Preek Dankdag 2017

Preek Dankdag 2017
Deuteronomium 26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je lang ergens woont, kan het heel gewoon worden dat je er woont.
Het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je weet dat het hier mooi wonen is en je geniet er bij tijd en wijle ook wel van,
maar toch, het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je kijkt er niet meer van op, dat de bomen van kleur veranderen,
want je woont in een boomrijke omgeving en dan is het vanzelfsprekend
dat als het herfst wordt de bladeren verkleuren en nu of iets later gaan afvallen.
De polder met de weilanden vallen je niet meer op, omdat je ze zo vaak hebt gezien
– elke dag haast, het hoort er gewoon bij, bij deze omgeving, bij jouw leven.
De vogels die hier in de lucht vliegen, die je niet overal in Nederland vindt,
maar die hier heel gewoon zijn: de roofvogels, de uil, de specht.
Je kijkt er niet meer van op.
Je kijkt er pas weer van op, als je weet dat de omgeving ook anders kan zijn.

Dankdag is er voor bedoeld, dat je je weer verwondert over wat je hebt
en over wat er om je heen is.
Dat wat vaak heel gewoon is, dat je daar bij stilstaat, dat het niet gewoon is.
Dat het bijzonder is dat je werk hebt – een zegen.
Dat het bijzonder is dat je eten en drinken hebt, een huis hebt om in te wonen
– allemaal zegeningen van de Heere onze God.
Als het allemaal gewoon wordt, vanzelfsprekend,
dan merk je niet meer zo snel de hand van God erin op.
Dan is de wisseling van de seizoenen, die je in de bomen ziet,
iets dat bij deze tijd van het jaar hoort en niet meer Gods trouw aan de schepping,
waarmee Hij zorg draagt voor de seizoenen, elk jaar weer opnieuw.
Dat er herfst komt en winter en straks weer lente en zomer,
dat is Gods trouw aan deze aarde, zoals Hij aan Noach had beloofd na de zondvloed.
De weilanden, de vogels, andere dieren hier in deze omgeving,
ze laten iets van de Schepper zien, van Zijn grootheid, van Zijn zorg,
maar je hebt er geen oog voor als je het als vanzelfsprekend beschouwt.

Deze dankdag is er om de verwondering weer te hebben:
dit is allemaal wat God geeft, het is helemaal niet vanzelfsprekend.
Het is een zegen, het is een geschenk.
De Heere heeft er recht op dat we Hem daarvoor danken
en dat we dat niet alleen vandaag doen,
maar dat we die dankbaarheid en die verwondering altijd hebben.
Dat dankbaarheid, verwondering onze levenshouding is.
Christenen zijn dankbare mensen – horen dankbare mensen te zijn,
horen elke dag weer opnieuw met verwondering en dankbaarheid aan de dag te beginnen,
vanuit die verwondering en dankbaarheid te werken en te leven.

Het volk Israël krijgt van Mozes een hulpmiddel mee
om die verwondering en dankbaarheid vast te houden,
om niet te vergeten dat wat ze hebben gekregen ten diepste een geschenk van God is.

Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld
en aan de Heere worden getoond.
Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren.
Deze priester representeert God.
Als je nadenkt over die eerste oogst:
Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten
is de eerste opbrengst niet voor jezelf.
terwijl je er hard voor hebt gewerkt en er naar hebt uitgekeken.
Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven.
Wat er nog is, is niet meer vers.
Of misschien was je voorraad wel op en had je moeten bijkopen bij een andere boer.
Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken.
Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar.
Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken.
Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven.
De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden,
zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd.
Wij geven het U, uit uwe hand.
In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is
en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben.
Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven,
wordt nooit eigendom.
We kunnen nooit zeggen: Dit is mijn land.
Hoe lang het ook in onze familie is, het blijft Gods aarde, Zijn land.
We blijven hier gasten op deze aarde, ook op dit stukje grond waar ik al zo lang woon,
waar ik vergroeid mee ben, waar mijn familie een thuis gevonden heeft.

Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst
moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom.
Dit land is eigendom van de Heere.
Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven.
Deze voorouders hadden geen eigen land.
Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land.
Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk.
Wij – de geschiedenis van onze voorvader is onze geschiedenis.
Ik maak daar onderdeel van uit.
De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons.
Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk,
maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons.
De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land,
dat Hij had beloofd aan onze voorouders.
Dit land van de belofte is een goed land.
Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken
en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.
Al is ons leven anders.
Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan.
Het verschil met onze voorouders is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken,
te voelen, te zien.
U bracht ons hierheen.
Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen.
We mogen nog veel verwachten.
Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U.
Niet wat we overhouden of de restanten,
maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen,
in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U.’

Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.
Het eerste geven van wat je krijgt
omdat je beseft, ik heb het van God gekregen, hoeveel ik er ook zelf aan heb gedaan,
welke arbeid ik er aan besteed heb.
Als je dat naar nu zou toehalen:
Het eerste van de vergoeding van een groot project dat je aan het afronden bent.
Het eerste deel van mijn salaris.
Ik denk dat er ook heel wat gelovigen zo in het leven staan,
dat je niet alleen kijkt naar wat je eigen gezin nodig hebt,
maar dat je ook kijkt wat je voor God kunt bestemmen,
omdat je teruggeeft van wat je zelfs hebt ontvangen.

Het eerste is voor God.
Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt
voor een feestmaal van de hele gemeenschap.
De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde.
Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.
De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest,
waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd.
Om de drie jaar is een tiende voor God.
En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben,
aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken:
de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen.
Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard
dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld.
Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant.
Geen afdankertjes of afschuivertjes.
Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is,
omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In de commentaren wordt gesteld dat deze rituelen
de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere.
Gods volk is een dankbaar volk.
In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt.
In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring
steeds een levendig besef te blijven.
Dat ligt niet achter ze.
Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte
die eens vervuld zouden worden,
hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte,
dat het land en de oogst door God gegeven wordt.
Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst,
een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen.
Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere.
Het volk leeft voor Gods aangezicht.
Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt,
maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad.
Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen,
die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend:
de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen.
Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

Zodat anderen ook kunnen zingen:

Zij zullen, uit de volheid van ’t gemoed,

Gedachtig aan den milden overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheen.

De Heer’ is goed en vriendlijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

Amen

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s