Preek zondagavond 9 april 2017

Preek zondagavond 9 april 2017
Johannes 19:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke keer als ik de verhalen over de kruisiging lees en daarover nadenk,
heb ik het gevoel dat ik heilige grond betreed.
Dan zie ik voor mij hoe de Heere Jezus daar staat voor de hogepriester,
Voor Pilatus voor Herodes.
Het valt mij dan zwaar om er een preek over te maken,
omdat ik dan alleen maar stil zou willen zijn
en willen toezien hoe de Heere Jezus die weg ging.
Het is niet alleen het lijden dat hij ondergaat, niet de pijn van de geseling, van de slagen,
de pijn van de lange doornen die in het hoofd gedrukt worden,
die mij stil doen zijn en mij de woorden ontnemen,
niet alleen de spot, die zo diep in de ziel van Jezus ingesneden moet hebben,
maar vooral het besef dat Hij die weg ging voor mij.
En ook het besef dat ik niet helemaal kan doorgronden wat Jezus moest doorstaan,
want omdat Jezus die weg ging naar Golgotha,
omdat Hij het oordeel van God over ons leven op zich nam,
hoef ik dat oordeel zelf niet te dragen.
Ik zou dan stil van verwondering willen zijn,
of iemand willen hebben die het voor mij verwoordt
wat het ontzaglijke is dat daar op die weg naar Golgotha en op Golgotha zelf gebeurde.

Zie de mens, zegt Pilatus.
Wat zien we dan?
Je zou denken een man die ineengekrompen is door de pijn
die de geselslagen op zijn rug hebben aangericht,
met een gepijnigd hoofd door de slagen en de doornenkroon.
Je zou denken dat je een lachwekkende verschijning zou zien,
een parodie op wat een koning is: de mantel die de soldaten om hem hebben gehangen,
De rietstaf in zijn hand.
De doornenkroon, waarschijnlijk een parodie op de goddelijke status die Jezus zou hebben.
Hadden de Joden niet aangegeven dat Jezus zichzelf Gods Zoon had genoemd
en had die opmerking Pilatus geen vrees ingeboezemd?
Met die doornenkroon, die een parodie zijn op de stralen
die goden op een afbeelding hebben, wordt die vrees weggenomen.
Want als je iemand kunt bespotten, geef je aan dat je niet onder de indruk bent,
spot is een vorm van verzet, van je nog niet gewonnen geven.
Zien we een gebroken man, geknakt door de pijn en de spot?
Nee, het is Jezus zelf die naar voren loopt, met de mantel om en de kroon op.
Pilatus kan Jezus willen tonen aan het volk,
maar het Jezus die zelf naar voren komt om zich te laten zien, om zich te tonen.
Heel subtiel legt Johannes, de evangelist, een link met de allereerste keer
dat Jezus in de openbaarheid kwam, toen Hij zich de eerste keer liet zien.
Toen was daar Johannes, die over Jezus zei: Zie, het Lam Gods,
dat de zonden van de wereld wegneemt.
Nu is het Pilatus die ook op Jezus wijst: Zie, de mens.
Voortdurend worden de lezers van het evangelie van Johannes, worden wij,
opgeroepen om Jezus te zien, op te kijken naar Hem
en kijken is bij Johannes altijd geloven in Hem,
die gekomen is vanuit de hemel, God om mens te worden op aarde.
Zie, kijk! Dat is een oproep om actief toe te kijken,
om het op ons te laten inwerken wat we zien
en met de ogen van het geloof te kijken.

Het geloof ziet meer dan Pilatus wil laten zien.
Het geloof ziet hier haar Koning staan
en geloof stoort zich niet aan de doornenkroon en de nepmantel,
omdat ook een echte kroon en een echte mantel nog te weinig is
om de heerschappij van deze Koning uit te drukken,
die niet een aards koninkrijk bestuurt, maar koning is van heel de wereld, heel de schepping,
ook over alle machten die er zijn en over de engelen.
Zie de mens, zegt Pilatus.
Ja zegt het geloof, dat we een mens zien,
dat is juist het bijzondere, want we weten dat deze mens hier op aarde kwam,
het Woord van God is vlees geworden en heeft onder ons gewoond
en wij hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid van de Eniggeborene van de Vader.
Hier, Pilatus, laat je zonder dat je het doorhebt, die heerlijkheid zien.
Want die heerlijkheid wordt niet zichtbaar in een kroon, een scepter, een mantel,
wordt niet zichtbaar in de macht die je hier op aarde hebt,
maar wordt juist zichtbaar in die doornenkroon, in die mantel die de spot wil aangeven.
Wordt straks nog het meest zichtbaar als op Golgotha een kruis staat opgericht
en daar deze Koning gehangen wordt voor het oog van heel de wereld.
Deze Koning zal vanaf het kruis Zijn heerlijkheid laten zien.
Pilatus, hoe je deze Koning ook wilt bespotten, je krijgt Hem niet klein.

Pilatus heeft een doel om Jezus op deze manier te laten zien.
Een beroep op het volk om Jezus vrij te laten.
Is Hij al niet genoeg gestraft met de geseling en die doornenkroon, met die bespotting?
Is deze vernedering, waarin al Zijn eer is weggenomen, niet genoeg straf,
om Hem de rest van Zijn leven te laten weten dat Hij geen pretenties meer moet hebben
om zich als koning van de Joden op te werpen.
Pilatus wil medelijden met deze Jezus, die zo te kijk staat.
Het geloof wil geen medelijden voelen,
want het geloof ziet hoe haar Koning deze stap naar voren zet
en daarmee aangeeft: Hier ben Ik, om Uw wil te doen.
Het geloof herinnert de woorden die Christus al eerder gesproken heeft,
dat een echte herder bereid is om Zijn te sterven voor Zijn schapen.
Het geloof ziet niet alleen haar Koning, maar ook haar Herder,
de goede Herder, die bereid is om een lam te worden,
het lam van God, zoals Johannes de Doper Jezus al aankondigde.
Het geloof weet dat deze dag, waarop Jezus getoond wordt door Pilatus en zichzelf toont,
niet zomaar een dag is, maar de dag is waarop het Paaslam wordt uitgekozen en geslacht
en het weet dat vandaag de uitspraak van Johannes:
Zie het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt
een bijzondere betekenis krijgt, want het is vandaag de dag van dit Lam,
Christus die het Lam Gods is, dat zal sterven op de dag waarop het paaslam wordt geslacht.
Zie de mens, zegt Pilatus,
maar het geloof ziet meer dan een mens, meer dan een koning,
en herinnert zich de woorden van Abraham aan zijn zoon Izaak
op de dag dat hij zijn zoon Izaak moest offeren: dat God zelf in een lam zal voorzien.
Hier ziet het geloof dat lam gekomen, dat het offer van God zal zijn.

Hoe zie je dat dan, als je Jezus zo wel wilt zien, maar nog niet ziet?
Johannes vertelt ons daarom de verhalen, zodat als wij die verhalen horen
Jezus zien als degene die op aarde kwam, de koning, die mens werd en een lam,
zodat we gaan geloven
en wanneer we Jezus getoond zien, buigen voor Hem en zeggen:
U wordt hier getoond als Koning, U bent ook mijn Koning,
U wordt hier bespot en als ik niet zou geloven, zou ik meedoen in die spot
U wordt hier getoond als een koning die een lam wil zijn,
ik mag zien hoe U uw leven wilde geven, ook voor mij
Op Golgotha – als het lam van God dat ook mijn zonden weggedragen heeft.

Wanneer je die ogen van het geloof niet hebt, dan kun je Jezus zo niet zien.
Dan zie je Hem als iemand met een gevaarlijke pretentie,
iemand die onrust veroorzaakt en het zwijgen opgelegd wordt,
of als iemand die een pretentie heeft die ongepast is,
omdat Hij zichzelf aan God gelijk maakt, een godslastering die niet ongestraft mag blijven.
De mensen die voor Pilatus staan, zij moeten niets van Jezus hebben,
zij voelen geen mededogen en willen die ook niet voor Jezus tonen.
Het zijn Joden, schrijft Johannes.
Nu kunnen wij daar gevaarlijk mee aan de haal gaan
en de schuld aan de Joden toeschuiven, omdat zij Jezus hebben gekruisigd.
Ik denk niet dat Johannes dit aan ons doorgeeft, om ons beter te voelen,
alsof wij Jezus beter ingeschat zouden hebben
en wil in Hem geloofd zouden hebben, als wij daar hadden gestaan.
Het zijn niet alleen de Joden die Jezus hebben gekruisigd,
ook de Romeinen hebben hun aandeel
En als Johannes het toont dat de Joden riepen om de kruisiging van Jezus
om daarmee een boodschap door te geven, zou het zijn dat niemand van de mensen
zat te wachten op deze Koning die ook een lam wilde zijn,
op deze koning die zijn leven wilde geven voor de zijnen.
Hij kwam tot de zijnen, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen,
schrijft Johannes in het begin.

Het moet hem pijn gedaan hebben, dat zijn eigen volksgenoten niet in Jezus geloofden.
Johannes die zelf Jood was en wil geloofde, omdat zijn ogen open gegaan zijn
en nu niet anders meer dan met de ogen van geloof kan kijken.
Voor dr. Henk Vreekamp was dat een serieuze vraag,
waarmee hij een groot deel van zijn leven geworsteld heeft:
Het nee van het Joodse volk, van Gods volk, dat moeten we serieus nemen.
Blijkbaar past dat in de weg die God gaat met deze wereld en Zijn eigen volk,
dat Hij niet geloofd wordt, dat Hij aan de kant geschoven wordt
en dat als Hij zelf op aarde komt, dat Hij niet direct op geloof kan rekenen,
maar dat er geroepen wordt om een kruisiging.

Zie de mens, zegt Pilatus,
maar het volk roept dat ze deze Koning niet willen
en ze betuigen hun loyaliteit aan de keizer in Rome
waarmee ze ten diepste aangeven dat ze afscheid nemen van de Heere als hun koning.
Met Jezus verwerpen ze God als koning.
Dat moet ons bescheiden maken – ook wij kunnen God als onze koning verwerpen.
Het zegt vooral iets over God.
Zie de mens, zegt Pilatus.
Bij de Schriftgeleerden en de hogepriesters die voor Pilatus stonden,
had een bel kunnen rinkelen,
Want in hun eigen Schrift wordt er ook op deze manier een koning getoond,
als God Saul aan Samuël toont, Saul een bijzondere koning, want de eerste,
maar niet het voorbeeld van de goede koning,
een koning die uiteindelijk door God verworpen wordt.
Deze koning, Jezus, wordt Hij ook door God verworpen?
OF menen zij dat zij alvast het vonnis over deze koning moeten vellen – in Gods naam.

Kruisig Hem

(slot van de preek niet digitaal beschikbaar)

Preek Tweede Paasdag 2017

Preek Tweede Paasdag 2017
Johannes 20:11-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Maria blijft bij het graf.
Dat geeft aan dat zij niet van het graf kan loskomen,
ook al is Jezus daar niet meer te vinden, omdat Hij is opgestaan.
Zij mist haar Heer op een dubbele manier: eerst is Hij gestorven
en nu is Hij ook nog eens van haar weggenomen.
Ze zoekt het lege graf nog eens op, het laatste spoor dat ze van haar Heer had,
in de hoop toch nog iets van Hem op het spoor te komen.
Ze draalt daar rond bij het graf. Ze kan de moed niet vinden het graf te betreden.
Ze blijft daar buiten bij het graf staan.
Nu is er een uitspraak van Christus, die in het Johannesevangelie is opgenomen:

Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.
Wie naar Mij op zoek is, zegt de Heere Jezus, zal zeker niet door Mij buiten gezet worden.
Het verhaal van Maria Magdalena gaat daarom over het opgenomen worden
in de gemeenschap van Christus, over het weer vinden van Christus.
En het bijzondere bij Maria is dat hoe dieper zij in haar wanhoop en verdriet komt,
hoe dichter zij bij Christus uitkomt.
Dat is bemoedigend, want het verhaal van Maria Magdalena laat zien
dat op het moment dat wij Christus het meest kwijt zijn, Hij juist kan komen in ons leven
om ons op te zoeken en ons op te nemen in Zijn gemeenschap.
Haar weg begint buiten bij het graf en ze zal eindigen met een ontmoeting met de Heer zelf.

Buiten bij het graf is ze in verdriet.
Ze huilt. Dat is in de Bijbel niet alleen een emotionele reactie,
huilen is aanklampen bij God en je nood bij God brengen
in de hoop dat Hij je kan bijstaan en kan redden.
Er is er maar Eén die je nu nog kan helpen en dat is de eeuwige God.
Terwijl ze zich aan God vastklampt, heeft ze niet door dat God haar al geholpen heeft.
Haar wanhoop en teleurstelling is nog te groot
om te kunnen zien wat God reeds heeft gedaan.
Ze betreedt het graf in de hoop wat aanknopingspunten te vinden
die haar iets kunnen helpen over bij het op het spoor komen van de vermiste Jezus.
Zonder dat zij het weet, is haar afdalen in het graf,
voor haar gevoel een neerwaartse gang, dieper de put in, de weg om Hem te vinden.

Als Maria het graf binnentreedt, ziet ze weer iets anders dan de twee leerlingen zagen.
Ze ziet niet meer de doeken liggen die aangaven waar het lichaam van Christus lag,
maar nu zijn het engelen, boodschappers van God, die naar de aarde gekomen zijn
om goed nieuws te vertellen.
Het lichaam van Christus is weg en de plek is ingenomen door engelen,
die met hun witte kleren aangeven dat zij uit de hemel gekomen zijn, gestuurd door God zelf.
Deze boodschappers hebben alleen maar een vraag voor haar.
‘Maria, waarom huil je?’
‘Maria, waarom klaag je je nood bij God?’
Normaal gesproken wordt in de Bijbel de klacht van een gelovige serieus genomen.
God laat geen bidder staan!
Maar hier op deze plaats, waar een groot wonder is gebeurd,
waarin God reeds heeft ingegrepen en Jezus uit het rijk van de dood tevoorschijn trad,
is er geen enkele reden om te treuren, om te klagen.
Maria treurt waar de hemel open is en het graf is opengebroken en de dood verslagen.
Daarom vragen de engelen waar ze huilt, waarom ze haar nood klaagt bij God:
‘Maria, waarom huil je?’
‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem neergelegd hebben.’
In de christelijke traditie wordt gesproken over traagheid als zonde:
dat wil zeggen – lang tijd nodig hebben om te geloven wat God doet,
achterblijven en niet mee kunnen komen, terwijl God Zijn grote daden laat zien.
Geen oog hebben voor het handelen van God,
omdat dat niet past in je ervaring, in wat je meemaakt, in je manier van denken.
Traagheid is eigenlijk een onbewuste manier om God buiten je eigen werkelijkheid te plaatsen.
‘Ze hebben mijn Heer weggehaald.’
Ze – terwijl het hier over een daad van God gaat, maar Maria herkent de hand van God niet.

Zonder dat ze het doorheeft, wordt Maria door de vraag van de engelen in beweging gezet.
Terwijl ze onder woorden brengt waarom ze haar nood bij God klaagt,
draait ze zich om.
Maria wendt zich af van de engelen en van het lege graf,
alsof ze niet geconfronteerd wil worden met de leegte van het graf,
omdat daar het gemis van haar Heer zo duidelijk zichtbaar wordt.
Maria draait zich om, omdat ze die witte kleren van de engelen niet kan verdragen.
Maar juist als ze zich afwendt, is daar haar Heer.
‘Ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.’
Maar Jezus, Hij is niet neergelegd, Hij staat, als teken van de overwinning die Hij behaalde,
Jezus Christus, triomfator, mijn verlosser, middelaar.
Ze ziet hem staan, ze zou Hem kunnen waarnemen, als de Overwinnaar, de Opgestane.
Maar ook hier die traagheid van haar ogen, van haar denken.
Ze ziet wel de feiten, maar ze ziet niet in wat er werkelijk is gebeurd.
Dan spreekt Jezus haar aan.
Dat is nu het pastoraat van onze Heer, dat Hij ons opzoekt, juist als we het moeilijk hebben
en met ons in gesprek gaat als we Hem niet verwachten,
om door dat gesprek te laten merken dat Hij er is, dat Hij leeft, dat Hij overwonnen heeft.
Opnieuw die vraag: ‘Waarom huil je?’  Maria waarom klaag je juist hier je nood bij God?
Als het al een verwijt zou zijn, is het een verwijt uit liefde, uit bewogenheid,
om haar verder te helpen in de weg van het geloof, om haar uit te dagen
en haar te brengen waar ze Hem kan zien en kan geloven dat Hij is opgestaan.
Daarom een vraag erachter aan: ‘ Wie zoek je?’  ‘ Naar wie ben je op zoek?’

Door deze vraag veert Maria iets op: deze man kan haar verder helpen.
Hij weet waar Jezus is.
De tuinman! De man die verantwoordelijk is voor het hele gebeuren hier!
Dat geeft aan dat de tuin waarin het graf van Jezus een tuin met allure was,
koninklijke status had en het graf van Jezus een monumentaal gebeuren,
waarbij iemand verantwoordelijk is gemaakt voor het beheer.
De tuinman, dat is voor Johannes niet zomaar een vergissing,
maar dat wijst terug naar de allereerste tuin die er was: de hof van Eden.
Bent u verantwoordelijk voor deze tuin?
Als U Hem hebt weggehaald – zeg mij dan waar U Hem gelaten hebt.
Maria is met Jezus in gesprek over Jezus zelf:
heeft Jezus zichzelf weggehaald uit het graf?
Waar is Hij dan achtergelaten? Waar is Hij dan gebleven?
Waar kan ik Hem vinden?

Dan is alleen haar naam genoeg.
Jezus spreekt haar aan bij haar naam:
Hij roept haar, persoonlijk en intiem, maar ook helder en duidelijk.
Zoals Jezus over zichzelf zei:
De herder roept Zijn schapen bij hun naam en leidt hen naar buiten.
Alleen door haar naam te noemen, wordt ze naar buiten geleid,
naar buiten de duisternis die haar gevangen houdt,
buiten het verdriet,
De stem die haar roept bij haar naam wordt herkend.
De Meester! Haar Heer! de Goede Herder!
Ze wordt geroepen –

En of een mens al diep verloren
en ver van U verzworven is,
Gij noemt zijn naam, hij is herboren (…)
Uw woord (…) heeft uit het graf ons opgericht.

Als je wilt weten wat wedergeboorte is, wat het betekent om opnieuw geboren te worden,
dan kunnen we dat hier zien in de reactie van Maria,
Die, als ze haar naam hoort noemen, zich omkeert,
omdat ze de stem herkent. Dat moet Jezus wel zijn.
Ze draait zich nu opnieuw om – merkwaardig eigenlijk,
Want ze was al van het graf afgekeerd en keek Jezus aan
en toch is daar een nieuwe omkering – zo ingrijpend, dat ze uitgeleid wordt,
opnieuw geboren, dat ze bij Jezus komt, omdat Hij haar roept.
Rabbouni, Meester.
In die uitroep klinkt vreugde door, liefde, intimiteit: ik heb U weer gevonden.
U bent er weer!

Zo verrast door vreugde is Maria, ze wil dit nooit meer kwijtraken.
Niet nog een keer Jezus kwijtraken. Hij is nu terug. Dit wil ze vasthouden.
Nee, zegt Jezus – houd me niet vast.
Het is niet meer zoals voor het kruis en voor het graf.
Het is niet meer als vroeger, dit is een nieuwe tijd.
Jezus, die net teruggekeerd is uit het graf, kondigt Maria direct aan
dat Hij opnieuw zal gaan.
Dat zal voor Maria niet eenvoudig geweest zijn:
Jezus teruggevonden en Hem gelijk weer moeten afstaan,
omdat Jezus verder gaat, nu naar Zijn Vader in de hemel.
Dat is Jezus’  weg, want door naar de Vader te gaan
kan Hij er meer bereiken dan Maria alleen.
Kunnen ook wij, nu vandaag de dag Jezus ontmoeten.
Niet alleen als we over Maria horen.
Dat kan ons wel helpen, die verhalen te horen
omdat we dan voor ons zien wat er gebeurt, we staan bij Maria en kijken toe
en zien hoe Jezus met haar bezig is, haar ontmoet en aanspreekt.
Jezus ging naar de Vader, om ook hier vandaag in ons midden te zijn
en om elk moment waarop we Zijn naam uitspreken, met elkaar spreken over Hem.
en als we geen erg hebben in Hem, dan kan Hij onze naam noemen,
ons roepen bij onze naam, zodat wij ook de stem van de goede Herder horen.
Maria, zegt Jezus, houd mij niet vast bij jou.
De tijd is veranderd.
Dat kunnen we ook zien in de manier waarop Jezus over Zijn leerlingen spreekt:
Het zijn niet meer leerlingen, het zijn niet meer vrienden,
maar het zijn broeders, het zijn kinderen geworden van de Vader in de hemel.
omdat er met Goede Vrijdag en Pasen zoveel is veranderd.
Een nieuwe gemeenschap bij het kruis,
een nieuwe gemeenschap – niet bij het lege graf, maar daar waar Jezus’ naam genoemd wordt, waar over Hem verteld wordt, waar van Hem getuigd wordt,
daar sticht Christus zelf gemeenschap, daar spreekt Hij zelf, daar is Hij zelf in het midden.
En Maria, zij mag een apostel zijn, getuige van Jezus
en door haar woorden heen spreekt Jezus de andere leerlingen aan:
Ik heb de Heer gezien!

Zo mogen wij voor elkaar een Maria zijn
naar elkaar toe getuigen: Ik heb de Heer gezien
en de Heer, Hij is dan bij ons, in ons midden
en maakt zelf een gemeenschap van broeders en zusters, die verenigd zijn in Hem,
de levende Heer.
Amen

 

Preek zondagmiddag 26 maart 2017

Preek zondagmiddag 26 maart 2017
Ezechiël 34: 1-12 / Johannes 18:15-40

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat moment waarop Jezus zijn Meester verloochent,
vind ik een van de meest ontroerende en aangrijpende gebeurtenissen uit de Bijbel.
Ontroerend, omdat Petrus zijn Meester niet kan loslaten.
Aangrijpend, omdat als het erop aan komt zijn Meester in de steek laat.
Ik kan dit verhaal niet lezen, zonder het op mijzelf te betrekken.
Ik moet er voor mijzelf wel over nadenken.
Daar is de Bijbel ook voor bedoeld, dat je als gelovige over jezelf nadenkt,
dat er vanuit de Bijbel de vraag naar jezelf toekomt: en ik dan?
Hoe staat het met mij? Wat zou ik hebben gedaan?

Wat ik gedaan zou hebben, dat weet ik niet.
Hoe wij op iets zouden reageren, dat kunnen wij niet weten.
Soms kun je van jezelf versteld staan, dat je iets durft of dat je rustig bent,
terwijl je ervan tevoren tegenop gezien hebt.
Soms kun je helemaal van slag zijn, zonder dat je erop bedacht bent.
We kunnen soms heel anders reageren dan we verwacht hadden.
Ik weet niet of ik het Petrus na had durven doen: achter Jezus aangaan,
ook nadat Hij werd meegenomen door de soldaten en dienaren van de hogepriester.
Want Petrus waagt zich toch wel in het hol van de leeuw.
Hij zoekt het gevaar wel op, terwijl hij net een aanslag heeft gepleegd
op Malchus, de dienaar van de hogepriester, van wie hij het oor afsloeg.
Terwijl de dreiging van een naderende dood al in de lucht hangt,
een grote groep soldaten, dienaren van een hogepriester,
leiders van het volk die al uitgesproken hebben, dat Jezus moest sterven,
één man om een heel volk te redden.
Ondanks alle dreiging gaat Petrus mee met die andere leerling,
die hem toegang biedt tot het huis van de hogepriester.
Ik weet niet of ik dat gedaan zou hebben,
maar ik vind het wel ontroerend wat PEtrus hier doet:
Hij toont zijn verbondenheid met Jezus.
Wat jullie ook met Jezus willen doen, ik hoor bij Hem,
jullie hebben ook met mij rekening te houden.
Zo had hij dat ook eerder tegen Jezus gezegd: Ik wil voor U door het vuur gaan.
Ik zal alles geven. Ik ben bereid om zelfs voor U te sterven.
Nee, bang was Petrus niet uitgevallen en loyaal is Petrus gebleven
ook nadat Jezus werd meegenomen door die legermacht.
Als geloven betekent bij Jezus horen en met Hem verbonden zijn,
dan laat Petrus zien dat Hij bij Jezus hoort.
Hij zoekt het samenzijn met Jezus weer op.
Maar juist dat breekt hem op, het wordt hem fataal.

Ik denk niet dat deze tragische gebeurtenis uit het leven in de Bijbel is opgenomen
om met de vinger te wijzen naar Petrus
om dan te doen alsof wij, als wij Petrus geweest zouden zijn,
niet in de fout zouden gaan om Jezus te verloochenen.
Ik denk dat veel gelovigen beseffen, dat wat Petrus overkomen is, hen ook kan overkomen.
Tijdens de opleiding kregen wij als studenten bij het vak pastoraat de vraag:
Op welke persoon uit de Bijbel lijk jij het meest?
Er waren er heel wat die zich op Petrus vonden lijken:
Aan de ene kant enthousiasme om over Christus te vertellen,
maar tegelijkertijd ook weten, dat je op een verkeerd moment kun opgeven,
als je wel gevraagd wordt om Jezus te belijden
Dat je dan kunt zeggen: Ik hoor niet bij Hem.
Als het verhaal in de Bijbel is opgenomen om iets te leren,
is dat de Bijbel geen gelovigen kent, die boven een ander uitstijgen,
die op een perfecte manier Jezus volgen.
Dat is aan de ene kant een geruststelling:
zelfs Petrus zat er op een afschuwelijke manier naast.
Nou, als zelfs Petrus mis kan zitten, dan is er voor mij ook hoop,
ik die ook zo vaak faal.
Toch is het ook een waarschuwing: dat wat Petrus overkwam,
kan ook mij overkomen, dat ik te weinig geloof heb om het met Jezus vol te houden.
Ook al begin ik vol goede moed en zet ik de eerste stap nog richting Jezus.

Ik denk dat dit verhaal van Petrus in de Bijbel is opgenomen, vooral is
om iets van de Heere Jezus te laten zien.
Dat er in wat er met Petrus gebeurt iets zichtbaar wordt van Christus.
Als Christus wordt ondervraagd door Pilatus en de vraag krijgt of hij een koning is,
geeft Jezus een antwoord: Als ik koning was, hadden mijn dienaren wel voor mij gevochten
Had Petrus dat niet gedaan, toen hij zijn zwaard trok en het oor afsloeg?
Had hij daarmee niet waargemaakt wat hij eerder aangaf
namelijk dat hij bereid was om zijn leven te geven voor Jezus.
Petrus wilde vooral een dienaar van Jezus zijn.
Dat is op zich een mooie invulling van geloof
en wij zouden blij zijn als iemand in de kerk zou aangeven
dat hij Christus wil dienen met alle inzet die hij heeft, voor Jezus wil gaan,
bereid om zich helemaal op te offeren en tot het uiterste in te zetten.
Hij is bereid om te dienen.
Petrus wil alleen niet gediend worden.
Petrus protesteerde toen Jezus hem de voeten wilde wassen:
Ik zou U moeten dienen, U moet mij helemaal niet dienen.
Zou Petrus niet naar het huis van de hogepriester zijn gegaan om Jezus ook daar te dienen.
Er is een uitleg – ik weet niet hoe geloofwaardig die is,
die aangeeft, dat Petrus daar in het huis van de hogepriester gewacht heeft op een teken
van zijn Meester om in actie te komen.
Er wordt geen reden gegeven.
De reden die ik kan bedenken, is dat Petrus naar binnen moest gaan
en dat zijn geloof in Jezus stuk moest breken,
omdat dit de enige manier was om te accepteren
dat Jezus kwam om hém, Petrus, te dienen.
Het is een harde manier geweest, Petrus wordt zijn geloof in Jezus ontnomen,
de Jezus zoals hijzelf Jezus voorgesteld had.
Er moet eerst wat gebeuren, voor Petrus zover komt,
Dat hij kan aanvaarden dat Jezus gekomen is om ook hem te dienen – en niet andersom.
eerst moet er bij Petrus een verkeerd beeld van Jezus uit de weg worden geruimd,
Een beeld waarin hij, Petrus, gelooft, maar niet helemaal klopt.
Petrus heeft het beeld van een koning voor wie gestreden moet worden,
en Petrus ziet zichzelf als verantwoordelijk: hij moet strijden voor Gods zaak.
De verloochening door Petrus werpt niet alleen licht op de zwakte van Petrus,
maar werpt ook licht op wie Christus is en op wat Hij kwam doen op aarde.
Om dat te kunnen zien, moet eerst zijn eigen geloof, zijn eigen band worden afgebroken.
Het geloof van Petrus is nog teveel een geloof van hemzelf,
en zijn beeld van Jezus bestaat eruit dat hij iets moet bijdragen, zich moet inzetten.

Zo’n koning ben Ik niet, zegt Jezus tegen Pilatus.
Ik ben geen koning die mensen aanzet voor mij te strijden.
De mensen die Mij gegeven zijn, zijn geen kanonnenvlees,
die opgeofferd worden voor een hoger ideaal.
Zou Petrus dat gewild hebben: zijn leven inzetten voor een hoger ideaal,
het koninkrijk van Jezus,
waarvoor hij desnoods martelaar wil worden en geëerd met een standbeeld
Als dat koninkrijk eenmaal er is, als martelaar voor de goede zaak geëerd?
Als Jezus koning is, dan niet volgens menselijke maatstaven
als iemand die bezig is met zijn eigen macht,
om die macht te handhaven en uit te bouwen,
om gebruik te maken van mensen die aan je ondergeschikt zijn
of zelfs misbruik, om hen te gebruiken om je eigen naam te vestigen,
je eigen roem en glorie uit te bouwen.
Nee, zegt Jezus, een echte koning is een herder
Een echte herder offert zijn schapen niet op,
maar is bereid om zelf voor zijn schapen te sterven.
Niet Petrus moet voor Jezus sterven, maar Jezus moet voor Petrus sterven.
Was PEtrus nu al die bijzondere handeling van diezelfde avond nog vergeten,
waarbij Jezus opstond, om zijn mantel af te doen
en daarna knielde bij hem en de andere discipelen.
Petrus, jij dient Mij niet, maar Ik dien jou.

PEtrus kan het niet zien.
Petrus volgt zijn eigen Jezus en moet die Jezus opgeven
en ontdekt dat pas als hij de haan hoort kraaien
nadat hij drie keer heeft aangegeven dat hij niet bij deze Jezus hoort.
Petrus moet zijn eigen Jezus opgeven, dat is zijn strijd,
Waardoor hij niet kan zien wie Jezus wel is.
Terwijl Petrus daar struikelt en zich van Jezus verwijdert, wordt Jezus ondervraagd.
Dat gaat samen op. Twee gebeurtenissen op hetzelfde moment.
Petrus die bevraagd wordt en zegt dat hij niet bij Jezus hoort
en Jezus die ook bevraagd wordt.
Jezus wordt bevraagd door de leiders van het volk,
die zich zorgen maken over de invloed van Jezus op het volk.
Jezus wordt aan de tand gevoeld over wat hij vertelde, maar dat niet alleen.
Hij moet ook over zijn discipelen vertellen.
Hij had kunnen vertellen: willen jullie weten wie mijn leerlingen zijn?
Daar beneden is er een, die bezig is om zich van mij te verwijderen,
die mij aan het verloochenen is.
Maar Jezus zegt iets anders, zijn woorden zijn ruim, royaal.
Jullie maken je zorgen over wat Ik verteld heb en over wie Mijn leerlingen zijn?
Iedereen kan Mijn leerling zijn.
Ik heb in het openbaar gesproken, Ik heb het Woord gezaaid
En jullie zullen nog versteld staan hoeveel Ik gezaaid heb,
bij hoevelen die zaden zullen ontkiemen en gaan uitgroeien tot geloof in Mij.
Wat Jezus zegt, lijkt gelijk onderuit gehaald te worden door Petrus.
Daar staat Jezus als een meester zonder enige leerling,
een koning zonder enige onderdaan,
Die grote aantallen die in Hem zullen geloven, die van Hem zijn,
dat is wat we in deze tijd zouden zeggen: nepnieuws. Daar is niets van waar.
Integendeel, degene die Hem nog gevolgd was, zegt dat hij niet bij Jezus hoort.
hij zal er om uitgelachen worden, dat Hij zichzelf als koning heeft uitgegeven.
Is dat, is dat Mijn koning, is dat der vaad’ren wens?

Alleen het geloof ziet in Hem de koning.
Niet een koning, zoals het geloof van Petrus een koning in Hem zag.
Niet het ongeloof van Pilatus, die de bewering dat Jezus koning was, wel komisch vond,
interessant, maar te weinig reden om hem te laten doden.
Jezus zegt nooit voluit dat Hij koning van Israël,
wel dat Hij herder is, de goede herder, maar herder is in de Bijbel een ander beeld voor koning
Koning van heel de wereld, Koning van het universum,
die in Zijn eigen koninkrijk gekomen is, omdat er een andere macht in dat koninkrijk heerst:
de zonde, de duivel – donker is het geworden in Zijn koninkrijk van licht,
een duister waar Zijn onderdanen voor gekozen hebben.
Jezus betreedt de wereld, die Zijn koninkrijk is, maar geregeerd wordt door een andere vorst.
Tegen Nicodemus zei Jezus, dat hij niet gekomen was om de wereld te oordelen.
Daar had Hij wel alle reden toe, maar dan zou het duister voorgoed heersen
en zou de zonde de macht op deze wereld houden.
Hier wordt de koning van heel het heelal, die over alles oordeelt,
zelf aan een oordeel onderworpen, van de hogepriester, van de Romeinse stadhouder.
Jezus kiest om dat oordeel te ondergaan:
om van de waarheid te getuigen, zegt Jezus tegen Pilatus.
De waarheid is de donkerheid op deze wereld, de zelfgekozen nacht.
Als Ik word geoordeeld, zegt Jezus, dan wordt het duidelijk hoe het met de wereld voorstaat.
Een wereld die deze koning niet wil,
maar Gods oordeel is sterker dan de wil van de mensen.
De waarheid is niet alleen de menselijke waarheid van de zelfgekozen duisternis,
maar ook Gods waarheid, dat de zonde wordt veroordeeld,
maar ook wordt weggedragen en verbroken
en dat voor al degenen die aan Jezus zijn gegeven redding mogelijk is en nieuw leven.
Ook voor Petrus, die nu de band met Jezus loslaat,
maar later door Jezus weer wordt opgezocht en geroepen wordt,
opnieuw, als hij opnieuw aan een kolenvuur zit om zich te warmen.
Dan begrijpt Petrus het eindelijk: niet ik moest dienen, maar Hij.
Amen


Preek zondagmorgen 19 februari 2017

Preek zondagmorgen 19 februari 2017
Johannes 5:1-21
Tekst: Maar Jezus antwoordde hun:  Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook (HSV). Mijn Vader werkt aan één stuk door en daarom doe Ik dat ook (NBV).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn studententijd, toen ik nog maar net preekte,
heb ik ooit een kritische reactie van een Jood gehad.
Terwijl bijna alle kerkgangers bij de uitgang zeiden: ‘Mooie preek!’
zei deze man bij het naar buiten gaan:
‘Jullie christenen zijn altijd zo somber, jullie missen de vreugde.
Voor ons Joden is dat, die vreugde, juist de kern van ons geloof.’
Het Joodse geloof is een leven vol vreugde
en het dienen van God is een vreugdevolle aangelegenheid.

Nou ja, zou u u kunnen zeggen, als christen ken ik ook wel vreugde.
Maar is dat dan niet veel meer een innerlijke vrede, die van binnen gevoeld wordt?
Wat die Joodse man bedoelde, was dat die vreugde niet alleen van binnen gevoeld wordt,
maar dat je jezelf onderdompelt in de vreugde van het kennen en dienen van God,
dat die vreugde je meeneemt en doortintelt,
ook in de moeilijke en donkere tijden die het volk van God kent.
Die vreugde wordt dan gevoed door de sabbat en de grote feesten het volk kent,
feesten waarop het Joodse volk viert dat Gods werk altijd doorgaat.
Hij liet dat zien in de uittocht uit Egypte (Pesach),
in Zijn begeleiding van het volk door de woestijn (Loofhuttenfeest).
God zit niet stil in de hemel, maar strijdt steeds weer opnieuw voor Zijn volk
en staat klaar om degenen die Zijn hulp nodig hebben, bij te staan.
Hij, Israëls wachter sluimert niet en slaapt niet.
Bij die feesten wordt daarbij stilgestaan en dat gevierd,
dat God niet met de armen over elkaar zit in de hemel en maar afwacht,
maar actief betrokken is op wat er op de aarde gebeurt – de aarde die Hij schiep.
Door Gods betrokkenheid te vieren wordt, het geloof in God gevoed
en ook de vreugde en is leven een leven met uitbundige vreugde.

De Heere Jezus gaat naar Jeruzalem om zich onder te dompelen in deze feestvreugde,
deze vreugde om Zijn Vader, die altijd bezig is met wat er op aarde gebeurt.
Op naar Jeruzalem, de stad van God, Zijn Vader!
Je zou verwachten dat Hij daar naar toe gaat, om net als Zijn Joodse broeders en zusters,
Zijn Vader te aanbidden in de tempel, het hart van de Joodse godsdienst,
daar waar de offers gebracht worden
en de geur van het verbrande vlees van de offers de geur is van verzoening met God,
de zoetige geur van de wierook, de geur van de gebeden die tot God worden opgezonden
en dat Hij in de geur van wierook en offer wordt meegenomen in de vreugde voor God.
Maar Hij gaat naar een andere plaats, minder uit het centrum, aan de rand,
vlak bij de poort waar een andere geur hangt,
van mensen die langdurig ziek zijn
en voor verzorging en verpleging afhankelijk zijn van anderen,
de geur van mensen die zich lang niet hebben gewassen,
omdat er niemand is die hen wast of misschien zelfs niet eens verschoont,
een plek waar de honderdduizenden die de stad voor God bezoeken niet snel zullen komen,
waar gezonde mensen, die er geen familie of bekende hebben, het niet lang uithouden.
Bethesda, het huis waar zieken zijn opgeborgen,
wachtend op dat ene moment dat er voor hen redding is uit het hopeloze bestaan,
als die engel het water aanraakt en de eerste die het water in gaat genezen wordt
en deze onheilsplek mag verlaten.
Bethesda, het is een plek ver weg van het feestgedruis in de tempel in Jeruzalem
en waar iemand die er voor het eerst komt,
zich afvraagt of het wel waar is, dat God in de hemel niet stil zit
en klaar staat om Zijn volk te helpen.
Want als God bewogen is met Zijn volk,
waarom dan juist niet met deze mensen,
die niet mee kunnen doen met de vreugde in de tempel
en veilig zijn opgeborgen in dit tehuis, zodat de pelgrims die de stad bezoeken
niet worden geconfronteerd met deze ellende.
Als Jezus in Jeruzalem aankomt, gaat Hij niet naar de tempel,
maar naar deze voor veel mensen uitzichtsloze plaats,
waar ze liggen te wachten, op dat voor hen gunstige moment.

We zongen aan het begin van de dienst: Waar Jezus komt, zal de nacht verdwijnen.
Het is de moeite waard om te kijken, waar Jezus komt.
Daar waar de vreugde in ieder geval ver weg is
en waar mensen zich afvragen of God hen niet vergeten is.

Keer eindlijk, Heer’, toch weder;
Mijn ziel buigt zich terneder,
Ai, red haar van ’t verderf.
Sla mijn ellende gade,
Tot roem van Uw genade,
En help mij, eer ik sterf.

Daar komt Jezus aan, in het huis van die wachtende zieken, blinden, kreupelen, verlamden.
Tussen al die mensen die daar lagen, is er één man die door Jezus wordt gezien.
Waarom die ene man en niet al die andere mensen?
Waarom helpt Jezus alleen deze ene man?
Met de genezing van al die andere zieken had Jezus toch duidelijk kunnen maken,
dat God inderdaad werkt en niet met de armen over elkaar, alleen maar zit toe te kijken.
Het is een vraag die gelovigen vandaag de dag ook wel kan bezig houden:
Al die mensen die ziek zijn, hoe zit het daarmee?
Waarom wordt niet iedereen beter? En waarom zijn er zoveel mensen die ziek blijven,
soms wel langdurig, net als deze man die 38 jaar lang daar ligt.
Waarom deze ene man?
Omdat Jezus de wanhoop van deze man ziet.
Mijn Vader werkt altijd en Ik ook, zal Jezus later zeggen.
Hij zit niet stil en heeft Zijn hart niet afgesloten,
maar ziet deze man die daar al 38 jaar lang ligt.
Ik heb me proberen voor te stellen hoe dat is: 38 jaar lang ziek te zijn
en daar maar te liggen.
Ik ben zelf nog geen 38. Dat hoop ik dit jaar te worden.
Ik kan het me ook niet voorstellen, hoe het is om verlamd te zijn.
In mijn vorige gemeente was er iemand, die eerst eenzijdig verlamd was
door een hersenbloeding en van wie later de goede kant nog erger getroffen werd.
Elke keer als ik haar bezocht had in het ziekenhuis,
voelde ik mij zo levendig, was ik bewust van mijn eigen lichaam, van wat ik kon:
opstaan en weglopen, naar buiten de gang op, met de trap naar beneden,
naar buiten, naar de fiets of de auto en dan wegrijden.
38 jaar lang ziek.
Sommigen denken, dat het te maken heeft met de geschiedenis van Israël in de woestijn,
die 40 jaar dat het volk door de woestijn moest trekken en dat dit teken
ook iets zegt over het volk Israël, dat verlamd was en door God genezen wordt.
In het evangelie van Johannes hebben de wonderen van Jezus een bijzondere betekenis,
het zijn nooit zomaar wonderen, Johannes gebruikt dat woord ook niet,
maar tekenen, die ergens naar verwijzen, die verwijzen naar wat Jezus komt doen.
Johannes noemt dit wonder geen teken,
maar naar mijn idee wijst het wel vooruit naar Pasen, naar de opstanding.
Want een man die al 38 jaar verlamd ligt.
Stel dat hij zo geboren is, dan heeft hij geen ander leven gekend,
dan dit liggend leven, altijd afhankelijk van anderen,
met het idee dat hij anderen alleen maar tot last is,
daarin bevestigd doordat hij door iedereen verlaten is.
Of stel dat hij opgroeide als een gezond persoon, maar later dit kreeg,
dan had hij zich in die bijna 4 decennia zich verzoend dat dit het is:
het wordt niet anders.

Jezus komt bij hem en stelt een vraag, die heel pijnlijk en weinig tactvol kan overkomen:
Wil je wel gezond worden?
Aan iemand die al zo lang ligt en geen hulp meer heeft, de vraag stellen
of hij nog wel verlangd naar een ander leven?
Zou hij er nog aan gedacht hebben, dat er een ander leven mogelijk is?
Wil hij het nog wel of heeft hij de hoop opgegeven?
Dit is het geworden, iets anders wordt het niet meer.
Dan die vraag van Jezus: wil je gezond worden? Wil je dat nog wel?
Een leven met een gezond en beweeglijk lichaam is zo onmogelijk geworden,
dat deze man daar niet eens meer over droomt.
De man kan die vraag ook niet horen, want hij geeft er geen antwoord op.
Hij kan alleen nog maar iets van zijn hopeloze situatie laten zien:
Ik heb niemand meer.
Niemand meer uit zijn oude leven als gezond persoon, die wist hoe hij was.
Geen familie meer die hem opzoekt.
Niemand die speciaal voor hem komt,
hem eten komt brengen, hem komt verschonen, hem komt voorlezen of vertellen.
Niemand die hem zal begraven en bij zijn begrafenis iets zal vertellen over hoe hij was.
Vergeten ben ik, als een dode, weg uit het hart,
afgedankt als gebroken aardewerk (Psalm 31:13)

Ik heb niemand meer, die mij helpt: een levende dode.
Deze woorden klinken op een sabbat, de dag van God,
tijdens een feest waarin de naam van de Heere wordt uitgeroepen: Ik ben die Ik ben,
Ik ben julie God, die voor jullie klaarstaat en opkomt,
die van Zich laat horen als jullie tot mij roepen.
Ik heb geen mens, zegt deze man, over God heeft hij het al helemaal niet meer,
een klacht die geuit wordt, maar niet zoals in de Psalmen gebeurt, naar God toe geuit wordt,
maar zomaar, als een opmerking waaruit blijft dat hij alle hoop heeft opgegeven.
Later als Jezus vertelt dat Hij de goede herder is,
en dat de schapen Zijn stem herkennen en opvolgen,
zegt Hij ook: Ik ben gekomen om het leven te geven in al Zijn volheid.
Tegen deze man zegt Hij niets over zichzelf,
ook niet dat Hij dé mens is, zoals Pilatus dat later zal zeggen: Zie de mens!
Ook niet dat Hij het Woord van God, het spreken van God
dat mens geworden is, net zo kwetsbaar en broos als die man die al zo lang ligt.
Alleen maar een opdracht voor de man die zich al die 38 jaar niet heeft kunnen verroeren
en die niemand om zich heen heeft om hem te helpen:
‘Sta op, neem je matras op en wandel.’
Geen aanraking of andere handeling waardoor er kracht overvloeit in die verlamde man.
Alleen enkele woorden, die ongelooflijke woorden: sta op!
Die man die levend dood was, geen hoop meer had: sta op!
Die later van Zichzelf zegt: Ik ben de opstanding en het leven,
Die later zelf opstaat uit de dood deelt Zijn opstandingskracht nu al uit: Sta op!
En om aan te geven dat deze man nooit meer terugkomt, klinkt er een 2e en 3e opdracht:
neem je matras op en ga heen! Je komt hier niet meer terug!
Je bestaan hier is voorbij, een nieuw bestaan, een nieuw leven!

Het is tijdens een feest van de Joden, op een sabbat.
Dat zijn niet zomaar wat losse opmerkingen van de evangelist,
maar geven aan waar het hier om gaat: om God die niet stil zit, maar altijd werkt!
Hij sluimert niet en slaapt niet, de bewaarder van Israël.
Er zit iets uitdagends, iets provocatiefs in die genezing op de sabbat van dat feest.
Je hoort het de Joodse leiders hardop denken:
Na die 38 jaar, had het niet een dag kunnen wachten, tot de sabbat voorbij is?
Maar voor Jezus is dit juist de kern van de sabbat:
dat mensen bevrijd worden van de boeien die hen gevangen houden,
dat ze opstaan uit de dood en van Jezus het leven in alle volheid krijgen,
dat ze erbij stil staan, dat God altijd werkt, altijd bezig is, nooit rust neemt.
En al houden wij geen sabbat: de zondag is daar ook voor bedoeld:
dat je het weet: de week die we begonnen zijn, gaan we in met God die nooit stil zit,
ook voor mij niet en zelfs het meest hopeloze kan veranderen,
zelfs de meest krachtige boeien van ziekte en dood kan verbreken,
op zondag de bevestiging van wat Jezus zegt: Ik werk ook altijd!
Mijn kracht die Ik in de opstanding liet zien,
waarmee Ik boeien van de dood verbrak,
Mijn kracht die ik liet zien op Golgotha
toen de macht van de zonde en de duivel verbroken werden, ze gelden altijd en elke dag.
Net als Mijn Vader werk Ik ook altijd.
We hebben een God die nooit vakantie neemt, nooit een dag vrijaf.

En de rustdag van God dan?
Hij rustte op de 7e dag?
Rusten houdt niet in dat God inactief is, en zich afzondert van de wereld
en er op uit trekt.
Elia zei dat over Baäl, om aan te geven dat de Heere toch echt een andere God is:
misschien is jullie god wel op vakantie of heeft hij zich terug getrokken om te rusten.
God is onvermoeibaar
en je zou kunnen zeggen: rusteloos om ons het goede te geven
en redding te brengen en ons te bewegen tot geloof
En ons geloof te beschermen en te bewaren tegen de aanvallen van de boze.
Wij hebben te rusten om dat te zien, om dat te geloven
en dat geloof te voeden, omdat we anders een week ingaan
en het vergeten dat er een God is die werkt.
Geen wonder dan dat wij als gelovigen dan niet werkelijk de vreugde hebben,
maar een zekere triestheid of wanhoop in ons meedragen,
omdat we dan vergeten dat God altijd werkt.
God breekt altijd de sabbat.
En wat God met de sabbat wilde laten zien,
Wordt voor christenen zichtbaar in Jezus: Hij is de sabbat, de vervulling van de sabbat.
Ook al houden we de sabbat niet meer, omdat we de zondag hebben,
als de dag van de opstanding van Christus, die we dan vieren, elke week weer
om voor onszelf te weten dat ons leven zich afspeelt binnen het bereik van de levende Heer,
vanuit de kracht van Zijn opstanding en de hoop op een nieuw en eeuwig leven.
Daarom moeten we de zondag ook niet teveel losmaken van van de sabbat,
één dag om te weten dat God altijd werkt, om die vreugde te vinden, ook als het tegenzit.
Wanneer je dat niet meer viert, dat God altijd werkt,
dan wordt het een vraag hoe dat zit met mensen die ziek zijn en niet beter worden.
Al die honderden, misschien wel duizenden in Bethesda, die niet genezen werden,
ook voor hen geldt dat God dag en nacht werkt en nooit rust.
Maar dat werken voor hen is niet altijd genezing.
Ook voor degenen die nu vandaag de dag met ziekte te kampen hebben,
of met een beperking, geldt: u bent niet buitengesloten van Gods werken, niet vergeten!
Het kan zijn dat u Gods werken op een andere manier leert kennen
dan wanneer u gezond bent.
Dat u iets merkt van wat de Heere Jezus in Zijn lijden heeft overgehad,
of dat je in de periode van ziekte merkt dat je naar de Heere toe gedreven wordt.
En vaak weten we niet waarom het gebeurt en waarvoor het zo moest zijn
en gaat God een weg, die wij zelf niet gekozen zouden hebben.
Maar we mogen wel weten en geloven,
Dat zelfs in het diepste dal Jezus kan komen: Waar U bent, zal de nacht verdwijnen.
Hoe sterk die nacht ook kan zijn, zoals dat met bijvoorbeeld depressiviteit kan zijn,
en hoe lang die nacht ook kan zijn, waaruit jezelf niet kan opklimmen,
de Heere heeft die macht wel, Hij is sterker dan welke macht ook.
Waarom Hij die macht niet altijd verbreekt, dat weten we niet altijd.
Dat is geen teken van ongeloof, of van te weinig bidden, van vergeten zijn.
Het is onze taak als gelovigen niet om daar een mening over te hebben,
maar om te blijven geloven, dat ook in deze wanhoop Jezus kan komen
en misschien wel gekomen is, maar dan op een niet zo zichtbare en tastbare manier.
Het is onze taak om het uit te houden en uit te zien, om te hopen en te verwachten
Omdat Jezus zegt: Mijn Vader werkt aan één stuk door en Ik doe dat ook!
Al weten wij niet altijd hoe Hij dat doet, wel dat Hij dat doet.

Nooddruftigen vergeet God niet,
Noch laat hen eindloos in ’t verdriet.
’t Ellendig volk mag op Hem wachten;
Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
Amen

Preek zondagmorgen 22 januari 2017

Preek zondagmorgen 22 januari 2017
Schriftlezing: Johannes 1:39-52

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen dinsdag was het televisie-programma,
waarin de doopdienst van november te zien was.
Heeft u gekeken?
Als u niet gekeken hebt,
dan hebt u gemist dat onze gemeente op een mooie en waardige manier te zien was.
Ik vond het bijzonder om zo veel gemeenteleden te zien
en ik voelde tijdens het kijken de verbondenheid met de kerk en de gemeenteleden.
Tijdens het bekijken van die afleveringen dacht ik:
er zullen gemeenteleden zijn die zulke gesprekken hebben,
binnen de familie, met vrienden of collega’s die een heel duidelijke mening hebben.
Die je erop aanspreken: als je gelooft, leg mij dan eens uit
hoe dat zit dat religie voor zoveel problemen kan zorgen,
Zijn we niet beter af als alle religie van deze wereld verdwenen is?

Bij dat woord religie had ik wel mijn vragen.
Kun je wel alle religies op één lijn zetten met elkaar, alsof ze aan elkaar gelijk zijn?
Ik zie mijzelf niet zo als religieus, wel als gelovig,
maar dan omdat ik gegrepen ben door Christus,
omdat Hij in mijn leven gekomen is,
allereerst doordat ik in een gezin geboren werd waar Christus gediend werd,
de doop meekreeg toen ik een maand oud was
en later de verhalen hoorde, mensen had in de kerk, op school die het geloof voorleefden.
Dat je anders kon geloven, zoals in dat programma naar voren kwam
en zoals velen dat meemaken, wist ik eigenlijk niet zo.
Ik wist dat alleen uit verhalen over de zending,
maar dan dan ging het vaak om verhalen over mensen die tot bekering kwamen,
die gingen geloven in de Heere Jezus.
Toen ik aan het einde van de middelbare school kwam,
raakte die vanzelfsprekendheid weg en raakte vooral ook het contact met God weg.
Ik wilde wel geloven, ik deed mijn best er ook voor,
maar het leek wel of de hemel dicht was, God onbereikbaar.
Ik weet niet of deze personen uit het programma die ervaring ook hebben gehad.
Wat mij opviel was dat de meesten heel overtuigd waren.
Ze waren niet echt op zoek
Ze wilden vooral anderen meenemen in wat voor hen van belang was.

In het Bijbelgedeelte dat we hebben gelezen,
zijn de mensen vanuit zichzelf ook niet op zoek.
De twee leerlingen van Johannes hadden het vast prima bij Johannes kunnen uithouden,
maar op het moment dat Johannes hen op de Heere Jezus wijst,
gaan lopen ze Jezus achteraan.
In de woorden van Johannes hebben ze gehoord dat Jezus niet zomaar iemand is.
‘Zie, het lam van God.’
Dat is voor hen genoeg om bij Johannes weg te gaan en met Jezus mee te gaan.
Dan draait Jezus zich om en vraagt aan hen: ‘Wat zoeken jullie?’
Daar waren ze zich misschien helemaal niet van bewust dat ze iets zochten,

dat er in hun leven iets miste dat alleen Hij, Christus, kon geven.
Wat zoeken jullie? die vraag geeft een gemis aan.
Je hebt iets niet en je zou dat graag willen hebben, ook al weet je niet wat.
Het zijn de woorden van Johannes en het contact met Jezus
die deze twee leerlingen van Johannes laten weten: wij zijn op zoek.
Wij wisten dat niet van onszelf, we dachten dat we er waren.

Er was een verhaal dat de doorslag gaf voor ons als kerkenraad
om mee te werken aan de tv-uitzending,
een verhaal dat ik onlangs van ds. Moehn hoorde.
Een vrouw die enige tijd geleden in de week voor Pasen de Stille Week naar de Passion keek.
Ze was niet speciaal op zoek,
maar terwijl ze keek naar een tv-uitzending waarin de weg van Christus naar het kruis
in het heden werd uitgebeeld, met bekende mensen van tv en muziek,
werd ze er door geraakt en wilde er meer voor weten:
als God dit over heeft, als God Zijn Zoon geeft, dan moet ik er meer van weten.
Ze ging op zoek.
Miste ze daarvoor iets? Dat weet ik niet,
maar je kunt het vergelijken met de vraag die Jezus aan de leerlingen van Johannes stelt:
Waar ben je naar op zoek?

Als je leerling van Johannes bent, dan kun je toch niet zeggen
Dat je een leeg leven hebt en dat je onverschillig bent.
De boodschap van Johannes en zijn doop had hen een spiegel voorgehouden:
ons leven zo kan niet meer zo doorgaan, we missen God,
we moeten gedoopt worden, om weer rein te worden, vergeving te krijgen,
alsof we opnieuw worden geboren, weer helemaal opnieuw beginnen.
Dan zegt Johannes tegen hen:
Wat jullie zoeken, kan ik jullie niet geven.
Wie dat wel kan geven – daar loopt Hij! Zie het lam van God!
Zou het voor u duidelijk worden als iemand die naast u staat, zou zeggen:
Kijk eens naar die persoon die daar loopt, dat is het Lam van God.
Door de Bijbel weten we Wie het Lam van God is,
dat Christus het Lam van God is.
Vanmorgen is het mijn taak om u dat aan te wijzen: Zie het Lam van God.
Ja, maar waar moet u dan kijken, zodat u Christus ook ziet?
Hij is toch niet meer zichtbaar, zoals Hij was voor Andreas, voor Petrus, Filippus, Nathanaël.
Zij konden Hem zien, met Hem meelopen, met Hem in gesprek raken.
Als Jezus niet zichtbaar is met onze ogen, is het mogelijk om te zeggen:
het is maar een fabeltje, dat geloof, een verzinsel en je moet er zo snel mogelijk van af.

En dan nog, als je in de kerkdienst bent, dan kunnen je gedachten gaan dwalen
en dan zie je heel andere dingen:
dan zie je wat je in de afgelopen week gedaan hebt, op je werk,
dan zie je jezelf nog zo bezig.
Of je bent bezig met wat er in de afgelopen week tegen je gezegd is,
één bepaalde opmerking, waar je nog boos over bent,
of die je heeft aangegrepen en je probeert na te denken wat je er mee moet.

Of je denkt aan wat er op het nieuws kwam, een nieuwe president in de VS.
Daar kun je onrustig van worden, zoals veel mensen in Nederland en de wereld,
je kunt dat een verademing vinden, zoals een aantal christenen in de VS dat vinden.
Aan de oorlog in Syrië, met de zoveel slachtoffers, of een ander conflict in de wereld.
Soms kunnen je gedachten zo vol zijn met wat je meemaakt en wat je ziet
dat je Christus niet meer kunt zien.

Johannes legt in zijn evangelie geregeld de nadruk op het zien van Jezus.
Hij weet ook wel dat zijn evangelie gelezen zal worden
door mensen die niet meer Jezus niet meer zien rondwandelen op aarde,
die Jezus alleen nog maar kunnen ervaren door hun geloof
en door te geloven dicht bij Hem zijn, met Hem verbonden.
En hoe gaat dat nu dan?
Hoe werkt dat nu? Kan dat ook voor nu gelden, dat je komt komen en kunt zien?
Met de ogen van geloof.
Als je de verhalen leest.
Johannes heeft zijn evangelie zo geschreven dat je in zijn verhaal stapt
en meegaat en Jezus ziet wandelen, dat je met Hem mee zou willen gaan,
terwijl je in je eigen tijd blijft.
Het zien van Jezus dat gebeurt als je leest in de Bijbel
en als je de tijd neemt om erover na te denken
om het op je in te laten werken.
Dat je in de schoenen van deze twee discipelen staat
en dat je het Johannes hoort zeggen: dat is het Lam van God,
niet zomaar een mens, maar Gods Zoon, die gestuurd is om te gaan sterven
als een lam dat zal worden geslacht, om jouw schuld weg te dragen.
We komen ook als gemeente bij elkaar om zo met elkaar de Schrift te openen
Zodat ons geloof gevoed wordt en we Hem met ons oog van het geloof kunnen zien.
We zingen over Hem, we spreken met elkaar over het geloof
en helpen elkaar daarbij Hem te zien: Zie het lam van God!

Het gaat in deze verhalen over meegaan met Jezus, achter Hem aangaan, volgen.
Kom, volg, dat houdt in dat je niet stil kunt zitten,
maar dat je opstaat en dat je meeloopt met Jezus, die wel de richting bepaalt.
Je doet helemaal mee. Niet alleen je innerlijk, gedachten,
maar ook je voeten en je benen, je gaat de kant van Jezus op.
De leerlingen van Johannes doen dat: zo achter Jezus aan.
Het wordt iets blijvends. De hele rest van de dag blijven ze bij Jezus.
Dat is geloof: dat je meegaat en blijft bij Jezus.

Dat gaat niet zomaar: dat meegaan, dat volgen en dat blijven bij Jezus.
Meegaan is al een hele stap.
Kijk maar naar Nathanaël. Die aarzelt.
Mooi is het dat in het evangelie ook de aarzelingen worden benoemd om Jezus te volgen,
want die aarzelingen die kunnen er ook bij ons zijn.
Of heeft u nooit aarzelingen gehad om Jezus te volgen?
Wellicht aarzel je zelf op dit moment wel: ik hoor verhalen over Jezus.
Ik heb liederen over Hem gehoord en ik zit in de kerk – en toch,
ik ben er nog niet over uit.
En dan komt er iemand die enthousiast zegt: We hebben Hem gevonden,
en dan zeg je in jezelf: eerst zien.
Bij Nathanaël is het geen gemakzucht of onwil.
Nathanaël wil zich niet zomaar iets laten aanpraten.
Hij wil niet geloven omdat zijn vrienden dat doen.
Als hij meegaat, moet hij er zelf voor 100% achter staan.
Hij wil zich niets op de mouw spelden.
Je moet er wel wat aan hebben, het moet wel over God gaan,
geen vage flauwe kul, niet zomaar een charismatische persoon die je meesleept.
Maar om het te kunnen beoordelen of het hout snijdt, of het waar is,
moet hij ook zelf eerst komen kijken: kom en zie!
Dan zegt Jezus iets over de houding van Nathanaël: Nathanaël, je hebt de goede houding.
Zo’n discipel kan ik gebruiken, die zich niet zomaar gewonnen geeft,
Want jij bent iemand die, als je gaat geloven, het helemaal zal doen, met volle overgave
en steeds zul je in de Bijbel nalezen of het klopt wat er gebeurt.
Ik zie Nathanaël als iemand die serieus over God nadenkt
en het zich niet makkelijk maakt en het toch nog niet kan opbrengen mee te gaan.
Iemand die de vraag stelt, waarom er nog zoveel leed is,
niet als een goedkope kritiek op religie, maar als een serieuze vraag,
omdat hij lijdt aan het lijden in deze wereld.
Op de kpv-training was er de uitspraak: je kunt lijden als je anderen ziet lijden.
Het kan je aangrijpen als je het zelf goed hebt en er mensen zijn
die het veel slechter hebben, die door niemand geholpen lijken te worden.
Kan die Jezus daar echt iets aan doen?
Lam van God, dat klinkt wel heel kwetsbaar in deze wereld
vol leiders die zich eerder presenteren als een leeuw die brult en verscheurt.
Een verlosser die een nieuwe tijd doet aanbreken?
Wees niet te snel enthousiast en laat je niet te snel meeslepen.
Wat kan een president in een paar jaar voor elkaar krijgen.
Yes, we can, riep Obama 8 jaar geleden en in de afgelopen dagen zei hij: Yes, we did.
Wat kun je als mens nu voor elkaar krijgen?
Wie kan als leider van een wereldmacht nu zomaar zeggen dat hij een instrument van God is?
NAthanaël zal zeggen: wees bescheiden. God gaat Zijn eigen weg
en daar moeten we op vertrouwen. Dat geeft pas echt houvast.
Laat je niet zomaar iets wijsmaken.
Ik zag je al, zegt Jezus tegen Nathanaël.
Ik zag je toen je over al die zaken diep nadacht en er zelf niet uitkwam.
Toen je nadacht over hoe de wereld in elkaar zit
en waarom er zoveel oneerlijkheid is, zoveel onrechtvaardigheid,
zoveel leiders die met zichzelf bezig zijn, zoveel landen die hun eigen belangen nastreven.
Ik zag dat je er niet uitkwam, Nathanaël.
En misschien is dat wel goed, dat je er niet uitkomt, want juist als je er zelf niet uitkomt,
dan moet je wel naar God toe, om het in Gods handen te leggen.
God, het is Uw wereld. (Heer, het is uw kerk, ik ga slapen.)

Dat raakt een snaar bij Nathanaël. Iemand die hem zo door en door kent,
die in zijn ziel kan kijken en die zijn vragen en worstelingen aanvoelt en begrijpt,
dat kan alleen de Zoon van God zijn. Koning van Israël.
Dat is toch een hele belijdenis zou je denken?
Jezus is op zijn beurt weer kritisch.
Laat je op jouw beurt niet zomaar meeslepen, door iemand die bij jou een snaar raakt,
door wie je je gekend voelt.
Dat is een magere basis om op te geloven, dan hangt het wel heel sterk van je geraakt zijn af.
Ga mee en je zult meer zien.
Jezus zegt dat niet alleen tegen Nathanaël, maar tegen ons allemaal.
Er is nog meer te zien, iets groters: dat de hemel geopend is.
Daar heb ik vaak op gehoopt, maar dan als een ervaring, dat ik er iets van merkte.
Jezus zegt: Ik ben dat gat in de hemel, waardoor er vanuit de hemel een ladder komt.
Het is het verhaal van Jacob die moest vluchten voor zijn broer.
En toen hij op de vlucht zijn hoofd neerlegt op de steen,
ziet hij de hemel geopend en een ladder waarop de engelen op en neergaan,
met God in de hemel bovenaan.
Jacob, die alles kwijt was, zijn vader en moeder die hij moest achterlaten,
de veiligheid van de groep, kwetsbaar, alleen, vogelvrij, ervaart: God is op deze plaats.
Ik wist dat niet, maar God liet het me zien. Ik sta er niet alleen voor. De hemel is open.
Jezus zegt tegen ons: ik ben die open hemel, ik ben die ladder,
de verbinding tussen hemel en aarde.

Met onze kerkgebouw hebben we ook een Bethel.
Het kan ook thuis, ergens anders, maar toch een plek om ons er van bewust te zijn,
om in die aanwezigheid van Christus te zijn, te weten, te zien,
dat de hemel open is en dat Christus op aarde kwam,
te zien dat Hij hing aan een kruis, als een lam geslacht, een offer gebracht.
Het is deze week ook actie kerkbalans.
Met onze gaven willen we de Bethels hier in Oldebroek overeind houden,
omdat we weten dat we het nodig hebben, zulke Bethels steeds weer te hebben,
omdat we niet zonder Christus kunnen. Mijn kerk verbindt, is de slogan dit jaar.
Allereerst verbindt Christus: hemel en aarde
en de kerk is de plek waar Christus verbindt: Hij aan ons.
en dat gunnen we ook aan anderen.
Vandaar dat we hebben meegewerkt, in de hoop dat anderen ook zien
wat Andreas, Petrius. Filippus en Nathanaël zagen:
dat Jezus Gods Zoon is die voor hen en ons kwam.
Dat kun je alleen maar zien als je in geloof meegaat: als je komt, als je ziet.
Kom en zie!
Amen
                                                                      

Preek oudejaarsavond 2016

Preek oudejaarsavond 2016
Schriftlezing: Johannes 1:1-18
Tekst: En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond  (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader),  vol van genade en waarheid. (vers 14)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hij heeft onder ons gewoond.
Het zou mooi zijn als we dat over het afgelopen jaar kunnen zeggen:
dat Christus (die hier bedoeld wordt met het Woord) onder ons heeft gewoond.
Dat we hebben gemerkt, dat Hij in ons midden was.
Dat we dat hebben gemerkt in de kerkdiensten die er waren,
waarin de Bijbel mocht open gaat,
waarin gedoopt werd en het avondmaal werd gevierd,
diensten waarin broeders tot ambtsdragers werden bevestigd
en gemeenteleden werden uitgezonden voor hun dienst in het buitenland.
Hij heeft onder ons gewoond.
Het zou mooi zijn als we dat ook kunnen vertellen
over wat er in de gemeente buiten de kerkdiensten om:
op de catechisaties en de clubs, op de bijbelkring,
in de bezoeken die er waren vanuit de gemeente.
Dat we daarin iets merkten dat Christus onder ons woonde.
Dat u bij een huwelijksjubileum dat merkte
en zelfs bij een begrafenis en de tijd na de begrafenis,
dat u merkte dat u niet alleen was,
maar dat Christus er was,
dat Hij onder ons gewoond heeft
zoals Johannes dat zegt in het begin van zijn evangelie:
Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond
en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.

Heeft u dat ook gemerkt, dat Christus als het Woord van God onder ons was
en heeft u ook de heerlijkheid van Christus gezien?
Want als Johannes spreekt over ‘ons’ en ‘wij’
dan bedoelt hij niet alleen zichzelf en de gemeenteleden uit zijn eigen tijd,
maar bedoelt hij alle gelovigen die na Christus leven
en sluit hij er ons hier vandaag in Oldebroek bij in.
Christus heeft onder ons gewoond
en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.
Kunnen we dat ook over het afgelopen jaar zeggen
waarin ook in het wereldgebeuren nogal wat gebeurde?

Of is er in uw eigen leven ook teveel gebeurd
Waardoor u niet merkte dat Christus onder ons was
en dat we Zijn heerlijkheid hebben kunnen zien?
Ook in het afgelopen jaar hebben we geregeld stil gestaan bij iemand uit ons midden
die van ons is heengegaan
en hebben we daar samen met de achtergeblevenen bij stil gestaan
en vanavond hebben we hun namen opnieuw in herinnering gebracht
we hebben hen herdacht voor Gods aangezicht
en degenen die achtergebleven zijn hebben we voor de troon van God gebracht.
Wanneer je dat overkomt, kun je helemaal in beslag genomen worden
door het gemis en het verdriet.
In een aantal gevallen was het overlijden onverwachts,
Waardoor degenen die achterbleven de eerste tijd bezig waren
met de vraag wat er in de afgelopen tijd, voorafgaande aan het overlijden, was gebeurd.
Het kan zo intensief zijn om voor iemand te zorgen
en je kunt zo verslagen zijn door een overlijden, zeker als het onverwachts is
of je handen vol hebben aan het verdriet
dat je er geen oog voor kunt hebben, dat Christus er ook was.
Ik hoop ook dat u of jij, ook als je in het afgelopen jaar een pittig jaar hebt gehad
kunt zeggen: er waren toch momenten dat Hij er was.
Dat Hij onder ons woonde.

Johannes verwoordt de komst van Jezus op aarde op een bijzondere manier:
Het Woord is vlees geworden.
Het Woord, het spreken van God waardoor de wereld ontstond,
Gods machtig spreken dat effect heeft,
dat in het leven roept wat er niet is
en uit de dood kan roepen wat gestorven is.
Het Woord, dat is de zorg en de aandacht God op de aarde
en Zijn handelen waardoor alles geschapen werd
en waardoor Hij de wereld in stand houdt.
Dat spreken van God – voor Johannes is dat een manier om aan te geven
wie Christus was voor Hij mens op aarde werd.
Al voor Hij vlees en bloed werd, was Hij op de aarde gericht
door te spreken, door tot leven te wekken, door aan te spreken.
En toch komt het zover, dat Hij naar de aarde komt om mens te worden.
Op aarde wordt Hij net als wij: Hij wordt van vlees en bloed
en deelt met ons een menselijk lichaam, kwetsbaar en vergankelijk.
Hij door wie als geschapen is, door wie alles geworden is,
wordt zo kwetsbaar als mens dat ook Hij de weg van de dood gaat.
Hij die alles in het leven heeft geroepen, geschapen uit het niets,
begeeft zich op aarde om de weg naar de dood te gaan.
Gods Zoon is op aarde gekomen om die weg te gaan
die wij mensen moeten gaan.
En Hij is er niet voor even geweest,
maar Hij heeft onder ons gewoond.
Het is een bijzonder woord dat Johannes gebruikt voor wonen: tent opslaan.
De Zoon van God, het spreken van God dat ons vlees en bloed wordt,
de Zoon van God heeft op onze aarde Zijn tent opgeslagen.
Daarmee wil Johannes niet zo zeer aangeven dat Jezus maar voor korte tijd wilde blijven
maar dat Hij in een wereld kwam, waar niet direct voor Hem geen plek was.
Zoals Lukas vertelde dat er voor Hem geen plek was in de herberg,
zo geeft Johannes aan dat Jezus zelf Zijn plek op aarde moet creëren.
Christus moet ruimte maken voor Zichzelf en dat doet Hij dan ook.
Misschien moest dat in het afgelopen jaar ook wel in uw leven gebeuren
dat Christus Zijn tent opsloeg, in uw hart
en dat Hij ruimte maakte in uw leven voor ZIchzelf.
Ik was er niet op bedacht, maar het gebeurde.
Ik ging me voor Hem interesseren, Hij begon voor mij te leven
en ik wist het opeens: Hij is ook voor mij op aarde gekomen.

Kunt u ook zeggen dat u, dat jij Zijn heerlijkheid heeft gezien?
Want dat is wat Johannes ook wil aangeven,
dat ook wij, ook al leven wij nu, de heerlijkheid van Christus hebben gezien
en heerlijkheid is dan het kunnen ervaren van God in Zijn grootheid,
de heerlijkheid en de glans van God in de hemel,
waarvan er op aarde iets zichtbaar wordt.
Wij hebben de heerlijkheid van Christus gezien,
de grootheid, waardoor we Zijn hemelse komaf hebben opgemerkt,
die heerlijkheid, die hemelse glans hebben we zelf ook gezien.
Kunt u dat zeggen, dat u Christus op deze manier hebt gezien?

Of zegt u: ik heb wel iets van Christus gezien en ervaren,
maar omdat nu Zijn grootheid heb gezien, was dat maar waar
dan zou het voor mij gemakkelijker zijn om te geloven in Hem
en dan hoefde ik niet te twijfelen.
De heerlijkheid van de eniggeborene van de Vader
– hoe hebben we die heerlijkheid dan kunnen zien,
waarin we konden zien dat Christus de heerlijkheid van Zijn Vader
en Zijn hemelse afkomst als de Zoon van God aan ons  liet zien?

Die grootheid zien we allereerst doordat Hij naar de aarde kwam.
De heerlijkheid die Christus liet zien,
is dat Hij allereerst ons kwam opzoeken, mens werd
uit de hemel op aarde, om uw en jouw bestaan te delen
om te worden net zoals jij en u (zonder de zonde dan).
De heerlijkheid van Christus wordt vooral zichtbaar
op een plaats waarop wij niet snel zullen denken aan Gods heerlijkheid:
op Golgotha, de heuvel bij Jeruzalem waarop het kruis stond opgericht
en Jezus omhoog werd getild en Hij daar hing tussen hemel en aarde.
Dat is de heerlijkheid van Christus die zichtbaar werd,
omdat je daar kunt zien wie God is, ten diepste.
Toen Jezus het uitriep, aan het kruis: het is volbracht.
Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.
Heeft u deze heerlijkheid ook gezien, toen we met elkaar avondmaal vierden
en het niet alleen gezegd werd, maar ook zichtbaar werd gemaakt door brood en wijn,
toen het ook geproefd kon worden door een stukje brood en een slokje wijn:
Het is volbracht – ook voor jou,
tot een volkomen verzoening van al uw zonden.
We hebben het gezien, toen er werd gedoopt
en tegen de kinderen die de doop ontvingen
en tegen ons als gemeente: Christus is gestorven aan het kruis
om ervoor te zorgen, dat ook jouw zonden vergeven kunnen worden.
Hebt u dat ook gezien en geloofd?

Zelfs bij in rouwdiensten en bij het graf hebben we de heerlijkheid van Christus gezien:
Zijn heerlijkheid was dat Hij in de dood ging,  en ook opstond uit de dood.
Aan het graf, waar we een geliefde achterlaten,
mogen we zien op Hem die op aarde kwam om te sterven,
die de weg door de dood heen ging, om een doorgang te maken naar Gods Vaderhuis,
mogen we weten dat Christus de Levende is,
die de dood heeft overwonnen.
Wie in Mij gelooft, die zal leven, ook al is hij gestorven,
dat is de heerlijkheid van Christus die we hebben mogen zien.
Een heerlijkheid die ons deelgenoot wil maken van God,
die ons bij God wil brengen en terugbrengen.
een heerlijkheid vol van genade en waarheid.
Dat is geen heerlijkheid waar we op een afstandje naar staan te kijken,
zoals je vanavond naar het vuurwerk kunt kijken,
je kijkt ernaar, je klapt ervoor, maar dat is het dan.
Nee, het komt naar ons toe om ons erbij te betrekken,
zodat we gaan geloven in Hem en ons geloof sterker wordt
en we ontvangen wat van Hem is.
Ook die genade en die waarheid, die zijn niet om van een afstand te bekijken,
maar komen naar ons toe, komen in ons leven
Genade, dat ook het verkeerde van het afgelopen jaar vergeven wordt,
dat God dat weg doet uit mijn leven.

en verrijken ons leven en wekken het geloof in Christus.
Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, zegt Johannes,
al zijn wij vandaag de dag geen ooggetuigen,
maar wie gelooft mag die heerlijkheid ook zien.
Ik hoop dat u in het afgelopen jaar deze heerlijkheid ook hebt gezien
en dat u bij het afsluiiten van het jaar
en het overdenken van wat er allemaal is gebeurt,
ook dat kunt zeggen:
Ja, Hij was er bij, Christus,
Ik heb Hem gezien, ervaren, heel dicht bij mij,
omdat Hij naar mij toe kwam
in wat er met mij gebeurde of om mij heen.
ik mocht geloven, mijn geloof mocht sterker worden.
Wij hebben zijn heerlijkheid gezien,
daarin spreekt verwondering en dankbaarheid:
Dank u wel Heere Jezus,
dat u naar de aarde wilde komen – ook voor mij.
Dat u ook voor mij aan het kruis ging om te sterven,
dat ook ik mag zeggen: Het is volbracht – niet door mijzelf, maar door Christus,
Hij volbracht het voor mij
en daarom mag ik nu ook bij Hem horen, mag ik ook bij Zijn gemeenschap horen.
Dankbaar ben ik en gelukkig, dat het mij is overkomen,
dat ik Hem mocht zien en ervaren
en nu zou ik niet anders meer willen.
Kunt u zo ook terugkijken, op het jaar 2016,
ook al was het misschien voor u geen gemakkelijk jaar,
dat u toch mag zeggen:
Ja, Hij was erbij,
Christus die in de hemel is, en op aarde kwam,
Hij was er – door de Heilige Geest ook.
Het is waar wat Johannes schrijft: wij – wij hebben zijn heerlijkheid gezien.
Amen

Preek nieuwjaarsmorgen 2017

Preek nieuwjaarsmorgen 2017
Schriftlezing: Johannes :1-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Laten we dit jaar beginnen met Christus.
Want er is toch niemand anders met Wie we het nieuwe jaar kunnen beginnen?
Hij was er al, voordat de wereld geschapen werd.
Alles wat er is, is er door Hem gekomen.
In het begin was het Woord –
met dat Woord wordt Christus bedoeld, voor Hij naar de aarde kwam.
Alle dingen zijn door het Woord gemaakt,
en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is.
Ook deze aarde zijn door het Woord gemaakt, ook de wereld waarin wij leven.
Christus, die hier het Woord genoemd wordt,
omvat de hele geschiedenis die de aarde heeft en zal kennen.
Hij staat aan het begin van de aarde en de geschiedenis,
als Heer, als Schepper
en zal ook in het komende jaar Heer, Schepper zijn.
Alle dingen zijn gemaakt – ook het jaar 2017 is er door Hem.
Anno Domini 2017 – ook het jaar 2017 is het jaar
waarin Christus Heer is, waarin Hij regeert.

Woord – zo wordt Christus hier genoemd,
het woord waardoor God aan het begin heeft gesproken,
het woord waarmee God deze wereld heeft geschapen,
in het leven geroepen, bij name geroepen.
Vanaf het begin heeft God gesproken
en door dat spreken is de wereld ontstaan, geschapen.
God is nooit ophouden te spreken.
Ook in het jaar 2017, hoe dat jaar ook zal zijn, zal God de sprekende God zijn,
die tot ons en tot de wereld spreekt.
Een spreken vol macht, door wegen te openen die er voor ons gevoel niet zijn.
Een spreken dat tot leven kan wekken wat dood is, doen opstaan uit de dood.
Een spreken vol betrokkenheid en liefde,
waarmee God laat weten: ‘Ik laat deze wereld niet los en Ik laat jou niet los,
ook niet in het komende jaar.’
Dat is het houvast waarmee we het komende jaar in kunnen.
Christus die al vanaf het begin van de schepping bezig is met deze wereld,
door Wie deze wereld geworden is,
zal ook in het komende jaar zorg dragen voor deze wereld,
voor u, voor jou, voor mij.
Op de achtergrond speelt niet alleen Genesis 1 mee,
waarin de Bijbel ons meedeelt hoe de wereld is geschapen door Gods spreken,
maar ook Jesaja 55:
Want zoals regen neerdaalt uit de hemel en daarheen niet terugkeert,
maar aarde doorvochtigt en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen
en zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter,
zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat,
het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt.
Ook in 2017 zal het Woord van God niet vruchteloos, zonder effect zijn.
Als het Woord van God, dat niet vruchteloos zal zijn, dat effect zal hebben,
kwam Christus op aarde – om mens te worden – om nog meer effect te hebben:
dat mensen in Hem gaan geloven en het leven vinden.

Dat Christus effect zal hebben, zien we niet altijd
en zullen we ook in het komende jaar niet altijd zien.
Ook in het komende jaar zullen er rampen komen:
natuurrampen, aanslagen misschien ook wel,
of misschien wel afscheid nemen van iemand die ons dierbaar is.
Ook in het komende jaar zullen we berichten horen over christenvervolging.
En ook in het komende jaar zullen we niet alleen horen
over hoe mensen tot geloof komen of een groei in geloof doormaken,
maar zullen we ook horen over ongeloof,
zullen we misschien zelf in eigen kring meemaken
dat je op weerstand kunt stuiten, omdat je gelooft
of wilt praten over God, over Christus.
Als je dat meemaakt, kun je ontmoedigd raken.
Als je hoort van ingrijpende gebeurtenissen,
dan weet je zelf misschien niet eens hoe je moet reageren
en kun je ook nog eens van vrienden of collega’s de vraag krijgen:
‘Jij gelooft in God, toch? Kun jij mij dan vertellen hoe het zit?’
Dan is het niet altijd eenvoudig om te geloven dat in Christus het leven is,
dat Hij het leven brengt,
als je berichten hoort over mensen die omgekomen zijn
en de vraag bij je boven komt, of door anderen gesteld:
Had God dat niet kunnen tegenhouden?
Als Hij alles in Zijn macht heeft, als Hij deze wereld geschapen heeft
en leidt en bestuurt?

Er is op deze wereld een duisternis.

Soms wordt die duisternis zichtbaar in een gruwelijke gebeurtenis,
die nog weken het nieuws beheerst en waar je nog weken van verbijsterd kunt zijn,
Soms wordt die duisternis zichtbaar in het klein, wat meer verborgen:
in een keuze die iemand maakt, die heel nadelig uitpakt voor anderen:
een scheiding, als iemand opgelicht wordt,
als iemand allerlei kwade geruchten over je de wereld in helpt,
waar je jezelf niet tegen kunt wapenen.
Soms merk je de duisternis in je eigen hart en kun je van jezelf schrikken.
duisternis, zegt Johannes, is vooral het tegengestelde van God,
waar God niet wordt geloofd,
waar Zijn stem die tot leven roept, wordt genegeerd,
waar Christus wordt afgewezen.
Het Woord, Jezus, het spreken van God is op aarde gekomen
om hier op aarde het licht te zijn en het licht weer te brengen.
Christus die het leven in zich heeft, eeuwig leven, is gekomen
om weer dat leven te geven aan wie het verloren hebben.
In deze wereld, die door God geschapen is,
maar donker geworden is, omdat het God heeft afgewezen,
is Christus gekomen – om te schijnen.
In een wereld waarin de duisternis soms de macht lijkt te hebben,
is Christus gekomen als het licht.
Zoals bij de schepping God met het licht de duisternis verdreef
en wegbande, geen plek in de goede schepping had,
zo is Christus gekomen, om de duisternis van de zonde, van de dood,
van ziekte en geweld te verdrijven.
Daarom is Christus op aarde gekomen,
om het leven te brengen, leven in verbondenheid met God,
met degene die deze wereld geschapen heeft en bewaart en leidt.
Christus kwam op aarde om de duisternis te verdrijven
en mensen weer terug te brengen.
Het licht schijnt in de duisternis – in deze wereld kwam Christus
om er Zijn Vader te brengen, om te vertellen en te getuigen
en de mensen terug te brengen bij Zijn Vader.
Ook al is Hij weer terug gegaan, Hij is nog steeds het licht dat schijnt,
in een wereld die van God niet wil weten – en ook dat zullen we wellicht in 2017 zien, misschien ook wel heel dichtbij –
kwam Hij om die duisternis van het niet willen weten van God,
het niet willen leven met God te verdrijven.

Dat stuit op weerstand en dat zal op weerstand blijven stuiten.
Maar hoe groot die weerstand ook zal zijn,
het licht van Christus zal niet doven, niet op deze aarde.
Christus zal sterker zijn dan de duisternis,
sterker dan de dood, sterker dan de duivel,
sterker dan iedereen die zich tegen God verzet.
Dat is al vanaf het begin van de wereld zo,
dat God sterker is dan de duisternis.
Toen Hij de hemel en de aarde schiep, maakte Hij scheiding tussen licht en duister.
Voor het duister was er op Zijn wereld geen plek
en mensen waren bedoeld om in Zijn licht te leven.
Ook in de tijd voor de komst van Christus op aarde, was Zijn macht sterker.
Met Christus op aarde was dat nog eens een bevestiging van Zijn macht
en van Zijn wil om mensen te redden van deze duisternis.
God wil deze duisternis op aarde niet.

Sindsdien loopt er een tweedeling door de mensheid:
degenen die van het Licht, van Christus, van Gods uitgestoken reddende hand
niets moeten weten en liever in de duisternis blijven,
die strijden tegen het licht,
maar ook die andere groep: die wel gelooft,
die blij en dankbaar is met het Licht dat voor hen gekomen is,
die merken dat er met hen iets is gebeurt,
waar ze zelf geen vat op hebben,
iets dat hun leven vernieuwt, radicaal vernieuwt,
nog bijzonderder is dan hun geboorte,
een nieuwe geboorte, van boven.
Als u door dit Licht gegrepen bent,
als je gelooft dat je zonder Christus niet meer kunt leven,
dan zegt Johannes: dan heb je een bijzondere volmacht,
een bijzondere toestemming van Christus zelf.
Dan mag je jezelf kind van God noemen,
je bent weer van God geworden, weer kind van de hemelse Vader,
omdat je gelooft dat Christus ook voor jou, voor u gestorven is.
Kun je dat van jezelf dan zeggen?
Nee, dat is niet iets dat je jezelf aanmatigt, maar wat je mag zeggen
op basis van de toestemming van Christus.
Omdat Zijn spreken in je niet zonder effect is gebleven,
omdat Zijn spreken in jou leven heeft gedaan wat God behaagt,
het keert niet zonder vrucht bij God terug.

Of heeft Zijn spreken nog geen gehoor bij je gevonden en roept Hij nog tevergeefs?
Dan is het komende jaar een jaar dat je nog krijgt uit Gods genade,
zodat Hij ook in jouw leven het donker kan verdrijven.
‘Donker in mijn leven? Het is zo donker nog niet in mijn leven’, kan je reactie zijn.
‘Ik red me nu nog prima.’
Maar je mist dan God wel en hoe kan je leven zonder God prima zijn?
Ja, die reactie is mogelijk, dat je ondanks
dat Christus als een licht in je leven schijnt,
je niets met Hem hebt, dat het van je afglijdt.
Het is een van de moeilijke vragen van het geloof:
Als het Woord van God effect heeft, als Christus geloof vindt,
als er mensen zijn die zich kinderen van God noemen, waarom dan niet bij iedereen.
Waarom kan dat afgewezen worden?
Johannes geeft ons moed: laat je niet ontmoedigen.
De duisternis zal het niet winnen, ondanks de tegenstand en het ongeloof
is Christus niet voor niets gekomen.
Hij kwam om op aarde te schijnen.
En Zijn licht schijnt nog steeds.

‘k Heb U altijd van node, dag en nacht,

slechts uw gena verwint des bozen macht.

Wie kan als Gij mijn gids en sterkte zijn?

Blijf bij mij, Heer, in nacht en zonneschijn!

 

Soms meer als gebed:

Houd hoog uw kruis voor mijn verdonk’rend oog,

Licht in de schemer, leid mij naar omhoog!

De morgen daagt, de schaduw gaat voorbij:

in dood en leven, Heer, blijf mij nabij!

Met deze belijdenis en dit gebed gaan we het nieuwe jaar in,
met hoop en geloof, omdat Christus kwam en het liet weten:
Ik ben niet voor niets gekomen.
Ik ben Gods Woord en dat zal doen wat God wil, ook in 2017.
Amen