Les 18: Belijdenisgeschriften

Les 18: Belijdenisgeschriften

Mirthe heeft geregeld met een collega gesprekken over het geloof. Deze collega is niet met het geloof opgegroeid en heeft veel vragen. Op veel vragen weet Mirthe zelf het antwoord niet. Wat gelooft ze eigenlijk zelf? En bestaat er niet een soort samenvatting van wat het geloof inhoudt?

Johan gaat wel eens met een vriend mee naar een andere kerk. Niet alleen de opzet van de dienst is anders, ook de boodschap van de voorganger is anders. Dat brengt Johan in verwarring. Wat gelooft hij zelf? Wat hoort hij te geloven?

Vraag 1: Waar haal jij je kennis over God en over het geloof vandaan?



Vraag 2: Als een collega of een vriend(in) meer wil weten over het geloof, wat bied je dan aan?


Uitleg
In de kerk bestaan er officiële samenvattingen, waarin we kunnen weten waar de kerk inhoudelijk voor staat. Dat zijn belijdenisgeschriften. Onze kerk, de Protestantse Kerk in Nederland, kent een aantal belijdenisgeschriften. In de belijdenisgeschriften staat wat de officiële leer van de kerk is. Deze belijdenisgeschriften zijn vaak ontstaan in een tijd, waarin er veel discussie was over wat de kerk hoort te leren.

De Protestantse Kerk is in 2004 ontstaan uit een fusie van 3 kerken. De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.
De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlands Hervormde Kerk hadden 6 belijdenisgeschriften:

  • de Apostolische Geloofsbelijdenis
  • De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
  • De geloofsbelijdenis van Athanasius
  • De Heidelberger Catechismus
  • De Nederlandse Geloofsbelijdenis
  • De Dordtse Leerregels

Deze geloofsbelijdenissen zijn ook in verschillende psalmboeken opgenomen. De laatste drie belijdenisgeschriften worden samen de drie formulieren van enigheid genoemd.


De apostolische geloofsbelijdenis
De apostolische geloofsbelijdenis gaat niet terug op de 12 apostelen. De naam geeft aan: de inhoud komt overeen met wat de apostelen geleerd hebben. Deze belijdenis is ontstaan als een belijdenis die nieuwe christenen opzegden bij hun doop. Deze nieuwe christenen lieten de Romeinse of de Griekse godsdienst, waarin ze opgegroeid waren, achter zich en gingen Jezus als hun Heer belijden.
Kenmerkend voor deze belijdenis is de indeling in drieën: eerst wordt iets beleden over God de Vader, daarna over God de Zoon en tenslotte over de Heilige Geest.

De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
In de 4e eeuw werd er gediscussieerd over de vraag of Jezus ook God als of dat Jezus minder dan God was. Op verschillende concilies (officiële vergaderingen) werd uitgesproken dat Jezus net zo goed God was als God de Vader en dat er toch maar één God is. Omdat er ook een Heilige Geest is, spreken we over God als drie-een.
De belijdenis is genoemd naar de verschillende plaatsen waar die concilies gehouden zijn: Nicea (325 na Christus) en Constantinopel (381 na Christus). Deze belijdenis is een uitbreiding van de apostolische geloofsbelijdenis. Deze belijdenis is de meest geaccepteerde belijdenis. Bijna alle kerken over heel de wereld accepteren deze belijdenis.

De geloofsbelijdenis van Athanasius
De geloofsbelijdenis van Athanasius is de meest onbekende geloofsbelijdenis. Ook deze belijdenis is ontstaan in een tijd waarin er werd gediscussieerd over de vraag over Jezus ook God was. Deze belijdenis is een felle verdediging van de gedachte dat God zowel uit Vader, Zoon en Geest bestaat en toch één is. Wie dat niet gelooft, kan niet behouden worden, zegt deze belijdenis. De geloofsbelijdenis is niet geschreven door Athanasius, maar vernoemd naar Athanasius, die de belijdenis van God als drie-één verdedigde.

 

De Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis is in 1561 geschreven door Guido de Brès. In die tijd worden de protestantse gelovigen vervolgd vanwege hun geloof. In deze belijdenis legt De Brès uit wat protestanten geloven. Hij legt uit dat hun geloof niet afwijkt van wat de kerk altijd geleerd heeft. Hij legt uit waarom protestanten niet katholiek kunnen zijn. Ook legt hij uit dat protestanten geen Wederdopers kunnen zijn. Wederdopers hadden voor veel opschudding gezorgd. Niet alleen omdat ze voor de volwassendoop waren (volwassenen werden weder=opnieuw gedoopt), maar ook omdat er nogal wat vreemde praktijken waren bij de Wederdopers.

De Heidelberger Catechismus
De Heidelberger Catechismus is bedoeld om de gewone mensen in de kerk uitleg te geven over wat het geloof inhoudt. Thema’s die aan de orde komen:

  • de geloofsbelijdenis: Wat doet God in jouw leven en in de wereld waarin wij leven?
  • doop en avondmaal: hoe horen we bij Christus en hoe krijgen we deel aan de redding?
  • de Tien geboden: Hoe leven we als christenen tot eer van God? Hoe doen we Zijn wil?
  • en het Onze Vader: Hoe leren we bidden?

Je zou kunnen zeggen: een gelovige hoort zijn geloof op deze thema’s onder woorden te kunnen brengen. De belijdenis bestaat uit vragen en antwoorden. De leermeester stelde de vragen en de leerling gaf antwoord. Zo leerde de leerling zijn eigen geloof persoonlijk onder woorden te brengen.
Deze geloofsbelijdenis is in 1563 ontstaan in Heidelberg. Omdat op dat moment er een gemeente was van uit Nederland gevluchte protestanten, raakte deze belijdenis ook in Nederland bekend.
Deze belijdenis is opgedeeld in 52 zondagen. ‘s Middags konden de jongeren op catechisatie die zondag leren en in de middagdienst werd over die zondag in de kerkdienst gepreekt.

De Dordtse Leerregels
De Dordtse Leerregels gaan onder andere over hoe je gered kunt worden. In 1610 zei Arminius: God redt mensen op basis van hun geloof. Omdat God weet dat mensen gaan geloven, gaat Hij hen redden. De tegenstanders vonden dat Arminius de redding teveel afhankelijk maakte van hoe mensen zullen reageren. God is niet afhankelijk van onze reactie, van ons antwoord. In 1618 komt er een officiële vergadering in Dordrecht, waarin wordt aangegeven dat de kerk kiest voor de lijn van Arminius’ tegenstanders.

Norm of richtlijn?
Veel kerken in Nederland hebben deze 6 belijdenisgeschriften. Er is wel in de afgelopen eeuwen discussie geweest over hoe je ze moet gebruiken. De één ziet ze als norm waarvan je niet mag afwijken. Ook niet als individuele gelovige. De ander ziet de belijdenisgeschriften meer als richtlijn: zo zou je kunnen geloven. De één ziet ze als een samenvatting van wat er in de Bijbel staat. De ander zegt dat je je beter met de Bijbel zelf kunt bezig houden. Het is de moeite waard om de geloofsbelijdenis er steeds bij te pakken. Al kan de plechtige taal waarin ze geschreven zijn een belemmering zijn. Een belemmering om ze goed te kunnen gebruiken is, dat ze ook wel eens over thema’s gaan, die vandaag niet zo actueel meer zijn.
De officiële lijn is dat belijdenisgeschriften aangepast mogen worden, maar dat moet dan wel gebeuren op basis van wat er in de Bijbel staat.  

 

Vraag 4: De eerste vraag van de Heidelberger Catechismus is: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Probeer hiervoor je eigen antwoord te formuleren. Wat zou jij zelf op die vraag antwoorden?




Vraag 5: Vergelijk je antwoord met het antwoord uit de Heidelberger Catechismus.
– Welke thema’s heeft de Catechismus, die jij niet hebt?


– Welke thema’s heb jij die niet in de Catechismus staan?


Vraag 6: In de Heidelberger Catechismus worden de geloofsbelijdenis, doop en avondmaal, de Tien geboden en het Onze Vader uitgelegd. Waarover zou jij zelf meer uitleg willen hebben?


 

Les 17 De kerk

Les 17 De kerk

Als Maria een tijdje ziek is, geeft ze het door aan haar predikant. Hij komt op bezoek, neemt haar naam mee in de voorbede van de zondagse dienst en schrijft iets over haar situatie in het kerkblad. Nadat ze is genoemd in de voorbeden, komen de kaarten en als haar naam en adres in het kerkblad staan, worden haar nog meer kaarten toegestuurd. Ze is blij dat ze het doorgegeven heeft, want de kaarten doen haar goed.

André en Esther zitten samen op een Bijbelkring. Het is een fijne Bijbelkring. Ze hebben altijd fijne gesprekken. Iedereen is heel open en vertelt wat hem of haar bezighoudt. Ze vinden het mooi dat er ook steeds een stukje uit de Bijbel samen wordt gelezen en dat er met elkaar over wordt doorgepraat. Het bezoeken van deze Bijbelkringen is goed voor de groei van hun geloof.

Vraag 1: Kun jij een ervaring vertellen, waardoor je de waarde van de kerk ontdekt hebt?



Vraag 2: Gelovig ben je niet in je eentje. Wat betekenen de andere gemeenteleden voor jou?


Vraag 3: Wat heb jij andere gemeenteleden te bieden?


Gelovig ben je niet in je eentje. Je hoort bij een kerk, een gemeente. In deze gemeente vind je mensen met wie je goed kan opschieten en mensen met wie het minder klikt. Soms passen onderdelen van een kerkdienst niet bij je en dan weer wel. De perfecte gemeente bestaat niet.
De perfecte gemeente bestaat ook niet, omdat de kerk uit zondaars bestaat. Van die zondaars doet een deel de best om tegen de zonde te strijden, maar is niet volmaakt. Een ander deel strijdt minder hard. Ook in een kerk kunnen spanningen en conflicten zijn. Die spanningen en conflicten kunnen soms heel diep gaan, omdat gemeenteleden zich vaak persoonlijk betrokken voelen. Een conflict binnen de kerk kunnen ze daarom niet zakelijk afhandelen. Bovendien kan er een verwachting zijn dat er binnen de kerk op een liefdevollere manier met elkaar omgegaan wordt dan buiten de kerk. Omdat kerkmensen niet volmaakt zijn, is de kerkelijke gemeente ook niet vrij van spanning en conflict.
Ook al zijn de mensen niet volmaakt, Christus wil die onvolmaakte mensen gebruiken in Zijn dienst. Samen vormen ze het lichaam van Christus. Dat wil zeggen: al die gemeente zijn verbonden met Christus en daarom horen ze bij de gemeente. Daarom is de kerk niet alleen een gemeenschap van zondaren, maar ook een gemeenschap van heiligen. Zo belijden we dat ook in de geloofsbelijdenis: Ik geloof de gemeenschap der heiligen. Daar hoor jij ook bij. Samen met degenen die met jou in de kerk zitten en met jou aan het avondmaal aangaan.

Vraag 4: Hoe vind jij dat mensen in de kerk met elkaar om horen te gaan? Waar baseer je dat op?


Een kerk is altijd verbonden aan een plaats. De kerk heeft verantwoordelijkheid voor de mensen die bij deze plaats horen. Ook al zijn ze niet bij de kerk betrokken. Een plaatselijke gemeente heeft altijd ook eigenschappen die bij de lokale gemeenschap horen. Een kerk in Amsterdam is anders dan in Kamperveen. Zelfs tussen Oldebroek en Elburg kunnen verschillen zijn. Het is goed om respect te hebben voor die plaatselijke gewoonten. Behalve als die gewoonten botsen met het Evangelie.
Een plaatselijke kerk maakt ook altijd deel uit van de kerk wereldwijd. Zoals er geen perfecte kerk is, is er ook een ware kerk. De verschillende kerkgenootschappen vormen samen het lichaam van Christus. De Hervormde Gemeente Oldebroek is onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland. Deze Protestantse Kerk in Nederland zegt dat zij niet de ware kerk is, maar een van de gestalten waarin het evangelie vorm krijgt. Onze kerk erkent andere kerken. Dat houdt in dat een doop of een belijdenis van een andere kerk geaccepteerd wordt en omgekeerd: als je hier belijdenis doet, wordt dat bij overgang naar een andere kerk ook geaccepteerd.

Vraag 5: Welke kerken zijn er in Oldebroek? Wat weet je van de andere kerken die er in Oldebroek zijn?



De plaatselijke kerk is ook verantwoordelijk voor de gemeenteleden die aan deze kerk verbonden zijn. Door kinderclubs, jeugdgroepen, huisbezoek, ouderenmiddagen wordt geprobeerd om iedereen aandacht te geven. Het mooie van de kerk is dat er verschillende leeftijden bij elkaar in een gemeenschap zijn. Binnen de kerk kun je van verschillende leeftijden leren: je kunt als jongere leren van een oudere. Een oudere geeft vaak aan te leren van de openhartigheid waarmee jongeren over hun geloof kunnen spreken. In die zorg voor elkaar gaat het erom, dat je elkaar bij Christus houdt en dat je geloof levend blijft.

Wat heb je nodig om kerk te zijn? Stel: je wilt een nieuwe kerk oprichten, wat heb je daarvoor nodig? Allereerst een goede verkondiging van het evangelie, zodat er geen gekkigheid wordt verteld. In onze kerken is dat geregeld door degenen die predikant worden tijdens hun opleiding steeds te toetsen, bijvoorbeeld op hun geschiktheid en op hun geloof. In onze kerken is het ook geregeld door de ambten. Ambtsdragers hebben een verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in de kerk.
Wat ook nog nodig is, is dat de sacramenten op de juiste manier worden bediend. Doop en avondmaal mag in onze kerk alleen maar iemand die bevestigd is als predikant. Daarmee laten we zien dat sacramenten ook iets heiligs hebben en niet zomaar gedaan kunnen worden.
Er is nog een derde kenmerk van wat een kerk is. Deze is wat lastiger. Dat is namelijk dat alles wat botst met het evangelie geweerd wordt. De bedoeling is dat gemeenteleden hun relatie met Christus serieus nemen en dat wanneer het mis gaat, wanneer zij die relatie verwaarlozen, dat zij daar op aangesproken worden. In het ergste geval kunnen ze, in het geval er echt iets mis is, uit de kerk worden gezet. Dat zijn ingrijpende maatregelen, die je niet zomaar in praktijk brengt, omdat zo’n maatregel lang niet altijd tot gevolg heeft dat iemand tot inkeer komt. Sterker nog: het komt vaker voor dat iemand verbitterd raakt en kwaad en teleurgesteld afscheid neemt van de kerk.

Vraag 6: Wat heb jij nodig om te voorkomen dat je geloof afzwakt?



Vraag 7: Wanneer luister je wel als je ergens op aangesproken wordt en wanneer niet?



We geloven dat de kerk een schepping van God is. Hij is het ook die de kerk in stand houdt. Als er een tijd is, waarin de kerk het moeilijk heeft, kan Hij de kerk nieuw leven inblazen. Als ergens geen kerk is, kan Hij daar een kerk brengen, zoals Hij de aarde ook uit niets geschapen heeft. Christus bewaart en onderhoudt de kerk. Tot Zijn wederkomst zal er een kerk op aarde zijn, waarin God wordt geprezen en gediend.

BIJBEL: Lees Handelingen 14:21-28

Vraag 8: De zielen van de aanwezige gemeenteleden worden versterkt. Waarom zullen Paulus en Barnabas dat hebben gedaan?



Vraag 9: Hoe zal dat gebeurd zijn: dat versterken van de zielen?


Vraag 10: Ze worden aan Gods genade opgedragen. Wat betekent dat?


Vraag 11: Ze vertellen over wat God heeft gedaan in de gemeenten die zijn bezocht. Wat zou je over Gods werk in Oldebroek kunnen vertellen?

 

Les 16 Taken binnen en buiten de kerk

Les 16 Taken binnen en buiten de kerk

Han en Simone krijgen de ouderling op bezoek. Enkele weken geleden belde hij dat hij langs wilde komen. Ze zijn best gespannen. Waar zal het gesprek over gaan? Waar zal hij naar vragen? In het begin van het gesprek stelt de ouderling zich voor en vertellen Han en Simone wie ze zijn. Het gesprek valt hen erg mee en ze worden wat meer ontspannen. Tegen het einde van het gesprek vraagt de ouderling of ze iets binnen de kerk doen. Daar moeten ze het antwoord op schuldig blijven. ‘En wat laten jullie buiten de kerk zien van je geloof?’ vraagt hij verder. Ook daar weten ze niet zo goed wat op te zeggen. De ouderling wil hen helpen: ‘Hebben jullie dan geen zorg voor iemand?’ Dan vertellen Han en Simone dat ze af en toe met de buurvrouw naar het ziekenhuis gaan en contact hebben met de kinderen. Want de kinderen van de buurvrouw wonen ver weg. ‘Heeft dat niet iets te maken met jullie geloof?’ Zo hadden ze het nog niet bekeken.

Erik krijgt een telefoontje van zijn wijkouderling. De wijkouderling vertelt hem dat hij door de kerkenraad is voorgedragen voor de verkiezing van ambtsdragers. Ze stellen hem kandidaat als diaken. Erik schrikt ervan. Er is niemand in zijn familie of vriendenkring die ambtsdrager is. Wat houdt dat in? En als hij verkozen wordt, dan moet hij een beslissing nemen. Maar waar moet hij dan over nadenken? Op basis waarvan moet hij zijn beslissing nemen?

Vraag 1: Welke taken heb jij binnen de kerk (gehad)? Wat hebben die taken gedaan met je geloof?




Vraag 2: Welke taken heb jij buiten de kerk (gehad)? Heeft dat iets met je geloof gedaan?



Vraag 3: Zou jij ambtsdrager kunnen zijn? Wat heb jíj daarvoor nodig? Welk ambt zou het beste bij je passen?


 

Taken binnen de kerk
Als gelovige ben je niet alleen. Je bent onderdeel van een gemeenschap. Dat merk je bijvoorbeeld ‘s zondags als je naar de kerk gaat. Dat merk je ook op andere manieren: als kind ben je wellicht naar de zondagsschool of naar een club van de kerk gegaan. Daar was ook leiding aanwezig. Het kan zijn dat iemand van de leiding voor jouw een voorbeeld was of jou op een bijzondere manier iets heeft geleerd over de Heere God. Wanneer je huisbezoek hebt gehad, is er iemand die namens de kerk op bezoek komt. Wanneer je ziek geweest bent of een overlijden hebt meegemaakt, dan zijn er gemeenteleden die je een kaartje hebben gestuurd.
Geloven is een combinatie van ontvangen en geven. Je draagt zelf ook je steentje bij door bijvoorbeeld club of zondagsschool te geven, door iemand op te zoeken of door een kaartje te sturen, door voor iemand te bidden. Het mooiste is als een taak bij je past. Niet altijd kan iemand een bijdrage leveren. Soms heb je het te druk met je werk of heb je veel taken gehad in de kerk. Of je hebt een aantal taken buiten de kerk. In een bepaalde tijd kan de zorg voor iemand, voor jezelf of voor je eigen gezin de aandacht vragen, waardoor je niet toekomt aan je bijdrage aan de kerk. Ook als je naar de kerk gaat, luistert en meezingt, lever je al een bijdrage aan de gemeenschap.
We geloven dat de kracht en de wijsheid die nodig is voor een taak door de Heilige Geest wordt gegeven. Hij maakt je voor een taak bekwaam.

Taken buiten de kerk
Er zijn niet alleen taken binnen de kerk. Ook buiten de kerk kun je je betrokkenheid laten zien. Als je bijvoorbeeld de zorg hebt voor een buurvrouw. Of als je betrokken bent bij de muziekvereniging of bij de voetbal of de volleybal. Als ouder verwacht de school ook dat je meehelpt. Je kunt je verkiesbaar laten stellen voor de gemeenteraad. Deze taken zijn niet van minder belang dan taken binnen de kerk. Juist in de taken die je hebt buiten de kerk kun je iets van de liefde van Christus laten zien aan anderen die niet van de kerk zijn. Een christen is ook verantwoordelijk voor wat er de maatschappij gebeurt. Ook voor de taken buiten de kerk geeft de Heilige Geest kracht en wijsheid.

 

Vraag 4 Welke taak past er bij de gaven die jij hebt? Wat is er voor nodig om die taak goed uit te voeren?


Ambtsdrager zijn
Een speciale taak binnen de kerk is het ambt. We kennen binnen onze Protestantse Kerk in Nederland 3 ambten: de predikant, de ouderling en de diaken. Er zijn er eigenlijk nog twee: de kerkrentmeester en de kerkelijk werker. De kerkrentmeester wordt bevestigd als ouderling-kerkrentmeester. Een kerkelijk werker wordt meestal als ouderling bevestigd; soms als diaken.
Het ambt is een speciale taak binnen de kerk. Een ambtsdrager is een vertegenwoordiger van Christus binnen de kerk. Dat vertegenwoordigen kan door het huisbezoek. Dat gebeurt door de wijkouderling. Dat vertegenwoordigen kan door de zondagse preek van de predikant: door de woorden van de predikant spreekt Christus de gemeente aan. Dat vertegenwoordigen van Christus kan door het aanbieden van hulp. Dat gebeurt dan door een diaken. De kerkenraad heeft de leiding in de gemeente. Die leiding over de gemeente is niet een vorm van heersen. Als het goed is, dienen ambtsdragers de gemeente, zoals Christus gediend heeft.
De roeping tot ambtsdrager gebeurt door middel van de keuze van de gemeente. In de gemeente die kiest (of de kerkenraad die benoemt) mogen we de stem van Christus horen. Daar hoeft niet een bijzondere ervaring bij te komen. God werkt net zo goed door mensen als door bijzondere ervaring.

Een ambtsdrager is niet boven de gemeente verheven. Ambtsdragers zijn gewone mensen, gewone christenen die door Christus gebruikt worden. De mening van een ambtsdrager is nog niet direct de mening van Christus. Het is daarom goed mogelijk om kritiek te hebben op een ambtsdrager. Ambtsdragers zijn geen betere gelovigen dan andere gemeenteleden. Vaak hebben ze wel meer Bijbelkennis of hebben ze meer levenservaring of ervaring in geloof. Met die kennis en ervaring mogen ze de gemeente dienen.

Vraag 5: Vraag aan je wijkouderling (of een andere ouderling of diaken) hoe de roeping tot het ambt gegaan is. Wat waren de argumenten om aan te nemen? Vraag ook wat het werk als ouderling, ouderling-kerkrentmeester of diaken betekent voor het leven met Christus.




Bijbelstudie – Romeinen 12

Vraag 6: Je inzet voor God is een offer dat je brengt. Wat kosten de taken jou? En wat leveren ze je op? Op welke manier dien je Christus ermee?



Vraag 7: Er zijn verschillende taken binnen en buiten de gemeente. Welke taken worden er genoemd. Moet je als gelovige alle taken kunnen doen? Of mag je ook zeggen dat je bepaalde taken niet kunt uitvoeren?



Vraag 8: Paulus geeft aan dat er gaven zijn die in genade gegeven zijn. Welke gave heb jij gekregen?

Vraag 9: Paulus zegt ook iets over hoe je inzet moet zijn. Vertel daar iets over.


Les 15 Bidden

Les 15 Bidden

Lydia heeft een koffieafspraak met een vriendin. Tijdens deze ontmoeting vertelt die vriendin over heel wat zorgen die er in haar leven zijn. Bij het weggaan zegt Lydia: ‘Ik zal voor je bidden!’

Vraag 1: Op welke momenten bid jij?




Vraag 2: Hoe vaak per dag / per week bid jij?



Vraag: 3: Wat betekent bidden voor jou?
Ik zou niet zonder bidden kunnen, omdat….



Uitleg
Bidden doen we niet alleen omdat we daar zelf behoefte aan hebben. Bidden doen we omdat ons dat is opgedragen: Bid onophoudelijk (1 Thessalonicenzen 5:17).
Het bijzondere van bidden is dat je als mens op aarde voor Gods troon in de hemel mag komen. Je mag Hem vertellen wat je bezig houdt. Je mag Hem danken. Bidden betekent ook een beroep op God doen: je vraagt of Hij iets voor jou of voor een ander wil veranderen. Bijvoorbeeld:
– dat iemand geholpen wordt
– dat iemand beter wordt
– dat er vrede op aarde komt
– dat iemand mag gaan geloven

Belemmeringen
Bidden is niet altijd makkelijk. Vooral het volhouden van het bidden niet. Daarom is het goed als er een bepaalde regelmaat is. Dat je een vast moment op de dag of in de week hebt. Dat je een vaste plek hebt. Er zijn allerlei belemmeringen om het bidden vol te houden:

(1) Je bent te druk. Door een drukke planning heb je geen innerlijke rust om te bidden. Of je vergeeft zelfs helemaal om te bidden. Daarom is tijd nemen erg belangrijk.

(2) Je denkt klein van jezelf. Als je bidt, dan besef je hoe groot of hoe heilig God is. Dan voel je jezelf zo klein of zo zondig. Als je jezelf tekort voelt schieten of als je heel klein van jezelf denkt, kun je tegen het bidden opzien. Omdat je dan God onder ogen komt. Of je gaat het helemaal uitstellen, omdat je de Heere niet onder ogen durft te komen. Daarom is het nodig erop te vertrouwen dat God wilt dat je naar Hem toe gaat.

(3) Je weet niet hoe dat moet. Het kan zijn dat het je nooit geleerd is om te bidden. Bij jou thuis werd niet hardop gebeden. Thuis, op school of tijdens de catechisatie is het je nooit geleerd om te bidden. Je kunt in de Bijbel leren, hoe je moet bidden. Zoals het Onze Vader, of in de Psalmen. Je kunt iemand anders vragen hoe hij of zij bidt.

(4) Je kent God niet. Als je God niet, als je niet weet wie Hij is, dan kan het zijn dat je wel wilt bidden. Maar je weet niet tot wie je moet bidden. Het is meer een schreeuw om hulp, maar je weet niet of er iemand is die je hoort. Hoe leer je God kennen? Door je hart voor Hem te openen.

(5) Je bent teleurgesteld geraakt in God. Als je teleurgesteld raakt in God, lukt het je niet meer om te bidden. Je zoekt geen contact met God. Hooguit praat je nog over God. In verwijten. Het gaat erom dat je dan weer leert om tot God te praten. Desnoods door je klachten en je verwijten naar Hem te uiten. Dit gebeurt in de Psalmen ook vaak.

Vraag 4: Welke belemmeringen herken je bij jezelf?



Vraag 5: Wat doe jij om te voorkomen dat de door die belemmeringen niet meer bidt? Wat helpt jou?






Soorten gebeden
Er zijn verschillende soorten gebeden:
– Dankgebed: je dankt God voor wat Hij wie Hij is of voor wat Hij geeft.
– Voorbede: je bidt voor jezelf of voor een ander.
– Uitspreken van vertrouwen in God
– Klacht: je maakt God kenbaar dat je Zijn weg niet begrijpt.
– Schuldbelijdenis: je vertelt wat er mis is in je leven, in je hart.
– Gebed om vergeving
– Je denkt na over God en je neemt de tijd om te luisteren wat Hij tot je wil zeggen.

Je kunt ‘vrij’ bidden, door je eigen woorden te gebruiken. Je kunt ook vaste gebeden gebruiken, bijvoorbeeld door het Onze Vader, een morgengebed, een avondgebed, een gebed bij het eten.


Hulpmiddel bij het onder woorden brengen van een gebed voor iemand anders (voorbede)

Gebed voor: ……………….

Gebed
Waar wil je voor bidden? Of voor wie?
Hoe wil je God aanspreken?
Wat is er aan de hand?
Wat wil je dat God doet?

Schrijf hier je gebed uit:





Bijbelstudie – Jesaja 38

Vraag 6: Hizkia is het niet eens met het bericht wat hij via Jesaja krijgt. Waarom niet?




Vraag 7: Op welke manier zoekt hij het contact met God? Wat bidt hij?



Vraag 8: Wat is het antwoord van God? Hoe komt dat bij Hizkia?




Vraag 9: Wat kun je voor jezelf van Hizkia leren?




Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechismus

Vraag 116: Waarom hebben christenen het gebed nodig?
Antwoord: Omdat het gebed het voornaamste deel van de dankbaarheid is, die God van ons eist, en omdat God zijn genade en Heilige Geest alleen wil geven aan hen, die Hem met een hartelijk verlangen zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

Vraag 117: Wat behoort tot een gebed dat God behaagt en door Hem wordt verhoord?
Antwoord: (1) Dat wij alleen de enige, ware God, die zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons bevolen heeft van Hem te vragen.
(2) Dat wij onze nood en ellende goed en grondig erkennen, opdat wij ons voor zijn majesteit verootmoedigen.
(3) DAt wij deze vaste grond hebben, dat God ons gebed, hoewel wij dat niet waardig zijn, om de wil van Christus, de Here, zeker wil verhoren, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

Vraag 129: Wat betekent het woord: amen?
Antwoord: Amen wil zeggen: het is waar en zeker. Want het is veel zekerder dat God mijn gebed verhoort, dan dat ik in mijn hart gevoel dat ik die verhoring van Hem begeer.

Les 12 Het Heilig Avondmaal

Les 12 Het Heilig Avondmaal

Op de Bijbelkring komt het op het Heilig Avondmaal. Jantine vertelt hoe ze er in de week vooraf mee bezig is. Ze denkt veel over zichzelf na, neemt meer tijd om te bidden en te lezen uit de Bijbel dan in andere weken. ‘Ik weet dat ik niet perfect ben. Ik doe nog steeds veel verkeerd. Maar elke keer kom ik weer uit bij de Heere Jezus. Ik kan niet zonder Hem. Daarom ga ik aan het avondmaal.’ Mark reageert: ‘Ik denk er ook veel over na. Ik kom er nooit uit. Ik zie wat ik allemaal verkeerd doe. Steeds weer vraag ik mij af: Wanneer komt voor mij het moment om aan het avondmaal te gaan? Maar goed, mijn ouders gingen ook nooit. Ze zullen het niet begrijpen wanneer ik wel zou aangaan. Want ik ben toch niet beter dan zij?’ Fred geeft aan: ‘Als het avondmaal is, ga ik niet naar de kerk. De dienst duurt mij te lang. Er is toch niets voor mij bij, want ik weet toch al dat ik niet aanga.’ Jantine kan het niet laten om te reageren: ‘Denk je dat het voor mij een makkelijke stap is? Elke keer is het heel intensief. Toch kan ik niet anders, want Christus roept mij. Soms denk ik wel eens dat al die mensen die blijven zitten of helemaal maar niet komen zich wel makkelijk afmaken van deze uitnodiging van Christus. Het is toch een opdracht die Hij gaf: Doe dat tot Mijn gedachtenis.’

 

Vraag 1: Op wie lijk jij het meest? Waarom?



Vraag 2: Wat zou jij reageren op Jantine als jij Mark of Fred was?



Vraag 3: Gaan je ouders aan het Heilig Avondmaal? Heeft dat invloed op hoe jij erover denkt?




Vraag 4: Hoe wordt / werd bij jullie thuis over het Heilig Avondmaal gepraat? Heeft dat invloed op hoe jij erover denkt?




Uitleg
Net als de (Heilige) Doop is het (Heilig) Avondmaal een sacrament. Met sacrament bedoelen we dat het Heilig Avondmaal door Christus is ingesteld. Het is door Hem ingesteld als zichtbare verkondiging: om door middel van de tafel, door middel van brood en wijn iets te laten zien en te laten proeven wat niet alleen in woorden verteld kan worden.
Wat zichtbaar is, is een tafel die is gedekt, met stoelen eromheen. Samen aan tafel zitten doe je als gezin of als belangrijke gasten. Of bij een feestelijk gebeuren als een bruiloft of een ander feest. Bij een ernstig gebeuren als een broodmaaltijd na afloop van een begrafenis. Det tafel bij het avondmaal laat zien dat Christus mensen in Zijn nabijheid wil hebben. Dat is een van de belangrijke onderdelen van het avondmaal: we horen als gelovigen bij Christus en mogen bij Hem horen. Onze fouten en zonden heeft Hij vergeven. Ook als is Christus niet zichtbaar, Hij is wel de gastheer.
Op de tafel staat brood en wijn. Dat brood wordt gebroken. Door te zien dat het brood wordt gebroken denken we terug aan Golgotha, waar de Heere Jezus stierf. Dat brood eten wij om aan te geven: Christus komt in ons. Het gaat om één-worden, verenigd worden met Hem. De wijn die wij drinken herinneren aan hoe de Heere Jezus voor ons gestorven. Hij heeft Zijn leven gegeven. Door Zijn sterven aan het kruis zijn onze zonden vergeven. Door het brood te eten en de wijn te drinken, geven wij aan: U bent ook voor mij gestorven. Het was nodig dat U dat deed. En ik geloof ook dat U dat voor mij deed.
Het avondmaal is ook ingesteld om ons geloof te versterken. Zoals je lichaam voedsel nodig heeft om weer op krachten te komen, zo heeft ons geloof ook voedsel nodig. Dat is gebed, dat is lezen in de Bijbel en daar over nadenken. Dat is ook het avondmaal.

Vraag 5: Ga voor jezelf na hoe een avondmaalsdienst is opgebouwd. Wat valt je op?






Vraag 6: Zou jij nu aan het avondmaal kunnen gaan? Waarom wel / niet? Wat heb je nodig om wel aan te kunnen gaan.





Vraag 7: Vraag eens aan iemand die aan het avondmaal deelneemt, wat hoe hij of zij dat beleeft. Wat vindt hij of zij mooi? Hoe wordt het geloof versterkt? Waar denkt hij of zij aan tijdens het avondmaal?




Het bijzondere in onze kerken is dat er een week van voorbereiding is. In deze week denk je na over het volgende: (1) Je denkt na over wat er allemaal fout is gegaan, (2) Je laat op je inwerken dat Christus ook voor jou gestorven is. (3) Je neemt je voor om in de komende tijd op een andere manier te leven: meer liefde en tijd voor God, meer liefde en tijd voor de mensen om je heen.
Dat je nadenkt over wat je allemaal verkeerd hebt gedaan, is niet voor niets. Het avondmaal is bedoeld voor wie geloven in de Heere Jezus. Je kunt van buiten wel doen alsof je gelovig bent. Maar hoe zit het van binnen? Het is niet de bedoeling dat je je weggestuurd voelt. Het gaat er vooral om dat je eerlijk naar jezelf kijkt. En dat je verandert of laat veranderen wat mis zit in je relatie met Christus. Daarom wordt in het formulier ook genoemd wie er allemaal niet aan het avondmaal mogen aangaan. De bedoeling daarvan is, dat wie op een verkeerde manier leeft, daarmee breekt en zich bekeert. Het is verkeerd om bij jezelf te denken: het avondmaal is toch niets voor mij, maar ik blijf wel op dezelfde manier leven.
Het bijzondere van het avondmaal is dat niemand echt aan de voorwaarden kan voldoen. Ieder kan wel iets vinden van zonden en gebreken. Iedereen kan wel iets vinden van een zwak geloof. Het gaat erom dat je dat eerlijk naar God belijdt en dat je vraagt of Hij je wil veranderen. De waardigheid die nodig is om aan de tafel te zitten wordt ons geschonken. Dat geeft God ons, omdat Christus is gestorven aan het kruis.

Als gelovigen zijn we niet alleen. We zitten met anderen aan tafel. Dat kun je ook breder zien: wie avondmaal viert is ook verbonden met broeders en zusters uit andere kerken. Als gelovigen horen we bij elkaar. Daarom is de band met elkaar ook belangrijk. Het avondmaal is ook bedoeld om die onderlinge band te versterken. Als er iets mis is tussen jou en iemand anders, ga dan naar iemand toe om het uit te praten.
In onze gemeente wordt in de week van voorbereiding ook censura morum gehouden. Censura morum betekent dat gemeenteleden kunnen aangeven wie er echt niet aan het avondmaal kan gaan. Heel soms is dat nodig dat er iets gemeld wordt. Want een gemeentelid kan een belemmering vormen voor een ander om aan het avondmaal aan te gaan. Stel dat iemand gestolen heeft, machtsmisbruik pleegt of iets anders doet wat een ander beschadigt, dan kan dat bij de kerkenraad worden gemeld. De kerkenraad kan in bepaalde gevallen besluiten dat iemand niet aan het avondmaal mag aangaan. Het doel daarvan is dat iemand door zo’n stevige maatregel tot inkeer komt. Het vraagt van iedereen natuurlijk heel veel wijsheid om hier op een goede manier mee om te gaan.

Vraag 8: Hoe kan voor jou het avondmaal de onderlinge band in de gemeente versterkt worden door het avondmaal?



Op de tafel staat ook een schaal. Daarin kun je collectegeld doen. Dat geld is niet om brood en wijn te betalen. De bestemming is altijd diaconaal. De gedachte daarachter is: in de vergeving die wij van Christus ontvangen, krijgen we zo’n grote rijkdom. Daarvan willen we iets aan anderen geven.

Vraag 8: Ga voor jezelf eens na welk collectedoel er deze avondmaalsdienst was. Wat is dat voor een doel? Waarom steunen wij dat als kerk?



Lezen: 1 Korinthe 11: 17-34

Vraag 9: Wat is er mis in de gemeente van Korinthe (zie vers 17-22)? Wat heeft dat voor gevolgen voor het avondmaal?






Vraag 10: Hoe doe je dat: het gedenken van Christus? Waar denk je dan aan? En wat hebben brood en wijn daarmee te maken?




Vraag 11: Je moet jezelf toetsen (vers 31). Hoe doe je dat? Waarop toets je jezelf?




Vraag 12: Wat moet er in de praktijk veranderen (vers 33-34)?




Les 7 Wederkomst en Laatste oordeel

Les 7 Wederkomst en Laatste oordeel

Anja is 25 als haar moeder overlijdt. Na het overlijden komt er bij haar een sterk verlangen naar de Wederkomst. ‘Wat zal de wereld mooi zijn zonder verdriet en pijn. Dan zal er een weerzien met mijn moeder zijn en zullen we samen de Heere kunnen dienen.’ Na enkele jaren trouwt Anja en krijgt ze een gezin. Na de geboorte van haar eerste kind merkt ze dat het verlangen naar de Wederkomst veel minder is. Ze wil nog zoveel meemaken van haar kind. Ze mist haar moeder enorm, zeker nu ze zelf moeder geworden is en ze weet dat de Wederkomst een keer zal gebeuren. Maar eerst wil ze nog meemaken dat haar kind op mag groeien.

Lisa is behoorlijk perfectionistisch aangelegd. Wat ze doet wil ze goed doen. Ze is daarin heel precies. Ze is ook heel streng voor zichzelf. Als iets niet goed geregeld is, neemt ze dat zichzelf kwalijk. Lisa is heel serieus, maar ze zou zichzelf niet gelovig durven noemen. Er is nog zoveel aan haar geloof en manier van leven aan te merken. Ze denkt er wel over na: Wat zal God van haar vinden? En straks, als ze overlijdt, dan komt ze voor Gods troon en dan? Hoe zal Hij over haar leven oordelen? Ze moet daar niet over nadenken.
Onlangs was ze op een Bijbelkring waar Mark ook was. Mark is heel anders: veel spontaner dan zij en wat laconieker. Tijdens deze Bijbelkring vertelde Mark dat hij geregeld naar de Wederkomst uitkijkt. Het lijkt hem heel mooi om de Heere Jezus terug te zien komen. Ze wist niet wat ze ervan moest denken. Waarom ziet hij niet tegen de Wederkomst van Christus op? Denkt hij dat hij zomaar de hemel in kan komen?

Vraag 1: Verlang jij naar de Wederkomst? Waarom wel / niet?




Vraag 2: Op welke momenten verlang je naar de Wederkomst? Op welke momenten hoop je dat de Wederkomst nog wel even duurt?



Vraag 3: Welk oordeel zal God over jouw leven vellen? Hoe weet je dat?




Vraag 4: Kun je zomaar in de hemel komen? Of is daar iets voor nodig?


Uitleg – Wederkomst
De Heere Jezus heeft verschillende keren vertelt dat Hij uit de hemel zal terugkomen op aarde. We noemen dat de Wederkomst. Hij vertelde over Zijn Wederkomst vlak voor Zijn sterven en ook vlak voordat Hij naar de hemel ging.
Als kerk kijken we dus uit naar het moment dat Christus weer op aarde verschijnt. Dat wil niet zeggen dat Hij helemaal weg is. Ook nu kan Hij door de Heilige Geest bij ons zijn. Bijvoorbeeld als we met elkaar spreken over God. Als we in de kerk zijn. Als we lezen uit de Bijbel. Of als we zingen. Maar bij de Wederkomst zal Christus helemaal op aarde zijn.
Vanaf dat moment zal de duivel geen macht meer hebben op aarde. Vanaf dat moment zal er geen zonde meer zijn. Dan zal er niemand meer ziek of gehandicapt zijn. Degenen die gestorven zijn zullen opstaan. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Nu al regeert Christus vanuit de hemel op aarde. Er zijn nog steeds kwade machten en slechte mensen. Maar als Christus dat wil, dan moeten ze hun macht inleveren en worden ze gestopt.
De tijd tot aan de Wederkomst zal geen makkelijke tijd zijn. Er zullen oorlogen zijn en ruzie. Er zal verzet tegen Gods werk zijn. Als kerk mogen we weten dat al die oorlogen en alle ellende voorbij zullen zijn als Christus terugkomt. Dan zal het definitief goed zijn.

Uitleg – het laatste oordeel
Als Christus terugkomt, zal er ook het laatste oordeel zijn. Dat oordeel zal gaan over hoe wij hebben geleefd. Als je gelooft in de Heere Jezus hoef je daar niet bang voor te zijn, want dan heeft Christus dat oordeel al gedragen en mag je de hemel ingaan. In Zijn oordeel is God veel barmhartiger dan wij. Zelfs de moordenaar aan het kruis mocht enkele minuten voor zijn dood toch weten dat de hemel ook voor hem openging, omdat hij geloofde in Christus.
Voor wie niet gelooft is er geen plek in de hemel. Toch moeten we hier voorzichtig. Want wij zijn het niet die oordelen. Christus spreekt dat oordeel uit. Hij zal dat eerlijk en rechtvaardig uitspreken. Hij zal dat ook barmhartig doen.
Dat God oordeelt is een troost voor iedereen die hier op aarde slecht behandeld is. Als mensen geen recht gedaan is, dan zal God rechtspreken.
Als je gelooft, heb je er wel naar te leven. Je kunt niet zeggen: Ik geloof wel, maar ik hoef er niet naar te leven. De Heere Jezus vertelt over het laatste oordeel dat er ook gekeken wordt of je iemand een beker water aanbiedt, te eten geeft, opzoekt en van onderdak voorziet. (Mattheüs 25: 31-46) De Heere Jezus vertelt over 6 daden die we kunnen verrichten. Later komt er een zevende bij: het begraven van de overledenen. Deze zeven daden worden de 7 werken van barmhartigheid genoemd.

Bijbelstudie – Lees Mattheüs 25:31-46

Vraag 5:  Denk na over een situatie waarin je één van deze 6 daden hebt verricht. Kun je er een vertellen?



Vraag 6: Kun je ook vertellen over een situatie waarin je iets niet hebt gedaan?


Vraag 7: Waarom zouden we zoiets voor de Heere Jezus hebben gedaan?


Les 6 Gekruisigd en opgestaan


Dominee Langeraar is op bezoek bij de familie Diepeveen. Tijdens het gesprek vertelt mevrouw Diepeveen dat zij veel last van reuma heeft. Geregeld heeft ze pijnaanvallen. Toch wil ze niet bij de pakken neerzitten. Ze zegt: ‘Dan denk ik aan de Heere Jezus en hoeveel Hij voor ons geleden heeft. Hij heeft meer geleden dan ik.’

Anja de Bruin bezoekt met haar kinderen de begraafplaats. Ze gaan naar het graf van opa De Bruin. Bij het graf kijken ze naar de steen. Op de steen staat: Hier ligt mijn lieve man en en onze lieve vader Jan de Bruin. Er staat ook een Bijbeltekst op: ‘Johannes 11:25: Jezus zegt: Ik ben de opstanding en het leven.’ Zoon Maarten kijkt aandachtig naar de steen. Dan vraagt hij: ‘Ik heb opa nooit gekend. Zal ik hem ooit zien?’

Vraag 1: Wat betekent het voor jou dat Jezus is gestorven aan het kruis?



Vraag 2: Welk antwoord geef jij aan Maarten? Is het mogelijk dat hij zijn opa weer ziet?


Uitleg – kruis
In de vorige les ging het over zonde. Vandaag gaat het erover hoe God alles goed gemaakt heeft. God maakte de breuk die er tussen Hem en mensen gekomen is goed door Zijn eigen Zoon naar de aarde te sturen. Gods Zoon werd mens. Tegelijkertijd bleef Hij God. Hij was het allebei tegelijk: God én mens. Zijn komst had een doel: om te sterven en op de staan.
Het sterven van Jezus heeft verschillende betekenissen (die wel op elkaar lijken):

  • Jezus stierf vanwege onze zonde. Hij droeg in onze plaats onze schuld naar God toe. Daardoor is nu onze schuld weg en kan het weer goed worden tussen ons en God.
  • Het sterven Jezus heeft ons bevrijd uit de macht van de zonde en de duivel.
  • Het sterven en opstaan van Jezus is een overwinning op de dood.

In het Nieuwe Testament wordt de gebeurtenis van het kruis verteld in de vier evangeliën. In de brieven die in het Nieuwe Testament wordt vaak de betekenis uitgelegd. In het Nieuwe Testament kunnen we zien dat de christenen dit lijden en sterven van Jezus reeds in het Oude Testament zien aangekondigd.

 

Om de betekenis van het kruis goed te begrijpen, moeten we vasthouden dat Jezus niet alleen mens was, maar ook God bleef. God werd Zelf mens, net als wij. Alleen dan zonder zonde. Als Jezus aan het kruis sterft, betekent dat niets anders dan dat God Zelf onze schuld op zich neemt en onze zonde wegdraagt. Daardoor kunnen wij weer bij God komen en met Hem leven. Je zou kunnen zeggen: er is sprake van een ruil. Jezus neemt onze zonde op zich en ook onze dood. Hij geeft aan ons het eeuwige leven, een nieuw en heilig leven. Wanneer je gaat geloven, dan gaat deze ruil voor jou gelden: Jezus neemt jouw zonden over en jij mag vergeving krijgen en dat nieuwe leven.

De dood aan het kruis was niet zomaar een dood. Het was de meest verachte vorm van sterven. Jezus sterft de ergste vorm van sterven. Dat was bewust om aan te geven, dat hoe diep wij als mensen ook zinken: Jezus is nog dieper gegaan.
In het formulier van het avondmaal staat: Daar werd Hij gebonden opdat Hij ons zou ontbinden. Daarna heeft Hij onnoemelijk veel smaad geleden, opdat wij nooit meer te schande zouden worden. Hij is onschuldig ter dood veroordeeld, opdat wij in Gods gericht vrijgesproken zouden worden. Hij heeft zelfs Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten vastspijkeren, opdat Hij de schuldbrief van onze zonden daaraan zou hechten. Zo heeft Hij de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegen zou vervullen. Hij heeft Zich met lichaam en ziel aan het kruishout vernederd tot in de allerdiepste smaad en angst der hel, toen Hij met luide stem riep: ‘Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?’ opdat wij door God aangenomen en nooit meer door Hem verlaten zouden worden.

Lees: Lukas 23:33-48

Vraag 3: Jezus wordt tussen twee misdadigers geplaatst. Waarom? Wat is de misdaad die Jezus zou hebben begaan?




Vraag 4: ‘Verlos uzelf’, wordt er gezegd (vers 39), ‘Want dan geloven wij dat je de Christus bent’. Waarom verlost Jezus zichzelf niet?




Vraag 5: Er zijn twee reacties: spot en geloof. Welke mensen spotten er? Wie zijn degenen die geloven?




Vraag 6: Kun jij zeggen: “Jezus is voor mij gestorven?” Waarom wel/niet?


Uitleg – Opstanding
Ook de opstanding van Christus heeft verschillende betekenissen:

  • Het sterven van Jezus aan het kruis was geen mislukking, maar een weg die God bewust had gekozen voor Christus.
  • De dood is overwonnen.
  • Eens zullen wij ook opstaan. Als Jezus terugkomt.

De dood is een sterke macht. Geen mens is sterker dan de dood. Maar God wel! En dat is het bijzondere van de opstanding van Christus. Dan is sterven wel een verdrietig gebeuren, omdat je afscheid moet nemen. Tegelijkertijd is er hoop: er is na de dood een eeuwig leven met God. Als Christus terugkomt, zullen al degenen die overleden zijn, opstaan. Wie gelooft mag de hemel in en voor altijd bij Christus zijn. Als christen mag je leven op deze hoop gebaseerd zijn. Hoe mooi of hoe moeilijk dit leven ook is, we weten dat we het later beter krijgen: vrij van zorg en verdriet, vrij van de zonde en de duivel en voor altijd bij Christus. Dat is een leven om naar uit te kijken!


Lees 24:1-12

Vraag 7: De vrouwen gaan naar het graf. Wat is de reden dat zij gaan?



Vraag 8: Wat is het verwijt van de engel aan de vrouwen?







Heidelberger Catechismus Zondag 17 – vraag en antwoord 45
Vraag: Wat betekent de opstanding van Christus voor ons?
(1) Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen, om ons in in de gerechtigheid* te doen delen, die Hij voor ons door Zijn dood verworven heeft.
(2) Ten tweede worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven.
(3) Ten derde is voor ons de opstanding van Christus een zeker onderpand** van onze eigen opstanding in heerlijkheid.

* Gerechtigheid: Dat het weer goed zit tussen ons en God; dat wij weer voor God kunnen verschijnen.
** zeker onderpand: onderpand is een soort voorschot, een soort bewijs vooraf. Dat onderpand is zeker, dat wil zeggen: de opstanding van Christus laat zien dat we er zeker van mogen zijn dat ook wij zullen opstaan en een nieuw, verheerlijkt lichaam krijgen.

Les 5 zonde en schuld

Les 5 zonde en schuld

Intro
Marieke zit in de kerk en luistert naar de preek. De dominee gebruikt geregeld het woord zonde. Ergens weet ze wel wat het betekent, namelijk dat er iets niet goed zit bij haar. Toch blijft ze er over nadenken: Wat zit er eigenlijk niet goed bij haar? Moet ze zich ergens schuldig over voelen? Waar zou ze zich schuldig over moeten voelen? En hoe moet ze daarmee verder? Deze vragen worden in de preek niet echt behandeld. Het lijkt wel alsof de predikant ervan uitgaat dat iedereen weet wat zonde is. Ze gaat met meer vragen de kerk uit dan ze binnen kwam.

De familie Jansen is – zoals elke zondagmorgen – na kerktijd op bezoek bij oma Jansen. In de afgelopen week is er iets heftigs gebeurd. Twee mannen hebben een winkel overvallen en daarbij de eigenaar doodgeschoten. Deze gebeurtenis zorgt voor veel gespreksstof. Iedereen is verontwaardigd over wat er gebeurd is. ‘Ze moeten de doodstraf weer invoeren,’ zegt een van de familieleden. Dan zegt oma Jansen: ‘Het is erg wat er gebeurd is, maar niemand van ons is een haar beter. Wij zijn ook in staat om zoiets ergs te doen. Alleen bewaart de Heere ons er gelukkig voor om zoiets ergs te doen.’

Vraag 1: Marieke weet niet goed wat zonde betekent. Heb jij wel een idee wat zonde is?




Vraag 2: Welke vragen heb jij bij het thema ‘zonde’?



Vraag 3: Stel jij was bij de familie Jansen aanwezig geweest, hoe zou jij reageren op oma Jansen?


Uitleg
In de Bijbel wordt op twee manieren gesproken over zonde: (1) Zonde kan een concrete daad zijn, iets wat je doelbewust verkeerd doet, (2) Zonde wordt ook gezien als een macht, die je leven gaat beheersen. Daardoor heb je niet meer zelf de regie over je leven, maar stuurt de zonde jou aan: de zonde bepaalt wat je denkt, wat je voelt, wat je doet of wat je nalaat. Zonde heeft altijd effect op anderen: God of de mensen om je heen worden beschadigd of pijn gedaan. Daarom neemt God de zonde altijd serieus.

 

  • Doel missen: Wij zijn als mensen geschapen om God te eren. Dat was het doel waarvoor God ons schiep. Door onze zonde voeren we deze taak niet uit.
  • Misdaad: een daad die niet goed was, waarmee iemand God of een ander mens tekort doet of beschadigt. Meestal gebeurt dat doelbewust.
  • Contractbreuk: er is een contract of verbond dat niet gehouden wordt en bewust verbroken wordt. Dat verbond kan het verbond met God zijn of een contract tussen mensen onderling.

 

In het Oude Testament wordt steeds verteld hoe het volk Israël steeds bij God vandaan ging door andere goden te eren. Daarnaast kwam het geregeld voor dat de koning of andere leiders van het volk geen zorg droegen voor de kwetsbare mensen, maar de armen, de weduwen, wezen en rechtelozen uitbuitten. Dan stuurt de Heere profeten om deze misstanden aan te kaarten bij de leiders.
In het Nieuwe Testament vertelt de Heere Jezus dat zonde zich ook verborgen kan houden in je innerlijk, in je hart. Aan de buitenkant is dat niet te zien. Je kunt aan de buitenkant heel vroom overkomen, maar van binnen een minder vrome bedoeling hebben. Je kunt ogenschijnlijk heel eerlijk zijn, maar het van binnen een heel oneerlijke intentie hebben. Zonde heeft te maken met je hart: wat leeft daar?

Vraag 4: Stel dat je iets verkeerds doe: hoe weet je dat het verkeerd is?



Vraag 5: De zonde kan een macht zijn die je beheerst. Dan doe je niet wat je zelf wil, maar dan neemt de zonde de regie als het ware in je over. Wanneer merk je iets van dat de zonde de regie in je over neemt?


God heeft de wereld zonder zonde geschapen. De zonde is in de wereld gekomen nadat Adam en Eva van de vrucht hadden gegeten, waarvan ze niet mochten eten. Dat lijkt een onschuldig vergrijp van Adam en Eva. Toch is het heel ernstig geweest. Wanneer Adam en Eva van de boom van kennis van goed en kwaad zouden eten, zouden ze ook weten wat slecht is. Dan zouden ze gemeen kunnen zijn, oneerlijk, niet meer integer. Sindsdien zijn de mensen anders geworden dan God heeft geschapen.
De gevolgen zijn groot: niet alleen in het omgaan met elkaar is er veel slechtheid gekomen, maar met onze zonde kunnen wij niet met God leven. Zonde betekent dat wij ons losgemaakt hebben van God en dat wij tegenover God zijn komen te staan, als vijanden van God. Zonder God kunnen we echter niet leven en gaan we verloren.
De Heere had alle reden om ons weg te sturen bij Hem vandaan. Maar Hij wilde niet dat wij verloren zouden gaan. Daarom vertelt Hij direct nadat de mensen gezondigd hebben, dat er Iemand komt om ons te bevrijden van de zonde.
Zonde was geen vergissing. Dat gebeurde niet per ongeluk. Maar het was een bewuste daad tegen God, vanuit wantrouwen tegenover God. Ieder mens is sinds Adam en Eva daarom schuldig tegenover God. Daarnaast kan er een schuld zijn die we hebben naar God of andere mensen toe, omdat we bewust iets verkeerd deden.

Zonde heeft de neiging om te zeggen: het valt wel mee. Zo verkeerd is het niet. Zie bijvoorbeeld in het paradijs: ‘Het is niet zo erg om van die boom te eten. Sterker nog, je wordt er wijzer van.’ De zonde zaait echter wantrouwen en het gevolg is dat je God niet meer vertrouwt. Omdat je Hem niet meer vertrouwt, bouw je je leven niet meer op Hem. Je zoekt ergens anders raad. Je zoekt iets of iemand anders dat je gelukkig maakt. Daarbij laat je God in de steek. Zo gebeurde dat in het paradijs. Zo gebeurde dat steeds met het volk Israël.

Lees Genesis 3

Vraag 6: Wat de slang zegt, klopt niet (vers 1). Wat klopt er niet? (Zie vers 2 en 2:16-17)



Vraag 7: Waarom gaat Eva toch van de vrucht eten?



Vraag 8: Wat is het gevolg?



Vraag 9: Waarom verstoppen Adam en Eva zich voor God?



Vraag 10: Welke straf krijgen Adam en Eva?



Vraag 11: Welke belofte krijgen Adam en Eva?


Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechisms
Zondag 1, vraag 2: Wat moet u noodzakelijk weten om in deze troost godvruchtig te leven en te sterven?
Drie dingen: (1) Hoe groot mijn zonde en ellende zijn, (2) Hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost wordt, (3) Hoe ik God dankbaar kan zijn voor deze verlossing.

Zondag 3, vraag 8:  Zijn wij dan zo verdorven dat wij geheel en al bekwaam zijn tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad?
Ja, tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden.

Les 4 Vertrouwen op God in moeilijke tijden

Les 4 Vertrouwen op God in moeilijke tijden

Intro
Ouderling Jansen ziet op tegen het huisbezoek van vanavond. Toen hij een afspraak maakte met het Theo en Annemarie waar hij vanavond naar toe gaat, merkte hij door de telefoon een aarzeling bij Annemarie. Toch mocht hij komen. Hij houdt er rekening mee dat er heel wat komen gaat. Na een korte kennismaking zegt het echtpaar ook: ‘U ziet ons niet in de kerk. Eerlijk gezegd zijn we teleurgesteld geraakt in God.’ En dan volgt het verhaal: de moeder van de Annemarie is na een ziekbed jong overleden. Theo is enige tijd geleden zijn baan kwijtgeraakt en het ziet er niet naar uit dat hij binnenkort weer aan de bak kan. Ouderling Jansen voelt aan dat dit echtpaar de laatste tijd heel wat zorgen en spanningen heeft meegemaakt. Hij zegt het ook: ‘Jullie hebben heel wat te verduren gehad de laatste jaren. En voor jullie gevoel was God er niet.’

Marieke heeft ook het nodige meegemaakt. Ze was nog jong toen haar vader ziek werd. Haar vader leefde daarna nog vijf jaar. Soms waren er tijden waarin de ziekte even weg was. In de periode van spanning en ziekenhuisopname was Marieke veel met God bezig. Vaak bad ze dan intensief voor haar vader en voor de rest van het gezin. Wanneer het wat beter ging, raakte God wat op een tweede plan. Net of het niet meer nodig was om te bidden. Nadat haar vader overleden was, is ze nooit boos geweest op God. Ze mist vader. Elke dag. Hij leefde zelf dicht bij God en droeg zijn ziekte heel gelovig.

Vraag 1 Op wie lijk jij het meest?


Vraag 2 Wat zou jij zeggen als jij de ouderling was die bij Theo en Annemarie op bezoek zou komen?


Als er tegenslag in het leven is, zijn er twee manieren om daarop te reageren. De één wordt boos op God, of raakt teleurgesteld in Hem. Het wordt moeilijker om naar de kerk te gaan, om uit de Bijbel te lezen of te bidden. Er kan ook wel helemaal met God gebroken worden.
De ander wordt door tegenslag er bij bepaald dat hij of zij God nodig heeft. Iemand kan door tegenslag ervaren dat God hem of haar stil zet om te laten weten: Ik ben er ook nog! Vergeet je God niet. Iemand kan juist ervaren in een moeilijke periode dat de Heere heel dicht bij is en kracht geeft.
Het is van belang om je voor te bereiden op tegenslag en vooral ook hoe je in geloof met tegenslag zou kunnen omgaan. Tegenslag kan een hele test voor je geloof zijn: Blijf je dicht bij God? Of kom je juist ver bij Hem vandaan te staan? Je weet nooit van tevoren hoe je zal gaan reageren en toch is het verstandig om daar mee bezig te zijn.

Vraag 3 Weet jij hoe je reageert op tegenslag


Vraag 4: Hoe bereid jij je voor op tegenslag in je leven?

Bijbel
De rode draad van de Bijbel is dat God te vertrouwen is én dat Hij ons leven leidt. We zien zijn leiding in het volk Israël. We lezen in verhalen en in Psalmen hoe God leven van mensen leidt.
In de Bijbel kunnen we lezen dat tegenslag, ziekte of andere moeilijkheden vaak veel vragen oproept. Tegenslag maakt het niet altijd makkelijk om het vertrouwen op God te hebben. In Psalmen kunnen we lezen dat gelovigen God vragen of tot God roepen: Waarom? (Psalm 22)  Hoe lang moet dit nog duren? (Psalm 13) Bijna alle Psalmen eindigen met een lofzang of een uitspraak van vertrouwen. Alleen Psalm 88 niet. Het is geen ongeloof als er zulke scherpe vragen aan God gesteld worden. Integendeel. Vaak is het een teken van diep geloof: als er iemand was geweest die iets had kunnen doen, was dat God wel. Maar waarom doet Hij dat niet? In de Bijbel kun je door deze vragen bij God zelf te brengen, aan God zelf te stellen bij de Heere uitkomen.
Dat klinkt heel makkelijk. Nogal eens gebeurt het in een tijd van tegenslag, dat het gebed achterwege blijft. Iemand kan door teleurstelling of door boosheid niet meer bidden. Er kan alleen maar in boosheid of verbittering over God gesproken worden. De Bijbel houdt ons voor dat we beter tot God kunnen bidden.

Lees Psalm 42

Vraag 5 In Psalm 42 wordt er steeds gewisseld: Er wordt verteld hoe moeilijk het gaat. Vervolgens wordt er weer vertrouwen gevonden.  Dan zijn die moeiten er weer. Dan weer het vertrouwen op God. Waar herken jij je het meeste in? Hoe komt dat?



Vraag 6 Vestig je hoop op God, zorg dat je het vertrouwen weer terug krijgt, zegt David steeds in de psalm. Hoe doe jij dat: het vertrouwen in God weer terugkrijgen? Wat is daarvoor nodig?



Vraag 7 Op welke manier kunnen anderen – familie, vrienden, gemeenteleden – jou helpen om dat vertrouwen weer terug te krijgen?


In de Bijbel lezen we dat de Heere Jezus op aarde is gekomen. Hij kwam om te lijden en te sterven aan het kruis. Hij weet wat het is om te lijden, om pijn en verdriet te hebben. Soms kunnen gelovigen in hun eigen ziekte iets herkennen van het lijden van de Heere Jezus. Dat geldt niet voor elke gelovige.
De Heere Jezus kwam op aarde om met Zijn sterven ook te zorgen voor een nieuwe tijd, een tijd waarin er geen tegenslag, geen moeite, geen verdriet meer is. Als de Heere Jezus terugkomt, dan zal die tijd ook aanbreken. Tot die tijd kunnen ook gelovigen heel wat meemaken. Als je gelooft, dan blijven moeilijkheden je niet bespaard. Wel mag je weten dat er voor wie gelooft er ooit een heel andere tijd zal zijn: in de hemel bij God zal het alleen maar goed zijn. Dat we weten dat het anders zal worden, zien we ook in de opstanding van de Heere Jezus: de dood is overwonnen. In het Nieuwe Testament worden ook verhalen verteld, waarin de Heere Jezus zieken geneest. Die gebeurtenissen wijzen vooruit naar die nieuwe wereld, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Hoop hebben betekent nog niet, dat je het niet moeilijk mag hebben. In de Bijbel staat ook dat de Heere Jezus huilt als Zijn vriend Lazarus gestorven is (Johannes 11:35). Dat is bij Hem geen verdriet uit machteloosheid, maar verdriet omdat Hij ziet wat de dood aanricht.

Als je zelf niet met tegenslag te maken hebt, kun je wel in je familie of vriendenkring daarmee te maken krijgen. Hoe moet je daarmee omgaan? Want je zegt al gauw de verkeerde dingen. Het beste is een meelevende houding, waarin je echt aandacht hebt voor de ander en allereerst luistert en dat je beseft dat het heel wat is wat die ander doormaakt. Soms kunnen mensen te kort door de bocht reageren. Tegen een ouder die een kind is verloren, kan er gezegd worden: ‘Maar je hebt je andere kinderen toch nog?’ Het verdriet van de ander wordt dan kleiner gemaakt, alsof het er niet mag zijn. Het is meestal niet nodig om God te verdedigen. Die neiging kan er wel zijn. Beter is het om te laten zien, hoe er in de Bijbel ook geworsteld wordt met Gods leiding of Gods afwezigheid. Vaak brengt dat iemand dichter bij God dan goedkope antwoorden.
In een tijd van tegenslag merk je hoe belangrijk het is als mensen om je heen staan. Medechristenen die met je meeleven, die voor je bidden, die je een kaartje ter bemoediging sturen, die aan je denken. Soms kan het zo zijn, dat als jij (even) niet kunt geloven, dat anderen dat voor jou doen. Tot jij weer dat vertrouwen in de Heere terug hebt. Wanneer mensen om je heen met je meeleven is dat echt een geschenk van de Heere.

Vraag 8 Welke steun is het voor jou dat de Heere Jezus ook geleden heeft?



Vraag 9 Heb je ervaring met andere christenen of gemeenteleden die met je meeleven? Op welke manier gebeurde dat? Gaf het je troost?



Vraag 10  Hoe voorkom je dat je bij iemand die veel meemaakt met te goedkope troost aankomt?



Vraag 11 Heb je ervaren dat mensen voor jou gebeden hebben?

 

Les 3 Gods leiding en zorg

Les 3 Gods leiding en zorg

Introductie
Voor Jeanet Kloosterman is het geen vraag dat God voor haar zorgt en haar leven leidt. ‘Ik kan het niet goed uitleggen hoe ik dat weet. Dat is iets wat ik voel, ervaar. Dat ervaar ik elke dag weer opnieuw.’ Dat wil niet zeggen dat ze het nooit moeilijk heeft. Toen ze haar baan kwijtraakte, had ze daar niet gelijk vrede mee. Het kostte tijd om daarin te berusten. Want ze vond het werk erg leuk en had fijne collega’s. Ze mist dat allemaal. ‘Toch is er rust gekomen. Ik weet niet hoe dat gekomen is. Maar opeens was dat vertrouwen er weer, het vertrouwen dat God voor mij zorgt. Ik weet niet of God er een bedoeling mee heeft. Als dat zo is, dan zal dat mij later wel duidelijk worden.’

Marco van ’t Oever is meer op zoek naar Gods leiding in zijn leven. Hij zou het wel willen dat God zo dichtbij is als Jeanet aangeeft. Maar hij ervaart veel minder Gods nabijheid. Toen hij onlangs een advertentie met een mooie vacature zag, heeft hij in het gebed aan God gevraagd of hij mocht solliciteren. Voor zijn gevoel kreeg hij geen reactie. Hij heeft toch maar gesolliciteerd. Hij werd aangenomen. Tot zijn verrassing eigenlijk. Het werk bevalt hem erg goed, maar toch twijfelt hij eraan of dit wel Gods wil was dat hij hier ging werken.

Vraag 1  Lijk jij meer op Jeanet of meer op Marco?



Vraag 2 Op welke momenten ervaar jij dat je leven door God wordt geleid?



Vraag 3 Op welke momenten vraag je aan God dat Hij jouw leven leidt?

Luister naar één van de volgende liederen:
– Op Toonhoogte 44  De Here is mijn herder
– Op Toonhoogte 148 God wijst mij een weg
 Op Toonhoogte 336 Wat de toekomst brengen moge

Vraag 4 Op welke manier kunnen deze liederen je helpen om Gods leiding in jouw leven en Zijn zorg voor jou te zien?


Vraag 5 Wanneer zou je voor jezelf zo’n lied luisteren?

Uitleg
God leidt ons leven. Elke dag zorgt Hij voor ons. In de Bijbel kunnen we dat zien bij het volk Israël. Op weg naar het beloofde land Kanaän wees God de weg door een wolkkolom overdag en een vuurkolom ’s nachts. De Heere Jezus bevestigt Gods zorg: Ook de haren van uw hoofd zijn geteld (Mattheüs 10:30). Dat is bijzonder: de grote God, die heel de wereld overziet, kent ook mijn leven.
Kan dat eigenlijk wel? God die zich met ons kleine, gewone leventje bemoeit? Is Hij daar niet te groot voor en wij niet te klein? Nee, niemand is te klein of te onbeduidend voor God. Zoals een kerstlied zingt: En onder millioenen hebt G’ ook mij in ’t  oog (Gezang 1 vers 3).
In de doop geeft God die belofte al mee:

‘In de doop zegt God de Vader: ‘(… ), Ik ben je Vader. Ik neem jou aan als Mijn kind. Ik zal voor je zorgen. Ik geef aan jou goede gaven. Ik zal je beschermen voor al het kwade. En als dat kwade toch komt, zal ik dat voor jou doen meewerken ten goede.’ (Doopformulier,
vereenvoudigd)

Praktijk
Hoe werkt dat in de praktijk? Het begint met vertrouwen dat God ook zal doen wat Hij zegt. Soms kun je dat heel duidelijk ervaren. Bijvoorbeeld omdat je merkt dat je geholpen wordt, of kracht krijgt die niet van jezelf is. Je krijgt de wijsheid die je nodig hebt om een beslissing te nemen. Of er gebeurt iets in je leven waar je niet op gerekend had, waardoor je gaat nadenken over je leven.
Soms kun je heel direct ervaren waarom er iets in je leven gebeurt of waarom je een bepaalde keuze moet maken. Soms kan er jaren overheen gaan voor je weet waarom er iets gebeurd is. Niet van elke gebeurtenis krijgen we in dit leven antwoord waarop iets moest gebeuren. Van belang is wel dat je vast blijft houden in het vertrouwen op God.

Keuzes maken
Moet je een keuze maken, leg het dan eerst voor in gebed. Vraag aan de Heere om wijsheid en of Hij de juiste keuze duidelijk wil maken. Het is ook van belang om raad te vragen bij anderen. De Heere kan ook de mening van een ander gebruiken om jou iets duidelijk te maken. Neem de tijd om een beslissing te laten ‘rijpen’. Een beslissing die heel snel genomen is, is lang niet altijd een goede beslissing. Weeg de voors en tegens goed af. Neem na je beslissing ook de tijd om erachter te komen of je een goede keuze gemaakt hebt. Niet om onzeker te worden over de beslissing, maar om te weten of je een goede beslissing genomen hebt.
Een beslissing die je genomen hebt kan achteraf gezien verkeerd zijn. Het pakt toch anders uit dan je had verwacht. Dat is niet altijd fijn, maar je leert er wel van. Ook in je relatie met de Heere. De Heere heeft ook de macht om een verkeerde keuze goed uit te laten pakken.

Vraag 6 Wat doe jij als je een beslissing moet nemen? Welke stappen onderneem je dan? Wanneer betrek je God erbij? Hoe doe je dat?

Aanvechting
Het vraagt om geloof om te zien dat God je leven leidt. Dat geloof is er lang niet altijd. Dat kan omdat je zelf te weinig let op Gods aanwezigheid in je leven. Of door ingrijpende gebeurtenissen wordt bij je van binnen de vraag opgeroepen: ‘Is God er wel?’ Je hebt dan te maken met aanvechting: je gelooft wordt op de proef gesteld. Het wordt dan moeilijker om het vertrouwen vast te blijven houden. Geloof kan nooit helemaal zonder aanvechting. Toch is het onze taak om met aanvechtingen toch het vertrouwen weer terug te krijgen. Daar mogen we ook de hulp van de Heilige Geest bij vragen.

Bijbelgedeelte –  Lees: Psalm 121

Psalm 121 is een psalm die je op verschillende momenten kunt lezen:

  • Als iemand een reis gaat ondernemen. Dan is deze psalm een gebed om zegen en geeft deze psalm de moed dat God meegaat.
  • Als iemand voor een ziekenhuisopname staat. Deze psalm geeft dan aan dat ons leven in Gods hand is.
  • Deze psalm kun je leven bij een geboorte. De psalm geeft dan aan dat God heel het leven van dit pasgeboren kind meegaat.
  • Deze psalm kun je lezen bij een overlijden. Je kijkt dan in dankbaarheid terug hoe God er was. Je weet dat God ons zelfs in eeuwigheid kan bewaren: door de dood heen en voorbij de dood.

In deze psalm wordt God bij Zijn naam genoemd: HEERE. Deze naam betekent: Ik ben die Ik ben (Exodus 3:14). Deze naam geeft aan dat God betrouwbaar is. Het is ook de naam waarmee God het verbond heeft gesloten. De naam HEERE geeft aan dat God steeds bezig is met de mensen op aarde.

 

Vraag 7 Op welke manier heb jij Gods hulp ervaren? Heb je er toen om gebeden?



Vraag 8 Op welke manier kun je nu Gods hulp gebruiken? Bid je daar ook om?

Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechismus zondag 9
Vraag 26: Wat gelooft u als u zegt: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde?
Antwoord: Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft en deze ook door zijn eeuwige raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om zijn Zoon Christus mijn God en Vader is. Ik vertrouw daarom zo op Hem, dat ik niet twijfel of Hij zal zorgen voor al wat mijn lichaam en ziel nodig hebben, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit moeitevolle leven laat overkomen, voor mij ten beste keren. Immers, Hij kan dit doen als een almachtig God en wil dat ook doen als een getrouw Vader.
————————————————————————————————————————

Dr. W. Verboom – De Catechismus voor kinderen, zondag 9 en 10

Vraag: Wie heeft de hemel en de aarde geschapen?
Antwoord: God, die om Jezus’ wil mijn Vader is.

Vraag: Wat betekent het dat God de Schepper is?
Antwoord: Dat Hij alle dingen uit niets gemaakt heeft.

 

Vraag: Zorgt God voor zijn schepping?
Antwoord: Ja, Hij onderhoudt en regeert die. Hij zorgt voor alle schepselen en ook voor mij.

Vraag: Gebeurt er iets toevalligs?
Antwoord: Nee, de Heere bestuurt alles, en ook mijn leven.

Vraag: Zorgt God ook voor jou?
Antwoord: Ja, daarom vertrouw ik op Hem.

Vraag: Helpt God je bij verdrietige dingen?
Antwoord: Ja, Hij troost mij en is dan dicht bij mij.

Vraag: Vertrouw je ook voor de toekomst op Hem?
Antwoord: Ja, ik vertrouw me aan Hem toe.