Preek zondagmiddag 29 januari 2017

Preek zondagmiddag 29 januari 2017
Johannes 2:13-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dit is een kant van Jezus die we niet vaak zien:
een boze Jezus die tekeergaat in de tempel,
De dieren uit de tempel wegjaagt en de tafel van de geldwisselaars wegjaagt.
Deze actie past niet bij het beeld van de vredelievende, zachte Jezus.
Dit is een Jezus met felheid in Zijn handelen,
een felheid, een hartstocht waar de handelaars in de tempel voor wegvluchten,
geschrokken, verontwaardigd wellicht, door het optreden van Jezus.
Jezus maakt van touwen een zweep, om de runderen en de schapen naar buiten te drijven,
samen met de veehandelaars die de schapen en de koeien daar gebracht hadden.
De tafels waarop het geld ligt dat omgeruild kan worden
worden omvergegooid zodat de munten over het tempelplein rollen.
Weg met de duivenverkopers.
Jullie maken het huis van Mijn Vader tot een markt.
Jullie degraderen de tempel tot een ordinaire winkel,
waar gehandeld en gesjacherd wordt, waar winst gemaakt wordt.
Maar jullie vergeten dat de tempel niet van jullie is, maar het huis van Mijn Vader.
Dit is het huis waar God woont, maar jullie doen alsof jullie zelf hier de baas zijn
en kunnen bepalen wat er mag gebeuren
en jullie gebruiken het ook nog om er zelf beter van te maken.
Dat is nogal een aanklacht tegen degenen die de leiding hebben over de tempel.
En de tempel dat is het hart van de Joodse godsdienst:
de plek waar God woont en waar de offers worden gebracht,
waar de dienst aan God gebeurt.
Omdat het in het hart van de Joodse godsdienst mis gaat,
komt er een felheid in Jezus naar boven, die we haast niet kennen.

Het begint al als Jezus naar Jeruzalem afreist
om samen met zijn broeders en zusters uit het Joodse volk het Paasfeest te vieren:
Pesach, het feest waarop gevierd wordt dat God Zijn volk uit Egypte bevrijdde.
Pesach, het feest waarop stil gestaan wordt bij God die redt en bevrijdt.
Het is geen feest waarop naar het verleden gekeken wordt.
De Heere bevrijdt nu nog en redt nog steeds.
De Heere is door alle eeuwen heen dezelfde
en om dat geloof te versterken wordt Pesach gevierd.
Als een pelgrim reist Jezus naar Jeruzalem,
om daar in de stad van God dit belangrijke feest te vieren, samen met Zijn volk.
Een pelgrim heeft het doel om God aan te treffen op het eindpunt van de reis.
Dat is ook het doel van Jezus’ reis: in de tempel komen
om daar Zijn Vader te treffen, die Hem naar de aarde gestuurd heeft
om opnieuw een Pesach, een bevrijding en redding te brengen:
redding uit de nacht van de zonde, God die nu redt en nu bevrijdt.
Maar in plaats van Zijn Vader in de tempel aan te treffen,
treft Hij iets anders aan:
van de tempel is in Zijn ogen een commerciële aangelegenheid gemaakt.
De evangelist Johannes gebruikt een woord, dat hij vaak gebruikt
en voor hem een belangrijk woord is.
Het is vertaald met aantreffen.
Er staat: vinden.
Een belangrijk woord, omdat Jezus mensen vindt en mensen Jezus vinden.
Dat vinden heeft de betekenis van uitkomen bij God,
aankomen op de plek waar je moet zijn, je bestemming in Christus vinden.
Hij vindt handelaars in vee en duiven, mensen die geld wisselen.
Die vindt Hij in de tempel, in plaats van ruimte en eerbied voor Zijn Vader.
Jezus vindt de bestemming van de tempel niet.
De tempel komt niet tot zijn recht, wordt niet voor zijn doel gebruikt
om de band met God te onderhouden, om God te vinden.
Het gaat hier ook om een belangrijke vraag,
die geregeld in het Johannesevangelie aan de orde komt:
Wat is de juiste manier om God te dienen?
Wat is de juiste manier om God te aanbidden, om tot Hem te komen?
Het is een zoektocht naar de juiste eredienst.
Daar in het hart van de Joodse godsdienst zal God wel op de juiste manier worden gediend.

Dat is overigens een vraag die niet alleen toen aan de orde was,
maar een vraag die altijd geldt: wat is de juiste eredienst,
want wij zijn maar mensen, die wel tot de grote en heilige God komen.
Wie geeft ons dat recht om tot God te komen?
En wie geeft aan dat we op de juiste manier tot God komen?
Bepalen wij dat zelf of hebben we ons te houden aan de voorschriften die God geeft?
En wat zijn die voorschriften dan?

Wat er in de tempel gebeurt, heeft met die voorschriften te maken.
Voor we de kritiek op de Joodse godsdienst overnemen,
moeten we wel eerst beseffen dat er ook iets te zeggen valt
voor wat de leiders van de tempel hadden gedaan.
Zij hadden juist om ruimte te geven aan die eredienst
Er moet geofferd worden heeft God bevolen.
Daarom zijn er schapen en koeien nodig, en duiven voor de armen.
De gedachte achter een offer is dat de dood van de een het leven geeft aan een ander.
Een schaap sterft en daardoor mag de mens die het schaap offert.
Het is een belangrijk onderdeel van de dienst aan God,
het offer om de band met God te versterken en het verkeerde weg te nemen.
Wat is er beter om de mensen die in de tempel komen van dienst te zijn,
zodat zij met hun offers tot God kunnen naderen.
Met de dieren die bij de tempel gekocht kunnen worden,
kan ook nog een deel van de opbrengst aan de tempel worden geschonken.

Ook de geldwisselaars zitten er niet voor niets.
Zij zijn er voor de Joden die vanuit de andere delen van de wereld komen
en geld bij zich hebben waar de Romeinse keizer is afgebeeld.
Dat geld kan in de tempel worden gewisseld, zodat de Joden van ver
toch zuiver geld aan de tempel kunnen geven,
geld dat anders onheilig zou zijn omdat de Romeinse keizer werd afgebeeld als god.
Wat de Joodse leiders doen, is bedoeld om de zuiverheid van de tempel in de gaten te houden.

Maar Jezus ziet er iets anders in: pure commercie.
Dit gaat niet meer om de dienst van God, maar om de dienst aan de eigen portemonnee.
Johannes vertelt ook niet, waarom Jezus op deze gedachte komt.
We zouden bij andere bronnen kunnen gaan kijken, wat er gemeld wordt.
Kajafas, die de markt van de Olijfberg buiten de stad verplaatst naar het tempelplein.
De evangelist Johannes doet iets merkwaardigs:
Hij meldt niet de reden van Jezus’ boosheid en waar die boosheid op gebaseerd is.
Het gaat Johannes om iets anders: om wat Jezus over zichzelf laat zien.
Johannes geeft de reactie van de leerlingen weer:
Ze moeten bij het optreden van Jezus denken aan een regel uit de psalmen:
De ijver voor Uw huis zal mij verteren.
Daar moeten we even bij stil staan, want er gebeurt iets met de tekst.
Het is een citaat uit Psalm 69, maar de tijdsweergave is anders.
In Psalm 69 is het in de verleden tijd: De ijver voor Uw huis heeft mij verteerd.
De discipelen zien in de tempel Jezus tekeer gaan:
een ijver die doet denken aan deze regel uit de psalmen,
maar ze hebben een voorgevoel dat dit verkeerd af zal lopen:
De ijver voor uw huis zal mij verteren, zal mij verslinden.
Dat gaat nog gebeuren, dat de ijver die Jezus laat zien, teveel zal zijn.
Het gaat ten koste van zichzelf.
Het is een voorgevoel, dat ze nog niet kunnen plaatsen,
maar het maakt hen ongerust.
Ze weten niet wat ze er van moeten denken.
Die ijver, dat vinden ze bijzonder, daar spreekt heilige verontwaardiging uit.
Het gaat Jezus echt om iets belangrijks.
Er staat iets op het spel: de manier waarop God gediend moet worden,
maar dat krijgt nog een staartje, nog een gevolg,
wat dat weten ze nog niet, maar het zal niet veel goeds zijn.

Voorlopig is het nog een raadsel,
maar hier op het tempelplein valt de schaduw van het kruis.
De discipelen, ze vernemen er iets van, maar kunnen het nog niet duiden,
er nog niet de vinger op leggen.
Pas nadat Christus is opgestaan, weten ze wat hun voorgevoel hen toen al zei.
De ijver voor Uw huis zal mij verteren.
En daarmee zegt deze tekst ook iets over Golgotha:
Het is de ijver van Christus voor Gods huis,
een ijver die al in het Oude Testament is aangekondigd
en waar de discipelen als getuige op het tempelplein iets van zien
en die ze aan het kruis van Golgotha nog meer zullen zien:
de ijver voor Gods huis.
De juiste eredienst heeft met Christus te maken, met Zijn sterven op Golgotha.

Dit signaal wordt niet opgepikt door de leiders van de tempel,
die verbolgen zijn dat Jezus de pijlers waarop de tempeldienst is gebaseerd weghaalt.
Zij kunnen in het optreden van Jezus niet de ijver voor Gods huis zien,
eerder een optreden dat gevaarlijk is en de ware dienst aan God ondergraaft
want de ware dienst aan God is hier in de tempel.
Daar zingen wijzelf ook vaak in de psalmen over.
Waar haal je het recht vandaan?
Welk teken geef je ons, om te bewijzen dat je volmacht hebt
hier in de tempel huis te houden en schoon schip te maken?
Teken, dat is de vraag naar Jezus’ bevoegdheid.
maar het tegelijkertijd een woord dat de evangelist Johannes 7 keer gebruikt
om de 7 wonderen te beschrijven die hij doorgeeft aan ons,}
7 tekenen die allemaal iets laten zien over Christus, over wie Hij is
en wat Hij hier op aarde kwam doen.
En nu wordt Hij hier bevraagd door de leiders. Waar haal je het recht vandaan.

Jezus antwoordt met een raadselachtig antwoord
en ook dat antwoord wordt pas duidelijk nadat Jezus is opgestaan uit de dood.
Breek deze tempel af, zegt Hij en Ik zal deze tempel weer in drie dagen opbouwen.
Breek deze tempel af.
Daar moeten deze leiders niet aan denken,
want is er niet lang gewerkt om de tempel te herstellen en uit te breiden.
46 jaar, waarin er hard gewerkt is om de tempel te verfraaien,
om de tempel meer glans te geven, een indrukwekkend gebouw te laten zijn,
Waarbij de grootsheid van het gebouw afstraalt op de eredienst.
Door die bijna halve eeuw aan werken aan de tempel,
kom je al onder de indruk als je de tempel ziet liggen in de verte, op de berg,
als je de stad nadert en wordt je hart getrokken naar de tempel:
Daar wil ik naar toe om God te aanbidden, om bij God te zijn en Hem te ervaren.
Hoe kan Jezus het in zijn hoofd halen om dit indrukwekkende gebouw te laten afbreken,
dat in al zijn grootsheid en heiligheid straalt van Gods luister en heerlijkheid.
46 jaar is er aan gewerkt om die tempel te verfraaien en uit te bouwen.
Het is niet meer de wat armoedige tempel van na de ballingschap,
maar een tempel die er mag zijn.
En in die jaren is er heel wat werk in de tempel gaan zitten.
Hoeveel mensen zullen er wel niet in die 46 jaar hebben gewerkt aan die tempel?
Hoeveel inzamelingsacties zullen er niet zijn geweest
om de financiering behapbaar te maken?
Dat geeft aan de tempel een verbondenheid – dit is toch wel een beetje onze tempel.
Dat zal die business op het tempelplein extra noodzakelijk hebben gemaakt:
Er moet wel wat winst gemaakt worden, anders is het megaproject van verfraaien van de tempel niet mogelijk.
Ze hebben niet gehoord wat Jezus had gezegd:
dat het niet hun gebouw is, waar zij een eigendomsrecht op hebben,
maar het huis waarin Zijn Vader woont en daarom van God is.
Hoe goedbedoeld jullie acties ook zijn, jullie vergeten uiteindelijk waar het om draait
in de eredienst in de tempel: om God, om de dienst aan Hem.
Jullie zoeken het in het verfraaien van het gebouw, in de uitstraling van het complex,
je moet het anders zoeken.

Breek deze tempel af, dat is uitdagend, provocerend bedoeld.
Al die pracht en praal, al die luister die jullie aan de tempel verbinden,
wat is die tempel eigenlijk, de plek om God te dienen en te aanbidden, om bij God te komen.
Breek deze tempel af.
Pas na de opstanding wordt het duidelijk wat Jezus hier bedoelt.
Dat Hij zegt: de tempel, dat ben ik.
Dat is niet het gebouw, waar we nu staan, dat is niet het complex,
maar dat is mijn lichaam,
Het woord van God dat vlees geworden is,
Het spreken van God dat gekomen is in een mensengestalte,
net zo broos en kwetsbaar als jullie.
Zoals Jezus tegen Nathanaël zei: ik ben de ladder die naar de hemel gaat,
ik ben die open hemel om bij God te komen,
zegt Jezus hier: ik ben de tempel, ik ben het huis van God.
Hij zegt het uitdagend: breek deze tempel af.
Er zijn weinig adviezen van Jezus die de leiders hebben opgevolgd.
Maar deze volgen ze wel op, zonder dat ze het weten.
Ze breken de tempel af, het lichaam van Jezus, maar tevergeefs.
Zijn opstanding is het teken, dat wat Hij doet van God komt.
Als het graf Jezus moet laten gaan,
op de derde dag, zoals Jona wordt uitgespuugd door de vis,
zo moet het graf Jezus laten gaan, het graf gaat open.
Dat is jullie teken, zegt Jezus,
maar zul je het dan wel geloven, dat ik het recht heb?
Dat ik Gods zoon ben, de ladder, de tempel?
Teken vraagt om geloof.
Dat geloof is hier nog oppervlakkig.
Het geloof van de discipelen, van de mensen die in Jeruzalem in Jezus geloven
vanwege de tekenen die Hij doet.
Geloven is bij Johannes: steeds verder ingewijd worden:
Eerst via het bijzondere iets zien van het bijzondere van Jezus.
Johannes noemt dat al geloof,
maar tegelijkertijd geeft hij aan dat je er dan nog niet bent
als je in Jezus iets of iemand bijzonders ziet.
Wie Jezus wil begrijpen, moet langs Golgotha
en moet langs de tuin waar het graf was, waarin Jezus gelegd werd
dat nu een open graf is, omdat Jezus daar niet meer is.
Voor de discipelen is het dan pas het moment, dat ze werkelijk geloven
en echt kunnen zien wie Jezus is.

Alles wat er in de Joodse eredienst is, loopt uit op Jezus.
Hij wordt de tempel. – Hij heeft onder ons getabernakeld, zegt Johannes in hoofdstuk 1.
Als een tabernakel was Hij in ons midden.
Maar ook Pesach loopt uit op Jezus, omdat het moment waarop de Psalm uitkomt,
de psalm die door de discipelen in gedachten komt over de ijver die verteert,
het moment is waarop het lam wordt geslacht dat nodig is om Pesach te vieren.
Zie, het lam van God, Hij staat nu in de tempel
heeft alle andere offerdieren weggestuurd en zegt: hier ben Ik,
offerdier en tempel tegelijk.
Jezus laat zien wie Hij is.
Amen

 




Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s