Preek biddag 2019 avonddienst

Preek biddag 2019 avonddienst
Lukas 18:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen twee verhalen van de Heere Jezus, waarin Hij aangeeft
dat bidden voor ons niet makkelijk is.
Het eerste verhaal dat onze Heere vertelt heeft een speciale groep mensen op het oog,
namelijk de mensen die gestopt zijn met bidden
en in het tweede verhaal komt een man voor, wel bidt,
maar dat met zo’n grote aarzeling doet, dat je proeft: komt mijn gebed wel in de hemel aan?
Bidden is niet makkelijk, dat is wat Jezus bij Zijn volgelingen tegenkomt.
Wat de overeenkomst is in de beide verhalen, is de stilte die volgt op het gebed.
Je spreekt je gebed uit naar God toe, je brengt bij Hem wat er in je hart leeft,

maar van de andere kant komt er geen reactie.
Je gaat ervan uit dat je gebed bij God in de hemel aankomt,
want je gelooft dat God je hoort als je bidt.
En er kunnen ook momenten zijn, dat je ervaart dat je gebed bij de Heere aankomt,
Dat je tijdens het bidden merkt dat je bij Hem bent, dat Hij heel dichtbij is.
Dan heb je geen stilte of dan is de stilte om je heen de manier waarop God tot je komt.
Of je ontdekt enige tijd later dat de Heere je gebed verhoord heeft.
Dat zijn tijden, waarin je verbaast opkijkt als iemand zegt dat bidden niet makkelijk is.
Jouw ervaring is op dat moment heel anders.
Onze Heere kent ons echter goed genoeg om te weten
dat zulke momenten waarop je in je gebed heel dicht bij Hem bent vaak maar tijdelijk zijn.
Wat Hij meer tegenkomt, is dat Zijn volgelingen worstelen met gebed.

Dat moet voor Hem zelf een vreemde ervaring zijn geweest,
dat het bidden voor Zijn volgelingen niet zo eenvoudig is geweest.
De evangelist Lukas, die ons deze twee verhalen van onze Heer aan ons vertelt,
laat steeds zien hoe de Heere Jezus zich afzondert om te bidden,
om het contact met Zijn Vader in de hemel te zoeken,
om Zijn leven in de hand van Zijn Vader te leggen.
Hij komt aan bij Zijn Vader: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Dan treft Hij bij Zijn leerlingen moeite met bidden aan en meer dan moeite:
want Hij merkt dat Zijn leerlingen vaak het bidden opgeven,
niet meer doen, omdat ze er geen verwachting meer van hebben.
Ze hebben het een aantal keer geprobeerd, maar het hielp niets.
In de stilte die volgde op hun gebed volgde niet de stem van God,
maar een irritante stem, die je het zwijgen zou willen opleggen,
omdat die stem het geloof en vertrouwen ondermijnde: Waar blijft God?
Het is de vraag van Psalm 42: Waar is dan je God?
En als je die vraag steeds hoort tijdens je gebed of in de stilte na je gebed
dan kan het op een gegeven moment je eigen vraag worden: Waar is mijn God dan?
Als die vraag sterker en sterker wordt, dan ga je je afvragen wat de zin van bidden nog is
en je gaat het nalaten. Je laat het erbij.
Bidden is noodzakelijk, zegt Jezus met dat eerste verhaal:
Noodzakelijk voor onszelf en ook voor God.
Niet dat God afhankelijk is van ons gebed en Hij niets meer doet als wij stoppen met bidden.
Op de een of andere manier is ons gebed een onderdeel van Gods plan met deze wereld.
Als wij stoppen met bidden, valt er een cruciale schakel van ons gebed weg.
Daarmee hoeft het werk van God niet stil te vallen.
Hij kan andere wegen vinden om Zijn werk hier in deze wereld ten uitvoer te brengen.
Ons gebed kan niet gemist worden en daarom kan de Heere Jezus het er niet bij laten
als wij het bidden opgeven.
Daarom vertelt Hij een verhaal, om ons zover te krijgen dat we het bidden weer oppakken
en dat als we het bidden weer hebben opgepakt vol blijven houden met bidden
en niet meer denken dat de stilte die op ons bidden volgt Zijn afwezigheid is,
maar dat de stilte die volgt op ons bidden de tijd aangeeft waarin God werkzaam is.

Het is een verhaal over een onverschillige rechter, die zich nergens van aantrekt.
Van God niet en van de mensen om zich heen niet.
Een onverschillige man, een koud hart.
Juist die onverschilligheid en zijn koude hart brengen hem veel.
Want als hij een beslissing neemt, dan weet hij dat er niemand komt,
die verhaal komt halen, want ze weten allemaal dat het geen zin heeft
om met hem in gesprek te gaan, om een klacht bij hem in te dienen.
Hij komt nooit op zijn standpunt terug.
Op een keer krijgt hij een zaak onder zijn hoede van een weduwvrouw.
Haar man is gestorven en ze is kwetsbaar in financieel en maatschappelijk opzicht.
Ze heeft niemand die in haar levensonderhoud voorziet en niemand die voor haar opkomt.
Ze staat er helemaal alleen voor.
Wellicht heeft de zaak ook met het geld of het land van haar man te maken
en is dat van haar afgenomen.
Misschien hebben ze haar zoon weggehaald en staat ze nu helemaal alleen op de wereld.
In ieder geval is ze oneerlijk behandeld en is ze gedupeerd.
Ze kaart het bij deze rechter aan, maar de rechter heeft geen zin om haar gelijk te geven.
Hij denkt er mooi vanaf te zijn.
Hij heeft immers een reputatie opgebouwd een hardvochtig en onbuigzaam man te zijn.
Iemand die nooit toegeeft, nooit een knieval maakt, nooit zijn fouten erkent.
Maar dan kent hij deze vrouw nog niet.
Bij elke rechtszaak is ze aanwezig.
En bij elke rechtszaak gilt ze boven alle andere aanwezigen uit,
zodat hij ‘s nachts over haar gaat dromen en elke keer als hij een rechtszaak heeft
en het publiek nadrukkelijk aanwezig is en instemming of afkeur laat horen
hoort hij boven al het andere geschreeuw nog haar stem.
Voordat hij aan een rechtszaak begint, staat ze hem op te wachten.
Ze volgt hem als hij klaar is met zijn rechtszaak.
Hoe meer hij wil negeren, hoe luidruchtiger en aanweziger zij is.
Hoe meer hij haar uit de weg wil gaan, hoe meer ze zich aan hem opdringt.
Hoe meer hij haar van zich af wil duwen, hoe agressiever ze wordt.
Hij merkt dat hij, die voor niemand, zelfs voor God niet bang is, bang wordt voor haar.
Hij is bang geworden voor haar emotie, haar boosheid, die zich steeds agressiever toont,
boosheid die voortkomt uit de grove schending van haar recht.
De vrouw vliegt hem nog een keer aan en zal hem helemaal in elkaar slaan.
En hij merkt dat hij zijn reputatie begint kwijt te raken,
zijn reputatie als hardvochtige man, die zich nergens druk om maakt,
omdat de omstanders zien dat hij niet opgewassen is tegen deze vrouw.
Er komen barsten in zijn reputatie en hij merkt dat de mensen hem minder serieus nemen
En niet meer zo bang zijn als eerst voor hem
en dat de manier hoe hij met deze vrouw omgaat zich tegen hem gaat keren.
Hij kan haar beter gelijk geven en of ze gelijk heeft dat maakt niet uit.
Alleen dan is hij van haar af.

Als zo’n man al overstag gaat, die zijn hele bestaan baseerde op onverschilligheid,
niet luisteren naar de werkelijke nood.
Als zo’n man al gaat luisteren en gaat helpen,
dan moet de hemelse Vader dat toch helemaal doen?
Want onze hemelse Vader is totaal anders – radicaal anders, helemaal het tegenovergesteld:
Onze hemelse Vader is niet hardvochtig en onverschillig.
Hij stopt Zijn oren niet voor ons roepen en loopt niet weg als we voor Hem verschijnen.
Hij slaat de deur niet met een klap dicht als we aankloppen.
Dit is Gods karakter, zo is God ten diepste, dat Hij geen bidder laat staan.

Maar waarom dan ophouden met bidden?
Omdat we niet zien dat God iets voor ons doet.
Omdat we niet merken dat God ons hoort en verhoort.
Je bidt voor de christenen in Noord-Korea en je blijft alleen maar verhalen horen
hoe moeilijk het is om christen te zijn
en al jaren staat dit land op nummer 1 van de ranglijst van christenvervolging.
Je bidt voor Noord-Korea, maar het blijft stil na je gebed
En na een tijd begin je die stem te horen: Waar is je God?
Je bidt al jaren voor vrede in Jemen, de burgeroorlog begon al 4 jaar geleden
en al enkele jaren geleden was de situatie voor de mensen daar echt schrijnend
En de oorlog gaat maar door, zonder aandacht voor de mensen daar.
De beelden van uitgehongerde kinderen en volwassenen blijven maar komen.
Je bidt dat er vrede mag komen, de wapens zullen zwijgen, de mensen worden geholpen
en je bidt en je bidt en het blijft stil, op die stem na die je hoort: Waarom?
Waarom doet God er niets aan?
Is dat zo? Doet God er niets aan?
We geloven toch dat Hij eens terugkomt om te oordelen de levenden en de doden?
Als Jezus ons opdraagt om niet te stoppen met bidden,
bedoelt Hij hier allereerst het bidden dat Gods koninkrijk komt,
de Zoon des mensen die komen zal om met spoed recht te verschaffen,
Zegt Jezus na het eerste verhaal.
Doet God niets? Vandaag kwam ik een bericht tegen over Jemen:
Daarin stond dat christenen in Jemen het niet makkelijk hebben
en dat er toch, desondanks, in die moeilijke jaren moslims hun geloof vaarwel zeggen
omdat ze Jezus hebben leren kennen.
De schatting is 5.000-10.000.
Ze kunnen niet bij elkaar komen als gemeente, maar hebben via social media contact.
Doet God niets? Waar is dan je God?
En dat er nog steeds christenen zijn in Noord-Korea en dat ze het volhouden in de kampen:
Doet God niets? Waar God is?
Alleen daarom al is ons gebed nodig, om hen niet in de steek te laten.
Wij voor wie het bidden niet makkelijk is, omdat we de stilte van God ervaren
als een beklemming, als afwezigheid, als God die deze wereld heeft losgelaten.
Als dat zo zou zijn, dan horen we als christenen niet het bidden op te geven, zegt Jezus,
maar dan moeten we met elkaar naar God gaan, om te roepen, net als die weduwe
roepen en roepen en roepen, God steeds voor de voeten lopen, op het oneerbiedige af.
Het is niet oneerbiedig – het is God aan Zijn woord houden: U hebt het beloofd.

Er is nog een reden, waarom bidden niet eenvoudig is.
Dat is het tweede verhaal.
Dat gaat over een andere stem die je tijdens of na je gebed kunt horen
En als je die stem vaak hoort, kun je ook je gebed opgeven, stoppen met bidden.
Het is een stem, waardoor je op afstand blijft staan,
omdat de stem tegen je zegt: Dit mag je niet doen. Je mag hier niet komen.
Je kunt de stem niet onderscheiden: Is het de duivel, die je tegenhoudt om te komen
of is het God zelf, die je wil laten weten wat er mis is in je leven.
Is het bidden wat die tollenaar doet?
Eerder een soort mompelen, als iemand die zijn excuus moet aanbieden
omdat hij iets verkeerd heeft gedaan maar de ander niet recht in het gezicht durft te kijken.
Hij kijkt bij God weg.
Hij is hier wel, maar blijft zover mogelijk op een afstand staan.
Wel een soort verlangen om te komen, maar tegelijkertijd een drempel.
Toen hij nog thuis was en nog niet zo dicht bij God, dacht hij dat hij wel kon gaan,
als de verloren zoon, die wist dat het bij de vader beter was dan in dat verre land.
Hij trekt de stoute schoenen aan, maar hoe dichter hij bij God komt,
Hoe meer schroom, hoe meer besef dat hij er zoveel aan verkeerd heeft gedaan.
Wat hij wilde bidden, lukt niet meer, alleen maar een verzuchting:
Als ik straks voor Uw troon kom te staan, heilige God, dan kan ik daar niet staan.
Ik kan niet voor U verschijnen, omdat U mij wel moet veroordelen, voor eeuwig verloren.
Ik kan alleen maar bidden: Heer, doe het niet.
Laat er genade voor mij zijn.
Hij zal de volgende keer, als hij weer het verlangen in zich voelt om naar God te gaan,
tegen zichzelf zeggen: ga maar niet, daar hoor je niet.
Hij zal thuisblijven en zich schamen dat hij toen wel ging.
Hoe kon ik dat in mijn hoofd halen?
Bijzonder dat juist de tollenaar als hij in de tempel komt, tot een ander inzicht komt,
een appèl doet op Gods barmhartigheid: Heer, hier ben ik.
Ik weet zelf eigenlijk niet wat ik hier doe. Ik ben hier zomaar verzeild geraakt.
Ik leg mijn leven in Uw hand, wat U beslist is goed.
Maar, Heer, stuur mij niet weg, ondanks mijn zonden.
Opvallend trouwens in deze gelijkenis: de man die wel kan bidden,
omdat hij weet wat bidden is – althans dat denkt hij – hij blijft dezelfde, onveranderd.
De man die niet bidden kan, wordt veranderd.
Beiden komen ze in de eredienst: de een blijft dezelfde, komt onaangedaan thuis
de ander komt, haast tot zijn eigen verrassing, verdwaald in de tempel,
zoals je dat wel kunt hebben: je zit opeens in de kerk, opeens lees je in de Bijbel, bid je.
Voor beiden komt de stilte na hun gebed.
De man die weet hoe het geloof werkt, die zich daaraan overgeeft
hoort in de stilte een schouderklopje van God: Goed gedaan, mijn zoon.
De man die komt met zijn schuld, durft niet te horen wat het antwoord van God is.
Hij zou er niet raar van opkijken als God tegen hem uitvaart en zegt: Ga weg jij, zondaar!
Ze hebben geen van beiden gelijk.
Bidden is niet jezelf etaleren voor God, niet jezelf verheffen boven een ander.
Bidden is ook niet de schuld die op je leven ligt nog eens bevestigd horen door God.

Nee, bidden is niet makkelijk. Je zit gauw mis en je geeft gauw op.
Maar het is Jezus zelf, die onze moeite met bidden aankaart,
zodat we er ook vanaf komen en vandaag en morgen en heel ons leven kunnen bidden.
Amen

Preek Biddag 2019 – Wat vraag je?

Preek Biddag 2019 – Wat vraag je?
1 Koningen 3:1-15
Samen met een deel van de kinderen van CNS De Regenboog

Salomo is net koning geworden.
Misschien is dat ook wel jouw droom: om eens koning of koningin te zijn.
Je mag dan altijd mooie kleren aan: een mooie jurk, of een mooie uniform met een mantel.
Je woont in een paleis en je hebt altijd lekker eten.
Je hebt mensen om je heen die eten voor je klaar maken, je bedienen, alles opruimen.
Je kunt opdrachten geven en jouw bevelen worden opgevolgd. Jij bent de baas!

Salomo is net koning geworden, maar hij vindt het niet makkelijk.
Stel dat jij de baas bent in de klas of bij jou thuis.
Dan zie je in de gang dat iemand de ander een pootje haakt.
Je zegt er wat van, maar hij zegt: de ander begon.
Maar dat heb je niet gezien. Hoe neem je een eerlijke beslissing?
Of je zus wil een eigen kamer in huis
en dat betekent dat je broertje bij jou op de kamer moet.
Je moet een beslissing nemen en in alle gevallen is er iemand boos.
Je kunt niet zeggen: zoek het maar uit.
Daarom vond Salomo het ook moeilijk om koning te zijn.
Want hij moest veel moeilijke beslissingen nemen.
Hij wilde een paleis voor zichzelf bouwen,
maar dat betekent dat de tempel later gebouwd zou gaan worden.
Moest hij eerst de tempel bouwen en dan pas zijn eigen paleis?
En als koning maakt het uit met wie je trouwt.
Je trouwt niet met iemand van wie je houdt,
maar je trouwt met iemand om met een land een goede band te krijgen.
Daarom trouwt Salomo met een Egyptische prinses,
niet eens omdat hij van haar houdt, maar omdat het handig is
om goed bevriend te zijn met de machtige farao van Egypte.
De mensen zijn eigen land zullen trouwens vreemd opgekeken hebben:
trouwen met een Egyptische – is Salomo vergeten dat ze daar slaaf zijn geweest?
Als hij niet trouwt met die Egyptische prinses kan hij in oorlog raken met Egypte,
maar als hij wel trouwt met haar zullen zijn eigen mensen boos zijn.
Als koning moet je beslissing nemen of je wel een oorlog begint of niet.
Daarbij moet je altijd kijken wat goed is voor je volk.
De ene keer is het beter om wel oorlog te gaan voeren, de andere keer beter van niet.
Als mensen ruzie hebben, moet jij dat oplossen op een eerlijke manier.
Als je plannen hebt, zullen mensen altijd denken: doe je dat voor jezelf of voor ons?
Het zal niet makkelijk zijn om een goede koning te zijn.

Op een dag gaat Salomo uit Jeruzalem weg, waar hij net koning geworden is.
Hij wil laten zien aan het begin van zijn koningschap dat hij de Heere wil dienen.
Daarom wil hij een offer brengen aan de Heere.
Het is een groot offer – wel duizend offers brengt Salomo.
Salomo wil daarmee aangeven: Heere, ik hoor bij U.
Nu ik koning geworden ben, wil ik U dienen, net zoals mijn vader David deed.
Want juist als koning kan ik het gevaar lopen, dat ik de Heere God vergeet.
Als ik veel met de farao van Egypte praat, loop ik het risico dat ik net als hem ga denken.
De farao in Egypte zal tegen mij zeggen: Salomo, weet jij wat jij aan jouw God moet vragen?
Je moet vragen om een lang leven.
Dan weet iedereen dat God aan jouw kant staat en jou zegent.
Je moet vragen of je rijk mag worden.
Dan weet iedereen in de wereld en ook in je eigen land
dat je een belangrijke koning bent.
Je moet vragen God je vijanden voor jou wegjaagt.
Dan weet iedereen dat je koning bent van een belangrijk land
en zullen ze nog lang over je praten, omdat je zo’n geweldige koning bent.
Maar Salomo weet het niet: maakt dat je een belangrijke koning?
Dat je lang leeft en rijk bent en een machtige koning?

Als Salomo daar die nacht slaapt komt de Heere God naar hem toe.
Dat zal voor Salomo een bijzondere ervaring zijn geweest.
Als de Heere dan bij hem staat, stelt Hij aan Salomo een vraag:
‘Je mag Mij vragen wat je wilt. Ik zal het je geven.’
Stel je voor dat deze vraag door de Heere God aan jou gevraagd zou worden:
‘Je mag Mij vragen wat je wilt. Ik zal het je geven.’
Wat zou jij dan vragen?

Dat je gelukkig mag worden?
Dat er geen zieke mensen meer zijn? Dat je oma beter wordt?
Dat je rijk mag worden?
Dat er geen oorlog meer zal zijn?
De een zal meer iets voor zichzelf vragen.
Er zullen kinderen zijn die meer aan anderen denken.
Weet je wat Salomo vraagt?
Vraagt hij om een lang leven? Vraagt hij om rijkdom?
Vraagt hij om sterker dan zijn vijanden te zijn?
Nee, Salomo denkt aan wat hij nodig zal hebben als koning.
Want hij weet dat het bijzonder is dat hij koning is geworden.
DAt de Heere hem aangewezen heeft om koning te zijn.
En dat over Israël.
Israël is niet zomaar een volk. Wat maakt Israël zo bijzonder?
Israël is het volk van God.
De Heere had zijn vader David iets beloofd. Weten wat?
Dat er altijd een zoon van David koning zal zijn in Jeruzalem.
En zijn eigen zoon zal iets belangrijks bouwen voor de Heere.
Hij zal de tempel bouwen in Jeruzalem: een huis waar God in kan wonen.
Dat heeft de Heere God niet nodig, want Hij is te groot om in een tempel te wonen.
Dat is voor de mensen. Dan weten de mensen in Jeruzalem en in Israël:
God is bij ons. We kunnen naar Hem toe met onze gebeden.
Als we ergens mee zitten en we willen dat tegen God zeggen, of advies hebben
dan kunnen we naar Jeruzalem gaan reizen en dat bij Hem brengen.

Salomo weet dat hij van een bijzonder volk koning is
En dat kun je niet zomaar. Daar heb je wel iets voor nodig:
Wijsheid – je moet in staat zijn om te zien wat goed en fout is.
Maar hoe wat is wijs en hoe wordt je dat: wijs?
Wijs is niet hetzelfde als goed kunnen rekenen of goed in spelling zijn,
of goed in aardrijkskunde zijn.
Wijsheid is vooral dat je goed met anderen kunt omgaan.
Dat je een ruzie weet op te lossen of iemand die boos is kunt kalmeren.
Wijsheid is dat je weet wat iemand die verdrietig is nodig heeft.
Dat je weet wat je moet doen als iemand opziet tegen toetsen maken of tegen spreekbeurt.
Wijsheid is ook dat als je belangrijk bent, zoals een koning,
Dat je niet alleen maar aan je zelf denkt.
Je wordt wijs – door ervaring, doordat je veel meemaakt.
Als je een keer meemaakt dat je gespannen bent.
Of dat je een keer meemaakt dat iemand ziek wordt.
Dat je een keer meemaakt, dat er een kind geboren wordt.
Of dat je een keer meemaakt dat er oorlog komt.
Wijs word je door moeilijke en door mooie gebeurtenissen
Hoe ouder je bent, hoe wijzer je vaak wordt.

Weet je wat Salomo vraagt? Wat hij nodig heeft om een goede koning te zijn?
Leer mij om goed te luisteren. En leer mij om het verschil tussen goed en kwaad te zien.
Om een goede koning te zijn, moet je dus goed kunnen luisteren.
Naar wie? Naar de mensen die bij je komen met hun verhaal.
Zodat je niet zegt: Ik heb geen tijd. Ga maar weg. Ik heb er nu geen zin in.
Of dat je niet goed luistert en snel de verkeerde aanwijst.
En dat je niet alleen luistert naar mensen als ze je geld geven.
Of alleen mensen helpt als ze hetzelfde eruit zien als jij.
En dat je mensen die je goed kent voortrekt.
Goed kunnen luisteren.
Maar niet alleen luisteren naar mensen, maar ook naar God.

En daarnaast vindt Salomo dat hij moet kunnen zien wat goed of slecht is.
Is het slecht om oorlog te voeren? Soms moet je, omdat je je moet verdedigen.
Maar het is slecht als je dat doet om je eigen gebied groter te maken.
Is het slecht om ruzie te maken? Niet altijd.
Wel als het is om te laten zien dat jij de baas bent, de sterkste van allemaal.
Is het slecht om te roddelen?
Is het slecht als iemand die rijk is een stuk grond afpikt van iemand die arm is?
Salomo moet dat kunnen zien om een eerlijke koning te zijn
En een eerlijke koning moet hij zijn om te laten zien wie God is.
Wat zou jij vragen? Salomo vraagt iets om een eerlijke en een goede koning te zijn.
De Heere zegt dat Salomo krijgt waar hij om gevraagd heeft.
Die wijsheid heeft hij nodig, Salomo, want ook Salomo kan het verkeerd aanpakken
En dat blijkt later ook wel, als hij 1000 vrouwen heeft.
En als hij gestorven is, zeggen zijn volgelingen:
Salomo was een koning die ons hard liet werken, net of we slaven waren.
Hij had de wijsheid meer moeten gebruiken, dan was hij echt een goede koning geweest.
Hij begon wel goed:
Leer mij om goed te luisteren. En leer mij om het verschil tussen goed en kwaad te zien.

Wat zou jij aan God vragen?
We zijn vandaag bij elkaar om dat aan God te vragen.
Biddag is niet alleen bedoeld voor ons eten, maar ook voor ons werk
om wijze mensen te zijn.
Amen

 

Preek biddag 2018

Preek biddag 2018
Schriftlezing: Mattheüs 6:5-18
Tekst: Geef ons heden ons dagelijks brood (Mattheüs 6:11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u er wel eens gemerkt hoe vreemd het is om in deze tijd te bidden:
Geef ons heden ons dagelijks brood.
Als we brood nodig hebben, gaan we naar de bakker of de supermarkt.
Wanneer daar het brood op is, kunnen we naar Elburg of Wezep
om daar naar een bakker of een supermarkt te gaan om brood te kopen.
Door de vriezer kunnen we ook nog eens brood in het voren kopen.
’s Morgens haal je het brood eruit en na een kwartiertje is het ontdooid
en als dat te lang duurt, ontdooi je het brood in de magnetron.
Dan bid je voordat je gaat eten: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Wat is er nog aan geven door God bij als we leven in een tijd
waarin we volop brood kunnen krijgen
en waarin het brood dat niet verkocht is dezelfde avond nog wordt afgevoerd
naar bijvoorbeeld een hobbyboer, omdat het niet meer verkocht mag worden?
Hebben de broodfabrieken, de bakkers, de supermarkten en onze vriezers
dit gebed niet overbodig gemaakt?
Hebben we God eigenlijk nog wel nodig in een tijd van zoveel overvloed?
Als we dan toch deze regel bidden,
is het dan niet meer een soort gewoonte, dat we deze regel bidden,
omdat we nu eenmaal het Onze Vader hebben geleerd
en we daarom deze regel niet kunnen overslaan?
Zijn we er als mensen tegenwoordig niet heel goed in geslaagd
om God overbodig te maken op tal van terreinen
en geldt dat ook niet als het er om gaat om elke dag weer brood te kunnen eten?
Het moet wel heel raar lopen als er aan het einde van het groeiseizoen
het graan niet binnengehaald kan worden, de aardappels gerooid, de groenten geoogst.
De koeien kunnen gemolken worden, de melk verwerkt.

En toch, vandaag is het biddag voor gewas en arbeid.
U bent nu vanavond naar de kerk gekomen om te bidden voor het nieuwe groeiseizoen,
om te bidden voor de oogst, voor alles wat groeit en bloeit, voor de planten en de bomen,
voor het graan, voor het fruit en de groente.
En jij bent misschien wel heel speciaal vanavond naar de kerk gekomen,
omdat je weet, gelooft dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat er eten is,
al lijkt het wel zo,
maar dat er een God in de hemel is, die er voor zorgt
dat het brood dat je morgen bij het ontbijt kunt eten
en in je broodtrommel kunt stoppen om dat mee te nemen naar je school of je werk
door God gegeven wordt.

Alleen, je kunt het zo snel weer gewoon vinden, vanzelfsprekend vinden
dat er brood in huis is en in de winkel, dat je brood op voorraad kunt hebben
dat je over enkele dagen gewoon vinden dat er elke dag weer brood is.
Ja, je weet het wel en je bidt ook wel Geef ons heden ons dagelijks brood
maar het kan zo gedachteloos gebeuren,  maar je staat er niet echt meer bij stil.
Biddag voor gewas en arbeid houden betekent
dat je er weer bij stil staat, hoe bijzonder het is, dat de Heere eten geeft en werk
en dat het voor ons nodig is om daar elke keer weer om te bidden,
dat het steeds noodzakelijk is om elke dag weer opnieuw bij de Heere aan te kloppen
of hij ons eten en drinken wil geven, genoeg om van te leven.

Het is nodig om in een tijd waarin we zoveel hebben,
waarin je kunt kiezen uit allerlei soorten brood
en een ruime keuze hebt wat je op brood doet: vleeswaren, kaas, zoet
dat er een God is die je dit geeft
en daarmee wil laten merken dat Hij elke dag voor jou zorgt,
dat het goede gaven uit Zijn hand zijn.
opdat wij daardoor erkennen, dat Gij de enige bron van alle goeds zijt (Heidelberger Catechismus, antwoord 125; Zondag 50).
God is de enige die ons al dit goede geeft.
We hebben dat niet te danken aan het goede inkoopbeleid van de supermarkt,
niet te danken aan het salaris dat wij verdienen,
we hebben dat niet te danken aan onze bakkunsten
of aan zicht en grip op ons uitgavenpatroon,
waardoor we ons dit alles kunnen veroorloven.
Nee, God alleen is de enige bron van al dit goede.

Maar dat is wel iets dat we steeds ons moeten blijven bedenken,
dat is een geloof dat we steeds moeten onderhouden, levend moeten houden,
want het is een grote verleiding, steeds weer opnieuw,
dat je Gods zorg gewoon gaat vinden, dat je er niet van opkijkt, er niet dankbaar voor bent.
Want daarmee raak je God zelf kwijt.
Het luistert heel nauw wat dat betreft.
Want wat gebeurt er, als je niet meer bedenkt dat de Heere de enige bron is,
als je denkt dat je het zelf toch maar weer handig voor elkaar gekregen hebt,
dat het aan je mooie salaris te danken is, dat er eten is,
aan je eigen handigheid
of dat je gedachteloos brood koopt of brood uit de vriezer haalt en ontdooit.
Je raakt God kwijt.
We hebben dat niet gelezen, maar in het gedeelte hierna zegt de HEERE Jezus:
Je kunt niet én God dienen én de mammon.
Weten waar je brood vandaan komt is een kwestie van geloof of ongeloof,
van trouw aan de Heere zijn of afgodendienst.
Door te bidden of God ons elke dag opnieuw brood wil geven trainen wij onszelf
in het geloof dat God onze schepper is, dat Hij het is die voor ons zorgt,
Dat Hij het is, die dit ons allemaal geeft.

Door elke dag te bidden dat God ons brood wil geven,
gaan wij tegelijkertijd in onszelf de strijd aan met de neiging
om steeds weer God te vergeten en Hem in te ruilen voor iets anders,
Dat er iets anders is waar we op vertrouwen,
iets anders waarvan we denken dat dat ons gelukkig maakt.

Daarom is dit gebed elke dag nodig.
Het is ook een gebed voor elke dag.
In de versie van Mattheüs is dit gebed om dagelijks brood
een gebed voor het begin van de dag:
Heere, ik ga nu aan de dag beginnen, ik doe dat niet zonder U.
Vandaag heb ik eten nodig, ik kan niet zonder voedsel.
Wilt U ervoor zorgen dat ik voor vandaag genoeg heb?
Het is niet een gebed voor morgen, of voor het weekend, of voor volgend jaar,
maar voor nu, voor vandaag.
Het gaat erom, dat we in het nu leven
en dat het nu, het heden als tijd waarin God voor ons zorgt
en dat we ook zien, hoe God ons van eten en drinken voorziet.
Een van onze kinderen heeft wel eens bij Intravert (sociaalvaardigheidstraining op school)
moeten leren stil te staan bij wat ze eet.
Ze is zo vol met allerlei gedachten, die ratelen door haar hoofd,
maar daardoor vergeet ze wel eens dat er voor haar een bord staat, met eten erop
en kan ze met heel veel dingen druk zijn, waardoor ze niet aan eten denkt.
Het koelt af en het kan bij wijze van spreken nog een kwartier onaangeroerd zijn.
Zo kunnen we als mensen met allerlei dingen bezig zijn,
kunnen onze gedachten vooruit gaan,
naar het einde van de maand: is er dan nog wel genoeg geld op de rekening voor het eten?
naar over een half jaar: Wat als mijn éénjarig contract afloopt en er niet verlengd wordt?
Gedachten kunnen uitgaan naar de problemen in deze wereld,
terug naar de lastige tijd van de crisis, vooruit naar de tijd dat je kinderen opgroeien
en er een studie voor hen betaald moet worden.
Allerlei zorgen, die je in beslag kunnen nemen.
Begrijpelijke zorgen.
Het is ook geen verbod op zulke gedachten.
Maar de opdracht van de Heere Jezus om aan het begin van elke dag te bidden
of onze Vader in de hemel er voor wil zorgen dat er ook vandaag weer eten is,
is ook voor onszelf een les, een oefening om te zien dat God ervoor zorgt
om te geloven dat de Heere God dat morgen ook zal doen en overmorgen.
Aan het begin van de dag, als wij aan het begin staan, een planning hebben gemaakt
allerlei taken nog hebben te doen:
Hemelse Vader, er is er Eén die voor mij zorgt en dat bent U.
Wilt U dat ook vandaag doen?
Als je de Vader vraagt om een brood
Geeft Hij je zeker nooit een steen
Al je gebeden klein of groot heus
Hij vergeet er niet één
Als je dat vergeet, dat de hemelse Vader voor je zorgt,
Als je vergeet om bij Hem aan te kloppen,
als je de dag begint zonder je leven die dag in Gods handen te leggen
en ook je levensonderhoud van Hem te verwachten,
Hoe kun je dan christen zijn?
Hoe kan dan Gods naam worden geheiligd,
als Zijn kinderen het niet nodig vinden om bij Hem aan te kloppen
omdat ze denken dat er toch wel genoeg is en dat ze het zelf wel redden?
Hoe kan Zijn naam dan worden geheiligd, als we Hem niet meer zien
als de bron van al het goede, als Degene die ons dat alles geeft?
Hoe kan dan Gods koninkrijk komen, als degenen die Hem zouden moeten dienen
een leven kunnen leiden, waarin God niet echt een rol heeft,
een leven waarin Hij er niet echt is, zonder dat we Hem missen.
Hoe kan Zijn wil worden gedaan,
als we ons niet houden aan het gebed dat Hij ons leerde.
De bede Geef ons heden ons dagelijks brood is niet voor niets
een onderdeel van het Onze Vader, van het gebed dat de Heere Jezus ons leerde bidden.
Het zet ons apart van de wereld, die God niet nodig heeft,
die zichzelf wel redt, die alleen de weelde en de welvaart ziet,
zonder de Gever te zien, zonder Degene die het geeft te danken.

We bidden om brood.
Je zou net zo goed om beschuit of crackers kunnen bidden, om havermout of Brinta,
of bidden dat er vandaag groente op je bord ligt of er fruit is om te eten.
alleen je moet wel bedenken
Dat brood een herinnering is aan de weg die Israël ging door de woestijn.
Elke morgen lag er manna op de grond, een soort brooddeeg,
waarmee de Heere God liet zien dat Hij Zijn volk door de woestijn geleidde
tot het in het Beloofde Land was aangekomen en daar akkers zou hebben en weilanden,
waardoor ze zichzelf weer konden onderhouden.
Manna – God zorgt: brood uit de hemel.
Maar elke keer was er dat verlangen naar ander eten:
de vleespotten van Egypte.
Ze hadden niet genoeg aan wat God gaf, ze wilden meer, gevarieerder, rijker.
En alle ellende uit Egypte werd uit de herinnering weggeduwd
en alleen de herinnering aan het luxueuze van Egypte bleef in hun gedachten.
Dat was nog eens een leven, daar in Egypte.
We bidden om brood voor elke dag.
Niet om een driegangendiner, niet om een feestmaal elke dag.
Want dan zouden we ons alleen maar aan deze aarde hechten
en het leven hier op aarde voor ons een paradijs zijn
en dan zouden we vergeten dat we op weg zijn naar een ander thuis,
een Huis in de hemel, het Vaderhuis met de vele woningen.
Daar zal het altijd feest zijn, een feestmaaltijd, ter ere van Hem
die kwam en stierf en Zijn leven gaf voor ons om ons daar een plaats te bieden.
Brood voor elke dag, genoeg om van te leven. Meer hebben wij niet nodig.
Meer leidt alleen maar af.
Meer is een verleiding om hier te wortelen, om de hemel uit het zicht te verliezen,
daar waar onze Vader is, die over alles regeert.
Leven bij de dag en niet verder kijken, is een leven in afhankelijkheid van God,
in het besef dat God ons eens kan roepen tot hoger heerlijkheid,
Dat we mogen zijn daar in de hemel, waar onze Vader is,
die we steeds bidden om dat brood voor elke dag.
Dat is genoeg, want U geeft het en wat hebben we nog meer nodig dan U.
Niet voor niets spreekt de Heere Jezus ook over vasten:
Er zijn momenten waarop we niet eten, om juist te beseffen dat God dit geeft.

Nog één ding: We bidden niet alleen voor onszelf.
We bidden niet: Geef mij het brood dat ik nodig heb.
Nee, Geef ons heden ons dagelijks brood.
Ons – ik ben niet alleen.
Ik ga deze weg door het leven niet alleen.
Ik heb mensen om mij heen.
Medechristenen die ook die weg gaan.
En ik bid dat ook zij brood mogen krijgen, dat zij genoeg hebben om van te leven.
Of ze nu hier dichtbij wonen of ver weg in Afrika of Syrië.
Dan is het een gebed dat de Heere eten wil geven waar tekort is.
Het is een gebed voor de christenen die het goed hebben en welvarend zijn.
Dan is het een gebed om bewaring van hun geloof,
zodat ze niet in de verleiding komen God uit het oog te verliezen
en dat de welvaart en de goede omstandigheden hen niet laks maken in het geloof.
Ons brood – mijn gebed, ons gebed is ook voor de mensen die God niet kennen
of God niet willen kennen of belijden.
En daarmee voegen we ons in ons gebed in de lijn van de hemelse Vader,
die het laat regenen over mensen die eerlijk leven en de mensen die slecht leven,
die de zon laat schijnen over mensen die trouw zijn aan Hem
én over de mensen die kwaad in de zin hebben.
God sluit in Zijn zorg niemand uit, al sluit iemand anders zijn hart wel af voor God.
en daarom mogen wij in ons gebed ook niemand uitsluiten
en daarmee is het ook een gebed om bekering,
om de ogen te openen, om te zien dat er een God is die voor dit alles zorgt.
En wanneer die bekering achterwege blijft, blijven we bidden,
omdat God geduldig is én omdat we weten dat wij ook niet altijd zien
dat God voor ons zorgt, dat Hij het is die ons dit brood geeft,
en dat ook geeft als wij vergeten daar om te bidden en daar voor te danken.

Geef ons heden ons dagelijks brood:

Ons oog is op uw Zoon, die ons tot uwe troon
als Middelaar wil leiden. Al wat ons hart begeert,
gelijk zijn voorschrift leert, dat mag ’t geloof verbeiden. (Gezang 198:3 NH BUndel 1938)
Amen

De weduwe en het kruikje olie (2 Koningen 4:1-7)

De weduwe en het kruikje olie (2 Koningen 4:1-7)

Morgen is het biddag. Als gemeente gebruiken voor de morgendienst het thema dat de HGJB heeft voorbereid voor biddag. Voor biddag 2018 heeft de HGJB het verhaal uitgekozen van de weduwe met het kruikje olie (2 Koningen 4:1-7).

Er is een vrouw die behoort tot de vrouwen die getrouwd zijn met profeten of leerling-profeten. Deze profeten zijn trouw aan de HEERE in een tijd dat de officiële godsdienstige lijn de cultus van Baäl is. De Baälgodsdienst is staatsgodsdienst. Degenen die trouw aan de HEERE waren werden tegengewerkt. Profeten moesten zelfs onderduiken. Moesten de profeten voor hun loyaliteit aan de HEERE een financieel offer betalen?

Deze vrouw is weduwe. Haar man is gestorven en zij is achtergebleven met twee zonen. Tegelijkertijd is er een schuld. Is die schuld veroorzaakt door haar man? Is die schuld veroorzaakt door het financiële offer dat deze man bracht, toen hij profeet werd. Of een financieel offer dat hij bracht omdat hij zich afzijdig hield van de cultus van Baäl? Is de schuld gekomen nadat haar man was overleden?

Deze schuld brengt haar veel zorgen, omdat er een schuldeiser gekomen is. Zij kan deze schuldeiser niet betalen. Het enige dat ze nog heeft, zijn haar twee zonen (en zo later blijkt: ook een kruikje olie). Die twee zonen wil de schuldeiser meenemen om als slaaf voor zichzelf te gebruiken of hen als slaaf te verkopen. Volgens de uitleg in NIDOTTE duikt een schuldeiser vaak op bij weduwen, die machteloos en kwetsbaar zijn, zoals een buizerd cirkelt boven zijn prooi.

Als de schuldeiser dat aangekondigd heeft, dat hij de twee jongens als slaaf wil meenemen, klampt de vrouw de profeet Elisa aan voor hulp. Ze schreeuwt het uit. Het is een roep om hulp, een roep om gehoord te worden, een hulpgeroep dat klinkt in een situatie van lijden en onrecht. Sommige exegeten vinden dat deze vrouw geen direct beroep op Elisa doet en hem niets vraagt. Dan vergeten ze dat er er ook klaagpsalmen zijn waarin de nood naar God toe wordt uitgeroepen. In de hoop dat door de schildering van de nood zo’n appèl op de HEERE gedaan wordt dat Hij wel moet ingrijpen. Zo doet deze weduwe een appèl op de knecht van de HEERE, de man Gods.

Er is niemand die naar haar omziet (vgl. Ezechiël 34:6). Is het verhaal ook niet een impliciet verwijt naar de mensen om haar heen? Het is een vrouw uit de vrouwen van de profeten. Waar is de onderlinge loyaliteit? Waar is de zorg van de gemeenschap voor haar en haar zonen, nu haar man er niet meer is om haar te beschermen en voor haar op te komen? Armoede is nooit iets individueels en bestrijding van armoede altijd de zaak van een gemeenschap. Zeker in Israël, het volk van God, apart gezet om te laten zien wie de HEERE is.

Moeten we er veel achter zoeken dat zij zich tot Elisa wendt in plaats van rechtstreeks tot de HEERE? Of ziet ze Elisa als degene die bemiddelt, als degene door wie ze met de HEERE in contact kan komen? Haar man is loyaal geweest aan de HEERE, als een trouwe dienaar, een trouwe knecht. Nu dreigen haar twee zonen slaaf, tot knecht gemaakt te worden van haar schuldeiser. Er kan – net zoals in de klaagpsalmen – ook iets van een verwijt zitten, een worsteling met de HEERE: degenen die zonder God leven hebben een mooi leven en degenen die loyaal zijn aan de HEERE lijken in de steek gelaten te worden. De man was iemand die de HEERE vreesde, een uitdrukking die ook voor Obadja gebruikt wordt om aan te geven dat hij niet meeging in de Baälgodsdienst, maar trouw bleef aan de wetten en de richtlijnen van de HEERE.

Elisa is in staat om haar te helpen. De oudtestamenticus Walter Brueggemann zet in zijn commentaar boven de uitleg van 2 Koningen 4: Elisa als de transformerende kracht. Elisa die Gods kracht bezit om te veranderen wat nodig is. ‘Elisa doet het ware werk van God, de Koning van Israël. Het was de plicht van de koning van Israël om het recht te handhaven om het volk bescherming te bieden en het welzijn van het volk te bewaken. Het is een prominent thema in de politieke legendes over Elisa, dat Elisa de mogelijkheid heeft om het volk te redden waar de koning faalt,’ schrijft Marsha White in de Eerdmans Dictionary of the Bible (p. 399). Dat geldt hier ook voor de gemeenschap, die het laat afweten. Elisa laat zien dat de HEERE een God is die voor het recht van de weduwen en de wezen opkomt.

Elisa vraagt wat deze vrouw in huis heeft. ‘Uw dienares’, antwoordt de vrouw. Het is een synoniem voor ebed, het woord dat ze gebruikte voor haar man (die God en Elisa diende) en voor haar twee zonen (die de man zullen moeten gaan dienen). De vrouw heeft alleen een kruikje olie. Is dat kruikje olie een kostbaar bezit dat ze nog van haar man gekregen heeft en uiteindelijk in het allerlaatste geval zal wegdoen? Heeft ze dat nodig voor haar levensonderhoud? Is het voor de schuldeiser de moeite niet waard om mee te nemen? Wat het ook is: dit kleine beetje olie zal de bron zijn waarmee de schuld kan worden afbetaald en de armoede haar niet langer meer bedreigt.

Ze moet van Elisa kruiken en potten gaan vragen. Niet alleen bij de directe buren, maar in haar hele wijde omgeving. Wil Elisa daarmee de gemeenschap een spiegel voorhouden, dat zij hadden moeten bijspringen? Wil Elisa de hele gemeenschap er bewust van maken dat de nood van deze vrouw de nood van ieder ander had moeten zijn? Het vraagt ook wat van de gemeenschap: ze moeten de kruiken en de pannen afstaan: de eenvoudige pannen, maar ook de luxe kruiken, van goud en zilver. Belangrijke erfstukken misschien. Hoe zouden de omstanders hebben gereageerd? Hebben ze die kruiken meegegeven, terwijl ze wisten van die schuldeiser die bij haar op de stoep heeft gestaan? Zoveel mogelijk kannen en kruiken: het hele dorp moet eraan geloven.

In opdracht van Elisa sluit ze de deur achter zich dicht. Dan blijkt dat kruikje olie de bron van overvloed te zijn. Zolang er een leeg vat is, blijft het kruikje olie schenken. Zoals bij de bruiloft te Kana of bij de vermenigvuldiging van het brood: waar tekort is, maakt de HEERE van het kleine beetje dat er is een overweldigende hoeveelheid. God schenkt royaal. Als de vrouw terug komt bij Elisa, krijgt ze de opdracht mee om die olie te verkopen. De eigenaars van de kruiken betalen voor de olie die God geeft. De vrouw heeft meer dan genoeg. Genoeg om de schuld van te betalen. Genoeg om niet meer bedreigd te worden door de armoede.

Het verhaal laat zien dat in armoede en nood een appèl op de HEERE gedaan kan worden. Hier door middel van de man Gods. Tegelijkertijd wordt ook zichtbaar dat in de Schrift de nood van de ander een appèl op heel de gemeenschap is. Het is een spiegel voor leiders en voor omstanders.

Preek biddag 2017 avonddienst

Preek biddag 2017 avonddienst
Johannes 16:16-33
Tekst: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven (vers 23b).

Thema: Jezus draagt op om te bidden in Zijn Naam
(1) We zien Hem niet (niet zichtbaar)
(2) Toch is Hij er (wel aanwezig)
(3) We weten dat Hij komt (in aantocht)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie: Jezus draagt op om te bidden in Zijn Naam
We hebben vandaag biddag, omdat bidden erg belangrijk is voor ons leven met de Heere.
Wij kunnen niet zonder gebed.
We hebben het gebed nodig voor onze relatie met God,
om tegen Hem te vertellen wat ons bezighoudt,
en om omgekeerd te horen wat Hij ons wil zeggen.
We hebben het gebed nodig voor alles wat wij hier op aarde nodig hebben.
Voor alle kleine en grote dingen die we nodig hebben hier in dit leven:
Als je ‘s morgens wakker wordt en aan tafel zit voor het ontbijt (als je daar tijd voor hebt),
ga je eerst bidden. En waar bid je voor?

Je bidt om een zegen voor het eten
en dat gebed om een zegen voor je eten, maakt je bescheiden,
Want je weet dat hoe hard je ook werkt, je dit eten allereerst aan de Heere te danken hebt,
dat is de zorg van de hemelse Vader voor jou, voor ons.

Je bidt om een zegen voor de dag,
want je kunt allerlei plannen hebben, maar je weet niet wat de dag brengt.
Je weet niet of je gezond en bewaard thuis zult komen,
je weet niet wat je onderweg allemaal tegenkomt.
Het maakt je bewust, dat je het leven niet in eigen hand hebt
en in het gebed vraag je om Gods zorg en zegen voor deze dag.

Je bidt om een zegen over je werk.
Want dat je de kracht en de motivatie hebt om te werken,
heb je niet uit jezelf, ook al ben je gezond of heb je goed geslapen.
De kracht die je hebt, krijg je van de Heere.
En wat je nodig hebt aan kennis, aan wijsheid,
je hebt dat wellicht paraat, vanwege je opleiding of je ervaring, omdat je inzicht hebt.
Ook dat hebben we van God ontvangen,
als een talent dat we mogen gebruiken.
En het werk dat we hebben, is niet alleen maar een werk,
maar is ook een roeping, zelfs het meest eenvoudige werk is dienstbaar aan Gods koninkrijk.
Je doet het niet alleen voor je portemonnee, voor je baas, voor de klant, maar ook voor God.

Je bidt dat je zelf tot zegen mag zijn.
Want deze dag zul je weer heel wat mensen tegen komen,
met wie je samenwerkt, voor wie je werkt.
Je bidt dat je in wat je doet voor anderen tot zegen mag zijn, in je werk,
maar ook in je houding, in hoe je tegen anderen doet,
dat je daarin iets van Gods barmhartigheid en liefde mag uitstralen.
Daar bid je toch om voor de dag begint?
En dat je zorgvuldig bent als je over anderen praat.
Dat je niet een roddel de wereld in helpt, die niet waar blijkt te zijn of aangedikt.
Dat je niet te snel met een bepaald oordeel over de ander komt,
maar vanuit bewogenheid en geduld de ander benadert.

In een voorbeeld van een gebed aan het begin van de dag
kunnen we al zien dat we niet zonder gebed kunnen.
Elk moment van de dag hebben we gebed nodig.
Het hoeft helemaal geen lang betoog te zijn, geen lange toespraak naar God toe.
Het kan heel beknopt en eenvoudig, het mogen ook elke morgen dezelfde woorden zijn.

Niet alleen voor onszelf is het gebed belangrijk.
De Bijbel houdt ons steeds voor, dat het gebed ook voor God belangrijk is.
Dat de Heere ons dat als een opdracht geeft
om tot Hem te komen in gebed met alles wat ons bezighoudt.
Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
Dat heeft niet de betekenis van: mocht je God nog eens nodig hebben,
ooit eens een moment waarop je er zelf niet uitkomt.
Nee, een dagelijks contact met God.
En niet als allerlaatste redmiddel, als je er zelf niet meer uitkomt en niet meer weet hoe.
Nee, voordat je iets gaat doen, aan het begin van de dag,
of voordat je gaat eten,
aan het eind evan de dag als je de dag nog eens doorneemt met de Heere,
of tussendoor als je voor een grote beslissing staat.

Zo’n gebed doen we niet alleen, omdat wij dat nodig hebben,
maar ook omdat de Heere dat van ons vraagt.
Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
En daarmee zijn we bij het thema van deze preek:
Jezus draagt ons op om te bidden in Zijn Naam.
Dat is een permissie die Hij ons geeft, een toestemming die Hij ons verleent,
om naar de Vader te gaan en in ons gebed de Naam van Christus te gebruiken
om ons gebed bij de Vader te brengen.
Het is een permissie, een toestemming: doe het maar, het mag! Maak er gebruik van!
Het gaat nog verder: het is ook een opdracht.
Doe het in Mijn Naam. Laat het gebed niet achterwege.
Wie bij Christus hoort, kan en mag het gebed niet achterwege laten.
Wie niet bidt, laat toch iets na, terwijl de Heere Jezus ons dat opdraagt, ons gebiedt.
(2) We zien Hem niet
Hoe zou dat nu komen, dat deze opdracht er zo makkelijk erbij inschiet,
dat we zo snel nalaten, wat de Heere Jezus ons opdraagt.
Waarbij het nalaten van deze opdracht ook nog eens grote schade voor ons geloof heeft.
Zou dat ermee te maken kunnen hebben
met wat de Heere Jezus hier tegen Zijn discipelen zegt over Zijn afscheid:
een korte tijd en ze zullen Hem niet meer zien?
Zou het ermee te maken kunnen hebben
dat we doordat we Christus niet meer voor ons zien,
dat we daardoor ook het idee hebben dat Hij ver weg is? (punt 1)
Tegen de discipelen spreekt de Heere Jezus over het afscheid dat er aan komt,
omdat Hij teruggaat naar de Vader.
Dat weggaan kan op twee momenten slaan:
(1) Dat weggaan kan betrekking hebben op het kruis op Golgotha, op Zijn sterven.
Nog dezelfde avond waarop Jezus deze woorden spreekt,
zal Hij worden gearresteerd, zal er een proces volgen
en de volgende dag zal Hij al worden gedood aan het kruis.
Dat de Heere Jezus Zijn sterven op het oog heeft,
kunnen we opmaken uit vers 20, waarin Hij zegt tegen de discipelen
dat zij door de afwezigheid van Jezus verdriet zullen hebben, zullen huilen en weeklagen.
Daarentegen zal de wereld vrolijkheid hebben, blij zijn met de afwezigheid van Jezus.
Dat zal niet lang duren, zegt Jezus,
want op de dag van de opstanding, nog geen 3 dagen later,
zal het verdriet van de discipelen voorbij zijn,
want dan zal Jezus weer levend in hun midden zijn.

(2) De tijd dat we Jezus niet meer zien,
kan ook te maken hebben met de tijd waarin Jezus in de hemel is.
Hij zal naar de Vader gaan en Zijn discipelen achter laten op aarde.
Dat is de tijd waarin de kerk zich bevindt:
de tijd tussen Jezus’ aanwezigheid op aarde en Jezus’ wederkomst.
We kijken terug op Zijn aanwezigheid en we kijken vooruit naar Zijn komst.
Die tussentijd is geen makkelijke tijd.
De Heere Jezus vergelijkt het met een vrouw die bijna gaat bevallen.
Het gaat niet zozeer op de lichamelijke pijn, die een vrouw moet doormaken,
maar meer de spanning en de bezorgdheid die een vrouw heeft.
Het tegen de bevalling opzien, omdat een vrouw weet dat het een heel gebeuren is
dat niet zomaar even gedaan wordt.
Een spannend moment, ook nu nog,
Vroeger werd er wel gezegd: bij de bevalling sta je als vrouw met één been in het graf.
ook al is de zorg rondom de bevalling verbeterd,
het is een gezegde die nog steeds geldt.
Enkele dagen voor de bevalling van onze eerste begon mijn moeder opeens
allerlei horrorverhalen te vertellen over wat er allemaal mis kan gaan bij de bevalling.
Het was goed bedoeld, om een bepaalde voorbereiding mee te geven.
Maar het kan ook de spanning verhogen.
Die spanning, die bezorgdheid die er kan zijn vlak voor een bevalling,
Waarbij je pas gerust bent als alles achter de rug is
en het kind gezond en wel geboren is, dat is wat de Heere Jezus bedoelt.
Dat is ook de tijd waarin we als kerk ons bevinden.
waarbij die spanning vlak voor de bevalling staat voor de tijd vlak voor de wederkomst.
Het is geen makkelijke tijd, voorspelt Jezus
en je zult als gelovige het idee hebben dat, omdat Jezus niet zichtbaar is,
Hij er niet is om Zijn kerk op aarde te beschermen,
dat Hij er niet is om de juiste weg te wijzen in deze tijd,
waarin juist zoveel leiding door Christus zelf nodig is.

Er wordt wel het onderscheid gemaakt tussen de kerk hier op aarde
en de kerk die al in de hemel mag zijn.
De kerk hier op aarde is de strijdende kerk
en de kerk in de hemel de overwinnende, de triomferende kerk.
Met de strijdende kerk wordt niet zozeer een heldhaftige kerk bedoeld,
die later in als de gelovigen in de hemel zijn vol trots kunnen kijken
op wat zij op aarde allemaal hebben behaald, wat ze hebben gepresteerd.
Integendeel: strijdende kerk betekent dat de kerk een harde strijd moet voeren
en vaak het idee heeft in die strijd ten onder te gaan, het niet te redden.
En de strijd moet gevoerd worden tegen de duivel,
moet gestreden worden tegen wat er in de wereld is aan verleidingen, aan andere inzichten,
aan ongeloof en twijfel dat je kan aangrijpen en ook doen wankelen,
de strijd gaat ook tegen jezelf, omdat we soms ook maar toegeven en onderuit gaan.

In het gebed na de doop bidden we:
onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen.  Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God, eeuwig loven en prijzen.
Maar hoe vaak gebeurt het niet, dat we niet winnen, of zelfs helemaal niet strijden.
De strijdende kerk heeft het gevoel de verliezende kerk te zijn,
het maakt beschaamd: we brengen er niets van terecht, niks geen triomf.
terwijl de wereld vol vrolijkheid is en lacht en zich geen zorgen maakt,
is het de kerk die zich zorgen maakt, de gelovige die het moeilijk heeft,
vertwijfeld kan raken, gespannen kan worden als een vrouw die voor de bevalling staat:
zal het goed gaan, zal er iets moois komen of gaat het mis en zal ik groot verlies hebben?

Zou dat de reden zijn waarom het zo moeilijk is om het gebed als middel te gebruiken
om naar God toe te gaan, om ons geloof te versterken.
Want Jezus zegt wel dat we in Zijn naam moeten bidden,
maar als Hij niet zichtbaar is en als er gestreden moet worden
en je hebt het idee dat je er alleen voorstaat,
dat kan moedeloos maken, verlammend werken.
Bidden in Jezus’ naam en aan de Vader vragen wat we willen?
Daar komt in onze moedeloosheid en zwakten zo weinig van terecht.


(3) Toch is Hij er
En daar is juist die opdracht van Christus voor: de opdracht in Zijn naam te bidden.
Want Hij is dan onzichtbaar, maar Hij is niet afwezig.
Hij heeft niet de boel de boel gelaten,
maar is op een andere manier aanwezig dan toen Hij zichtbaar op aarde rondwandelde.
Hij is nu door de Geest in ons midden
En al is Hij in de hemel bezig – plaatsbereiding, voorspraak  bij de Vader –
Hij heeft Zijn betrokkenheid op de aarde niet afgebouwd en verminderd.
Vraag in Mijn Naam: dat betekent dat Christus tegen ons zegt dat Hij bereikbaar is.
Ook al zijn wij op aarde, we zijn toch met Hem verbonden.
En dat is nu juist wat het geloof uitwerkt: die verbondenheid met Christus.
Dat is wat voor Johannes nu net het geloof is (en ook voor Paulus trouwens)
dat je betrokken bent op Christus, ook letterlijk.
Een hoofdstuk eerder wordt het voorbeeld gebruikt van de wijnstok en de rank:
wij zijn de tak die aan Christus die dan de plant is vast zitten.
Wat er tot ons komt is de Heilige Geest, zoals een plant de sappen doorgeeft aan de takken.
Bidden in Jezus’ naam is heel dichtbij, de Heer met wie we verbonden zijn,
die aan ons Zijn Geest doorgeeft, zoals een boom aan de tak de sappen doorgeeft.

We moeten het nog letterlijker nemen: bidden in de naam van Jezus
betekent een werkelijkheid instappen waar Christus is.
Ook al zijn we hier op aarde, we kunnen toch die werkelijkheid binnenstappen,
zoals je straks je huis binnenstapt, om daar te wonen, koffie te drinken, te slapen,
Te leven, thuis te zijn.
Zo stappen we in het gebed de wereld van Christus binnen, als we bidden in Jezus’ naam.
Bidden in de naam van Jezus betekent: een ruimte binnenstappen waarboven staat Christus.
Waar vanuit de hemel al Zijn macht wordt gemerkt.
De kerk is ook een ruimte waar Christus op de gevel staat, waar Hij is,
Waar we binnen kunnen stappen om er te zijn waar Hij is – letterlijk: in Jezus’ naam.
De Naam van Jezus als een huis om er te wonen.
En dat is niet de enige plek waar Hij op aarde woont en is.
Overal waar Zijn Naam wordt uitgesproken, is die plek er.
En ook waar we die Naam niet kunnen uitspreken, daar kan toch zijn
en kunnen we die ruimte binnenstappen die Zijn naam is
of anders gezegd: daar plaatst Hij Zijn Naam als een ruimte, een huis over ons.
De Naam van Jezus als een plek om naar toe te gaan, er te zijn, te schuilen, te wonen.
Ook al is Hij niet zichtbaar, maar wel aanwezig.
De Naam des Heeren is een veilige toren.

En die veilige toren zullen we nodig hebben.
De strijdende kerk, dat kan immers vervolging inhouden.
De Heere Jezus kondigt dat aan: jullie zullen uiteengedreven worden.
Dat kan betekenen dat je voor je geloof in de gevangenis komt, waar je niet meer wegkomt.
Ook daar is die ruimte er: kun je bidden in Christus’ naam.

Dan wordt ook duidelijk wat Jezus bedoelt met dat we alles mogen vragen in Zijn Naam.
Dat betekent: alles wat wij nodig hebben om die verbondenheid te houden met Christus,
zodat onze tak niet afbreekt van Christus, niet door gemakzucht, niet door druk of vervolging.
Alles bidden in Zijn Naam houdt in: Heere, bescherm mijn geloof, dat zo kwetsbaar is,
Dat vergeet U te zoeken en met U verbonden te blijven,
dat vergeet om Uw Geest op te nemen, in te drinken als water des levens.
Alles bidden in Zijn Naam betekent ook: bidden dat er meer mensen geloven,
meer mensen aan Christus vastgemaakt worden.
Dat Gods koninkrijk uitgebreid wordt.

Kun je dan nog wel bidden voor je werk, zoals we vandaag doen?
Moet je dat dan niet op de tweede plek zetten?
Moet dan het maar niet meer hebben over ons werk
omdat dat iets van die tussentijd is en daarom van minder belang?
Nee, ons werk kan juist in de dienst van God staan,
ook als er geen duidelijke relatie met het geloof te leggen is.
Of dat nu eenvoudig werk is of gecompliceerd werk is dat je niet aan anderen kunt uitleggen,
of het nu eentonig werk is, of dat het werk is waar je je creativiteit kunt ontplooiien,
of het nu werk is waarvan het nut direct zichtbaar is,
of dat je je afvraagt welk nut je werk heeft,
het kan allemaal door God worden gebruikt in Zijn zorg voor deze wereld,
in de weg die Hij gaat met deze wereld, tot Zijn doel,
de dag waarop de Heere Jezus in alle heerlijkheid verschijnt.
Zonder dat we er ons van bewust hoeven te zijn kan God ons in schakelen.
Dat kan zelfs als we aan ons werk helemaal niets goeds beleven,
dat we er op afknappen, of gefrustreerd door raken.
Daarom mogen we ook om een zegen bidden voor ons werk,
want ons werk kan een bijdrage zijn aan de komst van Gods koninkrijk
en een gebed om de zegen over ons werk is niet minder
dan een gebed waarin we bidden: uw koninkrijk kome.
Wanneer we serieus bidden om die zegen en ook zo leven
dat we in ons werk gezegend kunnen zijn en door ons werk anderen tot zegen kunnen zijn
dan is ons gebed om een zegen over ons werk gelijk aan het gebed uw koninkrijk kome.
Want met een zegen over ons werk bidden wij dat ons werk,
wat uit onze handen komt, wat door ons gedaan wordt, onder die Koning mag staan.
en alles wat wij doen, zelfs ons gewone dagelijkse bestaan, ons werk,
onze zorg om eten te hebben, iets voor God mogen betekenen,
iets mogen betekenen voor de uitbreiding van Gods koninkrijk.

Daarom spoort Christus ons aan om te bidden, om te bidden in Zijn Naam,
zodat ook het gebed voor onze dagelijkse benodigdheden
een gebed wordt om de komst van Gods koninkrijk
en dat wij als wij om een zegen bidden over ons werk, over wat wij nu doen,
al in het teken staat van het koninkrijk van God dat komt.
We doen misschien niets anders, maar het kader, het perspectief is anders:
de komst van Gods koninkrijk.

(4) We weten dat Hij komt
Want daar heeft de opdracht van Jezus mee te maken:
met die dag waarop de Heere Jezus terugkomt om Hier Zijn Koninkrijk te brengen.
Dat is wat de Heere Jezus stelt tegenover al die spanning, die zorgen, die aanvechtingen
die er kunnen zijn omdat de Heere Jezus niet zichtbaar aanwezig is.
Er komt, zegt Hij, een dag waarop Ik weer zichtbaar in jullie midden aanwezig zal zijn.
Dat zal een geweldige dag zijn.
en Hij voegt eraan toe: dat Koninkrijk komt dan pas volledig,
maar nu al is er, niet altijd direct zichtbaar, niet altijd direct merkbaar,
maar het is er wel: iets van het Koninkrijk van God.
Jezus spreekt ons moed in: Heb goede moed, want Ik heb de wereld overwonnen.
Wij zijn de strijdende kerk, die geregeld falen, het verkeerd doen,
soms gelukkig door de Geest ook iets goeds,
maar wij hebben de Heere aan onze zijde, die aan het kruis reeds de overwinning behaalde,
die uit het graf opstond, die naar de hemel ging,
om vandaar, aan de rechterhand van de Vader, te regeren.
Bidden in Zijn Naam, is jezelf verbinden met die Overwinnaar,
is vooruitkijken naar die dag waarop Hij komt,
is toch weer moed vinden, moed ontvangen door Hem,
kracht om te bidden.

Daarom is het gebed nodig: voor onszelf,
om daardoor het geloof te voeden, om het weer te weten, dat Christus nu al regeert,
en dat Hij over enige tijd zal komen op deze aarde, zal terugkomen.
Daarom is het belangrijk om het gebed niet te verwaarlozen,
maar het contact steeds te zoeken.
Neem daarom elke morgen, voor je de dag begint, één minuut de tijd,
om die zegen te vragen,
om te vragen of jijzelf ook, door wat je doet en wie je ben, een zegen mag zijn
om te vragen of jij, in wat je doet, dienstbaar mag zijn aan Gods koninkrijk
dat er helemaal, volop zichtbaar zal zijn als Christus terugkomt.
Om te vragen om de komst van Christus: uw koninkrijk kome.
Jezus zegt: Als je dit bidt in Mijn Naam, zal Mijn Vader het geven.
Dat is de belofte waarmee we kunnen bidden, waarmee kunnen leven,
waardoor we het kunnen volhouden, in de strijd op aarde,
tot we getuige mogen zijn van de komst van Hem die overwonnen heeft.
Amen

biddag 2017 – morgendienst

biddag 2017 – morgendienst
Kerkdienst samen met de kinderen van C.N.S. Regenboog
Thema: God hoort!
Schriftlezing: Genesis 21:8-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Robert komt op zaterdag thuis van zijn voetbalwedstrijd
en rent naar zijn moeder toe om te vertellen dat hij gewonnen heeft met voetballen.
‘Mam!’ roept hij, terwijl hij naar binnen rent,
‘Mam, weet je hoeveel het geworden is?’
Als hij zijn moeder vindt, ziet hij dat ze de telefoon tegen haar oor heeft:
ze is in gesprek, ziet hij en hij hoort het ook.
Terwijl Robert wil vertellen hoe het met voetballen is gegaan,
loopt zijn moeder weg, zodat Robert haar even niet kan storen
en doet de deur achter haar dicht.
Als Robert de deur toch open doet, stuurt zijn moeder hem weg: ‘Nu even niet, Robert!’
Robert is teleurgesteld.
Het was juist zo leuk om te vertellen dat ze deze keer gewonnen hebben
en dat hijzelf ook een doelpunt heeft gescoord.
Zou hij nog een kans krijgen om te vertellen hoe de wedstrijd verlopen is?

Er zou ook een andere versie te vertellen zijn,
over Thirza die thuis komt uit school en wil vertellen hoe het was,
maar haar vader die achter de computer zit, bezig met zijn werk
en terwijl Thirza uitgebreid over school vertelt, heeft haar vader het eigenlijk niet gehoord.
‘Pap, heb je wel geluisterd?’
Of over de juf of de meester, die vandaag even geen tijd heeft voor jouw verhaal,
omdat er andere kinderen aan de beurt zijn of meer aandacht vragen.
Je wilt wat vertellen, maar je wordt op dat moment niet gehoord.

Volwassenen luisteren niet altijd naar wat je wilt zeggen:
omdat ze het niet doorhebben dat je iets wilt zeggen,
omdat ze geen tijd voor je hebben, net doen alsof ze naar je luisteren.
Maar God luistert wel altijd naar wat je tegen Hem wilt zeggen,
of wat je aan Hem wilt vragen.
Hij luistert naar je, als je tegen Hem praat als je bidt, of als je in je gedachten aan Hem denkt.
Zelfs als je niet bewust met Hem bezig bent, kan God je horen.
Daarom hebben we ook een speciale biddag,
om er bij stil te staan dat we echt tot God kunnen bidden
en dat de Heere onze gebeden hoort en ook ons hoort,
als we niet bewust tot Hem bidden, maar gewoon wat denken of piekeren.
God hoort!
Maar vaak lijkt het er niet op dat je gehoord wordt.
Dat je net zoals Robert en Thirza tegen hun ouders iets willen vertellen niet door hen gehoord
dat je zo ook iets aan God wil vertellen, iets moois of iets verdrietigs,
maar dat het dan voor jouw gevoel zo is, dat God je toch niet hoort.

In de Bijbel staan staan verhalen waarin aan ons verteld wordt,
dat God naar mensen luistert en hun gebeden verhoord door hen te helpen.
Er staan ook verhalen in de Bijbel, waarin het heel lang duurt voor een gebed gehoord wordt
en dat mensen het idee hebben dat God hen niet hoort.
Denk maar eens aan Abraham:
Abraham was 75 jaar oud, toen hij van de Heere de opdracht kreeg om te verhuizen,
om weg te gaan bij zijn familie en lang onderweg te zijn
omdat de Heere hem een land beloofd had,
aan zijn kinderen, kleinkinderen en allen die na die kleinkinderen kwamen.
Een groot volk.
Alleen had Abraham op dat moment geen zoon.
Hij was al oud, had geen kinderen en toch beloofde God hij vader van een groot volk zou zijn.
Hij dacht eerst dat zijn knecht de hele erfenis zou krijgen,
maar nee, niet via een knecht, echt via een zoon die Abraham zelf zou krijgen.
Toen Abraham maar geen eigen zoon kreeg,
zei zijn vrouw: Abraham, je moet maar een kind krijgen bij mijn slavin.
Ze heet Hagar. Zij kan er wel voor zorgen, dat jij een zoon krijgt.
Misschien dacht Sara aan de belofte van God van een zoon voor Abraham
en dacht ze dat ze God een handje moest helpen,
omdat Hij Zijn belofte vergeten was.
Of dacht ze aan alle bezittingen die Abraham had.
Voor wie zou alles zijn als Abraham geen zoon zou hebben?
Zouden ze dan aangevallen worden door de mensen tussen wie ze woonden,
omdat ze wisten dat Abraham geen opvolger had
en bij zichzelf dachten:
nu is het onze kans om de rijkdom en de spullen van Abraham te krijgen.
Een zoon zou zekerheid en veiligheid geven, ook al is het niet haar eigen zoon.
Als Hagar in verwachting is, gaat het mis tussen haar en haar bazin Sara
en Hagar kan het niet langer uithouden, ze moet weg!
Dan komt God naar haar toe:
Hagar, ga terug en ga je bazin weer dienen.
Ik zal voor jou zorgen en ook voor je zoon.
Ook je zoon zal belangrijk zijn.
Je moet je zoon een speciale naam geven, als herinnering voor jezelf
en ook als herinnering voor Sara en Abraham:
Ismaël – die naam betekent: God hoort.
Dat staat ook voorop op de liturgie en is het thema van deze dienst: God hoort!
Als je zoon geboren wordt, Hagar, dan zegt de naam van je zoon
dat God je nooit vergeet
en ook je bazin Sara zal bij alles wat ze naar jou toe doet weten:
Er is een God in de hemel, dezelfde die Sara ook dient,
Die jouw zuchten hoort, die hoort als jij het moeilijk hebt en verkeerd behandeld wordt.
Als de jongen geboren wordt, noemt Abraham de jongen inderdaad Ismaël.
Voor hem een mooie naam: zie je wel, dat God naar mij hoort!
Eindelijk word ik geholpen.
Eindelijk doet God wat Hij heeft beloofd.
Ik heb een zoon. Door hem zal mijn naam nooit vergeten worden
en zal ik aan het hoofd van een groot volk staan.
En er is iemand die mijn bezittingen overneemt, alles erft.
God hoort! Inderdaad.
Wat zal Abraham gelukkig zijn geweest,
zo gelukkig als iemand die door God wordt gehoord
en weet: God vergeet mij niet. Hij helpt mij, Hij doet wat Hij belooft!

Dan komt God naar Abraham toe:
Abraham, je krijgt een zoon, niet de zoon van Hagar, niet Ismaël,
maar een zoon via Sara.
Voor Abraham zal dat een vreemde ervaring zijn geweest:
zijn oude vrouw Sara wordt moeder.
Hij had toch al een zoon?
Weet je hoe oud Abraham is, als God naar hem toekomt?
Hij is dan 99 jaar.
Abraham, volgend jaar heeft Sara een zoon in de armen.
Je kunt je dat nu misschien niet voorstellen.
Achter in de tent hoort Sara wat God tegen haar zegt:
ze lacht, ze kan het zich niet voorstellen dat zij op haar oude dag een kind in de armen houdt,
een eigen kind.
Een jaar later is het zover: Sara heeft inderdaad een kind gekregen.
Ze is gelukkig, zo intens gelukkig
als iemand van wie een diep verdriet overgaat doordat er iets moois gebeurt.
God hoort!
En God, Hij zorgt ervoor, dat ik weer kan lachen.
Dat wordt de naam van haar kind: Isaak, God maakt dat ik kan lachen.
De lach is terug.
Elke keer als ze haar zoon ziet, komt er een glimlach op haar gezicht.
Nooit meer een chagrijnig gezicht, ze is iemand geworden die altijd dankbaar is, altijd straalt.
Dan komt het moment dat ze de borst niet meer hoeft te geven.
We hebben dat gelezen in het bijbelgedeelte.
Op dat moment wordt er een feest gegeven
en dat heeft een reden: kleine kinderen konden in die tijd gemakkelijk sterven.
Als hij niet meer de borst hoeft te krijgen, betekent dat: Hij is sterk genoeg om te blijven leven.
De lach kan blijven, ze kan nog meer lachen, omdat ze weet: Isaak is niet alleen geboren,
Isaak, haar jongen, zal ook opgroeien en sterk worden en de boel later overnemen.

Er is nog iemand die lacht.
Het is een andere lach dan Sara heeft.
Sara is gelukkig en dat straalt van haar gezicht. Zij geniet op het feest.
Er is iemand die begrijpt dat dit feest een nare kant heeft, voor hem.
Ismaël: er komt een bepaalde hardheid in zijn ogen.
Sara vangt de blik in zijn ogen op, ze ziet de trek om de mond,
en ze leest er een boodschap in, een waarschuwing voor Isaak:
Wacht maar, tot ik je te pakken kan nemen.
Jongen, nu is mijn beurt voorbij. Jij zult alles van mij afpakken en dan heb ik niets meer over.
Denkt Ismaël dat er niemand is, die hem doorziet, niemand die hem hoort?
Niemand van de familie die tijdens het feest aanwezig is
en ook God niet?
Sara heeft niets gehoord, hooguit een lach,
maar als ze die lach hoort, als ze de mond van die jongen ziet, de blik in haar ogen,
dan lopen de rillingen over haar lijf.
Dat gaat mis, Isaak is helemaal niet veilig.
Alle kinderziekten heeft hij overwonnen en we vieren feest omdat hij niet meer bedreigd wordt
maar in ons huis loopt de volgende bedreiging voor Isaak rond: zijn eigen stiefbroer Ismaël.
En ze gaat naar Abraham: Abraham, die andere jongen van jou moet weg.
Als jij er straks niet meer bent en de erfenis verdeeld moet worden,
dan gaat het mis.
Dan zal Ismaël alles naar zich toe trekken en dan zal Isaak misschien wel gedood worden.
Isaak is zijn leven hier niet veilig.
Je moet wat doen! Stuur die andere jongen weg en zijn moeder ook.

Abrahm schrikt en wordt boos: ben je vergeten dat deze jongen mijn zoon is?
Wat moet er van hem terecht komen als hij weggaat. Ik kan hem niet wegsturen!
Abraham wil niet naar Sara luisteren.
God heeft het gesprek van Sara en Abraham gehoord
en ook dat Abraham niet wil luisteren naar Sara.
God spreekt tot Abraham: ‘Abraham, luister naar Sara.
Maak jij je geen zorgen over Hagar en Ismaël. Ik zal er zijn om voor hen te zorgen.’
En Abraham doet het. Hij luistert.
Er staat niet bij hoe hij erover denkt. Wat hij er van vindt.
Hij geeft hen brood en water mee en stuurt hen de woestijn in.
De woestijn betekent niet altijd dat je alleen maar zand hebt, er kunnen ook bergen zijn.
In een woestijn is er geen water en er groeit niets.
Je kunt er niet leven, niet wonen.
Wil Abraham God uittesten door Hagar weg te sturen naar een plek waar ze eigenlijk niet kan leven, om zo God uit de dagen: U belooft toch om voor haar te zorgen?
Nou, dan moet u maar zien dat U dat waar maakt.
Het lijkt gedaan met de zorg van God voor Hagar en Ismaël.
Hij laat Hagar in de woestijn gaan, met Ismaël aan de hand.
Daar gaan ze, de plek in waar niemand kan overleven.
Zou Hagar geweten hebben waarom ze weg moest?
Zou ze gedacht hebben: dit wordt mijn dood?
Ze heeft geen keus dan te gaan.
In de hoop dat er iemand is die voor haar zorgt en voor haar jongen,
daar in de woestijn waar geen water is en geen eten,
waar gevaarlijke wilde dieren zijn als leeuwen, gieren, slangen.
Ze is helemaal alleen met haar zoon.
En dan gaat het ook mis: het water raakt op en Ismaël krijgt dorst.
Er is geen water te vinden en de dorst wordt alleen maar sterker en sterker.
‘Mama, geef me water.’
‘Jongen, er is geen water.’
Hagar voelt dat haar jongen slapper en slapper wordt.
Hij gaat het niet halen! Hij zal sterven!
Dat kan Hagar niet aanzien.
Ze legt Ismaël onder een struik neer, zodat hij toch wat schaduw heeft
en hij niet opvalt voor de gieren die al in de lucht cirkelen.
Een klein eindje verderop gaat ze zitten, ver genoeg om niets meer te horen,
om het gehuil en het geroep van haar kind te horen
en ze huilt zelf ook. Hier houdt het op.
Ze kan niet eens meer bidden, want ze is toch door God weggestuurd bij Abraham vandaan?

Er is een psalm waarin de woorden staan:
Gij weet, o God, hoe ‘k zwerven moet op aard’;
Mijn tranen hebt G’ in Uwe fles vergaard.
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven.
Dit weet ik vast; God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

God hoort! God hoort het geroep en geklaag van Ismaël.
Het is waar, dat God hoort!|
Er komt een engel naar Hagar toe: ‘Hagar, huil niet meer!
Hagar er is troost voor je!
Weet je nog dat je van God je zoon een naam moest geven: Ismaël, God hoort!?
Nou, God heeft gehoord, Hij hoort het roepen, het huilen van Ismaël.
Kijk eens voor je, kijk eens waar je bent.
Daar vlak voor je, daar is water te vinden.
Hier kun je je zoon redden van de dood, hier kun je leven.
En Hagar kan Ismaël water geven en hij kan blijven leven.

God hoort! Vandaag is het biddag.
Een speciale dag om ons eraan te herinneren dat bidden altijd zin heeft,
omdat we een God in de hemel hebben die ons hier op aarde kent
en hoort, ook als je niet hardop praat en alleen maar denkt.
We bidden vandaag dat we eten mogen hebben en dat alles groeit,
we bidden dat er werk is voor je vader en moeder, voor je opa en oma (als ze nog werken)
voor de mensen die geen eten hebben, of geen werk.
God hoort! Dat wil niet zeggen, dat Hij het geeft, of direct geeft.
Soms gaat er lang overheen, bij Abraham 25 jaar
en bij Hagar een dag waarop ze dacht dat haar zoon zou sterven van de dorst.
En toch: God hoort! Ook jouw gebed, hardop of in jezelf. God hoort ook jou!
Je hoeft nooit te denken: ik tel niet mee voor God.
Ik hoor er niet bij, of ik ben te klein. Nee, God hoort ook jou!
En al is er niemand die jou hoort, God hoort jou wel!
Amen

 

Preek biddag 2016 – avonddienst

Preek biddag 2016 – avonddienst
Lukas 12:13-21
Lukas 22: 39-46

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het gebed dat de Heere Jezus gegeven heeft om te bidden,
geeft Hij ook gebeden die over onszelf gaan.
Geef ons heden ons ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren
en leid ons niet verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Een gebed om elke dag ons brood te mogen ontvangen
laat zien dat de Heere oog heeft voor ons alledaagse leven.
In ons gebed worden we opgedragen
om ook aandacht bij de Heere te vragen voor dat alledaagse leven van ons.
Biddag voor gewas en arbeid is dan ook een herinnering voor onszelf
dat we mogen bidden om eten te ontvangen en werk te hebben
en dat we onze alledaagse zorgen bij de Heere mogen brengen.
Biddag is voor ons ook een dag waarop we dat doen:
speciaal bidden voor het brood dat de Heere ons elke dag wil geven
Heere, ook wat betreft ons eten zijn we elke dag afhankelijk van U.
Wilt u ons dat vandaag ook weer geven?
En niet alleen aan ons, maar ook aan ieder op deze wereld die niet heeft?
Vandaag bidden we voor ons werk in het bijzonder:
Heere, zegen het werk dat we doen:
het werk waarvoor we betaald krijgen
én het werk dat we doen uit zorg voor de mensen om ons heen.
Geef dat we voldoening hebben in ons werk
en dat we door ons werk voor anderen tot zegen mogen zijn.
Als we bidden om dagelijks eten te ontvangen
en als we bidden om een zegen op ons werk
dan laten we zien dat we ook voor ons eten en voor ons werk van de Heere afhankelijk zijn,
van Zijn zorg voor ons.
Alles wat we hebben, hebben we aan de Heere te danken.

Naast het bidden om ons dagelijks brood
leert Christus ons ook te bidden om vergeving van onze schuld
en om te bidden om bewaring voor verleiding.
Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Door dit gebed leert de Heere Jezus ons
dat we in de verleiding komen om te vergeten bij de Heere aan te kloppen
en dat we er niet aan denken
om bij de keuze voor een vervolgopleiding of een nieuwe baan
of om de zegen over onze huidige baan bij de Heere aan te kloppen.
Bij wie kloppen we dan aan om wijsheid, om zegen?
Of denken we dat wij dat zelf wel aankunnen.
Vandaag bidden wij. Heere, bewaar ons voor de verleiding dat we U vergeten,
Bewaar ons voor de verzoeking om de zegen ergens anders te halen
waarbij we U uit het oog verliezen.
Behoed ons ervoor om ergens anders aan te kloppen
voor ons dagelijks brood en een zegen op ons werk.
voor beslissingen die wij te nemen hebben.

We kunnen in de verleiding komen om pas achteraf, als wij ons plan al klaar hebben
en weten hoe het er aan toe moet gaan,
dat we dan nog even naar de Heere gaan,
want Hij moet natuurlijk onze plannen wel zegenen.
Bewaar ons voor de verleiding om zelf eerst onze plannen klaar te hebben
en ons leven al uitgestippeld te hebben
en dat we dan pas bij de Heere aankomen.

Wanneer we het gebed na gaan laten,
als we ons alledaagse leven niet meer aan de Heere voorleggen
en Hem niet meer betrekken in de keuzes die we maken,
dan kunnen we in de verleiding komen
om te denken dat ons leven van onszelf is
en dat wij zelf hebben te zorgen voor ons eten, voor een goede baan,
voor een zinvol en gezegend leven.

We zien dat in de gelijkenis die de Heere Jezus vertelt
over iemand die door de overvloed die hij heeft
denkt dat zijn leven zijn eigen eigendom is, van hemzelf is, zijn bezit.
Dat we gaan denken dat ons leven van onszelf is,
is een grote verleiding.
Zo voor het oog lijkt het er ook op,
dat ons leven van onszelf is en dat wij daar de baas over zijn.
Maar dat is een van de verleidingen, waar de Heere Jezus ons voor wil waarschuwen
Dat we zo gaan denken
en dat we gaan handelen alsof ons leven alleen maar van onszelf is.
Dan vertelt hij over iemand die inderdaad zo denkt en zo leeft:
Alles wat ik heb, is van mij en heb ik zelf opgebouwd.
En wanneer ik een onverwachte meevaller heb,
dan is dat voor mij een uitdaging om daar een goede investering mee te doen,
zodat ik weer verder kan om mijn bedrijf uit te bouwen.
Hij heeft reeds een groot bedrijf
en is enorm vermogend.
Bijna iedereen in het dorp is van hem afhankelijk wat inkomen betreft.
Als de oogst dan veel groter is dan verwacht,
houdt hij het voor zichzelf.
Het is immers zijn eigen bedrijf, zijn eigendom.
En alles wat zijn grond opbrengt, is van hem.
Hij is er maar druk mee om te bedenken wat hij ermee kan:
Wat moet ik doen?
Hoe kan ik met deze onverwacht grote oogst, deze gigantische meevaller
mijn bedrijf nog meer uitbouwen, nog rendabeler maken?
Hij wil niet inzien
dat deze oogst hem gegeven is om anderen te gedenken, bij te staan,
de mensen in het dorp die weinig hebben en nauwelijks rondkomen.
Maar daar heeft hij geen oog voor, verblind door zijn bezit.

Leid ons niet in verzoeking
betekent dat wij de Heere er voortdurend om vragen
of Hij ons ervoor wil behoeden
dat wat wij hebben als puur en alleen ons eigendom zien,
Waar alleen maar wij recht ophebben.
Het is de verzoeking die ons ervoor de ogen sluit
dat wij onze rijkdom in God hebben te zoeken.
We zijn rijk als we God hebben
en we zijn gezegend als we met God leven
en van Hem onze zegen verwachten.

Het is niet zozeer de bedoeling dat de man alles weggeeft,
wel dat hij er blijk van geeft dat de Heere deze grote oogst hem niet zomaar geeft,

dat hij door een deel van die enorme oogst,
boven op de rijkdom die hij toch al had,
had kunnen gebruiken om anderen, die minder hadden, te dienen.
Niemand leeft voor zichzelf alleen, schrijft Paulus.
Maar de man leeft wel voor zichzelf alleen
en kan alleen maar denken aan zichzelf
en aan een goed leven voor zichzelf, voor hem alleen.
Als ik het maar goed heb.
Hoe die anderen dat redden, dat is hun zorg.
Dat is niet mijn verantwoordelijkheid.
Hadden ze maar net zo hard moeten werken als ik.
Of net zoveel geluk moeten hebben als ik.

De verleiding om alles voor zichzelf te houden
hangt samen met een andere verleiding:
te denken dat je zelf verantwoordelijk bent voor je geluk.
Ik kan mijn geld niet weggeven aan anderen,
want stel dat ik dan tekort kom, een stap terug moet doen,
niet meer kan genieten van mijn rust.
Daar heb ik toch recht op?
De verleiding om het geld voor jezelf te houden
houdt ook verband met de verleiding
te denken dat het leven hier op deze aarde alles is.
Je leeft maar eens – YOLO
en je bent een ongelooflijke loser als je niet genoten hebt tijdens dat leven.
Dan moet je wel alles naar te toe halen
en voor jezelf houden,
krampachtig voor jezelf houden, uit angst om alles kwijt te raken.
Want als je je geld kwijtraak,
raak je ook je leventje kwijt, raak je je positie kwijt
en wat houd je dan nog over?
Dat is niet alleen een verleiding voor vandaag,
hoewel die verleiding vandaag ook sterk aanwezig is.
Een verleiding van alle tijden – laat de Heere Jezus zien met deze gelijkenis,
namelijk de gedachte dat wij zelf moeten streven naar ons geluk
en dan vooral een geluk hier op deze aarde.

Het is de mythe van een perfect leven,
een leven dat voor slechts heel weinigen is weggelegd
Deze man van de gelijkenis kan in die mythe van een perfect leven in het hier en nu geloven
omdat hij die luxe heeft
en daardoor ziet hij niet hoe leeg en hoe plat dat is.

Het is de mythe van een perfect leven,
een leven dat voor slechts heel weinigen is weggelegd
en wie misgrijpt en dat leven niet kan bereiken
zal dan de last moeten dragen van een leven dat niet geslaagd is
een last die ook als een schuld naar jezelf toe kan voelen.
Niet iedereen die meegenomen wordt in de verleiding van een perfect leven is oppervlakkig.
Heel vaak zijn het hele serieuze mensen, die de verantwoordelijkheid voelen
om van hun leven wat te maken,
ook in hun verantwoordelijkheid naar de Heere toe.

Afgelopen week hoorde ik hiervan nog een voorbeeld op de radio.
Een moeder die een verslag deed van het overlijden van haar dochter,
die zelf ervoor koos om niet meer verder te leven.
Deze dochter was weliswaar somber geweest,
maar had het verder goed: fijne contacten, bepaalde dromen die ze wilde verwerkelijken,
behoorlijke ambities,
maar ze legde, zonder dat haar omgeving dat door had,
voor zichzelf de lat wel erg hoog.
Zo hoog, dat ze het niet meer aankon.
Ik denk dat deze druk in onze tijd steeds sterker wordt
omdat we als mensen steeds meer verantwoordelijk worden
om onszelf gelukkig te maken.
Een sterke verleiding in een cultuur waarin veel mensen het goed hebben
en doelen kunnen nastreven en ambities kunnen formuleren.
Als je leeft in een maatschappij waar veel mogelijk is,
dan moet je dat ook allemaal waarmaken,
Want stel je voor dat je een kans mist.


De Heere Jezus plaatst er een andere rijkdom tegenover:
niet de rijkdom van veel geld of van veel bezit,
rijkdom heeft te maken met het kennen van God.
Wie God kent, weet dat hij rijk is
en wie zich eigendom weet niet van zichzelf, maar van God
weet dat God voor geluk zal zorgen.
Die rust die de man zelf dacht te bereiken, zegt de Heere Jezus, geef Ik,
want Ik zorg voor jou.
Laat je niet in de verleiding brengen dat jij daar verantwoordelijk voor bent.

Toch zijn we als christenen ook vatbaar voor verleidingen,
Verleidingen die sterk zijn in onze maatschappij.
We zijn als christenen geen morele giganten, die alle verleidingen zomaar de baas zijn.
We voeren vaak een strijd waarin we ten onder dreigen te gaan.
Leid ons niet in verzoeking
is daarom ook een gebed aan God
of Hij ons niet wil loslaten
en ons de ogen wil openen voor de verleiding
en als we de verleiding niet doorhebben en verstrikt raakt,
dat Hij ons dan verlost van de boze.

In de tuin van Gethsemané waarschuwt Christus nogmaals voor de verleiding,
dubbelop zelfs.
Maar de discipelen, ze horen de beide waarschuwingen niet.
Ze zijn teveel bezig met hun eigen weg en eigen gedachten,
hun eigen verdriet waardoor ze in slaap vallen.
‘Als we slapen, verzinken we in een eigen wereld,
onbewust van Gods handelen.’ (Eugene H. Peterson)
Als we op deze manier slapen en vol zijn van onszelf
staan we, als we wakker worden weer op,
vatbaar voor de verleiding om het zelf weer te moeten doen.

In de tuin van Gethsemané gaat Jezus de strijd aan
met de verleiding die er voor Hem is:
om terug te deinzen voor de weg die de Vader voor Hem uitstippelde.
Vader, neem deze beker weg van mij,
De beker van uw oordeel
over alle verleidingen waarvoor de mensen zijn gevallen
en waardoor ze in slaap zijn gesukkeld, vermoeid door hun eigen onmacht, verstrikt.
Terwijl zijn leerlingen slapen en Hem hadden moeten steunen,
worstelt Jezus
om niet voor de verleiding te bezwijken: niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde.
Hoe zwaar de druk ook is
– de angst overvalt Hem, ondanks de steun die de engel biedt
en zijn bloed komt over als bloed,
dat kan geduid worden als het zichtbaar worden van zijn innerlijke worsteling
maar ook een teken van bereidheid om de slagen te ondergaan
op weg naar het kruis.
God zij dank zag Christus zijn leven niet als een bezit
Dat alleen maar voor Hem zelf was,
maar zag Hij zichzelf als een offer
en was Hij bereid om zichzelf als dat offer te geven
waarmee Hij betaalde voor al die momenten
Waarop wij voor de verleiding bezweken waren.
Hier zegt Jezus tegen Zijn Vader: Ja, Ik ga
om hen vrij te kopen
en tegen ons: Ja, Ik ga om jullie vrij te kopen.

Wat is uw enige houvast in leven en sterven.
Dat ik het eigendom ben – niet van mijzelf en ook niet van de satan,
maar van mijn getrouwe zaligmaker Jezus Christus
die mij vrijkocht van alles waarin ik verstrikt was
mij vrijkocht door zelf zijn leven te geven
en daarom bestand was tegen die verleiding,
omdat Hij niet aan zichzelf dacht, maar aan iedereen die Hij zou kunnen vrijkopen en redden.
Amen