Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.

 

Advertenties

Preek zondagmorgen 18 oktober 2015

Preek zondagmorgen 18 oktober 2015
1 Samuël 25:2-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het zuiden van Israël aan de grens, het niemandsland waar zelfs de soldaten van de koning niet durven komen zo gevaarlijk is het er, woont een man op wie je jaloers zou kunnen worden, omdat hij in het gebied waar alleen de sterkste het uithoudt een enorm groot bedrijf heeft, een bedrijf waar zelfs de zwaarste criminelen geen vinger naar uit durven steken. Ik stel me voor dat alles wat deze man heeft, bedoeld is om indruk te maken op degenen met wie hij omgaat: zijn landgoed, de manier waarop hij zijn bedrijf voert, zijn omgangsvormen is bedoeld om te imponeren, zodat je – als je al bij hem in de buurt durft te komen – tegen hem opkijkt. Als je zijn huis zou mogen betreden, zou je haast geen durven verzetten, uit angst dat je het peperdure parket dat op de vloer ligt zou beschadigen. Het is een man die precies weet hoe het er met zijn bedrijf voorstaat, exact weet hoeveel schapen hij heeft. Een man bij wie je niet zou moeten proberen om te vertellen dat er een van de schapen is kwijtgeraakt, omdat er tijdens een moment van onoplettendheid een roofdier of een schapendief kan toeslaan. Je zou deze man in staat achten om na een feest te laten uitrekenen wat iedereen tijdens het feest aan eten en drinken heeft genuttigd, de koekjes na het koffiedrinken natelt om zo de mensen met wie hij omgaat, zijn vrienden, zijn handelspartners in de gaten te houden. Een man die schuilgaat achter zijn bezit, achter zijn onderneming. Zijn bedrijf is in de gehele regio bekend, het vermogen op miljoenen geschat,
maar wie hij zelf is, dat is de grote vraag.Een grote onbekende. Hij is wat hij bezit, zijn bedrijf dat is zijn identiteit. Hij treedt alleen onder de mensen als er flink te verdienen valt of als hij de mensen die hem loyaal zijn weer wil paaien om ze te vriend te houden.
Dan pas klinkt zijn naam, een naam waarvan je je afvraagt of dat een naam is door de mensen in de regio hem gegeven, een naam die ze alleen onderling gebruiken om hem te bespotten. Of dat het toch zijn echte naam is: Nabal – als de mensen uit de regio, degenen hem niet mochten, maar die niet tegen hem opgewassen waren, deze naam gebruikten moest er wel een spottende glimlach om de mond komen.

Echt zo’n man om jaloers te worden, zoals Psalm 73 aangeeft, omdat het een man is die God niet nodig heeft. Gods zegen heeft hij niet nodig, omdat hij het zelf wel voor elkaar krijgt. Gods bescherming niet nodig heeft, omdat hij zijn eigen veiligheid heeft gewaarborgd, zodat niemand het lef heeft om een vinger naar hem of naar zijn schapen uit te steken. Een man om jaloers op te worden omdat hij het zich ook kan permitteren om zonder God te leven. Want jaloers was ik, omdat ik de vrede zag van de goddelozen. (Psalm 73:2)
Hard en slecht in zijn optreden, zo wordt zijn karakter in enkele woorden getypeerd (HSV), hard en meedogenloos (NBV). Geloven is in een God is voor hem alleen maar lastig, omdat hij dan ook een geweten moet hebben.

Hun mond tast zelfs den hemel aan;

Gods albestuur schijnt hun een waan; (Psalm 73:5 OB).

Het bestaan van mensen als Nabal, het roept niet alleen intense jaloezie op, omdat je zelf ook iets, al is het maar een klein beetje van dat immense bezit zou willen hebben, terwijl je zelf zo moet zwoegen, elke dag weer opnieuw, met de hondenbaan die je hebt. Zo’n man hoeft alleen maar hoeft te komen kijken als zijn vermogen nog meer toeneemt. Niet alleen jaloezie, maar je kunt er net als Asaf in Psalm 73 met God overhoop liggen,  omdat God zulke mensen laat begaan. Als je met zo’n man te maken hebt, als zo’n man op je weg komt, ga je wel afvragen of er wel een God is, omdat Hij het wrede en onrechtvaardige laat bestaan.

Je kunt je afvragen wat het David heeft bezield om deze man te helpen. Doet hij dat om in een eventuele strijd om de opvolging van Saul zich te verzekeren van de steun een van de meest aanzienlijke mensen uit zijn land, iemand om wie andere invloedrijke mensen niet heen kunnen? Doet hij dat om te bewijzen dat hij een goede koning zou zijn door in een niemandsland waar alleen de sterkste crimineel overeind blijft orde en rust te brengen met zijn manschappen? Naar mijn idee moet het wel te maken hebben met zijn toekomstige koningschap, omdat al die hoofdstukken te maken hebben met Davids weg naar het koningschap over Israël en ook omdat David diep beledigd is doordat Nabal afschildert rebel, een terrorist. Nabal die David wel degelijk blijkt te kennen: de zoon van Isaï. Hij moet  ook wel ebben geweten dat in de tijd dat David in zijn gebied rondhing hij geen enkele schaap heeft gemist. Nabal, zijn naam betekent dwaas – in de zin dat hij niet om God geeft. Zulke dwazen zijn niet dom en ook Nabal is iemand met een sluwe mensenkennis, die David weet te raken in zijn zwakke plek. David die in de woestijn alles op alles zette om te laten zien  dat hij op geen enkele manier zijn loyaliteit aan Saul, aan Gods gezalfde wil verbreken. Nabal geeft aan: moet ik iemand die geen gezag boven zich duldt, een weggelopen slaaf, een rebel, een terrorist iets geven? Wat denkt hij wel? Heel de uitstraling van Nabal is dat David niet opgewassen is tegen de invloed van Nabal.

Dan blijkt dat de dwaasheid van Nabal besmettelijk is. Driftig geworden door de denigrerende opmerkingen verliest David zijn waardigheid en verlaagt zich tot hetzelfde niveau als Nabal, net zo grof in de mond als Nabal en net zo dwaas, omdat hij in zijn beledigd-zijn niet met meer aan God denkt, van Wie hij nog maar net in de confrontatie met Saul heeft beleden  dat zijn leven in Gods handen is, dat zijn zaak behartigd zal worden door God als rechter en dat de Heere het onrecht dat hem, David is aangedaan, zal wreken. Op het ogenblik dat de mannen van David terugkomen met Nabals nee en belediging raakt David dat besef, dat vertrouwen in de Heere helemaal kwijt. David die in de confrontatie met Saul nog vol van God was en in Saul, die op hem jaagde, nog de gezalfde van God zag, die hij moet laten leven, omdat God hem zal wreken, raakt in de confrontatie met Nabal vol van zichzelf en zijn eigen wraakgevoelens. David verliest zijn schoonheid en wordt net zo lelijk als Nabal.
Kan ons dat allemaal overkomen, wat er met David gebeurt, dat hij in een kort moment alles kwijt dreigt te raken, omdat zijn hart volstroomt met zijn eigen boosheid en zijn eigen behoefte iemand die hem niet wil helpen uit de weg wil ruimen? Wat er met David gebeurt, laat zien dat het gebed, waarmee we antwoord geven op de preek voor ons allemaal van belang is: Leid ons in geen verzoeking ooit (Gezang E). Want het is geen garantie dat wij zelf in zo’n confrontatie wel overeind blijven en wijs blijven, omdat we vertrouwen dat de Heere ons zal wreken en dat we het dus niet zelf moeten doen. Heere, behoed ons ervoor dat wij ooit in zo’n situatie komen, net als David, waarbij we in de verleiding komen om onszelf te moeten wreken. Doe ons, juist wanneer het er om spant en de boosheid en de drift ons aanvliegt, de kalmte bewaren en het vertrouwen dat ons leven in Uw hand ligt en dat wat er ons overkomt ook door U gezien wordt  en dat u daar niet onverschillig aan voorbij gaat.

Hoe belangrijk het geloof en vertrouwen is dat de Heere onze rechter is en het wreken alleen Hem toe behoort, kwam ik ooit in een voorbeeld tegen. Een voorbeeld van iemand die vrijwilliger was bij een telefonische hulpdienst:
Op een avond werd zij opgebeld door een vrouw in paniek. De vrouw die opbelde vertelde dat zij met een bijl in de hand stond en dat ze op het punt stond naar haar man te gaan, die nu bij een andere vrouw was. Ze zou er heen gaan om haar man en de vrouw bij wie hij was te vermoorden om zich op hen beiden te wreken. De vrijwilligster bij de hulpdienst wist niet hoe ze moest antwoorden en viel stil tot haar – tot haar eigen verrassing een tekst binnenviel –  die ze hardop denkend ook door de telefoon zei: Mij komt de wrake toe zegt de Heere. Ik zal het vergelden. De vrouw aan de andere kant van de lijn kwam onverwacht tot rust, ze kalmeerde. Dankuwel, zei ze tegen de vrijwilligster van de hulpdienst, dit is wat ik nodig heb.

Het is een populaire gedachte dat religie, geloof tot geweld leidt. Geloof kan echter ook geweld stoppen en iemand vol woede en drift  tot bedaren brengen, zodat iemand eraan herinnerd wordt, dat je jezelf niet hoeft te wreken. Geloof als onderbreking, het doorbreken van geweld, van verkeerde patronen. Iemand tot de orde roepen door het vertrouwen op God weer te herstellen. Voed het oud vertrouwen weder (Psalm 42:3 OB) het vertrouwen dat er was, voor dat de drift toesloegen dat weer nodig is om de drift te beteugelen. Het is Abigaïl die op Davids weg komt, om het voor het kwade te behoeden. Ze doet dat op een kwetsbare manier, door geknield de weg voor David te blokkeren.
Wil David Nabal geweld aandoen en het hele bedrijf van Nabal treffen met een wrede strafexpeditie en uit de herinnering uitbannen, moet hij voorbij deze mooie vrouw, die daar kwetsbaar haar afhankelijkheid van David laat zien. Een vorm van afhankelijkheid die David ook een spiegel voorhoudt. Want het is niet zozeer een tactische handeling, het is een gestalte, een vorm van gebed, Abigaïl die knielend – niet alleen voor David, maar ook voor zijn, voor haar God, voor de God van Israël voorover ligt. Dat is haar schoonheid. Schoonheid is niet alleen maar iets van de buitenkant,  maar ook van de binnenkant. Abigaïl is een icoon las ik ergens – en daarmee werd bedoeld: Abigaïl laat de liefde van Christus door haar heen stralen  en houdt David een spiegel voor. Waar David op weg is voor de confrontatie met Nabal, stuit hij op zijn vrouw, die hem een andere houding laat zien. Niet de houding van wraak in eigen hand, zelf opkomen voor je eer, laten zien dat je de ander de baas bent, maar de spiegel van de liefde van Christus, waarbij David niet alleen in de ogen van Abigaïl kijkt, maar ook in de ogen van de Heere. David, Ik ben er ook nog. Weet je dat niet meer? Ben je dat vergeten? Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden. Ik de Heere, de rechter. Zei je onlangs niet tegen Saul dat Ik jou zal wreken?

Abigaïl, ze zal het moeilijk gehad hebben in haar huwelijk met Nabal. Nabal zal op haar gevallen zijn vanwege haar schoonheid, haar mooie uiterlijk, maar haar echte schoonheid, diep van binnen in haar band met de Heere, zal hij nooit opgemerkt hebben. Zijn ogen hebben de liefde van Christus in de ogen van zijn vrouw nooit willen zien en naar de woorden die door de Heere tegen hem gesproken zijn bij monde van zijn vrouw Abigaïl heeft hij nooit willen luisteren, want er is geen God, je moet ook geen God willen, dat is alleen maar lastig. Hier op deze weg is er iemand die wel naar haar luistert en in de spiegel kijkt. David. David is geen perfecte koning en heeft veel verkeerde dingen gedaan. David was geen onschuldige jongen. Als je de verhalen over David leest, vraag je je soms af waarom David de man naar Gods hart werd genoemd. Zo werd hij niet genoemd vanwege zijn daden. Naar mijn idee wordt hij zo genoemd, omdat hij zich steeds weer laat aanspreken door de woorden die God hem op zijn pad brengt en dat hij steeds weer kijkt in de spiegel die hem in Gods naam wordt voorgehouden.

De houding van Abigaïl laat enkele dingen zien, die ook voor ons van betekenis zijn:
* Abigaïl laat zien dat je als individu soms zin heeft om een ander standpunt in te nemen.
Om niet mee te gaan met de massa die zich laat ophitsen.  Dat juist de kwetsbaarheid, de afhankelijkheid van de Heere, in het gebed meer invloed heeft dan we soms kunnen vermoeden.
* Abigaïl laat zien dat het iemand door een enkele uitspraak kan veranderen, omdat iemand – in dit geval David, maar ik heb ook hedendaagse voorbeelden gehoord, dat iemand door een enkele opmerking tot verandering kwam omdat in die opmerking de stem van de Heere werd gehoord die aandrong op een verandering, een bekering, een omwending.
* Abigaïl laat zien dat in tijden waarin de Heere gemist wordt, waarin hij afwezig lijkt, op een verborgen manier handelt, Waarbij Hij mensen, zoals Abigaïl inschakelt. Onze structuur van de kerk, met ambtsdragers die verkozen worden is daar ook op gebaseerd, dat in de verkiezing Gods stem op een gemeentelid afkomt en dat in wat een ambtsdrager doet in de gemeente Gods handelen zichtbaar wordt.
* Denk niet te snel dat de Heere er niet is. Hij werkt, op een verborgen manier, door mensen terug te roepen van een verkeerde weg. Een weg waarbij ze niet alleen zichzelf verliezen maar ook de Heere.
Amen

  • Het voorbeeld van de vrouw die contact opnam met de telefonische hulpdienst is afkomstig van Manfred Josuttis. Ik heb het voorbeeld enigszins aangepast.
  • Bij deze preek heb ik mij laten inspireren door de biografieën over Poetin van Wierd Duk en Peter d’Hamecourt.
  • Abigaïl als icoon heb ik ontleend aan Eugene H. Peterson, David en God.

Preek zondagmiddag 11 oktober 2015

Preek zondagmiddag 11 oktober 2015
1 Samuël 24

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In welke periode van uw leven heeft u het meest geleerd over de Heere?
In welke periode leerde u Hem beter kennen
En verdiepte uw kennis van Hem en leerde u dat uw leven echt veilig, geborgen is
bij de Heere en dat Hij de beloften die Hij gedaan heeft, waar maakt?
Is dat in een periode waarin alles goed ging?
Of was dat in een tijd waarin het stormde in uw leven?

In veel verhalen in de Bijbel is er altijd wel een moment waarop het leven anders verloopt.
De Bijbel laat ons vaak mensen zien,
die op hun levensweg een behoorlijke omweg moeten maken
om uiteindelijk uit te komen bij het doel waar de Heere hen wilde brengen.
Komen de mensen waar de Bijbel over verteld daarmee niet heel dicht bij ons?
Ook al leven ze in een heel andere tijd
en maken ze heel andere dingen mee,
toch kunnen we ons soms heel goed herkennen in de weg die gegaan moet worden.
Ook David maakt zo’n omweg mee naar het koningschap.
Dat wist hij niet en dat was hem ook niet verteld.
Hij wist alleen dat hij – onverwacht – tot koning was gezalfd door de oude profeet Samuël.
Daarna leek het alsof zijn weg naar de troon een gemakkelijke weg zou zijn.
Met zijn muziekspel op de harp kon hij koning Saul weer rustig krijgen
en doordat hij de reus Goliath wist te verslaan
mocht hij trouwen met Michal en werd hij de schoonzoon van de koning.
Zal hij in die tijd niet hebben gedacht: Nu maakt God waar wat Hij beloofde?
Hij baant voor mij een weg.
God doet wat Hij belooft en maakt mij koning over Israël.
Zo kun je in een periode waarin het goed gaat je heel dicht bij God weten
en ervaren dat God Zijn beloften vervult.
We hebben die beloften vanmorgen in de doopdienst weer gehoord:
Dat God als Vader voor ons wil zorgen
en dat Hij alle kwaad van ons wil weren.

In het doopformulier wordt die belofte ook nog aangevuld met een andere belofte.
Daar heb vaak veel moeite mee gehad,
Want hoe kun je nu zomaar zeggen van de moeilijkheden die een mens overkomen,
van het kwade dat ons toch overkomt en waarvoor God ons niet behoedt,
Dat God die moeilijkheden doet meewerken ten goede?
Dat daarin Gods Vaderhand zichtbaar wordt?
In al die jaren dat ik predikant ben,
heb ik geleerd hoe God het kwade laat meewerken ten goede
in de verhalen die ik van gemeenteleden hoorde
over de weg die zij moesten gaan, een moeilijke weg vaak,
het overlijden van een vader of een moeder, van een man of een vrouw,
een ziekte die voor veel spanning en onrust zorgde.
Als ik dan vroeg hoe ze het volgehouden hadden,
was het antwoord: als ik mijn geloof niet had.
Als God mij niet gedragen had. Als de Heere niet droeg.
Dat is ontroerend om mee te maken.
Ik hoop dat de ouderlingen, de bezoekbroeders en bezoekzusters die ervaring ook hebben
dat ze geregeld door een huisbezoek ook zelf bemoedigd worden,
omdat u ook die verhalen hoort
Dat iemand ondanks alle moeiten die er zijn toch houvast in de Heere vindt.
Dat het waar is, dat God een toevlucht is voor de zijnen.

Voor David is het ook waar.
David is iemand van wie ik veel kan leren en ik hoop u ook.
Want op momenten dat je zou verwachten dat David het niet meer weet,
omdat hij opgejaagd wordt door koning Saul en zijn leven niet zeker is,
is er in hem een rotsvaste overtuiging: God is mijn toevlucht.
Mijn leven is veilig in Gods hand.
Het valt mij op dat David juist tijdens zijn zwerftocht de Heere beter leert kennen.
En voor hem is het waar, dat tijdens zijn omweg naar het koningschap
en zijn zwerftochten door Israël op de vlucht voor Saul
dat hij daarin de Heere beter leert kennen.
En dat is daar in de grot in de buurt van En-Gedi aan de orde.
Er is sprake van een confrontatie, niet alleen tussen David en Saul,
maar ook tussen David en zijn mannen.
En de vraag is: Wie kent de wil van de Heere het best.
Wie kan duiden wat er gebeurt.
Wie kan uit de gebeurtenissen afleiden wat Gods wil is?
Zijn dat de mannen van David, die zeggen:
David, de kans die je krijgt om Saul te doden is een door God gegeven kans?
David, de situatie zoals zich die voordoet, dat is niet zomaar een kans,
Maar God geeft die aan jou. Dit is Zijn weg met jou.
Is dat Saul die achter David aan gaat om hem met 3.000 van de beste soldaten
op te jagen alsof David een grote vijand is?
Heeft Saul in David niet alleen een concurrent van de troon gezien,
maar ziet hij in David ook iemand die Gods plan met Saul ondergraaft
en ziet hij in de jacht op David ook iets van een heilige oorlog die hij in Gods naam tot een goed einde moet maken, omdat de vijanden van Saul ook de vijanden van de Heere zijn?
Of is dat David die de gelegenheid laat lopen en zegt: Dit is Gods tijd niet.
Dit is niet Gods wil.

De soldaten zeggen  als Saul in de grot verschijnt, alleen,
om zich even af te zonderen (waarschijnlijk om even naar de wc te gaan)
en zo zonder soldaten om zich heen heel kwetsbaar is:
Zie, de dag waarvan de HEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen!
David, dat moet je toch zien, daar hoef je toch geen profeet voor te zijn,
een profeet die er in getraind is om Gods stem op te vangen
en getraind om in de dingen die gebeuren de aanwijzingen van God op te vangen
en in staat is om te zeggen wat er gedaan moet worden.
Dit is de dag die de Heere je geeft!
Heeft de Heere die belofte niet aan je gedaan, dat Hij jouw vijand aan je zal uitleveren?
Hoe sterk moet wel niet de verleiding voor David zijn geweest?
De druk van de mannen die bij hem in de grot zitten
en die met hem op de vlucht zijn voor Saul.
De druk van de situatie om nu zijn kans te grijpen en voor altijd af te zijn van de angst,
van het opgejaagd zijn en de rust te krijgen, waar hij over gezongen heeft:
De Heere is mijn herder, mij ontbreekt niets.
Hij doet mij nederliggen in grazige weiden en leidt mij naar stille wateren.
Hij verkwikt mijn ziel.
In die bekende Psalm 23 heeft David ook een regel opgenomen die vaak ondersneeuwt
en vaak niet wordt genoemd:
Hij leidt mij in het spoor van Zijn gerechtigheid.
In die psalm gaf David aan: Ik hoef helemaal niet te gissen naar Gods wil.
God heeft voor mij een weg uitgestippeld.
In Psalm 23 gebruikt David het beeld van een spoor dat reeds ingesleten is.
Ik hoef mijn weg niet te zoeken, ik hoef niet te dwalen,
maar de Heere heeft als mijn herder mijn weg reeds gebaand.
In de psalm zijn het de geboden die de Heere gegeven heeft.
Wil ik weten wat God van mij vraagt?
Ik hoef daar niet steeds naar te gissen, want in de geboden die Hij heeft gegeven
kan ik opmaken wat Hij van mij vraagt.
Ook daar in de grot, op dat spannende moment valt David daar op terug:
Gij zult niet doden.
Ook al lijkt heel de situatie er om te roepen:
Grijp toch de kans door God u gegeven.
David zegt: nee, dit is niet een kans die door de Heere wordt gegeven.
Daar moet je sterk voor in de schoenen staan,
om tegen je eigen mannen in te gaan,
waarbij de keuze van David grote gevolgen heeft voor zijn manschappen
omdat voor hen de rust nog uitblijft en er geen grazige weiden zijn,
maar een droge woestijn en een kille grot,
een opgejaagd blijven.

Ik denk niet dat David zou zeggen: ik sta sterk in mijn schoenen.
Ik heb het allemaal zelf gedaan.
Wat ik proef bij David is een sterke innerlijke overtuiging
die niemand hem kan afnemen: God is er ook nog.
Ik hoef niet voor God te handelen.
God leidt mij in het spoor van de gerechtigheid
En Hij heeft dat spoor uitgestippeld.
Ik moet alleen maar wachten tot God Zijn plan uitvoert.
Ik hoef niet, ik mag zelfs de Heere een handje helpen.
Een innerlijke zekerheid bij David, zoals dat later in het Spreukenboek verwoordt zal worden:
In de vreze des Heeren is een sterk vertrouwen
en voor Zijn kinderen zal Hij een toevlucht zijn. (14:26)
NBV: Ontzag voor de HEER geeft een krachtig vertrouwen,
het biedt je kinderen een schuilplaats. (14:26)
Dat is een mooie spreuk, een mooie spreuk om aan de wand te hangen
om jezelf er steeds weer aan te herinneren,
maar vooral ook om die vreze voor de Heere te hebben, dat ontzag voor de Heere
zoals David dat had: de Heere doet het.
David weet wat de naam van de Heere betekent:
Ik ben er voor je, Ik sta klaar om je te redden.
Ook al weet David niet wanneer – dat doet er nu niet toe.
Zijn taak is om af te wachten, om zich te voegen naar Gods wil.
Als Gods tijd nu niet is, dan later.
Dat houdt hij vol naar zijn eigen mannen toe en ook naar Saul.
Door zijn vertrouwen op de Heere durft David tegen de stroom in te roeien
en te zeggen: Wacht maar af op God.
Vanuit een vaste overtuiging dat God het ziet
en vanuit een vaste overtuiging dat God niet onverschillig toekijkt naar wat er gebeurt
en zomaar al het onrecht dat er gebeurt op zijn beloop laat.
God zal rechtspreken tussen u en mij.
Niet ikzelf bepaal dat ik gelijk heb.
Ook al bent u, Saul, nog koning en zolang u nog koning bent
zal ik u mijn respect betonen,
maar dat wil niet zeggen dat omdat u koning bent dat u dan gelijk hebt.
Dat bepaalt de Heere.
Hij die alles weet wat er gebeurt,
Hij die de harten doorgrondt,
Hij die opkomt voor degenen die geen recht meer hebben.
God is rechter. Hij overziet alles en uiteindelijk zal God een vonnis vellen
Over mijn leven, over u, over het conflict dat zich tussen ons afspeelt.
Wat die uitkomst ook zal zijn, ik leg mijn leven in Gods hand,
omdat ik weet, dat wat de Heere doet, wat Hij zegt,
helemaal eerlijk, op en top rechtvaardig is, waar niets op af te dingen valt.
Hij weet het, dat hijzelf ook onder het oordeel van God valt.
Een slechte daad valt met een vroom praatje niet goed te praten,
een ernstige misdaad valt niet met vrome woorden weg te poesten.
Voor de mensen misschien wel, maar niet voor God.
Hier laat David al iets zien van waar de Heere Jezus later over zal spreken
als een opdracht voor al Zijn volgelingen,
om ook je vijand lief te hebben en voor het welzijn, het zieleheil van je vijand te bidden,
vanuit het besef dat je samen onder Gods oordeel valt
en dat God de rechter is die uiteindelijk beslist.
Maar Ik zeg u:  Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en  bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;
zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Hij die rustig en stil, Zich steeds voegt naar Gods wil,
Hem in alles vertrouwt en gelooft; Die slechts hoort
naar Zijn stem, Zich geheel geeft aan Hem, Smaakt
een vreugde, die nimmer verdooft.
Zie slechts op Hem, Volg gehoorzaam Zijn stem;
blijf maar rustig vertrouwen, Altijd ziende op Hem.

Wordt u moeite en strijd Door de mensen bereidt;
Zie op Hem; slechts Zijn blik schenkt ons moed.
Hij draagt u; ook uw kruis, Brengt straks veilig u thuis,
Zorgt dat alles hier meewerkt ten goed
.
Zie slechts op Hem, Volg gehoorzaam Zijn stem;
blijf maar rustig vertrouwen, Altijd ziende op Hem.

Dat is geen eenvoudige weg.
Dat kan, zoals bij David een omweg zijn, een weg door de woestijn,
een weg van opgejaagd zijn.
Voor David is dat juist de weg, waarop hij leert om op het spoor te gaan
van Gods gerechtigheid
en zijn eigen leven, ook zijn strijd met degenen die hem dwars zitten,
in Gods handen te leggen.
Zie slechts op Hem, Volg gehoorzaam Zijn stem;
blijf maar rustig vertrouwen, Altijd ziende op Hem.
Als je moeite en strijd wordt bezorgd dan kan dat zo ver weg zijn
dat je ‘slechts, alleen maar op Hem’ moet zien,
om ‘rustig te vertrouwen’.
Want je ziet God niet altijd, je ervaart Zijn hulp niet direct.
In dit hele hoofdstuk wel steeds een beroep gedaan op Gods wil
en zijn er mensen die zeggen Gods wil te kennen,
maar ook hier – net als in 1 Samuël 23 – wordt niet verteld wat God doet
en toch weer wel – in het diepe besef dat David draagt
Dat ons leven, Zijn leven voor Gods aangezicht afspeelt
en dat God ziet wat ons overkomt daar eens zijn oordeel over velt.
Daarom kan hij vertrouwen
en daarom kan Jezus dat ook van ons vragen
om onze vijanden lief te hebben en voor hen te bidden,
zodat er voor hen net als voor ons vergeving mogelijk is
als ze voor de troon van God staan, als Hij het oordeel over hen velt.
Amen

Preek zondagmorgen 27 september 2015

Preek zondagmorgen 27 september 2015
1 Samuël 22.
Tekst: (…)  totdat ik weet wat God met mij doen zal. (vers 3)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen week kreeg ik de vraag of ik in deze dienst wilde ingaan
op de verklaring die door de Wezepse predikanten is gegeven
over een mogelijk AZC dat hier in Wezep zou komen.
Aan zo’n verzoek kan ik niet voorbijgaan,
omdat de discussie over of er wel of niet een AZC moet komen in Wezep flink is gevoerd.
Ik doe dat wel met de nodige aarzeling,
want ik ben geen predikant in Wezep.
Al kunnen wij in Oldebroek wellicht te maken krijgen met de gevolgen
van een AZC dat er in Wezep zou kunnen komen,
het is toch anders of je er van nabij mee te maken krijgt of wat verder weg.

Daarnaast heb ik geen idee wat het is om te moeten vertrekken uit je eigen land
naar een heel ander land, dat je niet kent, hooguit van naam.
Als gezin zijn we wel 2x verhuisd naar een heel nieuwe omgeving,
waarbij we de plaatselijke bevolking moesten leren kennen,
de gewoonten, de gebruiken, wat wel en niet kan,
wat de pijnpunten zijn en waar de mensen enthousiast van worden.
Eerst kwamen we in Noord-Holland terecht, waar ik zelf erg moest wennen
aan hoe de mensen met elkaar omgaan, hoe ze zijn
en bij de verhuizing naar Oldebroek moest vooral onze oudste dochter erg wennen.
Ik heb zelf ervaren hoe intensief het kan zijn om naar een andere omgeving te gaan,
maar dat is nog niets bij die vele duizenden mensen
die vanuit Syrië, Eritrea, Afghanistan of welk land ook maar ons land binnenkomen.
Ik kan hooguit vanuit de ervaring die ik zelf heb, proberen er iets van voor te stellen.
Wat het is om te moeten vluchten en opnieuw te moeten beginnen,
ken ik alleen maar vanuit de verhalen.
Van een Iraakse Koerd – een vluchteling – met wie wij rond 2000 in aanraking kwamen.
Hij was vanuit Irak gevlucht, waarschijnlijk omdat zijn vader in ongenade gevallen was.
In Irak was hij een arts die in de bergen de verschillende dorpen langs ging.
In Nederland gekomen telde zijn diploma’s niet
en moest van vooraf aan beginnen, na een procedure van jaren
mocht hij in de opleiding beginnen om hbo-arts te worden.
Tijdens zijn studie kwam de inval van  VS in Irak waarbij Saddam Hoessein verdreven werd.
In die periode zagen we hoe de spanning hem parten speelde
over wat er in zijn land gebeurde, hoe het met zijn familie zou aflopen.
Wanneer hij in de metro of de bus instapte, checkte hij altijd heel snel
of er geen andere Irakezen waren, want dat konden dan best
geheime agenten van Saddam zijn die hem hier nog te grazen zouden nemen.
Hij leefde voortdurend in angst en spanning.
Wat een makkelijk leven hebben wij toch, zei ik tegen hem.
Wees daar blij mee en dankbaar voor, want je gunt niemand om zo op te groeien.
Hier in Oldebroek kom ik de mensen van elders minder tegen.
Hoewel, onlangs vroeg ik hoe aan onze glazenwasser – een gelukszoeker –
hoe het met hem ging.
Hij vertelde dat hij uit Turkije kwam. Hij was een Koerd uit Noort-Turkije tegen Armenië.
Hij was nauwelijks naar school geweest,
omdat de Turkse regering het de Koerden niet gunde om een beter leven te krijgen.
Hij vertelde over de treiteringen waarmee hij en zijn familie te maken had,
hoe zijn vader onverwachts was opgepakt en voor maanden verdween
alleen omdat hij een Koerd was.
Toen zijn vader terugkwam, wilde hij met geen woord vertellen wat er was gebeurd.
Onze glazenwasser vertelde dat hij liever terug ging naar Turkije
want dat was zijn land, maar het onderwijs was zo slecht
dat er voor zijn zoon geen mogelijkheid was om naar school te gaan.
De enige school was op 3 dagen lopen afstand.
Zelf zou hij psychologie willen studeren, maar dat was te duur
en hij moest een gezin onderhouden.
Zulke ontmoetingen en gesprekken maken mij voorzichtig en bescheiden
over de komst van mensen uit een ander land, met een andere achtergrond.
Want wat zij hebben meegemaakt, dat kan ik mij niet voorstellen.
Toch is er een manier om iets te ervaren van wat het is  om vluchteling te zijn:
door de Bijbel te lezen.
In pastorale gesprekken lees ik vaak uit de psalmen, omdat dat gebeden zijn.
Vaak valt het me op, dat slechts een deel van de psalm van toepassing is,
omdat er ook regels zijn waarin David of een ander verwoordt
op de vlucht te zijn, zich opgejaagd te voelen, zoals een hert dat aan de jacht is ontkomen,
als een vogel die in een net gevangen is,
als iemand voor wie een kuil gegraven is.

We zien het ook in het gedeelte dat we met elkaar hebben gelezen,
over David die op de vlucht is.
David die zijn familie in veiligheid moet brengen, in een ander land, Moab,
een land nog niet zo lang geleden de strijd met Saul was aangegaan.
David brengt zijn ouders onder bij de vijanden van Israël.
David merkt, wat zo veel vluchtelingen vandaag de dag nog merken,
Dat wat hij doet gevolgen heeft, voor zijn familie.
Zijn familie kan worden gestraft, omdat hij zelf in ongenade is gevallen.
De mensen met wie hij in aanraking komt, zijn hun leven niet zeker.
Zoals de priesters van Nob, die worden gedood,  alleen maar omdat David bij hen was.
Door naar Nob te gaan, heeft hij het leven van de priesters op het spel gezet.
De priesters in Nob worden gedood en het heiligdom blijft desolaat en verlaten achter,
alleen maar omdat David er is geweest,
en daardoor bij Saul de suggestie heeft opgeroepen dat hij daar is geweest
om dat heiligdom aan zijn kant te krijgen.

Er gebeurt nog iets, voordat David naar Moab gaat.
David krijgt gezelschap: van zijn broers en andere familieleden,
maar ook van andere mensen: een verzameling van vluchtelingen en gelukszoekers,
mensen die het thuis niet meer uithouden
omdat de schuldeiser elk moment langs kan komen
om hun gezin mee te nemen om als slaaf te verkopen,
mensen waarmee wat aan de hand is en die je eigenlijk niet bij je in de buurt wilt hebben.
David trekt allemaal mensen aan.
Hier is ook een parallel te trekken met een mogelijke komst van het AZC:
Deze mannen waren geen lieverdjes, de mensen in Israël  zullen bang geweest zijn.

Wat moet David wel niet hebben gedacht, toen ze naar hem toekwamen:
mensen zonder geld, mensen die diep gekwetst zijn en zich zonder toekomst weten,
verbitterde mensen, boos op de regering van Saul, op de leiders van het dorp
en misschien ook wel boos op God,
want wat is er van Zijn leiding in hun leven te vinden?
Dat vraagt David zich ook af.
Hij zegt het tegen de koning van Moab – als hij zijn ouders komt brengen:
Ik weet niet welke bedoeling God hiermee heeft.
De weg die God met mij gaat, is voor mij op dit moment een raadsel.
Is hij tot koning gezalfd om de leider te zijn van dit rotzooitje?
Waar is dat mooie moment gebleven toen ik gezalfd werd en vol was van de Geest?
Als het leven tegenzit, kunnen die vragen zomaar boven komen.
Ook als je zelf dicht bij de Heere wilt leven.
Maar toch, bij David is het geen vraag dat God een plan met hem heeft.
Hij ziet de weg niet, maar ook als hij er niets van ziet, blijft hij op de Heere vertrouwen.
In de afgelopen week overleed een vrouw van begin 60 in Oldebroek.
Op de dinsdagavond voor de Schapenmarkt kreeg ze een ernstige hersenbloeding
en al snel bleek dat zij het niet zou halen.
Toch kon haar man het opbrengen om te zeggen:
God heeft er een bedoeling mee, alleen ik weet niet welke bedoeling.
Zo komen de woorden van David ook op mij over:
God heeft er een bedoeling mee, maar welke bedoeling dat is,
Waarom Hij mij deze weg laat gaan, dat is mij niet duidelijk.
Toen ik gevraagd was om aan te sluiten
bij de verklaring die de Wezepse predikanten afgaven
wist ik nog niet wat ik moest zeggen, ik weet het ook niet goed hoe het moet,
maar ik wist wel, dat het mijn taak is
om dat in ieder geval als vraag mee te geven aan u en aan mijzelf:
Welke bedoeling heeft God met de mensen die komen uit Syrië, Eritrea, Iran?
Als wij geloven dat God deze wereld leidt,
dan kan het toch niet zo zijn dat …
Nou, laten we er maar eerst bij stilstaan, bij die vraag:
of we dat nog geloven, dat God deze wereld bestuurt met zijn vaderlijke hand
als door zijn hand voortdurend instandhoudt en regeert, dat loof en gras,
regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren,
eten en drinken, gezondheid en ziekte niet bij toeval maar uit zijn vaderlijke hand komen.
Moeten we daar ook niet aan toevoegen: het komen en het wegblijven van mensen?
Ik zeg niet dat ik een antwoord weet, maar alleen
dat het onze taak als christen, als gelovige is om te zoeken naar wat God wil.
Om in alle tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar
en voor de toekomst een goed vertrouwen te hebben op onze God en Vader.
Dat lijkt me de juiste houding bij elke vraag die op ons afkomt:
geloven dat God weet wat Hij doet én dat Hij dat als onze Vader doet.
Een goed vertrouwen te hebben op God.
David zegt: ik weet niet welk plan.
We moeten ook niet doen, alsof wij zomaar even duidelijk hebben
welk plan God met ons heeft en met deze wereld.
In het hele hoofdstuk wordt niets gezegd over het plan van God,
niets gezegd over het handelen van God.
Er gebeuren allerlei dingen, waardoor je je juist gaat afvragen
of God überhaupt nog iets doet
en waarom Hij het allemaal op Zijn beloop laat:
Saul vol achterdocht is en niemand meer kan vertrouwen
en zelfs van zijn eigen clangenoten vermoedt dat ze zijn overgelopen naar David.
Doëg, de man uit Edom, die Saul boos kan krijgen
door te zinspelen op de speciale band die David met de Heere heeft:
David heeft God om raad gevraagd.
Doëg  die zelf in dat heiligdom in Nob was om zich aan de Heere te wijden.
David die zegt: ik weet niet wat God heeft.
Doëg die doet alsof je Gods weg zomaar even kunt kennen.
en David die zegt: wat God wil dat moet nog duidelijk worden en toch vertrouw ik op Hem.
Doëg die denkt de geschiedenis een handje te helpen
door alle priesters te doden, omdat ze mogelijk aan de kant van David kunnen staan.
David die afwacht, tot duidelijk wordt wat God van hem vraagt.
Al wordt dat raadsel eerst nog groter als Abjathar komt vertellen
dat al de priesters zijn uitgemoord, zijn hele dorp en heel de veestapel
vanwege het wantrouwen van de regeringsleider, de wispelturigheid van Saul.
Maar toch, als Abjathar komt, als enige, een vluchteling die zijn leven niet zeker is,
omdat ook zijn familie in ongenade gevallen is,
in dat donkere moment waarop de vraag naar Gods leiding het sterkst is,
De roep, de klacht tot God omhoog zou klinken: hoe lang nog Heere, laat u het begaan?
Op dat moment wordt er iets zichtbaar van wat God wil:
over hoe God Zijn koninkrijk bouwt:
met de komst van Abjathar komt er een priester bij de koning en een profeet is er al.
Zo wordt dat zootje ongeregeld het begin van Gods nieuwe volk
en tekent daar bij die groep van opgejaagden, van vluchtelingen en gelukzoekers
het begin van het nieuwe Israël, zoals God ze bij elkaar brengt.
God bouwt Zijn koninkrijk – op Zijn eigen manier.
Vaak via wegen die wij niet zien – misschien niet kunnen zien of soms niet willen zien.
Het enige dat David tot dat moment wist, was dat hij de gezalfde was.
Hij leek zo dichtbij, bij het koningschap, toen hij aan het hof van Saul was,
de schoonzoon – zou hij Saul op die manier opvolgen, ipv Jonathan?
Maar nee, via een andere weg – Gods weg.
God heeft ons geen kalme reis beloofd – David niet, ook ons niet.
God kan ons leven opschrikken, om ons daar weer aan te herinneren,
dat we op reis zijn en dat Zijn koninkrijk er hier op aarde nog niet is.
Mogelijk dat God dat aan David wilde leren:
Dat het koningschap aan hem door God wordt gegeven – op Gods tijd.
En dat de tijd waarin hij werd voortgejaagd en moest zwerven, zijn leven niet zeker,
moest leren om ook dan op God te vertrouwen,
om te beseffen dat zijn leven ook dan in Gods hand is.
En dat het geen recht is om koning te worden – maar een geschenk van God.
Ook voor ons is het leven een reis.
Al hoop ik dat het voor u een veel kalmere reis is, zonder al te veel zwerftochten.
Het kan zijn, dat God ons vluchtelingen stuurt,
om ons daaraan weer te herinneren, dat we hier geen blijvende stad hebben,
dat ook wij moeten kunnen opbreken – nogmaals: ik ken Gods plan niet.
Dat het leven van David, met zijn rondtrekken ons een spiegel voorhoudt:
zit je niet teveel vast aan het leven hier?
Besef je dat Gods koninkrijk nog komt?
In de Vroege Kerk was er de vraag wat er moest gebeuren met iemand die rijk was
en die tot geloof kwam in de Heere Jezus:
moest zo iemand dan al zijn bezittingen verkopen en geld weggeven aan de armen?
Nee, was het antwoord, niet alles want dan zou hij zelf arm worden
en afhankelijk van de hulp van anderen.
Maar zijn rijkdom had hij van de Heere gekregen om te delen aan anderen,
niet om voor zichzelf te houden.
Wat we hebben is een geschenk, een gave door Gods genade,
uit Zijn goedheid, een geschenk dat wij niet verdienden.
Zoals de Iraakse Koerd het eens tegen mij zei: Wees maar dankbaar.
Waarom is ons leven anders dan dat van David?
Waarom hoeven wij niet op de vlucht?
Waarom hoeven wij niet te vrezen, dat we morgen opgehaald kunnen worden
om naar een strafkamp te worden gebracht zonder dat je weet
wanneer je daar weer uitkomt?
Waarom groeien mijn kinderen op, zonder dat de kogels hen om de oren vliegen,
Zonder dat ze zien hoe familieleden omkomen door bombardementen,
door gifgasaanvallen, door verdrinking?
David zegt: ik weet niet wat Gods plan is, maar wel dat God een plan heeft.
We geloven dat God Zijn koninkrijk bouwt
En dat Hij daar ons bij kan gebruiken
en dat als wij niets doen, Hij dat ook wel doet buiten ons om.
God bouwt Zijn koninkrijk in Syrië – ook al worden daar de kloosters opgeblazen
en vluchten de christenen daar massaal weg.
God bouwt Zijn koninkrijk – ook in het Midden-Oosten, ook in Nederland.
Vaak voor ons niet direct zichtbaar.
En wat moeten wij doen?
In ieder geval dat wat Doëg – spottend, verwijtend over David zegt:
Dat hij zijn raad zoekt bij de Heere
vanuit het besef dat ons leven niet alleen hier is,
maar dat we Gods koninkrijk ook verwachten, als Jezus terugkomt.
En door alle tijden heen – hoe donker die ook zijn
leidt God Zijn kerk naar dat doel
Amen

In uitgebreidere vorm gehouden op 27 sept in Wezep en op 4 okt in Oldebroek.

Preek zondagavond 13 september 2015

Morgen doe ik het beter
Preek zondagavond 13 september 2015
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
1 Samuël 16:1-13
Tekst: vers 13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De hoogleraar Herman Selderhuis schreef eens een boekje
onder de titel: Morgen doe ik het beter.
Hij begint het boekje ermee door te vertellen
dat hij ‘s avonds als hij thuiskomt langs de bedden van zijn kinderen loopt
en bij het zien van zijn slapende kinderen denkt:
Morgen wil ik proberen om een betere vader te zijn.
Hij zegt daar achteraan: dat geldt niet alleen voor mijn vader-zijn,
maar dat geldt ook voor mijn christen-zijn.
Hij schrijft: Van heel mijn christen-zijn zou ik willen
dat het morgen beter was dan het vandaag geweest is.
Maar omdat ik me bijna iedere dag voorneem het morgen beter te doen,
Vraag ik me af of het met mijn christen-zijn ooit nog wel wat zal worden.

Dat zijn herkenbare woorden vermoed ik:
de verzuchting dat je christen-zijn elke keer tegenvalt,
ondanks dat je het weer voorneemt om het beter te doen.
Morgen doe ik het beter.
Dat klinkt hoopvol, morgen ga ik er echt mee aan de slag
en doe ik wat mij vandaag niet is gelukt.
Het klikt ook als een teleurstelling: vandaag weer een dag
waarop het niet gelukt
om van mijn leven iets te maken waarmee ik God dien, Hem eer.
Het klonk in de voorbereiding:
Wij erkennen dat wij nog vele zonden en gebreken in onszelf aantreffen,
namelijk: dat wij geen volkomen geloof hebben
ons er niet toe zetten God met zo’n ijver te dienen als wij behoren te doen,
maar dat wij dagelijks strijd hebben te voeren met de zwakheid van ons geloof
en onze verderfelijke begeerten.

Als dat zo is, als u zich hierin herkend hebt,
hebt u vast ook in de afgelopen week gedacht, of vanmorgen bij de tafel:
ik ga het anders doen.
Morgen doe ik het beter – of liefst nog vandaag
en houd ik het langer vol dan anders.
De viering van het heilig avondmaal is een moment om weer opnieuw te beginnen
vol goede moed, omdat je weer gesterkt bent,
weer gewezen bent op de genade van onze Heere Jezus Christus,
Zijn bloed dat ons reinigt,
Zijn Geest die ons wil vernieuwen,
zodat we het morgen ook echt beter gaan doen.
Avondmaal zet ons er ook toe aan om het voor te nemen:
morgen doe ik het beter
en het niet alleen voor te nemen, maar ook serieus werk van maken.

Want dankzegging is niet alleen maar een dankbaar gevoel,
een gevoel van het moment waarop we aan de tafel zitten
en weer de ervaring hebben, of de bevestiging,
dat de genade die Christus voor ons verwierf ook echt voor ons is.
Dankbaarheid is dat zeker, maar dankbaarheid is ook een levensstijl:
God loven met hart en mond, met heel ons leven waarachtige dankbaarheid.

God loven met ons hart – het hart, waarvan de Heere zegt tegen Samuël:
God ziet het hart aan:
het hart, waarmee we het ons voornemen,
waarin het verlangen groeit om het serieus aan te pakken
omdat God het zo waard is, als onze Schepper, als onze Verlosser.
Het hart, dat is de bron van ons handelen, daar gebeurt het.
Voor anderen verborgen – maar God ziet de afwegingen,
het heen en weer geslinger, het gedimdam, zal ik wel, zal ik niet,
wat zullen de anderen van mij denken, hoe komt het over,
als ik het nu wel doe, wat dan.
Maar ik durf niet.
Of juist: een zelfverzekerdheid, ik kan het wel even, laat mij het maar doen,
dan is het zo gebeurd.
God kan tevreden met mij zijn, want door mij maakt Zijn werk vorderingen.
Zullen de broers van David om die reden zijn afgewezen,
omdat ze al te graag willen, omdat ze het in zich hebben,
omdat ze dat getob over morgen doe ik het beter niet kennen
want ze steken vandaag de handen uit de mouwen.
Zij zullen later optrekken met het leger van Saul de Filistijnen tegemoet,
terwijl David achterblijft.
Maar als Goliath de Heere, de God van Israël bespot, doen de broers niets.
God ziet het hart aan.
Dat is hier een kritische notie, waarin God een oordeel velt.

Maar daar blijft het niet bij.
Want er is er één die wel de toets kan doorstaan: David,
aan wie eerst niet wordt gedacht, het kleintje, laat hem maar.
Wat zegt dat over het hart van David,
dat juist hij wordt gekozen door God om de koning van Israël te zijn.
Een man naar Gods hart.
U kent de verhalen over David:
de behoefte om Nabal te wreken, omdat hij niet is uitgenodigd voor het scheerdersfeest,
zijn hart dat een verlangen voelt naar Bathseba
en na zijn vreemdgaan de sporen wil verdoezelen
door de schuld op Uria te schuiven en als dat niet lukt
Uria uit de weg laat ruimen op een manier die niet zal opvallen,
David die niet ingrijpt bij Amnon als hij zijn halfzus geweld aandoet,
die niet ingrijpt als Absalom Amnon doodt vanwege zijn zus Tamar.
Een man naar Gods hart?
Dat laat in ieder geval zien, dat het niet de daden zijn van David
die hem de uitverkorene maken.
Zijn positie: hij heeft niets om op te pochen, hij heeft niets in te brengen.
Gods keuze berust niet op allereerst op onze daden,
Wat we er nu van terechtbrengen.

Als we vandaag een leider moeten kiezen, dan doen we er wel even over.
Partijen zijn nu al bezig om een lijst voor mogelijke Tweede Kamerleden samen te stellen.
CV’s worden gewogen, kandidaten worden besproken, getoetst, bevraagd.
Wie iets in zijn of haar mars heeft, maakt meer kans.
Maar David wordt niet eens beoordeeld.
Hij telt niet mee.
Wel voor God.
Hij is de kandidaat van de Heere.
Niet de topkandidaat waar wij naar op zoek zijn.
De figuren uit de Bijbel lijken vaak wel van die topfiguren
en we hebben om ons heen misschien wel topgelovigen,
kandidaten die het in onze ogen goed doen om op de lijst voor ouderling of diaken te komen
en daarom hebben we hen ook voorgedragen
en ondertussen bedenken we bij onszelf: dat niveau behaal ik niet.
Ik haal niet het niveau van een David, van een Samuël.
Selderhuis, in zijn boekje Morgen doe ik het beter, geeft aan
dat hij van de personen uit de Bijbel ook dacht dat het topgelovigen waren.
Topkandidaten, die God op het oog had,
omdat ze nooit twijfelden, geen halfslachtige keuzes maakten,
niet in de fout gingen en altijd vol vuur voor God gingen,
niets een morgen doe ik het beter, maar vandaag.
Het was voor hem een openbaring, een opluchting
dat het anders blijkt te zijn.
De mensen uit de Bijbel zijn helemaal geen topgelovigen,
uitmuntende kandidaten die de opdrachten van God direct begrepen
en op een zeer hoog niveau uitvoerden.
De conclusie van het lezen van de Bijbel
kan alleen maar zijn dat God de God is van gewone mensen.
Gewone mensen die vanwege hun zonde en schuld voor God
door Hem gered en gerechtvaardigd zijn.
Maar wel gewone mensen,
die ondanks hun zonden en ondanks hun gewoon zijn, of misschien wel juist dankzij hun gewoon-zijn, door God worden ingeschakeld.
God is een God van gewone mensen, zegt Selderhuis, van mensen zoals u en ik.
God heeft een ander selectiecriterium: De Heere ziet het hart aan.
Uw hart, mijn hart, daar kijkt Hij naar.
Niet het meest stabiele deel van ons, niet het meest robuuste dat wij hebben
en zoals ons hart is, zo zijn we zelf,
vaak op zoek naar stabiliteit, zoekend, zwervend.
Tohoewabohoe.

Vandaar dat offer dat Samuël moet brengen,
vandaar de opdracht die Samuël geeft om te heiligen.
Want met ons hart, zoals dat is, kunnen wij niet voor God leven,
komt er helemaal niets van ons terecht.
Waar God naar kijkt, is niet of wij uitmuntende plannen hebben
en de bereidheid om een flink deel van onze tijd of ons bezit te investeren.
Allereerst kijkt God of we bereid zijn
om ons hart te laten reinigen, om ons leeg te maken
en helemaal open te zijn voor God.
Waar kijkt God naar, of we afhankelijk zijn van Hem, ons laten leiden.
Of wij zoeken om God te dienen, of dat verlangen er is,
om het morgen beter te doen.
Al slagen wij er niet in om onszelf te verbeteren
en dat niet als een excuus, of een constatering om maar bij de pakken neer te zitten
en het erbij te laten,
maar vanuit pijn, vanuit schaamte dat we het ondanks alles nog niet zover brengen.

David blijft niet gewoon:
De Geest die over hem komt
Wat betekent dat?
Alles wat David doet, komt van de Geest vandaan.
Over David wordt niets gemeld, behalve dat hij de schapen hoedt.
Al het andere dat David doet, van het harpspelen tot het verslaan van Goliath,
van het zwerven door het land, omdat hij op de vlucht is voor Saul,
de strijd die hij later aanbindt tegen de Filistijnen,
dat allemaal is de Geest die over hem vaardig wordt.
De Geest: dat is God in ons aan het werk,
de Geest die in Christus woont en in ons als Christus’ leden.
In ons hart woont de Geest, dat instabiele, steeds dolende,
We zoeken het leven buiten onszelf – ook onze innerlijke rust en stabiliteit
in de Geest van Christus.
De Geest – wat is de Heilige Geest?
Wat doet de Heilige Geest in u, in jou?
De Geest is: God in ons aan het werk,

in ons hart, in onze hersenen, in onze spieren
maakt ons van harte bereid om God te dienen, stelt ons in staat on bezig te zijn.
In ons gewone dagelijkse werk,
in het bijzondere dat we voor God – het is de Geest die in ons aan het werk is
en ons mogelijk maakt bezig te zijn, ook bezig voor de Heere.
Door de Geest komt er iets uit onze handen,
kunnen we ook voor God bezig zijn,
als clubleiding, als ouderling, als diaken.
De Geest wordt vaardig – daarmee kunt u iets doen
dat u van uzelf niet had verwacht, stijgt u boven uzelf uit.
God van gewone mensen,
de mensen op een bijzondere manier gebruikt in Zijn dienst.
David, u, jou, mij.

De Geest wordt vaardig over David.
David wordt door God geschikt gemaakt om koning te zijn.
Hij heeft het niet van zichzelf.
Een commissie die een kandidaat-koning zou moeten zoeken,
zou aan David wellicht voorbij gaan.
Te weinig bijzondere kwaliteiten.
Teveel een risico, door zijn karakter met schaduwzijden,
te makkelijk te verleiden, te weinig daadkracht als er in eigen kring opgetreden moet worden.
Geen topgelovige, maar gewoon, David, het kleintje
en toch: de Geest komt over hem.
Een voorbode van de vernieuwing van Israël.
De koning door de Geest geleid – een voorbode
dat de Heilige Geest over heel het volk komt,
Dat de Geest over iedereen vaardig wordt
– een voorbode van Pinksteren.
Israël is nooit meer hetzelfde, want de toekomstige koning heeft reeds de Heilige Geest

Avondmaal is ook een nieuwe start
dat de Geest weer vaardig wordt over ons, over u, over mij.
Een nieuwe kans die God ons geeft,
onverdiend, want het is niet de eerste kans
en toch weer opnieuw een begin,
een nieuw begin van de Geest in ons,
waarmee Hij in ons werkt, u in dienst neemt,
jou een bijzondere taak laat verrichten waar jezelf versteld van staat.
Door die Geest is er groei,
groei in een hart dat stabieler wordt, meer vertrouwt,
meer gehoorzaamt, het af en toe begrijpt wat Gods wil is
en wat de Heere van u vraagt.
David wordt ambtsdrager – koning om Gods volk te leiden.
Hij had de wijsheid, de inzicht en daadkracht niet van zichzelf,
maar van de Geest die over hem komt.
Zo komt de Geest ook over u,
om u, als gewone gelovige, in dienst te nemen
en van betekenis te laten zijn voor God en Zijn koninkrijk.
Amen

Preek zondagmorgen 13 september 2015

Preek zondagmorgen 13 september 2015

Voorbereiding Heilig Avondmaal
1 Samuel 16:1-13
Tekst: vers 11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,


Als we avondmaal vieren kunnen we er niet omheen:
we gaan God ontmoeten,
of we nu aan de tafel aangaan of blijven zitten.
Ook al geloven we dat die ontmoeting elke zondag gebeurt,
met avondmaal heeft dat een nog serieuzere betekenis dan anders.
We komen voor God,
zoals we zijn, zoals we hebben gedaan in de afgelopen tijd.
Met dat alles komen we voor God.
Vorige week hoorden we over de vrees, het ontzag, de schrik
die er bij de oudsten was toen Samuël daar in Bethlehem kwam.
Zo zou het kunnen zijn, dat die vrees er ook bij u was
in de afgelopen week, toen u uzelf voorbereidde op het avondmaal:
‘Ik kom God onder ogen. Kan ik dat wel?’
We hoorden van het offer,
dat Samuël bracht,
een bevestiging van het antwoord van Samuël: ‘Het is vrede.’
Ik treed jullie met Gods vrede tegemoet.
Heeft u daar ook in de afgelopen week bij stil gestaan:
dat God u met Zijn vrede tegemoet treedt.
Dat Hij zegt: vrees niet, Ik schenk je Mijn vrede,
omdat er een offer is gebracht door Mijn Zoon op Golgotha.

Als God zo naar je toekomt, dan kun je je ook zo bewust zijn van jezelf.
Ook al wil dat niet, omdat je wilt dat God alle eer krijgt
en dat je alleen maar Hem wilt aanbidden.
Kan ik Hem wel onder ogen komen?
Wat heb ik Hem te bieden?
Mag ik zo wel komen?
Hij weet wat er in mijn hart leeft.
Dat is voor anderen verborgen.
Naar de anderen toe kan ik mij wel voordoen
Als iemand die altijd met Hem bezig is,
die overkomt als een gelovig iemand, niet snel in de war,
Bijbelvast, een betrouwbaar iemand waar je op kunt bouwen.
Maar God ziet het hart aan.
Zou het met mij ook zo vergaan als met de zonen van Isaï, de broers van David,
die door God werden afgewezen?
Aan de buitenkant, voor de ogen van de mensen betrouwbaar.
Dat is de buitenkant.
Ook bij het toeleven naar het avondmaal kunnen we ons laten leiden
door de buitenkant, van anderen.
Anderen die zo makkelijk de stap naar het avondmaal zetten,
Waardoor je over jezelf gaat twijfelen.
Anderen die zo overtuigd kunnen overkomen, zonder enige twijfel.
Of met meer Bijbelkennis.

God ziet het hart aan.
We zien aan David wat dat betekent,
Dat God het hart aanziet, van u en van mij,
dat Hij niet naar de buitenkant kijkt, hoe wij op anderen overkomen.
David wordt niet gekozen, omdat hij nou zo geweldig is
En daar op het veld als herder een goede voorbereiding heeft gehad om God te dienen.
Nee, David werd gekozen,
omdat hij er niet bij hoorde.
Omdat heel zijn familie dacht: David? Die hoeven we er niet bij te roepen.
Ons jongste broertje, ‘het kleintje’ zegt zijn vader over hem.
David? Die hoef je niet mee te rekenen, die telt niet mee.
Ook zonder hem kunnen we het offer hebben
en als David geen heiliging heeft ondergaan, ach … wie maalt er nu om David.
Er is er één: God.
Daarom laat de Heere alle zonen van Isaï afvallen.
Omdat David niets voorstelt, niet eens meegerekend wordt.
Ook als David er niet is, kan alles gewoon beginnen.
Daarom kiest de Heere David uit – om koning te worden voor Zijn volk.
God kiest ons niet om onze status, niet om ons geweldig geloof,
ook niet omdat wij het zo goed doen als Zijn discipel.
Avondmaal vieren is niet laten zien dat we in Gods koninkrijk
een plaats hebben die we aan onszelf hebben te danken,
maar we komen er als een David,
omdat wij onszelf daar niet geplaatst zouden hebben,
maar omdat God ons een waardigheid geeft,
zoals Hij aan David, het kleintje die er niet bij was, de waardigheid gaf om koning te worden.
Zo schenkt God aan u de waardigheid
om aan de tafel te gaan, om Hem te ontmoeten, om de genade van Christus te ontvangen.

David was er niet bij, toen het offer klaargemaakt werd en de familie zich heiligde.
Toen Samuël alle zonen langs was geweest, bleek er nog iemand te ontbreken.
‘Laat hem halen!’ Het telde niet dat David maar een kleintje was.
Zo komt het naar u toe: ‘Laat hem, laat haar halen.’
God roept u – ondanks uw kleinheid, ondanks uw zwak geloof, ondanks uzelf
Hij roept u
om aan de tafel te gaan, om Hem te ontmoeten, om de genade van Christus te ontvangen.
Dan kunt u toch niet achterblijven en moet u toch wel gaan
om aan de tafel te gaan, om Hem te ontmoeten, om de genade van Christus te ontvangen.
Amen

Preek zondagmorgen 6 september 2015

Preek zondagmorgen 6 september 2015

1 Samuël 16:1-13
Tekst: vers 4-5
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ja, dat zingen we wel dat we blij zijn met de komst van God…
maar wat als God echt verschijnt,
hier voor ons
en wij voor de Heere komen te staan?

Je kunt best oprecht met God leven
en in je manier van doen rekening met Hem houden,
zoals elke dag in het gebed naar Hem toegaan,
elke zondag naar de kerk
en deze zondag om je voor te bereiden op de viering van het heilig avondmaal.
Maar het kan gebeuren, dat je opeens beseft,
Dat God er is, dat Hij verschijnt
en dat alles niet meer gewoon is,
maar dat je een spanning voelt: wat gaat er gebeuren?
Wat gaat er met mij gebeuren?
Wat komt Hij doen?

We zien het bij de oudsten van Bethlehem, als Samuël op bezoek komt,
dat er ook een heel andere reactie kan zijn.
De oudsten komen Samuël bevend tegemoet.
Ongerust – zegt de Nieuwe Bijbelvertaling.
In het Hebreeuws wordt hier een werkwoord gebruikt
dat de reactie van iemand aangeeft op het komen van God,
een reactie, die vaak gepaard gaat met schrik, ontzetting:
Wat komt de Heere doen?
Waarom verschijnt Hij hier, hier bij mij?
Wat gaat er gebeuren? Wat heeft dat voor mij te betekenen?
Als Samuël in het dorp Bethlehem aankomt,
beseffen de oudsten van dat dorp dus dat Samuël niet zomaar komt,
maar komt met een boodschap van God,
en ze zijn er niet gerust op dat het voor hen een gunstige boodschap is.
Ze zien in de komst van Samuël een komst van God zelf.
Alles wat ze tot dan toe hebben gedaan,
hun gewone, alledaagse leventje, hun dienen van God
komt in een ander licht te staan, nu God zelf naar hen komt.
Er ontstaat een spanning die zij niet kunnen oplossen.
Hun lot ligt in de hand van de Heere.
En dat hebben ze misschien wel altijd beleden,
dat ze in eigen kracht niets kunnen en dat hun leven in Gods hand is,
maar nu is het ernst, omdat er reactie van God zelf komt.

Die ernst, die schrik is niet alleen iets van vroeger.
We zingen graag over de liefde van God die ons aanneemt
en terecht
en toch kan het ook zijn dat we door vaak over die liefde zingen
die ernst, die vrees die de oudsten van Bethlehem overvalt
proberen te verdringen.
Door het maar steeds over de liefde van God te zingen
en te zeggen dat God je aanneemt,
kun je ook de vrees die er diep van binnen kan leven wegduwen
door te zeggen: met mij komt het wel goed.
Maar is dat wel zo?
Kunnen wij dat van onszelf zeggen, dat het goed komt tussen God en ons?
Kunnen wij de week van voorbereiding ingaan
door onszelf voor te houden dat het wel goed komt,
want Christus is toch voor onze zonden gestorven?
Of nemen we dan een voorschot op Gods oordeel over ons leven?
Alleen God kan ons die geruststelling toch geven?
Alleen als de Heere het zegt: ‘het is weer goed!’ dan is het ook goed.
Dan is het vrede, zoals Samuël dat tegen de oudsten in Bethlehem zegt,
de oudsten die geschrokken zijn: het is vrede, het is weer goed.
Alleen als de Heere het zegt, dat het goed is
en het ook laat zien dat het goed is, dan is het vrede.
Dan kan de schrik van ons afvallen.

Dan kunnen we ook zingen, zoals we deden met Psalm 98,
dat we verheugd zijn over Zijn komst,
dan geeft de ontmoeting met God ons een intense, diepe vreugde.
Dan kun je deze week ook vreugde toeleven
naar het heilig avondmaal,
omdat God het heeft laten weten: het is goed, er is echte vrede voor jou, voor u.

Hoe komt die vrede er dan? – de vrede met God,
de bevestiging dat het goed zit met de Heere.
Misschien is dat een vraag die u al heel lang bezig houdt,
omdat u die schrik, die de oudsten van Bethlehem hadden,
omdat u die schrik zo herkent
en u durft het niet eigen te maken, dat die vrede voor u is.
Daarom kun je de ontmoeting uit de weg gaan,
omdat je God niet onder ogen durft te komen.
Is uw komst met vrede?
Deze vraag is voor de oudsten van Bethlehem geen beleefdheid,
maar een wezenlijke vraag,
een vraag die je kan beklemmen
en ook je gang naar God toe zo kan belemmeren.
Hoe komt die vrede er?
Voor Bethlehem komt die vrede er doordat Samuël komt,
met een jonge koe – om die te offeren.
Je leest er bijna overheen, alle aandacht gaat uit
naar dat moment dat de broers van David voorbij zullen komen,
die sterke broers, die zelfs op de profeet Samuël indruk maken.
De aandacht gaat al snel uit naar David die bij de schapen vandaan gehaald wordt.

Maar er is een belangrijk moment, voordat Samuël aankomt bij de familie van Isaï:
namelijk de aankondiging van Samuël
dat hij in Bethlehem een offer komt brengen.
Het is een belangrijk moment en toch snel over het hoofd gezien,
in de afgelopen week kwam in de commentaren die ik gebruikte
ook geen uitleg tegen van dit moment,
maar juist in aanloop naar het heilig avondmaal kan het van grote waarde zijn
om stil te staan bij het offer dat Samuël brengt,
niet op eigen initiatief, maar in opdracht van de Heere.
Een offer is een serieuze zaak,
Want bij het offer sterft er een dier, in het geval van Samuël een jonge koe.
Die jonge koe die sterft op het altaar en aan de Heere wordt geofferd
houdt een spiegel voor:
een mens kan niet niet zomaar voor God komen.
God is te heilig voor ons mensen.
Wij als mensen kunnen het niet uithouden in de beurt van Gods heiligheid,
wij met – hoe zegt het avondmaalsformulier het:
wij die dagelijks de strijd hebben te voeren met onszelf, met ons ongeloof,
wij die dagelijks onze zwakten en tekorten in Gods dienst ervaren
die God niet met zo’n ijver dienen als we behoren te doen.
Als er niets aan ons gebeurt, kunnen wij niet voor God staan,
omdat wij vergeleken met Gods heiligheid helemaal niets hebben in te brengen.

God enkel licht,
voor wiens gezicht
niets zuiver wordt bevonden,
ziet ons bevlekt,
met schuld bedekt,
misvormd door duizend zonden.

Niemand kan God zien en leven – zegt de Heere tegen Mozes,
als Mozes vraagt om de Heere te mogen zien.
Dat laat die jonge koe op het altaar zien – dat is eigenlijk jouw plaats.
Die jonge koe, die door Samuël meegenomen wordt,
die neemt je plaats in, daar lig je – en toch weer niet,
want die koe ligt daar in jouw plaats.

Haar dood geeft jou het leven, haar sterven betekent dat je weer verder mag,
ook verder met God: er is vrede.

Hoe ernstig een offer ook is, het heeft ook een heel vrolijke kant,
namelijk dat er leven mogelijk is, leven met God,
omdat een ander stierf, een dier, een jonge koe stierf.
Het dode dier op het altaar – het is een zichtbaar teken,
Waarmee God laat zien dat het weer goed is, vrede,
vrede omdat er wat is gebeurd – omdat er gestorven is.

Dat is de stap naar het avondmaal.
Er is een offer gebracht, een offer waardoor er voor ons vrede mogelijk is: vrede met God.

Omdat er iemand stierf – in onze plaats, omdat de Heere Jezus,
omdat God zelf onze schuld op zich nam.
Voorbereiding op het heilig avondmaal is bedenken:
ik verdien het niet om verder te leven,
alleen als God er iets aan doet, als God Zijn vrede aanbiedt,
dan kan ik verder leven, dan kan ik Hem ontmoeten.

Heer, waar dan heen?
Tot U alleen!
Gij zult ons niet verstoten.
Uw eigen Zoon
heeft tot uw troon
de weg ons weer ontsloten.

Die weg kent u toch?
Een andere weg is er toch niet?
Die weg is weer open – dat liet in Bethlehem het offer van Samuël zien,
dat laat het offer op Golgotha zien.
Als we de week ingaan en onze tekorten naar God te onder ogen komen,
erkennen,
dan weten we dat God ons niet alleen laat met onze tekorten,
maar dat Hij ons niet alleen laat, met onze tekorten,
maar ons juist opzoekt en ons roept: Kom naar Mij,
breng Mij je zonden, daar moet je zijn, juist ook in deze week,
zodat je er volgende week kunt zijn,
gereed om in het brood en de wijn de tekenen van Gods genade te ontvangen,
de bevestiging, dat het vrede is, goed is,
Dat het weg is, omdat God een offer gaf, omdat Jezus kwam op Golgotha.

Ja, amen, ja, op Golgotha
stierf Hij voor onze zonden,
en door zijn bloed
wordt ons gemoed
gereinigd van de zonden.

Als God zo komt, met Zijn genade, terwijl vrees een gepaste reactie van ons zou zijn,
als God komt, met Zijn aanbod, met zijn offer, Zijn vrede.
Dan kan het niet bij het oude blijven.
Samuël zegt het tegen de mensen in Bethlehem: heilig u.
Doe alles weg, wat voor God niet kan bestaan,
doe alles weg, waardoor je niet voor God kunt komen.
Heiliging is jezelf voorbereiden op het grote moment,
Dat God zelf in je leven komt, en dan niet om het oordeel uit te spreken,
maar om aan u, aan jou Zijn leven en vrede te geven.
Heiligen is daarom niet alleen aandacht voor het negatieve, het wegdoen van de zonde,
dat is een belangrijke stap,
maar heiliging is ook je voorbereiden op het mooie moment
en van tevoren al vreugde beleven.
Zoals bij een verjaardag, een huwelijksjubileum of een andere hoogtijdag,
een huwelijk (er zijn 2 huwelijken deze week)
niet alleen op de dag zelf feest is, maar ook van tevoren als vreugde en plezier,
in het ophangen van de slingers, in het maken van een filmpje,
een vrijgezellenfeest, zelfs al bij het versturen van de uitnodigingen weken van tevoren.
Zo is heiliging niet alleen het wegdoen van de zonde,
niet alleen belijden dat wij het niet goed doen,
maar tegelijk – het gaat samen op de vreugde, dat God ons wil vervullen,
u wil geven: Zijn genade, zijn vrede.
Dan kunnen we inderdaad vol vreugde zingen over Zijn komst,
zoals we deden voor de preek: Zingt, zingt de Heere een nieuw gezang,
omdat Hij komt.
Zo is de week van de voorbereiding niet alleen een ernstige week,
vol gepieker en getob, vol met belijden van onze schuld naar God toe
om schoon schip te maken, maar ook een week van verheugen op Gods komst.
Amen