Preek zondagmiddag 26 maart 2017

Preek zondagmiddag 26 maart 2017
Ezechiël 34: 1-12 / Johannes 18:15-40

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat moment waarop Jezus zijn Meester verloochent,
vind ik een van de meest ontroerende en aangrijpende gebeurtenissen uit de Bijbel.
Ontroerend, omdat Petrus zijn Meester niet kan loslaten.
Aangrijpend, omdat als het erop aan komt zijn Meester in de steek laat.
Ik kan dit verhaal niet lezen, zonder het op mijzelf te betrekken.
Ik moet er voor mijzelf wel over nadenken.
Daar is de Bijbel ook voor bedoeld, dat je als gelovige over jezelf nadenkt,
dat er vanuit de Bijbel de vraag naar jezelf toekomt: en ik dan?
Hoe staat het met mij? Wat zou ik hebben gedaan?

Wat ik gedaan zou hebben, dat weet ik niet.
Hoe wij op iets zouden reageren, dat kunnen wij niet weten.
Soms kun je van jezelf versteld staan, dat je iets durft of dat je rustig bent,
terwijl je ervan tevoren tegenop gezien hebt.
Soms kun je helemaal van slag zijn, zonder dat je erop bedacht bent.
We kunnen soms heel anders reageren dan we verwacht hadden.
Ik weet niet of ik het Petrus na had durven doen: achter Jezus aangaan,
ook nadat Hij werd meegenomen door de soldaten en dienaren van de hogepriester.
Want Petrus waagt zich toch wel in het hol van de leeuw.
Hij zoekt het gevaar wel op, terwijl hij net een aanslag heeft gepleegd
op Malchus, de dienaar van de hogepriester, van wie hij het oor afsloeg.
Terwijl de dreiging van een naderende dood al in de lucht hangt,
een grote groep soldaten, dienaren van een hogepriester,
leiders van het volk die al uitgesproken hebben, dat Jezus moest sterven,
één man om een heel volk te redden.
Ondanks alle dreiging gaat Petrus mee met die andere leerling,
die hem toegang biedt tot het huis van de hogepriester.
Ik weet niet of ik dat gedaan zou hebben,
maar ik vind het wel ontroerend wat PEtrus hier doet:
Hij toont zijn verbondenheid met Jezus.
Wat jullie ook met Jezus willen doen, ik hoor bij Hem,
jullie hebben ook met mij rekening te houden.
Zo had hij dat ook eerder tegen Jezus gezegd: Ik wil voor U door het vuur gaan.
Ik zal alles geven. Ik ben bereid om zelfs voor U te sterven.
Nee, bang was Petrus niet uitgevallen en loyaal is Petrus gebleven
ook nadat Jezus werd meegenomen door die legermacht.
Als geloven betekent bij Jezus horen en met Hem verbonden zijn,
dan laat Petrus zien dat Hij bij Jezus hoort.
Hij zoekt het samenzijn met Jezus weer op.
Maar juist dat breekt hem op, het wordt hem fataal.

Ik denk niet dat deze tragische gebeurtenis uit het leven in de Bijbel is opgenomen
om met de vinger te wijzen naar Petrus
om dan te doen alsof wij, als wij Petrus geweest zouden zijn,
niet in de fout zouden gaan om Jezus te verloochenen.
Ik denk dat veel gelovigen beseffen, dat wat Petrus overkomen is, hen ook kan overkomen.
Tijdens de opleiding kregen wij als studenten bij het vak pastoraat de vraag:
Op welke persoon uit de Bijbel lijk jij het meest?
Er waren er heel wat die zich op Petrus vonden lijken:
Aan de ene kant enthousiasme om over Christus te vertellen,
maar tegelijkertijd ook weten, dat je op een verkeerd moment kun opgeven,
als je wel gevraagd wordt om Jezus te belijden
Dat je dan kunt zeggen: Ik hoor niet bij Hem.
Als het verhaal in de Bijbel is opgenomen om iets te leren,
is dat de Bijbel geen gelovigen kent, die boven een ander uitstijgen,
die op een perfecte manier Jezus volgen.
Dat is aan de ene kant een geruststelling:
zelfs Petrus zat er op een afschuwelijke manier naast.
Nou, als zelfs Petrus mis kan zitten, dan is er voor mij ook hoop,
ik die ook zo vaak faal.
Toch is het ook een waarschuwing: dat wat Petrus overkwam,
kan ook mij overkomen, dat ik te weinig geloof heb om het met Jezus vol te houden.
Ook al begin ik vol goede moed en zet ik de eerste stap nog richting Jezus.

Ik denk dat dit verhaal van Petrus in de Bijbel is opgenomen, vooral is
om iets van de Heere Jezus te laten zien.
Dat er in wat er met Petrus gebeurt iets zichtbaar wordt van Christus.
Als Christus wordt ondervraagd door Pilatus en de vraag krijgt of hij een koning is,
geeft Jezus een antwoord: Als ik koning was, hadden mijn dienaren wel voor mij gevochten
Had Petrus dat niet gedaan, toen hij zijn zwaard trok en het oor afsloeg?
Had hij daarmee niet waargemaakt wat hij eerder aangaf
namelijk dat hij bereid was om zijn leven te geven voor Jezus.
Petrus wilde vooral een dienaar van Jezus zijn.
Dat is op zich een mooie invulling van geloof
en wij zouden blij zijn als iemand in de kerk zou aangeven
dat hij Christus wil dienen met alle inzet die hij heeft, voor Jezus wil gaan,
bereid om zich helemaal op te offeren en tot het uiterste in te zetten.
Hij is bereid om te dienen.
Petrus wil alleen niet gediend worden.
Petrus protesteerde toen Jezus hem de voeten wilde wassen:
Ik zou U moeten dienen, U moet mij helemaal niet dienen.
Zou Petrus niet naar het huis van de hogepriester zijn gegaan om Jezus ook daar te dienen.
Er is een uitleg – ik weet niet hoe geloofwaardig die is,
die aangeeft, dat Petrus daar in het huis van de hogepriester gewacht heeft op een teken
van zijn Meester om in actie te komen.
Er wordt geen reden gegeven.
De reden die ik kan bedenken, is dat Petrus naar binnen moest gaan
en dat zijn geloof in Jezus stuk moest breken,
omdat dit de enige manier was om te accepteren
dat Jezus kwam om hém, Petrus, te dienen.
Het is een harde manier geweest, Petrus wordt zijn geloof in Jezus ontnomen,
de Jezus zoals hijzelf Jezus voorgesteld had.
Er moet eerst wat gebeuren, voor Petrus zover komt,
Dat hij kan aanvaarden dat Jezus gekomen is om ook hem te dienen – en niet andersom.
eerst moet er bij Petrus een verkeerd beeld van Jezus uit de weg worden geruimd,
Een beeld waarin hij, Petrus, gelooft, maar niet helemaal klopt.
Petrus heeft het beeld van een koning voor wie gestreden moet worden,
en Petrus ziet zichzelf als verantwoordelijk: hij moet strijden voor Gods zaak.
De verloochening door Petrus werpt niet alleen licht op de zwakte van Petrus,
maar werpt ook licht op wie Christus is en op wat Hij kwam doen op aarde.
Om dat te kunnen zien, moet eerst zijn eigen geloof, zijn eigen band worden afgebroken.
Het geloof van Petrus is nog teveel een geloof van hemzelf,
en zijn beeld van Jezus bestaat eruit dat hij iets moet bijdragen, zich moet inzetten.

Zo’n koning ben Ik niet, zegt Jezus tegen Pilatus.
Ik ben geen koning die mensen aanzet voor mij te strijden.
De mensen die Mij gegeven zijn, zijn geen kanonnenvlees,
die opgeofferd worden voor een hoger ideaal.
Zou Petrus dat gewild hebben: zijn leven inzetten voor een hoger ideaal,
het koninkrijk van Jezus,
waarvoor hij desnoods martelaar wil worden en geëerd met een standbeeld
Als dat koninkrijk eenmaal er is, als martelaar voor de goede zaak geëerd?
Als Jezus koning is, dan niet volgens menselijke maatstaven
als iemand die bezig is met zijn eigen macht,
om die macht te handhaven en uit te bouwen,
om gebruik te maken van mensen die aan je ondergeschikt zijn
of zelfs misbruik, om hen te gebruiken om je eigen naam te vestigen,
je eigen roem en glorie uit te bouwen.
Nee, zegt Jezus, een echte koning is een herder
Een echte herder offert zijn schapen niet op,
maar is bereid om zelf voor zijn schapen te sterven.
Niet Petrus moet voor Jezus sterven, maar Jezus moet voor Petrus sterven.
Was PEtrus nu al die bijzondere handeling van diezelfde avond nog vergeten,
waarbij Jezus opstond, om zijn mantel af te doen
en daarna knielde bij hem en de andere discipelen.
Petrus, jij dient Mij niet, maar Ik dien jou.

PEtrus kan het niet zien.
Petrus volgt zijn eigen Jezus en moet die Jezus opgeven
en ontdekt dat pas als hij de haan hoort kraaien
nadat hij drie keer heeft aangegeven dat hij niet bij deze Jezus hoort.
Petrus moet zijn eigen Jezus opgeven, dat is zijn strijd,
Waardoor hij niet kan zien wie Jezus wel is.
Terwijl Petrus daar struikelt en zich van Jezus verwijdert, wordt Jezus ondervraagd.
Dat gaat samen op. Twee gebeurtenissen op hetzelfde moment.
Petrus die bevraagd wordt en zegt dat hij niet bij Jezus hoort
en Jezus die ook bevraagd wordt.
Jezus wordt bevraagd door de leiders van het volk,
die zich zorgen maken over de invloed van Jezus op het volk.
Jezus wordt aan de tand gevoeld over wat hij vertelde, maar dat niet alleen.
Hij moet ook over zijn discipelen vertellen.
Hij had kunnen vertellen: willen jullie weten wie mijn leerlingen zijn?
Daar beneden is er een, die bezig is om zich van mij te verwijderen,
die mij aan het verloochenen is.
Maar Jezus zegt iets anders, zijn woorden zijn ruim, royaal.
Jullie maken je zorgen over wat Ik verteld heb en over wie Mijn leerlingen zijn?
Iedereen kan Mijn leerling zijn.
Ik heb in het openbaar gesproken, Ik heb het Woord gezaaid
En jullie zullen nog versteld staan hoeveel Ik gezaaid heb,
bij hoevelen die zaden zullen ontkiemen en gaan uitgroeien tot geloof in Mij.
Wat Jezus zegt, lijkt gelijk onderuit gehaald te worden door Petrus.
Daar staat Jezus als een meester zonder enige leerling,
een koning zonder enige onderdaan,
Die grote aantallen die in Hem zullen geloven, die van Hem zijn,
dat is wat we in deze tijd zouden zeggen: nepnieuws. Daar is niets van waar.
Integendeel, degene die Hem nog gevolgd was, zegt dat hij niet bij Jezus hoort.
hij zal er om uitgelachen worden, dat Hij zichzelf als koning heeft uitgegeven.
Is dat, is dat Mijn koning, is dat der vaad’ren wens?

Alleen het geloof ziet in Hem de koning.
Niet een koning, zoals het geloof van Petrus een koning in Hem zag.
Niet het ongeloof van Pilatus, die de bewering dat Jezus koning was, wel komisch vond,
interessant, maar te weinig reden om hem te laten doden.
Jezus zegt nooit voluit dat Hij koning van Israël,
wel dat Hij herder is, de goede herder, maar herder is in de Bijbel een ander beeld voor koning
Koning van heel de wereld, Koning van het universum,
die in Zijn eigen koninkrijk gekomen is, omdat er een andere macht in dat koninkrijk heerst:
de zonde, de duivel – donker is het geworden in Zijn koninkrijk van licht,
een duister waar Zijn onderdanen voor gekozen hebben.
Jezus betreedt de wereld, die Zijn koninkrijk is, maar geregeerd wordt door een andere vorst.
Tegen Nicodemus zei Jezus, dat hij niet gekomen was om de wereld te oordelen.
Daar had Hij wel alle reden toe, maar dan zou het duister voorgoed heersen
en zou de zonde de macht op deze wereld houden.
Hier wordt de koning van heel het heelal, die over alles oordeelt,
zelf aan een oordeel onderworpen, van de hogepriester, van de Romeinse stadhouder.
Jezus kiest om dat oordeel te ondergaan:
om van de waarheid te getuigen, zegt Jezus tegen Pilatus.
De waarheid is de donkerheid op deze wereld, de zelfgekozen nacht.
Als Ik word geoordeeld, zegt Jezus, dan wordt het duidelijk hoe het met de wereld voorstaat.
Een wereld die deze koning niet wil,
maar Gods oordeel is sterker dan de wil van de mensen.
De waarheid is niet alleen de menselijke waarheid van de zelfgekozen duisternis,
maar ook Gods waarheid, dat de zonde wordt veroordeeld,
maar ook wordt weggedragen en verbroken
en dat voor al degenen die aan Jezus zijn gegeven redding mogelijk is en nieuw leven.
Ook voor Petrus, die nu de band met Jezus loslaat,
maar later door Jezus weer wordt opgezocht en geroepen wordt,
opnieuw, als hij opnieuw aan een kolenvuur zit om zich te warmen.
Dan begrijpt Petrus het eindelijk: niet ik moest dienen, maar Hij.
Amen


Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s