Preek zondagmorgen 18 september 2016

Preek zondagmorgen 18 september 2016
Opening winterwerk
Schriftlezing: Exodus 17:8-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je zou het moeten zien, hoe het volk daar is in Rafidim:
het uitgebreide kamp met al die tenten die zijn opgezet.
In de verte kunnen ze de berg Sinaï al zien liggen
en die berg Sinaï is de plek waar ze naar onderweg zijn.
Daar, bij de Sinaï moeten ze zijn, want dat is de berg waar de Heere God woont.
Daar bij die berg kunnen ze Hem ontmoeten,
daar zal Hij zijn en zal Hij bij hen komen en met hen meegaan
naar het land, dat Hij heeft beloofd aan Abraham, Izaak en Jakob.
Nog maar even en ze zijn bij die berg en kunnen ze God ontmoeten,
de God die hen uit Egypte bevrijd heeft.
Ze zijn nu op de laatste rustplaats vóór ze bij die bijzondere plek komen.

Ook de plek waar ze nu zijn, is een bijzondere plek: Rafidim!
Weten jullie waarom Rafidim een bijzondere plek voor het volk is?
Er is daar een waterstroom, een beek die uit de berg komt.
Die beek, die waterstroom was er nog niet toen het volk er aankwam.
Er was helemaal geen water en de Israëlieten hadden zo’n dorst
dat ze vol boosheid naar Mozes toegingen:
‘Geef ons water, want zo kunnen wij niet leven.
Is dat je plan geweest, Mozes, om ons uit Egypte te halen
om ons hier naar de dood te brengen, om ons te laten sterven?
Goed, in Egypte hadden we het slecht, maar konden we tenminste leven.
Nu hebben we vrijheid, maar we kunnen niet verder leven door deze dorst!
En God, waarom laat Hij niet zien dat Hij voor ons kan zorgen?’
Rafidim – dat is een plek waar het volk mopperde op God, ontevreden was over God.

De Heere hoorde die ontevredenheid en gaf Mozes een opdracht:
Pak je staf en sla ermee op de rots en er zal water komen.
Dat is het wonder van Rafidim – God geeft water op een plek waar geen water is.
Het volk hoeft geen dorst te leiden, omdat de Heere water geeft.
God zorgt – ondanks de ontevredenheid die er bij het volk was.

Op die plek zijn ze – die bijzondere plek waar God water geeft op een bijzondere manier,
een bijzondere plek, omdat ze vlak bij de Sinaï zijn, de berg van God.
En dan gebeurt er iets: een aanval!
Een groep mensen die in de woestijn wonen en de woestijn kennen
heeft gemerkt dat er een groot volk door de woestijn is gekomen
en heel onverwacht en zonder dat er aanleiding is hebben ze aangevallen.
Wat er precies gebeurt, is niet duidelijk, maar het lijkt erop dat het een laffe aanval is.
Het volk Israël, dat niet berekend is op een gevecht , wordt aangevallen.
Er is niemand aangewezen die voor de verdediging moet zorgen.
Dat moet allemaal nog geregeld worden
en het volk Israël is helemaal gericht op de Sinaï.
Het laffe van deze aanval is niet alleen dat het een onverwachte aanval is
op een volk dat er niet op berekend is om te vechten,
maar het laffe is ook dat de Amalekieten aanvallen,
vlak voordat het volk bij de Sinaï is.
Een aanval die er op gericht is om het volk bij de Sinaï weg wil houden:
Israël mag niet bij de berg komen, omdat ze God niet mogen ontmoeten.
Daarom is de aanval van de Amalekieten in herinnering gebleven.
Deze aanval van de Amalekieten heeft iets
van wat het Nieuwe Testament vertelt over de aanvallen van de duivel:
die aanvallen zijn erop gericht om je bij God weg te houden.

Wat heeft Mozes om terug te vechten tegen de Amalekieten
terwijl ze daar eigenlijk niet op voorbereid zijn?
Wat Israël kan helpen is: bidden en vechten.
Dat vechten mag Jozua doen.
Jozua wordt door Mozes geroepen
en krijgt de opdracht mee: Verzamel een aantal mannen en val de Amalekieten aan.
Terwijl Jozua gaat vechten, gaat Mozes een berg op om daar te bidden.
Deze staf heeft hij eerder gebruikt:
om op de rotsen te slaan
en nog eerder om een pad te maken door de zee, waardoor het volk kon gaan.
Bovenop de berg ging Mozes staan en deed zijn arm omhoog.
Dat kan een gebaar van gebed zijn geweest, naar God toe
of een gebaar van zegen: Israël, de kracht van God is voor jullie.
Het kan ook een gebaar zijn, dat voor de Israëlieten een teken is:
De hand van Mozes geeft aan, dat God zelf voor ons strijdt.
We hoeven niet bang te zijn, er is Iemand die ons helpt.
Zolang de hand omhoog was, zag je dat de Israëlieten beter werden in de strijd
en zag je dat ze de Amalekieten wisten terug te dringen.
Maar Mozes’ arm werd moe en hij liet zijn arm zakken
en toen ging het andersom: de Israëlieten moesten achteruit
en de Amalekieten werden steeds sterker.
Er waren twee mannen bij Mozes: zijn broer Aäron en een ander: Hur.
Zij zorgden ervoor dat Mozes kon gaan zitten
en hielden allebei zijn armen omhoog, zodat Mozes’ armen werden gesteund.
Zo bleef de arm van Mozes omhoog, de hele dag door, totdat de zon onderging.
Zolang de arm van Mozes omhoog bleef,
waren de Israëlieten, die bij Jozua waren, sterker dan hun vijand.
Zo werd het volk Amalek verslagen: door de strijd van Jozua,
maar ook door wat Mozes deed: zijn arm omhoog,
een gebaar van overwinning, zegen, gebed.

Toen de strijd voorbij was, zei de Heere tegen Mozes:
Mozes, dit moet je voor iedereen opschrijven.
Nooit zul je meer iets over Amalek te horen krijgen.
Daarmee gaat het om wat Amalek heeft gedaan: Amalek gunde het niet
dat Israël over een korte tijd God zou ontmoeten bij de berg Sinaï.
Mozes en Israël, wie jullie bij Mij weghoudt, blijft niet overeind staan,
maar zal uiteindelijk verliezen.
Als je moet strijden, moet vechten, dan zul je winnen
Als je je kracht bij Mij zoekt – dat zegt de Heere tegen Israël.

Vandaag is het startzondag, opening winterwerk.
Vanaf volgende week beginnen de clubs weer, de bijbelkringen
een week later de catechisaties.
We horen dit verhaal van het volk Israël, van Amalek, van Mozes en Jozua.
Wat heeft dit verhaal voor ons te betekenen?
Ik kijk even naar de kinderen: wanneer moeten jullie vechten?
En dan bedoel ik niet vechten op het plein, thuis of op straat omdat je ruzie hebt.
Maar vechten, omdat je aangevallen wordt,
omdat er iemand of iets is die niet wil dat je naar de Heere God toe gaat?
Bijvoorbeeld bij het bidden – het lukt niet, omdat je gedachten afgeleid worden.
Kun je dat vergelijken met zo’n aanval als de Israëlieten hadden?
Of je wilt geloven, maar je hoort in jezelf steeds een stem: Dat is niet voor jou.
Dat is voor anderen, die beter zijn dan jij.
Ook dat kan een aanval zijn, omdat het je niet gegund wordt, dat je bij God bent.
Of je denkt bij jezelf: ik heb helemaal geen geloof nodig. Ik red me prima zonder God.
Ook dat kan zo’n aanval zijn.
Zo wat voorbeelden, waarmee ik wil proberen om te laten zien
Dat ook jullie aangevallen kunnen worden.
En ik hoop dat je dan net als Mozes en Jozua doet:
Aan de ene kant terugvechten:
tegen die gedachten waardoor je er met je hoofd niet bij bent bij het bidden,
tegen die stem in jou, die zegt: Jij hoort niet bij God, het is niet voor jou.
tegen die gedachte: ik kan best zonder God.
Maar dat je ook doet, net als Mozes: bij wijze van spreken de arm omhoog:
Heere, ik verwacht uw hulp.
Heere, ik vecht, maar ik kan de strijd niet aan. Zonder Uw hulp verlies ik. Heere, help!
Wilt U voor mij vechten en die vijand verslaan? Want anders verlies ik.
Het kan best zijn, dat je bidden opgeeft. Misschien maar voor even,
omdat je moe wordt, of omdat je bij jezelf denkt: Het helpt toch niet.
Kijk dan om je heen: naar je vader en je moeder, naar de mensen die hier in de kerk zijn,
naar de clubleiding.
Zij zijn net als Aäron en Hur – zij helpen je, zodat jij volhoudt om te bidden.
Zij steunen je armen, zodat je het volhoudt en zodat je met Gods kracht kunt winnen.
Je ouders, de clubleiding, de ouderlingen en diakenen en alle andere mensen in de kerk:
ze zijn net als Mozes.
Terwijl jij aangevallen wordt, wordt er voor jou gebeden.
Ook al zie je dat misschien niet.
Er zijn mensen die voor jou bidden, die je misschien helemaal niet kent.
Er zijn mensen die thuis voor je bidden,
misschien wel hele oude mensen die niet meer in de kerk komen,
maar die aan jullie denken en voelen: ik moet voor de kinderen, de jongeren bidden.
We bidden in de kerk, voor dat een vergadering begint, voordat een clubavond begint.
Er zijn in de kerk verschillende gebedskringen: op maandag en op woensdag.
Er wordt voor jou gebeden.
Als je aangevallen wordt, denk daar dan aan: Ik ben niet alleen, maar zovelen die voor mij bidden en de grote God, die sterker is dan wie ook – Hij strijdt voor mij.

Ik kijk ook even naar de clubleiding, naar degenen die catechese geven,
zondagsschool of kindernevendienst verzorgen, een Bijbelkring leiden.
jullie mogen het de kinderen, de tieners voorhouden: de echte strijd is al gestreden
en Christus heeft de overwinning behaalt.
Op club mogen jullie aan de kinderen, de tieners voorleven.

Of het kan zijn dat je zelf aangevallen wordt, waardoor de weg naar God geblokkeerd raakt.
Dat kan de onverschilligheid zijn,
die je soms merkt in de gemeente, bij medeclubleiders misschien wel
waardoor jezelf moedeloos wordt.
Dat kan je eigen twijfel zijn: ik doe dit, maar kan ik dit eigenlijk wel?
Of het gebrek aan resultaat: wat heeft het voor een zin dat ik dit doe?
Of misschien wel je eigen drukte. Zoveel dat je aandacht vraagt.
Allemaal venijnige aanvallen – en je kunt je zo weerloos voelen.
Zo wat voorbeelden, waarmee ik wil proberen om te laten zien
Dat ook jullie aangevallen kunnen worden.
En ik hoop dat je dan net als Mozes en Jozua doet:
Aan de ene kant terugvechten:
Die moedeloosheid moet mij niet gaan overheersen, want dan word ik zelf onverschillig.
Die twijfel moet niet te sterk worden, want wil ik niets liever dan stoppen als leid(st)er.
Dat gebrek aan resultaat – kan ik niet meer vertrouwen dat God ook mijn werk zegent?
Ook voor jullie geldt – hef je arm omhoog:
Een teken van gebed, van zegen voor jouzelf en wat je doet (ook in die strijd),
een teken dat de overwinning in Gods hand ligt.
Wat er ook gebeurt, niets is sterker dan Hij, niets is tegen Hem opgewassen.
Ik verwacht het in alles van Hem – in Zijn kracht.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars.
Als we aangevallen worden, mogen we weten: de echte strijd is al gestreden
en Christus heeft de overwinning behaalt.
En mocht je toch de moed verliezen: kijk om je heen en zie de mensen
die als een Mozes voor jou bidden,
of als een Aäron en een Hur zijn, die jou steunen in het gebed,
zodat je vol blijft houden in de strijd en ook in het gebed.
Zodat je mag weten: Zoals het de HEERE was, die tegen Amalek strijdt,
zo zal Hij voor mij strijden. Hij heeft dat belooft: Elke generatie opnieuw. Amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s