Preek 7 december 2014 – middagdienst

Preek 7 december 2014 – middagdienst
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Bemoedig elkaar daarom, en bouw de één de ander op, zoals u trouwens al doet (1 Thessalonicenzen 5:11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Avondmaal ervaar ik altijd als een intens moment.
Ik weet niet of u dat ook heeft,
maar voor mij is dat moment waarop ik een stukje brood van de schaal neem
en weer zit op mijn stoel en dat brood eet,
een heel intens moment.
Onder het kauwen van het brood voel ik mij dan zo intens verbonden met God.
Niet zozeer in woorden.
Het is meer de stilte die Elia ook ervoer toen hij op de Horeb was
om iets van God te vernemen, dat de Heere in de stilte tot Elia kwam.
Zo ervaar ik dat in de stilte van dat moment
tijdens het eten van het brood
dat God komt en dat laat weten:
dit is Mijn genade voor jou,
alles wat tussen ons in staat heb ik weggenomen.
In de woorden van de tekst van vanmorgen:
Ik heb je niet bestemd tot toorn
maar tot het verkrijgen van de zaligheid door onze Heere Jezus Christus
Proef Mijn goedheid, drink van Mijn genade.
Alles om mij heen valt op dat moment dan weg,
een intens moment met de Heere alleen.

Tegelijkertijd merk ik de aanwezigheid van anderen om mij heen wel op.
Een bijzonder moment om gemeenteleden te zien opstaan en naar voren te zien lopen.
Tijdens de viering zie ik de gezichten en merk dat de anderen om mij heen
ook een intens moment hebben.
Dat gaat samen op: een moment met God alleen,
maar tegelijkertijd ook een moment van samen.
Wanneer ik alleen zou zijn, zou het moment niet zo intens zijn.
Juist dat samen beleven, samen vieren,
met elkaar het brood delen, de beker van de wijn doorgeven,
Gods goedheid proeven, van de genade drinken, dat gebeurt samen.

Ik hoop dat u daar vanmorgen ook iets van beleefd hebt.
Van dat intense moment met de Heere,
waarbij u ook weer die bevestiging kreeg van de Heere:
Ik ben ook voor jouw zonden gestorven aan het kruis. Twijfel daar niet langer aan!
Uw geloof werd weer versterkt vanmorgen.
Of u werd even stil gezet: je was even alleen met de Heere en dat was een tijd geleden.
Ik hoop van harte dat u dat gezamenlijke ook ervaren hebt.
Dat u zich niet alleen voelde, maar dat het er ook toe deed dat de anderen er waren
daar aan de tafel en dat het de ervaring ook versterkte.
Er zijn mensen die zeggen: ‘Ik geloof, maar daar heb ik de kerk niet voor nodig.’
Dat zou ik nooit kunnen zeggen.
Ik heb juist de kerk nodig om te kunnen geloven,
vooral de mensen die in die kerk zijn,
aan wie ik zie dat de Heere werkt, die om mij heen zijn
en die ervoor zorgen dat ik niet alleen sta.
Het is voor mij de kerk geweest, die veel voor mij, voor mijn groei in geloof heeft betekend.
En vooral de kerkmensen aan wie ik veel gehad heb:
een al wat oudere ouderling die elk jaar op huisbezoek kwam
en die van huisbezoek iets bijzonders wist te maken, iets om naar uit te kijken, een feest haast.
Onze wijkpredikant die catechisatie moest geven,
maar te druk was om zich voor te bereiden en dan maar vertelde over zijn eigen geloof,
zijn eigen ervaringen, waardoor hij ons als catechisanten hielp in onze weg met de Heere
door te vertellen hoe de Heere met hem ging.
Bemoedig elkaar – schrijft Paulus.
En bij die woorden kan ik er veel opnoemen die voor mij een bemoediging zijn geweest,
misschien zonder dat zij het wisten en zonder dat zij er naar streefden.
en toch waren ze het.

Bemoedig elkaar
– dat gebeurt voor mij niet alleen in woorden die tegen elkaar gezegd worden.
Ik ervaar dat ook in de andere gemeenteleden die aan het avondmaal deelnamen
en alleen al door naar voren te komen een bemoediging waren vanmorgen,
omdat zij ook verlangden naar de Heere Jezus.
Bouw elkaar op, zoals u trouwens al doet, schrijft Paulus aan de gemeenteleden in Thessalonica.
Zo geldt dat hopelijk hier, in Oldebroek,
dat we door elkaar opgebouwd worden
doordat we zien van elkaar hoe de Heere werkt in ons leven,
waardoor we voor elkaar tot zegen en bemoediging mogen zijn.

Bemoedig elkaar.
Van tevoren had ik bij deze preek opgeschreven wat de boodschap van deze preek moest zijn.
Ik had de boodschap in 1 regel opgeschreven:
We dienen elkaar te bemoedigen en op te bouwen met het oog op de zaligheid.
Deze regel droeg ik enkele dagen mee
omdat op me in te laten werken.
Ik had de aantekening erbij gemaakt: de preek zal moeten aansporen
en ik had bedacht om de preek te beginnen
met een voorbeeld van een bemoediging die ik zelf had ervaren.
Maar toen ik er in deze week nog eens naar keek,
viel het me op dat het een opdracht was om uit te voeren: we dienen elkaar te bemoedigen.
En ik bedacht opeens: waarin zit het evangelie in deze boodschap?
Welk evangelie breng ik in de preek van nabetrachting?
Daarmee bedoel ik: Wat vertel ik over God, over wat Hij doet?
Want dat is evangelie: wat God doet bij ons vandaag de dag,
hier in onze gemeente.
Toen ging ik nog eens nadenken over de boodschap van de preek:
We dienen elkaar aan te bemoedigen en op te bouwen met het oog op de zaligheid.
Zou ik die boodschap ook kunnen veranderen
door daaraan toe te voegen wat God hiermee te maken heeft?
Daardoor veranderde ik de boodschap van de preek op basis van de preek:
We zijn door de Heere aan elkaar gegeven
om elkaar te bemoedigen en op te bouwen met het oog op die zaligheid
.
We zijn aan elkaar gegeven …
We hebben elkaar niet uitgezocht als gemeenteleden.
We hebben elkaar vanmorgen aan de tafel ook niet uitgezocht als buren.
We zijn aan elkaar gegeven.
We zijn er niet zomaar, alleen voor onszelf, om iets te ontvangen alleen aan het avondmaal,
maar ook om iets te brengen: allereerst onszelf te geven aan de Heere.
We zijn aan elkaar gegeven, om ook iets voor elkaar te mogen betekenen.
Tot steun en bemoediging voor elkaar!

Zo werkt het ook. Tenminste voor mij wel.
Als ik terugkijk op hoe mijn weg in het geloof is gegaan,
mijn weg als tiener, als jongere en later als predikant,
dan had ik hier niet gestaan, als predikant om over de Heere te vertellen.
Dan weet ik niet of ik nog wel naar de kerk was gegaan.
In die jaren dat ik sterk aan het twijfelen raakte,
dacht ik aan onze wijkouderling en aan al die anderen
die ik had ontmoet en aan wie ik het kon merken
dat zij een levende ervaring met de Heere hadden
en ik besefte dat ik niet kon uitleggen aan diegenen waarom ik zou afhaken.
En nu ik de boodschap van de preek heb veranderd,
nu ik ontdekte dat we door de Heere aan elkaar gegeven zijn,
kan ik niet anders dan met dankbaarheid zeggen:
die mensen zijn op mijn weg geplaatst, om mij voor te houden:
laat je geloof niet los, raak de Heere niet kwijt!
Ga toch verder, ondanks al je twijfels, al die momenten dat je God niet ervaart
en je eerder ervaart dat de hemel gesloten is
en ik bij mijzelf ging nadenken of er wel een God was.
In die jaren heb ik het vooral bij anderen gezien en minder zelf ervaren
en ze zijn door de Heere aan mij gegeven.
Bemoedig elkaar en bouw elkaar op, zoals u al doet.
Zonder dat zij het weten hebben zij mij erdoor heen gesleept.
Zo werkt de Heere.
Door ons mensen om ons heen te geven,
die voor ons een steun zijn in het geloof.

We hebben elkaar nodig.
Er zullen vast mensen zijn die de weg in geloof alleen kunnen gaan,
maar dat zijn uitzonderingen, mensen die sterk staan in het geloof
en juist zij zouden zich dan in een gemeente moeten begeven
om degenen die zwakker zijn te steunen, uit de wind te houden.

Want ik weet niet hoe dat bij u gaat, maar zo’n sterk geloof heb ik zelf lang niet altijd.
Het kost mij vaak al moeite om in de week van voorbereiding
toe te leven naar deze dag,
om in mijn agenda en in mijn hoofd en hart daar tijd voor vrij te maken.
En op zo’n avondmaalszondag ben ik er vol van,
maar hoe snel ben ik dit weer kwijt
en ben ik overgeleverd aan mijn eigen piekeringen en tobberijen
en verlies ik de bevestiging die ik vanmorgen gekregen heb,
ben ik het kwijt dat ik leef van Christus’ genade
en verlies ik het uit het oog dat mijn leven gericht moet zijn op die grote dag
dat de Heere Jezus terugkomt.
Ben ik weer op het hier en nu gericht, dat kleine stukje van mijn leven,
terwijl het mooiste nog komt: het voor altijd bij de Heere mogen zijn,
de zaligheid waar God ons voor heeft bestemd.
Elkaar bemoedigen wil dan zeggen, dat je elkaar voorhoudt:
pas op dat je niet in slaap valt, wordt wakker, kijk vooruit naar die dag!
We zijn aan elkaar gegeven om elkaar scherp te houden.
Je wilt er zelf niet altijd aan dat je geloof in slaap sukkelt
en je wilt er niet altijd aan dat een ander te stil zet en confronteert, wakker schudt,
want je denkt dat het nog wel goed gaat.
Soms ziet een ander het beter dan jezelf dat het niet goed gaat.
Dan kun je eerst boos zijn, maar daarna dankbaar dat de Heere
deze mensen op je pad heeft geplaatst om je weer bij Hem te brengen.

Dat gebeurt niet zomaar, dat de Heere deze mensen om je heen geeft,
die je soms afremmen, soms aansporen.
Je neemt elkaar mee.
Hier in dit gedeelte is dat met een bewust doel: die grote dag dat de Heere Jezus terugkomt,
het moment dat de Heere Jezus terugkomt.
Je hebt elkaar nodig, omdat je dat doel wanneer je in je eentje bent zo makkelijk uit het oog verliest.
Want morgen is er de gewone dag weer met zijn beslommeringen
die je soms opslokken.
Je bent de hele dag bezig en aan het einde van dag merk je dat je druk bent geweest,
maar waarmee? Wat is er werkelijk uit je handen gekomen?
Er wordt veel van ons gevraagd: een baan, een gezin met drukte,
een huishouden (en als je alleen bent, moet je alles in het huis ook vaak alleen doen),
je doet ook nog wat voor de kerk en je staat als het moet ook voor anderen klaar.
Zo druk dat je amper tijd hebt voor jezelf en amper tijd voor God.
Bemoedig elkaar – je hebt elkaar om tijd te vinden voor jezelf
en bovenal voor God.
Zodat het leven niet is zoals een molentje van een hamster, dat maar doordraait,
maar dat er ook momenten zijn om stil te staan bij wat er echt toe doet,
in je eigen leven en ook in je leven met de Heere.
Bemoedig elkaar – dat is ook aan elkaar laten zien hoe jij op jouw manier
in jouw leven tijd vindt en tijd neemt voor God,
zodat anderen daardoor een idee krijgen hoe zij dat ook kunnen doen.
Niet om daarmee te laten zien dat je je leven op orde hebt,
maar om elkaar echt verder te helpen uit oprechte betrokkenheid op elkaar.
Dat kan een vraag zijn aan elkaar: Hoe doe jij dat nou, tijd vinden voor jezelf
om in een week van voorbereiding ook je aandacht te hebben voor het avondmaal
en om over jezelf en je eigen relatie met de Heere na te denken
om dat wat niet goed zit weer op orde te krijgen, om om te keren als dat nodig is.
Hoe doe jij dat nou in deze tijd van alle kerstvieringen
dat het werkelijk tot je doordringt dat de Heere Jezus ook voor jou gekomen is
dat op de kribbe jouw naam staat: voor jou – want een Kind is ons geboren – ook voor jou.
Zo bouw je elkaar op
help je elkaar verder
en neem je elkaar mee.

Aan elkaar gegeven
Om er voor elkaar te zijn
elkaar te bemoedigen en op te bouwen
zodat je met elkaar toeleeft naar die grote dag
samen onderweg bent naar de Heere.
Amen

Preek zondag 7 december 2014 – morgendienst

Preek zondag 7 december 2014 – morgendienst
Viering Heilig Avondmaal

Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 5:9)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als u voor de Heere Jezus verschijnt, hoe zal dat dan voor u zijn?
Die dag dat de Heere Jezus terugkomt.
Zal het een moment van vreugde voor u zijn?
Of ziet u juist tegen dat moment op
omdat dan heel uw leven voor God openbaar komt?
We komen dan voor de Heere te staan.
Op dat moment zal de Heere oordelen over ons leven.
Wat zal Zijn oordeel zijn over u?
Wat kun jij van de Heere verwachten als Hij over jouw leven spreekt?

Niet alleen op die dag, de dag waarop Christus zal verschijnen, een vraag.
Het is ook de vraag van vanmorgen,
nu we als gemeente het Heilig Avondmaal vieren.
Kan ik voor de Heere verschijnen?
Wat zal Hij zeggen over mijn leven als ik naar Hem toe ga?
Leef ik in Zijn licht
of wandel ik nog in de duisternis?
Een antwoord op die vraag heeft grote gevolgen:
Hoor ik nu bij de Heere en zal ik dan ook voor altijd bij Hem mogen horen?
Of zegt Hij dan: Je leefde op aarde al in de duisternis
en je hebt Mij nooit in je leven toegelaten.
al die keren dat Ik aan de deur van je hart aanklopte,
zodat Ik bij jou binnen kon komen,
liet je Mij buiten staan.
Of Ik je nu waarschuwde, of Ik je nu vol liefde uitnodigde om naar Mij toe te komen
– je hoorde Mijn stem niet.
Een week van voorbereiding is een gelegenheid
om weer bij deze vraag stil te staan:
Kan ik voor de Heere verschijnen als Hij komt?
Leef ik in Zijn licht? Zoek ik het leven bij Hem?
Zulke vragen kunnen je weer onzeker maken
als je wel met de Heere Jezus leeft,
maar ze hebben het doel dat u zich weer opnieuw vastklampt aan de Heere Jezus.
Omdat je dan weer opnieuw beseft:
Alleen door de Heere Jezus kan ik voor God verschijnen.
Zonder Hem kan ik niet en wil ik niet!
Ben je daar in de afgelopen week ook uitgekomen:
Ik kan niet zonder de Heere Jezus en niet zonder het offer dat Hij bracht.
Daardoor mag ik bij de Heere horen en kan ik voor Hem verschijnen.
Dankzij Hem, omdat Hij voor mij stierf.
Dan spreekt de tafel voor in de kerk van Zijn liefde
en laten de stoelen een uitnodiging zien: Kom naar Mij toe, Ik ben je Redder,
en het brood dat straks gebroken wordt
en de wijn die doorgegeven wordt laten het zien: Ik heb je schuld weggedragen. Genade!

Maar als je niet tot dat antwoord gekomen bent
en je voelt: zo kan ik niet voor Hem komen met mijn fouten en tekorten
en dat als de Heere je veroordeeld dat het terecht zou zijn
omdat er zoveel aan je schort.
Vorige week heb je het weer in het formulier gehoord,
dat ik naar de Heere toe tekortgeschoten heb:
mijn geloof was te weinig, want die vragen over God, ik heb ze nog steeds.
En mijn liefde – had vuriger kunnen zijn. Ik heb nog zoveel hier op aarde.
En mijn hoop en vertrouwen – geregeld heb ik toch nog die angst.
Als God over mijn leven een oordeel zou vellen,
dan zou dat antwoord zijn: je hoort nog niet bij Mij!

Of … zou het antwoord zijn, de woorden die Paulus schrijft:
Ik heb je bestemd om bij Jezus te horen.
Dwars door dat oordeel heen dat terecht zou zijn:
Ik heb je bestemd om door Christus de zaligheid te verkrijgen.
Dat is het doel dat ik met jou, met u voor heb.
Ik weet, Ik kan anders oordelen,
als Ik naar je kijk zoals je bent,
maar Ik kijk naar Mijn Zoon die al jouw schuld heeft weggedragen.
Kijk maar naar het brood dat gebroken wordt:
Kijk hoe Mijn Zoon zich aan het kruis liet verbreken. Voor jou.
Kijk naar de wijn die ingeschonken wordt,
De wijn die wijst naar Zijn bloed – voor u vergoten tot volkomen verzoening van al uw zonden.
Een uitnodiging om naar Mij toe te komen,
vanmorgen aan het Avondmaal maar ook op die Grote Dag om Mijn koninkrijk binnen te gaan.
Doordat er een kruis stond op Golgotha – dat was het doel, de bestemming.
Niet het verlorengaan, maar redding, behoud, een open deur naar God toe.
Kijk naar het Avondmaal en zie de liefde waarmee Christus zich gaf.
Kom naar de tafel en proef de goedheid en genade van de Heere in brood en wijn.
Onderga het, ervaar het.
Christus die Zijn leven gaf op Golgotha zal eens terugkomen
om iedereen die in Hem geloofde, die door Hem zich lieten redden voor altijd tot zich te nemen.
Dan zal het een groot feest zijn.
Van dat feest mogen we vanmorgen al iets ervaren
in het avondmaal, in brood en wijn, zichtbare tekenen van Gods liefde en genade
in de gemeenschap met elkaar, samen op reis naar het hemels Jeruzalem.
In de verwachting van Zijn komst. Amen

Preek zondag 23 november 2014

Preek zondag 23 november 2014 – eeuwigheidszondag
1 Thessalonicenzen 4: 13-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus schrijft over degenen die ontslapen zijn,
kan iedereen daar wel een gezicht of een naam bij bedenken
van iemand die er niet meer is.
Voor de een is dat een opa die dit jaar overleden is,
voor de ander een zus met wie de band heel hecht was,
of een moeder die al langer geleden begraven werd.
Als je aan diegene denkt die ontslapen is,
kan er van alles boven komen,
zoals mooie herinneringen.
Je herinnert je hoe je opa zijn uiterste best deed om je bruiloft mee te maken
en hoe gelukkig hij was dat hij jouw bruiloft nog mee kon maken.
Je herinnert hoe je moeder er steeds was voor jou,
nooit deed je tevergeefs een beroep op haar.
Je denkt aan je vriendin, die zo jong nog ziek werd,
maar haar ziekte dapper heeft gedragen
en voor jezelf een voorbeeld is geweest van wie je veel hebt geleerd.
Op aarde kan een hechte band geweest zijn,
waar je nog steeds in dankbaarheid op terug kan kijken,
maar er is een moment gekomen
waarop er afscheid genomen moest worden
en je alleen verder moet
zonder opa, moeder, broer, vriendin.

Dat kan soms best moeilijk zijn
om het leven weer op te pakken, alleen, zonder de vriendin met wie de band zo hecht was.
Om zonder moeder verder te leven,
Degene die je op de wereld heeft gebracht, die je steeds met raad en daad bijstond.
Maar je leven gaat wel verder.
Er komen momenten, die je voor het eerst alleen meemaakt:
een verjaardag, een bruiloft, een geboorte.
Ze zijn er niet meer bij, ze maken het niet meer mee,
maar vergeten ben je ze niet
en juist op zulke dagen kun je aan hen denken:
‘Dit moest opa eens weten.’ ‘Had ik dit maar kunnen delen met mijn vriendin.’
‘Wat zou mijn moeder hier blij mee geweest zijn.’

Wat merk je dan weer opnieuw hoe hard de dood is
en je kunt dan binnenin in je ziel, of zelfs in je lijf, het verdriet voelen
en met je meedragen.
Het verzachten van de dood helpt niet, want de dood is afschuwelijk en maakt kapot.
De dood is de laatste vijand, zegt Paulus.
Diezelfde Paulus zegt hier over degenen die overleden zijn, dat zij ontslapen zijn.
Paulus gebruikt het beeld van de slaap.

Soms kun je staan bij de kist waarin de overledene ligt
en dan net lijken of de overledene slaapt,
zo rustig ligt hij of zij erbij.
Dan kan het zo bij je boven komen: straks wordt hij zo wakker en is alles een nare droom.
Soms kan het zijn of iemand slaapt
en je zou willen dat je oma wakker wordt.
Of heeft je kleine broertje of zusje tegen je gezegd:  ‘Wanneer wordt opa weer wakker?’
Dan  weet je: dit is geen slaap, dit is de dood.

Toch spreekt Paulus, die weet hoe hard en ruw de dood kan zijn, over ontslapenen.
Zou hij dat hier gebruiken om toch verzachtend over de dood te spreken?
Dat gebeurt nogal eens, om niet onder ogen te hoeven zien
dat sterven confronterend is voor degenen die blijven leven.
Soms wordt er van iemand gezegd: hij heeft een mooie dood gehad,
vaak wordt dan een sterven bedoeld zonder een lijdensweg die voorafgegaan is.
Maar hoe kan de dood nu ooit mooi zijn?

Paulus heeft een reden om te spreken over degenen die ontslapen zijn.
Hij doet dat niet om de dood te verzachten
om een soort troost te bieden
of omdat hij niet de harde, ruwe werkelijkheid van de dood onder ogen wil zien.
Nee, Paulus gebruikt dat beeld vanuit een rotsvast vertrouwen op God,
vertrouwen op God die Zijn Zoon uit de dood heeft geroepen
tot het leven.
Want slaap betekent dat je weer wakker geroepen wordt
als een nieuwe dag begint.
Daarom spreekt Paulus over ontslapen.
Een kind kan soms zo diep in slaap zijn dat het uit zichzelf niet wakker wordt.
Dan komt zijn moeder bij zijn bed en roept het kind bij zijn naam wakker:
‘Peter, wakker worden, het is al dag!’
Zo houdt Paulus ons voor dat er een moment komt
waarop God aan ons graf zal staan en ons bij onze naam zal roepen:
‘Wakker worden, Mijn dag is aangebroken!’
Zoals de wekker afgaat en iemand die in nog slaapt wakker maakt,
zo zal op die dag van God de bazuin klinken
om alle doden te wekken uit de slaap, zodat ze zullen opstaan.
Paulus heeft niet de bedoeling om de dood te verzachten.
Hij zegt niet: de dood valt wel mee, troost je daar maar mee.
Nee, Paulus gelooft dat er aan de dood een einde komt
op die geweldige dag als Christus vanuit de hemel neerdaalt
en iedereen zal opstaan en de dood iedereen moet laten gaan.

Als wij slapen, doen wij dat om uit te rusten.
Maar ook dat is niet de reden voor Paulus de reden om over de dood als een slaap te spreken.
Het is voor Paulus geen zoete, zachte dood.
Want de dood is een macht, zoals de slaap ook een macht is
die over ons kan komen waartegen we niet bestand zijn.
Zo is de dood een macht die over ons komt en ons meeneemt,
Waartegen we niet bestand zijn, als een vijand die ons mee wil roven.
Maar… maar … houdt Paulus ons voor:
aan die macht komt er een einde, zoals er aan de macht van de slaap een einde komt,
omdat God ons wekt.
Dat is de troost die Paulus heeft.

Daarom kan Paulus tegen de gemeenteleden in Thessalonica zeggen:
weest niet bedroefd!
Het is een mooie, bemoedigende tekst, maar tegelijkertijd ook een scherpe tekst
waarmee we zo maar nog niet klaar zijn:
Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn,
opdat u niet bedroefd bent, zoals degenen die geen hoop hebben
.
Degenen die geen hoop hebben, die hebben reden om bedroefd te zijn.
Paulus verwijst daarmee naar de opvoeding die zijn gemeenteleden in Thessalonica hebben gehad.
Bijna iedereen in die gemeente was opgegroeid in een ander geloof,
ook met andere gedachten over wat er na de dood gebeurt
dan wat Paulus hen voorgehouden had.
Ze waren opgegroeid met een geloof, waarbij degenen die overleden waren
naar het dodenrijk gingen en vandaar niet meer terug konden komen.
De overledenen kwamen niet meer terug, bleven in het rijk van de dood als gevangenen.
Dat geloof was hen van jongsaf aan bijgebracht.
Maar toen kwam Paulus en vertelde hun een heel ander verhaal
over een God die Zijn Zoon naar de aarde zond,
die aan het kruis stierf vanwege de zonden
en de straf van de zonde droeg en daarmee ook de oorzaak van de dood wegdroeg.
Deze Jezus werd door God uit het graf geroepen,
waarmee God liet zien: de macht van de zonde én de macht van de dood is gebroken.
Ze gingen inzien dat hun eigen goden dood zijn
en de verhalen niet kloppen.

Paulus zal hen vast verteld hebben wat er in Jesaja 44 staat.
Op een aantal Bijbelkringen is dit hoofdstuk al aan de orde gekomen.
Je hebt iemand die een stuk hout heeft.
Dat stuk hout breekt hij in tweeën.
Met het ene stuk steekt hij de kachel aan en van het andere stuk maakt hij een beeld van zijn god.
Met zulke verhalen zijn ze opgegroeid, in zulke goden hebben ze geloofd
totdat ze de verhalen en de boodschap van Paulus hoorden
en ze gingen in Jezus geloven.
In Jezus die aan het kruis voor hen gestorven was, voor hun zonden, voor hun schuld.
Maar ze wisten ook: Hij komt eens terug!
Ze hadden Paulus er vol enthousiasme over horen vertellen:
over de grote dag van Christus’ wederkomst.
Dat sloeg over op de gemeente, ze keken naar die dag uit!
Ze zullen er over gezongen hebben, ze zullen er met elkaar over gesproken hebben.
Ik kom dat ook hier in de gemeente tegen,
het uitzien naar die dag, de dag dat Christus zal wederkomen.
O welk een dag zal dat wezen!
Mooi is dat , als dat met elkaar gedeeld wordt,
als je met elkaar naar die dag uitziet, naar de ontmoeting met de Heere.
Want daar ging het de gemeenteleden in Thessalonica om.
Ze hadden al zoveel over Christus gehoord!
Ze wilden bij Hem zijn!
De dag dat Christus terugkomt, zal de dag zijn waarop ze hun Heer mogen ontmoeten,
dat ze aan Zijn voeten mogen neerknielen, uit eerbied en overgave,
uit liefde en dankbaarheid: Heer, hier zijn we. We zijn van U! Dankzij Uw genade!
Gemeente, dat houdt ons een spiegel voor.
Hoe kijkt u naar die dag uit? Houd u daar ook rekening mee
en dan niet uit angst, maar uit verlangen?

Maar ze merkten nog wel, dat ze op aarde leefden.
Dat ze nog niet bij Christus zijn.
Want er waren gemeenteleden, die hen heel dierbaar zijn,
die ze moesten begraven.
Hoe zit dat dan met hen? Zouden zij die grote dag meemaken?
Of zou die dag, van de ontmoeting met de Heere, aan hen voorbij gaan
omdat ze nog gevangen zijn in het dodenrijk,
omdat de dood hen niet wil laten gaan?
Nee, zegt Paulus, de dood heeft een einde,
want Christus kwam uit de dood, zo zullen allen uit de dood komen
die van Christus zijn.
Troost elkaar met deze woorden.
Gemeente, dat mogen we tegen elkaar zeggen
als we aan het graf staan:
de dood is hard en ruw, maar de dood heeft niet het laatste woord.
Wij zaaien het lichaam in de aarde
en vertrouwen het daarmee toe in de handen van de levende God
in de verwachting van de opstanding op de Jongste Dag!

Gemeente, dat is de troost.
Maar je kunt ook die troost missen, zegt Paulus.
Wie niet in die verwachting leeft om later bij de Heere te zijn,
die heeft geen troost.
Die heeft als de dood komt alleen het gevoel
dat de dood een sterke golf is die alles stukslaat en veel kostbaars meesleurt
en niets prijsgeeft.
Natuurlijk, je kunt elkaar dan wel proberen te troosten, als achterblijvers.
Dat gebeurt vaak, bijvoorbeeld in de songs van Marco Borsato:

Afscheid nemen bestaat niet
Ik ga wel weg maar verlaat je niet
Lief, je moet me geloven
Al doet het pijn…

Ik wil dat je me los laat
En dat je morgen weer verder gaat
Maar als je eenzaam of bang bent
Zal ik er zijn..

Kom als de wind die je voelt en de regen
Volg wat je doet als het licht van de maan
Zoek me in alles dan kom je me tegen
Fluister mijn naam,
en ik kom eraan

Zie, wat onzichtbaar is
Wat je gelooft is waar
Open je ogen maar
En, dan zal ik bij je zijn
Alles wat jij moet doen
Is mij op m’n woord geloven

Afscheid nemen bestaat niet

Was dat maar waar, dat afscheid nemen niet bestaat.
Je kunt elkaar nog zo troosten met deze woorden en ze maken vaak indruk,
maar waar zijn ze niet,
want er is wel degelijk een afscheid.
Die grens komt – onherroepelijk, voor iedereen.
We kunnen met elkaar ons zo druk maken over het leven voor die grens,
dat korte stukje,
terwijl we soms die eeuwigheid uit het oog verliezen.

Paulus spreekt hier trouwens niet over de eeuwigheid en ook niet over de hemel.
Ik denk dat hij dat bewust doet.
Niet omdat hij er niet in gelooft, maar omdat dat niet de kern is van het leven na de dood.
De kern is niet het eeuwige, niet het paradijselijke.
De kern, het mooie, de troost: is dat we van Hem zijn en bij Hem zijn,
onze Heere, dat onze Heere ons ophaalt en meeneemt naar Zijn heerlijkheid
om bij Hem te zijn.
Gemeente, dat is de troost, de enige troost in leven en sterven: van Hem te zijn.
De hemel is mooi om naar uit te kijken, omdat Hij, Christus onze Heer er is.
De eeuwigheid zal nooit vervelen en is om naar te verlangen
omdat we dan nooit meer gescheiden zullen zijn van onze Heer
en voor altijd bij Hem mogen zijn.
Een hemel zonder God – ze is er niet en al zou die er zijn, zou een lege troosteloze hemel zijn,
Waar we hooguit schimmen zijn, gevangen in de macht van de dood.
Maar omdat Christus de levende is en onze God de levende God
zal er een dag komen, waarop de dood allen moet laten gaan
die van Hem zijn, die geleefd hebben, die gestorven zijn in dat geloof.
Gemeente, troost elkaar met deze woorden,
zodat we met elkaar naar onze Heer verlangen, die in de dood geweest is, voor ons
om ons thuis te halen, om ons voor eeuwig bij Hem te laten zijn.

Jezus leeft en ik met Hem!
Dood waar is uw schrik gebleven?
Hem behoor ik en zijn stem
roept ook mij straks tot het leven,
opdat ik zijn licht aanschouw,-
dit is al waar ik op bouw

Amen