Citaten over “Nedergedaald ter helle”

Citaten over “Nedergedaald ter helle”

In verband met een preek over Nedergedaald ter helle, een zinsnede uit de Apostolische Geloodsbelijdenis, heb ik in mijn boekenkast dogmatieken, uitleggen van het credo en van de Heidelberger Catechismus nagezocht op hoe zij hierover schrijven. Hier een aantal citaten:

(Onveranderde) Augsburgse Confessie – artikel III (1530)
Er is één Christus, waarlijk God en waarlijk mens, geboren uit de maagd Maria, die waarlijk geleden heeft, die gekruisigd, gestorven en begraven is, p[dat Hij de Vader met ons verzoende. Hij was niet alleen het offer voor de erfzonde, maar ook voor alle daadwerkelijke begane zonden van de mens. Diezelfde Christus daalde af in de hel en stond waarlijk op, op de derde dag; vervolgens steeg Hij op naar de hemel, opdat Hij aan de rechterzijde van de Vader zou zitten, een eeuwig zou regeren en heersen over alle schepselen. Hij zal degenen die in Hem geloven heiligen, door in hun hart de Heilige Geest te zenden, die hen regeert, troost en levend maakt, en hen beschermt tegen de duivel en de kracht van de zonde.

Catechismus van Genève – vraag 76 (1542)
Dienaar: Wat betekent de toevoeging, dat Hij is nedergedaald in het rijk van de dood?
Leerling: Niet alleen, dat Hij de natuurlijke dood heeft ondergaan, die de scheiding van lichaam en ziel betekent, maar ook, dat zijn ziel benauwd geweest is door een bijzondere angst, die de heilige Petrus de weeën van de dood noemt (Handelingen 2:24).

Johannes Calvijn – Institutie II.8-12 (1559) – vertaling C.A. de Niet
Ook aan Christus’ afdaling in de hel mogen we niet voorbijgaan, want deze is van groot belang voor de bewerkstelliging van de verlossing. (§ 8)

Zielen van gestorven mensen in een kerker opsluiten, dat is toch onzinnig? En dat de ziel van Christus daarheen afdaalde om hen in vrijheid te stellen, waarom moest dat? (§ 9)

Het zou niets opgeleverd hebben indien Christus alleen een lichamelijke dood gestorven zou zijn. Nee, het was ook nuttig dat Hij de ernst van Gods wraak zou ondervinden om zo Gods toorn te stillen en aan Zijn rechtvaardig oordeel genoegdoening te geven. Vandaar dat Hij ook als het ware handgemeen moest raken met de machten van de hel en worstelen met de verschrikking van de eeuwige dood. (§ 9)

Nederlandse geloofsbelijdenis – artikel 19 (1561)
Zo was het dus wat Hij bij zijn sterven in de handen van zijn Vader heeft overgegeven een echt menselijke geest, die zijn lichaam verliet, maar intussen bleef de goddelijke natuur steeds met de menselijke verenigd, ook toen Hij in het graf lag.

Heidelberger Catechismus – vraag 44 (zondag 16) (1562)
Vraag 44: Waarom volgt daar: nedergedaald ter helle?
Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

Dordtse Leerregels – artikel II.4 (1619)
Deze dood is van zo grote kracht en waarde, omdat de Persoon, die hem ondergaan heeft, niet alleen een waarachtig en volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zoon van God, van hetzelfde eeuwige en oneindige wezen met de Vader en de Heilige Geest, zoals onze Heiland moest zijn. Bovendien omdat zijn dood gepaard ging met het ervaren van Gods toorn en van de vloek, die wij door onze zonden verdiend hadden.

A. Kuyper – E voto dordraceno I, Zondag XVI, hoofdstuk VII (1892)
De “Nederdaling ter helle”is een zeer wezenlijk en ten volle doorworstelen van het lijden der helle geweest, een uitdrinken van meer dan den tijdelijken dood, ja een sterven van den eeuwigen dood, in de klare verlatenheid van God. Het was een lijden, dat den Christus dreigde heel zijn aanzijn op aarde door, en dat het eerst met de Opstanding uit het graf geheel wierd afgesneden. Alzoo is het een wezenlijk stuk onzer zaligheid, omdat zonder deze nederdaling ter helle de eeuwige dood en het lijden der helle nog voor onze rekening zou liggen. Maar, hoe hoog ook in waardij, van een plaatselijk nederdalen in de diepte des verderfs of van een prediking aan de oudvaderen, terwijl zijn lichaam in het graf lag, is ganschelijk in de Schrift geen sprake; zelfs kan er, zonder heel de voorstelling der Schrift geweld aan te doen, niet aan worden gedacht.

Herman Bavinck – Gereformeerde Dogmatiek III § 46 (1902)
En alle Gereformeerden zonder onderscheid bestreden het gevoelen der Roomschen en beleden, dat Christus ook in zijne ziel, ofschoon daarin voor het schrikkelijkste in de straf, voor zelfbeschuldiging, wroeging en wanhoop geen plaats was, den toorn  Gods gedragen en den geestelijken dood zijner verlating gesmaakt heeft. Maar dit alles neemt in het minst niet weg dit andere feit, dat de staat des doods, in welken Christus met zijn sterven is ingegaan, een even wezenlijke bestanddeel van zijne vernedering heeft uitgemaakt als zijn zielelijden aan het kruis.

K. Schilder – Christus in zijn lijden III (1930), 156
Het staat met die ontkleeding van den Zoon precies zóó als met alle andere dingen van Golgotha: men moet ze zien sub specie novissimae diei: men moet er in vinden de beroeringen van de jongsten dag.  (…) De spijkers en de hamers, die bleken ons reeds eerder katastrofale machten van den jongsten dag. Welnu: de ontkleeding van den Heiland staat onder dezelfde wet: hier was de helsche schande.

O. Noordmans (geciteerd bij Van Niftrik)
In een tijd van apocalyptische aspecten kan de prediking zich eigenlijk niet veroorloven een artikel als dit op non-activiteit te plaatsen. De wereld is er sedert de Renaissance en de Kerkhervorming niet zoo humaan geworden, dat zij het diepste en het ergste zou mogen beperken tot de menselijke ziel.

G.C. van Niftrik – Kleine Dogmatiek (1944), 124, 126
De kerk heeft nu meer dan ooit als roeping om te belijden tot haar troost en kracht: Nedergedaald ter helle.

Practisch beteekent het artikel over de hellevaart van Christus voor ons de zekerheid, dat Christus in alle aanvechting en leed, ook in de hel van de oorlog en verschrikking, niet verre van ons maar bij ons is als Triomfator, die heeft overwonnen. Dood en hel zijn Zijn verwonnelingen.

Karl Barth – Dogmatik im Grundriß (1947), 139:
Es ist ein Ausgeschlossensein von Gott und das macht den Tod so furchtbar, die Hölle zur Hölle. Daß der Mensch von Gott getrennt ist: das heißt an dem Ort der Qual sein. Heulen und Zähneklappen: unsere Vorstellung reicht nicht hin an diese Wirklichkeit, dieses Sein ohne Gott. Der Atheist weißt nicht was Gott-losigkeit ist. Gottlosigkeit ist die Existenz in der Hölle. Was bliebt übrig als Ergebnis der Sünde als das? Hat sich der Mensch nicht mit seiner Tat gesondert von Gott? Niedergefahren zur Hölle, ist nur die Bestätigung. Gottes Gericht ist gerecht, d.h. es gibt dem Menschen, was er gewollt hat. Gott wäre nicht Gott, der Schöpfer nicht der Schöpfer, das Geschöpf nicht das Geschöpf und der Mensch nicht der Mensch, wenn dieses Urteil und seine Vollstreckung ausbleiben könnte.
Aber nun sagt uns ja das Glaubensbekenntnis, daß die Vollstreckung dieses Urteils in der Weise von Gott vollzogen wird, daß Er, Gott selber, in Jesus Christus seinem Sohn, der wahrer Gott und wahrer Mensch zugleich ist, an die Stelle des verurteilten Mensch tritt.

Paul Althaus – Die christliche Wahrheit. Lehrbuch Dogmatik (1948), 268:
Dogmatisch sit zur  Höllenfahrt zu sagen: der Artikel des Bekenntnisses Niedergefahren zur Hölle bedeutet für uns auch in dem zweiten Sinne, den er in der Dogmengeschichte gewonnen hat, keine Aussage über ein chronologisch zu fixierendes Geschehnis neben Kreuz und Auferstehung Jesu. Der christliche Glaube kann ihn aber, neben seiner oben behandelten ersten Bedeutung, als Ausdruck für die Tiefe des Leidenkampfes und des Sieges Jesu nehmen: Jesus hat in seinem Sterben auch die Hölle, nämlich die satanische Anfechtung der Gottverlassenheit erlitten und sie, indem er auch hier der Sohn blieb, für uns überwunden.

H. de Vos, Het christelijk geloof (1948), 206
De bedoeling is niet slechts, dat Jezus Christus in het dodenrijk geweest is, maar dat Hij er ook iets beslissends gedaan heeft. Volgens 1 Petrus heeft Hij er gepredikt en nog wel aan mensen, die van een bizonder ongeloof jegens God blijk gegeven hadden. Zelfs aan deze verstokte zondaren heeft Jezus nog het Evangelie gebracht, opdat zij zich nog zouden bekeren en gered worden. Jezus Christus geeft dus nog aan de ergste zondaren een kans; een wel troostrijke gedachte. Dat sluit echter in, dat Jezus Christus ook de macht heeft over het dodenkrijk en den dood. Hij kan er doordringen en den dood zijn slachtoffers ontrukken.

Emil Brunner – Dogmatik II (1950), 432-433
Innerhalb der Lehre von Jesus, dem Christus, kann der Gedanke des descensus ad inferors für uns kaum anders als in der Deutung der Reformierten in Betracht kommen, nämlich als Ausdruck dafür, dass Jesus nicht bloss höchstes menschliches Leiden auf sich genommen und durchgekostet habe, sondern ein Mass des Leidens, der Gottverlassenheit, das ausser ihm keiner efurh, das wir uns nur als Vorwegnehmen der Hölle – aber dann eben nicht des Totenreiches, sondern des Zustandes völliger Gottgetrenntheit – vorstellen können.

G.TH. Rothuizen – Allemaal zondagen (1959), 59-60, 60-61
Onze belijdenis, die keurig gewacht heeft tot de bijbel helemaal is uitgesproken, ook over dit onderwerp, weet, dat de dood op iets ongewoon heerlijks neerkomt: de hemel of op iets ongewoon ergs: de hel.
Die laatste is er. Niet omdat die harde gereformeerden dat altijd zo graag hebben gewild en geregeld over hel-en-verdoemenis preken – ik heb nog nooit zo’n preek gehoord en wilde wel, dàt ik er eens een hoorde – maar omdat de zachtste mens ter wereld gezegd heeft, dat er zoiets bestond: Jezus Christus.
Natuurlijk niet als een algemene werkelijkheid voor de heidenen, maar als een dreigend gevaar voor de gelovigen! Als God het volle recht op zijn liefde laat gelden, dan is het mogelijk, dat men juist dááraan ontkomt. En wie God zó serieus wil nemen, dat hij verdoemenis en ongeloof onmogelijk meer serieus kan nemen, die neemt de mens minder serieus dan God Zelf doet en die neemt dus God Zelf niet serieus genoeg op dit punt. Want God neemt de mens serieus nl. in z’n geloof, óók op dat in de hel.

De catechismus wil mij juist deze hoogste aanvechtingen van het lijf houden en mij vertellen, dat sinds Jezus er is geweest, dat het juist niet meer de bedoeling is, dat ìk er kom, in de hel. Hij is tenslotte de enige, die weet, wat het woordje precies inhoudt, en die zich dus wel driemaal bedenken zal, voor Hij iemand daarin toelaat.

Th.L. Haitjema, De Heidelberger Catechismus als klankbodem en inhoud van het actuele belijden onzer kerk (1962), 114, 115
Er is dan ook reden te over, om de uitleg, die antwoord 44 van Christus’ nederdaling ter helle geeft, en die gerust een oer-reformatorische correctie genomen mag worden op de ‘verroomsing’ van het antieke denken over een vaart door de onderwereld van Christus tussen zijn begrafenis en opstanding, om de demonen van hun buit te ontroven en de vromen onder de oude bedeling op te voeren tot de volle hemelse zaligheid, aan te vullen met het waarheidsmoment, dat in die visie schuilt, welke recht wil blijven doen aan de gedachte, dat het heilsfeit van de nederdaling ter helle volgde op de begrafenis van Jezus.

Ook dan echter – dus tussen graflegging en opstanding – was en bleef de Zoon Gods nog de actieve Middelaar. Hoe sober wij hierover ook moeten spreken, verzwegen mag toch niet worden, dat het Middelaarswerk van Jezus Christus zó diep grijpt, dat het tussen Goede Vrijdag en Pasen tot in het dodenrijk (in de oudtestamentische zin verstaan als Sjeool) zich uitstrekte tot onze verlossing en in onze plaats.

Hans-Joachim Iwand – Luthers Theologie (Nachgelassene Werke, 1974), 188-189
Der glaubende Mensch wird nicht nur vor die Frage nach der Überwindung der Sünden gestellt, denn diese hat ja keinen Sinn, wenn nicht der Tod als die letzte Macht überwunden wird. Darum konzentriert sich dann die Frage nach den Mächten um den Tod. Hier entwickelt Luther die Lehre von der Auferstehung, von dem Sieg Christi über den Tod.
Vielleicht kann man sagen, daß Luthers Theologie dort überall falsch verstanden wird, wo sie beschränkt wird auf die Vergebung der Sünden. Da muß sie bezogen werden auf die Überwindung des Schuldbewußtseins. Alles, was wir vom Gewissen gehört haben, wird nur dann recht verstanden, wenn wir von da aus weitergehen zu der Frage nach der Überwindung des Todes. Ik würde glauben, daß das ganze Problem der sogenannten “Letzten Dinge”, vielleicht auch die ganze Frage der Entmythologisierung, angefaßt werden müßte vom Gedanken des Todes her. Es ist unmöglich, in seinem Gewissen froh und frei zu werden durch Jesus Christus, wirklich zu wissen, was die Vergebung der Sünden bedeutet, wenn ich nicht an die Überwindung des Todes glauben kann. Wir werden in der Theologie noch lernen müssen, daß die Lehre von der Sünde nicht zu entfalten ist ohne die Lehre vom Tod.

Joseph Ratzinger
Vielleicht steht kein Glaubensartikel unserem Bewusstsein so fern wie diesen.

J.A. Heyns – Dogmatiek (1978), 263
Die Nuwe Testament leer niks meer as die blote feit dat Jesus dood was, en as sodanig dus in die doderuk verkeer het, vanwaar Hy op die derde dag weer opgestaan het. Die woorde in die geloofsbelydenis sal egter nie anders verstaan kan word nie as uitdrukking van die feit dat Christus alle moontlike pyn en smart, alle angs en droefheid verduur het. In die diepste duisternis van die gebroek wêreld het Hy volledig weggesink terwyl die droefheid van sy siel en die benoudheid van sy ontstelde gemoed Hom sweet soos bloeddruppels op die grond laat val het en Hy uiteindelik aan die kruis moes uitroep: ‘My God, My God, waarom het U My verlaat?’ Maar hier, in die diepste van die dood se duisternis het die groot en finale wending ná drie dae dan ook gekom, toe die vernedering van sy lewe met de glans van die verhoging vervang is.

Wolfhart Pannenberg 
Diese dunkle Tiefe menschlichen Sterbens kommt nur dort zu Bewußtsein, wo den Tod als Ausschluß von Gott erfahren wird, und daß kann nur in dem Maße der Fall sein, wie jemand von der Nähe Gottes weiß. Im vollen Bewußtsein der Nähe Gottes doch von ihm ausgeschlossen zu sein, darin hat die alte Dogmatik die Qual der Hölle gesehen. Darin liegt das sachliche Recht von Luthers Deutung der Höllenfahrt Christi auf die Gewissensnot des Gekreuzigten, auf die seelischen Qual, die der Verkündiger der Nähe Gottes erfahren haben muß.

Hans Küng
Die Fahrt ins Totenreich also symbolisch verstanden nicht als eine Leidensfahrt, als letzter Akt der Erneidrigung, nein, als Triumphfahrt und letzter Akt der Erhöhung.

J. van Genderen / W.H. Velema – Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (1992), 446
Wij mogen bij de nederdaling ter helle denken aan de staat van de dood, waarin Christus tussen zijn sterven en zijn opstanding verkeerde. Ook daarin is Hij onze Middelaar, die de straf voor de zonde tot het einde toe draagt om ons ervan te verlossen.

Eberhard Busch – Die Freiheit zugetan. Christlicher Glaube heute – im Gespräch mit dem Heidelberger Katechismus (1998), 165
Daß der Gottessohn am Kreuz, in seinem Sich-Einlassen auf aus, sich unserer Sünde, unserem Elend, unserer Verlorenheit ausgesetzt hat, das bedeutet in letzter Konsequenz, daß er sich damit unserer Gottesverlassenheit ausgesetzt und damit unaussprechliche Angst, Schmerzen und Schrecken in seiner Seele erlitten hat. Das ist der Abstieg zur Hölle: Mein Gott, warum hast du mich verlassen? (Mt. 27, 46). Aber auch das erlitt er für uns – zum Trost in unseren Anfechtungen, höllische Angst und Pein, manchmal lange Tage und Nächte hindurch, manchmal so, daß wir vor Rätsel gestellt werden und durch sie in Schatten geraten, wo wir nicht aus noch ein wissen. Aber wenn uns etwas darin und daraus kann, dann ist es die Erkenntnis: Er ist in dieser Anfechtung mitten drin und mit uns – er, der die Gottverlassenheit durchlitt, damit wir uns daran klammern und daran aufrichten: daß eben darum auch in der tiefsten Finsternis Gott uns nicht verläßt.

A. van de Beek – Jezus Kurios.  De Christologie als hart van de theologie (1998), 160, 161, 162-163
De nederdaling ter helle is bedoeld om te laten zien dat er niet alleen de werkelijkheid van ons mensen is en de werkelijkheid van God, maar ook de werkelijkheid van onze duisternis. Het is weerspiegeling van onze ervaring dat het kwaad ons te boven gaat en ons voorafgaat. Het gaat om de macht van de duisternis. Het gaat ook om de macht van de dood, die over ons heerst. We zijn daaraan onderworpen. We zijn er ook aan overgeleverd.

Aan deze werkelijkheid heeft God zijn Zoon overgeleverd. Jezus participeert dus niet alleen in het historische lot van schuld en lijden van mensen, maar ook aan hun transcendente vervallenheid aan het kwaad en het finale oordeel. God is naar de hel gegaan. En dat was nodig, want daar bevonden zich veel mensen en daar bevond zich de brandhaard van het kwaad.


Omdat de hel van een andere orde is dan de wereld, maakt de ontmythologisering ook duidelijk, dat de strijd en de overwinning van Christus niet na zijn dood nog op een andere plaats eens worden overgedaan. De beslissing valt eens en voor altijd op Golgotha.
Daar is de duivel verslagen. Daar heeft Jezus de demonische werkelijkheid onder ogen gezien. De zinsnede over de nederdaling ter helle wil zeggen dat de kruisdood verder reikte dan alleen aardse verhoudingen en machten. In die zin wordt het kruis al uitgelegd door Athanasius, die zegt dat aan het kruis, in de lucht, de boze geesten rondwaren en dat juist daarom Jezus in die sfeer zijn werk volbracht. Alleen als we geloven dat aan het kruis alle machten overwonnen zijn, kunnen we begrijpen dat Jezus vóór zijn dood volgens Johannes zegt: ‘Het is volbracht.’
Na zijn dood, als alles volbracht is, kan Jezus als bevrijder van het eigen domein van het kwaad binnengaan en de verlossing verkondigen van hen die onder de macht van de duivel gevangen zaten. Het is de eerste plek waar Pasen gevierd wordt. Net als bij de komst van Jezus in de wereld de demonen de eersten waren die Hem erkenden als de Heilige Gods, zo is na zijn volbrachte werk het rijk van het kwaad het eerste dat het bericht van Jezus’ overwinning hoort. Hij komt de boodschap er persoonlijk brengen. Want het is zijn domein en niet dat van een andere God, net als het hout van het kruis dat door Hem geschapen is.

K. Zwanepol – Een menselijke God. De betekenis van Christus voor Luther (2001), 79
In het dubbelaspect van vernedering en verhoging van de nederdaling ter helle, die gedurende de drie dagen tussen het sterven van Jezus en zijn opstanding is gesitueerd, weerspiegelt zich bij Luther de synopsis van kruis en opstanding. Het gaat om één beweging waarbij de nederdaling ter helle zowel de afdaling in de afgrond van de dood en oordeel als tegelijk de weg omhoog naar verlossing en heerlijkheid markeert.

Ingo Baldermann – Ich glaube. Erfahrungen mit dem Apostolischen Glaubensbekenntnis (2004),
So ist er hingegangen zu all den trostlos Untergegangenen, die zuletzt keine Hoffnung mehr hatten.

G. van den Brink / C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek (2012), 416-417
Jezus voer niet slechts op ten hemel, Hij voer ook neer ter helle, d.w.z. naar het rijk van de dood waar geen contact met God mogelijk is. Beide voorstellingen hoeven daarbij uiteraard niet in de kaders van een verouderde kosmologie gevat te blijven, maar kunnen met het oog op hun voorstelbaarheid doorvertaald worden in termen van een hedendaags multidimensionaal wereldbeeld. Gezien dit alles zou er iets voor te zeggen zijn om als kerk, en eventueel ook als samenleving, rond Pasen niet alleen een Hemelvaarts-, maar ook een Hellevaartsdag te vieren.

Henk Vreekamp – Als Freyja zich laat zien. De code van het christendom (2013), 180, 181
Christenen geloven dat Jezus is neergedaald in de hel. En dat daarmee de hel niet meer is wat ze was.
Geloven in Jezus. Moet je daarvoor Jezus in de hemel zoeken, opklimmen en hem naar beneden halen, naar je toe, naar de aarde? Geloven in Jezus. Moet je Jezus zoeken bij de doden, in het dodenrijk, in de afgrond, en hem naar boven halen, naar je toe, naar de aarde? Geen van beide.

Fleming Rutledge, The Crucifixion. Understanding the Death of Jesus Christ (2015) 417
Perhaps the medieval image of the harrowing of hell seemed too literal to the Reformers, too much bound up with the extrabiblical mythology of Limbo and Purgatory. An argument of this chapter is that in the twenty-first century we need to reclaim some of that imagery. We need to understand hell, not as a place, to be sure, but as a domain where evil has become the reigning reality – an empire of death, als Cyril called it. Certainly Barth, in the Barmen Declaration against the Third Reich, showed himself to be thoroughly capable of standing up to demonic usurpation. In our era it has become essential for Christians to appropriate an apocalyptic scenario that takes full account of Satan’s realm, Christ’s invasion of it, and the calling of God’s people to resist in his name. A sense of the principalities and powers is necessary for discerning what the Enemy is up to.

Advertenties

One thought on “Citaten over “Nedergedaald ter helle”

  1. Hartelijk dank voor de compilatie van het onderwerp nedergedaald ter helle.
    Hel bestaat niet tegenwoordig in de verlichte mens van vandaag. Ook voor de christen is het weleens goed om daarover door te denken en van daaruit God te danken voor de verlossing van de eeuwige dood.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s