Wat is preken?

Wat is preken?
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 2

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 2: Stemmen uit heden en verleden over wat preken is.

In de afgelopen decennia heeft vooral de vorm van de preek de aandacht gehad: hoe wordt de preek opgebouwd en hoe is de voordracht. Daarnaast was er veel aandacht voor de interactie met de luisteraars.
Knieling vindt dat het tijd wordt om ook weer over de inhoud na te denken: Wat wordt er in de preek gezegd? Welke boodschap past in deze tijd? Knieling is namelijk van mening dat de inhoud van de preek te wensen overlaat. Of het is een heel afgezwakte boodschap die nauwelijks nog verkondiging te noemen is. Of het is een verkondiging die geen rekening houdt met alle veranderingen in de maatschappij, waardoor de boodschap niet aankomt.

Knieling maakt onderscheid tussen preken en verkondigen:
* Preek: toespraak in de eredienst
* Verkondiging: overkoepelend begrip voor verschillende vormen, zoals preek, meditatie, gesprek over de Bijbel, enz.

Enkele vragen om vooraf te overdenken:
* Welke ervaring heb ik zelf met preken en verkondigen? Welke preken en verkondiging heb ik aangehoord? Waar was dat? In de eigen gemeente of elders? In een officiële kerkdienst of een bijzondere dienst op een speciale locatie? Hoe heb ik dat beleefd?
* En als actieve prediker: Voor welke situatie was dat? Hoe heb ik dat gedaan? Hoe heb ik dat beleefd? Wat wil ik ermee?
* Wat is voor mij een goede preek of een goede verkondiging?
* Wat gebeurt er tijdens de preek of verkondiging?
* Wat is preken? Wat is verkondigen?

Ten aanzien van de stemmen uit heden en verleden die voorbij komen:
* Wat zou ik precies zo formuleren?
* Wat zou ik aanpassen of heel anders formuleren?

1) Bijbelse ontdekkingen
In Oude en Nieuwe Testament is te zien dat God zich aan mensen toont. Hij spreekt tot hen. Daarop spreken mensen met anderen over God, die gesproken heeft. In de Bijbel worden alledaagse woorden gebruikt voor dat spreken van God:
– Spreken – Vertellen – Leren, onderwijzen
– Roepen – Bekend maken – Herinneren
– Mededelen – Laten horen – Inscherpen
Zowel het Oude als Nieuwe Testament wordt op verschillende manieren gesproken over de communicatie van God tot mensen.

Wat kunnen we uit de Bijbel leren voor de preek en verkondiging vandaag de dag?
(1) Het spreken van God kent net zo verschillende vormen van communicatie als het leven zelf. Dat spreken is in ieder geval gevarieerder dan de huidige preekvorm in de eredienst en zelden een monoloog.
(2) Het spreken van God is niet zonder effect. De mensen reageren wel steeds verschillend op het spreken van God: mensen geven gehoor, mensen spreken hem tegen, of wijzen het van de hand.
(3) Het spreken van God op zoveel verschillende manieren laat iets zien van de grootheid en het geheimenisvolle van God: God is niet op een noemer te brengen.

2) Maarten Luther – Effectief spreken van God
Voor Maarten Luther is het spreken van God van groot belang. Het is een levendig spreken van God tot de gemeente; een levendige dialoog waarbij God spreekt en de gemeente antwoordt door gebed en lofzang.  Dat spreken van God kent twee dimensies: wet en evangelie (of: eis en vrijspraak). Deze twee dimensies vallen niet samen, maar kunnen ook niet van elkaar losgemaakt worden.
Het spreken van God heeft effect: het spreken werkt geloof. Het spreken van God raakt de mens in het hart en in het geweten. Dat hart en dat geweten is aan de ene kant de kern van ons persoon-zijn, aan de andere kant is dat een innerlijk gebied waarin nogal wat gebeurt aan kwade krachten, kwade gedachten en handelingen. Wie in zijn eigen hart kijkt, kan schrikken wat hij of zij daar aantreft aan duistere hoeken en ravijnen. De wet in Gods spreken wijst dat duistere aan, maar het evangelie geeft aan hoe de mens daarvan kan loskomen, bevrijd kan worden, voor Gods aangezicht kan worden vrijgesproken van schuld.

In de preek komt dat levendige spreken van God tot de gemeente. Er is een levendige dialoog tussen God en de gemeente. De predikant die de preek houdt heeft die dialoog zelf eerst gehad, waarbij er bij de predikant niet direct geloof is. De weg naar de preek is een weg van uitvoerig bemediteren en jezelf laten aanspreken en in een openheid voor Gods spreken (gebed). Dit overdenken, doorleven en ter harte nemen gaat niet zonder aanvechting. Deze overdenking en die aanvechting moet tot Christus leiden. Hij is de basis van het geloof. Hij spreekt vrij.

Luther had twee fronten waartegen hij zijn visie op preek, verkondiging en eredienst moest afzetten:
* Tegenover Rome: het priesterschap van alle gelovigen, die de verkondiging horen en in staat zijn om die verkondiging inhoudelijk te beoordelen.
* Tegenover de ‘Schwärmer’: de eredienst kent een bepaalde ordening: de orde van dienst. Het belangrijkste is het levendige spreken van God. De orde van de dienst is daaraan ondergeschikt. Luther creëerde naast de Latijnse mis de mogelijkheid om de kerkdienst in het Duits te houden (Deutsche Messe). Die verschillende vormen bedreigen de eenheid van de gemeente niet.
De orde was is niet onbelangrijk. De Geest verbindt zich namelijk aan de Schrift en aan Christus.

Knieling is gefascineerd door het vertrouwen dat Luther heeft in de verkondiging, omdat de levende God zijn stem daardoor heen laat klinken en een levendige dialoog met de gemeente aangaat en in staat is geloof te wekken. Dat geeft hem gelijk een zelfkritische vraag: Preek ik met zo’n verwachting dat mijn verkondiging van het evangelie in staat is om geloof te wekken?

Hoe zit dat met dat effectieve woord, dat effectieve spreken in de beeldcultuur van vandaag de dag? Luther verbande de beelden niet uit de kerk en kon heel beeldend preken. De Bijbel bevat ook veel grootse beelden, die ook in deze tijd indruk kunnen maken.

(3) Friedrich Schleiermacher (1768-1834)
De kerkdienst is volgens Schleiermacher een plaats van de circulatie van het godsdienstige bewustzijn. De mens heeft volgens Schleiermacher een bewustzijn van totale afhankelijkheid van het transcendente. Dit bewustzijn wordt in de preek gedeeld, waardoor de gemeente daarin wordt meegenomen of daardoor wordt aangestoken. Een preek is daarom geen leerrede of moralistisch verhaal, maar een toespraak die de gemeente wil opbouwen. De preek roept de werkelijkheid die er bij mensen reeds is – namelijk dat bewustzijn van totale afhankelijkheid van het transcendente. God heeft dit bewustzijn ingeschapen. Schleiermacher spreekt in zijn preken de gemeenteleden daarom ook als christenen aan (en niet als mensen die nog bekeerd moeten worden).
In de theorie van Schleiermacher is de persoon van de prediker van groot belang: de prediker is als een kunstenaar die het bewustzijn bij de gemeente oproept. Daarbij gaat het Schleiermacher niet om een emotie of een stemming, maar om de inhoud van wat de prediker als kunstenaar oproept. De prediker kan dat alleen als de prediker zelf is aangesproken en daarvan deelt met de gemeente.
Dat is ook wat Knieling fascineert in de visie van Schleiermacher: de preek als godsdienstige toespraak door een prediker die is aangesproken, doordat de prediker is geraakt door een religieuze ervaring op basis van de kerninhoud van het christelijk geloof aan de hand van de Bijbelse teksten. Dit aangesproken zijn prikkelt het godsdienstige bewustzijn en bouwt de gemeente op.

4) Karl Barth (1886-1968)
Van Karl Barth stamt de beroemde omschrijving van verkondiging dat wij niet over God kunnen spreken (omdat God te groot is om te begrijpen en in mensenwoorden te vangen), maar dat we wel moeten (omdat God ons mensen daartoe heeft opgedragen).
Voor Karl Barth heeft de preek een verwijzend karakter: Zij wijst op het Woord van God. De preek valt niet samen met het Woord van God. Mensenwoorden worden niet veranderd in woorden van God. Het is niet de taak van mensen om God tot spreken te brengen. Dat zou menselijke hoogmoed zijn.
Maar het woord van God is wel verborgen aanwezig in de preek. De taak van de prediker is om zo op de vragen van de gemeenteleden in te gaan (en die vragen open te houden) tot God zelf met een antwoord komt. Daarom is het gebed om de Geest van God van groot belang in de kerkdienst. Alleen Gods eigen spreken kan dat antwoord geven.
De visie op preken en verkondiging die Barth had wijkt dus niet eens zoveel af van wat Ernst Lange voorstond. Barth had er ook geen moeite mee dat communicatiewetenschappen werden toegepast in de reflectie op en de praktijk van het preken.

Wat Knieling aan Barth fascineert, is dat bij Barth de prediker een bescheiden rol krijgt: de eigen mening is ondergeschikt aan wat God te zeggen heeft. Barth had een besef van de voorlopigheid van de eigen theologie. Aan de andere kant wilde Barth oog hebben voor wat de mensen bezighield. In de verkondiging worden de luisteraars voor het aangezicht van God waargenomen. De wereld waarin wij leven, met alle chaos en ongerijmdheid, is niet zomaar een wereld, maar Gods wereld. Dat wenst Knieling meer: dat de preek een ruimte opent, waarin de inzicht vanuit de Schrift kan ‘inbreken’ in de levensgeschiedenis van mensen, die zich daardoor serieus genomen weten en iets van God ontdekken, omdat hun vragen en ongemak zolang wordt uitgehouden tot God iets van zichzelf laat zien of horen.

5) Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)
De visie van Bonhoeffer is – zoals bij veel predikers – gevormd door een gevecht met de eigen tijd. Zijn visie is gestempeld door wat hij zag als zijn roeping van Godswege. Toen hij door de Bekennende Kirche werd gevraagd om predikanten op te leiden, besteedde hij op het Finkenwalder seminarie veel aandacht aan de prediking. Daarbij kregen praktische vragen volop de aandacht, zoals de tijd die aan een preek besteed moet worden. De praktische vragen waren voor Bonhoeffer echter van ondergeschikt belang ten opzichte van de inhoud van de verkondiging. Door zijn discussies met de Deutsche Christen en de koers van de kerk in de nazi-tijd zette hij radicaal in bij het Woord van God. De tekst uit de Bijbel plaatst ons in Gods aanwezigheid. Het gaat er niet om dat de predikant moeite doet om de kloof tussen de tekst uit het verleden en de hoorder in het heden te overbruggen. In de preek is Christus namelijk aanwezig, die zich tot de gemeente richt. Christus vraagt om gehoorzaamheid. We kunnen de inhoud van het geloof niet overwoekeren met allerlei menselijke inzichten, zoals dat bij de Deutsche Christen gebeurde. Prediking krijgt, door het presentstellen van de levende Christus, een profetische strekking: de gemeente wordt voor Gods aangezicht gesteld en bevrijd tot geloofsgehoorzaamheid.

Knieling is onder de indruk van de moed van Bonhoeffer. Daarnaast is Knieling onder de indruk van Bonhoeffers houding zich helemaal onder te dompelen in de Bijbelse boodschap en zich daardoor uit de greep van verleidelijke ideologieën werd gehouden. Bonhoeffer inspireert ook om het maatschappelijke en het politieke niet uit het oog te verliezen, maar de verwerken in de verkondiging. Bonhoeffer daagt uit om waakzaam te zijn en als gehoorzame christen een andere weg te gaan in geloof. Een weg van moed, passie en eerlijkheid, maar ook een weg van scepsis en angst.

6) Ernst Lange (1927-1974)
Ernst Lange groeide op in de nazi-tijd en was actief in een tijd waarin het nazi-verleden als een donkere schaduw over zijn land hing. Hij was op zoek naar nieuwe vormen voor de kerk. Hij was betrokken bij de oprichting van een kerk die in Berlijn-Spandau werd gevestigd in een bakkerij (de zogenaamde Ladenkirche). Lange was vooral geïnteresseerd in hoe de verkondiging gebeurt. Het was de tijd van de empirische wending in de praktische theologie: alle facetten van geloof en kerk werden op empirische wijze onderzocht en verwerkt in de theologische doordenking. Op basis van die empirische onderzoeken wilde men de praktijk van de kerk, van de gemeente en geloof vernieuwen.
Voor Lange was de preek een van de vormen van de communicatie van het evangelie. Lange ging in dialoog met zijn gemeente over de inhoud van de verkondiging. ‘Wil mijn preek relevant zijn, dan moet het niet alleen opkomen uit het gesprek, maar ook het gesprek weer openen.’ Een bekende uitspraak van Lange is dat hij in de preek met de hoorder spreekt over zijn of haar leven in het licht van het evangelie (als belofte). De preek is een persoonlijk gewaagd woord, dat nieuw wil zijn in deze context, een woord van belofte dat Gods belofte in deze context opnieuw laat horen.
Lange was zich ervan bewust dat de situatie waarvoor de preek wordt voorbereid en waarin de preek gehouden wordt, invloed heeft op de vorm en de inhoud van de preek. Tegelijkertijd wilde Lange vasthouden aan het belang van de Bijbeltekst. De preek was een dialoog tussen beide werelden: de wereld van de hoorder en de wereld van de tekst. Het materiaal voor de voorbereiding voor de preek bestond daarom uit twee delen: een schets van de boodschap en een schets van de context.

De theorie van Ernst Lange is van grote invloed geweest. Mede door Lange werd de inhoud van de preek niet alleen meer bepaald door de Bijbeltekst, maar kreeg de maatschappelijke en politieke context een plek in de preek. Mede door Lange is er ook aandacht gekomen voor de preek als communicatiemiddel. Sindsdien wordt onderzocht wat belemmeringen en stimulansen voor de preek zijn. Mede door Lange kwam er aandacht voor de diverse leefomstandigheden en werelden waarin kerkgangers zich bevinden. Mede door Lange werden kerkgangers serieus genomen als interpreten en duiders van de eigen tijd. Zelf voeren zij vaak zelf al de dialoog tussen de Bijbelwoorden en hun eigen context. De preek kan die dialoog versterken of oproepen.

7) Rudolf Bohren (1920-2010)
Ernst Lange had een tijdgenoot die dezelfde hartstocht voor de luisteraars en hun leefwereld had: Rudolf Bohren. In de jaren-’70 was lag het niet voor de hand om de overeenkomsten te zien. Op verschillende terreinen binnen de praktische theologie woedde een felle polemiek tussen aanhangers van een kerugmatische benadering en een meer therapeutische benadering over de rol van de sociaalwetenschappelijke vakken en het gebruik van empirische methoden. In de jaren-’90 zwakte de polemiek af en ontstonden dwarsverbanden en respect over en weer. Bohren raakte bijvoorbeeld bevriend met Dietrich Stollberg en er kwamen modellen en voorstellen die inzichten uit beide tradities wilden verwerken (Albrecht Grözinger, Peter Bukowski, Reiner Knieling, e.a.)
Bohren bespeurde in zijn tijd een grote sprakeloosheid, omdat het wonder van Gods spreken niet werd opgemerkt. Bohren vermoedde dat de grote aandacht voor de sociaalwetenschappelijke vakken en de retoriek een escape was om dat uitblijven van het wonder te ontvluchten, een vlucht in het perfectioneren van maakbare methoden en sociaal engagement. Bohren vond het uithouden van het zwijgen van God relevanter. Bohren begon aandacht te vragen voor het werk van de Geest en werkte zijn homiletiek ook pneumatologisch uit. Waar er in de christologie eenrichtingsverkeer is naar de mensen toe, is er in de pneumatologie samenwerking: de Geest werkt door middel van mensen, schakelt mensen in. Bohren werkte de ‘theologische reciprociteit’ van A.A. van Ruler uit op praktisch-theologisch gebied. Door deze gedachte van theologische reciprociteit wist hij het wonder van Gods spreken én menselijke methoden samen te nemen.
Bohren is een gepassioneerd theoloog, die onder andere een hartstocht heeft voor preken. Daarnaast een passie voor houthakken, skiën en dichten. Die hartstocht is in zijn preken en in zijn homiletiek te merken. Ook zijn passie voor literatuur verwerkt hij in zijn homiletiek. Door die passie en zijn aandacht voor literatuur – samen met de pneumatologische insteek – maakt zijn homiletiek vandaag de dag nog steeds waardevol.
Bohren wil de ervaring van mensen, van de prediker en de gemeente serieus nemen. Maar dan wel voor Gods aangezicht. Dat geeft respect voor God en de hoorders. Juist coram Deo komt de concrete hoorder in beeld. Het laatste deel van zijn Predigtlehre is ook gewijd aan de hoorders.
Bohren was een gepassioneerd man, die ook fel in polemieken kon zijn. Ook in zijn preken deinsde hij er niet voor terug om ‘hoekig’ te zijn. Steeds vroeg hij aandacht voor Bijbelgedeelten, waarover niet gepreekt werd omdat de prediker niet uit de voeten kon met dat Bijbelgedeelte: ‘de onbepreekte Bijbel’. Ook gaf hij aan dat het onderscheiden van de geesten vandaag de dag nog steeds van belang is.

Knieling is onder de indruk van de houding van Bohren: aan de ene kant volop aandacht voor de tijdgeest en tegelijkertijd dwarsig heeft gedacht en gehandeld vanuit het wonder van Gods handelen, het werken van de Heilige Geest. Het waardevolle uit het verleden wist hij gepassioneerd als een levende stem in het praktisch-theologische discours in te brengen. In een tijd waarin de empirie en het handelen dominant werd, bleef hij aandacht vragen voor het handelen en spreken van God.

8) Gabriel Marcel Martin (*1941)
Toen hij in 1983 aantrad als hoogleraar in Marburg hield Gabriel Marcel Martin zijn inaugurele rede over de preek als open kunstwerk. Zoals degenen die naar kunst kijkt, allemaal hun eigen interpretatie hebben, zo maken de luisteraars van de preek ook hun eigen interpretatie van de preek. Daarmee vestigde Martin de aandacht op de receptie van de preek bij de luisteraars. Elke luisteraar kan een preek anders opnemen.
Als elke luisteraar de preek weer anders opneemt, hoe zit het dan met de prediker die een eenduidige boodschap wil overbrengen? Met zijn pleidooi voor de preek als open kunstwerk wilde Martin aangeven dat de preek en de boodschap verschillend gehoord en geïnterpreteerd kan worden, maar niet dat elke interpretatie juist is. Het gaat hem er niet om dat de luisteraar met de preek aan de haal kunnen gaan, maar de oorzaken waardoor de preek zo verschillend wordt gehoord en geïnterpreteerd.

9) Albrecht Grözinger
Grözinger sluit zich aan bij Martin: de preek is een open kunstwerk. De aandacht gaat voor Grözinger niet alleen uit naar het effect van de preek op de hoorders, maar naar wat de preek in wezen is. Grözinger betrekt de esthetiek in de homiletiek. De preek zijn mensenwoorden over God. Deze kwetsbare mensenwoorden worden door God gebruikt, die zijn kracht in zwakheid toont. Preken is voor Grözinger eenvoudig (niet ingewikkeld én onbeschroomd) over God spreken. Grözinger sluit zich aan bij het model van de dialectische theologie: de prediker als getuige. Die getuige plaatst hij nadrukkelijk in de multiculturele samenleving.
De prediker die getuige is, spreekt met cortesia: met respect, eerbied en hoffelijkheid voor de ander. De prediker hanteert een tentatief spreken, waarin de eigen fascinatie, indruk of schrik doorklinkt.

10) Martin Nicol
Martin Nicol kwam in de VS in aanraking met de New Homiletics. Hij vertaalde die inzichten in een dramaturgische homiletiek, waarbij hij aandacht voor de preek als enscenering of als performance. De preek is geen spreken over God, maar een spreken vanuit  de werkelijkheid van God. De preek kan bij het oproepen en uitwerken van die werkelijkheid van god veel leren van film, creative writing, literatuur over het evoceren van beelden. Een belangrijk element in de homiletiek van Nicol is de spanning: de spanning dient opgezocht en uitvergroot te worden. In de dramaturgische homiletiek spreekt de dogmatiek een hartig woordje mee. (Nicol studeerde bij Friedrich Mildenberger.) Door bijvoorbeeld het opzoeken en uitdiepen van de spanning. Daarnaast houdt de dogmatiek het geloof levend dat in de verkondiging de levende Heer aanwezig is, de Opgestane die in deze werkelijkheid werkt. Het model van Nicol wordt gekenmerkt door enthousiasme en samenwerking met onder andere kunstenaars. Enthousiasme dat ontstaat door die spanningsvolle preken en door het gebruik maken van taal en beelden die in krant, tijdschrift, roman of film voorkomen. Nicol is betrokken bij Atelier Sprache, een homiletisch seminarie waaraan ook kunstenaars, regisseurs en acteurs lesgeven aan predikanten.

11) Eigen model van Knieling
Op basis van deze schets komt Knieling tot zijn eigen visie op preken en verkondiging:
– Als prediker spreek ik van God, die spreekt. God heeft beloofd om door mensenwoorden heen te spreken. Ik spreek van de Aanwezige, die werkt, niet van een effectloze Afwezige.
– Hoe en wat ik zeg, wordt bepaald door het spreken van God in mijn leven tot nu toe: door mijn eigen ervaring en waarneming van verkondiging en preken.
– Hoe en wat ik zeg wordt bepaald door een concrete tekst uit de Bijbel. Die tekst is net als een kunstwerk vanuit meerdere kanten te belichten. Door met die Bijbeltekst bezig te zijn op verschillende manieren zie ik mijn eigen ervaring terug.
– Ik waag als prediker een preek voor een concrete gemeente. Ik hoop dat mijn preken de aandacht van de gemeente krijgen en dat in de gemeente het vertrouwen op God wordt gesterkt en de onderlinge liefde wordt opgebouwd.
– Preken is eenvoudig over God spreken: moedig en onbeschroomd, basaal en begrijpelijk, to the point, gericht op wat de mensen bezighoudt en humorvol.
– Ik spreek niet over een vage God of een vaag gevoel, maar over de God die een geschiedenis heeft met zijn volk en de mensheid: de God van Abraham, Izak en Jakob, de Vader van onze Heer Jezus Christus.

Eenvoudig over God spreken is niet zo eenvoudig. Dat vraagt oefening, reflectie, inkeer en helderheid over mijzelf (keuzes, interesses, invloeden, beperkingen). Eenvoudig over God spreken gaat over de inhoud van de preek, niet over het effect. Hoe meer ik een bepaald effect beoog, hoe meer ik het risico loop van manipulatie.

Reiner Knieling – Was ist predigen?  Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 11-49

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s