Pastoraat aan randleden

Pastoraat aan randleden

In een kerkelijke gemeente zijn er verschillende manieren van betrokkenheid. Er zijn actieve leden die naast het bezoeken van de eredienst (veel) taken binnen de gemeente hebben. Er zijn gemeenteleden die wel de zondagse erediensten bezoeken en weinig taken binnen de gemeente. Veel van deze gemeenteleden hebben wel taken buiten de gemeente: in hun gezin, als mantelzorger, bij een sportclub, als collectant, enz. Er is ook een groep gemeenteleden die de zondagse eredienst veel minder of helemaal niet bezoekt.

De gemeenteleden in deze groep worden vaak randleden of randkerkelijken genoemd. Een aantal van deze gemeenteleden aan de rand weten dat zij lid zijn. Zij waarderen als er aandacht van de kerk is, bijvoorbeeld in bezoek of meeleven. Er zijn ook gemeenteleden die deze aandacht niet op prijs stellen. Een belangrijke vraag voor het pastoraat is hoe we omgaan met deze gemeenteleden aan de rand. Wat kunnen we doen om hen toch te bereiken? Wat moeten we als deze gemeenteleden geen bezoek willen?

Randkerkelijk?
Eerst iets over de benaming van deze groep gemeenteleden.  In deze benaming klinkt een bepaalde norm door: als je lid bent van een gemeente hoor je je in te zetten voor de kerk of voor de gemeenschap en hoor je de zondagse erediensten te bezoeken. Voor een kerkelijke gemeente met een hervormde achtergrond zijn deze gemeenteleden net zo volwaardig als gemeenteleden die wel actief zijn.

Dat deze gemeenteleden de kerkdiensten niet bezoeken zegt niet alles. Ze kunnen om bepaalde reden opzien tegen het bezoeken van de kerkdiensten. Op hun eigen manier kunnen ze meeleven met de kerk waartoe ze behoren. Het valt mij vaak op hoezeer de gemeenteleden aan de rand op de hoogte zijn van wat er in de gemeente gebeurt. (Ik zie het kerkblad vaak onder handbereik liggen. )

Als gemeenteleden niet in de kerk komen, wil nog niet zeggen dat ze nergens aan doen.

Als de deur wordt opengedaan, word ik verbaasd aangekeken: ‘Wie bent u dan?’ ‘Dan bent u lang niet in de kerk geweest,’ zeg ik. ‘Ik ben uw dominee.’ ‘Dat dacht ik al.’ Het is de dag waarop deze vrouw een huwelijksjubileum heeft en ik mag binnenkomen. Haar man is er niet. Daarom maken we later een afspraak. In dat gesprek zegt de vrouw later: ‘Wij doen nergens aan.’ In de loop van het gesprek komt ter sprake dat ze bij het eten uit de Bijbel lezen en bidden. ‘U deed toch nergens aan?’ vraag ik. ‘Misschien doet u er wel meer aan dan u zelf beseft.’ We praten er over door hoe ze hun geloof kunnen ‘onderhouden’.

Vragen voor onszelf
Het lijkt allemaal vanzelfsprekend: kerkgang, huisbezoek, betrokkenheid op de gemeente. Contacten met ‘randleden’ dwingen ons om na te denken over de vraag waarom wij zelf dat doen.

  • Wat is voor onszelf de waarde van de kerkdienst? Wat mist iemand in onze ogen als hij of zij niet naar de kerk gaat?
  • Wat hebben wij zelf aan het huisbezoek?
  • Wat is in onze ogen de waarde van het huisbezoek voor de gehele gemeente (inclusief de ‘randleden’).
  • Waarom ben ik zelf betrokken bij de gemeente? Waarom vind ik het van belang dat ook anderen bij de gemeente betrokken zijn?

Contact met ‘randleden’ dwingen ons om na te denken over onze vanzelfsprekendheden.

Visie op het pastoraat
Wanneer we ermee te maken krijgen dat bezoek vanuit de kerk niet op prijs gesteld wordt, kan dat ook weer eens een aanleiding zijn om na te denken over de vragen:

  • Waarom doen we dat huisbezoek eigenlijk?
  • Wat hopen we met het bezoek te bereiken?
  • Wanneer is een bezoek een goed bezoek?
  • Is huisbezoek in deze tijd een goed middel daarvoor? Of moeten we op zoek naar andere manieren om hen te bereiken?
  • Wat zijn onze mogelijkheden als ‘ze’ geen contact willen? Moet je volhouden? Of moet je de weigering accepteren?

Redenen waarom ze zijn afgehaakt
In het pastoraat is opmerkzaamheid van groot belang. In sommige stromingen van het pastoraat gaat het om waarnemen zonder daar direct een waardeoordeel aan te verbinden. Door een niet-veroordelende waarneming kunnen we soms de redenen te weten komen waarom deze gemeenteleden niet betrokken zijn of niet naar de kerk komen:

  • Ze hebben de kerkgang nooit van thuis meegekregen.
  • Ze vinden geen aansluiting bij de mensen die bij deze kerkelijke gemeente horen. (Het valt mij op dat bij een verhuizing de overgang naar een andere kerk vaak niet vanzelfsprekend is en een reden is waarom mensen afhaken: ze kunnen geen ingang vinden.)
  • Ze voelen zich niet thuis vanwege de sfeer, de manier van kerkzijn en kerkdiensten, vanwege de boodschap die gebracht wordt.
  • Ze willen een signaal geven: als ik wegblijf, word ik dan gemist?
  • Ze kunnen opzien tegen de kerkgang (angst voor mensen, wat zullen ze wel niet denken?, schaamte)
  • Ze hebben moeite met de discipline en hebben niemand die hen ‘op sleeptouw neemt’.
  • Er kunnen ingrijpende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in hun leven: armoede, schulden, echtscheiding, teleurstellingen in God, in mensen van de kerk.
  • Ze hebben een conflict met de kerk, met mensen die een belangrijke plek in de kerk hebben of met familieleden die tot de kerk behoren.
  • Een teveel aan vacatures kan afschrikken: als ik naar deze kerk ga, moet ik ook wat gaan doen.

Met een open houding en zonder te beoordelen kan gevraagd worden naar de reden. Daarbij is het van belang wat zij dan zelf doen om hun geloof te onderhouden.

Wat is van belang?
In de jaren dat ik predikant ben heb ik geleerd dat er bepaalde zaken van belang zijn in de contacten met de ‘randleden’:

  • Ze voelen zich vaak geen randleden, maar vaak ‘gewoon’ gemeentelid, maar dan met een eigen invulling.
  • Een groot deel stelt op prijs om op dezelfde manier benaderd te worden als actievere gemeenteleden: rondom belangrijke momenten in het leven, in meeleven, enz.
  • De belangrijke momenten van het leven zijn vaak een goede ingang: een jubileum, een verjaardag, een geboorte, een overlijden van een vriend of een gemeentelid. Op dat soort momenten ben ik als predikant altijd van harte welkom en wordt het zelfs kwalijk genomen als ik niets van me laat horen.
  • Randleden zijn vaak erg betrokken op hun dorp. Hoe meer een kerk onderdeel is van een dorp, hoe eerder ze te benaderen zijn. Bid als kerk met vaste regelmaat voor het welzijn van het dorp.
  • Er kan nogal eens wantrouwen zijn: het is de kerk te doen om mijn geld, om mij als vrijwilliger ergens voor te strikken. Van belang is dat er niet alleen een vraag om geld komt, maar ook omgekeerd aandacht voor deze gemeenteleden, die niet zo in de picture zijn.
  • Ontwikkel als gemeente een antenne voor de mensen, die zelf de signalen niet doorgeven. Laat de mensen om hen heen, die wel actief bij de gemeente betrokken zijn, signalen doorgeven.
  • Zorg als gemeente voor lage instappen, zoals een AlphaCursus, een eenvoudige Bijbelkring, niet al te formele huisbezoeken.
  • Doe wat als gemeente van je verwacht wordt op een goede manier: de kerkdiensten op hoogtijdagen, begrafenisdiensten, begeleiding bij ziekte en rouw,  het huisbezoek, de aandacht en het meeleven.
  • Zoek naar creatievere en ‘laagdrempelige’ manieren van huisbezoek.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s