Preek zondagmorgen 19 februari 2017

Preek zondagmorgen 19 februari 2017
Johannes 5:1-21
Tekst: Maar Jezus antwoordde hun:  Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook (HSV). Mijn Vader werkt aan één stuk door en daarom doe Ik dat ook (NBV).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn studententijd, toen ik nog maar net preekte,
heb ik ooit een kritische reactie van een Jood gehad.
Terwijl bijna alle kerkgangers bij de uitgang zeiden: ‘Mooie preek!’
zei deze man bij het naar buiten gaan:
‘Jullie christenen zijn altijd zo somber, jullie missen de vreugde.
Voor ons Joden is dat, die vreugde, juist de kern van ons geloof.’
Het Joodse geloof is een leven vol vreugde
en het dienen van God is een vreugdevolle aangelegenheid.

Nou ja, zou u u kunnen zeggen, als christen ken ik ook wel vreugde.
Maar is dat dan niet veel meer een innerlijke vrede, die van binnen gevoeld wordt?
Wat die Joodse man bedoelde, was dat die vreugde niet alleen van binnen gevoeld wordt,
maar dat je jezelf onderdompelt in de vreugde van het kennen en dienen van God,
dat die vreugde je meeneemt en doortintelt,
ook in de moeilijke en donkere tijden die het volk van God kent.
Die vreugde wordt dan gevoed door de sabbat en de grote feesten het volk kent,
feesten waarop het Joodse volk viert dat Gods werk altijd doorgaat.
Hij liet dat zien in de uittocht uit Egypte (Pesach),
in Zijn begeleiding van het volk door de woestijn (Loofhuttenfeest).
God zit niet stil in de hemel, maar strijdt steeds weer opnieuw voor Zijn volk
en staat klaar om degenen die Zijn hulp nodig hebben, bij te staan.
Hij, Israëls wachter sluimert niet en slaapt niet.
Bij die feesten wordt daarbij stilgestaan en dat gevierd,
dat God niet met de armen over elkaar zit in de hemel en maar afwacht,
maar actief betrokken is op wat er op de aarde gebeurt – de aarde die Hij schiep.
Door Gods betrokkenheid te vieren wordt, het geloof in God gevoed
en ook de vreugde en is leven een leven met uitbundige vreugde.

De Heere Jezus gaat naar Jeruzalem om zich onder te dompelen in deze feestvreugde,
deze vreugde om Zijn Vader, die altijd bezig is met wat er op aarde gebeurt.
Op naar Jeruzalem, de stad van God, Zijn Vader!
Je zou verwachten dat Hij daar naar toe gaat, om net als Zijn Joodse broeders en zusters,
Zijn Vader te aanbidden in de tempel, het hart van de Joodse godsdienst,
daar waar de offers gebracht worden
en de geur van het verbrande vlees van de offers de geur is van verzoening met God,
de zoetige geur van de wierook, de geur van de gebeden die tot God worden opgezonden
en dat Hij in de geur van wierook en offer wordt meegenomen in de vreugde voor God.
Maar Hij gaat naar een andere plaats, minder uit het centrum, aan de rand,
vlak bij de poort waar een andere geur hangt,
van mensen die langdurig ziek zijn
en voor verzorging en verpleging afhankelijk zijn van anderen,
de geur van mensen die zich lang niet hebben gewassen,
omdat er niemand is die hen wast of misschien zelfs niet eens verschoont,
een plek waar de honderdduizenden die de stad voor God bezoeken niet snel zullen komen,
waar gezonde mensen, die er geen familie of bekende hebben, het niet lang uithouden.
Bethesda, het huis waar zieken zijn opgeborgen,
wachtend op dat ene moment dat er voor hen redding is uit het hopeloze bestaan,
als die engel het water aanraakt en de eerste die het water in gaat genezen wordt
en deze onheilsplek mag verlaten.
Bethesda, het is een plek ver weg van het feestgedruis in de tempel in Jeruzalem
en waar iemand die er voor het eerst komt,
zich afvraagt of het wel waar is, dat God in de hemel niet stil zit
en klaar staat om Zijn volk te helpen.
Want als God bewogen is met Zijn volk,
waarom dan juist niet met deze mensen,
die niet mee kunnen doen met de vreugde in de tempel
en veilig zijn opgeborgen in dit tehuis, zodat de pelgrims die de stad bezoeken
niet worden geconfronteerd met deze ellende.
Als Jezus in Jeruzalem aankomt, gaat Hij niet naar de tempel,
maar naar deze voor veel mensen uitzichtsloze plaats,
waar ze liggen te wachten, op dat voor hen gunstige moment.

We zongen aan het begin van de dienst: Waar Jezus komt, zal de nacht verdwijnen.
Het is de moeite waard om te kijken, waar Jezus komt.
Daar waar de vreugde in ieder geval ver weg is
en waar mensen zich afvragen of God hen niet vergeten is.

Keer eindlijk, Heer’, toch weder;
Mijn ziel buigt zich terneder,
Ai, red haar van ’t verderf.
Sla mijn ellende gade,
Tot roem van Uw genade,
En help mij, eer ik sterf.

Daar komt Jezus aan, in het huis van die wachtende zieken, blinden, kreupelen, verlamden.
Tussen al die mensen die daar lagen, is er één man die door Jezus wordt gezien.
Waarom die ene man en niet al die andere mensen?
Waarom helpt Jezus alleen deze ene man?
Met de genezing van al die andere zieken had Jezus toch duidelijk kunnen maken,
dat God inderdaad werkt en niet met de armen over elkaar, alleen maar zit toe te kijken.
Het is een vraag die gelovigen vandaag de dag ook wel kan bezig houden:
Al die mensen die ziek zijn, hoe zit het daarmee?
Waarom wordt niet iedereen beter? En waarom zijn er zoveel mensen die ziek blijven,
soms wel langdurig, net als deze man die 38 jaar lang daar ligt.
Waarom deze ene man?
Omdat Jezus de wanhoop van deze man ziet.
Mijn Vader werkt altijd en Ik ook, zal Jezus later zeggen.
Hij zit niet stil en heeft Zijn hart niet afgesloten,
maar ziet deze man die daar al 38 jaar lang ligt.
Ik heb me proberen voor te stellen hoe dat is: 38 jaar lang ziek te zijn
en daar maar te liggen.
Ik ben zelf nog geen 38. Dat hoop ik dit jaar te worden.
Ik kan het me ook niet voorstellen, hoe het is om verlamd te zijn.
In mijn vorige gemeente was er iemand, die eerst eenzijdig verlamd was
door een hersenbloeding en van wie later de goede kant nog erger getroffen werd.
Elke keer als ik haar bezocht had in het ziekenhuis,
voelde ik mij zo levendig, was ik bewust van mijn eigen lichaam, van wat ik kon:
opstaan en weglopen, naar buiten de gang op, met de trap naar beneden,
naar buiten, naar de fiets of de auto en dan wegrijden.
38 jaar lang ziek.
Sommigen denken, dat het te maken heeft met de geschiedenis van Israël in de woestijn,
die 40 jaar dat het volk door de woestijn moest trekken en dat dit teken
ook iets zegt over het volk Israël, dat verlamd was en door God genezen wordt.
In het evangelie van Johannes hebben de wonderen van Jezus een bijzondere betekenis,
het zijn nooit zomaar wonderen, Johannes gebruikt dat woord ook niet,
maar tekenen, die ergens naar verwijzen, die verwijzen naar wat Jezus komt doen.
Johannes noemt dit wonder geen teken,
maar naar mijn idee wijst het wel vooruit naar Pasen, naar de opstanding.
Want een man die al 38 jaar verlamd ligt.
Stel dat hij zo geboren is, dan heeft hij geen ander leven gekend,
dan dit liggend leven, altijd afhankelijk van anderen,
met het idee dat hij anderen alleen maar tot last is,
daarin bevestigd doordat hij door iedereen verlaten is.
Of stel dat hij opgroeide als een gezond persoon, maar later dit kreeg,
dan had hij zich in die bijna 4 decennia zich verzoend dat dit het is:
het wordt niet anders.

Jezus komt bij hem en stelt een vraag, die heel pijnlijk en weinig tactvol kan overkomen:
Wil je wel gezond worden?
Aan iemand die al zo lang ligt en geen hulp meer heeft, de vraag stellen
of hij nog wel verlangd naar een ander leven?
Zou hij er nog aan gedacht hebben, dat er een ander leven mogelijk is?
Wil hij het nog wel of heeft hij de hoop opgegeven?
Dit is het geworden, iets anders wordt het niet meer.
Dan die vraag van Jezus: wil je gezond worden? Wil je dat nog wel?
Een leven met een gezond en beweeglijk lichaam is zo onmogelijk geworden,
dat deze man daar niet eens meer over droomt.
De man kan die vraag ook niet horen, want hij geeft er geen antwoord op.
Hij kan alleen nog maar iets van zijn hopeloze situatie laten zien:
Ik heb niemand meer.
Niemand meer uit zijn oude leven als gezond persoon, die wist hoe hij was.
Geen familie meer die hem opzoekt.
Niemand die speciaal voor hem komt,
hem eten komt brengen, hem komt verschonen, hem komt voorlezen of vertellen.
Niemand die hem zal begraven en bij zijn begrafenis iets zal vertellen over hoe hij was.
Vergeten ben ik, als een dode, weg uit het hart,
afgedankt als gebroken aardewerk (Psalm 31:13)

Ik heb niemand meer, die mij helpt: een levende dode.
Deze woorden klinken op een sabbat, de dag van God,
tijdens een feest waarin de naam van de Heere wordt uitgeroepen: Ik ben die Ik ben,
Ik ben julie God, die voor jullie klaarstaat en opkomt,
die van Zich laat horen als jullie tot mij roepen.
Ik heb geen mens, zegt deze man, over God heeft hij het al helemaal niet meer,
een klacht die geuit wordt, maar niet zoals in de Psalmen gebeurt, naar God toe geuit wordt,
maar zomaar, als een opmerking waaruit blijft dat hij alle hoop heeft opgegeven.
Later als Jezus vertelt dat Hij de goede herder is,
en dat de schapen Zijn stem herkennen en opvolgen,
zegt Hij ook: Ik ben gekomen om het leven te geven in al Zijn volheid.
Tegen deze man zegt Hij niets over zichzelf,
ook niet dat Hij dé mens is, zoals Pilatus dat later zal zeggen: Zie de mens!
Ook niet dat Hij het Woord van God, het spreken van God
dat mens geworden is, net zo kwetsbaar en broos als die man die al zo lang ligt.
Alleen maar een opdracht voor de man die zich al die 38 jaar niet heeft kunnen verroeren
en die niemand om zich heen heeft om hem te helpen:
‘Sta op, neem je matras op en wandel.’
Geen aanraking of andere handeling waardoor er kracht overvloeit in die verlamde man.
Alleen enkele woorden, die ongelooflijke woorden: sta op!
Die man die levend dood was, geen hoop meer had: sta op!
Die later van Zichzelf zegt: Ik ben de opstanding en het leven,
Die later zelf opstaat uit de dood deelt Zijn opstandingskracht nu al uit: Sta op!
En om aan te geven dat deze man nooit meer terugkomt, klinkt er een 2e en 3e opdracht:
neem je matras op en ga heen! Je komt hier niet meer terug!
Je bestaan hier is voorbij, een nieuw bestaan, een nieuw leven!

Het is tijdens een feest van de Joden, op een sabbat.
Dat zijn niet zomaar wat losse opmerkingen van de evangelist,
maar geven aan waar het hier om gaat: om God die niet stil zit, maar altijd werkt!
Hij sluimert niet en slaapt niet, de bewaarder van Israël.
Er zit iets uitdagends, iets provocatiefs in die genezing op de sabbat van dat feest.
Je hoort het de Joodse leiders hardop denken:
Na die 38 jaar, had het niet een dag kunnen wachten, tot de sabbat voorbij is?
Maar voor Jezus is dit juist de kern van de sabbat:
dat mensen bevrijd worden van de boeien die hen gevangen houden,
dat ze opstaan uit de dood en van Jezus het leven in alle volheid krijgen,
dat ze erbij stil staan, dat God altijd werkt, altijd bezig is, nooit rust neemt.
En al houden wij geen sabbat: de zondag is daar ook voor bedoeld:
dat je het weet: de week die we begonnen zijn, gaan we in met God die nooit stil zit,
ook voor mij niet en zelfs het meest hopeloze kan veranderen,
zelfs de meest krachtige boeien van ziekte en dood kan verbreken,
op zondag de bevestiging van wat Jezus zegt: Ik werk ook altijd!
Mijn kracht die Ik in de opstanding liet zien,
waarmee Ik boeien van de dood verbrak,
Mijn kracht die ik liet zien op Golgotha
toen de macht van de zonde en de duivel verbroken werden, ze gelden altijd en elke dag.
Net als Mijn Vader werk Ik ook altijd.
We hebben een God die nooit vakantie neemt, nooit een dag vrijaf.

En de rustdag van God dan?
Hij rustte op de 7e dag?
Rusten houdt niet in dat God inactief is, en zich afzondert van de wereld
en er op uit trekt.
Elia zei dat over Baäl, om aan te geven dat de Heere toch echt een andere God is:
misschien is jullie god wel op vakantie of heeft hij zich terug getrokken om te rusten.
God is onvermoeibaar
en je zou kunnen zeggen: rusteloos om ons het goede te geven
en redding te brengen en ons te bewegen tot geloof
En ons geloof te beschermen en te bewaren tegen de aanvallen van de boze.
Wij hebben te rusten om dat te zien, om dat te geloven
en dat geloof te voeden, omdat we anders een week ingaan
en het vergeten dat er een God is die werkt.
Geen wonder dan dat wij als gelovigen dan niet werkelijk de vreugde hebben,
maar een zekere triestheid of wanhoop in ons meedragen,
omdat we dan vergeten dat God altijd werkt.
God breekt altijd de sabbat.
En wat God met de sabbat wilde laten zien,
Wordt voor christenen zichtbaar in Jezus: Hij is de sabbat, de vervulling van de sabbat.
Ook al houden we de sabbat niet meer, omdat we de zondag hebben,
als de dag van de opstanding van Christus, die we dan vieren, elke week weer
om voor onszelf te weten dat ons leven zich afspeelt binnen het bereik van de levende Heer,
vanuit de kracht van Zijn opstanding en de hoop op een nieuw en eeuwig leven.
Daarom moeten we de zondag ook niet teveel losmaken van van de sabbat,
één dag om te weten dat God altijd werkt, om die vreugde te vinden, ook als het tegenzit.
Wanneer je dat niet meer viert, dat God altijd werkt,
dan wordt het een vraag hoe dat zit met mensen die ziek zijn en niet beter worden.
Al die honderden, misschien wel duizenden in Bethesda, die niet genezen werden,
ook voor hen geldt dat God dag en nacht werkt en nooit rust.
Maar dat werken voor hen is niet altijd genezing.
Ook voor degenen die nu vandaag de dag met ziekte te kampen hebben,
of met een beperking, geldt: u bent niet buitengesloten van Gods werken, niet vergeten!
Het kan zijn dat u Gods werken op een andere manier leert kennen
dan wanneer u gezond bent.
Dat u iets merkt van wat de Heere Jezus in Zijn lijden heeft overgehad,
of dat je in de periode van ziekte merkt dat je naar de Heere toe gedreven wordt.
En vaak weten we niet waarom het gebeurt en waarvoor het zo moest zijn
en gaat God een weg, die wij zelf niet gekozen zouden hebben.
Maar we mogen wel weten en geloven,
Dat zelfs in het diepste dal Jezus kan komen: Waar U bent, zal de nacht verdwijnen.
Hoe sterk die nacht ook kan zijn, zoals dat met bijvoorbeeld depressiviteit kan zijn,
en hoe lang die nacht ook kan zijn, waaruit jezelf niet kan opklimmen,
de Heere heeft die macht wel, Hij is sterker dan welke macht ook.
Waarom Hij die macht niet altijd verbreekt, dat weten we niet altijd.
Dat is geen teken van ongeloof, of van te weinig bidden, van vergeten zijn.
Het is onze taak als gelovigen niet om daar een mening over te hebben,
maar om te blijven geloven, dat ook in deze wanhoop Jezus kan komen
en misschien wel gekomen is, maar dan op een niet zo zichtbare en tastbare manier.
Het is onze taak om het uit te houden en uit te zien, om te hopen en te verwachten
Omdat Jezus zegt: Mijn Vader werkt aan één stuk door en Ik doe dat ook!
Al weten wij niet altijd hoe Hij dat doet, wel dat Hij dat doet.

Nooddruftigen vergeet God niet,
Noch laat hen eindloos in ’t verdriet.
’t Ellendig volk mag op Hem wachten;
Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s