Handelingen 8:26-39

Handelingen 8:26-39

Er rijd een man op de weg tussen Jeruzalem en Gaza. Deze man die uit Ethiopië komt, is in Jeruzalem geweest om de God van Israël te aanbidden. Op de terugweg leest hij hardop uit het Bijbelboek Jesaja. Tijdens deze rit komt hij Filippus tegen, die door een engel van God op pad is gestuurd naar deze weg.
Lukas, de schrijver van Handelingen, vertelt in enkele woorden wie deze man is: een eunuch, een belangrijke ambtenaar van Candacé, de koningin van Ethiopië. Deze man is belangrijk omdat hij over de financiën gaat. Het lastigste is hoe we deze typeringen moeten duiden en welke rol ze mogen hebben bij de uitleg van dit gedeelte.
Candacé is geen naam, maar een titel, vergelijkbaar met koningin. In dit gedeelte lijkt het erop alsof Lukas het als een eigennaam beschouwt. Deze koningin heerst over Ethiopië. Dat is niet het huidige Ethiopië, maar naar alle waarschijnlijkheid Nubië (het huidige Sudan), met als hoofdstad Meroë.
Vooral onduidelijk is hoe we de typering eunuch moeten zien en welke toegang hij tot de tempel in Jeruzalem heeft gehad. Moeten we van deze eunuch uitgaan dat hij gecastreerd is en dat hij als gecastreerde en als heiden geen toegang had tot de tempel? Het woord eunuch kan ook echter gebruikt worden voor een hoge ambtenaar en het is niet noodzakelijk te veronderstellen dat hij gecastreerd was.
Mocht deze man de tempel betreden? Als hij geen Joodse afkomst had, mocht hij alleen in het voorhof van de heidenen komen. Uitleggers, zoals Joseph Fitzmyer, werpen de mogelijkheid op dat deze man Joods was of een proseliet (een tot het Jodendom bekeerde heiden). Dat ontlenen ze aan de structuur van het boek Handelingen: pas in hoofdstuk 10 krijgt Petrus door middel van een visioen te weten dat ook heidenen gedoopt mochten worden. Alleen de manier waarop Lukas de afkomst van deze man verwoordt, is dat hij toch een heiden lijkt te zijn.
Waarom vertelt Lukas dit verhaal eigenlijk door? Er zijn vast meerdere verhalen die hij kende, die hij niet heeft opgenomen in zijn boek over de verspreiding van het evangelie.
Er spelen allerlei verwijzingen uit het Oude Testament mee:

  • De Nubiërs zullen zich met hun geschenken haasten naar God (Psalm 68:32)
  • Het rijzige volk met de glanzende huid, het alom gevreesde volk van de Nubiërs zullen tot Sion komen, waar de naam van HEER van de hemelse machten woont (Jesaja 18).
  • Vanuit de verstrooiing zullen ze komen, van de einden der aarde (Zefanja 3:10, Jesaja 11:11).
  • Nubië is de grens van de bekende wereld. Oa de grens van het rijk van koning Nebukadnezar (Daniël 3:1LXX) en Ahasveros (Esther 3:12LXX). Zie ook Genesis 2:13.
  • Wanneer Lukas met de eunuch bedoelde dat deze man gecastreerd was, speelt ook Jesaja 56 een rol.

Al deze teksten worden niet genoemd. Hooguit kan men ze als allusie (toespeling) opmerken. Een tekst die wel genoemd wordt, is de tekst die de Ethiopiër leest: Jesaja 53. Dit gedeelte is voor Filippus aanleiding om over Jezus te vertellen. De man vraagt daarna of er ook een belemmering is om gedoopt te worden. Die belemmering is er niet. De voorwaarde om te belijden, is een (heel oude) toevoeging. Zowel Filippus als de man verlaten de plek. Filippus is elders het goede nieuws aan het vertellen; de man reist met vreugde terug naar zijn vaderland.

Hoe past dit gedeelte in het geheel van Lukas-Handelingen? Allereerst de vreugde, die de man heeft en waarmee hij zijn weg vervolgt. Vreugde is er in de hemel en op aarde is iemand gelooft in Jezus.
Het verhaal past ook goed in de visie die Lukas heeft op zending. Lukas vertelt niet alles over de uitbreiding van de kerk. Over hoe het in Syrië, Egypte en gebieden ten noordoosten van Palestina aan toegaat, lezen we niet. Wel hoe het evangelie in Samaria, Klein-Azië, Griekenland en uiteindelijk in Rome komt. De leerlingen van Jezus moeten het goede nieuws tot aan het einde van de aarde brengen (Handelingen 1:8). De belofte van redding is er voor degenen die veraf zijn en die de Heer tot zich zal roepen (Handelingen 2:39). Nubiërs worden nog niet genoemd bij de volkeren die op het Pinksterfeest aanwezig zijn en dan de boodschap horen. Nu komt er een op eigen beweging naar Jeruzalem om voor de God van Israël neer te knielen en te aanbidden.
Het past ook in de visie van Lukas op Christus: Jezus als de vervuller van de beloften in het Oude Testament (Lukas 22:20, 24:27) en de redder van de zonden (Lukas 2:11,). Minstens net zo belangrijk als de visie op zending is het geloof dat gewekt wordt als de man over Jezus hoort vertellen vanuit de Schrift (Lukas 24:32). Voor Lukas was Jesaja 53 een belangrijke tekst, die hij op Jezus toepaste.
Voor de lezer uit die tijd is deze man in ieder geval een curieus figuur. Iemand die aan de rand van de beschaving woont. ‘Als er één persoon is in het Bijbelboek Handelingen die vanuit bepaalde culturele stereotypen “de (vreemde) ander” representeert, iemand “die aan de rand van de beschaving” woont, is dat wel deze man.’ (C.K. Barrett)

Homiletische gedachten
Dit gedeelte is door de HGJB gekozen als thema voor de dienst op dankdag, waarbij de kinderen aanwezig zijn. Dit verhaal kan helpen om dankbaar te zijn voor wat God doet in ons leven, dankbaar voor het geloof. Het thema is: Blij verrast. Dankdag is er om je dankbaarheid naar God te uiten en om een houding van dankbaarheid aan te leren.

Hoe kan een preek worden opgebouwd? Het verhaal is redelijk bekend. Om de aandacht te houden is er een inleven nodig die verrassend is. Het verhaal is ook niet al te uitgebreid: Filippus die de opdracht krijgt van de engel, de man op de terugweg die een boek leest, een gesprek over Jezus naar aanleiding van een Bijbelgedeelte, de doop en de terugweg. Er zijn wel heel wat ‘gaten’ in de tekst:

  • Waarom de man naar Jeruzalem gaat: uit behoefte, als opdracht van de koningin?
  • Wat hij in Jeruzalem deed: mocht hij de tempel in of niet?
  • Hoe hij terug reisde: was hij teleurgesteld of was hij juist dankbaar en geraakt dat hij daar in of bij de tempel mocht zijn?
  • Hoe kwam hij aan de boekrol van Jesaja? Waarom had hij die gekocht? Wat was er gebeurd als hij Filippus niet was tegengekomen?
  • Wat is de uitwerking? Hoe komt hij thuis? Spreekt hij er met de mensen om hem heen over Jezus? (Er is geen enkele aanwijzing dat er in de eerste eeuw in deze regio een kerk is ontstaan)

Hoe komt het Bijbelgedeelte terug in de preek? Ook dat kan op verschillende manieren:

  • Vanuit de ik-persoon  of vanuit de derde persoon? En welke persoon is dan de hoofdpersoon: Filippus, de kamerling of iemand uit de stoet van de kamerling of een andere persoon van buiten het verhaal?
  • Welke toegang tot het verhaal: moet de man een identificatiefiguur worden of een vreemde waarbij hij voor de kinderen iets curieus blijft houden?
  • Start in Nubië met de wens om naar Jeruzalem te gaan, de voorbereidingen, de reis, de aankomst en de terugweg.
  • Start in Jeruzalem. Eventueel een terugblik naar de reis ernaar toe. Vertellen hoe het in Jeruzalem is gegaan met het bezoek aan de tempel en het kopen van de boekrol. En dan de terugreis.
  • Vertellen vanaf de terugreis. Eventueel met flashbacks.
  • Vertellen met het vervolg en dan de aankomst. Eventueel met flashbacks.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s