Wat geven we mee aan de volgende generatie?

Wat geven we mee aan de volgende generatie?
Lezing ouderenmiddag 2015

In de ziekteperiode van zijn vader besefte Thomas dat hij maar weinig van zijn vader wist. Nadat zijn vader na een ernstige ziekte weer was opgeknapt, kreeg hij behoefte om meer over zijn vader te weten. Hij vatte het plan op om met zijn vader langs alle belangrijke plekken uit zijn leven te gaan: de straat waar hij geboren was, waar hij opgroeide, naar school ging, waar hij werkte, de kerk. Hij wilde dan zijn vader steeds interviewen over wat die plek voor hem betekende. Het bleef bij een plan, want zijn vader werd opnieuw heel erg ziek en kon hier niet meer aan meewerken.

Dit voorbeeld laat zien dat er bij kinderen en kleinkinderen best behoefte kan zijn om te horen hoe uw leven was. Ik geef dit voorbeeld om nog een andere reden. We leven in een tijd waarin er veel verandert. Dat hoef ik u niet te vertellen. Het leven van uw kinderen en zeker van uw kleinkinderen ziet er heel anders uit dan toen u zelf kind was of een jongvolwassene. Door dat verschil kunt u soms het gevoel hebben: laat ik maar niets vertellen, want het boeit hen toch niet zo. We leven in een tijd die verandert. We zien dat tussen de generaties, maar ook in de samenleving. Doordat op veel plaatsen in ons land de kerk veel leden heeft verloren, zijn er heel wat mensen die niet meer grootgebracht zijn met God, met het verlossend werd door onze Heere Jezus Christus. Het lijkt wel of iedereen zijn eigen waarheid heeft. Dat u dit gelooft, dat mag. Dat wordt meestal wel gerespecteerd. Als iedereen zijn eigen waarheid heeft, Wat geven we dan nog door aan de volgende generatie? Nemen ze dan nog wel wat aan?

Persoonlijk
Ja, als het een waarheid is die u persoonlijk raakt en die waarheid niet alleen maar iets is omdat de andere mensen het van u verwachten. Stel, dat Thomas niet meer naar de kerk zou gaan, dan had zijn vader toch kunnen vertellen over zijn band met de Heere. Door op bepaalde momenten te laten zien wat de band met de Heere voor hem betekent. Bijvoorbeeld door de ouderlingenbank te laten zien,  waar hij al jarenlang ouderling is en dan vertelt waarom hij dat werk deed en wat het voor hem betekende, wat zijn roeping was. Hij had bij het graf van zijn vrouw kunnen vertellen wat de Psalmtekst op de steen voor hem betekende en welke Bijbeltekst voor hemzelf op de steen zou kunnen komen.

Smartphone
Er is een symbool voor alle veranderingen in deze tijd: de smartphone.  Daarmee bedoel ik: aan de hand van de smartphone kunnen we heel wat eigenaardigheden van onze tijd uitleggen. Zo’n smartphone is net als met heel veel technische apparaten, van de koelkast tot de auto en de fiets, van de telefoon tot de radio. Je kunt van tevoren best zonder, maar als je hem eenmaal hebt, gebruik je dat ding zo vaak dat die niet weg te denken is. Via de smartphone houden de kinderen en de kleinkinderen met iedereen contact. Veel jongeren zijn bang om maar iets te missen, want stel je voor dat ze er dan niet meer bij horen. Ze zijn druk in de weer met anderen, wat anderen van hen vinden. Ze zijn ook druk met zichzelf

om aan anderen te laten zien, waar ze geweest zijn. Bij een smartphone zit tegenwoordig een stok: een selfiestick,  zodat je op een afstand een foto van jezelf kunt maken: tijdens Schapenmarkt, voor een beroemd gebouw, naast een bekend persoon. Je zet jezelf op de foto, om aan anderen te laten zien dat je er geweest bent. Als wijze oudere moet u daar wellicht om grinniken of wellicht stoort het u. Maar het is ook een kans. Ik zeg niet dat u uzelf steeds op de foto zet bij alles wat u doet. Dat verwachten uw kleinkinderen ook niet. Wat ze wel verwachten, is dat u iets van uzelf laat zien. Zo’n foto van jezelf maken heeft iets van jezelf laten zien. U kunt dat op een andere manier, veel waardigere manier doen.

U laat iets van uzelf zien door bijvoorbeeld uw Bijbel. Uw Bijbel die altijd binnen handbereik ligt. Bij mijn opa en oma lag de Bijbel op tafel of in ieder geval binnen handbereik. Het kwam voor dat mijn opa midden op de dag in de Bijbel zat te lezen. Toen mijn schoonmoeder overleed kregen wij haar Bijbeltje. Het was het Bijbeltje dat ze overal mee naar toe nam. Naar de kerk, naar het ziekenhuis, als ze weer voor een opname moest. Het was een veelgebruikt Bijbeltje. Dat maakte ons al stil, je merkte, ze leefde met de Bijbel. Ze leefde met de God van de Bijbel, dat was aan de Bijbel te zien. Er zijn ook andere dingen waarmee u iets van uzelf laat zien. Een tegeltje aan de wand, bijvoorbeeld. God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst. Die spreuk hing bij mijn vader in zijn studeerkamer. Elke keer als wij in zijn kamer waren om achter de computer te zijn om een spelletje te doen, zagen we die tekst.

Kennen van de HEERE
Al deze voorbeelden laten zien dat een leven kan spreken. Niet alleen de woorden, maar ook de daden, wat u doet. Door zelf dicht bij de Heere te leven kunt u dat ook aan anderen doorgeven. Dat dat van belang is, zien we in Psalm 78. Waarom is het van belang? Opdat het volgende geslacht weet wie de Heere is, weet wat de bijzondere daden zijn die Hij heeft verricht.
En dan niet alleen als uiterlijke kennis. Iemand kan weten dat God de hemel en de aarde heeft gemaakt, maar als diegene in het dagelijks leven niet gelooft, dat de Heere onze Bewaarder is, dan is het alleen maar kennis van het hoofd en dan zal het ook niet overkomen. Om het geloof in God als schepper over te dragen   – voor zover wij geloof kunnen overdragen – is het van belang om zelf te leven met onze Schepper. Gedenk je Schepper, niet alleen in de jonge jaren, maar ook in de dagen van van zorg en spanning, dat je weet en gelooft dat de Heere draagt en spaart. Dat is geen vanzelfsprekendheid, dat kan een aangevochten geloof zijn. Van u wordt niet gevraagd om een geloofsheld te zijn,

maar gewoon zoals u bent, maar dan wel steeds het zoeken van de Heere.
Vorige week had ik een begrafenis waarbij we het lied zongen:
Hij die rustig en stil
zich steeds voegt naar Zijn wil
Hem in alles vertrouwt en gelooft.

Dit lied zullen de kleinkinderen niet zo gauw kennen, maar de houding kunt u wel voorleven. Die houding kennen ze niet zo goed. Want ze groeien op met de mogelijkheid om te protesteren als ze een andere mening hebben. Wanneer een meester of een juf u verkeerd behandelde dacht u er niet aan om protest aan te tekenen. Zo gebeurde het nu eenmaal, volwassenen hebben gelijk. Daarom is het die vertrouwensvolle overgave aan de Heere misschien ook wel makkelijker – hoewel: niemand geeft zich makkelijk over aan de Heere. Maar aan uw kinderen en kleinkinderen die gewend zijn om toch even er wat van te zeggen als het hen niet zint kunt u voorleven om zo vol overgave aan de Heere te leven en bent u een levend voorbeeld van hoe zo’n overgave moet.

Vreemd
Hoe moet je er dan over praten? Aan het voorbeeld van mijn zwager laat ik zien, dat er bij kinderen of kleinkinderen best behoefte is om te weten hoe het zit. Als u het gevoel hebt dat uw leven zoveel anders is dan uw kinderen of kleinkinderen, laat u zich dan niet afschrikken.Tegenwoordig daagt het vreemde juist uit. Kinderen en kleinkinderen gaan naar andere landen, komen in aanraking met andere culturen en godsdiensten. Het vreemde schrikt niet alleen af, maar daagt ook uit en fascineert. Vertel uw kinderen maar over hoe het was om op te groeien zonder telefoon, zonder elektriciteit, zonder fiets of auto, zonder al te veel geld, hoe een begrafenis ging, hoe het is om te leven zonder vader of moeder. Niet om te pochen, maar gewoon om te laten zien hoe u het beleefde. Op die manier, door bij het gewone te beginnen, went u er aan om iets te delen van uzelf. Dan kunt u later ook gemakkelijker iets delen van uw leven met de Heere. Wat de Heere voor u betekent.

Luister je wel naar mij?
Zitten ze er wel op te wachten? Martine Delfos schreef een boek over praten met kinderen van 4-12 jaar. Luister je wel naar mij? is de titel van het boek. Daarin geeft ze aan, dat kinderen vol vragen zitten en veel willen weten. Ze geeft ook aan dat ouders vaak geen tijd hebben voor de vragen van hun kinderen. opdracht: tijd vrij maken, zodat kinderen met hun vragen kunnen komen (na het Bijbel lezen). In die leeftijd zijn ze leergierig. Juist naar het levens van anderen. En waarom zullen ze niet vol vragen zitten over opa en oma? Ze schreef ook een boek over pubers:  Ik heb ook wat te vertellen! Als u kunt luisteren naar uw kleinkinderen, zullen ze ook graag naar u luisteren. Ze houden ervan als u iets van uzelf laat zien, als u niet alleen maar opa of oma bent, maar hun opa, hun oma die er voor hen is, ook door af en toe wat van zichzelf te laten zien. Daar bent  niet mee opgegroeid. Ervaringen en emoties, dat telde niet, je moet door. Vandaag zijn ervaringen en emoties juist de ingang om iets te vertellen over wat echt van belang is.

Vertrouwen
Bijvoorbeeld over de grote daden van de Heere. Waarom is dat van belang? Zodat ook de volgende generaties leren om hun vertrouwen op de Heere te stellen, zodat ze ook met de Heere leven en ontdekken dat de Heere ook hun God wil zijn en dat het niet alleen fijn is, maar ook noodzakelijk. Ook als kinderen er niet meer in grootgebracht zijn, is het goed om ze op een bescheiden manier te vertellen. Door de Bijbel te gebruiken rond de maaltijden bijvoorbeeld en ruimte te bieden om erover door te praten. Door te laten zien dat die verhalen niet alleen maar verhalen over vroeger zijn maar verhalen die gaan over de Heere over het leven in gehoorzaamheid en afhankelijkheid aan Hem. Verhalen die u met vallen en opstaan probeert toe te passen op Hem. Dat hoeft niet direct resultaat geven, u zaait en de Heere is de Heere van groei en van de oogst, U leeft het voor, u geeft het geloof niet over, dat doet de Heere zelf. Hij gebruikt u wel daarvoor.

Waar zijn de vaders?

Waar zijn de vaders?

‘Ik ben moeder en [beroep]’. Zo stellen vrouwen zich in christelijke kring en in christelijke media voor. Als mannen zichzelf voorstellen, geven ze zelden aan dat ze naast hun functie ook nog vader zijn. Ik ben trots op onze kinderen en hun komst is een grote verrijking voor mijn leven waar ik dankbaar voor ben. Toch presenteer ik mijzelf als vader alleen als het met mijn kinderen te maken heeft: bij activiteiten van school of sport of iets dergelijks.
Over vaderschap denk ik ook niet veel na. Ik doe mijn best om een vader te zijn en ik hoop oprecht dat ik een goede vader ben. Maar erover nadenken en erover lezen, nou nee. Wanneer het vaderschap in christelijke kring gethematiseerd wordt (op mannendagen enzo) kan ik er op het moment dat ik een aankondiging zie er geamuseerd even over nadenken, maar daarna ben ik er niet meer mee bezig.

Waar zijn de vaders? Dat is een vraag die geregeld bij avonden over (geloofs)opvoeding gesteld wordt. Vaders zijn vaak druk met andere verenigingen en activiteiten. Of hebben ze het idee dat hun vrouw die opvoeding beter af gaat?

Vaders denken ook niet zo over hun vader-zijn na. Alleen als het een problematische kant heeft: als een vader te weinig tijd heeft om aan zijn kinderen te besteden of als een vader uit beeld raakt na een echtscheiding van de ouders. Dan wordt er wel over vaderschap nagedacht. De boeken en artikelen over vaderschap hebben dan ook vaak de insteek bij deze twee problemen.
Dat viel mij op, nadat ik voor de moederkring uit onze kerk werd gevraagd om iets te gaan vertellen over het vaderschap. Eigenlijk was het opgegeven thema: Opvoeden doe je samen. Maar in feite betekent dit thema dat ik de moeders van onze kerk vertel hoe hun man als vader is of hoort te zijn. Moederkring: alleen de naam al kan de suggestie wekken dat de opvoeding vooral bij de moeders ligt. En misschien is dat ook wel zo.
In ieder geval wat de literatuur en het onderzoek betreft. Over vaderschap wordt in tegenstelling tot moederschap weinig geschreven. Er wordt weinig onderzoek gedaan naar vaderschap. Sinds enkele jaren is er een bijzonder hoogleraar, die onderzoek doet naar de rol en de pedagogische betekenis van het vaderschap: Renske Keizer. Deze bijzondere leerstoel wordt gefinancieerd door het Vader Kennis Centrum, zover ik kan zien opgekomen uit de problematiek van vaders die na echtscheiding niet of nauwelijks meer betrokken waren bij de opvoeding van hun kinderen.

In christelijke kring is vaderschap wel een item. Maar dan meer op basis van enkele oppervlakkige Bijbelse schetsen of eigen ervaring. In de hele godsdienstpedagogische literatuur komt het vaderschap nauwelijks aan de orde. Misschien heeft dat er mee te maken, dat het gezin als zodanig lang buiten beschouwing gebleven is. Sinds enkele jaren is er vol op aandacht voor de betekenis van geloofsoverdracht van gezinnen. Het enige artikel over vaderschap in de godsdienstpedagogische literatuur kon vinden is van Michael Domsgen, als godsdienstpedagoog voortdurend bezig met de band tussen gezin en kerk.

Ook over man-zijn werd er tot voor kort nauwelijks nagedacht. In ieder geval niet op theologisch gebied. Sinds kort is er enige aandacht voor, onder andere door Reiner Knieling en zijn aandacht voor de relatie tussen mannen en de kerk. Mede op zijn initiatief verschijnt binnenkort een tweede deeltje met bijbelverhalen vanuit mannelijk perspectief gezien.

Waar zijn de vaders? Dat is niet alleen een vraag voor de opvoedingsbijeenkomsten. Dat is ook een vraag aan het materiaal over (geloofs)opvoeding. Dit alles betekent dat het voor de presentatie voor de moederkring vooral pionieren wordt. Hopelijk komt er nog eens wat over en voor vaders …

God in het godsdienstonderwijs

God in het godsdienstonderwijs

In een handleiding voor leraren bij een lesboek over het Thema: God staat: ‘De vraag naar God kan gelden als de kernvraag van elk godsdienstonderwijs.’

Georg Plasger (hoogleraar Systematische theologie) plaatst hier in het Handboek Bijbeldidactiek een kanttekening bij: vanuit Bijbels perspectief gaat het niet op, dat God in het middelpunt staat. Dan zou God slechts een antwoord zijn op een vraag die al eerder is gesteld. In de Bijbel is het andersom: God is Degene die van mensen een antwoord verwacht. God bevraagt de mens.

Gods vrijheid
Vanaf het begin tot het einde van de Bijbel wordt een grote geschiedenis van God verteld: God handelt, regeert, redt. Reeds aan het begin wordt duidelijk dat God handelt. God begint te handelen zonder externe reden: Hij schept de wereld, kiest Israël als Zijn volk, leidt Israël uit de slavernij in Egypte, komt in Zijn Zoon naar deze wereld.
De enige reden voor dit handelen is steeds: omdat God zelf dit wilde. God is niet gedwongen om te handelen. Om in theologische vaktermen te spreken: God handelt in vrijheid. Deze vrijheid is een vrijheid tot handelen (en geen vrijheid als beperking, zoals vrijheid in modernere zin betekent).

Naam
In Exodus 3:14 geeft God een antwoord op de vraag van Mozes naar Gods naam: IK BEN DIE IK BEN (HSV); IK ZAL ER ZIJN (NBV). In het Hebreeuws: JHWH.
Van groot belang is dat hier de naam van God onthuld wordt. Er wordt geen definitie gegeven. De Bijbel gaat ervan uit dat er maar één God is en dat die God deze naam heeft. Het is deze God die als enige te eren en te dienen is.
Vanuit Bijbels perspectief is het onjuist om eerst een (menselijke) definitie of typering van God te bedenken en vervolgens de kenmerken van die ‘god’ op God toe te passen.

Schepper
Deze God kiest Israël als Zijn volk. In het Nieuwe Testament komt de kerk erbij louter en alleen door Gods verkiezend handelen. God is Degene die kiest.
De God die Israël gekozen heeft, is ook de schepper van hemel en aarde. God en mens zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gods handelen stopte niet na de schepping. Na de schepping heeft God de wereld die Hij geschapen had niet losgelaten: vanaf de tijd dat Hij schiep, heeft God is in Zijn zorg met de wereld bemoeit. In theologische termen: God bewaart de schepping. Hij waakt over Zijn schepping.

Het scheppend handelen is niet alleen in het Oude Testament te vinden. Ook in het Nieuwe Testament wordt gesproken over schepping. Aan de ene kant komt Christus naar voren als degene door wie God de wereld geschapen heeft (Jezus Christus als scheppingsmiddelaar, zie Kol. 1:15-20). Aan de andere kant kunnen de wonderen en genezingen van Jezus vanuit de schepping begrepen worden: de schepping is onderdanig aan Jezus en Zijn genezend handelen is een teken van Zijn volmacht en geven aan dat het rijk van God in Hem is aangebroken.

Beelden en beeldverbod
Opvallend is dat de Bijbel vooral over God vertelt. In de Bijbel wordt weinig over Gods ‘zijn’ of ‘wezen’ gespeculeerd. Er wordt vooral verteld hoe Hij door Zijn handelen laat zien wie Hij is. Het Nieuwe Testament volgt dit spoor. In het NT wordt niet gespeculeerd over het ‘zijn’ van Jezus, maar wordt in verhalen verteld hoe Jezus door Zijn handelen laat zien wie Hij is.

In de Bijbel worden veel beelden voor God en Jezus gebruikt: herder (Ps 23), hen (Mt. 23:37), rechter (Ps 7:9), arts (Ex 15:26). Deze beelden laten zien dat God op mensen gericht is. Tegelijkertijd bevat de Bijbel ook een beeldverbod: het 2e gebod van de Tien Geboden. Dit gebod waarschuwt voor het gevaar om God vast te leggen met een bepaald beeld. De begrippen en beelden die voor God gebruikt worden hebben het gevaar van eenzijdigheid in zich en dienen steeds gecorrigeerd te worden door het Bijbelse spreken over God.

God redt
Het is van belang om de concreetheid waarmee de Bijbel over God spreekt niet te verliezen. De rode draad in de Bijbel is het reddend handelen van God. De door God geschapen wereld wordt steeds als een bedreigde wereld getypeerd. Israël wordt bedreigd door vijandelijke buurvolkeren maar vooral door zichzelf.
Ook het Nieuwe Testament laat zien dat mensen bedreigd zijn en nog sterker dan het Oude Testament wordt hier getoond dat de mens door zichzelf wordt bedreigd, omdat hij niet volgens de wil van God en niet in vrede met zichzelf leeft (=zonde).
Typerend voor God is dat Hij zich ontfermt, dat Hij komt om te redden, dat Hij mensen niet aan het verderf overlaat. Zelfs het oordeel is – bij de profeten – een onderdeel van Zijn reddend handelen.

Donkere kanten
En de donkere kanten van God (zie de boeken van Christian Link en Walter Dietrich over De donkere kanten van God). Daarin wordt willekeur en geweld ervaren. Hierbij helpt het ook niet, zoals Luther deed, om een onderscheid te maken tussen de verborgen God (deus absconditus) en de geopenbaarde God. Dit onderscheid roept vragen op: Is Jezus dan de ‘eigenlijke’ God? Heeft de God die wij ervaren en die zich aan ons voordoet ook nog een andere kant? Uiteindelijk is God niet te verklaren.

Drie-enige God
In de Bijbel komen formuleringen tegen die wijzen op een drie-enige God. Een uitgewerkte leer over Gods drie-eenheid kent de Bijbel echter niet. De besluiten die concilies in de Vroege Kerk namen over de drie-eenheid van God en over de verhouding tussen de menselijke en goddelijke natuur in Christus kunnen gezien worden als een commentaar op de Bijbel.

Voor de schrijvers van het Nieuwe Testament is de Schrift niet meer te lezen zonder de ervaring van de gekomen Messias. Daarom is de Zoon van God reeds van eeuwigheid de Zoon van God en niet (op aarde of bij Zijn sterven) tot Zoon gemaakt of geworden. Vanuit christelijk perspectief is de God die in Oude Testament bekend is reeds de drie-enige God. De leer over de drie-enige God integreert verschillende aspecten:

– God is van eeuwigheid reeds een God in relatie
– God heeft de schepping niet nodig gehad om in relatie te leven; toch wilde Hij Zijn schepping
– God verbond Zich onlosmakelijk met Zijn schepping, zodat Zijn schepping niet meer als god-loos te duiden is
– In de Heilige Geest keert God zich tot de individuele mens en tot de kosmos in het geheel

De leer over de drie-enige God is een hulpmiddel bij het begrijpen van de Bijbel. In deze leer gaat het niet om abstracties, maar om de God die zich in reddend handelen tot de wereld wendt en in deze wereld gekomen is.

God in het godsdienstonderwijs
Het Bijbelse getuigenis over God en de vraag van mensen – en ook van kinderen en jongeren – naar God is te onderscheiden.
Kan men in het huidige onderwijs nog veronderstellen dat kinderen en jongeren naar God vragen? Plasger is sceptisch en vraagt zich af of in de toenemend seculiere maatschappij de verlangens over het leven en de vraag naar de zin van het bestaan nog wel met de vraag naar God geïdentificeerd kan worden. Bovendien: doet dat ook wel recht aan de mens die niet naar God vraagt?

Een belangrijk doel van het godsdienstonderwijs is volgens Plasger: vasthouden aan de vreemdheid van de Bijbelteksten en voorkomen dat Bijbelteksten geclaimd worden. De verhalen vertellen ons geschiedenissen en daarin de ene geschiedenis van God met de wereld. De verhalen dagen ons uit om in gesprek te treden met de Bijbelse overlevering.

Basisonderwijs
In het basisonderwijs (Primarstufe) komen volgens de leerplannen vooral de verhalen uit de Bijbel aan de orde. Van belang is het wel om deze verhalen als geschiedenissen over God te begrijpen. De verhalen zijn vaak concreet, maar in de concreetheid ook verhalen over God.

Wanneer het onderwijs erin slaagt dat de kinderen de verhalen waarnemen als een geschiedenis over God en zij leren om de vragen die zij zelf hebben of de vragen die hen aangereikt worden te stellen aan de hand van de in deze geschiedenis geopenbaarde God, zal de vraag naar God steeds concreter worden.
En dat betekent ook dat de vraag naar de – drie-enige – God steeds meer verweven raakt met het leven van de kinderen.

Onderbouw
Ook in de onderbouw van de middelbare school (Sekundarstufe I) is God steeds opnieuw een thema. Vanuit het perspectief van de Bijbel gaat het erom, dat de in de Bijbel specifieke getuigenis over God een stem is die niet in te wisselen is.
Als het godsdienstonderwijs alleen vanuit een godsdienstwetenschappelijke invalshoek (d.w.z. als een neutrale beschouwing over godsdienst) doet geen recht aan het getuigenis van de Bijbel. Daarom is het goed als de Bijbelse stemmen gehoord worden als een uitdaging. Door middel van de Bijbelse stemmen worden de reeds aanwezige godsbeelden die iedereen in de les aan (Bijbelse) kritiek onderworpen.

Besluit
In het godsdienstonderwijs treffen de veelstemmige Bijbelse getuigenissen over God en de situatie van de scholieren met hun op het heden gerichte vragen elkaar. Dat maakt het godsdienstonderwijs zo uitdagend. Deze ontmoeting of confrontatie kent immers twee kanten: om de vraag van de kinderen en jongeren naar God en om Gods vraag aan hen.

N.a.v. Georg Plasger, ‘Gott’, in: Mirjam Zimmermann & Ruben Zimmermann (Hg.), Handbuch Bibeldidaktik (Tübingen: Mohr Siebeck, 2013) 99-106

Een selectie maken uit de Bijbel voor het onderwijs

Een selectie maken uit de Bijbel voor het onderwijs
Een pleidooi voor de ‘canon van de canon’.

big_25433743_0_333-250

De Bijbel is een omvangrijk boek. Te omvangrijk om als geheel in het godsdienstonderwijs aan de orde te komen. Als men de Bijbel in het onderwijs aan de orde wil stellen, zal men dus een selectie moeten maken.

Nu is het godsdienstonderwijs niet het enige die tegen dit probleem aanloopt. Op veel terreinen van de geloofsopvoeding komt men het probleem van de omvang van de Bijbel tegen: van de kinderbijbel tot de Bijbelgedeelten die in de preken aan de orde komen. In de praktijk wordt reeds een selectie gemaakt.

Kinderbijbel
In een kinderbijbel bijvoorbeeld wordt geregeld een selectie gemaakt van verhalen, waarbij bepaalde delen van de Bijbel niet aan de orde komen. Bij het niet-geselecteerde deel gaat het om een omvangrijk deel van de Bijbel: de voorschriften uit de Pentateuch, de profeten, wijsheidsliteratuur en nieuwtestamentische brieven vallen haast altijd buiten de boot.

Redenen
Er zijn verschillende redenen aan te geven, waarom een groot deel van de Bijbel buiten de boot valt:
– een tekst wordt in cognitief of emotioneel opzicht als te moeilijk voor kinderen en jongeren ervaren.
– wat er in een tekst beschreven is, wordt gezien als in tegenspraak met hedendaagse normen en waarden of wetenschappelijke inzichten.
– een tekst roept (te) moeilijke theologische vragen op, zoals de vraag naar God en het lijden.
De andere kant is dat wat er verwoord wordt, voor kinderen en jongeren niet geheel vreemd is.

Selecteren
Om de Bijbel te kunnen gebruiken, moet er een selectie worden gemaakt. Deze selectie dient niet, zoals vaak het geval is bij leerdoelen voor catechese of godsdienstonderwijs of bij het schrijven van kinderbijbels, subjectief en willekeurig te zijn. Een selectie behoort beredeneerd te zijn.
In de discussie van de Bijbeldidactiek zijn de volgende selecties voorgesteld:
– gebaseerd op basisinformatie (Horst Klaus Berg: ‘Grundbescheide’)
– gebaseerd op de basismotieven (Gerd Theiβen)
– gebaseerd op sleutels om de Bijbel te kunnen lezen.
Recent is op deze selecties kritiek gekomen van degenen die zich geïnspireerd weten door de canonieke exegese: deze selecties doen geen recht aan de Bijbelse canon.

Leeftijdspecifiek?
Binnen de Bijbeldidactiek is er vooral veel discussie over de selectie van gedeelten uit het Oude Testament. In de discussie komt men tegengestelde resultaten tegen. Zo kan bij de ene methode het verhaal van Noach gekozen worden vanwege de constructieve betekenis, bij de andere methode juist overgeslagen omdat de betekenis destructief is. In de ene methode geldt het verhaal van Job als geschikt voor kinderen; de andere methode vindt dat kinderen daarbij overvraagd worden.

big_25324840

Canon voor het onderwijs van de Bijbel
Eigenlijk zou er – analoog aan de canon van de geschiedenis – een canon voor het onderwijs van de Bijbel moeten komen. Een bereflecteerde ‘canon binnen de canon’ zogezegd. (Het geheel van de Bijbel heet immers ook ‘canon.) Zo’n ‘canon van de canon’ laat het elementaire van de Bijbel zien en kan door deze selectie en reductie tot het wezenlijke een brug slaan naar de leefwereld van de leerlingen. Dit pleidooi voor de ‘canon van de canon’ sluit aan bij het inmiddels in de Duitse godsdienstpedagogiek niet meer weg te denken principe van de elementarisering.
In die canon’ voor het onderwijs van de Bijbel zouden zowel bekende als onbekende teksten opgenomen moeten worden. Ook voor Bijbelverhalen en Bijbelteksten geldt dat het vreemde meer aantrekkingskracht heeft dan het (over)bekende.

canon

Canon voor de geschiedenis als voorbeeld
Een voorbeeld voor de canon voor het onderwijs van de Bijbel zie ik zelf in de canon voor de geschiedenis. Ook voor de Bijbelse canon zouden 50 vensters opgesteld kunnen worden. Bij die vensters zou aangegeven kunnen worden op welke manier deze thematiek, dit verhaal of deze personen verder in de Bijbel voorkomen. Bij een kenmerkend verhaal wordt een elementaire uitleg gegeven, waarbij uitgelegd wordt op welke manier er een brug geslagen kan worden naar de leefwereld van de kinderen en jongeren. Bij zo’n venster zou ook opgenomen kunnen worden hoe een verhaal, passage of persoon in kunst, literatuur, songs of (andere) media-uitingen aan de orde is gesteld.
De uitgeverij De Lubas heeft naar aanleiding van de canon voor de geschiedenis kinderboeken uitgebracht, die in de tijd van een bepaald venster spelen: de serie Terugblikken. Het zou mooi zijn als zo’n canon voor het onderwijs van de Bijbel een uitdaging voor kinderboekenschrijvers vormt om een verhaal bij een venster te schrijven. Ook zou het mooi zijn als zo’n canon bijdraagt tot een meer evenwichtigere kinderbijbel, waarbij onderbelichte delen van de Bijbel ook aan de orde komen.

N.a.v. Sabine Pemsel – Maier, ‘Der Kanon im Kanon’, in: Mirjam Zimmermann & Ruben Zimmermann (Hg.), Handbuch Bibeldidaktik (Tübingen: Mohr Siebeck, 2013) 91-99.

Kerkpedagogiek

Kerkpedagogiek
In aanraking brengen met het christelijk geloof door het kerkgebouw te laten ervaren

Een kerkgebouw fascineert. Zowel van de buitenkant als van de binnenkant. Zeker een oude, monumentale kerk. In de afgelopen tijd is bij kerken het besef ontstaan dat mensen zich graag laten rondleiden om meer van het gebouw te weten te komen, om de sfeer te proeven of om het effect van het kerkgebouw te ondergaan.

dyn001_original_640_427_jpeg_2546155_82896877c7d6f079dbece222aef25da3

De populariteit van rondleidingen binnen kerken is niet onopgemerkt gebleven. In de afgelopen tijd is er een heuse stroming kerkpedagogiek opgekomen. Dat is een stroming binnen de godsdienstpedagogiek, die uitgaat van de pedagogische kracht van het kerkgebouw. Het belangrijkste kenmerk van deze kerkpedagogiek (of pedagogiek van de kerkruimte) is dat men de bezoekers van het kerkgebouw deze ruimte wil laten ervaren.

Geloof
Het kerkgebouw getuigt in de opbouw, in de ruimte en in het gebruik door de eeuwen heen. Juist het gebouw kan degenen, die niet met het christelijk geloof bekend zijn, in aanraking brengen met kernelementen van het geloof. Door het kerkgebouw te ervaren, kunnen bezoekers ook een idee krijgen van wat het geloof inhoudt. Voor veel van onze tijdgenoten is het kerkgebouw de eerste kennismaking met het christelijk geloof en met de kerk. Het kerkgebouw zelf spreekt van het geloof. Christian Möller schreef eens over de prediking van de stenen.

In de afgelopen jaren zijn enkele publicaties verschenen op het terrein van de kerkpedagogiek:

Symbool voor de onzichtbare kerk
Het eerste boek over kerkpedagogiek verscheen in 1998: de godsdienstpedagoog Jörg Ohlemacher schreef samen met kunstenares Margarete Luise Goecke-Seischab het boek Krichen erkunden – Kirchen erschlieβen. Hierin wordt de lezer door zelf te oefenen ingewijd in de methoden van het ontsluiten van een kerkgebouw en de betekenis ervan.
De auteurs nemen hun uitgangspunt in de symboliek van de kerk. Het zichtbare kerkgebouw is een symbool voor de onzichtbare kerk. De betekenis van de architectuur wordt gekoppeld aan de grote heilshistorische lijnen en aan de Bijbel:

* als afbeelding van het hemelse Jeruzalem
* als een weg die de gelovige voert van het donker naar het licht
* als gebouw dat een eeuwige harmonie van de getallen in de kosmos symboliseert
* als plaats waar het kruis van Christus herinnert aan Zijn lijden en opstanding.

De auteurs laten aan de hand van de verschillende stijlperioden (barok, classicisme, enz) zien hoe men in die tijd geloofde en welke voorstellingen men van God en geloof had. Een kerkgebouw is dan niet zozeer een afbeelding van het hemelse Jeruzalem, maar een afbeelding van hoe mensen in een bepaalde tijd dat hemelse Jeruzalem voorstellen.

250px-05787_Ilpendam_PKN._vm.NHK._15e_Kerkstraat_19_NH._opname_23-08-1997_foto._Alie_Stok-Britting._Krommenie_(8)

‘Bezoek’ aan de Bijbel
Juist de kritische reflectie op hoe men in een bepaalde tijd kijkt, kan een stap zijn om de Bijbel erbij te pakken. De ‘tekst’ van het kerkgebouw kan met de ‘oertekst’ van de Bijbel vergeleken worden. Het kerkgebouw kan leiden tot een instap in bepaalde Bijbelgedeelten. Door het kerkgebouw te laten ervaren, kan men ook bezoekers van een kerkgebouw ook uitdagen om een ‘bezoek’ aan de Bijbel te brengen.

Belangrijke publicaties na dit boek zijn:
– Hartmut Rupp (Hg.), Handbuch der Kirchenpädagogik (2006)
– Birgit Neumann / Antje Rösener, Kirchenpädagogik (2003)
(Zie ook het artikel van Hartmut Rupp, ‘Bibel und Kirchenraum, in: Mirjam Zimmermann / Ruben Zimmermann (Hg.), Handbuch Bibeldidaktik (Tübingen: Mohr Siebeck, 2013) 582-589)

KIA050422_cf30f

Theologische betekenis van de kerkruimte
Binnen de protestantse traditie is nog lang niet iedereen doordrongen van de theologische betekenis van de kerkruimte. In 2002 werd over deze betekenis een bundel Kirchen – Raum – Pädagogik uitgegeven onder redactie van Sigrid Glockzin – Bever en Horst Schwebel. In deze bundel komen veel tegengestelde meningen aan het woord.

Niet heilsnoodzakelijk
In dat boek geeft Horst Schwebel aan dat een kerkgebouw geen theologische betekenis heeft, want een gebouw is niet heilsnoodzakelijk. Volgens hem is een gebouw geen middel dat het heil doorgeeft (medium salutis) en is het gebouw ook niet noodzakelijk voor de verhouding tot God. De betekenis van een gebouw is vooral die er door mensen aangegeven wordt (antropologisch). Kerkpedagogiek is voor hem wel van belang, omdat een gebouw het geloof uit het verleden laat zien en die distantie kan ook voor ons vandaag de dag heilzaam zijn.

watergang_wkansel-01

Sporen
In diezelfde bundel kiest Klaus Raschzok een ander spoor. Hij benadrukt dat de gemeente een gebouw nodig heeft om over een langere tijd de eredienst te kunnen houden. Dan is een kerkgebouw wel degelijk van belang voor de relatie met God. Raschzok gaat nog een stap verder: in een kerkgebouw zijn sporen te vinden van de eredienst, van het gebed en ook van de aanwezigheid van Christus. Hoe nadrukkelijker die sporen aanwezig zijn, hoe meer een gebouw met kracht geladen is.
Deze gedachte roept gelijk een aantal vragen op: om welke kracht gaat het en wat zijn die sporen? Werkt de kracht in het gebouw of in de gemeente die in dit gebouw samenkomt om te bidden, te zingen, de sacramenten te gebruiken? Wat is ervanuit de Bijbel hierover te zeggen?

In ieder geval is het duidelijk dat een kerkpedagogiek op basis van Raschzoks spirituele verstaan van een kerkgebouw er anders uitziet dan een kerkpedagogiek op basis van het antropologische model van Schwebel.

N.a.v. Werner Weiland, ‘… mehr als ein Schweinestall. Kirchenraum und Kirchenpädaogik’, Theologische Beiträge 38/1 (2007) 41-47.

Zie ook: uw kerk vertelt van geloof

De Catechismus voor kinderen

De Catechismus voor kinderen

SONY DSC

De Heidelberger Catechismus heeft eeuwenlang kerken en gelovigen, die deel uit maken van de gereformeerde traditie, beïnvloed. Veel ouderen in Duitsland, Zwitserland en Nederland hebben de vragen en antwoorden uit het hoofd moeten leren. Lange tijd was de tweede kerkdienst op zondag gewijd aan een gedeelte uit de deze catechismus. Kan de Heidelberger Catechismus ook nog aan een nieuwe generatie doorgegeven worden? Of is het onderhand tijd om afscheid te nemen van dit geschrift?

In feite is al in de praktijk op grote schaal afscheid genomen van dit belijdenisgeschrift. In de catechese en het godsdienstonderwijs, in de prediking en in het geleefd geloof van de gemeenteleden speelt de Catechismus zelden nog een rol van betekenis.

zinvol
Toch is het in mijn ogen zinvol om de Heidelberger Catechismus door te geven aan een volgende generatie. Het is heel zinvol om je eigen traditie te kennen, zodat je weet waar je vandaan komt en waar je wortels liggen. Daarnaast is het heel zinvol om je eigen traditie te kennen, zodat je in contact met anderen voor jezelf weet en onder woorden kunt brengen wat je gelooft. Met deze catechismus heb je ook een klein ‘boekje’ dat je kunt gebruiken om het geloof aan je kinderen over te dragen en hen bepaalde onderdelen van het christelijk geloof kunt leren.

bidden_meisje_groot

Manieren
Het doorgeven van de Catechismus kan op verschillende manieren:

(1) In de traditionele verwoording, zoals deze is opgenomen in het psalmboek

(2) een vereenvoudiging die erop gericht is om de begrippen uit de Catechismus te leren begrijpen

(3) een herschrijven van de Catechismus die dezelfde opbouw heeft, maar met een nieuwe formulering van de vragen en de antwoorden

(4) een hele nieuwe catechismus.

De laatste optie, een hele nieuwe catechismus opstellen, is een mooie uitdaging. Vooral als het een catechismus is die kinderen helpt door een antwoord te vinden op de vragen die zij hebben . Of juist door hen het vragen stellen te leren. Een catechismus die de kindertheologie en het theologiseren met kinderen serieus neemt, maar hen ook antwoorden geeft die hen verder in het christelijk geloof inwijden.

Herschrijven
Daarnaast denk ik dat een herschrijven van de Heidelberger Catechismus met dezelfde opbouw en gedachtengang, maar met grondige herformulering ook een grote waarde kan hebben. In die herformulering zouden andere woorden en omschrijvingen voor troost, ellende, rechtvaardiging en misschien ook wel zonde gevonden moeten worden.

De catechismus voor kinderen
Een poging om de Heidelberger Catechismus aan een volgende generatie door te geven is gedaan door prof. dr. W. Verboom: De catechismus voor kinderen (2011). Verboom is een warm pleitbezorger van deze catechismus én is langdurig met de catechese en geloofsoverdracht bezig geweest. Het aardige van deze catechismus voor kinderen is dat het gebruikt kan worden bij gezinsmomenten, zoals na het eten of bij het na bed gaan.

Heidelbergse Catechismus

Begrippenkader
Verboom heeft De catechismus voor kinderen wellicht bedoeld als een poging voor wat ik hier ‘optie 3’ noem: het herschrijven van de Heidelberger Catechismus met het oog op de generatie. In het gebruik valt mij op, dat het boekje eerder een voorbeeld is van ‘optie 2’. Het is in de uitwerking een poging om het begrippenkader van de Catechismus wat uit te leggen.
Dat is jammer, want dat bemoeilijkt de geloofsoverdracht wel. Want daardoor zijn vragen en antwoorden niet altijd direct duidelijk. Hoe moet een kind de vraag opvatten: ‘Wat is je enige troost?’ Zo’n vraag wordt in deze opzet plompverloren gesteld. Is het nog zinvol om vast te houden aan woorden als ellende en middelaar of Woord van God?

Stimuleren
Daarnaast volgt deze opzet de catechismus op de voet en is vooral gericht op het vinden van een juist antwoord. Vragen die er tussen gevoegd zijn om kinderen te stimuleren om zelf met een antwoord te komen, hadden de uitgave verrijkt. Daarnaast zou het ook niet verkeerd zijn om soms het Bijbelgedeelte waar de Catechismus naar verwijst er op een creatieve manier bij te betrekken. Met deze opmerkingen wil ik De catechismus voor kinderen niet afschrijven. Tijdens het gebruik aan tafel word ik als opvoeder mij van mijn taak bewust en denk ik: welke vragen over God, Christus, de Bijbel, het geloof e.d. zou ik aan mijn kinderen willen stellen? En ook: hoe help ik ze een antwoord te vinden op hun eigen vragen?

Catechismus_voor_kinderen

N.a.v. Dr. W. Verboom, De catechismus voor kinderen (Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2011).

Geen zin

Geen zin

DSCN4431

Afgelopen anderhalf jaar zat onze zoon op voetbal. Hij was een keer door een vriendje meegenomen naar een oefenles. Als ouders dachten we dat het geen vaart zou lopen. Toen we hem ophaalden, bleek hij fanatiek meegedaan te hebben en wilde hij niets liever dan op voetbal gaan. Het eerste half jaar was geen probleem: een uurtje op zaterdagmorgen en gratis omdat het kaboutervoetbal was. Aan het einde van het seizoen kregen wij te horen dat hij mee kon doen bij een f-team. Daarop draaide hij een heel jaar mee.

Zijlijn
Je doet daar langs de kant aardig wat mensenkennis op. Daarnaast was het leuk om elke zaterdag mee te gaan naar zijn wedstrijden. Een talent is hij niet. Als statistici zouden uitrekenen hoeveel balcontact hij had, zou het een laag aantal zijn. Scoren deed hij niet. Ook niet in de penaltyserie na afloop van de wedstrijd. Maar elke wedstrijd kon ik wel zien, wat hij op training had geleerd. Tijdens de training leerde hij veel en stak hij veel op. Bovendien ging zijn conditie met sprongen vooruit. En ik genoot ook van het plezier dat hij had.

DSCN4298
(training door soldaten ivm 200jarig bestaan Koninklijke Landmacht)

Maar dat jaar was ook lastiger dan hij van tevoren had bedacht. Want op woensdagmiddag moest hij trainen. Als met een vriendje wilde spelen, moest hij daar dus rekening mee houden. Op vrijdag moest hij op tijd naar bed, omdat hij de volgende morgen vaak vroeg moest spelen. Dit seizoen begon hij te mopperen. Wanneer hij op vrijdag te horen kreeg hoe laat hij de volgende dag moest spelen, riep hij: ‘Nee he, ik heb er geen zin in.’ Maar ’s zaterdagmorgens mopperde hij zelden. Op weg naar het voetbal was hij al volop met het voetballen bezig en tijdens de wedstrijden had hij het duidelijk naar zijn zin.

Stoppen
Aan het einde van het seizoen was het de vraag: gaat hij door of stopt hij? Mijn vrouw was van mening, dat hij moest stoppen want hij voetbalde met tegenzin en dat wilde zij niet. Zelf gaf ik aan dat hij tijdens de zaterdagen juist van het voetbal genoot. Je moest hem alleen op tijd meedelen wanneer hij moest voetballen. Dan kon hij zich erop voorbereiden. Mijn vrouw heeft gewonnen.

Kerkgang
Tijdens dit seizoen heb ik mij geregeld afgevraagd: gaat het met kerkgang ook zo? Dat de kinderen aangeven dat zij geen zin hebben om naar de kerk te gaan? Bij ons wel als ze horen dat ze mee naar de kerk moeten omdat er deze zondag geen zondagschool is. Ik vraag me dan af: Hoe gaat dat in andere gezinnen? Besluiten ouders dan om hun kinderen thuis te houden, omdat ze niet willen dat ze met tegenzin naar de kerk gaan? Nu is een kerkdienst op zondagmorgen een andere belevenis dan een voetbalwedstrijd op zaterdagmorgen. De overeenkomst is dat onze kinderen van tevoren mopperen, maar achteraf best prettig vonden om in de kerk te zijn.

Zwemles
Hij stopte omdat hij op zwemles ging. Maar of dat echt iets verandert? Afgelopen vrijdag haalde ik hem van school. Hij zou die middag naar zwemles moeten gaan, maar de zwemles ging niet door: ‘Gelukkig!’ zei hij, ‘want ik had helemaal geen zin in zwemles.’

Geschreven voor HWConfessioneel