Preek nieuwjaarsdag 2018

Preek nieuwjaarsdag 2018
Exodus 33:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We zijn hier vanmorgen in de kerk om aan de Heere te vragen
of Hij met ons meegaat het nieuwe jaar in,
net als het volk Israël dat bij de berg Sinaï was aangekomen
om vandaar de Heere mee te vragen naar het land dat hen beloofd is.
Zo staan we op de drempel van een nieuw jaar, net begonnen
En we kijken een toekomst in en weten niet wat die toekomst ons brengen zal
met in ons hart het gebed: ‘Heere, wilt U ons niet alleen laten,
maar met ons meegaan en voor ons uitgaan?’

Want we moeten er niet aan denken, dat de Heere niet met ons mee zou gaan
en dat Hij niet voor ons uit zou gaan.
We moeten er niet aan denken, dat terwijl wij verder gaan in de tijd
de Heere achterblijft en Zelf niet meegaat.
Want wat zou er van ons terecht komen, als de Heere niet voor ons uit gaat
om de weg te wijzen?
Dan zouden wij niet weten welke kant we op moeten gaan
en zouden we een verkeerde weg inslaan die niet goed voor ons is.
Wat zou er van ons terecht komen, als de Heere niet voor ons uit zou gaan,
Om voor ons een weg te banen?
Dan zouden we ergens lopen waar geen weg is en zouden we struikelen en verdwalen.
Waar zouden we zijn als de Heere niet meegaat om ons onderweg te beschermen,
moed in te spreken en te dragen?

Daarom vanmorgen dit gebed van Mozes:
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Houd ons tegen, Heere, als wij wel verder gaan, terwijl U achterblijft
en wij dan verder zouden gaan zonder U in ons midden.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Het is een tekst die ik in het verleden nog wel eens in een trouwdienst werd meegegeven.
Je ziet het voor je: een jong stel, samen aan een nieuwe toekomst begonnen
en dan als herinnering van de dominee die de preek hield in de trouwdienst:
Vergeet de Heere niet mee te nemen in je reis door het leven.
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Hoe zou het zo’n jong stel vergaan?
In de eerste weken wordt dit advies misschien nog wel opgevolgd om God erbij te betrekken,
maar als het weer wat gewoon is om bij elkaar te zijn,
Als er weer gewerkt moet worden, als je weer verder gaat met sporten
en als er later kinderen komen, als er de gewone dagelijkse beslommeringen zijn,
dan kan dat er zo bij in schieten om de Heere erbij te betrekken.
Vaak helpt het om een vast moment te hebben,
zoals vanmorgen, aan het begin van een nieuw jaar, om de Heere weer mee te vragen.
Daarom zijn we hier in de kerk bij elkaar, om deze vraag bij de Heere neer te leggen.
Voordat we verder gaan, voordat we familie op gaan zoeken om nieuwjaar te wensen,
voor we in huis bezig zijn of buiten de rommel van de nieuwjaarsnacht opruimen:
Eerst even de tijd nemen om hier bij God te zijn,
voordat we opgeslokt worden door onze alledaagse bezigheden
om te voorkomen dat er zo een week voorbij kan zijn voordat we God hebben gevraagd
om met ons mee te gaan en voor ons uit te gaan.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Met minder dan God zelf doen we het niet.
Zelfs een engel die meegestuurd wordt is nog niet genoeg, want God zelf moet mee!

Er is een reden waarom de Heere tegen Mozes en tegen het volk zei:
Jullie moeten zonder Mij hier van deze berg verdergaan; Ik kán niet meegaan!
Want in het voorgaande had het volk een beeld van goud opgericht in de vorm van een kalf
en dat gouden kalf dat zij door Aäron hadden laten maken
zagen zij aan voor de God die hen uit Egypte had geleid
en ze hadden om de aanwezigheid van deze god gedanst en feest gevierd:
De Heere is in ons midden! Hij is er!
We hoeven er niet meer aan te twijfelen: We kunnen Hem zien, we kunnen Hem aanraken.
We kunnen Hem meenemen, we hoeven ons nooit meer af te vragen
of de Heere wel met ons meegaat en voor ons uitgaat, want we hebben Hem bij ons.
In dat gouden kalf dat meegaat, gaat God zelf mee.
Ze hadden het mis, want ze hadden zelf een god in elkaar geknutseld
die hun eigen zelf in elkaar geknutselde god aangezien voor de levende God,
aangezien voor de God die hen uit Egypte had uitgeleid.
Het was een vergissing, een verwisseling die de Heere hoog opnam:
Ze hadden God ingewisseld voor een ander
en het was geen vergissing die per ongeluk gebeurde, maar bewust.
Een halsstarrig volk – een volk dat de nek niet wil buigen, dat niet wil knielen,
maar trots en fier overeind wil blijven staan.
Met zo’n volk kan ik gewoonweg niet meegaan.
Daar is God te heilig voor en het volk zou het niet uithouden bij deze heilige God.
Het zou het niet uithouden bij deze heiligheid, maar daardoor vernietigd worden.
Het contrast tussen de heiligheid van God en de onheiligheid van het volk was te groot.
In die zin was het ook een bescherming dat God niet mee zou gaan,
maar dat er ‘slechts’ een engel mee zou gaan.

Door een engel mee te sturen zou het volk wel gespaard blijven.
Een engel konden ze nog wel verdragen, maar niet de heilige God.
Een engel, misschien ook net zo zichtbaar als dat gouden kalf
dat ze gemaakt hadden om God zichtbaar in hun midden te hebben.

Zo gek was het niet om een beeld te maken,
omdat er bij heel veel mensen de behoefte is om God te zien,
om Hem zichtbaar in je midden te hebben, om Hem te zien, te kunnen aanraken,
want dan weet je dat Hij er is, dat Hij meegaat.
Is Hij niet zichtbaar, dan kan er altijd de vraag zijn: Is Hij wel mee.
Maar juist als wij God zelf zichtbaar maken, zetten we ons op het verkeerde been,
dan kunnen we er te gemakkelijk vanuit gaan dat God meegaan,
omdat wij Hem zichtbaar maken.
De Heere kan alleen op Zijn eigen manier in ons midden zijn.
Niet op de manier waarop wij Hem willen hebben.
Omdat het volk dit niet accepteert
en steeds zichtbaar wil hebben en bevestigd wil zien, dat God er is, kan God niet mee.
Hij kan niet leven in een sfeer van wantrouwen, van voortdurend zich te moeten bewijzen.
Daarom: Ik kan niet mee. Jullie gaan en krijgen een engel mee,
zodat jullie wel veilig en wel in het land komen dat Ik beloofd heb,
maar jullie zullen het daar zonder Mij moeten doen.

Dan gebeurt er iets bij het volk, als Mozes met deze mededeling terugkomt.
Nu dringt het tot het volk door wat er is gebeurd bij dat gouden kalf.
Ze komen in actie, een actie die eerst wat vreemd overkomt:
De sieraden worden afgedaan en het volk gaat rouwen,
rouwen om het achterblijven van de Heere, terwijl het zelf verder moet.
Sieraden werden echter naar alle waarschijnlijkheid gebruikt
om als vrouw op te vallen bij de mannen,
door een prostituee om mannen te verleiden bij haar in de tent te komen.
Het afleggen van sieraden houdt in: we bieden ons niet meer aan andere goden aan.
We kiezen voor de ene God, de ware God, de God die ons werkelijk bevrijdde,
die ons uit Egypte hier bracht en die beloofd had om ons door de woestijn te geleiden.
Het is een gebaar van inkeer, van schuldbelijdenis,
een gebaar waarmee alle andere goden worden afgezworen:
We zijn alleen van Hem.
Zo beginnen wij ook dit jaar alleen met de Heere
en zeggen het tegen Hem: we zoeken het alleen bij U,
een andere god hebben wij niet nodig, wij zoeken niet ergens anders steun of geluk.
U bent onze Heer, wij hebben geen leven zonder U.
En dan staat er een regel bij: Vanaf die dag droegen de Israëlieten geen sieraden meer.
Nu hoeven wij niet zonder sieraden te leven,
die mogen wij best dragen,
maar de achterliggende gedachte is wel voor ons van belang:
We behoren alleen Christus toe, in ons leven, in ons sterven.
We bieden ons nergens anders aan, we flaneren niet om elders geluk mee te krijgen.
Voor ons geen ‘meidenmarkt’ waarop we ons aanbieden voor andere goden.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.

Dan doet Mozes iets gewaagds, waarmee Hij de Heere uitdaagt.
Als de Heere niet in het midden van Zijn volk kan wonen, dan maar een eindje erbuiten.
Als iedereen maar naar Hem toe kan gaan.
Als iedereen God maar kan zoeken en Hem kan vinden.
Wellicht is het zijn eigen tent geweest
en hij geeft het de naam, die de tent van God zou krijgen als die gebouwd zou worden,
De tent waarin God in het midden zou wonen.
Maar als God niet in hun midden kan zijn, dan zal de tabernakel ook niet worden gebouwd.
De tabernakel, de tent waarin de Heere woont tussen Zijn volk
en daarom een tent van ontmoeting van mens en God zal zijn.
Dan maar zijn tent buiten het kampement om daar God te raadplegen.
Want hoe kun je als mens zonder de raad en de bijstand van God?
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Het is een eigen initiatief van Mozes.
Daar zit ook iets hardnekkigs in, iets van protest.
Als U niet meegaat, Heere, dan zoeken we U steeds weer op.
Dan creëren wij een plek, waar we naar toegaan om U te zoeken,
net zolang tot we U vinden.
Het is een protest van Mozes tegen zijn God, die aankondigt niet mee te gaan
van Mozes die beseft, dat het volk niet zonder zijn God kan
en daarom op zoek moet naar een manier om God te blijven ontmoeten.
Deze hardnekkigheid van Mozes wens ik u en jou en ons als gemeente toe,
dat we niet rusten als God er niet is, maar dat we Hem blijven zoeken, blijven benaderen.
Als de Heere niet onder Zijn volk kan zijn, tussen de tenten van Israël,
dan maar net erbuiten, wat op afstand, een afstand die wel te overbruggen is.

Hier blijkt Mozes God te kennen en Gods weg met Israël te kennen.
Hij weet dat de Heere het volk niet achter kan laten,
niet op pad kan sturen zonder zelf mee te gaan.
Want God heeft Zijn naam verbonden aan dat volk.
Mozes gebruikt zijn bijzondere relatie die hij met de Heere heeft
om de Heere over te halen, te verbidden: U moet mee.
Mozes die vriend van God genoemd wordt
en als vriend tegen de Heere kan zeggen: U moet mee.
Als U werkelijk om mij geeft, als ik echt genade gevonden heb in Uw ogen,
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Mozes krijgt hier iets van Christus: tussen God en het volk in,
om een goed woord voor het volk te doen.
Laat hen niet zonder U verder gaan, dat gaat niet goed.
Dat weet U zelf ook.
Alleen als U zelf in ons midden bent, zijn we dat bijzondere volk.
Alleen dan kunnen we Uw weg gaan, de weg die U voor ons hebt uitgestippeld
Alleen dan kan Uw plan met deze wereld in vervulling gaan.
Verbidden: God op andere gedachten brengen,
door aan te knopen bij Zijn barmhartigheid, bij God zelf, Zijn eigen karakter, Zijn belofte.
Ik wens u toe dat u zo dit komende jaar steeds weer een beroep doet
op Gods barmhartigheid, op Zijn karakter, op Zijn belofte:
U hebt het zelf beloofd.
Als U dat niet doet, wat komt er dan terecht van Uw werk in deze wereld?
Wat komt er dan terecht van Uw kerk?
Wat komt er dan terecht van ons die U geroepen hebt tot Uw dienst?
Waar God zegt: Ik kan niet mee, zegt Mozes: U moet. Het kan niet anders.
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Zo vragen ook wij Gods aanwezigheid, God persoonlijk mee.
Het kan niet anders. Het moet.
Want wat komt er anders van ons terecht?
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s