In de paaspreek ruimte bieden aan de aanvechting?

In de paaspreek ruimte bieden aan de aanvechting?

In het nadenken over het preken met Pasen wordt vaak gesteld, dat in de paaspreek de aanvechting een plaats hoort te krijgen. In de verhalen van Pasen kan toch ook niet iedereen geloven dat Jezus is opgestaan? Tot voor kort ging ik mee in deze gedachte en stond in mijn paaspreken erbij stil dat door het onvoorstelbare van Pasen de opstanding van Christus moeilijk te geloven is.

ANASTASI3

In de laatste jaren kom ik er op terug. Ik ga nu zelfs uit van het tegenovergestelde: in de paaspreek hoort de aanvechting niet thuis. Dat is net zomin gepast als je op de dag waarop je een huwelijksjubileum opbiecht dat er geregeld momenten zijn waarop je de ander niet ziet zitten. Daar zijn andere momenten voor. De aanvechting die er kan zijn, kan in de zes weken van de Veertigdagentijd, de zeven weken van de Lijdenstijd een plaats krijgen. Met Pasen is aanvechting in een preek ongepast.

In de verhalen rondom Pasen komt ook geen aanvechting voor. Wel ongeloof van de vrouwen, de leerlingen, van Thomas en de Emmaüsgangers, die geen rekening hielden met de opstanding. Deze vrouwen en de leerlingen worden dan ook niet getroost of bemoedigd, maar aangesproken, weggeroepen uit het ongeloof. Het is typerend voor onze tijd dat het ongeloof uit de verhalen om Pasen heen afgezwakt wordt tot aanvechting.


b3-64

Mijn vermoeden is dat mijn meeste collega’s hier anders over denken en zullen zeggen dat de aanvechting bedoeld is om de luisteraar op te halen waar hij of zij zit. Maar in mijn optiek gaan we, als we met Pasen de aanvechting een plek te geven in de preek, de aanvechting en de twijfel legitimeren, goed praten. Gaan we de ernst van het ongeloof bagatelliseren. Dat gebeurt naar mijn idee te vaak in deze tijd. Ik geef toe: eerst ging ik er ook in mee, maar ik beschouw het nu als een zorgelijk verschijnsel. Aanvechting een plek geven in de paaspreek zou wel eens net zo goed een vorm van therapeutisering van het geloof kunnen zijn, zoals dat vaker in deze tijd gebeurt.

Wanneer de aanvechting een plek krijgt, omdat de doxologie als preekstijl niet de makkelijkste is, dan kan ik dat nog begrijpen. Zelf vind ik dat niet de makkelijkste preekstijl: de preek vanuit de lofprijzing op God opbouwen, de gemeente daarin meenemen en met elkaar eindigen in die lof op God. Dat geeft aan dat er een kloof is in de gereformeerde spiritualiteit tussen theorie en praktijk. De theorie zegt dat de lof op God het hoogste is. De mens is geschapen om God te eren. De Nederlandse Geloofsbelijdenis begint bijvoorbeeld met een doxologie. Ook het antwoord van zondag 1 is als een doxologie te beschouwen.

Dan is het op zijn minst apart dat juist in de vorm waarin volgens de gereformeerde traditie God tot de gemeente komt, namelijk de preek, de aanvechting gekoesterd wordt. Dan is het op zijn minst apart dat er gepleit wordt om op de dag waarop we zo ongeveer de grootste gebeurtenis uit onze geschiedenis gedenken, pleiten om te benoemen dat dit toch wel erg moeilijk is om te geloven. Hoe komt God dan aan zijn eer?
Aanvechting mag bij Pasen in de preekvoorbereiding. Ik kan me dat goed voorstellen. Maar in de preek met Pasen hoort de aanvechting geen plek te krijgen. Hooguit als overwonnen aanvechting, als twijfel die de mond gesnoerd wordt. Aanvechting kan best op andere zondagen aan de orde komen in de verkondiging, net als de klacht of de waaromvraag. Maar met Pasen niet. Ook in de Paastijd niet, die uitloopt op de Hemelvaart, de troonsbestijging van Christus.
b3-75

Net zoals de Adventsweken en de Lijdenstijd / Veertigdagentijd een oefening zijn in nederigheid, schuld belijden, inkeer, zijn voor mij de weken na Pasen een oefening in de doxologie.  Ik zie het als een gebrek in onze gereformeerde traditie, dat we – naast het zingen – weinig andere vormen van doxologie hebben.

Preek zondag 8 april 2018

Preek zondag 8 april 2018
Kinderdienst. Thema: Groeien & bloeien
Schriftlezing: Johannes 15:1-8. Bijbel in Gewone Taal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De lente is weer begonnen.
De narcissen bloeien volop en de tulpen gaan beginnen
en de bomen beginnen al groene knoppen te krijgen.
Gisteren was het mooi weer:
Je merkte dat bij het voetballen, bij het spelen in de speeltuin, bij buitenspelen.
Als het mooi weer is, kunnen de bloemen gaan bloeien, de bomen weer groen worden.
Dan worden de lammeren geboren en kunnen de koeien naar buiten.
Dat alles groeit en bloeit, dat de lente gekomen is, dat jonge dieren geboren worden,
dat gebeurt niet zomaar, maar dat komt, omdat de Heere God dat laat groeien.
Een paar weken geleden was het nog heel koud.
Er bloeiden hooguit wat krokussen en misschien een eerste narcis.
De bomen waren nog kaal.
Dan kun je je afvragen: komt de lente nog wel?
Ja, natuurlijk komt de lente, want die komt elk jaar
Het lijkt zo gewoon, dat het weer lente wordt,
dat alles weer groen wordt, dat de bloemen gaan bloeien, dat er jonge dieren komen,
maar het is de zorg van God voor de aarde.
Hij heeft de wereld geschapen en Hij zorgt ervoor dat er weer een nieuw seizoen komt.

Vorige week hebben we Pasen gevierd.
Pasen lijkt op de lente: er is weer nieuw leven, omdat Christus opstond uit de dood.
Alleen het verschil is, dat we de lente heel gewoon vinden.
Dat hoort elk jaar zo te zijn
en het verschil is ook dat na de lente de zomer en de herfst komen en alles weer dood gaat.
Maar het nieuwe leven, de lente die Christus bracht
door op te staan uit de dood
gaat nooit voorbij.

Het bijzondere is dat wij dat nieuwe leven ook kunnen krijgen,
dat er voor ons ook dat nieuwe leven kan komen,
waarvoor Christus stierf aan het kruis en opstond uit de dood.
Jezus zegt: Ik ben een stam en jullie zijn takken.
Takken die afgezaagd zijn, die kunnen niet lang meer leven.
Vorig jaar was een grote tak van een kastanjeboom afgezaagd
En daarna bleven de bladeren toch nog even doorgroeien,
maar uiteindelijk gingen de bladeren dood, omdat ze geen voedsel kregen.
Die voeding die ze nodig hebben, krijgt een tak alleen als hij aan de boom vastzit.
Zo kunnen wij alleen dat nieuwe leven krijgen als we aan de Heere Jezus verbonden zijn.

Daar gaat het dus om: ben jij verbonden met de Heere Jezus?
Net zoals een tak aan een boom vastzit.
Als dat zo is, dan kun je leven, dan kun je groeien, dan kunnen er vruchten aan je komen.
Maar als dat niet zo is, als je niet aan de Heere Jezus verbonden bent?
Wat gebeurt er dan?
Dan gebeurt hetzelfde met een tak die van een boom wordt afgehaald.
Die tak gaat dood en aan die tak kunnen er geen vruchten meer komen.
Dat die tak dood gaat, dat die tak geen vrucht kan dragen, ligt niet aan de boom.
Als jij niet aan de Heere Jezus verbonden bent, als een tak aan een boom,
ligt dat niet aan de Heere Jezus:
Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Dat is misschien een gekke vergelijking. Wie vergelijkt zich nu met een stam, een plant?
Nou, in het Oude Testament wordt het volk Israël vaak vergeleken met een druivenplant,
of met een wijngaard, een hele tuin vol druivenplanten.
Die tuin of die druivenplant is door God geplant,
Eerst uitgegraven in Egypte en opnieuw geplant in het land Kanaän.
Waarom deed God dat dan?
Omdat Hij voor Israël wilde zorgen, omdat de Heere wilde
Dat er vruchten aan Israël, de druivenplant, zouden komen: druiven om wijn van te maken.
Wijn om je dorst te lessen, wijn die je kunt drinken als je feest gaat vieren.
Alleen: Israël wilde geen vruchten laten zien. Israël; was niet zo geïnteresseerd in God.
Ondanks dat God zorgde, kozen ze ervoor andere goden te dienen.
Ondanks de zorg van God geen vruchten, geen druiven aan de plant.

En wat doe je met een plant die niets opbrengt?
Als de plant dood is, zaag je de plant om, of hak je de plant om
en gebruik je het hout van de plant om een vuur aan te steken.
Nu zegt de Heere Jezus over zichzelf: Ik ben de stam van Gods druivenplant.
Ik ben de ware wijnstok: Ik zorg dat al die takken wel vruchtdragen,
dat die takken, als ze dood waren, weer nieuw leven krijgen
en toch doen waarvoor God ze geplant heeft: dat er vrucht, fruit aan komt.
Als je aan de Heere Jezus verbonden bent, dan ga je leven en dan komen er vruchten.
De Heere Jezus zei het tegen de discipelen, maar ook tegen ons:
Jullie zijn de takken en zorg dat je aan Mij vast zit en dat je niet meer losgaat.
Want als je los bent, als je nog niet vast zit, of als je losraakt, dan gaat het mis, goed mis!
Daar gaat het om – dat je verbonden bent met de Heere Jezus.

Hoe kun jij vastkomen aan de Heere Jezus?
Als je gaat geloven. Als je de woorden van de Heere Jezus hoort,
als je Hem hoort – en dat kan als je een Bijbelverhaal hoort, of een preek,
Als je je vader of je moeder, iemand van de clubleiding,
een juf op school hoort vertellen over Hem
en je weet, je merkt: dat is waar! Ik wil bij Hem horen, ik wil in Hem geloven.
Dan maakt de tuinman jou als tak vast aan de boom
en Jezus zegt: Mijn Vader, God zelf, is de tuinman.
Hij zorgt ervoor dat je aan de Heere Jezus vast komt te zitten, dat je aan Hem gaat groeien.
Als je gelooft, dan hoef je daar dus niet meer druk over te maken.
God doet het, je bent verbonden.
Het gaat er om of wij willen, of wij aan de Heere Jezus vast willen groeien.
God als tuinman en de Heere Jezus als de stam willen dat. En jij en u?
Als je dat wilt, dan kun je verder groeien.
Je hebt misschien wel ergens in huis een plek waar je een streepje zet
om aan te geven hoe hard je groeit.
Zo kun je ook in geloof groeien: door meer te weten, meer te geloven, meer vrucht.

Wat is nu die vrucht die aan ons kan groeien?
Wat zijn nu vruchten die aan je groeien als gelovige?
Dat je trouw blijft geloven, ook als het niet makkelijk is bijvoorbeeld.
Of dat je merkt dat je geen verkeerde dingen meer wilt doen,
omdat je weet dat je daardoor bij God weggaat, omdat daardoor je tak weer los gaat
en dan gaat het alsnog mis.
Een andere vrucht is liefde – ook voor iemand waar je eigenlijk niet van wilt houden,
maar je weet dat God alle mensen geschapen heeft
en wilt dat alle mensen aan de Heere Jezus verbonden zijn,
dan doe je je best ook van hen te houden.
Misschien heb je pas nog het verhaal gehoord van de Heere Jezus
die de voeten van de leerlingen waste. Hij zei: jullie moeten net zo doen.
Als je bij de Heere Jezus hoort, ga je groeien en bloeien.
Dan kunnen andere mensen dat zien.
Niet alleen maar door wat je zegt, maar door hoe je bent.
Ze zien dan dat in jou de Heere Jezus leeft. Dat noemt de Heere Jezus vrucht dragen.

Dat kan dus alleen als je bij Hem hoort. Als je gelooft.
Alleen dan stroomt het leven dat de Heere Jezus heeft
en dat Hij aan ons wil geven omdat Hij gestorven is en opgestaan
naar jou toe door.

Een boom geeft aan de takken sappen door, voeding.
Als je bij de Heere Jezus hoort, dan merk je ook dat er iets van Hem in jou komt.
Zijn woorden, die ga je doen
Maar ook het slechte waar je aan denkt en dat je doet, wilt doen,
dat wordt uit je gehaald.
Je wordt schoongemaakt van binnen. Gereinigd van de zonden. Door de Heere Jezus.

Er gebeurt nog iets. Dat gebeurt door de tuinman, door God dus die de tuinman is.
Er worden takken weggesnoeid.
Wij hebben om de tuin een coniferenhaag staan.
In die haag van coniferen zitten bepaalde gaten.
Daar hebben vorig jaar takken van andere struiken gezeten.
Zij hebben het zonlicht tegengehouden.
Er kan ook bij ons, bij jou iets zijn, dat het zonlicht van God tegenhoudt
en dat zonlicht is dan: Zijn liefde en genade, Zijn zorg.
Je kan dan niet groeien, en ook geen vrucht dragen.
Dan kun je denken aan een zonde, die groeit.
Of dan kun je denken aan onverschilligheid: je wilt niet geloven, geen zin in.
Of je denkt: geloven, dat komt later wel, als ik volwassen ben.
En dan komt de tuinman, God de Vader, die haalt dat weg.
Die haalt die zonde uit je weg. Die haalt die onverschilligheid uit te weg.
Die haalt de gedachte uit je weg, dat het later wel komt
en je beseft: ik moet nu gaan geloven.
Snoeien kan pijnlijk zijn, maar het is wel beter voor je:
Want dan ga je weer groeien en komen er nog meer vruchten aan je.
Het is pijnlijk, maar het is juist de zorg van God om je beter te maken.
Net als er een splinter in je voet of je hand.
Die kun je laten zitten, omdat het niet fijn is die er uit te halen en toch is dat beter.

Als je groeit en bloeit komt dat door de Heere Jezus,
Die zoals een boom aan de takken voeding doorgeeft aan jou Zijn liefde doorgeeft.
Als je niet groeit, als er geen vruchten zijn, dan ben je maar een kale tak,
een dode tak. Dan doe je niet waarom God je gemaakt heeft.
Hij kan je afknippen en weggooien en verbranden.
Eens zal God alle zonde wegdoen, alles wat niet bij Hem hoort wegdoen, voor altijd.
Maar het is Pasen geweest. Wat dood is, kan levend worden.
Wat dood is, kan door de Heere Jezus tot leven gewekt worden.
Als jij nog dood bent, is er hoop voor je.
Als je bij de Here Jezus gaat horen, ga je leven.
maar altijd bij Hem te blijven: altijd naar Zijn woorden luisteren.
Het is een waarschuwing om niet bij Hem weg te gaan.
Doe je dat, dan kun je veel mooie dingen laten zien: vruchten groeien er aan je!
En alle mensen zullen zeggen: Wat is God goed!
Ze zullen zeggen: We zien dat God werkt, dat God een tuinman is, die zorgt.
Dat willen wij ook. Wij willen ook bij de Heere Jezus horen.
Zo maken jullie de hemelse macht van Mijn Vader zichtbaar
Dan groei je en bloei je – tot eer van God.
Amen

Les 17 De kerk

Les 17 De kerk

Als Maria een tijdje ziek is, geeft ze het door aan haar predikant. Hij komt op bezoek, neemt haar naam mee in de voorbede van de zondagse dienst en schrijft iets over haar situatie in het kerkblad. Nadat ze is genoemd in de voorbeden, komen de kaarten en als haar naam en adres in het kerkblad staan, worden haar nog meer kaarten toegestuurd. Ze is blij dat ze het doorgegeven heeft, want de kaarten doen haar goed.

André en Esther zitten samen op een Bijbelkring. Het is een fijne Bijbelkring. Ze hebben altijd fijne gesprekken. Iedereen is heel open en vertelt wat hem of haar bezighoudt. Ze vinden het mooi dat er ook steeds een stukje uit de Bijbel samen wordt gelezen en dat er met elkaar over wordt doorgepraat. Het bezoeken van deze Bijbelkringen is goed voor de groei van hun geloof.

Vraag 1: Kun jij een ervaring vertellen, waardoor je de waarde van de kerk ontdekt hebt?



Vraag 2: Gelovig ben je niet in je eentje. Wat betekenen de andere gemeenteleden voor jou?


Vraag 3: Wat heb jij andere gemeenteleden te bieden?


Gelovig ben je niet in je eentje. Je hoort bij een kerk, een gemeente. In deze gemeente vind je mensen met wie je goed kan opschieten en mensen met wie het minder klikt. Soms passen onderdelen van een kerkdienst niet bij je en dan weer wel. De perfecte gemeente bestaat niet.
De perfecte gemeente bestaat ook niet, omdat de kerk uit zondaars bestaat. Van die zondaars doet een deel de best om tegen de zonde te strijden, maar is niet volmaakt. Een ander deel strijdt minder hard. Ook in een kerk kunnen spanningen en conflicten zijn. Die spanningen en conflicten kunnen soms heel diep gaan, omdat gemeenteleden zich vaak persoonlijk betrokken voelen. Een conflict binnen de kerk kunnen ze daarom niet zakelijk afhandelen. Bovendien kan er een verwachting zijn dat er binnen de kerk op een liefdevollere manier met elkaar omgegaan wordt dan buiten de kerk. Omdat kerkmensen niet volmaakt zijn, is de kerkelijke gemeente ook niet vrij van spanning en conflict.
Ook al zijn de mensen niet volmaakt, Christus wil die onvolmaakte mensen gebruiken in Zijn dienst. Samen vormen ze het lichaam van Christus. Dat wil zeggen: al die gemeente zijn verbonden met Christus en daarom horen ze bij de gemeente. Daarom is de kerk niet alleen een gemeenschap van zondaren, maar ook een gemeenschap van heiligen. Zo belijden we dat ook in de geloofsbelijdenis: Ik geloof de gemeenschap der heiligen. Daar hoor jij ook bij. Samen met degenen die met jou in de kerk zitten en met jou aan het avondmaal aangaan.

Vraag 4: Hoe vind jij dat mensen in de kerk met elkaar om horen te gaan? Waar baseer je dat op?


Een kerk is altijd verbonden aan een plaats. De kerk heeft verantwoordelijkheid voor de mensen die bij deze plaats horen. Ook al zijn ze niet bij de kerk betrokken. Een plaatselijke gemeente heeft altijd ook eigenschappen die bij de lokale gemeenschap horen. Een kerk in Amsterdam is anders dan in Kamperveen. Zelfs tussen Oldebroek en Elburg kunnen verschillen zijn. Het is goed om respect te hebben voor die plaatselijke gewoonten. Behalve als die gewoonten botsen met het Evangelie.
Een plaatselijke kerk maakt ook altijd deel uit van de kerk wereldwijd. Zoals er geen perfecte kerk is, is er ook een ware kerk. De verschillende kerkgenootschappen vormen samen het lichaam van Christus. De Hervormde Gemeente Oldebroek is onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland. Deze Protestantse Kerk in Nederland zegt dat zij niet de ware kerk is, maar een van de gestalten waarin het evangelie vorm krijgt. Onze kerk erkent andere kerken. Dat houdt in dat een doop of een belijdenis van een andere kerk geaccepteerd wordt en omgekeerd: als je hier belijdenis doet, wordt dat bij overgang naar een andere kerk ook geaccepteerd.

Vraag 5: Welke kerken zijn er in Oldebroek? Wat weet je van de andere kerken die er in Oldebroek zijn?



De plaatselijke kerk is ook verantwoordelijk voor de gemeenteleden die aan deze kerk verbonden zijn. Door kinderclubs, jeugdgroepen, huisbezoek, ouderenmiddagen wordt geprobeerd om iedereen aandacht te geven. Het mooie van de kerk is dat er verschillende leeftijden bij elkaar in een gemeenschap zijn. Binnen de kerk kun je van verschillende leeftijden leren: je kunt als jongere leren van een oudere. Een oudere geeft vaak aan te leren van de openhartigheid waarmee jongeren over hun geloof kunnen spreken. In die zorg voor elkaar gaat het erom, dat je elkaar bij Christus houdt en dat je geloof levend blijft.

Wat heb je nodig om kerk te zijn? Stel: je wilt een nieuwe kerk oprichten, wat heb je daarvoor nodig? Allereerst een goede verkondiging van het evangelie, zodat er geen gekkigheid wordt verteld. In onze kerken is dat geregeld door degenen die predikant worden tijdens hun opleiding steeds te toetsen, bijvoorbeeld op hun geschiktheid en op hun geloof. In onze kerken is het ook geregeld door de ambten. Ambtsdragers hebben een verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in de kerk.
Wat ook nog nodig is, is dat de sacramenten op de juiste manier worden bediend. Doop en avondmaal mag in onze kerk alleen maar iemand die bevestigd is als predikant. Daarmee laten we zien dat sacramenten ook iets heiligs hebben en niet zomaar gedaan kunnen worden.
Er is nog een derde kenmerk van wat een kerk is. Deze is wat lastiger. Dat is namelijk dat alles wat botst met het evangelie geweerd wordt. De bedoeling is dat gemeenteleden hun relatie met Christus serieus nemen en dat wanneer het mis gaat, wanneer zij die relatie verwaarlozen, dat zij daar op aangesproken worden. In het ergste geval kunnen ze, in het geval er echt iets mis is, uit de kerk worden gezet. Dat zijn ingrijpende maatregelen, die je niet zomaar in praktijk brengt, omdat zo’n maatregel lang niet altijd tot gevolg heeft dat iemand tot inkeer komt. Sterker nog: het komt vaker voor dat iemand verbitterd raakt en kwaad en teleurgesteld afscheid neemt van de kerk.

Vraag 6: Wat heb jij nodig om te voorkomen dat je geloof afzwakt?



Vraag 7: Wanneer luister je wel als je ergens op aangesproken wordt en wanneer niet?



We geloven dat de kerk een schepping van God is. Hij is het ook die de kerk in stand houdt. Als er een tijd is, waarin de kerk het moeilijk heeft, kan Hij de kerk nieuw leven inblazen. Als ergens geen kerk is, kan Hij daar een kerk brengen, zoals Hij de aarde ook uit niets geschapen heeft. Christus bewaart en onderhoudt de kerk. Tot Zijn wederkomst zal er een kerk op aarde zijn, waarin God wordt geprezen en gediend.

BIJBEL: Lees Handelingen 14:21-28

Vraag 8: De zielen van de aanwezige gemeenteleden worden versterkt. Waarom zullen Paulus en Barnabas dat hebben gedaan?



Vraag 9: Hoe zal dat gebeurd zijn: dat versterken van de zielen?


Vraag 10: Ze worden aan Gods genade opgedragen. Wat betekent dat?


Vraag 11: Ze vertellen over wat God heeft gedaan in de gemeenten die zijn bezocht. Wat zou je over Gods werk in Oldebroek kunnen vertellen?

 

Preek Tweede Paasdag 2018

Preek Tweede Paasdag 2018
Filippenzen 3:1-16
Tekst: Opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van Zijn opstanding, en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig wordt, om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden. (Filippenzen 3:10-11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Kennen van Jezus
Paulus schrijft: Opdat ik Hem mag kennen.
Kent u Christus? Ken jij Christus?
Dan bedoel ik niet of je de verhalen over Jezus kunt vertellen
en dat je kunt uitleggen dat Pasen te maken heeft met Zijn opstanding,
maar dat jij Hem zelf ook kent als de opgestane Heer, persoonlijk als jouw Heer.
Wanneer Paulus spreekt over het kennen van Christus
moeten we voor de betekenis naar het Oude Testament,
Waarin kennen een heel intieme klank heeft, zoals een man en vrouw elkaar kennen.
Zoals een man en vrouw elkaar door en door kennen,
samen leven, samen slapen, van elkaar zijn en bij elkaar horen, intiem.
Zulke kennis is niet alleen kennis over iemand.
Als je de leeftijd van iemand kent, de belangrijkste gegevens uit iemands levensloop,
als je wat verhalen en anekdotes over iemand weet je vertellen,
dan ken je iemand al een beetje,
maar dat is nog niet het kennen van het Oude Testament en van Paulus.
Dat is niet alleen maar kennis over iemand, maar kennis die je hebt
doordat je het leven deelt met iemand, een hele intieme relatie, waarin je in elkaar opgaat:
Opdat ik Hem mag kennen, Christus als de opgestane Heer echt mag kennen, persoonlijk.
Kent u Christus op deze persoonlijke, intieme manier?
Zodat Christus, die gekruisigd was en opgestaan is, leeft in uw, in jouw hart?
Misschien was er wel heel wat nodig voor u Hem zo persoonlijk kende, voor jij ging geloven.
Net als er voor Paulus heel wat nodig was.
Paulus kende de verhalen over Jezus die was gekruisigd en was opgestaan,
maar moest er helemaal niets van weten van die Jezus.
Hij verafschuwde die verhalen en had een hekel aan Zijn volgelingen.
En er was geen enkele reden waarom Paulus zou gaan geloven.
Een mooier leven was er niet: geboren als kind van het verbond,
met een kennis over God en een leven in dienst van God waar velen jaloers op waren,
om zijn inzet voor Gods zaak geprezen en beroemd geworden.
Een in zijn eigen ogen waardevol leven
– totdat Paulus deze Jezus echt ontmoette, Christus in zijn leven kwam.
Toen zag er alles opeens anders uit:
Het leven dat hij had opgebouwd, de status die hij had bereikt, de gelovigheid die hij had:
allemaal waardeloos, hij had er niets aan en kon er niets mee als hij voor God kwam.
Een leven in schijn, al kon hij er hier mee voor de dag komen.
Alleen als je Christus echt kent, persoonlijk en intiem, een relatie hebt, van Hem bent,
dan heb je echt een leven: opdat ik Hem mag kennen.

(2) Kennen van de kracht van Zijn opstanding
Paulus maakt duidelijk wat het kennen van Christus inhoudt:
dat je niet alleen de verhalen over de opstanding van Christus kent,
maar dat je in je eigen leven ook die kracht van Zijn opstanding ervaart,
dat je merkt dat de opstanding van Christus ook effect op je eigen leven heeft.
Opstanding betekent voor Paulus niet alleen dat Christus uit het graf kwam,

dat de steen voor Christus werd weggerold en Jezus als de levende tevoorschijn kwam,
maar dat ook ieder die in Christus gelooft,
uit dat graf mee komt, opgestaan – uit de macht van de zonde, die ons gevangen hield,
een nieuw leven met Christus.
Dat je merkt, dat jij die dood was door de zonde, met Christus ook levend wordt.
Op Pasen vieren wij niet alleen dat Christus uit het graf kwam,
maar vieren we ook dat wij opnieuw kunnen leven.

 

Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten!

Sta op uit de doden, o zondaar, en leef, dat Christus ook over u lichte!


Ik kwam een citaat van Calvijn tegen bij een andere tekst van Paulus(Efeze 2:1),
maar we kunnen dat ook hierbij aantekenen: ‘We worden als doden geboren en leven als doden, totdat wel deelgenoot gemaakt worden van het leven van Christus.’
Dat Paulus dood was, had hij in zijn oude leven nooit gedacht.
Je kunt die dood ook goed camoufleren en vaak besef je pas hoe dood je was
als Christus in je leven gekomen is om je tot leven te wekken.
Paulus dacht dat hij juist een goede band had met God, dat zijn geloof levend was.
Maar zonder Christus die in zijn leven kwam had hij niets, schade was het zelfs,
schadelijk voor hemzelf, want het beeldde hem in dat hij God kende en met God leefde,
hij ging er vanuit dat God in zijn leven was en had niet door dat het niet zo was.
en de ogen gingen open toen Christus in zijn leven kwam,
een radicale verandering, waar Paulus nog steeds intens dankbaar voor is
en de komst van Christus in zijn leven heeft een verlangen in hem aangewakkerd:
Christus kennen en ook de kracht van Zijn opstanding in zijn eigen leven.
Want daardoor leeft hij in een nieuw leven: mijn getrouwe Heiland Jezus Christus eigen ben.
In een zondige wereld al een nieuw leven,
niet meer bezig om hier op aarde alles uit het leven te halen,
Alles op je reputatie hier te zetten, of alles van je gezondheid hier te verwachten,
je geluk te koppelen aan aardse bezittingen, maar een gerichtheid op Christus
en opgestaan in een nieuw leven, het nieuwe leven dat Christus is, de Opgestane, Levende.
En dat hier op aarde al een nieuw leven, hier in dit bestaan reeds opgestaan.
Het kennen van Christus en het kennen van de kracht van Zijn opstanding is dat leven
waarin de zonde ons niet meer beheerst, maar Christus in ons leeft
en wij in staat gemaakt worden om Zijn wil te doen.
Daaraan merk je de kracht van Zijn opstanding in je leven.
Een verandering in je wil, in wat je doet en wat je nalaat, Christus kunnen dienen.
Dat is niet pas in de hemel, dat nieuwe leven, maar hier op aarde al.

(3) Kennen van de gemeenschap met Zijn lijden
Hier op aarde al – dan heeft Paulus wat uit te leggen over zijn eigen situatie.
Paulus zit namelijk gevangen.
Daarmee wordt zijn boodschap, dat Christus is opgestaan, toch ongeloofwaardiger?
Als Christus is opgestaan uit de dood, als er een nieuw leven is, dat Paulus nu al heeft,
Waarom dan nog die gevangenschap?
Waarom moet Paulus dan rekening houden met een mogelijke doodvonnis?
Als hij dat nieuwe leven al heeft, dan hoeft hij toch niet gevangen te zitten?
En in de gemeente is er een andere zorg, die zijn boodschap ongeloofwaardig maakt:
De spanning en de zorg die er in de gemeente is:
een andersoortige boodschap dan het evangelie die verteld wordt, die aanhang krijgt.
Als er dat nieuwe leven is, als we dat nieuwe leven al kunnen kennen:
Waarom die onderlinge strijd, waarom die verdeeldheid?
Waarom dan nog lijden voor de individuele gelovige en de gemeenschap als geheel?
Staat dat dan niet haaks op de boodschap dat Christus is opgestaan
en dat wij Zijn opstandingskracht al in ons eigen leven mogen ervaren?

Nee, zegt Paulus, mijn situatie in de gevangenis ontkracht Pasen niet
en het lijden dat mij overkomt en dreigt te overkomen moet jullie niet in twijfel brengen,
want dit lijden en deze tegenslag is bedoeld om Christus nog beter te leren kennen
en nog meer te vertrouwen op Zijn opstandingskracht.
Als ik Christus meer wil leren kennen, heb ik het ook nodig om Zijn lijden te leren kennen,
Ik ben niet meer dan mijn Heer en als mijn Heer lijdt, waarom zou ik dan niet lijden?
Als Hij gevangen genomen werd en werd gedood, waarom zou dat mij bespaard blijven?
Als ik van Jezus ben geworden, kan het ook zijn dat ik deel in Zijn lijden,
dat het leven voor mij anders loopt dan ik van tevoren had gedacht.
Wanneer je gaat geloven in Jezus, wanneer Hij in je leven komt,
wordt je leven er vaak niet makkelijker op.
Tot geloof komen is geen recept voor een makkelijk leventje.
Ik denk dat heel wat gelovigen weten, dat vanaf dat ze echt gingen geloven
er ook heel wat worstelingen bijgekregen hebben, strijd en aanvechting,
misschien ook wel spot en tegenstand, of zelfs ziekte, ontslag.
Maar ook al is het er niet makkelijker op geworden, wel een gelukkiger leven,
omdat Christus in je leven gekomen is en dat is alles waard!
Maar het blijft steeds leren, zodat je geloof in Christus steeds dieper wordt,
zoals je als man en vrouw ook steeds weer moet groeien in je relatie
en dat gebeurt vaak door wat je meemaakt,
niet alleen de mooie dingen die je samen meemaakt,
maar je leert ook door de tegenslagen, de ernstige, verdrietige dingen die je meemaakt
en samen draagt en waar je samen doorheen gaat.
Misschien hebt u in uw relatie ook wel heel wat samen doorgemaakt
en het dat samen doormaken en samen dragen gaat niet vanzelf
dat kost vaak het nodige aan gesprekken, botsingen wellicht, spanningen, en toch…
zo is het delen in het lijden van Christus niet iets dat je even doet, of er even bij,
maar het kost je veel, misschien wel alles en toch … het geeft je Christus.
Opdat ik Hem mag kennen en Zijn opstandingskracht en kennen ook te delen in Zijn lijden.


(4) doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig wordt
Let wel, het leren kennen van Christus door Zijn opstandingskracht staat voorop.
Het delen in Zijn lijden staat in het teken van Pasen
en  Pasen in ons leven dat is niet iets dat nog komt, maar dat er nu al is,
Zelfs als we te maken hebben met ziekte
en zelfs als we weten dat we niet lang meer te leven hebben
en haast niet kunnen geloven dat voor ons dat nieuwe leven al gekomen is
omdat we nog zoveel van die oude wereld die lijdt aan de vergeefsheid ervaren
of als we nog steeds worstelen met onze zonde
en haast niet kunnen geloven dat voor ons dat nieuwe leven al gekomen is
omdat we nog zoveel van de oude mens in onszelf aantreffen,
is Pasen een werkelijkheid in ons leven en delen we al in Zijn opstanding
en kunnen we de kracht van Zijn opstanding meer en meer leren kennen,
Zelfs dwars door ziekte en dood heen,
dwars door de zonde die tegen onze wil nog in ons is overgebleven heen.
We zijn er nog niet, niet in de nieuwe wereld waarin we zonder zonde zullen zijn,
maar al wel in een nieuw leven, Pasen is werkelijkheid in ons leven,
we zijn met Christus al opgestaan uit de dood van de zonde
al zal er nog een opstanding zijn, waardoor we een verheerlijkt lichaam zullen krijgen.
Hier op deze aarde, in die wereld die nog steeds lijdt,
kunnen we nog steeds lijden, gemeenschappelijk zijn in het lijden met onze Heer,
maar wel met één verschil: Christus stierf voor ons.
Als we hier op aarde kruisdragen is dat niet om Christus te redden of ons te redden,
als we delen in Zijn lijden, als dat lijden ons overkomt en we ermee te maken hebben,
dan is dat om ons te laten weten, dat Zijn dood ook voor ons geldt,
dat Christus ons meegenomen heeft naar het kruis,
dat we reeds zijn gestorven, al leven we hier volop,
dat we al opgestaan zijn, al zullen we nog door de dood heen moeten gaan.

Het is mogelijk dat deze boodschap van Paulus mensen in verwarring bracht,
Dat ze er nu al waren, dat er geen opstanding meer zal komen, en geen hemel.
Dat ze er al zijn.
Maar dat is wat Paulus niet bedoeld heeft.
We leven al in een nieuw bestaan, we delen in een nieuw leven,
maar er komt ook nog een nieuw leven.
Ik heb het nog niet verkregen, ik ben nog niet volmaakt, het volmaakte moet nog komen.
Als Christus komt en we na onze opstanding in de hemel worden opgenomen.
Delen in het lijden van Christus kan ook er zijn om ons te herinneren
dat er ons nog een eeuwigheid te wachten staat,
dat we niet al onze kaarten op het leven hier op aarde moeten zetten.
Dat we er nog niet zijn, want dan is het gevaar groot om in het oude leven terug te vallen.
Gelijkvormig worden aan Zijn dood is dat we meegestorven zijn aan het kruis, meegekruisigd
En daarmee onttrokken, gered van de zonde en in een nieuw leven zijn gezet.

(5) Om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden
Delen in zijn lijden wijst, hoe moeilijk dat ook is, wijst vooruit
naar wat met u, met jou zal gebeuren als je Christus persoonlijk kent.
Als je mag zeggen, al is het misschien heel voorzichtig of stamelend,
Ik ken Christus en ik leer Zijn opstandingskracht ook steeds beter kennen
en zeker ook in mijn leven is er van het lijden van Christus iets te merken
het geeft mij het besef hoe diep Hij voor mij moest lijden
en dat besef brengt mij dichter bij Hem.
Dan mag je weten dat je er ook een toekomst wacht,
je hebt al een heden, een leven in het hier en nu,
omdat je met Christus leeft, door Christus levend geworden bent,
daarom zal er een dag aanbreken, wanneer de graven opengaan,
als Christus terugkomt, dat het graf jou ook moet laten gaan,
of je graf nu bekend is of niet, God weet waar je begraven bent
en Hij zal je dan uit het rijk van de dood roepen, zoals Hij Zijn eigen Zoon riep uit het graf.
Om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden.
Dat is een zekerheid voor Paulus.
Het lijkt er even op, dat er toch weer onzekerheid komt.
Kunnen we er echt op aan, dat ook wij zullen opstaan, zoals Christus opstond?
Nee, het is geen onzekerheid, geen twijfel, ook al is het ongelofelijk om te geloven.
Hier op aarde is het er nog niet, het komt nog.

Het is verwoord in een oud gezang, een lied voor Hemelvaartsdag (Gezang 75 NH Bundel):

’t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet!
’t Ware leven, lieven, loven is maar, waar men Jezus ziet.
Wat men hoort of ziet op aard’ is ons kost’lijk hart niet waard;
wil men leven, lieven, loven:’t oog omhoog, het hart naar boven!

Trek tot U ons hart naar boven, dat w’ U eeuwig lieven, loven

Kent U Christus? Ken je Hem?
Wanneer je gedoopt bent, is er voor je gebeden dat je Hem zou leren kennen:

Wij bidden U, pleitend op uw grondeloze barmhartigheid,
dat U deze kinderen in genade wilt aanzien
en door Uw Heilige Geest in Uw Zoon, Jezus Christus, wilt inlijven,
opdat zij met Hem in Zijn dood begraven worden
en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven.

Dat is in de kerk voor je gebeden, door je ouders, door de aanwezige gemeenteleden.
Dat zal in de hemel voor je gebeden zijn door de engelen om de troon van God,
door Christus zelf, die in de hemel voor ons bidt.
Zodat ook jij, u Hem leert kennen.
Amen