Preek zondagavond 12 juni 2016

Preek zondagavond 12 juni 2016
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Psalm 23:6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Margriet van der Kooi heeft een boek geschreven
waarin zij haar ervaringen beschrijft met de gesprekken die zij heeft als predikant
– gesprekken over God en ons.
Dat boek heeft de de titel gegeven: Pelgrims en zwervers.
Deze titel wil ik gebruiken om het laatste vers van Psalm 23 uit te leggen:
Ik zal in het huis van de HEERE verblijven in lengte van dagen.
Bij pelgrims en zwervers gaat het om mensen die hetzelfde kunnen meemaken,
dezelfde levensweg kunnen doormaken en toch heel verschillend zijn
vanwege het doel, de richting die zij hebben in het leven.
Met pelgrims bedoelt ze mensen die weten dat hun leven in Gods hand is.
Onderweg in het leven zien ze dat God er is – soms in hele kleine dingen.
Ook al ervaren ze niet altijd Gods aanwezigheid,
ze weten dat Hij er is en hen brengt op de plaats waar ze moeten zijn.
Pelgrims zijn mensen die weten dat ze geleid worden
en dat ze op een bestemming aankomen.
Om met het slot van Psalm 23 te spreken:
zij weten dat ze aankomen in het huis van de Heere,
ze weten dat ze daar voor langere tijd kunnen blijven.
Bij de Heere hebben ze onderdak gevonden.

Maar niet iedereen ziet Gods leiding of wil weten van Gods leiding.
Dat zijn de zwervers.
Een zwerver is iemand die door het leven gaat zonder doel.
Iemand die maar loopt, sjokt, sjouwt, dag in dag uit.
Mensen die geen bestemming hebben, geen doel en zomaar door het leven gaan.
Ze erwachten geen hulp, geen leiding van God.
Ze willen dat niet zien of ze kunnen dat niet zien.
Ze weten niet dat de Heere hun herder wil zijn.
Dat kan heel diep gaan: kan het gevoel geven dat je verdwaald bent.
Het kan aan je vreten en diep in je ziel gaan nestelen.

Pelgrims en zwervers: ze maken dezelfde dingen mee,
Pelgrims – degenen die weten van Gods leiding en dat ze door God aankomen,
hebben geen andere levensweg dan de zwervers,
maar ze hebben wel weet van de Heere, die hun herder is
die ervoor zorgt dat ze niet teveel in hun eentje gaan, maar mensen om zich heeb hebben
die hen helpen op hun levensweg.
Als ze struikelen een hand vinden die hen weer op de been helpt.
Die als ze niet meer weten waar ze heen moeten een stem horen,
soms van een ander mens, soms van de herder zelf,
waardoor ze weten dat er een herder is die hun leven bewaakt en richting geeft.
Die je bij Hem doet thuiskomen en je leven doel en richting geeft.
Ik keer terug in het huis van de Heere
en ik vind daar een vaste plek, en thuis.
Ik mag aankomen, thuiskomen.
Avondmaal is ook even thuiskomen, ervaren dat je zo’n plek hebt bij de Heere,
een vaste plek, de grazige weiden, de stille wateren,
waar je gesterkt wordt, verkwikt, even op adem.
Ik heb het al eens eerder gezegd: avondmaal is niet even langskomen, maar aankomen,
Aankomen bij de Heere – tot in lengte van dagen. Alle dagen van mijn leven.

Dat maakt nogal uit of je in het leven een zwerver bent,
Die wel doorgaat, maar eigenlijk niet weet waar je uit moet komen,
omdat je niet weet van je doel, omdat je niemand hebt die je de weg wijst.
Of dat je een doel hebt: een leven waarin God je de weg wijst
en waarop je door Gods leiding mag aankomen.
Met het avondmaal vieren we dat we weer een doel hebben gekregen van God
– teruggekregen -: een weg naar God.
Staan we erbij stil dat we niet meer hoeven te zwerven, zonder zin in ons leven,
omdat Jezus kwam,
de goede herder die kwam om het verlorene te zoeken en te redden.
Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar ik heb avondmaal ook weer nodig
om mij er weer aan te herinneren dat Hij mijn doel is,
omdat ik dat doel zo snel weer uit het oog verlies
en soms het gevoel heb dat ik alleen maar zwerf hier op deze aarde.
Het gedenken van Christus’ sterven bij het avondmaal
is ook erbij stil staan en dat meenemen de komende tijd in

dat Christus ons van zwervers pelgrims maakt, mensen met en bestemming:
leven met Hem.

Ik keer terug in het huis des Heeren.
Ik mag daar blijven, in Zijn huis, tot in lengte van dagen. Alle dagen van mijn leven.
Dat huis van de HEERE, dat is allereerst de tempel.
Maar de tempel dat is meer dan een gebouw alleen.
De tempel stond op een bijzondere plek: waar de hemel de aarde raakt,
waar God die in de hemel woont ook plek heeft op deze wereld,
waar je naar toe kunt gaan.
De tempel was een plek waar je de Heere kon opzoeken, waar je terecht kan.
De tempel als gebouw had ook een boodschap voor het volk:
Israël, jullie God wil onder jullie wonen, in jullie midden.
Dat is ook wat het avondmaal ons laat zien:
uw God, jouw God wil in jullie midden wonen.
Hij is niet een God die alleen maar in de hemel is, maar ook op aarde wil zijn,
onder ons – Hij heeft onder ons gewoond, Christus de levende tempel.
Ik wil jullie zijn, bij jullie zijn, in jullie midden – daarom ben je Mijn gast.
Tempel: welkom in Mijn gemeenschap.

De tempel is ook een plek waar je bescherming kunt zoeken bij God.
Schapen zijn vluchtdieren, zo leerde ik vorige week.
Ook wij als mensen hebben reden genoeg om te vluchten.
Dat de tafel gereed gemaakt wordt voor mij,
dat gebeurt voor de ogen van mijn tegenstanders, degenen die mij benauwen,
die mij opjagen met hun kritiek, verwonden met hun scherpe woorden,
die niet gunnen dat ik de rust bij de Heere vindt,
maar mij steeds bestoken.
Ik ben tegen hen niet opgewassen, kwetsbaar.
Juist als je met iemand anders over hoop ligt, kun je het gevoel hebben een zwerver te zijn,
onrust die je parten speelt, rust die niet te vinden is.
Ik hoor dat van ouders, van wie het huwelijk van een van de kinderen is stukgelopen,
de spanning en de onrust die dat met zich meebrengt.
Ik hoor over die spanning en die rusteloosheid, dat opgejaagd worden,
van iemand die niet opgewassen is tegen de scherpe woorden van anderen.
Dan kunnen de woorden over de grazige weiden, die stille wateren iets onwerkelijks hebben,
dat onbereikbaar is, iets van heel lang terug toen er nog niets was.
De tempel is een plek om asiel te vinden: bescherming bij God.
Achter de muren van de tempel, onder Gods vleugels een toevlucht.
Er is een plek waar ik veilig ben: ik ben veilig in Jezus’ armen.
Avondmaal is dat weer in herinnering roepen
dat we veilig zijn in Jezus’ armen
en dat geen enkele macht ons kan losrukken uit Zijn hand.
Asiel vinden – dat heeft ook de betekenis van de bescherming vinden
bij het kruis van Golgotha,
door dat kruis op Golgotha een open hemel,
waardoor God weer bereikbaar is
en we bij God in deze wereld een plek hebben waar we kunnen zijn.
Dat is ook wat we vanmorgen hebben gevierd:
dat de hemel is open gegaan en we bij God een thuis mogen hebben,
omdat Christus hier op aarde kwam om ons op te zoeken,
ons leven te delen:
een herder die gelijk wordt aan Zijn schapen
het niet alleen maar voor Zijn schapen opneemt, maar ook hun leven aanneemt,
Draagt en geneest van de zonde
en ons laat aankomen bij God.
Onze weg is al uitgestippeld: gebaande wegen, spoor van de gerechtigheid.
Een weg die al voorgevormd is, die er al is,
waarover wij kunnen lopen.
We hoeven niet te dwalen, als in een doolhof.
We hoeven niet zelf onze weg te banen, want die weg die is er.
Door het leven heen, zelfs door moeilijke perioden heen,
zelfs door de dood heen – een aankomen bij God.
Ik keer terug, zal verblijven in het huis van de Heere.
Dat spoor van de gerechtigheid, de gebaande wegen: torah, Bijbel, Gods wil
Leiding in ons leven.
Waarmee God ons terugbrengt bij Hem.
In Zijn gemeenschap.
Ook dat laat het avondmaal zien: dat ons leven bedoeld is
om aan te komen bij de Heere en voor altijd met Hem te leven.
Thuis bij de Heere, aankomen.


Dat aankomen bij de Heere en voor altijd bij Hem zijn is geen privéaangelegenheid.
Dat ik zal blijven in het huis van de Heere,
houd niet in dat ik daar alleen voor mijzelf ben,
afgezonderd van de wereld en dat ik niets meer met de wereld te maken heb.
Vanmorgen vertelde ik dat ik onlangs een conferentie had met collega-predikanten.
Die conferentie ging erover wat de kerk kan doen in een tijd
waarin het christelijk geloof op heel veel plekken in ons land onder druk staat
of zelfs dreigt te verdwijnen.
Waar wij dankbaar voor zijn: Gods leiding, Gods komst naar deze aarde,
een leven dicht bij Hem, in Zijn gemeenschap
wordt door heel veel niet nodig gevonden, ook niet gemist.
Hoe kunnen we dan in een tijd, waarin God eigenlijk niet eens zo wordt gemist,
toch het evangelie doorgeven?
In ieder geval doorgaan met de kerk, met avondmaal vieren,
geloven dat de kerk gebruikt wordt door God.
een open houding voor wat er om ons heen gebeurt.
Een dubbele houding:
midden in deze wereld staan, van je familie, van Oldebroek, van Nederland,
en tegelijkertijd dicht bij de Heere leven
en deze twee met al onze inzet doen.
Niet alleen kerk zijn voor ons alleen, maar ook voor de mensen om ons heen:
onze buren, onze familie, vrienden.
Door als wij bij de HEERE teruggebracht zijn in Zijn huis
en daar alle dagen van ons blijven
dat we dan niet onze ogen sluiten voor de mensen om ons heen,
maar hen meenemen in ons gebed,
Steeds weer opnieuw voor hen bidden.
En als zij niet kunnen geloven, of geen behoefte hebben om te geloven,
toch doorgaan.
In mijn begintijd had ik een mentor, die mij het verhaal vertelde
dat hij eens in een ziekenhuis bij iemand stond
die in ver was, niet meer bereikbaar voor de mensen om haar heen.
De dienstdoende zuster raadde af om te bidden: ‘Dat hoort ze toch niet meer.’
Toen wees hij met zijn vinger naar boven: ‘Maar Hij wel!’
Om zo in deze wereld te staan – vandaag weer in dat geloof gesterkt – Hij hoort wel!
Als anderen niet mee willen doen, dat wij dan in hun plaats voor hen bidden,
in hun plaats God groot maken, de verzoening die Hij bracht gedenken en vieren.
Ik zeg wel eens tegen ouders van wie de kinderen niet meer naar de kerk gaan
en er niets meer aan doen:
Wellicht kunnen ze alleen zo leven, omdat ze weten dat er voor hen gebeden wordt.
Bidden voor anderen is een van de belangrijkste taken die de kerk heeft,
in een tijd waarin het geloof op prijs gesteld wordt,
maar ook in een tijd waarin minder mensen van het geloof willen weten.
Je hoeft het niet tegen anderen te vertellen.
Dat God het weet is genoeg.
Maar dan moeten we ook open staan voor de kansen die God geeft.
We sluiten onze ogen om daarna scherper te zien
wat God doet en wat wij voor anderen kunnen doen.
We vouwen onze handen en geven daarmee aan
dat wij het niet doen, maar God,
maar dat Hij ons wel mag gebruiken
om anderen om ons heen bij Hem te brengen, mee te nemen op onze weg naar HEm toe.
Ik ben altijd weer verrast door de wegen die God gaat
om mensen weer terug te brengen bij HEm.

Wellicht dat we dan de moed vinden om daar toch over te beginnen.
Als we bevraagd worden,
Of als we de tijd nemen om te horen wat een ander dwars zit.
Dan stralen wij uit, dat er een herder is.
Mijn docent pastoraat had de definitie van pastoraat:
Vertellen dat er een herder is.
Dus ook aan mensen die zwerven, die geen idee hebben
Dat ook hun leven een doel en een richting kan hebben,
dat het ook voor hen kan zijn dat ze voor altijd uitkomen in het huis van de Heere
en daar voor altijd mogen blijven.
Alleen al door te luisteren kun je laten merken dat er een herder is,
Christus – je wordt gebruikt: een herder namens God.
Ik heb vaak de indruk in gesprekken
dat mensen niet zozeer tegen mij praten, maar met de Heere in gesprek zijn.
Daarom vinden mensen het belangrijk om van de kerk bezoek te hebben:
om te weten dat er ook voor hen een herder is,
die de moeite neemt om hen op te zoeken.
Iemand die de moeite neemt om voor hen te bidden en hen bij de goede herder te brengen.
Niet altijd heb je de gelegenheid om te vertellen over de goede herder.
Soms is het er zijn al genoeg.
Zo kunnen we voor anderen tot een herder worden.
Niet door woorden, maar door onze houding
en in onze houding iets uitstralen van hoe graag de Goede Herder
wil dat wij Hem vinden.ds. Hans Borst – hij ging tot voor kort wel voor in Oldebroek – heeft een boek geschreven over pastoraat, waarin hij vertelt over de depressiviteit van zijn vader.
Die depressiviteit kon niet meer genezen worden
en toch kwam de dokter elke week even langs.
Die vader vond dat heel bijzonder:
Ook al is er met mij niets meer te beginnen,
ik ben toch de moeite waard om bezocht te worden.
Zo kunnen we voor anderen tot een herder worden.
Niet door woorden, maar door onze houding
en in onze houding iets uitstralen van hoe graag de Goede Herder
wil dat wij Hem vinden.
Om voor altijd – niet alleen wij, maar ook de anderen om ons heen,
voor altijd bij Hem te zijn.
Eerst hier op aarde, maar later in de hemel als we helemaal bij Hem mogen zijn.
Amen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s