Preek zondagmorgen 9 juli 2017

Preek zondagmorgen 9 juli 2017
Bediening Heilige Doop + belijdenis/doop
Schriftlezing: 1 Samuël 1:19-28, 2:11-20.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een bijzondere naam die moeder Hanna aan haar zoon geeft,
de zoon waar ze zo lang op heeft moeten wachten.
Ze noemt haar zoon Samuël.
Een naam wordt vaak heel bewust uitgekozen,
daar ben je als ouders die een kind verwacht al lang mee bezig.
Je kiest een naam niet zomaar.
Je kiest een naam voor je kind uit, omdat je het een mooie naam vindt,
of vanwege de betekenis die een naam heeft, of omdat je vernoemt.
Toen Jasper de kerkenraad inlichtte over de naam die hij en Jacolien hadden gekozen,
gaf hij ook een uitleg bij van de naam van hun dochter.

In het Bijbelverhaal dat we hebben gelezen,
heeft moeder Hanna de naam ook met een reden uitgekozen.
God luistert! betekent deze naam.
Je hoort er de verbazing in en de dankbaarheid: dat God naar mij wil luisteren.
Ik heb aan de Heere om een kind gevraagd – en kijk nu toch eens,
God heeft naar mij geluisterd en mij een kind gegeven.
Als je lang hebt moeten wachten op de komst van een kind, kun je je in Hanna herkennen
en kun je je voorstellen hoe blij Hanna is geweest
toen ze zwanger werd en hoe deze blijdschap tijdens haar zwangerschap voortduurde,
misschien ook wel met extra spanning: want ze heeft zo moeten wachten.
En hoeft het niet aan je uitgelegd te worden,
wat het met je doet als je steeds weer merkt dat je niet zwanger bent.
Steeds weer die spanning: zal ik nu wel zwanger zijn en dan die teleurstelling – toch niet.
Verdriet, of misschien net als Hanna het gevoel dat je niet volop meetelt
met de anderen die wel kinderen hebben.
Veel in de kerk en misschien ook wel in onze samenleving wordt afgestemd op kinderen
en op gezinnen met kinderen.
Hanna voelde zich op de tweede plaats staan.
En Elkana, haar man, die dat niet aanvoelde en haar vroeg:
Ben ik je niet meer waard dan 10 zonen?
Misschien leed Elkana er zelf ook wel onder dat Hanna geen kinderen had,
maar hij had wel zonen en dochters – van een andere vrouw: Peninna.

Dan klopt Hanna bij de Heere aan met haar kinderwens die niet is vervuld.
Het kan best zijn dat ze daar veel moed voor nodig had,
Want als je jezelf op de tweede plan voelt staan,
als je het idee hebt, dat je er niet helemaal bij hoort
– bijvoorbeeld omdat je geen kinderen hebt –
kan het best een drempel zijn om naar de Heere toe te gaan.
Hanna doet het uiteindelijk wel.
Ze verschijnt voor God.
Het wordt zo verteld, dat ze God onder ogen komt
en dat God haar komst wel moet zien en haar gebeden wel moet horen.

En dat doet de Heere ook en Hij luistert naar haar gebed.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,

er is een God, er is een God.

Stort bij hem uit, o mens toch uw hart,

er is een God die hoort.

Hanna mag het ervaren dat het ook echt zo is.
Dat er een God is, en dat God – ondanks dat Hij zo groot is – toch ook haar gebed hoort
en haar persoonlijke worsteling onder ogen wil zien.
God hoort! – heel haar leven herinnert ze door deze naam zichzelf aan God die hoort
en ook haar zoon, die geboren is, weet dat hij er niet zomaar is,
dat het bijzonder is, dat hij gekomen is
– na een lange tijd van wachten door God is gegeven.
‘Ik heb hem aan God gevraagd!’ er klinkt verwondering in door,
dat God het gebed van haar heeft willen verhoren: ‘Ik vroeg het en Hij gaf het aan mij!’
Doopouders, jullie zullen in de afgelopen tijd vast ook gebeden hebben.
Je hebt dat gebeden wanneer je samen met elkaar aan het bidden was,
of het was een stil gebed, dat je in je gedachten had,
een gebed dat je tot God had gericht
en nu mag je hier staan, samen met je kind – voor Gods aangezicht!
Ook bij jullie zal er de dankbaarheid zijn,
dat de Heere je dit kind heeft gegeven.

In haar gebed, waarin ze God om een kind gevraagd had, deed ze ook een toezegging:
Als U mij een kind geeft, dan weet ik dat het kind niet voor mij alleen is.
Het is voor U en ik zal het weer aan U teruggeven.
Het is bijzonder wat Hanna doet – zo verlangen naar een kind, daarom bij God aankloppen
en toch weer dat kind teruggeven aan God zelf.
Niet dat zij een slechte moeder is en niet voor haar kind kan zorgen
en er geen band is tussen haar en haar kind.
Integendeel: ze kiest ervoor om thuis te blijven
als haar man de belangrijke reis maakt om voor God te komen.
Mijn kind is nu even belangrijker dan het komen voor Gods aangezicht.
Mijn taak is nu om mij de komende tijd te richten op de zorg voor mijn kind,
heel praktisch: voeding en opvoeding.
De eerste jaren van een kind zijn heel cruciaal als het gaat om hechting.
Dat je merkt dat je moeder – en ook je vader – er voor je is,
dat je eten krijgt, dat je gekoesterd wordt, dat je ervaart dat je er mag zijn,
dat je er toe doet, dat je liefde ontvangt, even een knuffel,
even laten merken: ik ben blij dat je er bent, ik ben blij dat ik je moeder mag zijn.
Hoe belangrijk dat is, hoor je van kinderen die niet een moeder hadden die zo was.
En dat is toch wat je als moeder, en ook als vader, wilt geven.
Voor sommigen was deze week de tijd van zwangerschapsverlof ook weer voorbij
en moest je weer gaan werken.
Hoe leuk je werk ook kan zijn, zo’n eerste week zal het wel wennen zijn op je werk
ook om je kind achter te laten in de handen van anderen, die voor je kind zorgen.
Dan kun je als je klaar bent, weer naar huis om er voor je kind te zijn.
Hanna brengt haar kind weg, als het een jaar of 3, 4 is.
Het is heel wat, wat Hanna doet, een heel offer, om je kind dat je gekregen hebt,
toch weer aan de Heere terug te geven.
Om afstand te doen.
Het kind dat ik gekregen heb, dat is niet van mij, ik heb het slechts in bruikleen.
Ik mag er maar een tijdje op passen, maar zodra het mijn zorg niet meer nodig heb,
is mijn kind weer van de Heere, sta ik mijn kind weer af.

Gelukkig wordt dat niet van ons gevraagd.
Toch betekent de doop ook weer dat je je kind uit handen geeft,
in de handen van de hemelse Vader.
Heere, U geeft ons dit kind, maar we hebben geen recht op,
het is niet ons eigendom, het is van U.
Zoals een lied bij de doop zingt:

O Here God – ons liefst verlangen,
dit kind van ons, dit liefdepand,
wij hebben het van U ontvangen,
wij geven ‘t U uit uwe hand.

In de doop leg je je kind weer terug in handen van de hemelse Vader:
Heere, wat ik voor mijn kind kan doen, is maar beperkt.
Ik kan niet doen, wat U doet.
Je moet je kind in deze wereld opvoeden,
terwijl je zelf deze wereld niet altijd begrijpt en misschien ook wel je zorgen hebt.

Als Gij het zelf niet vast blijft houden
nu het in onze handen is,
dit kind voor ‘t licht bestemd – hoe zouden
wij ‘t hoeden voor de duisternis.

Duisternis – zo kunnen we de tijd van Hanna ook omschrijven.
Geen makkelijke tijd om je kind op te voeden.
Er was niets van God te merken, Hij zweeg bijna helemaal.
En de mensen die over God hadden moeten vertellen,
maken er een potje van – het is zo schandalig,
dat de mensen de tempel in Silo gaan mijden.
Daar moet je niet meer zijn, dat brengt je geloof schade toe.
Om je kind weg te brengen naar Silo, waar Eli was en zijn zonen.
Als haar kind bij haar gebleven was, had ze een voorbeeld kunnen zijn in geloof,
had ze haar kind zoveel mee kunnen geven,
maar nu moet het naar Silo, omdat ze dit kind weer aan God beloofd heeft.
Hoe zal haar zoon het daar vanaf brengen?
Zal hij het voorbeeld van haarzelf volgen?
Zal hij over enkele jaren nog weten wie zij was, wat ze hem over de Heere leerde,
hoe ze hem leerde om ook bij de Heere aan te kloppen?
Of zou het gedrag van Hofni en Pinehas hem meer trekken
en zou hij met hen meedoen en zo uiteindelijk de mensen bij God vandaan jagen?

Hanna moet haar kind uit handen geven – in Gods handen.
Dat is altijd spannend, ook nu.
Ook in de tijd van Hanna, want het was een tijd waarin weinig van God te merken was
en dan je kind in Gods handen te leggen – is een geloofsdaad.
Als ik mijn kind in Gods handen leg, dan kan Hij er ook voor zorgen
dat mijn kind Hem zal leren kennen, zal gaan geloven.

Geef dat wij niets zozeer begeren
als dat ons kind U kennen zal,
die U in Christus onze Here
geopenbaard hebt eens voor al.

Ik vind dat zelf altijd het mooie van de doop, die je als ouders aan een kind kunt meegeven:
Er spreekt een groot vertrouwen in God uit:
Mijn kind, er is een God en die God zal je nooit loslaten.
Hij zal in jou het geloof wekken,
Hij zal er voor zorgen dat je Hem gaat leren kennen, dat je Hem vertrouwt
en zelf je leven aan Hem toewijdt, zoals ik jouw leven al aan God toevertrouwde.
Ik heb je aan God gewijd, in Gods handen gelegd, afgestaan aan God
En Hij zal ervoor zorgen, dat je Hem leert kennen.
Ook al laat iedereen het afweten en is er niemand die je over Hem vertelt,
zelfs dan is Hij in staat om je het geloof te geven.
Vandaag zijn we niet alleen getuige van een doop aan kinderen,
maar is Willemien er ook, die als kind niet de doop heeft ontvangen
en dat gemist heeft en steeds meer is gaan missen.
God heeft in jouw leven gewerkt – steeds laten weten dat je niet zonder Hem kunt.
Ondanks dat je niet gedoopt bent, is het geloof toch in je gaan groeien.
Je hebt het vooral gemerkt, dat je in de afgelopen jaren, die niet zo makkelijk waren,
omdat je broer Jan zo ziek was en steeds zieker werd en uiteindelijk overleed,
omdat je zo verlangde naar een kind en je wens werd maar niet vervuld
en toch was God daar, gaf Hij je kracht en liet Hij je niet los.

Je wilt dat ook aan je kind meegeven, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
En de andere ouders zullen dat niet anders willen,
dat jouw kind dat je gekregen hebt en met wie je zo verbonden bent,
ook van de Heere Jezus hoort, gaat geloven, dat het hoort van de redding,
vergeving van de zonden, dat het een andere weg mag gaan,
de weg van onze Heere en Heiland.

Geef dat het van ons leert te kijken
naar Hem die ‘t licht der wereld is
en altijd meer op Hem gaat kijken
– een lichtglans in de duisternis.

Hanna geeft wat aan haar kind mee
en elk jaar als ze bij haar kind Samuël komt,
en vol spanning wat er van het leven met de Heere nog is overgebleven.
Ze heeft een kledingsstuk bij zich: een manteltje, een schortje.
Het is niet zomaar een manteltje, maar is een priestermanteltje in kinderformaat.
Daarmee geeft ze aan: Samuël, je bent niet zomaar iemand.
Je hebt je leven gekregen, dat je er bent is een geschenk, omdat God hoort
en je hebt een speciale taak – God en de mensen te dienen.
Dat manteltje herinnert Samuël aan zijn afkomst: aan de Heere gevraagd,
een kind door gebed gekregen.
Kind, je bent van God, ik heb je afgestaan.
Dat manteltje kun je vergelijken met wat de doop is:
een herinnering aan wie je kind is – hoewel in zonde ontvangen, toch in Christus geheiligd.
Je bent van Mij – ik vond het mooi om je dat als dooptekst mee te geven, Willemien.
Je hoort er echt bij, bij God. Hij zegt het tegen jouzelf:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
Zo is ook dat priestermanteltje: Samuël – je hoort bij Mij, niet bij Hofni en Pinehas,
Zo is ook de doop: je bent van Christus.

Dat manteltje is ook een bescherming, voor Samuël, tegen verkeerde invloeden,
Je kunt het vergelijken met het gebed, van jullie als ouders.

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift.

Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden,

ook niet als satan ze straks als de tarwe zift.

 

Houdt Gij mijn kinderen vast, als ik ze los moet laten

en laat altijd Uw kracht boven hun zwakheid staan.

Gij weet hoe mateloos de wereld hen zal haten,

als zij niet in het schema van de wereld zullen gaan.

 

Ik vraag U niet mijn kinderen elk verdriet te sparen,

maar wees Gij wel hun troost, als ze eenzaam zijn en bang.

Wil om Uws naams wil hen in Uw verbond bewaren,

en laat ze nooit van U vervreemden,nooit, hun leven lang!

 

Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen.

Amen.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s