ze niet van je afpakken.
Daarom: Het brengt u geen gewin.

Dat lied – Een vaste burcht – moeten we niet zingen als grootspraak,
Waarbij we onze tegenstander uitdagen.
Maar als een lied dat ons helpt
om de moed te vinden bij Christus,
een lied dat ons helpt in te zien, dat als Christus aan onze kant staat,
we er uiteindelijk beter van afkomen
ook als wij de weg van het kruis gaan, als ons lichaam wordt gedood.

Moed om te belijden.
De kracht van de Heilige Geest geeft je een innerlijke vrijheid.
De vreze voor God bevrijdt je van de angst voor anderen.
Als er thuis niet meer over gesproken kan worden, omdat het anders ruzie oplevert.
Je gaat dan ook niet de discussie meer aan,
maar je hebt moed om op een andere manier het geloof aan de orde te stellen,
waarbij er in je hart gekeken kan worden
en geproefd kan worden wat je diepste verlangen is,
waar je voor leeft, wie je werkelijk wil dienen: Christus.
Dat levert je veel meer op dan wat je op deze wereld kunt bereiken.
Je hoeft dan niet bang te zijn dat je geen woorden weet te vinden.
De Heilige Geest geeft u de juiste woorden.

Als God iets van ons vraagt, geeft Hij ook de kracht om die opdracht te vervullen.
Als Hij wil dat wij getuige zijn, getuige worden,
Geeft Hij ons de Heilige Geest
Amen

Bid voor wie jullie vervolgen

Bid voor wie jullie vervolgen
Het verhaal van Yassir en Zakkariya

‘Twee van de belangrijkste uitspraken van Jezus over vervolging, een thematiek die in de hedendaagse ethiek verwaarloosd wordt, vinden zij in de Bergrede uit Mattheüs en in de Veldrede uit Lukas: En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen (Mattheüs 5:44) en Zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen (Lukas 6:28).
Paulus heeft beide uitspraken van Jezus gekend, zoals Romeinen 12:14 laat zien: Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet.

Helaas waren christenen maar al te vaak niet bedacht op deze aanwijzingen van Jezus. Het is absoluut nodig om de donkere bladzijden uit de kerkgeschiedenis niet te verdoezelen of goed te praten.

De kerkgeschiedenis laat echter ook zien dat vele christenen net als Paulus de aanwijzingen van Jezus gehoorzaam gebleven zijn. Tot op de dag vandaag volgen veel gelovigen bijvoorbeeld uit de Arabische gebieden deze aanwijzingen op.
Het volgende levensgetuigenis heb ik van de betroffene zelf gehoord:

Yassir was afkomstig uit Khartoum (Sudan) en was als scholier reeds een fanatieke islamist. De beste cijfers werden in zijn klas echter behaald door Zakkariya, een christen. Yassir en 5 anderen besloten met Zakkariya te doen wat zij beschouwden als de wil van Allah. Zij wachtten hem ’s nachts op en sloegen hem in elkaar en lieten hem in zijn bloed liggen. Jaren later werd Yassir zelf christen. Zijn familie had hem verstoten en hij moest uit Sudan wegvluchten. Enige tijd geleden sprak hij bij een predikantenconferentie in Caïro. Na de toespraak kwam er een predikant naar hem toe en begon te huilen.
Yassir vroeg hem: ‘Waarom huilt u?’
De predikant vroeg hem: ‘Herken je mij niet?’
‘Nee,’ antwoordde Yassir, ‘we hebben elkaar nog nooit ontmoet.’
‘Ik ben Zakkariya!’
De belangrijkste reden om te huilen was echter niet het hem aangedane geweld. Er was een andere reden. Zakkariya liet Yassir zijn Bijbel zien. Op de eerste bladzijde stonden de namen van degenen voor wie hij regelmatig bad. Helemaal boven aan de lijst stond de naam van Yassir. Zoals Jezus het aan zijn leerlingen had geleerd: En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. (Mattheüs 5:44-45)’

Uit: Rainer Riesner, ‘Jesus, Paulus und wir’, Theologische Beiträge 45/1 (2014) 6-15. Vertaalde tekst op bladzijde 14.