Preek 21 juli 2019 avonddienst

Preek 21 juli 2019 avonddienst
1 Johannes 2:18-23, 1 Johannes 4:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de brief die Johannes schrijft gaat het steeds over het kennen van God.
Nu zijn er, schrijft Johannes ook mensen, die ons een verkeerd beeld van God willen geven.
Ze doen dat expres, bewust.
Want ze willen dat we het beeld dat we van God hebben wordt ingeruild
voor een ander beeld.
In het beeld dat ze willen schetsen, past Christus niet.
Als je aan God denkt, moet je Christus weg-denken.
Als je aan God denkt, moet je niet aan Christus denken
en helemaal niet aan een Christus die hangt aan het kruis,
Die daar voor jou hangt.
Ze willen ons doen geloven, dat het beeld dat Johannes ons schetst, een omweg is,
een overbodige omweg,
want voor Johannes kunnen we God alleen kennen als we via Christus gaan.
Wil je buiten Christus om bij God komen, dan is dat niet mogelijk.
Als Johannes schrijft, dat we moeten bidden in de naam van Jezus
– dat zeggen we vaak aan het eind van het gebed: om Jezus’ wil, om Christus’ wil –
is dat niet een beleefde zin, die je nu eenmaal hoort te zeggen.
Nee, we zeggen dat we dit gebed alleen maar kunnen bidden
omdat we dat via Christus doen, omdat Hij voor ons de weg is tot God,
omdat we Hem hebben leren kennen.
Nu schrijft Johannes over mensen, die dat onzin vinden, overbodig.
Je kunt wel zonder dat om-Jezus’-wil.
Er is een weg buiten Jezus om tot God.
Je moet Christus inruilen. In plaats van Christus moet je God nemen.
In plaats van is in het Grieks: anti.
Anti-Christ betekent: je ruilt Christus in voor iets of iemand anders.
Antichrist kan ook betekenen: iemand die de plek van Christus overneemt
en Christus aan de kant schuift.
De antichrist komt eraan en er zijn nu al veel antichristen gekomen, schrijft Johannes.
Eén persoon, of één macht die groter is dan één persoon
die komt om de plek van Christus over te nemen en Hem overbodig te maken.
En die ene persoon of die ene macht krijgt grote invloed,
omdat voor de komst van die macht er al velen zijn, die zich laten beïnvloeden
en de plek, die Christus in hun leven innam, ingeruild hebben
en daarmee een lege plek hebben gecreëerd
die door die ene macht zo ingenomen kan worden.
Johannes legt niet uit, wie of wat hij op het oog heeft met die macht.
Dat kan bewust zijn, zodat we niet naar één kant kijken
en daardoor niet het gevaar zien dat van de andere kant komt.
Je wordt in de rug aangevallen.
Of je wordt beïnvloed zonder dat je er op bedacht bent
omdat je de tactiek niet kent die nu gebruikt wordt
om Christus in jouw leven van Zijn plek te krijgen.

Met die macht (of die persoon) die komt om de plek van Christus in te nemen,
wordt nog helderder waarom het kennen van God voor ons zo belangrijk is.
Alleen als je God kent, ben je in staat om te zien wat echt van God is.
Alleen dan ben je in staat om te zien dat wat je hoort echt door God gezegd wordt.
Heb je nu echt God in je leven? Of heb je de verkeerde in je hart?
Dat maakt nogal uit.
en als gelovige moet je, zegt Johannes, dat verschil kunnen zien.
Je moet in staat zijn als gelovige om onderscheid te maken
tussen wat wel van God komt en niet van God komt.
Dat zou wel eens een aardig criterium kunnen zijn
om te zien of iemand belijdenis van het geloof kan afleggen:
kun je bij iets aangeven of je met God te maken hebt of niet?
En zeker van ambtsdragers mag je ervan uit gaan,
dat ze dat verschil kunnen aangeven.
Iemand vertelt op huisbezoek een stukje levensverhaal,
allerlei gebeurtenissen die iemand meegemaakt heeft
En als ambtsdrager moet je in staat zijn om te zien of daarin God aan het werk is
of juist niet.
En dat is belangrijk, want er is in deze wereld een macht aan de gang
die ons juist bij God vandaan wil hebben en ons zover brengt dat we Christus inruilen
of een macht die de plek van Christus in ons leven wil overnemen.
Iemand die je – om het plat te zeggen – beduvelt.
Of om het anders te zeggen: de duivel die nog één probeert om een slag te slaan.
Want bewust een verkeerd beeld over God neerzetten,
en willen dat je Christus inruilt en uit je leven wegdoet
en via valse boodschappen invloed op je leven willen krijgen,
moeten we dat niet herleiden op de duivel die God tegenwerkt.

Dat is niet iets om ons bang te maken,
Want juist als de duivel zich roert, zegt Johannes,
mag je weten dat de Wederkomst dichtbij is: de laatste uur.
Daarom moeten we niet onder de indruk raken,
maar scherp blijven: beproef de geesten of ze uit God zijn.
De toets op basis waarvan je kunt bepalen of je met God te maken hebt
is dat je het in verband kunt brengen met Christus.
Dat je het kunt verbinden aan de komst van Christus op aarde.
In de afgelopen dagen is er veel aandacht geweest voor de eerste landing op de maan.
Er zijn in totaal 6 maanlandingen geweest.
Op de vierde missie ging James B. Irwin mee,
Een astronaut die zich later een wedergeboren christen noemde.
Hij zei: Op de maan werd het mij duidelijk dat het belangrijker is dat Christus
een voet op de aarde heeft gezet dan dat de mens een voet op de maan zette.
We kunnen als mens nog zulke technologische hoogstandjes creëren,
maar het belang ervan haalt het niet bij de komst van Christus op aarde.
Dat Christus een voet op aarde zette en dat daarmee God mens werd
en uit de hemel kwam en in onze wereld en onder ons kwam,
zodat we Hem konden zien en konden aanraken,
dat we konden zien hoe Hij de tekenen deed en vooral Zichzelf gaf aan het kruis:
dat is God – daar kennen we God.
Als je dat niet kunt accepteren, als je dat niet kunt geloven,
dan heb je God zelf ook niet.
Geen God zonder Christus, hoe mooi de verhalen over God ook gebracht worden.
Niet alles wat over God gezegd wordt komt ook echt van God.
Kun je dat in onze tijd ook nog merken, dat er over God gesproken wordt
zonder dat je echt iets merkt van Christus,
gelovigen voor wie het niet nodig was dat Jezus naar de aarde kwam?
Je kunt dan naar hele moderne kerken kijken, waar nauwelijks over Jezus gesproken wordt.
Of naar juist hele behoudende kerken waar Christus zo ver weg is
en het kruis zo onbereikbaar, dat je er niet komt.
Ik denk alleen niet dat het goed is om naar anderen te kijken,
maar naar de gevaren die wij zelf lopen, hier in onze omgeving
en binnen de kerk zoals we die hebben.
Om te voorkomen dat we in slaap vallen
en zonder dat we er erg in hebben gevaar lopen.

Nu kun je denken dat in slaap vallen niet zo erg is.
Als dat achter je bureau is of in een luie stoel is dat misschien niet erg.
Maar wel als je in een auto zit en onderweg bent en je ogen vallen dicht.
Dan raak je van de weg en bots je tegen een ander op of duik je een greppel in.
Daar wil Johannes ons voor waarschuwen, zodat we wakker zijn,
net als die 5 wijze meisjes, die voorbereid waren op de komst van de bruidegom.

Houd ons gemoed voor U bereid,
Opdat het blij Uw komst verbeid’,
Daar ’t in een stil vertrouwen leeft,
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.

Bescherm ons, in den bangen tijd
Van zielsverzoeking en van strijd;
Laat nooit den bozen vijand toe,
Dat hij ons enig’ hinder doe.
Amen

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst
Schriftlezing: 1 Johannes 5:13-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bij iets voor een ander vragen kunnen we denken aan enkele meiden uit groep 8,
die samen op een groepje jongens afstappen.
Een van de meisjes heeft laten merken dat ze verliefd is op een bepaalde jongen,
maar ze durft het zelf niet te laten merken en zeker niet te vragen.
De vriendinnen durven het wel voor haar te vragen.
Ze gaan naar het groepje jongens toe en spreken de bewuste jongen aan:
‘Wil je verkering met haar?’
Het meisje zelf durft het niet te vragen en daarom doen zij het.
En de jongen om wie het gaat? Dat hangt ervan af.
Als hij haar leuk vindt, kan hij ermee instemmen.
Het kan ook zijn dat hij helemaal nog niet toe is aan verkering
en niet goed weet wat hij met deze vraag moet.

Je kunt ook denken aan iemand die voor een ander een baan of een stageplaats regelt.
Als je de opleiding dierenverzorging wil doen,
moet je al stage gelopen hebben bij een dierenarts.
Als je zelf geen dierenarts kent, kun je een beroep doen op iemand die wel contact heeft.
Je gaat naar diegene toe en vraagt:
‘Zou jij niet wat voor mij doen? Jij kent die dierenarts?
Kun je niet zorgen dat ik daar stage kan lopen? Want ik wil die opleiding graag doen!’

Soms kun je iemand nodig hebben die iets voor je doet, iets voor je vraagt.
Omdat je het zelf niet durft, of omdat je niet hoe je dat moet doen of waar je moet zijn.

In zijn brief schrijft Johannes over iets vragen voor een ander.
Dat kan zonder dat die ander het weet dat je het vraagt.
Je vraagt dat ook aan Iemand die je kent, niet iemand hier op aarde, maar aan God.
Als je de brief van Johannes leest, is dat iets dat je niet zomaar even doet:
naar God toe gaan om iets voor een ander te vragen.
Daar is moed voor nodig – vrijmoedigheid, een onbevangenheid,
waarbij je je niet laat terugschrikken voor de grootheid van God, voor Zijn heiligheid,
maar dat je in gebed gaat om tot Hem te naderen.
Of misschien zeg je wel: moed? Ik mag toch tot God gaan en bidden?
Als ik bid in de naam van Jezus mag ik dat toch doen?
En ik mag Hem toch alles vragen?
Dat heeft Jezus toch zelf gezegd en dat schrijft Johannes toch?
Ook al is God groot en heilig, ik mag toch naar Hem toe gaan omdat Hij dat zelf aangeeft?

Hier geeft Johannes een specifieke reden aan om naar God toe te gaan.
Om voor iemand uit de gemeente, waarvan je weet dat die gezondigd heeft
naar God te gaan – om te bidden om vergeving,
om niet uit de gemeenschap met God gezet te worden, maar om vernieuwing van het hart.
Je ziet dat iemand uit je gemeente op de verkeerde weg is,
of iemand die je kent van wie je weet dat hij of zij met Christus wil leven.
Je weet dat zonde betekent dat iemand de band met God doorsnijdt, bij God vandaan gaat.
Je weet ook: God ziet het ook en de Heere kan er voor kiezen om die ander weg te sturen.
Als de Heere dat zou doen, staat Hij in het gelijk.
Maar wat moet er dan terecht komen van diegene? Die ernst weet God toch ook?
Mag je dan een beroep doen op God, ook al weet je dat iemand zo tegen God is ingegaan?
Iemand die de richtlijnen van God kent? Die het leven met de Heere kent?
Die heeft ontdekt dat Christus redding en bevrijding geeft?
Iemand die de liefde van Christus ervaren heeft en ook nog beaamd heeft: U bent mijn Heer.
Ik kies niets boven U, naast U – geen enkele afgod kan mij bij U vandaan krijgen.
Je weet wellicht ook nog wel het moment dat diegene belijdenis deed.
Of je hebt op bijbelkring iemand zoiets geweldigs horen vertellen over de Heere
en nu dit…

Waar je concreet aan moet denken? Johannes noemt: Een zonde niet tot de dood.
Hij zegt niet, wat hij daarmee bedoelt.
Een zonde – niet tot de dood, betekent: niet helemaal met God breken.
Je wilt niet helemaal van God af.
In je hart ben je nog verbonden, maar je manier van leven staat er haaks op.
Denk aan: vreemdgaan, fraude, diefstal, als baas je personeel uitbuiten.
Johannes zegt: je moet over geen enkele zonde licht denken.
Er is geen enkele zonde, waarbij je je schouders moet ophalen
en kan denken: ach, dat is zo erg niet.
Maar er is wel verschil: Er zijn zonden, waarbij je de band met God bewust doorsnijdt.
Als bijvoorbeeld je bewust afscheid neemt van het geloof en breekt met Christus.
Je wilt geen christen meer zijn. Je geeft je geloof op.
In veel gevallen is zo, hoe erg ook, niet altijd een bewuste breuk met God.
Hij kan dan wel op een afstand staan, je kunt op dat moment niet aan Hem denken.
Als je bijvoorbeeld penningmeester van een club bent
en je merkt dat je niet gecontroleerd wordt en je staat er financieel niet goed voor
en je gaat op een verkeerde manier om met het vertrouwen dat je hebt gekregen
door een deel van de rekening naar jezelf over te maken,
breek je dan op dat moment met Christus?
Je laat wel merken, dat Christus niet meer alles bepaalt in je leven
en dat er een macht is die sterker is: de macht van het geld
of wellicht de schaamte dat je bepaalde dingen niet meer kunt afbetalen.
Om die ene zonde te verbergen heb je meerdere zonden nodig.
Je begeeft je op de verkeerde weg
en de weg naar God toe wordt moeilijker.
Als je beseft wat de gevolgen zijn van je daad, dan kun je moeilijk meer naar God gaan.
Of je verbergt je fout naar de Heere toe en bent niet eerlijk, niet open.
Of je weet dat je verkeerd zit en je blijft daarom maar weg bij God.
Daarom is ons gebed voor zo iemand nodig,
omdat hij of zij dan helemaal kan afhaken en kan wegraken bij God
of denkt in gemeenschap met God te leven, maar buiten die relatie staat
En niet verbonden is met de Heere.
Een gebed om vergeving voor iemand anders,
net zoals Mozes en Samuël voor het volk baden – zoals we zongen in Psalm 99.
Mozes die van de berg kwam en hoorde dat het volk danste voor een afgodsbeeld.
Nadat de Heere aangaf niet verder met het volk te gaan,
ging Mozes in gesprek met de Heere en zei dat ze zonder Hem niet verder kunnen gaan.
Zoals vrienden onder elkaar in gesprek zijn, deed Mozes een beroep op God:
Wij kunnen niet zonder U. Gaat U alstublieft mee met ons.
Bid voor die ander, zegt Johannes, zodat je de Heere op andere gedachten brengt
En Hij die ander niet loslaat, niet prijsgeeft, maar terugkeert
en verder gaat met Zijn werk in zijn of haar leven
– ondanks de fout die hij of zij heeft begaan.

Wat Johannes hier schrijft is bijzonder.
Allereerst het zien van wat de ander doet.
Dat is geen nieuwsgierigheid, niet zien wanneer je de ander op een fout betrapt,
Zodat je van jezelf weet dat je het beter doet.
Zien betekent hier betrokkenheid op elkaar, je hoort bij elkaar, je houd elkaar in het oog,
omdat je niet wilt dat die ander de weg met God kwijtraakt.
Wanneer het gaat om de ander zien, om zien wat de ander doet,
moet ik altijd denken aan de kassacursus die ik moest volgen.
Ik werkte vanaf mijn 16e in een supermarkt en moest ook kassa kunnen draaien.
Tijdens die cursus liet de hoofdcassière mij een aantal klanten afrekenen.
Op een gegeven zei ze: Vertel me nu hoe de afgelopen 3 klanten eruit zagen.
Een cassière moet de klanten zien
– dat werd mij ook al geleerd toen ik aantrad bij de vulploeg.
Dat geeft allereerst binding, maar had ook een tweede reden:
Wanneer je klanten ziet, heb je ook eerder winkeldiefstal door.
Dat gebeurt juist, wanneer medewerkers niet oplettend zijn en je anoniem behandelen.
Bij alle taken die je hebt, zoals het scannen van de producten en vragen om de flessenbon,
moet je ook zien wie de mensen zijn die bij je afrekenen.
Ik heb dat altijd onthouden en ik denk dat het ook voor de kerk van belang is:
Om je mensen te zien, de schapen die aan je toevertrouwd zijn op te merken,
niet aan ze voorbij te kijken, omdat je druk bent met andere activiteiten.
Zodat ze gezien zijn en zich gekend voelen,
maar ook om te voorkomen dat ze een verkeerde kant op gaan.
Uit bescherming voor hen. Niet uit bemoeizucht, maar uit bescherming.
De ander zien: vorig jaar hebben we verschillende doelen gesteund.
Toen ze op catechisatie kwamen vertellen wat ze deden,
lieten ze filmpjes zien van verschillende mensen,
Waarvan we zeggen: ze leven aan de rand van de samenleving,
zoals mensen die op straat zwerven, mensen die verslaafd zijn
en de vraag was: hoe kijk je naar hen? Wat zie je in hen?
Kun je nog zien dat het schepselen van God zijn,
die ook door Christus thuisgebracht moeten worden
en ook – net als wij – aan een nieuw leven moeten beginnen,
het nieuwe leven in Christus.
Vandaag hebben we geld opgehaald voor Stichting Ontmoeting,
‘Vastgelopen mensen worden door Ontmoeting ondersteund om hun leven weer op orde te krijgen. We leren hen om weer op eigen benen te staan, relaties aan te gaan en te onderhouden en de juiste keuzes te maken. Zo krijgen ze weer perspectief in hun leven.’
Hulp verlenen en bij te staan door ze te ontmoeten,
in de ogen te kijken, te zien wie ze zijn en wat ze hebben meegemaakt.

Wat de ander doet gaat je aan – heeft ook met u te maken.
Daarvan kunt u niet zeggen: dat is voor een dominee, wijkouderling, bezoekzuster.
Daar kunt u op z’n minst voor bidden.
Als je iemand niet durft aan te spreken, kun je het bij de Heere brengen.
Moet je het zelfs bij de Heere brengen – als je bewogen met die ander bent.
Je bent niet voor niets broeder en zuster. Dat betekent ook dat je voor elkaar bidt.
In veel gevallen kunnen wij de zonde niet uit iemand krijgen:
We zijn lang niet altijd in staat om een misstap van een ander goed te maken.
Wij zijn vaak niet in staat om iemand die verslaafd is van zijn verslaving af te helpen.
Door te bidden gaan we wel de strijd aan met de verleiding die op de ander vat heeft,
het gevecht met de zonde, door diegene om wie het gaat, bij de Heere te brengen.

Ook om een andere reden is het bijzonder, dat Johannes opdraagt om te bidden.
Want als je een ander uit je kerk een misstap ziet maken, ziet zondigen,
kun je ook teleurgesteld in die ander raken.
als de teleurstelling gaat overheersen, dan kun je niet meer goed kijken naar die ander.
Dan is alles wat die ander doet verkeerd.
Overal zoek je iets achter. Je kunt niets meer van die ander hebben.
Je kunt je gaan afzonderen van die ander, die ander gaan ontwijken.
Nee, zegt Johannes, niet ontwijken en ook niet afschrijven.
Ga in gebed voor die ander, voordat die ander nog verder wegdrijft bij God vandaan.
In de gemeente, waar Johannes aan schrijft,
heeft zich mogelijk een kerkscheuring voorgedaan:
een groep mensen stapte eruit, omdat ze andere opvattingen hadden over Christus,
Dan kun je als groep die achterblijft, daar sterk door geraakt zijn.
Dan kun je het gevoel hebben, dat die ander op jouw manier van geloven neerkijkt
En een andere kant op gaat, zich te goed voelt voor jou.
Of je voelt je in de steek gelaten.
Dan is het niet gemakkelijk om voor diegene te bidden en die ander bij de Heere te brengen.
Je moet wat in jezelf overwinnen.
Je trots, of je gekrenkt-zijn, je frustratie, je gevoel dat de ander je in de steek liet.
Ook dat mogen we bij God brengen, zoals we onszelf bij God brengen,
ook als we er zelf niet uit komen en overhoop liggen met onszelf,
omdat we merken dat er in onszelf allerlei gedachten en emoties zijn,
die niet goed zijn voor onszelf en voor ons geloof.
Johannes zegt er in een kleine zin iets groots bij: door te bidden geef je die ander het leven.
Je behoudt die ander in het leven door te bidden.
Zoveel kracht kan je gebed hebben, dat het de Heere bereikt
en de Heere iets doet, ingrijpt, de ander terugbrengt bij Hem.
Onderschat het gebed niet – ook niet in de strijd tegen de verleiding,
die vat op een ander lijkt te krijgen of heeft gekregen.

Dat bidden voor die ander heeft ook gevolgen voor onszelf:
Lieve kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.
Dat kan overkomen als een wat onverwachte, abrupte afronding van de brief.
Maar het is hetzelfde als wat we doen in gebed voor die ander:
De strijd aangaan met de verleiding, die we tegen kunnen komen,
die vat op ons probeert te krijgen.
Lieve kinderen – Johannes spreekt ze aan op de band die ze met Christus hebben:
door Christus geliefd en door Zijn liefde kind van God geworden.
Als je die liefde kent, als je weet dat je kind van God geworden bent,
hoort daar ook strijd bij: strijd om jezelf te bewaren, te beschermen tegen verleiding.
Als je weet dat een weg niet goed voor je is, dan moet je die niet gaan.
Als je weet dat een keuze je bij de Heere vandaan brengt, moet je die tegengaan.
Je kunt je er niet achter verschuilen dat je ook maar een mens bent,
dat je ook je fouten maakt, want als je niet oppast, praat je je eigen fouten goed.
In de strijd tegen die verleiding, om onszelf te bewaren voor die afgoden,
hebben wijzelf ook gebed nodig.
Daar mag je best bij een medegelovige om vragen,
dat je broeder of zuster voor jou bidt en omgekeerd jij voor hem of haar.

Een paar weken geleden waren we als collega’s bij elkaar,
uitgenodigd door de IZB – ik heb volgens mij al eerder naar die ontmoeting verwezen
aan het einde van de morgen werden we gevraagd om degene met wie we in gesprek waren
in gedachten mee naar huis te nemen en een week voor die collega te bidden,
om volharding in het geloof, om vreugde in Christus, om te delen in de zorgen
En na een week eventueel op te bellen om te vragen hoe het gaat.
Het is een notie die in onze reformatorische traditie van groot belang is:
de zorg voor elkaar, voor elkaars geloof, elkaars zieleheil.
We zijn niet zomaar gemeente, maar als gemeente aan elkaar gegeven.
Broeders en zusters, die voor elkaar gaan – ook naar God gaan in gebed.
Zodat u, jij de mensen in de kerk om je heen draagt
en omgekeerd: jij ook wordt gedragen door de gebeden om je heen.
Het zou goed zijn als u, jij zo voor elkaar bidt
en niet wacht tot iemand gezondigd heeft,
maar al preventief bidt, zoals Jezus bad voor Simon:
Simon, Simon, zie, 

de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe.

Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt.
Amen

 

Preek zondag 14 juli 2019

Preek zondag 14 juli 2019
Bediening Heilige Doop
1 Johannes 4:7-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je nieuwsgierig bent, hoe een stel bij elkaar gekomen is, kun je vragen:
‘Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen?
Die vraag kan ook aan jullie, doopouders, gesteld worden:
vertel eens hoe het met jullie begon.
Als je elkaar wat beter kent en als je je nieuwsgierigheid niet kunt bedwingen,
kun je ook vragen: wie was nou de eerste? Wie zag wie nou staan?
Bij de een kun je een verhaal horen dat het liefde op het eerste gezicht was.
Bij een ander kun je een verhaal horen dat er een hele tijd overheen ging,
dat iemand echt zijn of haar best moest doen om de ander voor zich in te winnen.

Hoe zijn jullie bij elkaar gekomen? En wie is er begonnen?
Dat is een vraag, die je ook kunt stellen aan iemand die gelooft?
Wanneer is je relatie met God nu begonnen? Wanneer ben je gaan geloven?
Kun je iets vertellen over hoe je van God bent gaan houden?

Misschien heb je dat wel heel duidelijk wanneer dat begon.
Niet iedereen kan dat heel duidelijk aanwijzen, maar het kan wel.
En wie is dan de eerste: ben jij begonnen en moest je op God wachten?

Of is de Heere begonnen met jou en moest Hij op jouw antwoord wachten?
Moest Hij wel heel lang met je bezig zijn, je misschien wel wel veroveren?

God is begonnen, zegt Johannes in zijn brief.
God was als eerste met Zijn liefde voor ons en is naar ons op zoek gegaan
om ons hart te winnen voor Hem, net zolang tot we geloven,
tot we van Hem houden.
Ik denk dat iedereen dat wel kan beamen, als je nadenkt over wie er begonnen is:
Dat is de Heere. Hij was het eerst.
In je kindertijd en je jeugd is over Hem verteld en je hebt altijd al gelooft,
als kind al en je geloof groeide met je mee
terwijl je tiener was en later volwassen werd.

Of je hebt een tijd gehad, waarin het je niets zij, het raakte je niet, het liet je koud.
En later, als tiener, of nog later, toen je volwassen werd, was Hij daar
En kon je niet om Hem heen en ben je gaan geloven.
Of je nu als kind altijd al geloofde, of dat je later bent gaan geloven,
nog voor jij met God bezig bent geweest, is Hij al met jou bezig.
Of wellicht is de Heere nog met je bezig, omdat je nog niet gelooft.
Want dat kan ook, dat je je hart nog niet voor Hem hebt open gedaan.

God is de eerste in ons leven.
Dat is een van de redenen voor ons als gemeente om kleine kinderen te dopen.
Dat God de eerste is, begint al bij onze geboorte.
Want wij hebben er niet zelf voor gezorgd dat we er zijn.
En dat we er zijn, dat we geboren werden,
hebben we niet allereerst aan onze ouders te danken.

Dat we er zijn, dat we geboren zijn, hebben we aan God te danken.
Wij hebben allemaal ons bestaan aan de Heere te danken.
Hij wilde dat wij er zouden zijn.
Dat is nog niet genoeg reden om te dopen,
want dan zou doop een soort geboorteritueel zijn
een manier om een kind, dat net geboren is welkom te heten.
Dan zou het een soort kerkelijk kraamfeest zijn.

In de doop gaat het echter om meer.
Dat God niet alleen wilde dat wij er zouden zijn, maar ook dat we zouden geloven,
Geloven dat Jezus voor ons gestorven is
En dat we ons leven aan Hem geven,
van Hem houden en met Hem leven.
Ook daarin is God de eerste en daarom dopen we zo’n klein kind,
al begrijpt zo’n klein kind er niets van
en moeten zijn ouders de vragen beantwoorden.

Met de doop geven we aan dat we geloven in de Heilige Geest,
Die bij de doop de belofte geeft, ook al aan zo’n klein kind,
dat Hij in het leven van zo’n klein kind zal werken,
zodat zo’n klein kind ook gaat geloven,
om, zoals Johannes dat schrijft, zal belijden
dat Jezus de Zoon van God is,
zodat God in hem blijft en hij in God.

Natuurlijk is dat heel gewaagd, want we kunnen allemaal
voorbeelden aandragen
van personen, die ook als kind zijn gedoopt e
n die er niets meer van willen weten
of er niets meer aan willen doen.
Een reden waarom heel wat christenen moeite hebben met dopen van kinderen,
Want je moet als mens toch eerst aangeven, dat je Jezus als je Heer belijdt,
Dat je met God wil leven en dat Hij in je leven gekomen is
om de doop te kunnen ontvangen.

Dan is de doop pas mogelijk als wij ons antwoord hebben gegeven op God
En is de doop ons antwoord aan God,
een manier om te laten zien dat wij ons aan Hem geven.
Haal je dan de waarde van de doop niet naar beneden als je alle kinderen doopt
ook als je weet dat er een kans bestaat dat zo’n dopeling niet gaat geloven?

Nee, want we dopen omdat God de eerste is
en we dopen vanwege de belofte die God geeft bij de doop:
Dat de Heilige Geest ook in dit jonge kind zal gaan werken,
Zoals Hij dat bij een ieder van ons gedaan heeft en nog steeds doet.
Al betekent dat niet, dat iedereen gelooft.

Dat kan een van de raadsels zijn van het geloof: Waarom gelooft mijn kind niet.
Ik heb hem of haar toch ten doop gehouden, ook voor in de kerk gestaan,
ook geloofd dat Gods belofte voor mijn kind gold.
Dat je je kind hebt laten dopen en dat je veel gebeden hebt voor je kind
en dat je kind er niets meer mee doet, of zelfs er helemaal niets van wil weten,
kan een verdriet zijn voor ouders, kan het voor jezelf ook wel moeilijk maken
om zo onbevangen te geloven als je deed toen je je kind liet dopen.

NAtuurlijk geloofde je toen dat Jezus de Zoon van God was
en dat Hij door de Vader gestuurd was om ook voor jouw kind aan het kruis te gaan
en zo vergeving van de zonden van je kind te brengen.
Nu zeg je het voorzichtiger en zou je in ieder geval willen, dat je er iets van zag
dat de belofte die God deed, in het leven van je kinderen zou uitkomen.

Moeten we dan maar stoppen met het dopen van kinderen
en dat pas gaan doen als we zeker weten dat ze gaan geloven?

Ik denk het niet, want dan doen we tekort aan de belofte die God geeft
En dat is nu juist de basis: dat God de eerste is
en dat je als ouders steeds bij de Heere mag aankloppen:
Heere, U hebt het beloofd, als Vader, Zoon en Heilige Geest,

Dat U met ons kind bezig zou zijn, het geloof zou geven,
liefde voor U in zijn, haar hart zou wekken.
We blijven net zo lang bidden tot U het doet.

We hebben het steeds over het liefhebben van God en dat God de eerste is.
Maar er is ook een andere kant: dat wij die liefde afwezen
En dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat God ons liefheeft
En als eerste naar ons toekomt.

Dat is ook de reden waarom we kleine kinderen laten dopen.
Niet alleen omdat we geloven dat God de eerste is en Zijn belofte geeft,
maar ook omdat er aan onze kant iets mis is,
waardoor die liefde van God alle vanzelfsprekendheid voor ons mist.
We kunnen dat wel Johannes nazeggen: God is liefde.
Maar dan moeten we er wel bij zeggen, dat als het aan ons ligt,
wij die liefde niet hadden beantwoord.

En dat is ook nog een reden waarom we kinderen jong dopen,
om daarmee aan te geven dat ze die neiging, die wij als volwassenen ook kunnen hebben
en soms maar al te goed kennen: wat we aan die liefde van God voorbij gaan
en dat we ons tegen God keren, God overbodig verklaren
en Hem op het hart trappen door Hem in te ruilen
en niet Hem lief te hebben, maar het leven zoals we dat hier op aarde hebben/

Daar begint het doopformulier ook mee.
Het is alsof er wordt gezegd: ja ja, mooi allemaal een nieuwgeboren baby

zeer zeker een wonder waar je God dankbaar voor mag zijn
en je mag daarin verwonderd zijn over God als Schepper, die je dit kind geeft.

Maar besef wel, dat je kind ook kan deelt in de afwijzing van Gods liefde.
Alleen als God zelf er iets aan verandert, in zijn hart werkt, het geloof geeft,
alleen dan zal er wat aan veranderen.
En dan wordt ook het bijzondere van Gods liefde zichtbaar.
Dat God komt in een wereld, die niet op Hem zit te wachten,
ook al heeft Hij deze wereld geschapen.

Dat God geeft om een wereld die Hem de rug kan toekeren.
Gods liefde is wel sterker en daarom is ook dit kind gedoopt:
vanuit het geloof dat God ook in dit kind de zonde en de neiging tot zonde kan overwinnen

En een hart kan geven dat wel van God houdt en Hem gehoorzaam wil zijn en wil belijden.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest
verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen
en dat Hij ons tot leden van Christus heiligen wil.

God is de eerste – en dat God de eerste wordt zichtbaar in de doop,
maar gaat nog verder terug: naar het kruis op Golgotha
en nog verder terug: naar de kribbe in Bethlehem
en nog verder terug: naar het paradijs, waar God Adam en Eva opzocht
en een belofte gaf dat de macht van de zonde verbroken zal worden
en dat ze eens weer vrije mensen zullen zijn.

Die belofte is al uitgekomen voor wij geboren werden.
Er is maar één woord dat echt kan weergeven wat er gebeurde: liefde.
En dan niet liefde zoals wij daarover spreken en denken.
Als je vader of moeder wordt, houd je van je kind
en die liefde is er al voor je kind geboren is en je je kind nog niet hebt gezien.

Wat is die liefde dan?
Dat je om je kind geeft en dat je kind belangrijker is dan jezelf.
Dat als er iets met je kind is, dat je diep raakt.
En dat je niet zonder je kind kunt en dat je tot veel bereid bent om je kind gelukkig te maken.

Als Johannes spreekt over de liefde die God heeft,
Dan denkt Johannes aan de bereidheid dat Jezus wilde komen, uit de hemel op aarde,
aan de bereidheid dat Jezus zichzelf als offer wilde geven.,
Dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en dat Hij ons inlijft in Zijn gemeenschap.
Liefde.

Die liefde van God voor ons – zichtbaar geworden aan het kruis
en op ons leven betrokken in de doop – vraagt om onze liefde.
Onze liefde tot God en tot andere christenen.

Die liefde tot andere christenen laat ik nu even rusten (omdat ik daar pas over preekte)
En richt me nu op de liefde tot God,
ons antwoord op Zijn liefde voor ons,
ons antwoord op het kruis dat op Golgotha staat, jouw antwoord op de doop die je kreeg.

Want de doop vraagt om een antwoord, om wat jij ermee doet.
Je ouders hebben je laten dopen, maar dat is bedoeld
om jou te laten antwoorden op de liefde van God.
Johannes spreekt over belijden, belijden dat Jezus de Zoon van God is.
Wat is dat belijden dan? Dat je “ja” zegt tegen God,
Hier ben ik Heer, Ik kniel voor U neer

omdat ik U iets zeggen wil

het zit heel diep in mij, het maakt me soms zo blij

en dan weer even stil

 

Ik wil U graag vertellen dat ik zoveel van U hou

het klinkt misschien eenvoudig maar ‘t is alles wat ik zeggen wou
Belijden is je liefde verklaren aan God, omdat Hij van jou houdt
en de eerste is en steeds naar jou op zoek is, om jou voor zich te winnen.
U alleen, U behoor ik toe.
Belijden is dat je zegt: Heere, ik wil het nu zelf,
De reden waarom mijn ouders mij hier bij de doopvont brachten om gedoopt te worden.
Ik ben van U, ik wil van U zijn. Ik wil niet meer bij U weggaan, maar leven met U.

Leven met U, altijd. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast. Wie ben ik zonder U?

U bent om mij heen. Waar ik ga houdt U mij vast.

Wie ben ik zonder U? U bent om mij heen.

Waar ik ga houdt U mij vast.
Amen

 

Preek zondag 7 juli 2019

Preek zondag 7 juli 2019
Schriftlezing: 1 Johannes 2:12-17, 3:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Heb de wereld niet lief! schrijft Johannes aan de gemeente.
Dat is wel een heel radicale opmerking, waarbij we wel zouden kunnen denken:
Het kan ook minder. Je kunt je toch niet helemaal aan de wereld onttrekken?
Je leeft in de wereld, je hebt ermee te maken.
De wereld zie je om je heen, hoor je om je heen, ervaar je elke dag weer.
Daar leef je middenin.
Daar kun je toch niet zo makkelijk afstand van nemen.

Maar we begrijpen het als een man,
die alleen maar druk is met zijn werk en daar helemaal in opgaat,
en geen tijd meer heeft voor zijn vrouw en voor zijn gezin,
door zijn vrouw tot de orde wordt geroepen:
En nu ga je het anders doen. Anders moet je het zonder ons gaan doen.
Het kan ook omgekeerd: dat een man vindt dat zijn vrouw met zoveel dingen bezig is,
met werk, met allerlei andere activiteiten, dat hij tegen haar zegt:
Ja, hallo! Ik ben er ook nog.

Als een getrouwde man veel met een andere vrouw optrekt,
daar steeds op ongebruikelijke momenten is en vaker daar is dan thuis,
kunnen we het begrijpen dat zijn eigen vrouw gaat zeggen:
Nu moet je een keuze maken tussen haar en mij.
Dit gaat zo langer niet.

Als Johannes aan de gemeente schrijft, dat ze de wereld niet mag liefhebben,
bedoelt hij daarmee aan te geven dat God geen concurrentie duldt van de wereld.
Het is óf-óf: óf God óf de wereld. Het gaat niet samen op.

Daarom is voor ons de vraag: waar gaat je hart naar uit?
Wat houdt jou het meeste bezig?
Johannes schrijft aan zijn gemeente: als je nou serieus bezig bent met God,
als je met Hem wilt leven, dan is er geen ruimte om in de wereld op te gaan.
Je liefde mag niet naar de wereld uitgaan.
Wat bedoelt Johannes hier met de wereld?
Is dat de wereld waarin je leeft? En bedoelt Johannes dat je je daarvan moet afzonderen?
Alleen maar met de kerk en met geloof bezig zijn?
Bedoelt Johannes dat je met mensen, die niet geloven, moet breken
en alleen moet omgaan met andere christenen? 
Moet je het isolement kiezen en terugtrekken van de wereld?
Heel kort zou je de wereld kunnen uitleggen als:
dat deel van onze werkelijkheid dat met God niets te maken wil hebben.
Maar dan hebben we het nog niet helder, nog niet concreet.
Je moet in aan ongelovige mensen denken, tenzij ze heel bewust bezig zijn
om je aan te praten dat geloof onzin is en niet rusten voor jij breekt met God.
De wereld, zoals Johannes het hier bedoeld, is een soort sfeer, die je beïnvloed.
Die je opsnuift, die je om je heen ziet.
Bijvoorbeeld dat je het prima redt zonder God, dat je echt niet naar de kerk hoeft te gaan
en dat je niets mist als je de kerkdienst overslaat.
De wereld, dat is wat je voorgeschoteld krijgt in reclames:
dat het in het leven erom gaat dat je geniet, dat je wat je wil hebben kunt aanschaffen,
dat je geld meer wordt zonder dat je er veel voor hoeft te doen.
Wat je voorgeschoteld krijgt in films, via Netflix, via de personen die op tv komen.
Je visie op relaties, op je eigen relatie, op seksualiteit, op hoe je met elkaar omgaat,
Waar komt die vandaan: uit de Bijbel of wordt die aangereikt ergens anders vandaan?
Van de week was ik met een aantal collega’s bij elkaar, op een studiedag voor de IZB.
Iemand vertelde hoe vrienden uit elkaar gingen – christelijke vrienden
met als argument: je wilt toch niet zeggen dat wat in films getoond wordt niet waar is.
Maw: Als stellen in films uit elkaar gaan, waarom zou ik dat dan niet mogen.
Er is bijna geen enkele film, waarbij een relatie standhoudt, bijna altijd gaat het mis.
Dat is zomaar een voorbeeld van wat voorgeschoteld wordt:
Je hoeft niet te vechten voor je relatie, maar kies de makkelijkere weg,
Want jij moet gelukkig worden, jij moet tot je doel komen. Het gaat om jou.
Je leeft maar één keer.
En dan is de thematiek van relaties en seksualiteit maar één voorbeeld.
Dat zouden we kunnen rekenen tot wat Johannes hier de begeerte van het vlees noemt.

Johannes schrijft over meer: begeerte van de ogen.
Daarbij kun je denken aan verleidingen, die je ziet,
je ogen die de verleiding, die er in de wereld te koop is, indrinkt.
Je kunt dat ook ruimer opvatten, die begeerte van de ogen.
Namelijk: alleen maar serieus nemen wat je ziet, dat je geloof laten bepalen.
Als we in onze Noord-Hollandse tijd naar de kerk gingen,
gingen de meeste mensen die op straat waren niet naar de kerk.
Ze gingen hardlopen of fietsen.
Er zaten meer mensen op de dijk met een hengel te vissen in het kanaal
dan dat er mensen in de kerk zaten.
Als je dat ziet, dan kun je heel snel gaan rekenen:
De meeste mensen gaan niet naar de kerk en zullen de kerk niet van binnen zien.
De kerk stelt niet veel meer voor.
Vanmorgen reed ik naar Drenthe.
Ik reed iemand voorbij met een witte blouse en een stropdas. Vast een collega.
De meeste mensen die op de weg waren, zullen vast ergens anders naartoe zijn gegaan.
De begeerte van de ogen is dan kijken zonder rekening te houden met God.
Je gaat denken dat het niet veel meer is.
Vanmorgen in die gemeente kwamen we bij elkaar: een eenvoudige kerk
en als ik de mensen zo inschatte vooral eenvoudige mensen.
Ik heb ze niet geteld, maar meer dan 40 zullen het niet geweest zijn.
Maar je moet ook niet tellen, maar kijken wat er gebeurt: dat Christus er op aarde is,
als gastheer aan de tafel, Hij de hemelse Heer, die brood en wijn aanreikt,
en in dat brood en die wijn zichzelf geeft.
Als je met de ogen van het geloof kijkt, dan zie je dat al is de kerk op bepaalde plekken klein
God groot is en Zijn werk ontzagwekkend en de toekomst zeker.
Heb de wereld niet lief!  Want op korte termijn kan het je veel lijken te brengen,
maar op langere termijn, en ook als het gaat om je bestemming, je eeuwig heil,
dan kom je tekort.

Johannes kijkt niet alleen naar de toekomst: ook nu kom je tekort als je voor de wereld kiest.
Als je je liefde voor God inruilt voor liefde voor de wereld.
Hij spreekt de gemeente aan om hen te laten zien, hoeveel ze nu al van de Heere krijgen.
Johannes spreekt de kinderen, de ouderen en de jongeren omstebeurt aan.
Mooi toch, als iedereen afzonderlijk wordt aangesproken.
Allereerst de kinderen, die worden als eerste aangesproken, nog voor de volwassenen.
Wat betekent het voor jullie, kinderen, dat je niet van de wereld mag houden?
Dat God het belangrijkste in je leven moet zijn.
Belangrijker dan wat je later gaat worden. Belangrijker dan school, sport, vrienden.
Dat komt op de tweede plaats. Dat blijft wel belangrijk, maar het allerbelangrijkste blijft God.
Soms betekent dat, dat je niet mee kunt doen:
je kunt niet meedoen als gevloekt wordt, als er gepest wordt,
als anderen naar de winkel gaan om iets te stelen, mag je niet meedoen.
Van de wereld houden, betekent dat je God niet nodig hebt.
Dat je bijvoorbeeld zo snel bidt voor je eten, dat je nog geen 2 seconden je ogen dicht hebt
en eigenlijk helemaal niet beseft dat je bidt.
Dat doe je als je bij jezelf denkt dat je ook wel zonder bidden kunt.
Toen ik 7 jaar was, brak ik een keer mijn arm toen ik van een schommel viel.
Die zondag erop was er zondagsschool
en een zondagsschoolmeester wilde danken, dat ik bewaard was.
Ik wilde geen aandacht en zei dat het niet nodig was om voor mij te bidden of te danken.
Toen ik dat zei, schaamde ik mij gelijk.
Want ik gaf eigenlijk aan: ik kan ook wel zonder gebed.
Heb de wereld niet lief! schrijft Johannes. Hij zegt het ook tegen jou persoonlijk.
Want je zonden zijn vergeven. Als God je al zoveel geeft,
Dat alles wat je verkeerd gedaan hebt, je vergeven wordt,
Dat God daar niet meer aan denkt, dat Hij daar niet meer met je over begint,
omdat het ook weg is, vergeven,
dat je dan toch van de wereld houdt.
Je zonden zijn vergeven, schrijft Johannes, Christus is ook voor jou gestorven.

Nu worden de kinderen aangesproken, maar zijn we in de kerk niet allemaal kinderen?
Ook als je al lang in de kerk meedraait en veel preken gehoord hebt,
kun je het gevoel hebben, dat je nog maar net komt kijken, een beginneling bent.
Als je voor je gevoel nog maar net begint met geloven, blijf je kwetsbaar
voor de verleiding van de wereld en ga je er zo in mee.
Daarom schrijft Johannes: bedenk wat je allemaal gekregen hebt van je Heer.
Dat wil je toch niet kwijtraken door weer voor de wereld te kiezen, zonder God te leven?

Kinderen in de gemeente, of ze nu echt de leeftijd van een kind hebben,
of dat je nog maar net het evangelie hebt ontdekt, een pril geloof
hebben steunpilaren nodig.
Andere gemeenteleden, die de Bijbel kennen, die het geloof voorleven,
laten zien hoe je het leven met Christus in praktijk brengt.
MEt de ouderen in de gemeente bedoelt Johannes de steunpilaren in de gemeente.
Gemeenteleden die de verleiding van de wereld kunnen doorzien
en anderen daarvoor waarschuwen: Pas op!
Toen ik studeerde, was ik lid van een studentenvereniging.
In het eerste jaar waren er oudere studenten, die soms al 7 of 8 jaar studeerden.
Als jongerejaars had je er veel aan.
Ze vertelden hoe je bepaalde dingen moest zien
En hoe je kon voorkomen, dat bepaalde lastige thema’s nadelig uitpakten voor je geloof.
Na verloop van jaren namen die ouderejaars afscheid, omdat ze klaar waren met de studie
En ik weet nog, dat toen ik zelf in het 4e jaar kwam, ik opeens het besef had
dat ik nu zelf een ouderejaars was, een voorbeeldfiguur werd,
een soort steunpilaar moest zijn.
Je kunt niet kind blijven. Je moet opstaan en voortouw durven nemen.
Misschien heeft dat inzicht ook wel geholpen om predikant te worden.
Er is een moment waarop je niet meer kunt zeggen: Ik ben nog maar een beginneling.
Nee, er moet leiding gegeven worden.
Een moment, waarop je anderen, die minder ervaren zijn, raad moet geven, ondersteunen.
Uit moet leggen, hoe je in deze tijd afstand kunt bewaren tot de wereld.
Hoe je wel in deze wereld bent, zonder deze wereld lief te hebben.
Hoe je wel hier je plek hebt, leeft, contacten hebt, vrienden en collega’s,
maar dat je hart bij Christus blijft liggen.
Johannes spreekt de ouderen aan, de ervarenen in het geloof,
omdat ze het kinderlijke hebben afgelegd en iets stabiels hebben, een robuust geloof.
Want u kent God, zegt Johannes tegen die verder gevorderden.
Ik kijk degenen die al langer naar de kerk gaan aan.
Nu wil dat niet zeggen, dat als je lang naar de kerk gaat
ook zo’n stabiel voorbeeldfiguur bent.
Maar misschien zou u, zou jij het ondertussen al wel moeten zijn
en verschuil je je nog te gemakkelijk achter de gedachte: wie ben ik, ik kom maar net kijken.
U kent God, zegt Johannes. Hoe is dat met u en met jou?
Kun je dat nazeggen? Kun jij dat zelf ook zeggen: Ik ken God?
Kennen betekent hier niet: met je verstand kennen en alles over God kunnen uitleggen,
want God is te groot om door ons helemaal gekend te zijn.
Kennen betekent hier: relatie hebben.
Als ik aan een man zou vragen, ken je je vrouw?
Dan zal hij niet gaan vertellen over de schoenmaat en kledingmaat,
niet over de bankrekening, of wanneer ze jarig is.
Maar zal hij gaan vertellen over haar karakter en waarom ze zo bijzonder is
En wat ze voor hem betekent – dat is kennen.
In de Bijbel heeft kennen altijd een intieme betekenis, met iemand omgaan.
Kennen betekent: bidden, lezen uit de Bijbel en daarover nadenken, avondmaal vieren,
de kerkdienst bezoeken en je daar gesterkt voelen, je vertrouwen stellen op God.
Als je zo leeft, groeit ook je vertrouwen in God
en heb je de wereld ook niet nodig hoef je de wereld ook niet lief te hebben
En doorzie je de wereld en de nadelige gevolgen daarvan voor je geloof.
Je weet wat je aan God hebt en dat wat je omgang met God je biedt
De wereld je nooit kan bieden.
Johannes kan trouwens ook schrijven, dat kinderen de Vader kennen.
Dat is dus niet voorbehouden aan de doorgewinterden in het geloof.

Er is ook een tussengroep – tussen de kinderen en de steunpilaren: jongeren.
De jongeren, dat zijn degenen die net zelfstandig zijn, hun eigen leven kunnen leiden,
opgeroepen kunnen worden als het oorlog is om het land te verdedigen.
Nog niet helemaal klaar om een steunpilaar te zijn, daarvoor moeten ze nog groeien,
maar ze zijn ook geen kind meer.
Ze kunnen al wel verantwoordelijkheid nemen,
ze kunnen al heel wat aan en heel wat betekenen.
Je zou kunnen zeggen: dat zijn degenen die net belijdenis hebben gedaan.
Of binnenkort belijdenis zouden kunnen doen.
Op weg naar een stabiel en robuust geloof.
Af en toe gaan ze nog onderuit en verliezen ze het doel uit het oog,
maar ze groeien: jullie zijn sterk, zegt Johannes.
Jullie hebben de wereld overwonnen.
Je kent de aantrekkingskracht van de wereld, maar je bent in staat om nee te zeggen,
om ondanks de verleidingen die er in de wereld om je heen zijn,
de weg te gaan van Christus.
Je praat met je vrienden, die niet naar de kerk gaan, omdat je met hen bewogen bent,
het zijn altijd vrienden geweest en nu je zelf bent gaan geloven, houd je contact,
omdat je gunt dat ook zij gaan geloven.
Je weet dat ze zonder God leven en God niet eens missen.
Je raakt er niet meer door uit het lood, zoals eerst, omdat je nu weet wat je aan God hebt.
Omdat je ervaren hebt, dat Christus voor jou Zijn leven gaf en je redde.
Je kent de verleidingen van de wereld, maar je kent nog meer je Heer.
Je weet hoe films, reclames, boeken, de wereld waarin je leeft, je wil beïnvloeden,
maar je hebt het door en je bent er daardoor tegen bestand.
Je draagt een geheim in je dat je sterk maakt, waardoor je kunt overwinnen:
Gods Woord. God zelf doet je overwinnen. Hij zorgt ervoor dat je sterk bent,
dat je volhoudt tot het einde toe.
Je weet: deze wereld is niet alles, gaat voorbij.
Nee, God is mijn geluk. Hij is mijn Heer, mijn leven.
Je hebt het geleerd, ontdekt: Vertrouw op de HEER met heel je hart,
steun niet op eigen inzicht.
Denk aan hem bij alles wat je doet. Dan baant hij voor jou de weg.
Amen

Preek 30 juni 2019 avonddienst

Preek 30 juni 2019 avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal. Schriftlezing: 1 Johannes 1:1 – 2:2
Tekst: Opdat u ook gemeenschap hebt met ons; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus (vers 3b).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is bijzonder om zo met elkaar het avondmaal te vieren.
Om met elkaar daar vooraan te zitten, de schaal en de beker aan elkaar door te geven,
waarbij we elkaar de tekenen van brood en wijn doorgeven.
Dat geeft aan, dat we niet alleen maar voor onszelf daar zitten aan die tafel,
maar ook voor elkaar.
Als je daar zit, pak je de schaal aan van degene die naast je zit
En die de schaal aan je doorgeeft.
Je neemt het brood ervan en geeft de schaal door.
Je pakt de beker aan van degene die de beker jou aanreikt en je geeft de beker weer door.
Dat aannemen en doorgeven is niet voor niets. Dat heeft een betekenis.
Er is iemand uit de gemeente – en je hebt wellicht niet zelf voor diegene gekozen –
reikt jou de tekenen aan, die heenwijzen naar het offer dat Christus bracht.
In het aangeven van de schaal zegt degene naast je (zonder woorden):
Hier is het brood, gedenkt en gelooft dat Christus ook voor jou gestorven is.
En als de beker wordt aangereikt zegt je buurman of buurvrouw in dat gebaar:
Christus reinigt ook jou van je zonden.
Ik mag je dat doorgeven, net zoals ik dat zelf ook weer van iemand gekregen heb.
Zo worden we gesterkt, zowel in ons geloof, in onze band met Christus
en ook gesterkt in de onderlinge band, doordat we samen daar zitten
en elkaar de tekenen mogen aanreiken, die Christus ons weer aanreikt.
Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar
in ware broederlijke liefde verbonden worden.
Dat gaat in samen op: gesterkt worden in je eigen geloof en ook in de onderlinge band.
In zijn brief wijst Johannes daar op op:
Opdat u ook gemeenschap hebt met ons;
en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Je kunt blijkbaar niet alleen, niet in je eentje geloven.
Ja, soms kan het niet anders. Als je leeft in een omgeving, waar niemand christen is
en je tot geloof komt en je bij niemand terecht kunt, dan moet je alles in je eentje doen.
Maar dan is geloven niet gemakkelijk: om in je eentje avondmaal te vieren,
om jezelf aan te spreken en bij de les te houden,
jezelf moed in te spreken als je het niet ziet zitten, jezelf op te beuren en te troosten
– dat is allemaal niet gemakkelijk.
We hebben elkaar nodig, al is het maar om de schaal met brood aan te geven
en de beker aan te reiken,
het gebaar waarmee we tegen elkaar zeggen: het is ook voor jou!
Het is voor ons leven met de Heere, voor ons geloof, niet goed, als we dat alleen doen.
Ik hoorde ooit een voorbeeld, en dat ben ik nooit vergeten
en heeft er zelfs toe geleid om maar aandacht te schenken aan de onderlinge band:
Iemand vertelde dat ze kort na de belijdenisdienst in een zwart gat viel.
In een jaar tijd had ze intensief met anderen opgetrokken,
op een vast tijdstip bij elkaar gekomen, week in week uit.
Door dat samenkomen, door die gesprekken leefde ze dicht bij de Heere
met als climax, als hoogtepunt een mooie belijdenisdienst.
Maar na die belijdenisdienst was het voorbij, was er niets meer, stil.
Geen ontmoetingen meer, geen gesprekken meer,
geen vaste avonden meer aan God gewijd.
Het was opeens stil en leeg: een zwart gat.
Onverwacht kreeg haar geloof een duw naar beneden.
Pas later besefte ze hoe belangrijk die bijeenkomsten en die gesprekken waren.
Ik ben haar er altijd dankbaar voor geweest, dat ze deze teleurstelling meldde,
omdat ze mij daarmee leerde, hoe belangrijk is voor het geloofsleven
om samen op te trekken, geregeld bij elkaar te komen.
Niet dat die gedachte helemaal nieuw was, maar toch:
Als je van iemand hoort, dat het wegvallen van de onderlinge contact
ervoor zorgt dat je terugvalt in geloof, geeft dat wel aan dat we niet zonder kunnen.
Als gelovige niet zonder de onderlinge band.

Die band wordt in het avondmaal versterkt.
Althans, dat is de gedachte van het formulier.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde samen één lichaam vormen.
Aan de tafel zijn we één, net een gezin, het gezin van Christus,
Waarin iedereen die er is een broeder en een zuster is.
Een broer of een zus zijn: dat betekent, dat je daar niet voor gekozen hebt,
zoals je vrienden wel kunt kiezen.
Je hoort bij elkaar en je kunt je niet van elkaar los maken, ook al verbreek je het contact.
Als we verbonden raken met Christus, krijgen we er anderen bij,
die ook verbonden zijn met Hem.
Aan de avondmaalstafel groeit zowel de verbondenheid met Christus als met elkaar.
Gemeenschap met elkaar en met God.
Gemeenschap – een mooi woord, dat geeft aan dat je samen iets gemeen hebt:
Samen heb je gemeen dat je van Christus bent geworden.
Je hebt allemaal het kenmerk dat de Heere in je leven werkt
en dat je kon overgeven aan Hem, dat je Hem ging liefhebben en vertrouwen.
Dat heeft bij de een vast meer tijd gekost dan bij de ander,
maar dat is gezamenlijk: dat er in ons hart de liefde is voor Hem,
die hebben we daar niet zelf in gelegd, maar heeft de Heere zelf gegeven.
Dat hebben we gemeenschappelijk.
Gemeenschap betekent ook, dat je samen ergens onderdeel van bent.
Samen onderdeel van het gezin van God,als broeders en zusters.
Daarom samen aan de tafel, zoals een gezin gezamenlijk de maaltijd gebruikt
Gemeenschap betekent daarom ook, dat je niet allemaal losse individuen bent,
maar dat er onderling ook iets groeit.

Dat groeit niet zomaar, vanzelf. Daar moet de Heilige Geest voor aan de slag.
Want als mensen een gemeenschap vormen, als is dat aan de avondmaalstafel,
is dat niet iets dat vanzelfsprekend gaat.
Samen een gemeenschap vormen heeft iets positiefs:
Je stimuleert elkaar, daagt elkaar uit, je versterkt elkaar.
Je gaat met iemand in gesprek die de stap niet kan maken naar het avondmaal
in de hoop dat hij of zij de volgende keer wel kan gaan.
Je luistert naar de aarzelingen en neemt die serieus
en je weet ook iets aan te reiken dat verder helpt in dit opzicht.
Je deelt ervaringen met elkaar,
waardoor je hoort hoe een ander de gang naar het avondmaal beleeft.
Je denkt daarover na en het verrijkt je eigen omgang met het avondmaal
omdat je nieuwe inzichten hebt opgedaan, die je bijblijven.
Of je spreekt van tevoren af, dat je bij elkaar gaat zitten,
Zodat de stap voor iemand, die niet zo makkelijk aan het avondmaal gaat, niet zo groot is
omdat je met elkaar gaat
en je besluit om er na afloop om er met elkaar over door te praten hoe het was.

Samen een gemeenschap vormen kan ook iets ongemakkelijks hebben.
Je zit aan tafel met anderen uit de kerk, die heel andere opvattingen hebben,
met wie je maar geen gesprek moet hebben, omdat het op discussie uitloopt.
Of met iemand met wie je ooit een akkefietje hebt gehad, dat nooit echt is uitgepraat.
Je moet niet teveel de kant van die ander opkijken, want je wordt er nog aan herinnerd.
Je zit naast iemand, die ooit eens iets gezegd heeft, dat niet zo heel tactisch was,
je vermoedt dat degene die naast je zit allang vergeten is, wat hij of zei ooit tegen je zei,
maar je weet het nog steeds en toch is hij of zij degene die je de schaal en de beker aanreikt
en jou de tekenen van genade en vergeving overhandigt, in naam van Christus.
Samen zit je aan de tafel van Christus en allebei heb je de genade nodig.
Mag die opmerking nog een belemmering zijn om de schaal en de beker aan te nemen?
Betekent dat de tekenen van brood en wijn, die heenwijzen naar de genade is er is,
betekent dat je deze tekenen ontvangt, dat je die opmerking voortaan moet vergeten
en er niet meer zo mee bezig moet zijn, omdat je zelf ook genade nodig hebt
en je naast iemand zit, bij wie je zelf ook weer iets aangericht hebt?
Of betekent het nog iets anders, dat je het ook bij Christus mag brengen
en in Zijn handen mag leggen en dat Hij weet wat er tussen jullie zich afspeelde?
Heel makkelijk kunnen we voor elkaar een belemmering zijn om bij Christus te komen.
En toch zegt het avondmaal, dat de Heere ons met elkaar verbindt, één van hart maakt.
Niet losse individuen, die toevallig een plek aan de tafel hebben,
die allemaal iets met Christus hebben en die als ze de kerk verlaten
weer ieder de eigen kant op gaat, zonder nog iets met elkaar te maken te hebben.
Nee, in het avondmaal gevormd tot één lichaam.
En ik denk dat we dat niet moeten beperken tot onze kerk alleen,
maar alle kerken die er zijn in Oldebroek en over heel de wereld: samen dat ene Lichaam.
Gevormd tot één lichaam, omdat we elkaar nodig hebben om verbonden te zijn met God.
Johannes verbindt dat hier ook aan elkaar:
verbonden met elkaar en verbonden met de Vader en met Christus.
Die verbondenheid is zowel een opdracht, die we hebben,
een verantwoordelijkheid die we voor elkaar gekregen hebben,
waar we ons niet van kunnen afmaken.
Maar ook een geschenk van God, een gemeenschap, waarin Hij ons opneemt,
waarin Hij ons een plek geeft en anderen om ons heen.
Het is een verantwoordelijkheid om niet te veel uit elkaar te groeien,
zodat je elkaar niet meer begrijpt.
De tijd nemen om naar elkaar te luisteren, te begrijpen hoe iemand anders denkt, gelooft.
Om zelf wellicht ook te vertellen hoe de Heere werkt in jouw leven.
De tijd nemen om elkaar op te zoeken.
De tijd nemen om voor elkaar te bidden.
Op de opleiding leerde ik bij het vak pastoraat:
Het gaat erom dat we gossip veranderen in gospel.
Gossip: roddel. Gospel: het evangelie van onze Heere/
In plaats van ongezonde nieuwsgierigheid, doorvertellen omdat het smeuïg is,
betrokkenheid tonen en oprecht mee te leven.
Als je het doorvertelt, om dan te laten merken dat je om die ander geeft
en iemand anders ook verantwoordelijk maakt om mee te leven en naar je om te zien.
Gospel: evangelie – oog krijgen voor hoe de Heere werkt in iemands leven
en dat doorvertellen en de Heere danken voor die persoon

en voor de genade die de Heere laat merken.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde samen één lichaam vormen, omwille van Christus, onze geliefde Zaligmaker, die ons tevoren zo bijzonder heeft liefgehad. Dit zullen wij niet alleen met woorden, maar ook met daden aan elkaar bewijzen. Daartoe helpe ons de almachtige en barmhartige God en Vader van onze Heere Jezus Christus, door Zijn Heilige Geest.

Die verbondenheid met elkaar is nodig om verbonden te blijven met de Heere.
We hebben avondmaal gevierd.
We hebben vanmorgen weer mogen ervaren, mogen proeven
hoe het is dat de Heere ons weer opneemt in Zijn gemeenschap, met ons verder wil
en dat Hij zo in ons wil werken, dat we groeien in geloof, andere mensen worden,
vol van Hem, vol van Zijn Geest.
Het avondmaal vieren, aan de tafel aangaan, is de belofte geven aan de Heere
dat je in de komende tijd uit die gemeenschap wilt leven.
en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Avondmaal is geen momentopname, niet alleen maar iets voor 30 juni 2019,
maar geldt ook voor de komende maanden,
als je morgen op je werk komt.
Als je het komend weekend een weekendje weg bent.
laat ieder zijn geweten onderzoeken of hij ook gezind is voortaan met zijn hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of hij, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met zijn naaste te leven.

Want de Heere is dat waard. In Zijn zorg voor ons geeft Hij mensen om ons heen.
Die over Hem vertellen. Die voorleven hoe je met God kunt leven.
Die meeleven en ons aanspreken, die ons stimuleren en ons een voorbeeld zijn.
Voor wie wij zelf een voorbeeld mogen zijn, die zich aan ons optrekken.
Samen met elkaar de weg van Christus gaan.
Als je zo met elkaar optrekt, kom je bij de Heere uit. Samen bij de Heere uit.
Een  gemeenschap waarin God werkt, een gemeenschap die God eert
met woord en daad. Amen

Preek zondag 30 juni 2019 morgendienst

Preek zondag 30 juni 2019 morgendienst
Viering Heilig Avondmaal. Schriftlezing: 1 Johannes 1:1- 2:2
Tekst: En het bloed van Jezus Christus reinigt ons van onze zonde (1 Johannes 1:7b)

Deze brief van Johannes begint met de grootheid van God:
Hij was er al voor wij geboren werden, ja voordat de wereld er was, was Hij er al.
Hij schiep deze wereld.
Vol verwondering schrijft Johannes dat de Heere niet op een afstand bleef,
zelfs niet toen wij als mensen kozen voor de zonde.
Hij kondigde Zijn komst aan en kwam in Zijn Zoon Jezus Christus op aarde
om ons mensen op te zoeken en terug te brengen.
Hij kon daarover uit eigen ervaring spreken, omdat hij erbij was,
Jezus met eigen ogen mocht zien, met Hem mee optrok.
Tegelijkertijd wil Johannes ons laten weten, dat het ook onze ervaring kan zijn,
dat Jezus er is, in ons midden, dat we Hem horen en ervaren,
dat we weten dat Hij hier is en dat we Hem ook ontmoeten.
Doordat Jezus op aarde kwam, weten we dat God mensen opzoekt,
omdat Hij hen bij Zich wil hebben, in Zijn gemeenschap,
dat ze bij Hem horen, van Hem zijn.
Johannes spreekt over de mogelijkheid om bij God te horen.
Het is zelfs de wens van de Heere, dat we van Hem zijn.
Alles in de Bijbel – ook al in het Oude Testament – spreekt van onze God
Als een God die Zijn volk Israël op zoekt en met Christus alle mensen zoekt
om hun God te zijn.
Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
opdat een ieder die in Hem gelooft, het eeuwig leven heeft.
Daar is het de Heere om te doen, dat we geloven in Hem
en dat we het eeuwige leven ontvangen, waar we voor altijd bij Hem mogen zijn.
Ook in dat eeuwige leven gaat het om Hem, onze Heere,
gaat het erom dat we nooit meer van Hem gescheiden zijn.
Daarom vieren we avondmaal: Omdat God ons in Zijn gemeenschap wil hebben.
Het avondmaal vieren we: we vieren dat we verbonden zijn met onze Heere.

Maar kunnen we dat wel vieren?
U bent in de afgelopen week bezig geweest met het avondmaal,
want dat is toch niet iets dat je zomaar even doet.
Je bereidt je daar innerlijk toch op voor: of je kunt aangaan of niet.
Dat werd ook gevraagd: om erbij stil te staan, dat er heel wat aan onze kant mis zit.
U bent nagegaan hoe dat bij u is en tot de conclusie gekomen:
Er is bij mij nog teveel dat niet in orde is.
Ik kan zoals ik nu ben niet aan het avondmaal gaan.
Ik kan niet vieren dat ik verbonden ben met de Heere,
Want van mijn kant is er zoveel dat mij aanklaagt:
Mijn geloof – ja, kan ik wel spreken van geloof?
Ik breng er zo weinig van terecht.
En mijn manier van leven, wat laat ik daarvan zien dat ik bij de Heere hoor?
Zo goed doe ik het als christen niet. Ik kan me eigenlijk niet eens christen noemen
en een plek aan die tafel kan ik helemaal niet innemen.
Hoe kan ik aankomen bij de Heere, die zo groot en heilig is?

En het bloed van Jezus Christus reinigt ons van onze zonde, zegt Johannes.
Daarmee wil hij zeggen, dat we dat vanuit onszelf ook niet kunnen.
Niemand van ons kan zeggen: mijn plek daar aan die tafel heb ik aan mijzelf te danken.
Het is allemaal genade, omdat Christus stierf
en omdat Hij gestorven is, gestorven voor u, voor jou, mij, daarom kunnen wij komen.
Daar wijst het brood dat gebroken ook naar: naar hoe Hij aan het kruis stierf
en daar stierf met een reden: om ons vrij te kopen.
Daar wijst de wijn naar: het bloed van Christus dat ons reinigt.
Daar naar voren te komen en brood en wijn te ontvangen,
geven we aan, dat we dat offer van Christus nodig hebben,
dat we niet zonder zijn lijden en sterven aan het kruis kunnen,
omdat Zijn dood ons vrijmaakt van de zonde en ook reinigt.
Met Zijn dood aan het kruis – daarom vieren we het avondmaal –
geven we aan, dat God met ons opnieuw wil beginnen, schoon schip maakt.

De zonde die zo diep in ons kan zitten, wordt helemaal weggenomen.
Als je weet dat je geloof niet volmaakt is en je steeds weer tekortschiet,
Als je weet dat je er niet genoeg naar leeft,
dan kan dat heel makkelijk klinken: je gaat naar het avondmaal,
je krijgt vergeving en je mag weer opnieuw beginnen,
Terwijl je eigenlijk al weet, dat je over drie maanden weer diezelfde worsteling hebt
Van een geloof dat onvolmaakt blijft en God geen recht doet, want Hij heeft recht op meer.
Hij heeft er recht op, dat we Hem helemaal dienen, op de eerste plaats stellen
en ons niet pas met Hem bezig gaan houden als wij er tijd voor hebben, aan toe zijn.
Dat we er ook naar leven, niet alleen maar voor de vorm, maar ook met ons hart.
Is het niet te gemakkelijk om zo over vergeving en reiniging te spreken?
Dat is zeker niet Johannes’ bedoeling om maar makkelijk over de zonde te denken
en daar zomaar over heen te stappen.
Nee, er was heel wat voor nodig: Christus moest sterven.
Er is ook in ons heel wat nodig: Reiniging van zonden.
De zonde is ernstig – en Johannes wil die ernst volop onderstrepen.
Maar nog ernstiger is aan de genade voorbij gaan.
Nog ernstiger is  aan de mogelijkheid, die Christus biedt door Zijn sterven,
om gereinigd te worden voorbij te gaan.
Want dan blijf je nog in de zonde, dan is nog de breuk met God niet geheeld.
Wat had de Heere nog meer moeten doen om u vrij te kopen?
Is het offer dat Christus niet genoeg?
Zegt de Heere zelf niet, hier bij monde van Johannes, dat Zijn sterven genoeg is,
ook voor u: gedenkt, gelooft, dat dit kostbaar bloed vergoten is
tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Wij maken het niet met God, maar Hij: Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden.
Met het avondmaal vieren we dat Hij, onze Heer, die het God maakt met God,
ons verzoent, hier in ons midden is, gastheer aan de tafel, ons nodigt om te komen:
Hier is brood en wijn, dat herinnert hoe Ik ook voor jou gestorven ben.
Neem, eet, gedenkt en gelooft dat Mijn lichaam verbroken is, ook voor jou.
Kom, hier bij Mijn tafel, om dat te gedenken, te vieren, dat het ook voor jou is.
Amen

Preek zondag 23 juni 2019

Preek zondag 23 juni 2019
1 Johannes 1
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Tekst: Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens.  – want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien. (1 Johannes 1:1-2a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je leest van Johannes hier schrijft, kun je daar jaloers op worden,
Johannes die Christus heeft horen spreken, die Christus gezien heeft, meegemaakt heeft.
Konden wij onze Heere ook maar zo van dichtbij zien, Hem horen spreken,
Zijn aanwezigheid merken, in Zijn nabijheid zijn.
Johannes was erbij, maakte het allemaal mee
en vanuit die ervaring wil hij de gemeente, waaraan hij schrijft,
aanmoedigen en sterken in het geloof.
Wie zou dat niet willen, dat je zo kunt terugkijken op je ontmoeting met Christus.
Dat je met Hem optrok en Zijn onderwijs aanhoorde
en dat je met die ervaring – dat je zo dicht bij Christus was – andere gelovigen mocht helpen.

Als ik Johannes in deze brief lees, dan is het hem er niet om te doen
om die ervaring uniek te maken.
Alsof het iets van hem alleen is, omdat hij achter Jezus aanging
en alles zag wat er om Jezus gebeurde.
Hij heeft het over “wij”: wij hebben gehoord, wij hebben met onze ogen gezien,
wij hebben aanschouwd, wij hebben het Woord des levens aangeraakt.
Daarmee bedoelt hij ook de gemeenteleden die deze brief krijgen
En ik denk dat wij ons daar ook bij mogen insluiten en het op onszelf mogen betrekken:
wij hebben gehoord, wij hebben met onze ogen gezien,
wij hebben aanschouwd, wij hebben het Woord des levens aangeraakt.
Dat is niet een ervaring die zich beperkt tot de twaalf leerlingen, die met Jezus meegingen
en ook niet tot de Joden die erbij waren toen Jezus gelijkenissen vertelde of wonderen deed.
Wij mogen, wij kunnen ons erbij insluiten: ook wij hebben gehoord en gezien,
Wij hebben aanschouwd en met onze handen aangeraakt.
Het lijkt erop, dat Johannes wil aangeven dat hij ooggetuige was, dat hij er zelf bij was.

Maar het gaat toch om iets anders, om iets dat ook wij kunnen meemaken.
Namelijk een overweldigende ervaring, waarbij je niet goed meer uit je woorden komt.
Als je verliefd bent op iemand en gaat stamelen,
Of als je een belevenis van de natuur had, die zo bijzonder was, dat je er stil van wordt.
Zo bijzonder, je kunt het niet onder woorden brengen, het raakt niet aan wat je meemaakte.
Dan gaat het Johannes hier om een ervaring die nog bijzonderder is, overweldigender is:
de ervaring iets van God mee te maken.
Je kunt het als Bijbellezer er niet goed uithalen, maar de woorden die hier staan,
zijn niet vloeiend geschreven, het is een stamelen,
een proberen onder te brengen van iets dat niet onder woorden te brengen is:
probeer maar eens onder woorden te brengen wat je meemaakt van onze Heere.
Johannes probeert het, maar het lijkt wel of hij er niet uitkomt, in ieder geval niet vloeiend.
Of het moet een lied zijn, dat hij citeert, waarvan de woorden als je gezongen hoort
wel kloppen, omdat ze een loflied zijn om de glorie van Christus te prijzen.
Je moet ze horen, misschien wel gezongen, of je moet de woorden zelf zingen:
Wat er was vanaf het begin
Wat wij gehoord hebben
Wat wij gezien hebben met onze ogen
Wat wij aanschouwd hebben
en onze handen getast hebben van het Woord des levens.
Wat er was vanaf het begin – niet alleen maar het begin dat God in ons leven kwam
en wij begonnen te geloven, het prille begin van ons als christen, als gelovige,
maar verder terug, niet terug naar het moment dat Christus op aarde kwam,
maar nog verder terug, zelfs naar het moment voor de wereld er was.
Toen de wereld nog niet geschapen was, er geen hemel en aarde was,
was er al wel een God – Vader, Zoon en Heilige Geest.
Voordat wij er waren, voordat onze wereld er was.
De reden waarom hierover gemediteerd wordt, hierover gezongen wordt,
is dat onze Heere die toen er reeds was een beweging maakte naar ons toe,
steeds dichterbij kwam: je kon Hem horen komen, aangekondigd in het Oude Testament
en nadat Hij geboren was en opgroeide, rondwandelde, wonderen deed en sprak,
was Hij voor mensen met eigen ogen te zien,
konden ouders hun kinderen bij Jezus brengen om gezegend te worden
En kon Thomas zeggen:
Ik wil Jezus zelf aanraken om te geloven dat Hij werkelijk is opgestaan.
Hoe menselijk Jezus ook werd – echt mens – Hij bleef wel God
En was er al voor de wereld geschapen werd.
Zo indrukwekkend en groots is God dat de hemel Hem niet kan bevatten
en toch wordt Hij mens en komt Hij onze wereld binnen, kunnen wij Hem ontmoeten.

Het is wat gebeurd, is dat we over Hem horen.
Een stem die in je leven klinkt, uitnodigend om bij Hem te horen,
om alle twijfels die er kunnen zijn, nu eens aan de kant te leggen
dringend, om je op te roepen tot geloof en niet meer zonder Hem te leven.
Dat horen over Hem kan ook op een manier die niet zo spectaculair is:
Iemand die uit de Bijbel leest, vertelt, je liederen leert, of je leert bidden, een preek houdt,
iemand die je uitlegt, dat je het avondmaal niet moet vermijden,
maar juist daar moet zijn omdat je dan Christus ontmoet.
Wat wij gehoord hebben – over God en dat kan ook door God gebruikt worden,
waardoor de Heere iets van Zichzelf laat horen:
Ik kwam voor jou uit de hemel, dat was toen, maar ook nu nog laat Ik van Mij horen
en Ik wil dat je naar Mij toekomt, dat je niet weg blijft.
Dat je niet allerlei belemmeringen en bezwaren opwerpt voor jezelf.
Luister naar Mij en kom!
De stem van God die tot ons komt en wij die horen,
Dat geeft aan dat God naar ons op zoek is, ons bij Zich wil hebben, in Zijn gemeenschap,
weer een band wil, dat we van Hem zijn.

God die ons wil hebben en daarom in deze wereld kwam en in ons leven komt.
Eerst hoorbaar, maar ook zichtbaar.
Wij hebben met eigen ogen gezien.
Dat kunnen we heel makkelijk verbinden aan Jezus die hier op deze aarde rondliep,
vertelde en genas, voor Pilatus stond en veroordeeld werd, de weg liep door Jeruzalem
op weg naar het kruis, waar Hij aan zou hangen, waar Hij stierf
en daarna de opgestane Heer die verscheen: aan de vrouwen, aan de discipelen.
Ik ben dood geweest en zie Ik leef. De dood overwonnen.
Zijn er ook momenten waarop we Christus kunnen zien in ons eigen leven.
Dat we Hem niet alleen maar horen, maar ook zien?
We geloven dat als we als gemeente samenkomen onze Heer er ook is. Aanwezig is.
Dat als we avondmaal vieren, Hij aan de tafel staat en ons het brood aanreikt
En ons aanspreekt: het brood dat je krijgt wijst naar het kruis waar Ik aan hing,
waar Ik mij gaf voor jou – verbroken tot volkomen verzoening van al je zonden.
Hij komt dan zo dichtbij, omdat Hij wil dat wij dichtbij Hem zijn, bij Hem zijn, van Hem zijn.
Als je het brood aanraakt, naar je mond brengt en eet.
Er zijn gelovigen die zeggen: dat brood, dat wordt Christus: je raakt Hem aan,
je eet Zijn lichaam.
Als gereformeerde protestanten zijn we wat voorzichtiger,
omdat je daar ook misbruik van kunt maken,
als je Christus zo in een stukje brood kunt hebben.
Maar we geloven wel, dat als je brood eet, dat Hij dan zichzelf geeft,
dat als je de wijn drinkt en in je lichaam naar binnen voelt gaan,
Dat Hij zo in je wil komen, om je lichaam te reinigen van de zonde.
Neemt, drinkt, gelooft, dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus
vergoten is tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Hoorbaar – zichtbaar – al is dat voor de ogen van het geloof
En dat is wat Johannes bedoelt met aanschouwen.

Want je kunt avondmaal zien – dat geldt misschien wel helemaal voor de kinderen
die dan in de kerk zitten en alleen maar kunnen kijken wat er voor in de kerk staat,
Wat daar gebeurt: een tafel, met daarop borden met brood en bekers wijn,
mensen die naar voren lopen en gaan zitten bij de tafel,
brood en wijn dat wordt rondgedeeld en mensen die dat eten en drinken.
Dat heeft allemaal betekenis.
Er staat een tafel in de kerk. Wat doe je met een tafel? Je kunt aan een tafel zitten.
Alleen of gezamenlijk. Op die manier laat tafel gemeenschap zien:
dat je bij elkaar hoort, als gezin bijvoorbeeld, of als vriendengroep.
Aan die tafel zitten mensen die bij de kerk horen – maar het is ook de tafel van Christus.
Is Hij er bij? Ja, Hij is gastheer.
Een tafel wordt ook gebruikt om dingen op te zetten: een vaas met bloemen bijvoorbeeld.
Zo staat er brood en wijn op de tafel.
Waarom brood en wijn?
Wat betekent dat?

Met zien alleen ben je er nog niet. En met horen ook niet.
Het gaat om geloof, om eigen maken, dat het van jezelf wordt.
Dat je onder de indruk komt en van Christus gaat houden,
Dat je met Hem wilt leven – Johannes noemt dat aanschouwen.
In het evangelie van Johannes is dat ook steeds zo: ooggetuige zijn is nog niet genoeg.
Het gaat erom, dat je ziet dat God erin aan het werk,
dat de Jezus die daar rondloopt, voor Zijn geboorte bij de Vader was en één met Hem.
Dat is in het evangelie van Johannes ook zo:
Als Jezus water in wijn verandert, gaat het niet om het wonder als zodanig,
net als de blindgeborene die weer kan zien, waarbij het ook niet om het wonder alleen gaat.
Maar om het werk van Christus dat zichtbaar wordt:
Dat Hij laat zien dat Hij gekomen is om het Koninkrijk van God te brengen,
De wijn die vooruit wijst naar het hemelse feest: de bruiloft van het Lam.
Hoe Jezus gekomen is, om de blindheid, die er vanaf onze geboorte is,
de geestelijke blindheid, waardoor wij God niet kunnen waarnemen, geneest
en ons ogen geeft om God te zien – om God te geloven.
Dat is aanschouwen: in wat je ziet God opmerken, God aan het werk zien.
In je eigen leven, in de kerkdienst,
in het avondmaal: de tafel die er staat,
het brood dat al gesneden is en gebroken gaat worden
de wijn die reeds ingeschonken is en rondgedeeld gaat worden,
Waarin we Christus kunnen zien en horen, die tegen ons zegt: dat heb ik voor jou gedaan.
Blijf niet weg, maar kom, geloof, laat je reinigen van je zonden en laat je sterken in je geloof.

Het spreekt – dat brood en die wijn. Het spreekt van onze Heer.
Het verwoordt Zijn roepstem: Kom!

En waarom je zou komen? Omdat het hier om leven gaat:
Christus die het leven is, die je levend maakt,
Die je het leven geeft, dat je kwijtgeraakt was.
Het leven is geopenbaard – schrijft Johannes.
Dat kun je op twee manieren zien: de komst van Christus, Zijn gang naar het kruis,
Dat Hij daar moest hangen – laat zien hoe het met ons gesteld was.
Stevige woorden gebruikt het formulier daarvoor: zonden en vervloeking,
die we bij onszelf moeten overdenken.
Om ons wakker te schudden
en aan te geven dat we er niet te licht over mogen denken,
moeten beseffen, hoe ernstig te zonde is.
We mogen daar niet voor weg lopen.
Maar er is ook een andere kant: Christus die laat zien, dat Hij het leven is.
Als in de Vroege Kerk er een afbeelding van het kruis was,
dan werd het kruis afgebeeld als een boom,
een boom die altijd groen blijft en vrucht geeft.
Een manier om te laten zien hoe Christus aan het kruis ons leven geeft.
Brood is voedsel – zonder voedsel kun je niet leven.
Honger naar God, Christus.
Wijn is drinken – zonder drinken overleef je het niet.
Dorst naar Christus – Psalm 42: zo verlangt mijn ziel naar U.
U alleen kunt mijn hart vervullen.
Leven – verkrijgbaar, te vinden. Bij Christus, die uit de hemel kwam om dat leven te brengen
en ons te geven.
Omdat wij het leven buiten onszelf zoeken in Jezus Christus.
We hebben het zelf niet – Christus heeft het. En Hij wil het geven.
Alleen dan kunnen we zeggen, dat het goed zit.
Komende week moeten we er weer over nadenken, hoe het met ons zit.
Hebben wij dat leven? Hebben wij dat al aangenomen?
Leven we daar echt uit? Of zijn we het inmiddels kwijt?
Wel met een doel: om bij Christus uit te komen.
Er is van alles dat ons volgende week kan weghouden, uit de kerk, bij de tafel.
Het formulier noemt dat ook – en zegt erbij, dat je daar nooit los van komt.:
de strijd met de zwakheid van ons geloof, begeerten die ons naar de ondergang brengen.
Je hele leven blijf je daarmee te maken hebben
en als dat je criteria zijn, om te bepalen of je naar voren mag komen en mag aangaan,
dan kom je er nooit, want er is nooit een moment dat je geloof perfect is,
dat je zonder zonde bent, op geen enkele verleiding ingaat.
Maar je komt ook niet, omdat je het zelf zo goed doet,
maar je komt, omdat Christus daar is.
Omdat Hij zichzelf geeft. Omdat je niet zonder Hem kunt,
Want je weet: Zonder Hem ben ik verloren.
En ik hoef niet verloren te gaan, want Hij geeft mij het leven  – eeuwig leven.
Hoezeer mijn zwakke geloof mij aanklaagt, en de duivel mij influistert: daar hoor je niet.
Christus roept en spreekt mij aan: Luister, kom!
Wie zijn wij om als Christus roept dat te negeren. Daaraan voorbij te gaan?
Amen